← België

Koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren

In het kort

Dit Koninklijk Besluit regelt de plaatsing van overheidsopdrachten in specifieke sectoren zoals water, energie, vervoer en postdiensten, ter uitvoering van Titel III van de wet van 15 juni 2006. Het beoogt een hervorming van de bestaande wetgeving en de omzetting van Europese Richtlijnen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
16 JULI 2012. - Koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, hierna « de wet » genoemd, heeft tot doel de gehele wetgeving te hervormen die tot op heden gebaseerd is op de wet van 24 december 1993 en op diverse koninklijke besluiten. Zoals opgemerkt tijdens de parlementaire voorbereiding, beoogt de nieuwe wet ook de omzetting van de meeste niet-dwingende bepalingen van de Europese Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van 31 maart 2004. De dwingende bepalingen van de bedoelde richtlijnen werden reeds omgezet middels een aanpassing van de wet van 24 december 1993 en haar uitvoeringsbesluiten. Dit ontwerp van koninklijk besluit zorgt voor de uitvoering van titel III van de wet, die van toepassing is op de overheidsopdrachten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten. Het handelt evenwel niet over de opdrachten van de aanbestedende entiteiten in dezelfde sectoren, noch de overheidsopdrachten en de concessies voor openbare werken, die het voorwerp uitmaken van afzonderlijke ontwerpen. Het ontwerp bevat evenmin de specifieke voorschriften die van toepassing zijn op defensie- en veiligheidsgebied zoals bedoeld in Richtlijn 2009/81/EG, noch de algemene uitvoeringsregels voor de overheidsopdrachten en evenmin de bepalingen betreffende de bevoegdheidsdelegaties en sommige toezichtsmaatregelen voor de overheidsopdrachten op federaal niveau. Dit ontwerp van koninklijk besluit beoogt een totale omvorming van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. In tegenstelling tot de gevolgde werkwijze bij dit laatste besluit, is het voorliggende ontwerp niet gestructureerd in functie van de aard van de overheidsopdracht. In 1996 werd voor deze werkwijze geopteerd omdat de opdrachten voor werken, leveringen en diensten werden behandeld in afzonderlijke Europese richtlijnen. De nieuwe Richtlijn 2004/17/EG heeft de vorige richtlijnen in één coherent geheel samengevoegd, zodat kan worden afgestapt van de werkwijze waarbij soms identieke bepalingen dienden te worden herhaald. Een zeker aantal bepalingen zijn overgenomen uit het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels betreffende de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken (met inbegrip van de bijlage houdende de Algemene aannemingsvoorwaarden) omdat het om bepalingen gaat waarmee de aanbestedende overheid en de inschrijvers reeds rekening dienen te houden bij de plaatsing van de opdracht. Vanzelfsprekend gelden deze bepalingen ook voor de interpretatie van de opdrachtdocumenten in de loop van de uitvoering van de opdracht. Er wordt erop gewezen dat met het woord « of » in dit ontwerp « en/of » wordt bedoeld. In dit ontwerp is grotendeels gevolg geven aan de opmerkingen geformuleerd door de Raad van State in zij advies 50.198/1 van 20 oktober 2011. Wat de aanhef betreft, moet worden opgemerkt dat het advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten op 6 juni 2011 is verstrekt en dat enkel de begeleidende brief aan de Ministerraad van 20 juli 2011 dateert. Wat betreft de opmerkingen van de Raad van State waaraan geen gevolg is gegeven, worden in de commentaar bij de kwestieuze artikelen telkens de beweegredenen hiervoor uiteengezet. Inzake de algemene - terminologische - opmerkingen van de Raad van State, inzonderheid wat betreft de blijvende inconsequenties in het gebruik van de begrippen 'plaatsing', 'gunning' en 'sluiting' in de Nederlandse tekst en de overeenkomstige noties 'passation', 'attribution' en 'conlusion' in de Franse tekst, zijn de nodige bijkomende aanpassingen doorgevoerd. Evenwel en zoals in de wet van 5 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/2011 pub. 29/08/2011 numac 2011021078 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 sluiten tot wijziging van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten is ervoor geopteerd de bedoelde begrippenopdeling niet door te trekken naar de benaming van de procedures. Immers, de noties 'gunningsprocedure' en 'gunningswijze' zijn niet alleen sterk ingeburgerd, maar de koppeling van de noties 'gunning' en 'procedure' is ook logisch vanuit de optiek dat de verschillen tussen de procedures net liggen in de manier waarop de beslissing over de keuze van de offerte zal gebeuren, waarmee dus wordt verwezen naar de gunning van de opdracht. Verder is geen gevolg gegeven aan de aanbeveling van de Raad van State om in het ontwerp een begripsomschrijving van de notie 'plaatsing' op te nemen. In tegenstelling tot wat geldt voor de noties 'gunning' en 'sluiting' zijn aan de notie 'plaatsing' in dit ontwerp immers geen specifieke juridische gevolgen verbonden, maar dient deze notie in de algemene betekenis van het woord te worden begrepen. Zodoende verwijst het eerder naar de procedurele aspecten. Overigens wordt het begrip 'plaatsing' in de Europese Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG eveneens gebruikt zonder dat hiervoor een definitie wordt gegeven. De Raad van State formuleert de algemene opmerking dat de Koning ook voor de speciale sectoren de regels dient te bepalen die van toepassing zijn op de raamovereenkomst. Zoals reeds opgemerkt in een antwoord aan de Raad van State, zijn de regels die specifiek betrekking hebben op de raamovereenkomst in de speciale sectoren, niet zo gedetailleerd als die betreffende de klassieke sectoren in Richtlijn 2004/18/EG. Bovendien kunnen, na het sluiten van de raamovereenkomst, de latere opdrachten worden geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking overeenkomstig artikel 53, § 2, 1°, g, van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten. Niettemin moet worden opgemerkt dat de raamovereenkomst in dit ontwerp vervat is in het begrip « opdracht » als bedoeld in artikel 2, 3°, en dat de plaatsing ervan bijgevolg moet gebeuren overeenkomstig de ramings- en mededingingsregels die op overheidsopdrachten van toepassing zijn. Enkel de latere opdrachten die op deze raamovereenkomst gebaseerd zijn, kunnen worden geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, zoals hierboven uiteengezet. Bijgevolg moeten in casu geen bijkomende regels worden bepaald. Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen, met name de definities van de in het besluit gebruikte termen, alsook bepalingen betreffende het toepassingsgebied, de marktverkenning, de communicatiemiddelen, de technische specificaties, de varianten en opties, bepaalde prijsmodaliteiten en het verbod inzake belangenvermenging en afspraken. Hoofdstuk 2 is gewijd aan de regels omtrent de raming van de opdracht. Hoofdstuk 3 groepeert alle bepalingen inzake bekendmaking. Hoofdstuk 4 omvat de regels inzake de indiening van de aanvragen tot deelneming en de offertes. Hoofdstuk 5 omvat de voorschriften inzake toegangsrecht en kwalitatieve selectie. Hoofdstuk 6 is gewijd aan de gunning van opdrachten bij aanbesteding en offerteaanvraag. Hoofdstuk 7 behandelt de gunning bij onderhandelingsprocedure. Hoofdstuk 8 groepeert de voorschriften betreffende de specifieke en aanvullende opdrachten en procedures, namelijk de promotieopdracht van werken, het dynamisch aankoopsysteem, de elektronische veiling, de werkenwedstrijd en de ontwerpenwedstrijd. Hoofdstuk 9 bevat de wijzigende en de slotbepalingen. Deze structuur is zo opgevat dat de hoofdstukken 1 tot 5 in de regel toepasselijk zijn op alle opdrachten en gunningsprocedures, tenzij de wet of dit ontwerp voor een bepaalde opdracht of procedure in een andersluidende regeling beschikken. INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Inleidende bepaling Artikel 1 Afdeling 2. - Definities en toepassing belasting over de toegevoegde waarde Art. 2 Afdeling 3. - Toepassingsgebied Art. 3 Afdeling 4. - Marktverkenning Art. 4 Afdeling 5. - Communicatiemiddelen Art. 5 Afdeling 6. - Technische specificaties en normen Art. 6 tot 8 Afdeling 7. - Varianten, opties en percelen Art. 9 tot 11 Afdeling 8. - Beroep op draagkracht van derden Art. 12 Afdeling 9. - Prijsvaststelling, prijsbestanddelen en prijsherziening Art. 13 tot 20 Afdeling 10. - Prijsonderzoek Art. 21 Afdeling 11. - Belangenvermenging en afspraken Art. 22 en 23 HOOFDSTUK 2. - Raming opdrachtbedrag Art. 24 tot 28 HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels Art. 29 tot 31 Afdeling 2. - Europese drempels Art. 32 en 33 Afdeling 3. - Europese bekendmaking Art. 34 tot 41 Afdeling 4. - Belgische bekendmaking Art. 42 tot 46 HOOFDSTUK 4. - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes Afdeling 1. - Termijnen - Algemene bepalingen Art. 47 tot 50 Afdeling 2. - Termijnen bij Europese bekendmaking Art. 51 en 52 Afdeling 3. - Termijnen bij Belgische bekendmaking Art. 53 en 54 Afdeling 4. - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte Art. 55 Afdeling 5. - Indieningsrecht en -wijze aanvragen tot deelneming en offertes Art. 56 tot 61 Afdeling 6. - Verbintenistermijn Art. 62 HOOFDSTUK 5. - Selectie kandidaten en inschrijvers - Toegangsrecht en kwalitatieve selectie Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 63 tot 65 Afdeling 2. - Toegangsrecht Art. 66 tot 71 Afdeling 3. - Kwalitatieve selectie Art. 72 tot 78 HOOFDSTUK 6. - Gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag Afdeling 1. - Vorm, inhoud en ondertekening offerte Art. 79 tot 81 Afdeling 2. - Samenvattende opmeting en inventaris Art. 82 en 83 Afdeling 3. - Interpretatie, fouten en leemten Art. 84 tot 86 Afdeling 4. - Prijsopgave en percelen Art. 87 en 88 Afdeling 5. - Indiening offertes Art. 89 en 90 Afdeling 6. - Opening offertes Art. 91 tot 93 Afdeling 7. - Onderzoek en regelmatigheid offertes Art. 94 tot 98 Afdeling 8. - Gunning opdracht Art. 99 en 100 Afdeling 9. - Sluiting opdracht Art. 101 tot 103 HOOFDSTUK 7. - Gunning bij onderhandelingsprocedure Afdeling 1. - Specifieke drempels Art. 104 Afdeling 2. - Verloop en sluiting Art. 105 tot 109 HOOFDSTUK 8. - Specifieke en aanvullende opdrachten en procedures Afdeling 1. - Promotieopdracht van werken Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 110 tot 112 Onderafdeling 2. - Opdrachtdocumenten Art. 113 tot 119 Afdeling 2. - Dynamisch aankoopsysteem Art. 120 tot 124 Afdeling 3. - Elektronische veiling Art. 125 tot 130 Afdeling 4. - Werkenwedstrijd Art. 131 Afdeling 5. - Ontwerpenwedstrijd Onderafdeling 1. - Toepassingsvoorwaarden en jury Art. 132 tot 134 Onderafdeling 2. - Raming en bekendmaking Art. 135 tot 137 HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen Art. 138 tot 142 HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Inleidende bepaling Artikel 1.Artikel 1 verwijst naar Richtlijn 2004/17/EG van 31 maart 2004. Het ontwerp zorgt voor de omzetting van sommige bepalingen van deze richtlijn, in de mate dat deze nog niet werden omgezet door de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/2006 pub. 15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten. Afdeling 2. - Definities en toepassing belasting over de toegevoegde waarde Art. 2.Paragraaf 1 van dit artikel bevat de definities van in de wet en in dit ontwerp van koninklijk besluit gebruikte begrippen. Een dergelijk artikel is niet opgenomen in het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Het in de bepaling onder 2° omschreven begrip « aanbestedende overheid » omvat zowel een aanbestedende overheid als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet als en overheidsbedrijf als bedoeld in punt 2 van hetzelfde artikel. Het in de bepaling onder 3° omschreven begrip « opdracht » omvat alle soorten opdrachten, overeenkomsten en wedstrijden als bedoeld in artikel 3 van de wet. Deze definitie heeft tot doel herhaalde opsommingen te vermijden die de tekst nodeloos zouden verzwaren. De bepaling onder 4° handelt over een nieuwe vorm van onderhandelingsprocedure met bekendmaking. Deze vorm voldoet aan de definitie van artikel 3, 8°, van de wet. Het gaat dus niet om een nieuwe procedure. Kenmerkend is dat de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking slechts één enkele fase omvat : toegangsrecht, kwalitatieve selectie en onderzoek van de inhoud van de offertes. Deze procedure, die is ingevoerd in het kader van de administratieve vereenvoudiging, is op dat vlak vergelijkbaar met de open procedure, in die zin dat de geïnteresseerden onmiddellijk een offerte indienen. In tegenstelling tot bij de open procedure is bij de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking, zoals