Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren

In het kort

Dit Koninklijk Besluit regelt de plaatsing van overheidsopdrachten in specifieke sectoren zoals water, energie, vervoer en postdiensten, ter uitvoering van Titel III van de wet van 15 juni 2006. Het beoogt een hervorming van de bestaande wetgeving en de omzetting van Europese Richtlijnen.

Wat het reguleert

  • De uitvoering van Titel III van de wet van 15 juni 2006 betreffende overheidsopdrachten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten.
  • De omzetting van niet-dwingende bepalingen van de Europese Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG.
  • De regels voor raming van opdrachten, bekendmaking, indiening van aanvragen en offertes, en kwalitatieve selectie.
  • De gunning van opdrachten via aanbesteding, offerteaanvraag en onderhandelingsprocedure, inclusief specifieke procedures zoals het dynamisch aankoopsysteem en elektronische veilingen.

Wie het betreft

  • Aanbestedende overheden en overheidsbedrijven die opdrachten plaatsen in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten.
  • Inschrijvers en kandidaten die deelnemen aan deze overheidsopdrachten.

Kernpunten

  • Het besluit is van toepassing op overheidsopdrachten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten.
  • Het omvat definities van gebruikte termen, bepalingen over het toepassingsgebied, marktverkenning, communicatiemiddelen, technische specificaties, varianten en opties, prijsmodaliteiten en het verbod op belangenvermenging en afspraken.
  • De vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking, die één enkele fase omvat, is alleen toegestaan voor opdrachten die de Europese drempels niet bereiken.
  • De regels voor raamovereenkomsten zijn opgenomen in het begrip "opdracht" en de plaatsing ervan moet gebeuren volgens de ramings- en mededingingsregels voor overheidsopdrachten.
Wettekst
Wettekst

16 JULI

  1. - Koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, hierna « de wet » genoemd, heeft tot doel de gehele wetgeving te hervormen die tot op heden gebaseerd is op de wet van 24 december 1993 en op diverse koninklijke besluiten. Zoals opgemerkt tijdens de parlementaire voorbereiding, beoogt de nieuwe wet ook de omzetting van de meeste niet-dwingende bepalingen van de Europese Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van 31 maart
  2. De dwingende bepalingen van de bedoelde richtlijnen werden reeds omgezet middels een aanpassing van de wet van 24 december 1993 en haar uitvoeringsbesluiten. Dit ontwerp van koninklijk besluit zorgt voor de uitvoering van titel III van de wet, die van toepassing is op de overheidsopdrachten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten. Het handelt evenwel niet over de opdrachten van de aanbestedende entiteiten in dezelfde sectoren, noch de overheidsopdrachten en de concessies voor openbare werken, die het voorwerp uitmaken van afzonderlijke ontwerpen. Het ontwerp bevat evenmin de specifieke voorschriften die van toepassing zijn op defensie- en veiligheidsgebied zoals bedoeld in Richtlijn 2009/81/EG, noch de algemene uitvoeringsregels voor de overheidsopdrachten en evenmin de bepalingen betreffende de bevoegdheidsdelegaties en sommige toezichtsmaatregelen voor de overheidsopdrachten op federaal niveau. Dit ontwerp van koninklijk besluit beoogt een totale omvorming van het koninklijk besluit van 10 januari
  3. In tegenstelling tot de gevolgde werkwijze bij dit laatste besluit, is het voorliggende ontwerp niet gestructureerd in functie van de aard van de overheidsopdracht. In 1996 werd voor deze werkwijze geopteerd omdat de opdrachten voor werken, leveringen en diensten werden behandeld in afzonderlijke Europese richtlijnen. De nieuwe Richtlijn 2004/17/EG heeft de vorige richtlijnen in één coherent geheel samengevoegd, zodat kan worden afgestapt van de werkwijze waarbij soms identieke bepalingen dienden te worden herhaald. Een zeker aantal bepalingen zijn overgenomen uit het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels betreffende de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken (met inbegrip van de bijlage houdende de Algemene aannemingsvoorwaarden) omdat het om bepalingen gaat waarmee de aanbestedende overheid en de inschrijvers reeds rekening dienen te houden bij de plaatsing van de opdracht. Vanzelfsprekend gelden deze bepalingen ook voor de interpretatie van de opdrachtdocumenten in de loop van de uitvoering van de opdracht. Er wordt erop gewezen dat met het woord « of » in dit ontwerp « en/of » wordt bedoeld. In dit ontwerp is grotendeels gevolg geven aan de opmerkingen geformuleerd door de Raad van State in zij advies 50.198/1 van 20 oktober
  4. Wat de aanhef betreft, moet worden opgemerkt dat het advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten op 6 juni 2011 is verstrekt en dat enkel de begeleidende brief aan de Ministerraad van 20 juli 2011 dateert. Wat betreft de opmerkingen van de Raad van State waaraan geen gevolg is gegeven, worden in de commentaar bij de kwestieuze artikelen telkens de beweegredenen hiervoor uiteengezet. Inzake de algemene - terminologische - opmerkingen van de Raad van State, inzonderheid wat betreft de blijvende inconsequenties in het gebruik van de begrippen 'plaatsing', 'gunning' en 'sluiting' in de Nederlandse tekst en de overeenkomstige noties 'passation', 'attribution' en 'conlusion' in de Franse tekst, zijn de nodige bijkomende aanpassingen doorgevoerd. Evenwel en zoals in de wet van 5 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/2011 pub. 29/08/2011 numac 2011021078 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 sluiten tot wijziging van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten is ervoor geopteerd de bedoelde begrippenopdeling niet door te trekken naar de benaming van de procedures. Immers, de noties 'gunningsprocedure' en 'gunningswijze' zijn niet alleen sterk ingeburgerd, maar de koppeling van de noties 'gunning' en 'procedure' is ook logisch vanuit de optiek dat de verschillen tussen de procedures net liggen in de manier waarop de beslissing over de keuze van de offerte zal gebeuren, waarmee dus wordt verwezen naar de gunning van de opdracht. Verder is geen gevolg gegeven aan de aanbeveling van de Raad van State om in het ontwerp een begripsomschrijving van de notie 'plaatsing' op te nemen. In tegenstelling tot wat geldt voor de noties 'gunning' en 'sluiting' zijn aan de notie 'plaatsing' in dit ontwerp immers geen specifieke juridische gevolgen verbonden, maar dient deze notie in de algemene betekenis van het woord te worden begrepen. Zodoende verwijst het eerder naar de procedurele aspecten. Overigens wordt het begrip 'plaatsing' in de Europese Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG eveneens gebruikt zonder dat hiervoor een definitie wordt gegeven. De Raad van State formuleert de algemene opmerking dat de Koning ook voor de speciale sectoren de regels dient te bepalen die van toepassing zijn op de raamovereenkomst. Zoals reeds opgemerkt in een antwoord aan de Raad van State, zijn de regels die specifiek betrekking hebben op de raamovereenkomst in de speciale sectoren, niet zo gedetailleerd als die betreffende de klassieke sectoren in Richtlijn 2004/18/EG. Bovendien kunnen, na het sluiten van de raamovereenkomst, de latere opdrachten worden geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking overeenkomstig artikel 53, § 2, 1°, g, van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten. Niettemin moet worden opgemerkt dat de raamovereenkomst in dit ontwerp vervat is in het begrip « opdracht » als bedoeld in artikel 2, 3°, en dat de plaatsing ervan bijgevolg moet gebeuren overeenkomstig de ramings- en mededingingsregels die op overheidsopdrachten van toepassing zijn. Enkel de latere opdrachten die op deze raamovereenkomst gebaseerd zijn, kunnen worden geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, zoals hierboven uiteengezet. Bijgevolg moeten in casu geen bijkomende regels worden bepaald. Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen, met name de definities van de in het besluit gebruikte termen, alsook bepalingen betreffende het toepassingsgebied, de marktverkenning, de communicatiemiddelen, de technische specificaties, de varianten en opties, bepaalde prijsmodaliteiten en het verbod inzake belangenvermenging en afspraken. Hoofdstuk 2 is gewijd aan de regels omtrent de raming van de opdracht. Hoofdstuk 3 groepeert alle bepalingen inzake bekendmaking. Hoofdstuk 4 omvat de regels inzake de indiening van de aanvragen tot deelneming en de offertes. Hoofdstuk 5 omvat de voorschriften inzake toegangsrecht en kwalitatieve selectie. Hoofdstuk 6 is gewijd aan de gunning van opdrachten bij aanbesteding en offerteaanvraag. Hoofdstuk 7 behandelt de gunning bij onderhandelingsprocedure. Hoofdstuk 8 groepeert de voorschriften betreffende de specifieke en aanvullende opdrachten en procedures, namelijk de promotieopdracht van werken, het dynamisch aankoopsysteem, de elektronische veiling, de werkenwedstrijd en de ontwerpenwedstrijd. Hoofdstuk 9 bevat de wijzigende en de slotbepalingen. Deze structuur is zo opgevat dat de hoofdstukken 1 tot 5 in de regel toepasselijk zijn op alle opdrachten en gunningsprocedures, tenzij de wet of dit ontwerp voor een bepaalde opdracht of procedure in een andersluidende regeling beschikken. INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK
  5. - Algemene bepalingen Afdeling
  6. - Inleidende bepaling Artikel 1 Afdeling
  7. - Definities en toepassing belasting over de toegevoegde waarde Art. 2 Afdeling
  8. - Toepassingsgebied Art. 3 Afdeling
  9. - Marktverkenning Art. 4 Afdeling
  10. - Communicatiemiddelen Art. 5 Afdeling
  11. - Technische specificaties en normen Art. 6 tot 8 Afdeling
  12. - Varianten, opties en percelen Art. 9 tot 11 Afdeling
  13. - Beroep op draagkracht van derden Art. 12 Afdeling
  14. - Prijsvaststelling, prijsbestanddelen en prijsherziening Art. 13 tot 20 Afdeling
  15. - Prijsonderzoek Art. 21 Afdeling
  16. - Belangenvermenging en afspraken Art. 22 en 23 HOOFDSTUK
  17. - Raming opdrachtbedrag Art. 24 tot 28 HOOFDSTUK
  18. - Bekendmaking Afdeling
  19. - Algemene bekendmakingsregels Art. 29 tot 31 Afdeling
  20. - Europese drempels Art. 32 en 33 Afdeling
  21. - Europese bekendmaking Art. 34 tot 41 Afdeling
  22. - Belgische bekendmaking Art. 42 tot 46 HOOFDSTUK
  23. - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes Afdeling
  24. - Termijnen - Algemene bepalingen Art. 47 tot 50 Afdeling
  25. - Termijnen bij Europese bekendmaking Art. 51 en 52 Afdeling
  26. - Termijnen bij Belgische bekendmaking Art. 53 en 54 Afdeling
  27. - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte Art. 55 Afdeling
  28. - Indieningsrecht en -wijze aanvragen tot deelneming en offertes Art. 56 tot 61 Afdeling
  29. - Verbintenistermijn Art. 62 HOOFDSTUK
  30. - Selectie kandidaten en inschrijvers - Toegangsrecht en kwalitatieve selectie Afdeling
  31. - Algemene bepalingen Art. 63 tot 65 Afdeling
  32. - Toegangsrecht Art. 66 tot 71 Afdeling
  33. - Kwalitatieve selectie Art. 72 tot 78 HOOFDSTUK
  34. - Gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag Afdeling
  35. - Vorm, inhoud en ondertekening offerte Art. 79 tot 81 Afdeling
  36. - Samenvattende opmeting en inventaris Art. 82 en 83 Afdeling
  37. - Interpretatie, fouten en leemten Art. 84 tot 86 Afdeling
  38. - Prijsopgave en percelen Art. 87 en 88 Afdeling
  39. - Indiening offertes Art. 89 en 90 Afdeling
  40. - Opening offertes Art. 91 tot 93 Afdeling
  41. - Onderzoek en regelmatigheid offertes Art. 94 tot 98 Afdeling
  42. - Gunning opdracht Art. 99 en 100 Afdeling
  43. - Sluiting opdracht Art. 101 tot 103 HOOFDSTUK
  44. - Gunning bij onderhandelingsprocedure Afdeling
  45. - Specifieke drempels Art. 104 Afdeling
  46. - Verloop en sluiting Art. 105 tot 109 HOOFDSTUK
  47. - Specifieke en aanvullende opdrachten en procedures Afdeling
  48. - Promotieopdracht van werken Onderafdeling
  49. - Algemene bepalingen Art. 110 tot 112 Onderafdeling
  50. - Opdrachtdocumenten Art. 113 tot 119 Afdeling
  51. - Dynamisch aankoopsysteem Art. 120 tot 124 Afdeling
  52. - Elektronische veiling Art. 125 tot 130 Afdeling
  53. - Werkenwedstrijd Art. 131 Afdeling
  54. - Ontwerpenwedstrijd Onderafdeling
  55. - Toepassingsvoorwaarden en jury Art. 132 tot 134 Onderafdeling
  56. - Raming en bekendmaking Art. 135 tot 137 HOOFDSTUK
  57. - Slotbepalingen Art. 138 tot 142 HOOFDSTUK
  58. - Algemene bepalingen Afdeling
  59. - Inleidende bepaling Artikel 1.Artikel 1 verwijst naar Richtlijn 2004/17/EG van 31 maart
  60. Het ontwerp zorgt voor de omzetting van sommige bepalingen van deze richtlijn, in de mate dat deze nog niet werden omgezet door de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten. Afdeling
  61. - Definities en toepassing belasting over de toegevoegde waarde Art. 2.Paragraaf 1 van dit artikel bevat de definities van in de wet en in dit ontwerp van koninklijk besluit gebruikte begrippen. Een dergelijk artikel is niet opgenomen in het koninklijk besluit van 10 januari
  62. Het in de bepaling onder 2° omschreven begrip « aanbestedende overheid » omvat zowel een aanbestedende overheid als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet als en overheidsbedrijf als bedoeld in punt 2 van hetzelfde artikel. Het in de bepaling onder 3° omschreven begrip « opdracht » omvat alle soorten opdrachten, overeenkomsten en wedstrijden als bedoeld in artikel 3 van de wet. Deze definitie heeft tot doel herhaalde opsommingen te vermijden die de tekst nodeloos zouden verzwaren. De bepaling onder 4° handelt over een nieuwe vorm van onderhandelingsprocedure met bekendmaking. Deze vorm voldoet aan de definitie van artikel 3, 8°, van de wet. Het gaat dus niet om een nieuwe procedure. Kenmerkend is dat de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking slechts één enkele fase omvat : toegangsrecht, kwalitatieve selectie en onderzoek van de inhoud van de offertes. Deze procedure, die is ingevoerd in het kader van de administratieve vereenvoudiging, is op dat vlak vergelijkbaar met de open procedure, in die zin dat de geïnteresseerden onmiddellijk een offerte indienen. In tegenstelling tot bij de open procedure is bij de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking, zoals overigens bij alle andere vormen van onderhandelingsprocedure, evenwel geen zitting voor de opening van de offertes vereist en mag er worden onderhandeld. De vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking is niet vermeld in Richtlijn 2004/17/EG. Het gebruik ervan is dan ook slechts toegestaan voor de opdrachten die de Europese drempels vermeld in artikel 30 niet bereiken. Het gevolg van haar specifieke vorm, en met name van het feit dat ze één enkele fase omvat, is bovendien dat niet alle bepalingen van dit ontwerp die handelen over de onderhandelingsprocedure met bekendmaking zonder meer op haar kunnen worden toegepast. Verder wordt verwezen naar de commentaar van hoofdstuk