overigens bij alle andere vormen van onderhandelingsprocedure, evenwel geen zitting voor de opening van de offertes vereist en mag er worden onderhandeld. De vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking is niet vermeld in Richtlijn 2004/17/EG. Het gebruik ervan is dan ook slechts toegestaan voor de opdrachten die de Europese drempels vermeld in artikel 30 niet bereiken. Het gevolg van haar specifieke vorm, en met name van het feit dat ze één enkele fase omvat, is bovendien dat niet alle bepalingen van dit ontwerp die handelen over de onderhandelingsprocedure met bekendmaking zonder meer op haar kunnen worden toegepast. Verder wordt verwezen naar de commentaar van hoofdstuk 7. De bepalingen onder 5° tot 8° definiëren de verschillende vormen die de opdrachten inzake prijsvaststelling kunnen aannemen. Ze hernemen op een meer nauwkeurige wijze de bepalingen die nu zijn vervat in artikel 86 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. De bepaling onder 5° verduidelijkt wat wordt bedoeld met een opdracht tegen globale prijs. De draagwijdte ervan wordt niet gewijzigd. De bepaling onder 6° definieert de opdracht tegen prijslijst. De tekst van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 gaat niet nader in op de vermelding van de hoeveelheden die vermoedelijk zijn of uitgedrukt worden binnen een vork. Deze verduidelijking is evenwel belangrijk omdat ze de inschrijvers de mogelijkheid biedt de prijs met kennis van zaken vast te stellen, vooral in de gevallen waarin de bestelde hoeveelheden sterk kunnen variëren. Deze posten worden verrekend op basis van de werkelijk bestelde en gebruikte hoeveelheden. De precisering « bestelde » heeft tot doel te vermijden dat de opdrachtnemers meer zouden presteren en factureren dan wat volgens de bestelling was voorzien. De bepaling onder 7° neemt de definitie van de opdracht tegen terugbetaling over die inhoudelijk niet gewijzigd wordt. De formulering « als winst toe te passen verhogingen » is evenwel vervangen door de term « verhogingen » die een ruimere draagwijdte heeft. De verhogingen omvatten niet enkel de winst, maar kunnen ook de administratiekosten, de bouwplaatskosten of andere algemene kosten omvatten. De bepaling onder 8° neemt de definitie van de gemengde opdracht ongewijzigd over. De bepalingen onder 9° en 10° definiëren de samenvattende opmeting en inventaris en hernemen op een meer precieze wijze de bepalingen van de artikelen 84, § 1, eerste lid, en 85, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. De bepaling onder 11° verduidelijkt wat wordt bedoeld met een variante. In Richtlijn 2004/17/EG is dit begrip niet gedefinieerd, net zomin trouwens als in het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Deze verduidelijking bleek evenwel nuttig teneinde het onderscheid te kunnen maken met de optie. De variante vormt een alternatieve conceptie- of uitvoeringswijze die hetzij op verzoek van de aanbestedende overheid, hetzij op initiatief van de inschrijver, wordt ingediend. Deze alternatieve conceptie- of uitvoeringswijze heeft betrekking op een deel van de opdracht, dat altijd noodzakelijk is voor de uitvoering ervan. Bijvoorbeeld, voor een voertuig : een benzinemotor, met een variante die een dieselmotor aanbiedt; voor vensters : ramen in PVC met een variante voor ramen in aluminium. De bepaling onder 12° definieert het begrip « optie ». Het gaat om een tot dusver nog niet gedefinieerd begrip dat echter gebruikt wordt in Richtlijn 2004/17/EG. De optie vormt ten opzichte van het basisproject een element dat niet strikt noodzakelijk en bijkomstig is voor de uitvoering van de opdracht, dat wordt ingediend hetzij op verzoek van de aanbestedende overheid, hetzij op initiatief van de inschrijver. Het gaat bijvoorbeeld, voor een voertuig : om de levering van een trekhaak; bij een opdracht voor werken, om de aanleg van een bijkomende kelder voor een gebouw. De optie vormt geen voorwaardelijk gedeelte in de zin van artikel 37, § 1, van de wet. De bepalingen onder 13° tot 17° definiëren de technische specificaties, de norm, de Europese technische goedkeuring, de gemeenschappelijke technische specificaties en het technisch referentiekader. Deze begrippen zijn terug te vinden in bijlage XXI van Richtlijn 2004/17/EG. Deze definities blijven ongewijzigd ten opzichte van deze vermeld in het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Paragraaf 2 van artikel 2 bepaalt dat elk bedrag vermeld in het ontwerp steeds zonder belasting over de toegevoegde waarde is. Deze verduidelijking heeft als bedoeling om de tekst van het besluit niet nodeloos te verzwaren. Afdeling 3. - Toepassingsgebied Art. 3.Dit artikel bepaalt in zijn eerste lid het toepassingsveld van het ontwerp dat betrekking heeft op de opdrachten die onder titel III van de wet vallen. Het tweede lid bevat een bepaling die vergelijkbaar is met die vervat in de artikelen 1, § 1, tweede lid, 22, § 1, tweede lid, en 43, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. In uitvoering van artikel 44, tweede lid, van de wet, vormt de bijlage 1 van dit besluit een niet-limitatieve lijst van overheidsbedrijven als bedoeld in artikel 2, 2°, van dezelfde wet. Zoals vermeld in de memorie van toelichting tracht deze lijst zo volledig mogelijk te zijn. Nochtans kan het voorkomen dat personen die beantwoorden aan de definitie van overheidsbedrijf, niet in de lijst zijn opgenomen. Deze personen zijn niettemin aan de toepassing van de wetgeving onderworpen. Omgekeerd zal een persoon die in de lijst voorkomt maar die niet langer beantwoordt aan de definitie van overheidsbedrijf, niet meer onderworpen zijn. Afdeling 4. - Marktverkenning Art. 4.Dit artikel dat een marktverkenning toelaat, vormt een nieuwe bepaling waarvan het principe vermeld is in de overweging 15 van Richtlijn 2004/17/EG. Deze bepaling erkent de geldigheid van de praktijk waarbij de aanbestedende overheden de evolutie van de producten en technieken op de markt volgen. Deze marktverkenning moet plaatsvinden vóór het uitschrijven van de gunningsprocedure en mag ook niet leiden tot enige vorm van vooronderhandelingen met bepaalde ondernemingen. Een dergelijke marktverkenning mag bovendien niet tot een verhindering of vertekening van de mededinging leiden, wat met name het geval kan zijn indien de technische specificaties van een overheidsopdracht een fabrikaat of een techniek zouden vermelden welke