  63. De bepalingen onder 5° tot 8° definiëren de verschillende vormen die de opdrachten inzake prijsvaststelling kunnen aannemen. Ze hernemen op een meer nauwkeurige wijze de bepalingen die nu zijn vervat in artikel 86 van het koninklijk besluit van 10 januari
  64. De bepaling onder 5° verduidelijkt wat wordt bedoeld met een opdracht tegen globale prijs. De draagwijdte ervan wordt niet gewijzigd. De bepaling onder 6° definieert de opdracht tegen prijslijst. De tekst van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 gaat niet nader in op de vermelding van de hoeveelheden die vermoedelijk zijn of uitgedrukt worden binnen een vork. Deze verduidelijking is evenwel belangrijk omdat ze de inschrijvers de mogelijkheid biedt de prijs met kennis van zaken vast te stellen, vooral in de gevallen waarin de bestelde hoeveelheden sterk kunnen variëren. Deze posten worden verrekend op basis van de werkelijk bestelde en gebruikte hoeveelheden. De precisering « bestelde » heeft tot doel te vermijden dat de opdrachtnemers meer zouden presteren en factureren dan wat volgens de bestelling was voorzien. De bepaling onder 7° neemt de definitie van de opdracht tegen terugbetaling over die inhoudelijk niet gewijzigd wordt. De formulering « als winst toe te passen verhogingen » is evenwel vervangen door de term « verhogingen » die een ruimere draagwijdte heeft. De verhogingen omvatten niet enkel de winst, maar kunnen ook de administratiekosten, de bouwplaatskosten of andere algemene kosten omvatten. De bepaling onder 8° neemt de definitie van de gemengde opdracht ongewijzigd over. De bepalingen onder 9° en 10° definiëren de samenvattende opmeting en inventaris en hernemen op een meer precieze wijze de bepalingen van de artikelen 84, § 1, eerste lid, en 85, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 januari
  65. De bepaling onder 11° verduidelijkt wat wordt bedoeld met een variante. In Richtlijn 2004/17/EG is dit begrip niet gedefinieerd, net zomin trouwens als in het koninklijk besluit van 10 januari
  66. Deze verduidelijking bleek evenwel nuttig teneinde het onderscheid te kunnen maken met de optie. De variante vormt een alternatieve conceptie- of uitvoeringswijze die hetzij op verzoek van de aanbestedende overheid, hetzij op initiatief van de inschrijver, wordt ingediend. Deze alternatieve conceptie- of uitvoeringswijze heeft betrekking op een deel van de opdracht, dat altijd noodzakelijk is voor de uitvoering ervan. Bijvoorbeeld, voor een voertuig : een benzinemotor, met een variante die een dieselmotor aanbiedt; voor vensters : ramen in PVC met een variante voor ramen in aluminium. De bepaling onder 12° definieert het begrip « optie ». Het gaat om een tot dusver nog niet gedefinieerd begrip dat echter gebruikt wordt in Richtlijn 2004/17/EG. De optie vormt ten opzichte van het basisproject een element dat niet strikt noodzakelijk en bijkomstig is voor de uitvoering van de opdracht, dat wordt ingediend hetzij op verzoek van de aanbestedende overheid, hetzij op initiatief van de inschrijver. Het gaat bijvoorbeeld, voor een voertuig : om de levering van een trekhaak; bij een opdracht voor werken, om de aanleg van een bijkomende kelder voor een gebouw. De optie vormt geen voorwaardelijk gedeelte in de zin van artikel 37, § 1, van de wet. De bepalingen onder 13° tot 17° definiëren de technische specificaties, de norm, de Europese technische goedkeuring, de gemeenschappelijke technische specificaties en het technisch referentiekader. Deze begrippen zijn terug te vinden in bijlage XXI van Richtlijn 2004/17/EG. Deze definities blijven ongewijzigd ten opzichte van deze vermeld in het koninklijk besluit van 10 januari
  67. Paragraaf 2 van artikel 2 bepaalt dat elk bedrag vermeld in het ontwerp steeds zonder belasting over de toegevoegde waarde is. Deze verduidelijking heeft als bedoeling om de tekst van het besluit niet nodeloos te verzwaren. Afdeling
  68. - Toepassingsgebied Art. 3.Dit artikel bepaalt in zijn eerste lid het toepassingsveld van het ontwerp dat betrekking heeft op de opdrachten die onder titel III van de wet vallen. Het tweede lid bevat een bepaling die vergelijkbaar is met die vervat in de artikelen 1, § 1, tweede lid, 22, § 1, tweede lid, en 43, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari
  69. In uitvoering van artikel 44, tweede lid, van de wet, vormt de bijlage 1 van dit besluit een niet-limitatieve lijst van overheidsbedrijven als bedoeld in artikel 2, 2°, van dezelfde wet. Zoals vermeld in de memorie van toelichting tracht deze lijst zo volledig mogelijk te zijn. Nochtans kan het voorkomen dat personen die beantwoorden aan de definitie van overheidsbedrijf, niet in de lijst zijn opgenomen. Deze personen zijn niettemin aan de toepassing van de wetgeving onderworpen. Omgekeerd zal een persoon die in de lijst voorkomt maar die niet langer beantwoordt aan de definitie van overheidsbedrijf, niet meer onderworpen zijn. Afdeling
  70. - Marktverkenning Art. 4.Dit artikel dat een marktverkenning toelaat, vormt een nieuwe bepaling waarvan het principe vermeld is in de overweging 15 van Richtlijn 2004/17/EG. Deze bepaling erkent de geldigheid van de praktijk waarbij de aanbestedende overheden de evolutie van de producten en technieken op de markt volgen. Deze marktverkenning moet plaatsvinden vóór het uitschrijven van de gunningsprocedure en mag ook niet leiden tot enige vorm van vooronderhandelingen met bepaalde ondernemingen. Een dergelijke marktverkenning mag bovendien niet tot een verhindering of vertekening van de mededinging leiden, wat met name het geval kan zijn indien de technische specificaties van een overheidsopdracht een fabrikaat of een techniek zouden vermelden welke specifiek betrekking heeft op een bepaalde onderneming, wat in strijd zou zijn met artikel 7, § 2, eerste lid, van het ontwerp. Afdeling
  71. - Communicatiemiddelen Art. 5.Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke uitvoering van artikel 10 van de wet betreffende de communicatiemiddelen. Deze bepaling moet eveneens in verband worden gebracht met de definities van schriftelijk stuk en elektronisch middel vervat in de wet, alsook met de bepalingen van artikel 56 betreffende inzonderheid het gebruik van elektronische middelen voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes. Artikel 5, § 1, verduidelijkt net zoals artikel 66ter van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en artikel 48, 3, van Richtlijn 2004/17/EG dat, ongeacht of elektronische middelen worden gebruikt, de mededeling, uitwisseling en opslag van informatie zodanig moeten plaatsvinden dat de integriteit van de gegevens en de vertrouwelijkheid van de offertes en van de aanvragen tot deelneming gewaarborgd worden en dat de aanbestedende overheid pas bij het verstrijken van de voorziene termijn kennisneemt van de inhoud ervan. Paragraaf 2 van artikel 5 bepaalt vervolgens het gevolg dat moet worden gegeven aan een schriftelijk stuk dat met elektronische middelen is opgesteld en dat in de ontvangen versie een macro, een computervirus of een andere schadelijke instructie vertoont. Het is mogelijk dat de ontvangen versie door de bestemmeling in een veiligheidsarchief wordt opgenomen. Indien zulks technisch noodzakelijk is, wordt het document als niet ontvangen beschouwd en wordt de afzender van het schriftelijk stuk hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht. De bestemmeling kan eveneens beslissen het bewuste document te aanvaarden, indien hij meent het zonder risico te kunnen lezen of desinfecteren, teneinde niet enkel zijn computersysteem, maar ook de integriteit van dat document te vrijwaren. De bestemmeling die een dergelijke verrichting overweegt, moet zich ervan vergewissen dat hierdoor de inhoud van het document niet zal worden gewijzigd. De bevoegde overheid is verantwoordelijk voor de eindbeslissing en moet erop toezien dat het gelijkheidsbeginsel wordt nageleefd. Indien het document een aanvraag tot deelneming of een offerte is, is de aanpak evenwel anders. Indien zulks technisch noodzakelijk is, kan de aanvraag tot deelneming of de offerte geweerd worden overeenkomstig artikel 56, § 1, 2°. De selectie- of de gunningsbeslissing moet de verwerping motiveren. Wanneer het ontvangstsysteem van de offertes de macro of de infectie ontdekt, mag de aanbestedende overheid de kandidaat of inschrijver hiervan niet onmiddellijk in kennis stellen. De kandidaten of inschrijvers in kwestie mogen immers niet de kans krijgen om alsnog een schriftelijk stuk in te dienen dat aan de voorschriften voldoet en hun kandidatuur of offerte te regulariseren, aangezien de gelijke behandeling van de concurrenten die een papieren gegevensdrager of klassieke transmissietechnieken gebruiken, hierdoor in het gedrang zou komen. De informatie zal gebeuren volgens de op dat vlak toepasselijke bepalingen. Paragraaf 3 bepaalt dat de aanbestedende overheid het gebruik van elektronische middelen kan toestaan voor de verzending van andere schriftelijke stukken dan de aanvragen tot deelneming of de offertes, zoals bijvoorbeeld verduidelijkingen, prijsverantwoordingen. Dezelfde regel is toepasselijk voor de kandidaten of inschrijvers. Het tweede lid van paragraaf 3 voegt hieraan toe dat wanneer een bepaling van het besluit vermeldt dat een verzending aangetekend moet plaatsvinden of worden bevestigd, dit zowel met een fysieke aangetekende brief als met een elektronische aantekende zending, zij het telkens met ontvangstmelding kan gebeuren. De aangetekende verzending moet een bewijs leveren van de volgende elementen : - de identiteit van afzender en bestemmeling; - het feit van de verzending van een bericht evenals de datum en het tijdstip van verzending; - de ontvangst van het bericht door de bestemmeling en de datum en het tijdstip van ontvangst; - de inhoud van het bericht in het geval van een elektronische aangetekende zending. Afdeling
  72. - Technische specificaties en normen Art. 6.Dit artikel heeft betrekking op de technische specificaties als bedoeld in artikel 41 van de wet en met name ook in de artikelen 68bis et 69 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en in bijlage XXI van Richtlijn 2004/17/EG. Artikel 2, 13° tot 17°, van dit ontwerp bevat een definitie van deze specificaties. Zoals artikel 68bis, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, bepaalt paragraaf 1 van artikel 6 dat de aanbestedende overheid de technische specificaties opneemt in de opdrachtdocumenten. Artikel 34, 1, alsook overweging 42 van Richtlijn 2004/17/EG gaan nader in op een bekommernis die zeer ruim geformuleerd is op Europees niveau. Ze betreft het in overweging nemen van toegankelijkheidscriteria in de technische specificaties, teneinde rekening te houden met de behoeften van alle gebruikers, met inbegrip van personen met een handicap. De paragrafen 2 tot 5 behandelen de technische specificaties, het aantonen van de overeenstemming met de voorschriften van de technische specificaties, naargelang ze werden aangegeven door verwijzing naar normen of functionele eisen, en het voorschrijven van milieukenmerken. De overweging 42 van de richtlijn luidt als volgt : « De door aankopers opgestelde technische specificaties moeten de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging mogelijk maken; daartoe moet het mogelijk zijn inschrijvingen in te dienen waarin de diversiteit van de technische oplossingen tot uiting komt. Te dien einde moeten enerzijds de technische specificaties kunnen worden opgesteld in termen van prestaties en functionele eisen en moeten anderzijds, bij verwijzing naar de Europese - of bij ontstentenis daarvan naar de nationale - norm, inschrijvingen op basis van andere gelijkwaardige oplossingen die voldoen aan de voorschriften van de aanbestedende diensten en die qua veiligheid gelijkwaardig zijn, door de aanbestedende diensten in overweging worden genomen. Om de gelijkwaardigheid aan te tonen, moeten de inschrijvers elk bewijsmiddel kunnen gebruiken. De aanbestedende diensten moeten iedere beslissing dat er geen sprake is van gelijkwaardigheid, kunnen motiveren. Aanbestedende diensten die in de technische specificatie van een bepaalde opdracht milieueisen wensen op te nemen, kunnen de milieukenmerken en/of het milieueffect van specifieke productgroepen of diensten voorschrijven. Zij kunnen, zonder dat daartoe een verplichting bestaat, de passende specificaties gebruiken die zijn omschreven in milieukeuren, zoals de Europese milieukeur, (pluri-)nationale milieukeuren of een andere milieukeur indien de vereisten voor de keur zijn ontwikkeld en aangenomen op grond van wetenschappelijke gegevens via een proces waaraan de betrokkenen, zoals regeringsinstanties, consumenten, fabrikanten, kleinhandel en milieuorganisaties, kunnen deelnemen en indien de keur toegankelijk en beschikbaar is voor alle betrokken partijen. De aanbestedende diensten moeten, indien mogelijk, technische specificaties vaststellen die rekening houden met de toegankelijkheidscriteria voor gehandicapten of een voor alle gebruikers geschikt ontwerp. De technische specificaties moeten duidelijk worden aangegeven, zodat alle inschrijvers weten waarop de door de aanbestedende dienst gestelde eisen betrekking hebben. ». Een toepassingsvoorbeeld van dergelijke technische specificaties kan onder meer worden gevonden in de omzendbrief P & O/DO/1 van 27 januari 2005 betreffende de implementatie van het duurzame ontwikkelingsbeleid bij de overheidsopdrachten van leveringen gelanceerd door aanbestedende overheden van de federale overheid die behoren tot de klassieke sectoren (Belgisch Staatsblad van 4 februari 2005). Art. 7.Dit artikel stemt overeen met artikel 69 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, betreffende de mededeling door de aanbestedende overheid van de technische specificaties die in de regel bedoeld worden in haar opdrachten of waarnaar zij wil verwijzen in haar opdrachten. Art. 8.Paragraaf 1 van dit artikel vormt een nieuwe bepaling. Hij zorgt voor de omzetting van artikel 34, 2, van Richtlijn 2004/17/EG dat herinnert aan het principe dat de technische specificaties de inschrijvers gelijke toegang moeten bieden en niet tot ongerechtvaardigde belemmeringen voor de mededinging mogen leiden. Paragraaf 2 bevat in een aangepaste vorm, de bepalingen van artikel 71 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en zorgt voor de omzetting van artikel 34, 8, van Richtlijn 2004/17/EG. Deze bepaling verbiedt de invoering van technische specificaties die producten vermelden van een bepaald fabrikaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze, of die verwijzen naar een merk, een octrooi, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie waardoor bepaalde ondernemingen kunnen worden bevoordeeld of geëlimineerd. Een dergelijke verwijzing is slechts uitzonderlijk toegestaan, hetzij wanneer het voorwerp van de opdracht dit rechtvaardigt (bijvoorbeeld voor de aankoop van wisselstukken die, om technische redenen, van een bepaald merk moeten zijn of in geval van een wereldmonopolie), hetzij wanneer een voldoende nauwkeurige en duidelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht conform artikel 6, § § 2 en 3 niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de vermelding of verwijzing vergezeld gaan van de woorden « of gelijkwaardig » (cf. in dat verband m.n. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 24 januari 1995, zaak C-359/93, Commissie van de Europese Gemeenschappen versus Koninkrijk der Nederlanden en de beschikking van het Hof van 3 december 2001, zaak C-59/00, Bent Mousten Vestergaard versus SpOttrup Boligslkab). In dit verband kan ook worden verwezen naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 23 juni 2004 betreffende het verbod om in de bepalingen van een opdracht technische specificaties op te nemen die het gewone verloop van de mededinging beperken of uitsluiten (Belgisch Staatsblad van 25 juni 2004) alsook naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 8 december 2006 betreffende de technische specificaties van microprocessoren in het kader van federale informaticaopdrachten (Belgisch Staatsblad van 15 december 2006). Afdeling
  73. - Varianten, opties en percelen Art. 9.Paragraaf 1 van dit artikel gaat nader in op de diverse soorten varianten zoals omschreven in artikel 2, punt 11°. De benadering inzake verplichte varianten wordt niet gewijzigd ten opzichte van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, terwijl die inzake de facultatieve varianten fundamenteel gewijzigd wordt. Om na te gaan of zowel de basisofferte als de variante regelmatig zijn, is een tweeledig onderzoek vereist. Dit onderzoek betreft in de eerste plaats de indiening van deze verschillende soorten offertes. Als deze fase goed is doorlopen, dient vervolgens de regelmatigheid van elk van de ingediende offertes te worden onderzocht om de eventuele wederzijdse beïnvloeding ervan te bepalen op het gebied van de regelmatigheid. Bij verplichte varianten moet de inschrijver bijvoorbeeld een offerte indienen zowel voor de basisofferte als voor elke verplichte variante, op straffe van volledige onregelmatigheid van zijn offerte. Bij facultatieve varianten kan de inschrijver voortaan een offerte indienen voor één of meerdere varianten en is hij niet langer verplicht een offerte in te dienen voor een basisoplossing. De aanbestedende overheid kan evenwel één bepaalde facultatieve variante als basisoplossing aanduiden en verplichten daarvoor een offerte in te dienen. Deze nieuwe bepalingen bieden meer soepelheid en zijn bedoeld om de mededinging te bevorderen. De afwezigheid van een facultatieve variante leidt dus niet noodzakelijk tot de onregelmatigheid van de basisofferte. Indien enkel een facultatieve variante zonder offerte voor de basisoplossing wordt ingediend, moet de volledige offerte als onregelmatig worden beschouwd indien de opdrachtdocumenten de indiening van een dergelijke offerte oplegden. Anders zal dit niet het geval zijn. De indiening van vrije varianten gebeurt op initiatief van de inschrijver. Bij offerteaanvraag moet de inschrijver nauwkeurig aangeven welke zijn basisofferte is en welke zijn vrije variante(n). Bij onderhandelingsprocedure kan dit in de loop van de onderhandelingen gebeuren. Indien vrije varianten toegestaan zijn, kunnen verschillende varianten betrekking hebben op één of meer posten. De opdrachtdocumenten kunnen hieromtrent evenwel beperkingen opleggen. Voor de opdrachten die verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, gelden twee voorwaarden. Enerzijds moet de aanbestedende overheid in de aankondiging en eventueel in de andere opdrachtdocumenten vermelden of zij de indiening van vrije varianten toelaat. Zoniet zijn ze niet toegelaten en moeten ze gewoon worden afgewezen, aangezien enkel de basisofferte in aanmerking wordt genomen. Anderzijds moet zij de minimumeisen bepalen waaraan deze varianten moeten voldoen (ze kan bijvoorbeeld vermelden dat een vrije variante betrekking mag hebben op een bepaald technisch aspect van de geplande opdracht). Aan deze laatste voorwaarde kan worden voldaan door in het algemeen te verwijzen naar de minimumeisen in de opdrachtdocumenten. Voor de opdrachten die niet verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, is het indienen van vrije varianten, waarvoor de aanbestedende overheid geen voorafgaande eisen heeft bepaald, steeds mogelijk, tenzij de opdrachtdocumenten die mogelijkheid uitsluiten. Het verbod om vrije varianten in te dienen, kan gepaard gaan met een sanctie van absolute nietigheid in de opdrachtdocumenten. Deze vermelding is evenwel af te raden omdat ze nadelige gevolgen kan hebben voor de mededinging en de economische doeltreffendheid. Wat de invloed van de regelmatigheid van een werkelijk ingediende variante betreft, wordt opgemerkt dat de onregelmatigheid van een ingediende verplichte variante ertoe leidt dat deze als niet-bestaande wordt beschouwd. Deze hypothese sluit dus aan bij die waarbij geen dergelijke offerte werd ingediend en leidt tot de afwijzing van de basisofferte en van de variante. Hetzelfde geldt wanneer de basisofferte onregelmatig is. De onregelmatigheid van de facultatieve variante leidt daarentegen enkel tot de afwijzing van deze laatste en niet van de regelmatige basisofferte. Indien de basisofferte onregelmatig is en de facultatieve variante regelmatig, kan deze laatste in aanmerking worden genomen en moet de volledige offerte, gezien de nieuwe benadering van dit besluit niet meer als onregelmatig worden beschouwd. De aanbestedende overheid kan beslissen een vrije variante niet in aanmerking te nemen. Ze moet haar beslissing evenwel motiveren op basis van bijvoorbeeld technische elementen of andere factoren zoals de prijs, de budgettaire verplichtingen of de uitvoeringstermijnen. De indiening van een onregelmatige vrije variante leidt niet tot de onregelmatigheid van de basisofferte, tenzij de opdrachtdocumenten bepalen dat alle offertes in dat geval absoluut nietig zijn. Deze vermelding is evenwel af te raden omdat ze de aanbestedende overheid elke beoordelingsmarge ontneemt. Indien een dergelijke vermelding daarentegen ontbreekt, dient enkel de onregelmatige vrije variante te worden afgewezen. Paragraaf 2 expliciteert dat de verschillende soorten varianten bij alle gunningprocedures kunnen worden gebruikt. De vrije variante blijft evenwel uitgesloten bij aanbesteding. Daarnaast verduidelijkt deze paragraaf dat ze, hetzij met een afzonderlijke offerte, hetzij met een deelofferte kunnen worden ingediend. Paragraaf 3 bevat een bepaling die opgenomen is in artikel 36, § 2, van Richtlijn 2004/17/EG, alsook in artikel 70, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari
  74. Volgens deze bepaling mag een variante niet worden afgewezen enkel omwille van het feit dat, indien de aanbestedende overheid ze zou aanvaarden, een opdracht voor diensten een opdracht voor leveringen zou worden of omgekeerd. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn voor een opdracht betreffende de ontwikkeling van software via een opdracht voor diensten, terwijl een concurrent als variante een softwarepakket zou indienen dat voldoet aan de eisen van de aanbestedende overheid. Art. 10.Dit artikel van het ontwerp behandelt de in artikel 2, punt 12°, omschreven opties. Paragraaf 1 maakt een onderscheid tussen de verplichte en vrije opties. In het eerste geval dient de aanbestedende overheid, net zoals bij de verplichte varianten, het voorwerp, de aard en de draagwijdte ervan te omschrijven in de opdrachtdocumenten en zijn de inschrijvers verplicht een bod te doen voor deze opties. Het tweede geval betreft de vrije opties. Deze kunnen op eigen initiatief door de inschrijvers worden ingediend. Volgens paragraaf 2 wordt het bod voor de opties afzonderlijk vermeld in de offerte. Deze bepaling maakt het ook mogelijk om vrije opties in te dienen bij aanbesteding, op voorwaarde dat aan een dergelijke optie geen meerprijs of een andere tegenprestatie wordt verbonden. Dit verschil met de vrije variante, die in het kader van de aanbesteding zoals eerder vermeld niet is toegestaan, is gerechtvaardigd omdat de optie enkel betrekking heeft op een bijkomend element. De mogelijkheid die de aanbestedende overheid wordt geboden om, zelfs bij aanbesteding, vrije opties in aanmerking te nemen kan haar voordelen opleveren, daar aan het bestellen van de optie geen meerprijs kan worden verbonden. Krachtens paragraaf 3 is de aanbestedende overheid nooit verplicht gebruik te maken van een optie bij het sluiten van de opdracht en evenmin tijdens de uitvoering ervan. Wat dit laatste punt betreft, kan het immers interessanter zijn enkel gebruik te maken van een optie tijdens de uitvoering van de opdracht. Een voorbeeld : bij interventievrachtwagens die uitgerust zijn met een zwaailicht, kan in een optie worden voorzien voor een bijkomend zwaailicht. Art. 11.Deze bepaling betreffende de opdrachten in percelen is nieuw. Volgens het eerste lid moeten de opdrachtdocumenten de aard en het voorwerp van de percelen, de verdeling en de kenmerken ervan bepalen. Deze verduidelijking moet de inschrijvers de mogelijkheid bieden om, met kennis van zaken, een of meer percelen te kiezen waarvoor ze een offerte wensen in te dienen. Volgens het tweede lid mag de gunningswijze verschillend zijn per perceel. De term « gunningswijzen » verwijst naar de keuze tussen de aanbesteding, de offerteaanvraag en de onderhandelingsprocedure. Deze versoepeling die in het tweede lid werd ingebouwd, dient evenwel op doordachte wijze te worden gebruikt. Het naast elkaar bestaan van diverse gunningswijzen kan immers de beoordeling van de offertes bemoeilijken en zelfs de indiening van prijskortingen onmogelijk maken. Afdeling
  75. - Beroep op draagkracht van derden Art. 12.Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 37 van Richtlijn 2004/17/EG. Krachtens paragraaf 1, eerste lid van dit artikel kan de inschrijver worden verzocht om in zijn offerte te vermelden voor welke gedeelte van de opdracht hij voornemens is een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten als bedoeld in artikel 72 en welke entiteiten hij voorstelt. Aldus wordt een verband gelegd met artikel 72 betreffende de mogelijkheid om rekening te houden met de draagkracht van andere entiteiten in het kader van de kwalitatieve selectie. Deze mogelijkheid impliceert niet alleen dat deze entiteit zich ertoe verbindt haar draagkracht ter beschikking te stellen van de inschrijver maar ook dat de aanbestedende overheid in rechte en in feite nagaat of deze draagkracht werkelijk voorhanden is. Deze bepaling is toepasselijk op de opdrachten voor werken, leveringen en diensten. Ze verschilt van die welke momenteel vervat is in artikel 78, § 1, 3°, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 in die zin dat deze laatste de inschrijver verplicht om de identiteit van de onderaannemers te vermelden voor de opdrachten voor werken, terwijl uit de nieuwe bepaling blijkt dat deze vermelding facultatief is. Bovendien werd de vermelding van de nationaliteit van het tewerkgestelde personeel geschrapt omdat die weinig relevant was. Het tweede lid van paragraaf 1 maakt een onderscheid tussen het geval waarin de procedure één enkele fase omvat en dat waarin ze twee fasen omvat. Paragraaf 2 is het logische gevolg van paragraaf 1, tweede lid, 2°. Hij bepaalt dat de aanbestedende overheid, bij een procedure in twee fasen, opnieuw nagaat of de voorgestelde entiteiten nog over voldoende draagkracht beschikken. Afdeling
  76. - Prijsvaststelling, prijsbestanddelen en prijsherziening Art. 13.Artikel 13, § 1, eerste lid, van het ontwerp verwijst naar artikel 2, 5° tot 8°, dat de verschillende soorten prijsvaststellingen definieert. Voor sommige specifieke opdrachten en procedures, zoals de promotieopdracht, de ontwerpenwedstrijd of de concessie voor openbare werken, wordt de prijs op een andere wijze vastgesteld. Het tweede lid is hernomen uit artikel 75 van het koninklijk besluit van 10 januari
  77. Volgens paragraaf 2 moet de inschrijver bij een opdracht tegen globale prijs of voor de forfaitaire posten van een gemengde opdracht, zijn offertebedrag vaststellen volgens zijn eigen bewerkingen, berekeningen en ramingen. Deze bepaling stemt overeen met artikel 24, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden en is voortaan eveneens van toepassing op opdrachten voor leveringen en diensten. Art. 14.Dit artikel bevat een bepaling die vergelijkbaar is met die vervat in artikel 76bis van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, die artikel 39 van Richtlijn 2004/17/EG omzet die de verplichtigen inzake fiscaliteit, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden betreft. Art. 15.Dit artikel herneemt de bepaling van artikel 84, § 4, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de opgave van de eenheidsprijzen en de globale prijzen voor iedere post van de samenvattende opmeting. Deze bepaling wordt voortaan uitgebreid tot de inventaris van de opdrachten voor leveringen en diensten. Net zoals in de huidige reglementering bepaalt zij, enerzijds, dat de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de opdracht worden opgegeven met inachtneming van de betrekkelijke waarde van die post ten opzichte van het totale offertebedrag en, anderzijds, dat alle algemene en financiële kosten over de verschillende posten, in verhouding tot hun belangrijkheid, worden verdeeld. Art. 16.Dit artikel bevat de bepalingen betreffende de prijzen vervat in artikel 88, § 1, van het koninklijk besluit van 10 januari