specifiek betrekking heeft op een bepaalde onderneming, wat in strijd zou zijn met artikel 7, § 2, eerste lid, van het ontwerp. Afdeling 5. - Communicatiemiddelen Art. 5.Dit artikel zorgt voor de gedeeltelijke uitvoering van artikel 10 van de wet betreffende de communicatiemiddelen. Deze bepaling moet eveneens in verband worden gebracht met de definities van schriftelijk stuk en elektronisch middel vervat in de wet, alsook met de bepalingen van artikel 56 betreffende inzonderheid het gebruik van elektronische middelen voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes. Artikel 5, § 1, verduidelijkt net zoals artikel 66ter van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en artikel 48, 3, van Richtlijn 2004/17/EG dat, ongeacht of elektronische middelen worden gebruikt, de mededeling, uitwisseling en opslag van informatie zodanig moeten plaatsvinden dat de integriteit van de gegevens en de vertrouwelijkheid van de offertes en van de aanvragen tot deelneming gewaarborgd worden en dat de aanbestedende overheid pas bij het verstrijken van de voorziene termijn kennisneemt van de inhoud ervan. Paragraaf 2 van artikel 5 bepaalt vervolgens het gevolg dat moet worden gegeven aan een schriftelijk stuk dat met elektronische middelen is opgesteld en dat in de ontvangen versie een macro, een computervirus of een andere schadelijke instructie vertoont. Het is mogelijk dat de ontvangen versie door de bestemmeling in een veiligheidsarchief wordt opgenomen. Indien zulks technisch noodzakelijk is, wordt het document als niet ontvangen beschouwd en wordt de afzender van het schriftelijk stuk hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht. De bestemmeling kan eveneens beslissen het bewuste document te aanvaarden, indien hij meent het zonder risico te kunnen lezen of desinfecteren, teneinde niet enkel zijn computersysteem, maar ook de integriteit van dat document te vrijwaren. De bestemmeling die een dergelijke verrichting overweegt, moet zich ervan vergewissen dat hierdoor de inhoud van het document niet zal worden gewijzigd. De bevoegde overheid is verantwoordelijk voor de eindbeslissing en moet erop toezien dat het gelijkheidsbeginsel wordt nageleefd. Indien het document een aanvraag tot deelneming of een offerte is, is de aanpak evenwel anders. Indien zulks technisch noodzakelijk is, kan de aanvraag tot deelneming of de offerte geweerd worden overeenkomstig artikel 56, § 1, 2°. De selectie- of de gunningsbeslissing moet de verwerping motiveren. Wanneer het ontvangstsysteem van de offertes de macro of de infectie ontdekt, mag de aanbestedende overheid de kandidaat of inschrijver hiervan niet onmiddellijk in kennis stellen. De kandidaten of inschrijvers in kwestie mogen immers niet de kans krijgen om alsnog een schriftelijk stuk in te dienen dat aan de voorschriften voldoet en hun kandidatuur of offerte te regulariseren, aangezien de gelijke behandeling van de concurrenten die een papieren gegevensdrager of klassieke transmissietechnieken gebruiken, hierdoor in het gedrang zou komen. De informatie zal gebeuren volgens de op dat vlak toepasselijke bepalingen. Paragraaf 3 bepaalt dat de aanbestedende overheid het gebruik van elektronische middelen kan toestaan voor de verzending van andere schriftelijke stukken dan de aanvragen tot deelneming of de offertes, zoals bijvoorbeeld verduidelijkingen, prijsverantwoordingen. Dezelfde regel is toepasselijk voor de kandidaten of inschrijvers. Het tweede lid van paragraaf 3 voegt hieraan toe dat wanneer een bepaling van het besluit vermeldt dat een verzending aangetekend moet plaatsvinden of worden bevestigd, dit zowel met een fysieke aangetekende brief als met een elektronische aantekende zending, zij het telkens met ontvangstmelding kan gebeuren. De aangetekende verzending moet een bewijs leveren van de volgende elementen : - de identiteit van afzender en bestemmeling; - het feit van de verzending van een bericht evenals de datum en het tijdstip van verzending; - de ontvangst van het bericht door de bestemmeling en de datum en het tijdstip van ontvangst; - de inhoud van het bericht in het geval van een elektronische aangetekende zending. Afdeling 6. - Technische specificaties en normen Art. 6.Dit artikel heeft betrekking op de technische specificaties als bedoeld in artikel 41 van de wet en met name ook in de artikelen 68bis et 69 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en in bijlage XXI van Richtlijn 2004/17/EG. Artikel 2, 13° tot 17°, van dit ontwerp bevat een definitie van deze specificaties. Zoals artikel 68bis, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, bepaalt paragraaf 1 van artikel 6 dat de aanbestedende overheid de technische specificaties opneemt in de opdrachtdocumenten. Artikel 34, 1, alsook overweging 42 van Richtlijn 2004/17/EG gaan nader in op een bekommernis die zeer ruim geformuleerd is op Europees niveau. Ze betreft het in overweging nemen van toegankelijkheidscriteria in de technische specificaties, teneinde rekening te houden met de behoeften van alle gebruikers, met inbegrip van personen met een handicap. De paragrafen 2 tot 5 behandelen de technische specificaties, het aantonen van de overeenstemming met de voorschriften van de technische specificaties, naargelang ze werden aangegeven door verwijzing naar normen of functionele eisen, en het voorschrijven van milieukenmerken. De overweging 42 van de richtlijn luidt als volgt : « De door aankopers opgestelde technische specificaties moeten de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging mogelijk maken; daartoe moet het mogelijk zijn inschrijvingen in te dienen waarin de diversiteit van de technische oplossingen tot uiting komt. Te dien einde moeten enerzijds de technische specificaties kunnen worden opgesteld in termen van prestaties en functionele eisen en moeten anderzijds, bij verwijzing naar de Europese - of bij ontstentenis daarvan naar de nationale - norm, inschrijvingen op basis van andere gelijkwaardige oplossingen die voldoen aan de voorschriften van de aanbestedende diensten en die qua veiligheid gelijkwaardig zijn, door de aanbestedende diensten in overweging worden genomen. Om de gelijkwaardigheid aan te tonen, moeten de inschrijvers elk bewijsmiddel kunnen gebruiken. De aanbestedende diensten moeten iedere beslissing dat er geen sprake is van gelijkwaardigheid, kunnen motiveren. Aanbestedende diensten die in de