  78. Deze bepalingen horen meer thuis in het begin van dit ontwerp. Zoals de artikelen 17 tot 19 bepalen zij immers de elementen die door de inschrijvers in aanmerking moeten worden genomen bij het opmaken van hun offerte. Artikel 16 vermeldt zodoende, zoals de huidige bepalingen, dat de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de offerte alle heffingen omvatten die de opdracht belasten, met uitzondering van de btw. Wat de btw betreft, kan de aanbestedende overheid, net zoals is voorzien in artikel 88 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, hetzij bepalen dat zij in een afzonderlijke post van de samenvattende opmeting of van de inventaris wordt vermeld, hetzij de inschrijvers verplichten in de offerte de toepasselijke aanslagvoet(en) mee te delen. Art. 17.Dit artikel stemt overeen met de tekst van artikel 14, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden betreffende de aankoopprijs van de octrooirechten en vergoedingen die verschuldigd zijn aan de houders van een octrooi of van een octrooilicentie. Aangezien deze elementen de prijs van de offerte kunnen beïnvloeden, hoort deze bepaling eerder thuis in dit besluit. De bepaling is op expliciete wijze uitgebreid tot alle intellectuele eigendomsrechten die gelinkt kunnen zijn met het voorwerp van de opdracht. Paragraaf 1 betreft enkel de hypothese waarin de aanbestedende overheid zelf overgaat tot de omschrijving van de opdracht. Paragraaf 2 betreft de hypothese waarin de inschrijver zelf voor het geheel of een deel een omschrijving geeft van de prestaties die in het kader van de opdrachten zullen worden verricht. Art. 18.Dit artikel neemt een bepaling over van de artikelen 12, § 4, en 19, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de keurings- en opleveringskosten. Deze kosten hebben zowel betrekking op de keuring als op de voorlopige en definitieve opleveringen. Deze kosten, met name de reis- en verblijfskosten en de vergoeding van het met de keuring of oplevering belaste personeel, zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en de globale prijzen op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten de berekeningswijze van deze kosten bepalen. Zoniet dient de aanbestedende overheid deze kosten te dragen. Art. 19.Dit artikel bevat hoofdzakelijk bepalingen die tot op heden vervat zijn in de artikelen 25, § 1, tweede lid, 49, tweede lid, en 67, tweede lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Het stemt overeen met de genoemde bepalingen, behalve dat voor leveringen en diensten de praktijkopleiding, die een basisopleiding omvat, werd toegevoegd. Hierbij kan worden opgemerkt dat ook de kosten verbonden aan het veiligheids- en gezondheidsplan in de algemene kosten moeten zijn begrepen, behalve wanneer bepaalde maatregelen inzake veiligheid en gezondheid die in dat plan zijn opgenomen, betrekking hebben op specifieke posten van de samenvattende opmeting of de inventaris of het voorwerp uitmaken van een of meerdere specifieke posten van de samenvattende opmeting of de inventaris. De verduidelijkingen vermeld in artikel 19 horen eerder thuis bij de voorschriften betreffende de plaatsing van de opdracht, aangezien het gaat om elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij het opmaken van de offerte. Art. 20.Paragraaf 1 van dit artikel betreffende de prijsherziening neemt onder meer de bepalingen over van artikel 13, § § 1 en 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, maar bevat tamelijk belangrijke wijzigingen en aanvullingen. Zo wordt een volledig eigen prijsherzieningssysteem voor de overheidsopdrachten ingevoerd, dat gesteund is op artikel 6 van de wet. Het laatstgenoemde artikel machtigt de Koning tot het vastleggen van de voorwaarden voor de prijsherziening voor de overheidsopdrachten. Bijgevolg is artikel 57 van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen niet meer toepasselijk op de overheidsopdrachten. Volgens het eerste lid moet voortaan niet enkel in een prijsherzieningsclausule worden voorzien voor de opdrachten voor werken, maar in principe ook voor de opdrachten voor leveringen en diensten. Tot op heden bepaalt artikel 13, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden dat de herziening voor deze twee laatste opdrachtcategorieën facultatief is. Het eerste lid vermeldt de voornaamste prijscomponenten die in aanmerking worden genomen : de uurlonen en sociale lasten, alsook, naargelang de aard van de opdracht, één of meer relevante elementen zoals materiaal- en grondstofprijzen of de evolutie van de wisselkoers. Volgens het tweede lid is het essentieel dat de herziening de werkelijke kostprijsstructuur weerspiegelt. Bijgevolg moet de herziening gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare parameters en gebruik maken van correcte wegingscoëfficiënten. Afhankelijk van de aard van de opdracht en het al dan niet voorhanden zijn van de voormelde parameters, kan het niettemin moeilijk of zelfs onmogelijk zijn om een herzieningsclausule op te stellen die aan de genoemde voorwaarden voldoet. In dat geval kan de aanbestedende overheid voortaan gebruik maken van de gezondheidsindex, de index van de consumptieprijzen of een andere passende indexformule. Daarnaast moet de herzieningsformule geen vaste factor meer bevatten. Bovendien kan de aanbestedende overheid op gemotiveerde wijze afwijken van de bepalingen van paragraaf
  79. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor leningen met vaste rentevoet. Paragraaf 2 verduidelijkt dat de bepalingen van dit artikel niet verplicht van toepassing zijn op de opdrachten waarvan het geraamde bedrag lager is dan 120.000 euro, noch op de opdrachten, ongeacht het bedrag ervan, waarvan de initiële uitvoeringstermijn korter is dan 120 werkdagen of 180 kalenderdagen. De reden ligt bij het geringe nut van een prijsherziening voor dergelijke opdrachten. Afdeling
  80. - Prijsonderzoek Art. 21.Dit artikel betreffende het prijsonderzoek herneemt en veralgemeent de voorschriften van artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit van 10 januari
  81. Krachtens paragraaf 1, tweede lid, dat de voorschriften van artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 overneemt en veralgemeent, moeten de inschrijvers op verzoek van de aanbestedende overheid alle nodige inlichtingen verstrekken om het prijsonderzoek mogelijk te maken, en dit ongeacht de gunningsprocedure. Deze maatregel is nu enkel van toepassing op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Paragraaf 2 bevat een bepaling die overeenstemt met die van paragraaf 3 van het voormeld artikel
  82. Wanneer de opdrachtdocumenten dit bepalen, en ongeacht de gunningsprocedure, kunnen ter plaatse verificaties van de boekhoudkundige stukken en onderzoeken worden uitgevoerd door de personen die daartoe door de aanbestedende overheid zijn aangewezen. Paragraaf 3 betreffende de abnormaal laag of hoog lijkende prijzen die bij het prijsonderzoek worden vastgesteld, stemt overeen met artikel 98, § 3, van het koninklijk besluit van 10 januari
  83. Hij voorziet ook in de omzetting van artikel 57 van Richtlijn 2004/17/EG. Zelfs indien uit de opdrachtdocumenten blijkt dat paragraaf 3 niet toepasselijk gemaakt wordt op de onderhandelingsprocedure, kan de aanbestedende overheid die een abnormaal laag of hoog lijkende prijs vaststelt, verificaties uitvoeren bij toepassing van de paragrafen 1 en
  84. Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet-limitatief karakter van de opgesomde verantwoordingen die in aanmerking kunnen worden genomen om het normale karakter van een prijs aan te tonen, thans wordt bevestigd door de toevoeging van de woorden « met name ». Overigens werd artikel 98, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 reeds aangepast om het in overeenstemming te brengen met de Richtlijn en dit bij het koninklijk besluit van 29 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten type wet prom. 09/07/2001 pub. 25/08/2001 numac 2001016254 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet tot bekrachtiging van de bepalingen betreffende de verplichte bijdragen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en de vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis sluiten
  85. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (arrest van 27 november 2001, C-286/99, Sciaudone) en de Raad van State (RvS, nr. 100.084 van 23 oktober 2001) waren eveneens van oordeel dat de verantwoordingen in de reglementering niet limitatief zijn. Teneinde te vermijden dat de inschrijvers ongegronde verantwoordingen zouden indienen, kan de aanbestedende overheid overeenkomstig paragraaf 1 steeds een prijsanalyse eisen om het normale karakter van de prijs te beoordelen. Ten slotte kan de inschrijver zich ter verantwoording van zijn prijs niet beperken tot een verwijzing naar de prijs van een onderaannemer, vermeerderd met een winstmarge. In dat geval dient de inschrijver de prijs van de onderaannemer te verantwoorden. Indien de aanbestedende overheid voor een bepaalde prijs reeds over de nodige inlichtingen beschikt op grond van artikel 20, § 1 of § 2, dient ze artikel 20, § 3 vanzelfsprekend niet meer na te leven voor de prijs in kwestie. Het zesde lid van paragraaf 3 neemt in gewijzigde vorm de tekst over van paragraaf 3, laatste lid, van hetzelfde artikel
  86. De nieuwe bepaling heeft een minder ruime toepassing doordat ze voortaan de opdrachten voor diensten van de bijlage II, B, van de wet niet meer omvat en dit ongeacht de gevolgde gunningswijze. Afdeling
  87. - Belangenvermenging en afspraken Art. 22.Dit artikel vormt een nieuwe bepaling inzake belangenvermenging. De persoon die krachtens artikel 8, § 2, tweede lid, van de wet verplicht is zichzelf te wraken, dient het bevoegde orgaan van de aanbestedende overheid hiervan schriftelijk en onverwijld op de hoogte te brengen, die de nodige maatregelen neemt. De wraking wordt geformaliseerd, bijvoorbeeld in een schrijven van de betrokken persoon of in het proces-verbaal van een beraadslagende vergadering. Het doel hiervan is na te gaan of de wraking tijdig is ingeroepen. Men dient eraan te herinneren dat de persoon die verplicht is zich te wraken, een studiebureau belast met de taak van leidend ambtenaar zou kunnen zijn zoals bepaald in de Memorie van toelichting van de wet. Art. 23.Dit artikel betreffende de afspraken neemt een bepaling over als die van in artikel 79 van het koninklijk besluit van 10 januari
  88. Deze bepaling is van toepassing op de offertes en voortaan ook op de aanvragen tot deelneming.Door deel te nemen aan een procedure, verklaart een kandidaat of inschrijver zich niet schuldig te hebben gemaakt aan bij artikel 9 van de wet verboden handelingen, overeenkomsten of afspraken. Bovendien moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 314 van het Strafwetboek elke afspraak strafbaar is, ongeacht of die gepaard gaat met bedreiging of geweld. HOOFDSTUK
  89. - Raming opdrachtbedrag Art. 24.Dit artikel betreffende de raming van het opdrachtbedrag, groepeert enkele bepalingen van artikel 17 van Richtlijn 2004/17/EG, alsook bepalingen die nu verspreid zijn over de artikelen 2, 23, 24, 44, 45 en 63 van het koninklijk besluit van 10 januari
  90. Het eerste lid van artikel 24 herinnert aan de algemene regel volgens dewelke de raming van het opdrachtbedrag gebaseerd is op de totale duur en waarde van de opdracht. Hierin zijn begrepen alle verplichte opties, percelen, herhalingen als bedoeld in artikel 53, § 2, 3°, van de wet, alle gedeelten als bedoeld in artikel 37, § 1, van de wet en alle verlengingen van de opdracht als bedoeld in artikel 37, § 2, van dezelfde wet. Wanneer voor de oorspronkelijke opdracht is voorzien in één of meer verlengingen in de zin van artikel 37, § 2, van de wet, zal de totale geraamde duur van de opdracht in principe maximaal 4 jaar kunnen bedragen. In dat geval geldt immers de regel dat de duur van opdracht beperkt dient te blijven tot vier jaar na het sluiten van de opdracht. Moeten eveneens in aanmerking worden genomen, alle voor de totale duur van een raamovereenkomst of dynamisch aankoopsysteem geplande opdrachten, alsook het prijzengeld en de betalingen aan de deelnemers. Bijgevolg moet de raming rekening houden met alle elementen die de waarde van het ontwerp kunnen beïnvloeden. Het tweede lid bevat een nieuwe verduidelijking betreffende het tijdstip waarop de raming wordt gemaakt : dit moet gebeuren op het tijdstip van de verzending van de bekend te maken aankondiging of, wanneer deze aankondiging gezien de gunningswijze niet vereist is, op het tijdstip waarop de procedure wordt aangevat, namelijk bij de verzending van de uitnodigingen om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen. Het derde lid herinnert aan het principe dat vervat is in artikel 17, § 2, van Richtlijn 2004/17/EG, alsook in de artikelen 2, § 2, 24, § 2, en 45, § 2, van het koninklijk besluit van 10 januari
  91. Volgens dit principe mag geen enkele opdracht worden gesplitst teneinde die aan de bekendmakingsregels te onttrekken. Indien bijvoorbeeld percelen of gedeelten van werken of bouwwerken toegestaan zijn, mogen deze modaliteiten niet tot gevolg hebben dat de percelen of gedeelten onttrokken worden aan de mededinging via een bekendmaking op Belgisch niveau en, desgevallend, op Europees niveau. Art. 25.Onverminderd de bepalingen van artikel 24 van dit ontwerp, bevat het onderhavige artikel, dat overeenstemt met artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, drie verduidelijkingen voor de berekening van de geraamde waarde van een opdracht voor werken : 1° enerzijds dient rekening te worden gehouden met alle geplande werken.Wanneer het een bouwwerk betreft als bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting, d.w.z. het product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen, moet de waarde van de verschillende opdrachten worden samengeteld om de op elke afzonderlijke opdracht toepasselijke bekendmakingsregels te bepalen op grond van de regel vermeld in artikel 24, derde lid; 2° anderzijds moet ook rekening worden gehouden met de geraamde waarde van de leveringen of diensten die nodig zijn voor de uitvoering van de werken of van het bouwwerk en die de aanbestedende overheid ter beschikking stelt van de aannemer.Bijvoorbeeld : de ter beschikkingstelling van een partij straatstenen of andere materialen; 3° aangezien de Europese drempels voor de werken, leveringen en diensten verschillend zijn, betekent dit a contrario dat de waarde van de leveringen of diensten die niet nodig zijn voor de uitvoering van een opdracht voor werken, niet mag worden toegevoegd aan de waarde van de werken met de bedoeling ze te onttrekken aan de mededinging op Europees niveau. Art. 26.Dit artikel bevat specifieke berekeningsmodaliteiten voor sommige overheidsopdrachten voor leveringen die vervat zijn in artikel 23, § § 1 en 3, van het koninklijk besluit van 10 januari
  92. Conform het eerste lid, moet bij opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen of bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, worden uitgegaan van de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten over twaalf maanden volgend op de eerste levering of, indien de looptijd van de opdracht meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd ervan. Artikel 17, 7, van Richtlijn 2004/17/EG voorziet in twee verschillende ramingswijzen voor dit soort opdrachten. In dit ontwerp wordt gekozen voor de meest strenge ramingswijze om foutieve interpretaties te voorkomen. Ingevolge een opmerking van de Raad van State wordt verduidelijkt dat het woord « periode » verkozen werd boven het woord « boekjaar » in de veronderstelling dat het om meer dan twaalf maanden gaat. De tekst van artikel 17, § 7, 6, van de richtlijn is immers niet zeer coherent aangezien hij verwijst naar « het boekjaar, indien het zich over meer dan twaalf maanden uitstrekt », zonder evenwel de draagwijdte van het woord te verduidelijken terwijl de bepaling betrekking heeft op opdrachten voor leveringen en diensten die met name bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd. De formulering « opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen » heeft betrekking op de aankoop van leveringen van dezelfde aard via afzonderlijke opdrachten die gegund worden tijdens dezelfde referentieperiode, meer bepaald het begrotingsjaar of boekjaar. De formulering « die bestemd zijn om te worden hernieuwd » heeft betrekking op steeds wederkerende behoeften van de aanbestedende overheid. Overeenkomstig het tweede lid zijn specifieke berekeningsmodaliteiten van toepassing wanneer de opdrachten gegund worden in de vorm van huur, huurkoop, leasing of in een vergelijkbare vorm. Bij een opdracht met een bepaalde duur, wordt rekening gehouden met de geraamde totale waarde van de opdracht voor de gehele looptijd ervan. Wanneer deze bepaalde duur meer dan twaalf maanden bedraagt, moet de restwaarde van de leveringen op het einde van de overeenkomst in de raming worden opgenomen. Bij opdrachten van onbepaalde duur, of waarvan de looptijd niet kan worden bepaald, moet het geraamde maandelijkse bedrag van de opdracht vermenigvuldigd worden met achtenveertig. Hier worden bijvoorbeeld de opdrachten met een clausule tot jaarlijkse verlenging bedoeld. Daarentegen moet een opdracht met een maximale looptijd van vijf jaar die een clausule tot jaarlijkse opzegging bevat, beschouwd worden als een opdracht met een bepaalde duur van vijf jaar. In dat geval zullen de vijf jaar in aanmerking worden genomen om de geraamde waarde van de opdracht te bepalen. Ten slotte wordt hier nog herinnerd aan de bepaling van artikel 3, 3°, van de wet die betrekking heeft op de hypothese van een gemengde opdracht voor leveringen en werken. Meer bepaald gaat het om de regel volgens dewelke een opdracht die betrekking heeft op het leveren van producten en in bijkomende orde op plaatsing- en installatiewerkzaamheden als een opdracht voor leveringen moet worden beschouwd. Art. 27.Dit artikel bevat sommige berekeningsmodaliteiten die specifiek betrekking hebben op de opdrachten voor diensten en overeenstemmen met de bepalingen van artikel 44 van het koninklijk besluit van 10 januari
  93. Paragraaf 1 herinnert aan het principe volgens hetwelk de waarde van de opdracht de geraamde totale vergoeding van de dienstverlener bevat. Vervolgens licht de tekst dit principe toe voor drie categorieën van diensten. De paragrafen 2 en 3 bevatten twee verduidelijkingen over de berekeningswijze van de geraamde waarde van sommige opdrachten voor diensten. Bij een opdracht met een bepaalde duur die niet meer bedraagt dan achtenveertig maanden, moet rekening worden gehouden met de totale geraamde waarde van de opdracht voor de gehele looptijd ervan. Bij een opdracht van onbepaalde duur of waarvan de bepaalde duur meer bedraagt dan achtenveertig maanden, is de berekening daarentegen gebaseerd op de geraamde maandelijkse waarde vermenigvuldigd met achtenveertig. Bij opdrachten voor diensten die een zekere regelmaat vertonen of bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, worden uitgegaan van de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten over twaalf maanden volgend op de eerste prestatie of, indien de looptijd van de opdracht meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd ervan. Ingevolge een opmerking van de Raad van State is in artikel 27 een paragraaf 4 ingevoegd zodat artikel 17, § 8, van de Richtlijn 2004/17/EG zeker wordt omgezet. Deze bepaling behandelt de raming van de waarde van opdrachten die tegelijk betrekking hebben op leveringen en diensten en eventueel ook plaatsing en installatie omvatten. Paragraaf 5 bepaalt dat bij opdrachten die diensten van zowel bijlage II, A, als bijlage II, B, van de wet omvatten, moet worden bepaald welke van deze beide categorieën de grootste waarde vertegenwoordigt teneinde m.n. na te gaan of een Europese bekendmaking of enkel een Belgische bekendmaking vereist is. De andere hypotheses van gemengde opdrachten worden in artikel 3, 4°, van de wet geregeld. Art. 28.Dit artikel preciseert dat de raming van het opdrachtbedrag bij de aanvang van de procedure bepaalt welke voorschriften erop van toepassing zijn tijdens het volledige verloop ervan tot aan de sluiting van de opdracht. Zo zal bijvoorbeeld een opdracht waarvoor volgens de raming een bekendmaking op Europees niveau vereist is, onderworpen zijn aan de voorschriften die toepasselijk zijn op die opdrachtcategorie, zelfs indien het goed te keuren offertebedrag lager is dan de Europese drempel. Omgekeerd zal een opdracht waarvan het geraamde bedrag beneden de Europese drempel lag, maar waarvan het bedrag van de goed te keuren offerte deze drempel komt te overschrijden, onderworpen blijven aan de volgens de raming toepasselijke regels. De bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of in het Bulletin der Aanbestedingen van een aankondiging betreffende een opdracht waarvoor een dergelijke bekendmaking niet verplicht is, heeft daarentegen geen enkele invloed op het op die opdracht toepasselijke stelsel, uitgaande van zijn geraamde waarde. In de mate dat verwezen wordt naar het geraamde bedrag van de opdracht, is artikel 28 bovendien niet van toepassing op de opdrachten die worden gegund op basis van het goed te keuren bedrag, zoals deze gegund via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking zoals bedoeld in artikel 53, § 1, 1°, a, van de wet. HOOFDSTUK
  94. - Bekendmaking Afdeling
  95. - Algemene bekendmakingsregels Art. 29.Dit artikel stemt overeen met de bepalingen betreffende de bekendmaking die verspreid zijn over de artikelen 3, 5, 7, 11, 13, 14bis, 25, 27, 29, 33, 35, 36bis, 46, 48, 50, 54, 56 en 56bis van het koninklijk besluit van 10 januari
  96. Het bepaalt dat voor de opdrachten die onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, de aankondigingen bekendgemaakt worden in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen. De aankondiging bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen moet inhoudelijk overeenstemmen met die bestemd voor het Publicatieblad en de bekendmaking ervan mag niet plaatsvinden vóór de datum waarop de aankondiging naar het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie wordt verzonden. Opdrachten die enkel onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking, worden bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen. Deze bekendmaking kan nochtans aangevuld worden met inlichtingen die de aanbestedende overheid, conform artikel 44, § 2, laatste lid, verstrekt via een internetadres en die eveneens als officiële bekendmaking gelden. Volgens paragraaf 2 geldt enkel de aankondiging bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen, eventueel aangevuld met de inlichtingen verstrekt via het internetadres, zoals vermeld in artikel 44, § 2, laatste lid, als officiële bekendmaking. Geen enkele andere bekendmaking mag plaatsvinden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging. Ze mag geen andere informatie bevatten dan die vervat in die aankondiging. De bepaling vermeldt ten slotte dat het verboden is om vóór de verzendingsdatum van de aankondiging met het oog op een officiële bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of in het Bulletin der Aanbestedingen, naargelang het geval, de in de aankondiging vermelde informatie bekend te maken of te verspreiden. Dit verbod heeft hoofdzakelijk betrekking op de elektronische en automatische verspreiding van de informatie vervat in de aankondiging naar geïnteresseerde personen en dit vóór de verzendingsdatum van de aankondiging. De bedoeling hiervan is te vermijden dat sommige inschrijvers op die manier een tijdsvoordeel zouden bekomen omdat zij vóór de bekendmaking op de hoogte zijn gebracht. Om dezelfde reden mag de inhoud van de niet-officiële bekendmaking niet verschillen van die van de officiële bekendmaking, zodat het niet toegestaan is om langs die weg bijkomende informatie mee te delen. De verschillende aankondigingsmodellen zijn opgenomen in bijlage 4 bij dit besluit. Om praktische redenen wordt tevens het referentienummer (F1, F2, F3, ...) van deze modellen vermeld dat terug te vinden is op het elektronisch platform e-notification waarop het Bulletin der Aanbestedingen bekendgemaakt wordt. Art. 30.Dit artikel vormt een nieuwe bepaling. Wanneer de aanbestedende overheid sommige reeds officieel bekendgemaakte gegevens wenst te verbeteren of aan te vullen, kan zij hetzij een volledig nieuwe aankondiging bekendmaken, hetzij het in bijlage 4 opgenomen model nr. 9 gebruiken. Dankzij dit model kan worden vermeden dat een volledig nieuwe aankondiging moet worden bekendgemaakt, wat een soepeler oplossing biedt wanneer de verbeteringen of wijzigingen eerder beperkt zijn. In geval van de bekendmaking van een volledig nieuwe aankondiging is het wenselijk om daarop de aandacht te vestigen in het veld VI.3 « Andere inlichtingen », teneinde een link te leggen met de eerder bekendgemaakte aankondiging(en). De aanbestedende overheid dient evenwel rekening te houden met de eventuele impact van de aangebrachte verbeteringen of aanvullingen op de ontvangsttermijn voor de aanvragen tot deelneming of de offertes, zoals vermeld in de oorspronkelijke aankondiging. Doorgaans zal zij een verlenging ervan moeten toestaan. Deze dient eventueel te worden verlengd in functie van het belang van de verbeteringen of aanvullingen, opdat de kandidaten of inschrijvers nog over een voldoende termijn zouden beschikken om met het bericht rekening te kunnen houden. Art. 31.Het eerste lid van dit artikel, dat overeenstemt met enkele bepalingen die verspreid zijn over de artikelen 3, 5, 7, 11, 13, 25, 27, 29, 33, 35, 46, 48, 50, 54 en 56 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, bepaalt dat de bewijslast van de verzending van de aankondiging van opdracht bij de aanbestedende overheid berust. Het tweede lid bevat de nieuwe bepaling dat de bevestiging van de verzending van de inlichtingen strekt tot bewijs van de bekendmaking van de aankondiging. Afdeling
  97. - Europese drempels Art. 32.Dit artikel vermeldt de Europese drempelbedragen. Het stemt overeen met de artikelen 1, 22 en 43 van het koninklijk besluit van 10 januari
  98. De opdrachten waarvan de geraamde waarde de in dit artikel vastgelegde bedragen bereikt of overschrijdt, zijn onderworpen aan de Europese bekendmaking. Overeenkomstig artikel 2, § 2, gaat het om bedragen zonder belasting over de toegevoegde waarde. Naargelang de aard van de opdracht, zijn de volgende drempels van toepassing sinds 1 januari 20122 : 1° voor de werken, 5.000.000 euro, ongeacht de aanbestedende overheid. Het begrip « werken » omvat ook de bouwwerken, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting van artikel 3, 2°, van het wetsontwerp; 2° voor de leveringen en de diensten bedoeld in bijlage II van de wet 400.000 euro. Hierbij moet worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot de diensten bedoeld in bijlage II, A, van de wet, de diensten bedoeld in bijlage II, B, als niet-prioritair worden beschouwd voor de voltooiing van de interne markt en enkel verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking in het stadium waarin de resultaten van de opdracht worden medegedeeld, en dit ongeacht de procedure, conform artikel 41, §
  99. Tot nader order worden deze diensten, anders dan die van de bijlage II, A, van de wet, minder belangrijk geacht voor de mededinging binnen de interne markt. Dat is ook de reden waarom ze niet het voorwerp moeten uitmaken van een voorafgaande Europese bekendmaking. De Europese Commissie kan het bedrag van de Europese drempels herzien overeenkomstig artikel 69 van Richtlijn 2004/17/EG. Dit is de reden waarom de Eerste Minister, op grond van artikel 77, § 2, van de wet belast is met de aanpassing van de bedragen van dit besluit op basis van de door de Europese Commissie verrichte herzieningen. Art. 33.Dit artikel betreffende de opdrachten in percelen, herneemt de bepalingen van de artikelen 2, vierde lid, en 45, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en verruimt ze tot de homogene leveringen. Onder homogene leveringen moeten leveringen worden verstaan van dezelfde aard en met dezelfde of een vergelijkbare bestemming : bijvoorbeeld fotokopieerpapier ongeacht het vereiste formaat, kantoormeubelen die een harmonisch geheel moeten vormen of nog voedingsmiddelen van een bepaald assortiment. In dat geval moeten de bedragen van alle percelen worden samengevoegd teneinde te bepalen of de Europese drempel is bereikt. Als dat zo is, zijn alle percelen onderworpen aan de Europese bekendmaking. De aanbestedende overheid kan nochtans gebruik maken van de in dit artikel vermelde mogelijkheid om percelen waarvan het individuele bedrag kleiner is dan 1.000.000 euro voor werken en 80.000 euro voor diensten en nu ook voor homogene leveringen aan de Europese bekendmaking te onttrekken. Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde dat het samengevoegde bedrag van de onttrokken percelen niet meer bedraagt dan twintig percent van het bedrag van het geheel van alle percelen. Een dergelijke bepaling maakt het mogelijk deze percelen met een beperkte waarde enkel op nationaal niveau bekend te maken, daar deze immers vooral interessant zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen. De waarde van deze percelen wordt niettemin in aanmerking genomen voor de raming van de opdracht overeenkomstig de artikelen 22 tot
  100. Een voorbeeld zou kunnen zijn, een bouwwerk met een geraamd bedrag van 5,5 miljoen euro en verdeeld in vier percelen van respectievelijk : - perceel « ruwbouw » = 4 miljoen euro - perceel « speciale technieken » = 0,7 miljoen euro - perceel « schrijnwerk » = 0,5 miljoen euro - perceel « afwerking » = 0,3 miljoen euro. De aanbestedende overheid mag de percelen « speciale technieken » en « schrijnwerk » niet onttrekken aan de Europese bekendmaking. Alhoewel de individuele waarde van deze verschillende percelen inderdaad minder bedraagt dan 1 miljoen euro, is hun samengevoegd bedrag evenwel hoger dan 20 % van het opdrachtbedrag, d.w.z. 1,1 miljoen euro. De percelen « schrijnwerk » en « afwerking » kunnen daarentegen wel aan de Europese bekendmaking worden onttrokken, omdat de individuele waarde van deze verschillende percelen minder bedraagt dan 1 miljoen euro en hun samengevoegd bedrag lager is dan 20 % van het opdrachtbedrag, d.w.z. 1,1 miljoen euro. Hetzelfde zou gelden voor het perceel « speciale technieken ». In deze gevallen dienen de andere percelen vanzelfsprekend te worden bekendgemaakt op Europees niveau, zelfs indien de totale waarde van die percelen de Europese drempel niet bereikt. In het eerst geciteerde voorbeeld vertegenwoordigen de percelen « ruwbouw » en « speciale technieken » slechts een bedrag van 4,7 miljoen euro. Niettemin moeten ze worden bekendgemaakt omdat rekening moet worden gehouden met de geraamde waarde van de onttrokken percelen bij het bepalen van de globale waarde van de opdracht (rekening houdend met de huidige Europese drempel van 5.000.000 euro). De onttrokken percelen worden gegund bij aanbesteding of offerteaanvraag en bekendgemaakt op Belgisch niveau. Het gebruik van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking is evenwel uitgesloten, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 104, § 1, 1° en 2°. Afdeling