technische specificatie van een bepaalde opdracht milieueisen wensen op te nemen, kunnen de milieukenmerken en/of het milieueffect van specifieke productgroepen of diensten voorschrijven. Zij kunnen, zonder dat daartoe een verplichting bestaat, de passende specificaties gebruiken die zijn omschreven in milieukeuren, zoals de Europese milieukeur, (pluri-)nationale milieukeuren of een andere milieukeur indien de vereisten voor de keur zijn ontwikkeld en aangenomen op grond van wetenschappelijke gegevens via een proces waaraan de betrokkenen, zoals regeringsinstanties, consumenten, fabrikanten, kleinhandel en milieuorganisaties, kunnen deelnemen en indien de keur toegankelijk en beschikbaar is voor alle betrokken partijen. De aanbestedende diensten moeten, indien mogelijk, technische specificaties vaststellen die rekening houden met de toegankelijkheidscriteria voor gehandicapten of een voor alle gebruikers geschikt ontwerp. De technische specificaties moeten duidelijk worden aangegeven, zodat alle inschrijvers weten waarop de door de aanbestedende dienst gestelde eisen betrekking hebben. ». Een toepassingsvoorbeeld van dergelijke technische specificaties kan onder meer worden gevonden in de omzendbrief P & O/DO/1 van 27 januari 2005 betreffende de implementatie van het duurzame ontwikkelingsbeleid bij de overheidsopdrachten van leveringen gelanceerd door aanbestedende overheden van de federale overheid die behoren tot de klassieke sectoren (Belgisch Staatsblad van 4 februari 2005). Art. 7.Dit artikel stemt overeen met artikel 69 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, betreffende de mededeling door de aanbestedende overheid van de technische specificaties die in de regel bedoeld worden in haar opdrachten of waarnaar zij wil verwijzen in haar opdrachten. Art. 8.Paragraaf 1 van dit artikel vormt een nieuwe bepaling. Hij zorgt voor de omzetting van artikel 34, 2, van Richtlijn 2004/17/EG dat herinnert aan het principe dat de technische specificaties de inschrijvers gelijke toegang moeten bieden en niet tot ongerechtvaardigde belemmeringen voor de mededinging mogen leiden. Paragraaf 2 bevat in een aangepaste vorm, de bepalingen van artikel 71 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en zorgt voor de omzetting van artikel 34, 8, van Richtlijn 2004/17/EG. Deze bepaling verbiedt de invoering van technische specificaties die producten vermelden van een bepaald fabrikaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze, of die verwijzen naar een merk, een octrooi, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie waardoor bepaalde ondernemingen kunnen worden bevoordeeld of geëlimineerd. Een dergelijke verwijzing is slechts uitzonderlijk toegestaan, hetzij wanneer het voorwerp van de opdracht dit rechtvaardigt (bijvoorbeeld voor de aankoop van wisselstukken die, om technische redenen, van een bepaald merk moeten zijn of in geval van een wereldmonopolie), hetzij wanneer een voldoende nauwkeurige en duidelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht conform artikel 6, § § 2 en 3 niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de vermelding of verwijzing vergezeld gaan van de woorden « of gelijkwaardig » (cf. in dat verband m.n. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 24 januari 1995, zaak C-359/93, Commissie van de Europese Gemeenschappen versus Koninkrijk der Nederlanden en de beschikking van het Hof van 3 december 2001, zaak C-59/00, Bent Mousten Vestergaard versus SpOttrup Boligslkab). In dit verband kan ook worden verwezen naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 23 juni 2004 betreffende het verbod om in de bepalingen van een opdracht technische specificaties op te nemen die het gewone verloop van de mededinging beperken of uitsluiten (Belgisch Staatsblad van 25 juni 2004) alsook naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 8 december 2006 betreffende de technische specificaties van microprocessoren in het kader van federale informaticaopdrachten (Belgisch Staatsblad van 15 december 2006). Afdeling 7. - Varianten, opties en percelen Art. 9.Paragraaf 1 van dit artikel gaat nader in op de diverse soorten varianten zoals omschreven in artikel 2, punt 11°. De benadering inzake verplichte varianten wordt niet gewijzigd ten opzichte van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, terwijl die inzake de facultatieve varianten fundamenteel gewijzigd wordt. Om na te gaan of zowel de basisofferte als de variante regelmatig zijn, is een tweeledig onderzoek vereist. Dit onderzoek betreft in de eerste plaats de indiening van deze verschillende soorten offertes. Als deze fase goed is doorlopen, dient vervolgens de regelmatigheid van elk van de ingediende offertes te worden onderzocht om de eventuele wederzijdse beïnvloeding ervan te bepalen op het gebied van de regelmatigheid. Bij verplichte varianten moet de inschrijver bijvoorbeeld een offerte indienen zowel voor de basisofferte als voor elke verplichte variante, op straffe van volledige onregelmatigheid van zijn offerte. Bij facultatieve varianten kan de inschrijver voortaan een offerte indienen voor één of meerdere varianten en is hij niet langer verplicht een offerte in te dienen voor een basisoplossing. De aanbestedende overheid kan evenwel één bepaalde facultatieve variante als basisoplossing aanduiden en verplichten daarvoor een offerte in te dienen. Deze nieuwe bepalingen bieden meer soepelheid en zijn bedoeld om de mededinging te bevorderen. De afwezigheid van een facultatieve variante leidt dus niet noodzakelijk tot de onregelmatigheid van de basisofferte. Indien enkel een facultatieve variante zonder offerte voor de basisoplossing wordt ingediend, moet de volledige offerte als onregelmatig worden beschouwd indien de opdrachtdocumenten de indiening van een dergelijke offerte oplegden. Anders zal dit niet het geval zijn. De indiening van vrije varianten gebeurt op initiatief van de inschrijver. Bij offerteaanvraag moet de inschrijver nauwkeurig aangeven welke zijn basisofferte is en welke zijn vrije variante(n). Bij onderhandelingsprocedure kan dit in de loop van de onderhandelingen gebeuren. Indien vrije varianten toegestaan zijn, kunnen verschillende varianten betrekking hebben op één of meer posten. De opdrachtdocumenten kunnen hieromtrent evenwel beperkingen opleggen. Voor de opdrachten die verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, gelden