  101. - Europese bekendmaking Art. 34.Dit nieuwe artikel bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op de opdrachten onder de tweeledige voorwaarde dat ze de Europese drempels bereiken en onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking. Deze tweede voorwaarde sluit de opdrachten uit waarop de wet van toepassing is, maar die niet Europees moeten worden bekendgemaakt, zoals sommige opdrachten die geheim zijn verklaard of waarvan de uitvoering gepaard moet gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen als bedoeld in artikel 53, § 2, 1°, b, van de wet. Art. 35.Dit nieuwe artikel somt de aankondigingen op die vorm geven aan de Europese bekendmaking, namelijk de periodieke indicatieve aankondiging, de aankondiging van opdracht en de aankondiging van gegunde opdracht. Er wordt verwezen naar de commentaar van de artikelen 36 en volgende. Art. 36.Dit artikel neemt de bepalingen over betreffende de bekendmaking van de periodieke indicatieve aankondiging en de inhoud ervan opgenomen in de artikelen 3, 25 en 46 van het koninklijk besluit van 10 januari
  102. De bedoelde werken en bouwwerken zijn die waarvan de geraamde waarde minimum 5.000.000 euro bedraagt. Wat de leveringen betreft, heeft de vooraankondiging betrekking op alle opdrachten met een totale waarde van minimum 750.000 euro die individueel waarschijnlijk de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken en ingedeeld zijn per productgroep. De « productgroepen » worden aangeduid met de eerste drie cijfers van de basiswoordenlijst van de CPV-nomenclatuur (gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten, goedgekeurd bij Verordening (EG) nr 213/2008 van de Commissie van 28 november 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) en tot wijziging van de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, in verband met de herziening van de CPV (PBEU L-74 van 15 maart 2008)). Zo hebben de drie eerste cijfers 031 bijvoorbeeld betrekking op land- en tuinbouwproducten, de cijfers 302 op computeruitrusting en -benodigdheden, de cijfers 325 op telecommunicatiebenodigdheden en de cijfers 341 op motorvoertuigen. Het is overigens nuttig eraan te herinneren dat de raamovereenkomst valt onder het begrip opdracht als bedoeld in dit ontwerp. Wat de diensten betreft, is de indeling voor hetzelfde totaalbedrag van 750.000 euro gebaseerd op de categorieën van bijlage II, A, van de wet. Artikel 36 bevat een nieuwe verduidelijking. De bekendmaking van een dergelijke aankondiging is slechts verplicht wanneer de aanbestedende overheid de termijn voor de ontvangst van de offertes wenst in te korten overeenkomstig artikel 51, § 1, eerste lid, van het besluit. Indien dit niet in haar bedoeling ligt, is de bekendmaking facultatief, maar laat deze geen inkorting van de termijnen toe. Nochtans dient men zich bewust te zijn van het belang dat deze informatie over mogelijke geplande opdrachten voor de ondernemingen kan hebben. Bepaalde opdrachten voor leveringen en voor diensten kunnen de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken (vandaag 400.000 euro) zonder individueel of samen de drempel van 750.000 euro te bereiken. In dat geval is de inkorting van de termijn ingevolge de bekendmaking van een periodieke indicatieve aankondiging eveneens mogelijk. De bekendmaking van een periodieke indicatieve aankondiging maakt het immers mogelijk dat de ondernemers zich voorbereiden op de deelname aan de aldus aangekondigde procedures en dat de aanbestedende overheden voordeel kunnen halen uit een eventuele verruiming van de mededinging. Dit is de reden waarom § 2 bepaalt dat de bekendmaking van een dergelijke aankondiging zo vlug mogelijk moet gebeuren na het begin van het begrotingsjaar of, voor de werken, na de beslissing tot goedkeuring van het programma waarin de werken of de raamovereenkomsten zijn opgenomen. In die omstandigheden zal een vooraankondiging immers het meest nuttig zijn. Dit belet evenwel niet dat later in de loop van het begrotingsjaar een bekendmaking kan plaatsvinden indien, bijvoorbeeld, nieuwe opdrachten worden uitgeschreven. Zoals gevraagd door de Raad van State, is een precisering aangebracht in de tweede paragraaf met het oog op de omzetting van artikel 41, § 2, van de richtlijn. Volgens deze bepaling kunnen voor belangrijke projecten verscheidene periodieke indicatieve aankondigingen worden bekendgemaakt, zonder in eerdere aankondigingen vervatte inlichtingen te herhalen, mits vermeld wordt dat deze aankondigingen een aanvulling zijn. Bovendien wordt de bepaling vervat in artikel 41.1, van Richtlijn 2004/17/EG vooralsnog niet omgezet in dit ontwerp. Volgens deze bepaling kan de aanbestedende overheid de periodieke indicatieve aankondiging, via haar kopersprofiel, bekendmaken op een website. Een dergelijke bepaling is immers complex omdat de aanbestedende overheid zelfs in dat geval de Europese Commissie moet informeren over deze bekendmaking via haar kopersprofiel. Bovendien zou het overaanbod van dergelijke websites de ondernemingen minder transparante informatie bieden dan de officiële bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen. Art. 37.Dit artikel neemt de bepalingen over van de artikelen 4, 26 en 47 van het koninklijk besluit van 10 januari
  103. Artikel 37 en de artikelen 38 tot 40 zijn niet van toepassing op de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage II, B, van de wet, want deze zijn niet verplicht onderworpen aan een voorafgaande Europese bekendmaking. Dezelfde regel geldt voor de opdrachten gebaseerd op een raamovereenkomst. Art. 38.Dit artikel neemt bepalingen over van § 1, eerste en tweede lid van artikelen 5, 27 en 48 van het koninklijk besluit van 10 januari
  104. Het betreft de inmededingingstelling via een aankondiging van opdracht. Art. 39.Dit artikel neemt bepalingen over van de artikelen 6, 28 en 49 van het koninklijk besluit van 10 januari
  105. Het betreft de inmededingingstelling via een periodieke indicative aankondiging en de hiervoor toepasselijke voorwaarden. Art. 40.Dit artikel neemt bepalingen over van de artikelen 7, 29 en 50 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en toepasselijk zijn op de invoering en het beheer van een kwalificatiesysteem. Met name worden de punten 5° en 6° toegevoegd die overeenstemmen met artikel 53, § § 7 en 9, van Richtlijn 2004/17/EG. Volgens de bepaling onder 5° moet een lijst van aanvragers worden bijgehouden die in categorieën kan worden ingedeeld volgens het opdrachttype waarvoor de kwalificatie geldt. De bepaling onder 6° verduidelijkt dat de aanbestedende overheid, naar aanleiding van een bepaalde opdracht, kan overgaan tot een eventuele aanvullende selectie onder de gekwalificeerde aanvragers. Het spreekt vanzelf dat deze selectie op de oorspronkelijke kwalificatiecriteria moet steunen waarbij de beoordeling eventueel gerichter of strenger gebeurt. Art. 41.Dit artikel stemt overeen met de artikelen 8, 34 en 60 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, behalve wat het dynamisch aankoopsysteem betreft. Deze modaliteit bestaat heden niet. Ongeacht de gebruikte procedure en dus ook in geval van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure als bedoeld in artikel 53, § 2, van de wet, wordt een aankondiging van gegunde opdracht bekendgemaakt conform het model nr. 3 in bijlage
  106. Overeenkomstig paragraaf 1 moet deze aankondiging worden verzonden binnen een termijn van twee maanden na de sluiting van de opdracht. Voor de opdrachten gebaseerd op een dynamisch aankoopsysteem, mogen de resultaten nochtans per trimester worden gegroepeerd. Deze aankondiging bevat informatie over de resultaten van de procedure. In dat geval mogen de resultaten van de tijdens een trimester toegewezen opdrachten dus worden gegroepeerd en, indien nodig, het voorwerp uitmaken van diverse afzonderlijke aankondigingen, volgens de betrokken leveringen of diensten voor courant gebruik. Deze aankondiging is bestemd voor bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen. Een aankondiging van gegunde opdracht is evenwel niet vereist voor de opdrachten toegewezen via onderhandelingsprocedure op grond van artikel 53, § 2, 1°, b, van de wet, d.w.z. voor de geheime opdrachten, die waarvan de uitvoering gepaard moet gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen en die waarvoor de bescherming van de fundamentele belangen van de veiligheid van het land een gunning via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking noodzakelijk maakt. Een dergelijke aankondiging moet evenmin worden bekendgemaakt bij de sluiting van elk van de opdrachten die op een raamovereenkomst gebaseerd zijn. Volgens paragraaf 2 moet de aanbestedende overheid, wanneer de opdracht betrekking heeft op de diensten zoals vermeld in bijlage II, B, van de wet waarvan het geraamde bedrag de Europese drempel bereikt, evenwel vermelden of zij de bekendmaking van de aankondiging in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie aanvaardt. Indien zij die weigert, wordt de aankondiging van gegunde opdracht niet naar het Bulletin der Aanbestedingen verzonden. In tegenstelling tot de Europese Commissie heeft de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie immers geen bevoegdheid inzake toezicht op de overheidsopdrachten, en die informatie, die niet bestemd is voor publicatie, zou geenszins nuttig zijn voor haar. Om tegemoet te komen aan een opmerking van de Raad van State, is in artikel 41 een derde paragraaf ingevoegd. Deze bevat enkele bepalingen inzake de niet-bekendmaking van bepaalde gegevens die specifiek betrekking hebben op de opdrachten voor onderzoeks- en ontwikkelingsdiensten. Deze bepaling voorziet aldus in de omzetting van artikel 43, § 3, van de richtlijn. Er is geen gevolg gegeven aan het door de Raad van State geformuleerde voorstel om de laatste paragraaf van artikel 41 verder uit te werken. Het werd immers aangewezen geacht om de algemene regel inzake de niet-bekendmaking van bepaalde gegevens die voor alle opdrachten geldt, te behouden. Deze regel is nu vervat in de huidige paragraaf
  107. Volgens paragraaf 4 mag de aanbestedende overheid bepaalde gegevens niet bekendmaken indien de openbaarmaking ervan de toepassing van een wet zou belemmeren, in strijd zou zijn met het algemeen belang, nadelig zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van ondernemingen of de eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen schaden. Deze bepaling wordt onder meer geïllustreerd door de volgende rechtspraak : Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, arrest van 14 februari 2008, zaak C-450/06, Varec; Raad van State, arrest nr. 164.028 van 24 oktober 2006; Grondwettelijk Hof, arrest nr. 118/2007 van 19 september
  108. Afdeling
  109. - Belgische bekendmaking Art. 42.Dit nieuwe artikel leidt afdeling 4 in die de na te leven bekendmakingsregels bevat voor de opdrachten die enkel onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking. Deze afdeling heeft betrekking op de opdrachten voor werken en leveringen, alsook de opdrachten voor diensten zoals vermeld in bijlage II, A, van de wet waarvan de geraamde waarde lager ligt dan de Europese drempels vermeld in artikel 30 van dit besluit. Voor de opdrachten voor diensten, zoals vermeld in bijlage II, B, van de wet, zijn de bepalingen van afdeling 4 van toepassing, ongeacht de geraamde waarde van de opdracht, behalve indien toepassing wordt gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Wat de Europese bekendmaking betreft, zijn deze diensten immers enkel onderworpen, onder de voorwaarden van artikel 41, § 2, aan de verplichting om een aankondiging van gegunde opdracht op te stellen wanneer ze de Europese drempels bereiken. Een bekendmaking op Belgisch niveau is daarentegen vereist bij aanbesteding, offerteaanvraag, onderhandelingsprocedure met bekendmaking en bij vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking. Art. 43.Dit artikel neemt bepalingen over van de artikelen 12, 34 en 55 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 die de drie modaliteiten van inmededingingstelling bepalen voor de opdracht die aan de Belgische bekendmaking onderworpen zijn. Art. 44.Dit artikel strekt tot de bekendmaking van een aankondiging van opdracht en stemt gedeeltelijk overeen met het eerste lid van de artikelen 11, 13, 33, 35, 54 en 56 van het koninklijk besluit van 10 januari
  110. In dit besluit is evenwel geen sprake van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking die nieuw is in dit ontwerp. Enkel de essentiële inlichtingen als bedoeld in paragraaf 2 moeten in de aankondiging worden vermeld. Het in de bepaling onder 2° van paragraaf 2 vermelde begrip « soort opdracht » heeft respectievelijk betrekking op de werken, leveringen en diensten. Het begrip « kostprijs », waarvan sprake in de bepaling onder 4°, wijst erop dat de eventueel aan de geïnteresseerden gevraagde betaling enkel betrekking mag hebben op de kosten voor het kopiëren en verzenden van de opdrachtdocumenten. Zoals uiteengezet in de commentaar bij artikel 29, kunnen sommige inlichtingen verstrekt worden via een internetadres. Deze laatste mogelijkheid is opgenomen in een nieuwe bepaling. Art. 45.Dit artikel handelt over de mededinging wanneer de aanbestedende overheid gebruik maakt van een kwalificatiesysteem dat is ingesteld overeenkomstig artikel 40 via een bekendmaking op Europees niveau. Het stemt overeen met de bepalingen van paragraaf 2 van de artikelen 13, 35 en 56 van het koninklijk besluit van 10 januari
  111. Er dient eraan te worden herinnerd dat het kwalificatiesysteem de aanbestedende overheid de mogelijkheid biedt een aantal gekwalificeerde ondernemingen te kiezen die zij uitnodigt tot het indienen van een offerte, mits een voldoende mededinging gewaarborgd word zoals bepaald in artikel 63, §
  112. Rekening houdend met het voorwerp en de specificaties van elke opdracht uitgeschreven in het kader van dat systeem en met het aantal gekwalificeerde kandidaten, kan de aanbestedende overheid overgaan tot een nieuwe selectie van de kandidaten op grond van de artikelen 72 tot
  113. Deze selectiebeslissing valt uiteraard onder de toepassing van de bepalingen inzake motivering, informatie en rechtsmiddelen. Er dient te worden onderstreept dat het bestaan van een dergelijk kwalificatiesysteem het plaatsen van een afzonderlijke opdracht via de bekendmaking van een aankondiging van opdracht niet in de weg staat. Art. 46.Dit artikel handelt over de mededinging wanneer de aanbestedende overheid gebruik maakt van een lijst van geselecteerden. Het stemt overeen met de bepalingen van paragraaf 3 van de artikelen 13, 34 en 56 van het koninklijk besluit van 10 januari