twee voorwaarden. Enerzijds moet de aanbestedende overheid in de aankondiging en eventueel in de andere opdrachtdocumenten vermelden of zij de indiening van vrije varianten toelaat. Zoniet zijn ze niet toegelaten en moeten ze gewoon worden afgewezen, aangezien enkel de basisofferte in aanmerking wordt genomen. Anderzijds moet zij de minimumeisen bepalen waaraan deze varianten moeten voldoen (ze kan bijvoorbeeld vermelden dat een vrije variante betrekking mag hebben op een bepaald technisch aspect van de geplande opdracht). Aan deze laatste voorwaarde kan worden voldaan door in het algemeen te verwijzen naar de minimumeisen in de opdrachtdocumenten. Voor de opdrachten die niet verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, is het indienen van vrije varianten, waarvoor de aanbestedende overheid geen voorafgaande eisen heeft bepaald, steeds mogelijk, tenzij de opdrachtdocumenten die mogelijkheid uitsluiten. Het verbod om vrije varianten in te dienen, kan gepaard gaan met een sanctie van absolute nietigheid in de opdrachtdocumenten. Deze vermelding is evenwel af te raden omdat ze nadelige gevolgen kan hebben voor de mededinging en de economische doeltreffendheid. Wat de invloed van de regelmatigheid van een werkelijk ingediende variante betreft, wordt opgemerkt dat de onregelmatigheid van een ingediende verplichte variante ertoe leidt dat deze als niet-bestaande wordt beschouwd. Deze hypothese sluit dus aan bij die waarbij geen dergelijke offerte werd ingediend en leidt tot de afwijzing van de basisofferte en van de variante. Hetzelfde geldt wanneer de basisofferte onregelmatig is. De onregelmatigheid van de facultatieve variante leidt daarentegen enkel tot de afwijzing van deze laatste en niet van de regelmatige basisofferte. Indien de basisofferte onregelmatig is en de facultatieve variante regelmatig, kan deze laatste in aanmerking worden genomen en moet de volledige offerte, gezien de nieuwe benadering van dit besluit niet meer als onregelmatig worden beschouwd. De aanbestedende overheid kan beslissen een vrije variante niet in aanmerking te nemen. Ze moet haar beslissing evenwel motiveren op basis van bijvoorbeeld technische elementen of andere factoren zoals de prijs, de budgettaire verplichtingen of de uitvoeringstermijnen. De indiening van een onregelmatige vrije variante leidt niet tot de onregelmatigheid van de basisofferte, tenzij de opdrachtdocumenten bepalen dat alle offertes in dat geval absoluut nietig zijn. Deze vermelding is evenwel af te raden omdat ze de aanbestedende overheid elke beoordelingsmarge ontneemt. Indien een dergelijke vermelding daarentegen ontbreekt, dient enkel de onregelmatige vrije variante te worden afgewezen. Paragraaf 2 expliciteert dat de verschillende soorten varianten bij alle gunningprocedures kunnen worden gebruikt. De vrije variante blijft evenwel uitgesloten bij aanbesteding. Daarnaast verduidelijkt deze paragraaf dat ze, hetzij met een afzonderlijke offerte, hetzij met een deelofferte kunnen worden ingediend. Paragraaf 3 bevat een bepaling die opgenomen is in artikel 36, § 2, van Richtlijn 2004/17/EG, alsook in artikel 70, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Volgens deze bepaling mag een variante niet worden afgewezen enkel omwille van het feit dat, indien de aanbestedende overheid ze zou aanvaarden, een opdracht voor diensten een opdracht voor leveringen zou worden of omgekeerd. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn voor een opdracht betreffende de ontwikkeling van software via een opdracht voor diensten, terwijl een concurrent als variante een softwarepakket zou indienen dat voldoet aan de eisen van de aanbestedende overheid. Art. 10.Dit artikel van het ontwerp behandelt de in artikel 2, punt 12°, omschreven opties. Paragraaf 1 maakt een onderscheid tussen de verplichte en vrije opties. In het eerste geval dient de aanbestedende overheid, net zoals bij de verplichte varianten, het voorwerp, de aard en de draagwijdte ervan te omschrijven in de opdrachtdocumenten en zijn de inschrijvers verplicht een bod te doen voor deze opties. Het tweede geval betreft de vrije opties. Deze kunnen op eigen initiatief door de inschrijvers worden ingediend. Volgens paragraaf 2 wordt het bod voor de opties afzonderlijk vermeld in de offerte. Deze bepaling maakt het ook mogelijk om vrije opties in te dienen bij aanbesteding, op voorwaarde dat aan een dergelijke optie geen meerprijs of een andere tegenprestatie wordt verbonden. Dit verschil met de vrije variante, die in het kader van de aanbesteding zoals eerder vermeld niet is toegestaan, is gerechtvaardigd omdat de optie enkel betrekking heeft op een bijkomend element. De mogelijkheid die de aanbestedende overheid wordt geboden om, zelfs bij aanbesteding, vrije opties in aanmerking te nemen kan haar voordelen opleveren, daar aan het bestellen van de optie geen meerprijs kan worden verbonden. Krachtens paragraaf 3 is de aanbestedende overheid nooit verplicht gebruik te maken van een optie bij het sluiten van de opdracht en evenmin tijdens de uitvoering ervan. Wat dit laatste punt betreft, kan het immers interessanter zijn enkel gebruik te maken van een optie tijdens de uitvoering van de opdracht. Een voorbeeld : bij interventievrachtwagens die uitgerust zijn met een zwaailicht, kan in een optie worden voorzien voor een bijkomend zwaailicht. Art. 11.Deze bepaling betreffende de opdrachten in percelen is nieuw. Volgens het eerste lid moeten de opdrachtdocumenten de aard en het voorwerp van de percelen, de verdeling en de kenmerken ervan bepalen. Deze verduidelijking moet de inschrijvers de mogelijkheid bieden om, met kennis van zaken, een of meer percelen te kiezen waarvoor ze een offerte wensen in te dienen. Volgens het tweede lid mag de gunningswijze verschillend zijn per perceel. De term « gunningswijzen » verwijst naar de keuze tussen de aanbesteding, de offerteaanvraag en de onderhandelingsprocedure. Deze versoepeling die in het tweede lid werd ingebouwd, dient evenwel op doordachte wijze te worden gebruikt. Het naast elkaar bestaan van diverse gunningswijzen kan immers de beoordeling van de offertes bemoeilijken en zelfs de indiening van prijskortingen onmogelijk maken. Afdeling 8. - Beroep op draagkracht van derden Art. 12.Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 37 van Richtlijn 2004/17/EG. Krachtens paragraaf 1, eerste lid van dit artikel kan de inschrijver worden verzocht om in zijn offerte te vermelden voor welke gedeelte van de opdracht hij voornemens is een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten als bedoeld in artikel 72 en welke entiteiten hij voorstelt. Aldus wordt een verband gelegd met artikel 72 betreffende de mogelijkheid om rekening te houden met de draagkracht van andere entiteiten in het kader van de kwalitatieve selectie. Deze mogelijkheid impliceert niet alleen dat deze entiteit zich ertoe verbindt haar draagkracht ter beschikking te stellen van de inschrijver maar ook dat de aanbestedende overheid in rechte en in feite nagaat of deze draagkracht werkelijk voorhanden is. Deze bepaling is toepasselijk op de opdrachten voor werken, leveringen en diensten. Ze verschilt van die welke momenteel vervat is in artikel 78, § 1, 3°, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 in die zin dat deze laatste de inschrijver verplicht om de identiteit van de onderaannemers te vermelden voor de opdrachten voor werken, terwijl uit de nieuwe bepaling blijkt dat deze vermelding facultatief is. Bovendien werd de vermelding van de nationaliteit van het tewerkgestelde personeel geschrapt omdat die weinig relevant was. Het tweede lid van paragraaf 1 maakt een onderscheid tussen het geval waarin de procedure één enkele fase omvat en dat waarin ze twee fasen omvat. Paragraaf 2 is het logische gevolg van paragraaf 1, tweede lid, 2°. Hij bepaalt dat de aanbestedende overheid, bij een procedure in twee fasen, opnieuw nagaat of de voorgestelde entiteiten nog over voldoende draagkracht beschikken. Afdeling 9. - Prijsvaststelling, prijsbestanddelen en prijsherziening Art. 13.Artikel 13, § 1, eerste lid, van het ontwerp verwijst naar artikel 2, 5° tot 8°, dat de verschillende soorten prijsvaststellingen definieert. Voor sommige specifieke opdrachten en procedures, zoals de promotieopdracht, de ontwerpenwedstrijd of de concessie voor openbare werken, wordt de prijs op een andere wijze vastgesteld. Het tweede lid is hernomen uit artikel 75 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Volgens paragraaf 2 moet de inschrijver bij een opdracht tegen globale prijs of voor de forfaitaire posten van een gemengde opdracht, zijn offertebedrag vaststellen volgens zijn eigen bewerkingen, berekeningen en ramingen. Deze bepaling stemt overeen met artikel 24, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden en is voortaan eveneens van toepassing op opdrachten voor leveringen en diensten. Art. 14.Dit artikel bevat een bepaling die vergelijkbaar is met die vervat in artikel 76bis van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, die artikel 39 van Richtlijn 2004/17/EG omzet die de verplichtigen inzake fiscaliteit, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden betreft. Art. 15.Dit artikel herneemt de bepaling van artikel 84, § 4, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de opgave van de eenheidsprijzen en de globale prijzen voor iedere post van de samenvattende opmeting. Deze bepaling wordt voortaan uitgebreid tot de inventaris van de opdrachten voor leveringen en diensten. Net zoals in de huidige reglementering bepaalt zij, enerzijds, dat de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de opdracht worden opgegeven met inachtneming van de betrekkelijke waarde van die post ten opzichte van het totale offertebedrag en, anderzijds, dat alle algemene en financiële kosten over de verschillende posten, in verhouding tot hun belangrijkheid, worden verdeeld. Art. 16.Dit artikel bevat de bepalingen betreffende de prijzen vervat in artikel 88, § 1, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Deze bepalingen horen meer thuis in het begin van dit ontwerp. Zoals de artikelen 17 tot 19 bepalen zij immers de elementen die door de inschrijvers in aanmerking moeten worden genomen bij het opmaken van hun offerte. Artikel 16 vermeldt zodoende, zoals de huidige bepalingen, dat de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de offerte alle heffingen omvatten die de opdracht belasten, met uitzondering van de btw. Wat de btw betreft, kan de aanbestedende overheid, net zoals is voorzien in artikel 88 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, hetzij bepalen dat zij in een afzonderlijke post van de samenvattende opmeting of van de inventaris wordt vermeld, hetzij de inschrijvers verplichten in de offerte de toepasselijke aanslagvoet(en) mee te delen. Art. 17.Dit artikel stemt overeen met de tekst van artikel 14, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden betreffende de aankoopprijs van de octrooirechten en vergoedingen die verschuldigd zijn aan de houders van een octrooi of van een octrooilicentie. Aangezien deze elementen de prijs van de offerte kunnen beïnvloeden, hoort deze bepaling eerder thuis in dit besluit. De bepaling is op expliciete wijze uitgebreid tot alle intellectuele eigendomsrechten die gelinkt kunnen zijn met het voorwerp van de opdracht. Paragraaf 1 betreft enkel de hypothese waarin de aanbestedende overheid zelf overgaat tot de omschrijving van de opdracht. Paragraaf 2 betreft de hypothese waarin de inschrijver zelf voor het geheel of een deel een omschrijving geeft van de prestaties die in het kader van de opdrachten zullen worden verricht. Art. 18.Dit artikel neemt een bepaling over van de artikelen 12, § 4, en 19, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de keurings- en opleveringskosten. Deze kosten hebben zowel betrekking op de keuring als op de voorlopige en definitieve opleveringen. Deze kosten, met name de reis- en verblijfskosten en de vergoeding van het met de keuring of oplevering belaste personeel, zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en de globale prijzen op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten de berekeningswijze van deze kosten bepalen. Zoniet dient de aanbestedende overheid deze kosten te dragen. Art. 19.Dit artikel bevat hoofdzakelijk bepalingen die tot op heden vervat zijn in de artikelen 25, § 1, tweede lid, 49, tweede lid, en 67, tweede lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Het stemt overeen met de genoemde bepalingen, behalve dat voor leveringen en diensten de praktijkopleiding, die een basisopleiding omvat, werd toegevoegd. Hierbij kan worden opgemerkt dat ook de kosten verbonden aan het veiligheids- en gezondheidsplan in de algemene kosten moeten zijn