  114. Er dient eraan te worden herinnerd dat bij toepassing van deze modaliteiten, de bekendmaking van meerdere aankondigingen op Belgisch niveau, voor gelijkaardige opdrachten kan worden vervangen door één enkele periodieke bekendmaking van een aankondiging die betrekking heeft op het opmaken van een lijst van geselecteerde aannemers, leveranciers of dienstverleners, rekening houdend met de aard en het voorwerp van de desbetreffende opdrachten. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in de artikelen 13, § 3, 35, § 3 en 56, § 3, van het koninklijk besluit van 10 januari
  115. Het na te leven model nr. 5 is opgenomen in bijlage 4 van het ontwerp. De geldigheidstermijn van deze lijst wordt door dit ontwerp verlengd van één tot maximum drie jaar vanaf de datum van de selectiebeslissing. Tijdens deze periode blijft de lijst gesloten voor nieuwe kandidaten. Wanneer tijdens de geldigheidsperiode een beroep wordt gedaan op de lijst om een hier bedoelde opdracht te gunnen, moet de aanbestedende overheid alle geselecteerden gelijktijdig verzoeken een offerte in te dienen. Deze lijst moet ervoor zorgen dat de aanbestedende overheden die opdrachten gunnen die in de loop van een bepaalde periode een zekere regelmaat vertonen op grond van de aard en de omvang van de prestaties, de administratieve lasten kunnen verminderen op het vlak van de bekend te maken aankondigingen, terwijl een voldoende transparantie van de procedures gewaarborgd blijft. Wat de opdrachten voor werken betreft, zal de toepassing van het lijstsysteem niet enkel beperkt zijn door de Europese drempel, maar ook op basis van de wetgeving houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken. Er dient eraan te worden herinnerd dat het bestaan van een dergelijke lijst het plaatsen van een afzonderlijke opdracht via de bekendmaking van een aankondiging van opdracht niet in de weg staat. HOOFDSTUK
  116. - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes Afdeling
  117. - Termijnen - Algemene bepalingen Art. 47.Artikel 47, eerste lid, herinnert aan het algemeen principe volgens hetwelk de termijnen als bedoeld in de artikelen 51 tot 55, minimumtermijnen zijn, die moeten worden bepaald rekening houdend met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd. Hierbij moet worden opgemerkt dat alle termijnen worden uitgedrukt in kalenderdagen. Ze worden berekend vanaf de verzending van de aankondiging van opdracht of de uitnodiging tot het indienen van een offerte, naargelang het geval, overeenkomstig de modaliteiten van het recht van de Europese Unie, meer bepaald in de Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden. Volgens artikel 3 van deze Verordening : - gaat een in dagen omschreven termijn in bij de aanvang van het eerste uur van de eerste dag ervan en loopt deze af bij het einde van het laatste uur van de laatste dag ervan; - zijn feestdagen, zondagen en zaterdagen bij de termijnen inbegrepen, behalve indien deze dagen daarvan uitdrukkelijk zijn uitgesloten of indien de termijnen in werkdagen zijn omschreven; - geldt dat, indien de laatste dag van een anders dan in uren omschreven termijn een feestdag, een zaterdag of een zondag is, deze termijn afloopt bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag. Deze laatste bepaling is niet van toepassing op termijnen die met terugwerkende kracht vanaf een bepaalde datum of gebeurtenis worden berekend, wat hier niet het geval is. Wanneer bijvoorbeeld in het kader van een opdracht gegund via een open procedure, waarvoor een bekendmakingstermijn van 52 dagen geldt, de aankondiging is verzonden op 1 maart, begint de termijn te lopen op 2 maart en eindigt deze ten vroegste op 22 april middernacht. De openingszitting van de offertes zal dan niet kunnen plaatsvinden op 22 april, maar wel op 23 april. Indien 22 april echter op een zaterdag valt, zal de openingszitting ten vroegste kunnen plaatsvinden bij het verstrijken van de eerstvolgende werkdag (dit is maandag 24 om middernacht), d.w.z. op dinsdag 25 april. Het tweede lid handelt over bepaalde omstandigheden die een rol spelen bij de vaststelling van de termijn. Het derde en vierde lid die overeenstemmen met het eerste lid van de artikelen 8, 15, 30, 37, 51 en 58 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, preciseren de omstandigheden waarin de proceduretermijnen moeten worden aangepast. Het laatste lid bevat een nieuwe bepaling ingeval de artikelen 51 tot 55 geen termijnen vaststellen, bijvoorbeeld voor de ontvangst van de offertes bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking. In dat geval bepaalt de aanbestedende overheid een passende en redelijke termijn, rekening houdend met de complexiteit van de opdracht. Art. 48.Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met het tweede lid van de artikelen 8, 15, 30, 37, 51 en 58 van het koninklijk besluit van 10 januari
  118. Het bepaalt dat bij open procedure of vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking de opdrachtdocumenten door de aanbestedende overheid worden verstrekt binnen zes dagen na ontvangst van het verzoek. Een nieuwe bepaling vermeldt evenwel dat dit voorschrift niet van toepassing is indien de aanbestedende overheid via het aangeduid internetadres vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang biedt tot de opdrachtdocumenten. Art. 49.Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met het derde lid van de artikelen 8, 15, 30, 37, 51 en 58 van het koninklijk besluit van 10 januari
  119. Het bepaalt binnen welke termijn de aanvullende inlichtingen over de opdrachtdocumenten moeten worden verstrekt. Deze kunnen worden meegedeeld tijdens een bij voorkeur in de opdrachtdocumenten aangekondigde informatiesessie georganiseerd door de aanbestedende overheid. Art. 50.Dit artikel vormt een nieuwe bepaling die evenwel niets verandert aan de bestaande praktijk, bij aanbesteding en offerteaanvraag, zoals die voortvloeit uit de toepassing van artikel 94 van het koninklijk besluit van 10 januari
  120. Indien een openingszitting van de offertes vereist is in het kader van de procedure - dus bij aanbesteding en offerteaanvraag - of indien de opdrachtdocumenten verwijzen naar een openingszitting van de aanvragen tot deelneming of offertes, alhoewel de reglementering die niet oplegt, wordt het uiterste tijdstip voor de indiening bepaald door de datum en het uur van deze zitting. Bijgevolg mag de aanbestedende overheid geen aanvragen tot deelneming of offertes weigeren die bij de voorzitter van de openingszitting vóór die datum en dat uur zijn toegekomen. Indien de opdrachtdocumenten bijvoorbeeld vermelden dat de offertes tegen 12 uur moeten worden ingediend en de openingszitting gepland is om 14 uur, kunnen de offertes tot 14 uur worden ingediend in het lokaal van de openingszitting. Het vrijwillig organiseren van een openingszitting impliceert vanzelfsprekend niet dat de artikelen 91 tot 93 betreffende het verloop van de openingszitting bij aanbesteding en offerteaanvraag eveneens van toepassing zouden zijn. Afdeling
  121. - Termijnen bij Europese bekendmaking Art. 51.Het eerste lid van paragraaf 1 van dit artikel neemt de bepalingen over van de artikelen 5, § 2, 27, § 2, en 48, § 2, van het koninklijk besluit van 10 januari
  122. Het bepaalt voor de open aanbesteding en open offerteaanvraag, de minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes voor de opdrachten onderworpen aan de Europese bekendmaking. Voor het bepalen van het vertrekpunt van de termijn dient te worden herinnerd aan de regel volgens dewelke de datum van verzending van de aankondiging van het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie in aanmerking moet worden genomen en niet de datum van verzending naar de Federaal Overheidsdienst Personeel en Organisatie. Er dient te worden opgemerkt dat de inkorting van de termijn ten gevolge van de bekendmaking van een periodieke indicatieve aankondiging geen formele motivering vereist. Paragraaf 2 is nieuw. Hieruit blijkt dat de termijn voor de ontvangst van de offertes, eventueel ingekort overeenkomstig § 1, bijkomend met zeven dagen kan worden ingekort met vijf dagen is mogelijk indien de aanbestedende overheid de aankondiging van opdracht via elektronische middelen verzend, conform de opgelegde formaat en verzendingswijze, en vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang biedt tot alle opdrachtdocumenten via een internetadres. Deze verschillende termijninkortingen zijn cumuleerbaar binnen de perken van het laatste lid van paragraaf
  123. Art. 52.Paragraaf 1 van artikel 52 neemt de bepalingen over van de artikelen 5, § 3, 27, § 3, et 48, § 3, van het koninklijk besluit van 10 januari
  124. Hij bepaalt voor de beperkte procedures of de onderhandelingsprocedure met bekendmaking de minimumtermijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming bij opdrachten onderworpen aan de Europese bekendmaking. Het tweede en derde lid zijn nieuwe bepalingen die een inkorting van de ontvangsttermijn van de aanvragen tot deelneming mogelijk maken wanneer de aankondiging online wordt opgesteld en via elektronische middelen wordt verzonden, conform het formaat en de verzendingswijze bepaald door het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie en de Federaal Overheidsdienst Personeel en Organisatie. Volgens het tweede lid kan de termijn met zeven dagen worden ingekort wanneer de aankondiging via elektronische middelen wordt verzonden. Het derde lid bepaalt dat de ontvangsttermijn voor de aanvragen tot deelneming bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking mag worden ingekort tot een minimumtermijn van tweeëntwintig dagen vanaf de verzendingsdatum van de aankondiging. Deze termijn mag ingekort worden tot vijftien dagen wanneer de aankondiging online wordt opgesteld en via elektronische middelen wordt verzonden, conform het formaat en de voormelde modaliteiten of verstuurd is per telefax. De rechtvaardiging van het gebruik van deze laatste inkorting, is verschillend van de dwingende spoed die voortvloeit uit onvoorziene gebeurtenissen die niet te wijten zijn aan de aanbestedende overheid als bedoeld in artikel 53, § 1, 1°, c, van de wet. Deze laatste omstandigheden zouden immers het gebruik van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking rechtvaardigen. De inkorting van de termijn waarvan hier sprake is, vloeit voort uit een rechts- of feitelijke toestand, intern of extern aan de aanbestedende overheid, die een inkorting van de gewone minimumtermijn noodzakelijk maakt in dit stadium van de procedure. In de volgende voorbeelden is de verantwoording in principe aanvaardbaar : - de dienstverlening aan de gebruikers moet worden voortgezet ondanks de onverwachte stopzetting van de activiteiten van de opdrachtnemer; - de onvoorziene toename van de bestellingen van apparatuur die het voorwerp uitmaakt van de opdracht op internationaal niveau leidt tot een verlenging van de productietermijnen; - de Europese kredieten (EFRO-programma) of andere subsidies moeten verplicht binnen een bepaalde termijn worden gebruikt; - de continuïteit en permanentie van een strategisch communicatieplan dienen te worden gewaarborgd, terwijl de omschrijving van de behoeften van de aanbestedende overheid afhankelijk was van haar beheersovereenkomst die te laat werd goedgekeurd; - de werken moeten snel worden opgestart teneinde de betaling van een dwangsom of het verstrijken van de bouwvergunning te vermijden; - de prijs van de betrokken producten is onderhevig aan grote schommelingen op de internationale markt, zodat de leveranciers geen verbintenis kunnen aangaan anders dan op zeer korte termijn. Vormen daarentegen geen aanvaardbare verantwoording, de loutere vermelding dat : - de aankondiging werd verstuurd via elektronische middelen; - de prestaties enkel door personen die een bepaald beroep uitoefenen, mogen worden uitgevoerd; - de gewone termijn niet haalbaar is; - een bepaald artikel van de reglementering betreffende de inkorting van de termijn van toepassing is. Geen van de bovenstaande voorbeeldenlijsten zijn limitatief te interpreteren. Paragraaf 2 van artikel 52 bevat de bepalingen van de artikelen 5, § 4, 27, § 4, en 48, § 4, van het koninklijk besluit van 10 januari
  125. Hij verduidelijkt dat de termijn voor de ontvangst van de offertes gezamenlijk kan worden bepaald door de aanbestedende overheid en de geselecteerden. Indien het onmogelijk is om tot een akkoord te komen, dient de aanbestedende overheid een termijn te bepalen die doorgaans niet minder dan vierentwintig dagen. Volgens een nieuwe bepaling in het derde lid kan de termijn worden ingekort wanneer de aankondiging van opdracht via elektronische middelen on line wordt opgesteld en verzonden of wanneer een vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang tot de opdrachtdocumenten gewaarborgd wordt. Het vierde lid bepaalt de toepasselijke maximumtermijn in geval van het samenspel van inkortingen. Afdeling
  126. - Termijnen bij Belgische bekendmaking Art. 53.Dit artikel neemt gedeeltelijk de bepalingen over van het laatste lid van de artikelen 11, 33 en 54 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, betreffende de minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes bij open procedure voor de opdrachten onderworpen aan de Belgische bekendmaking. Het is eveneens van toepassing op de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking, aangezien deze, net als de open procedure, uit één enkele fase bestaat. De termijn voor de ontvangst van de offertes bij open procedure, die nu bij algemene regel op zesendertig dagen is vastgesteld, maakt voortaan een minimumtermijn uit. Bovendien wordt deze minimumtermijn voor de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking op tweeëntwintig dagen vastgesteld. Wanneer het om dringende redenen onmogelijk is om bovengenoemde minimumtermijnen na te leven, is voor beide procedures een inkorting tot minimum tien dagen mogelijk. Voor de vermindering van de termijn op het niveau van de Belgische bekendmaking moet de aankondiging online worden opgesteld, wat het gebruik van de telefax uitsluit, en via elektronische middelen worden verzonden, conform het formaat en de verzendingswijze bepaald door de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie. Daarentegen is het niet meer noodzakelijk dat tussen de datum van bekendmaking van de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen en de datum voor de ontvangst van de offertes, een minimumtermijn van zeven dagen wordt nageleefd. Het gebruik van elektronische middelen verzekert immers een zeer vlugge bekendmaking van de aankondigingen van opdrachten. Een dergelijke inkorting mag evenwel het normale verloop van de mededinging niet verhinderen. De aanbestedende overheid zal dus voorzichtig moeten omspringen met deze mogelijkheid. Bovendien moet deze inkorting, alhoewel een uitdrukkelijk gemotiveerde beslissing niet vereist is, gerechtvaardigd worden in het gunningsdossiers. Wat betreft de motivering voor de termijninkorting kan worden verwezen naar de voorbeelden vermeld in de commentaar van artikel
  127. Art. 54.Dit artikel neemt gedeeltelijk de bepalingen over van paragraaf 1, achtste lid, van de artikelen 13, 35 en 56 en van het eerste lid van de artikelen 14, 36 en 57 van het koninklijk besluit van 10 januari
  128. Paragraaf 1 bevat de voorschriften inzake de na te leven minimumtermijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming bij beperkte procedure en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking voor de opdrachten onderworpen aan de Belgische bekendmaking. Paragraaf 2 bevat de voorschriften inzake de minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes bij de beperkte procedure. In verband met de versnelde procedure wordt voortaan gepreciseerd dat de uitnodiging om een offerte in te dienen per telefax of via elektronische middelen wordt verzonden. Afdeling
  129. - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte Art. 55.Dit artikel bevat bepalingen die vergelijkbaar zijn met die van paragraaf 5 van de artikelen 5, 27 en 48 en van tweede lid van de artikelen 14, 36 en 57 van het koninklijk besluit van 10 januari
  130. Het eerste lid bepaalt dat bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking, de geselecteerden gelijktijdig en schriftelijk worden uitgenodigd om een offerte in te dienen. Het tweede lid preciseert de documenten en inlichtingen die de uitnodiging tot het indienen van een offerte moet bevatten. Dezelfde bepaling is voortaan van toepassing zowel op de opdrachten die onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, als op die welke enkel onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking. Wat de in de uitnodiging te vermelden gegevens betreft, moet worden gewezen op de volgende bepalingen : - in 1°, a, de mogelijkheid om met elektronische middelen vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang te bieden tot de opdrachtdocumenten of het beschrijvend document; - in 1°, b, de vermelding van de kostprijs van de opdrachtdocumenten wanneer hun afgifte betalend is. Onder verwijzing naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 11 november 2010 (Belgisch Staatsblad , 22 november 2010) wordt eraan herinnerd dat de kostprijs mag enkel de kosten voor het kopiëren van de documenten en eventueel de frankeerkosten omvatten; in 3°, a, de datum, het uur en de plaats van de openingszitting van de offertes indien de gunningsprocedure of de opdrachtdocumenten daarin voorzien. Volgens de reglementering is een openingszitting enkel verplicht bij aanbesteding en offerteaanvraag. Het staat een aanbestedende overheid evenwel vrij een dergelijke zitting te organiseren bij andere procedures dan de bovengenoemde; - in 5°, de vermelding « al naargelang » met betrekking tot de weging van de gunningscriteria, dat eraan herinnert dat de algemene wegingsregel enkel van toepassing is op de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is. De weging is evenmin verplicht voor de diensten bedoeld in bijlage II, B, van de wet. Afdeling
  131. - Indieningsrecht en -wijze aanvragen tot deelneming en offertes Art. 56.Dit artikel gaat nader in op de indieningswijze van de aanvragen tot deelneming en de offertes. Paragraaf 1, eerste lid, die gedeeltelijk overeenstemt met het eerste lid van § 2 van de artikelen 16, 38 en 59 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, bepaalt dat elke aanvraag tot deelneming individueel en schriftelijk of telefonisch moet worden ingediend. Het vervolg van de paragraaf verduidelijkt eveneens zoals de artikelen 8, laatste lid, 14, § 1, voorlaatste lid, 30, laatste lid, 40, § 1, voorlaatste lid, 51, laatste lid, en 58, voorlaatste lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 dat indien de aanvraag tot deelneming per telefax of via een elektronisch middel gebeurt, met het oog op een juridisch bewijs een schriftelijke bevestiging kan worden geëist. Wat de elektronisch middel betreft, is deze bevestiging evenwel enkel vereist wanneer dat middel niet voldoet aan de voorschriften van artikel 57, §
  132. Een schriftelijke bevestiging is daarentegen verplicht ingeval van een telefonische aanvraag tot deelneming. Behalve voor de documenten waarvan het origineel moet worden voorgelegd, dient de bevestiging de reeds per telefax ingediende aanvraag niet volledig over te nemen, maar betrekking te hebben op de indiening zelf. Aangezien de aanvraag moet worden ondertekend, een vereiste waaraan niet kan worden voldaan bij een verzending per telefax, moet de bevestiging geldig ondertekend zijn. De aanvraag tot deelneming moet worden ondertekend door de persoon of personen die bevoegd of gemachtigd zijn om de kandidaat te verbinden. De woorden « in voorkomend geval » hebben betrekking op de indieningsmodaliteiten. De aanvraag kan immers niet worden ondertekend wanneer ze telefonisch, per telefax, e-mail of SMS werd ingediend. Onder « ondertekening » wordt begrepen : - de ondertekening door de kandidaat-natuurlijke persoon; - de ondertekening door de natuurlijke persoon die bevoegd is om de kandidaat-rechtspersoon te verbinden krachtens de wetgeving vennootschappen of andere wettelijke of reglementaire bepalingen en de toepasselijke statutaire bepalingen; - de ondertekening door een natuurlijke of rechtspersoon, die gemachtigd is de kandidaat-natuurlijke of rechtspersoon te verbinden. Dit voorschrift geldt eveneens voor alle personen die samen een aanvraag tot deelneming indienen en de intentie hebben om na hun selectie een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid op te richten. Paragraaf 2, die gedeeltelijk de artikelen 77 en 81, § 1, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 herneemt en uitbreidt naar alle gunningsprocedures, met uitzondering van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, behandelt de indienings- en ondertekeningswijzen van de offertes. De offerte wordt schriftelijk ingediend. Wat de ondertekening van de offerte betreft, zijn dezelfde voorschriften van toepassing als die van paragraaf
  133. Art. 57.Dit artikel betreffende het gebruik van elektronische middelen voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes herneemt bepalingen van de artikelen, 66ter en 66quater van het koninklijk besluit van 10 januari
  134. Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt vervolgens de na te leven minimumvoorwaarden wanneer elektronische middelen worden gebruikt. Deze voorwaarden stemmen inhoudelijk overeen met die van artikel 66quater van het koninklijk besluit van 10 januari
  135. Wat de opgesomde voorwaarden betreft, zijn enkel die vermeld in 1°, betreffende de elektronische handtekening, de te nemen maatregelen in geval van ontdekking van een computervirus (punt 2° ), alsook die betreffende de automatische vaststelling van het precieze tijdstip van ontvangst (punt 3° ) en tegelijk van toepassing op de kandidaten of inschrijvers, en op de aanbestedende overheid. De overige voorwaarden zijn enkel van toepassing op de aanbestedende overheid. De tekst verduidelijkt in het laatste lid dat de voorwaarden van 3° tot 8° niet toepasselijk zijn op de met elektronische middelen opgestelde offertes die niet via deze middelen worden overgelegd. Het is immers mogelijk dat een schriftelijk stuk wordt opgesteld via elektronische middelen en via andere middelen wordt verzonden. Zo bijvoorbeeld wanneer het wordt weggeschreven naar een materiële informaticadrager (hardware) zoals CD, DVD, USB-apparaat, .... In dit geval zijn de regels voor de verzending per brief of per drager van toepassing. De bepaling onder 1° is van toepassing op de offertes en, indien de aanbestedende overheid eist dat ze worden ondertekend, op de aanvragen tot deelneming. Volgens deze bepaling moet de handtekening een geavanceerde elektronische handtekening met een gekwalificeerd certificaat zijn, zoals bedoeld in de Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor de elektronische handtekeningen en zoals bedoeld in de wet van 25 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/03/2003 pub. 28/03/2003 numac 2003000234 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen sluiten tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Hieruit vloeit voort dat een aanvraag tot deelneming of offerte die werd ondertekend via een anoniem certificaat, moet worden verworpen. De geavanceerde elektronische handtekening garandeert o.a. de authenticiteit van de handtekening zelf maar ook de integriteit van de inhoud ervan. Zij laat bovendien perfect toe na te gaan of de offerte werd geopend of gewijzigd. Eén van de voorwaarden is dat de handtekening wordt gerealiseerd via een veilig middel voor het aanmaken van een handtekening. Volgens bijlage III van de wet van 9 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten type wet prom. 09/07/2001 pub. 25/08/2001 numac 2001016254 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet tot bekrachtiging van de bepalingen betreffende de verplichte bijdragen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en de vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis sluiten houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten, die Richtlijn 1999/93/EG omzet, moet een dergelijk middel, via passende technieken en procedures, ten minste waarborgen dat : - de gebruikte gegevens voor het aanmaken van een handtekening in de praktijk slechts éénmaal kunnen voorkomen en dat de vertrouwelijkheid ervan op redelijke wijze verzekerd is; - men redelijke zekerheid heeft dat de gebruikte gegevens voor het aanmaken van de handtekening niet door deductie kunnen worden achterhaald en dat de handtekening met de op dit ogenblik beschikbare technische middelen beschermd is tegen vervalsing; - de voor het aanmaken van de handtekening gebruikte gegevens door de legitieme ondertekenaar op betrouwbare wijze kunnen worden beschermd tegen het gebruik door anderen. Bovendien mogen de veilige middelen voor het aanmaken van een handtekening noch de te ondertekenen gegevens wijzigen, noch verhinderen dat die gegevens vóór het ondertekeningsproces aan de ondertekenaar worden voorgelegd. De bepalingen van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt, zijn ook van toepassing op de verzending via elektronische middelen. Bovendien heeft de wet van 20 oktober 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/10/2000 pub. 22/12/2000 numac 2000010017 bron ministerie van justitie Wet tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure sluiten, het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure ingevoerd. Volgens de bepaling onder 2° moet de integriteit van de inhoud van de verzending worden gewaarborgd. Zoals hierboven werd opgemerkt, is deze bepaling niet enkel van toepassing op de aanbestedende overheid, maar ook op de kandidaten of inschrijvers. Hieruit vloeit voort dat een aanvraag tot deelneming of offerte die een macro-opdracht bevat die het document kan wijzigen, zal worden geweerd. Er wordt voor dit punt verwezen naar de commentaar van artikel 5, §
  136. Volgens de bepaling onder 3° moet, wanneer een verzending via elektronische middelen gebeurt, het tijdstip van ontvangst van het document kunnen worden bewezen door overlegging van een ontvangstbewijs dat automatisch door de bestemmeling aan de afzender wordt verstrekt. Op technisch niveau dienen de automatisch verzonden ontvangstbewijzen ten minste de datum en het uur van ontvangst te vermelden, alsook een refertenummer en het aantal en de naam van de elementen waaruit het bericht bestaat, m.a.w. de bijlagen. Het is niet nodig een kopie van het ontvangen bericht als bijlage toe te voegen. Volgens de bepalingen onder 4° en 5° wordt het vertrouwelijk karakter van de aanvragen tot deelneming en de offertes gewaarborgd door een systeem dat redelijkerwijs verzekert dat de overgemaakte gegevens voor niemand toegankelijk zijn vóór de uiterste datum en dat elke inbreuk zal worden opgespoord. Het is de bedoeling om via deze vereiste een waarborg te bieden die minstens gelijkwaardig is aan die geboden door de vormvereiste van de definitief gesloten envelop en de verzending onder gewone of dubbele envelop in geval van overhandiging door een bode of verzending per brief. Volgens de bepalingen onder 6° en 7° mogen enkel de aangestelde personen die handelen in naam van de aanbestedende overheid, de data van opening van de overgelegde gegevens vastleggen of wijzigen en kunnen ze, door hun gelijktijdig optreden, toegang verlenen tot deze gegevens op de vastgelegde uiterste datum en uur. De overgemaakte gegevens betreffen zowel de aanvragen tot deelneming als de offertes, de wijzigingen en intrekkingen van offertes, alsook de plannen en ontwerpen bij een ontwerpenwedstrijd. Deze bepalingen zijn daarentegen niet van toepassing op het onderzoek van de elektronische aanvragen tot deelneming of offertes en evenmin op de procedures van interne controle bij de aanbestedende overheid. Volgens de bepaling onder 8° zijn die vertrouwelijke gegevens, zowel in het geval van een aanvraag tot deelneming als van een offerte, na de opening ervan alleen toegankelijk voor de tot inzage aangestelde personen. Volgens de bepaling onder 9° mogen de te gebruiken hulpmiddelen niet discriminerend zijn en moeten ze algemeen voor het publiek beschikbaar zijn en verenigbaar met algemeen gebruikte informatie- en communicatiemiddelen. Ze worden beschreven in de opdrachtdocumenten. Bijgevolg worden aanvragen tot deelneming of offertes die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen die deze voorwaarden bevatten geweerd. Dit zal het geval zijn wanneer een offerte wordt ingediend op een materiële informaticadrager (hardware) zoals CD, DVD, USB-apparaat,... en die niet compatibel is met de door de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten aangeduide middelen. Paragraaf 2 laat het daarentegen aan de aanbestedende overheid over om voor elke opdracht waarvoor geen beroep wordt gedaan op het dynamisch aankoopsysteem of de elektronische veiling, te beslissen of het gebruik van elektronische middelen voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes wordt opgelegd, toegestaan of verboden. Deze beslissing alsook, eventueel, het te gebruiken elektronisch adres worden vermeld in de opdrachtdocumenten. Indien deze vermeldingen ontbreken, is het gebruik van elektronische middelen verboden. Deze laatste oplossing stemt overeen met die waarvoor werd geopteerd in het koninklijk besluit van 10 januari 1996 ingevolge de wijziging aangebracht in artikel 66quater van dit besluit bij het koninklijk besluit van 29 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader vo

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.