begrepen, behalve wanneer bepaalde maatregelen inzake veiligheid en gezondheid die in dat plan zijn opgenomen, betrekking hebben op specifieke posten van de samenvattende opmeting of de inventaris of het voorwerp uitmaken van een of meerdere specifieke posten van de samenvattende opmeting of de inventaris. De verduidelijkingen vermeld in artikel 19 horen eerder thuis bij de voorschriften betreffende de plaatsing van de opdracht, aangezien het gaat om elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij het opmaken van de offerte. Art. 20.Paragraaf 1 van dit artikel betreffende de prijsherziening neemt onder meer de bepalingen over van artikel 13, § § 1 en 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, maar bevat tamelijk belangrijke wijzigingen en aanvullingen. Zo wordt een volledig eigen prijsherzieningssysteem voor de overheidsopdrachten ingevoerd, dat gesteund is op artikel 6 van de wet. Het laatstgenoemde artikel machtigt de Koning tot het vastleggen van de voorwaarden voor de prijsherziening voor de overheidsopdrachten. Bijgevolg is artikel 57 van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen niet meer toepasselijk op de overheidsopdrachten. Volgens het eerste lid moet voortaan niet enkel in een prijsherzieningsclausule worden voorzien voor de opdrachten voor werken, maar in principe ook voor de opdrachten voor leveringen en diensten. Tot op heden bepaalt artikel 13, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden dat de herziening voor deze twee laatste opdrachtcategorieën facultatief is. Het eerste lid vermeldt de voornaamste prijscomponenten die in aanmerking worden genomen : de uurlonen en sociale lasten, alsook, naargelang de aard van de opdracht, één of meer relevante elementen zoals materiaal- en grondstofprijzen of de evolutie van de wisselkoers. Volgens het tweede lid is het essentieel dat de herziening de werkelijke kostprijsstructuur weerspiegelt. Bijgevolg moet de herziening gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare parameters en gebruik maken van correcte wegingscoëfficiënten. Afhankelijk van de aard van de opdracht en het al dan niet voorhanden zijn van de voormelde parameters, kan het niettemin moeilijk of zelfs onmogelijk zijn om een herzieningsclausule op te stellen die aan de genoemde voorwaarden voldoet. In dat geval kan de aanbestedende overheid voortaan gebruik maken van de gezondheidsindex, de index van de consumptieprijzen of een andere passende indexformule. Daarnaast moet de herzieningsformule geen vaste factor meer bevatten. Bovendien kan de aanbestedende overheid op gemotiveerde wijze afwijken van de bepalingen van paragraaf 1. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor leningen met vaste rentevoet. Paragraaf 2 verduidelijkt dat de bepalingen van dit artikel niet verplicht van toepassing zijn op de opdrachten waarvan het geraamde bedrag lager is dan 120.000 euro, noch op de opdrachten, ongeacht het bedrag ervan, waarvan de initiële uitvoeringstermijn korter is dan 120 werkdagen of 180 kalenderdagen. De reden ligt bij het geringe nut van een prijsherziening voor dergelijke opdrachten. Afdeling 10. - Prijsonderzoek Art. 21.Dit artikel betreffende het prijsonderzoek herneemt en veralgemeent de voorschriften van artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Krachtens paragraaf 1, tweede lid, dat de voorschriften van artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 overneemt en veralgemeent, moeten de inschrijvers op verzoek van de aanbestedende overheid alle nodige inlichtingen verstrekken om het prijsonderzoek mogelijk te maken, en dit ongeacht de gunningsprocedure. Deze maatregel is nu enkel van toepassing op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Paragraaf 2 bevat een bepaling die overeenstemt met die van paragraaf 3 van het voormeld artikel 76. Wanneer de opdrachtdocumenten dit bepalen, en ongeacht de gunningsprocedure, kunnen ter plaatse verificaties van de boekhoudkundige stukken en onderzoeken worden uitgevoerd door de personen die daartoe door de aanbestedende overheid zijn aangewezen. Paragraaf 3 betreffende de abnormaal laag of hoog lijkende prijzen die bij het prijsonderzoek worden vastgesteld, stemt overeen met artikel 98, § 3, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Hij voorziet ook in de omzetting van artikel 57 van Richtlijn 2004/17/EG. Zelfs indien uit de opdrachtdocumenten blijkt dat paragraaf 3 niet toepasselijk gemaakt wordt op de onderhandelingsprocedure, kan de aanbestedende overheid die een abnormaal laag of hoog lijkende prijs vaststelt, verificaties uitvoeren bij toepassing van de paragrafen 1 en 2. Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet-limitatief karakter van de opgesomde verantwoordingen die in aanmerking kunnen worden genomen om het normale karakter van een prijs aan te tonen, thans wordt bevestigd door de toevoeging van de woorden « met name ». Overigens werd artikel 98, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 reeds aangepast om het in overeenstemming te brengen met de Richtlijn en dit bij het koninklijk besluit van 29 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/2001 pub. 29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten type wet prom. 09/07/2001 pub. 25/08/2001 numac 2001016254 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet tot bekrachtiging van de bepalingen betreffende de verplichte bijdragen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en de vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis sluiten1. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (arrest van 27 november 2001, C-286/99, Sciaudone) en de Raad van State (RvS, nr. 100.084 van 23 oktober 2001) waren eveneens van oordeel dat de verantwoordingen in de reglementering niet limitatief zijn. Teneinde te vermijden dat de inschrijvers ongegronde verantwoordingen zouden indienen, kan de aanbestedende overheid overeenkomstig paragraaf 1 steeds een prijsanalyse eisen om het normale karakter van de prijs te beoordelen. Ten slotte kan de inschrijver zich ter verantwoording van zijn prijs niet beperken tot een verwijzing naar de prijs van een onderaannemer, vermeerderd met een winstmarge. In dat geval dient de inschrijver de prijs van de onderaannemer te verantwoorden. Indien de aanbestedende overheid voor een bepaalde prijs reeds over de nodige inlichtingen beschikt op grond van artikel 20, § 1 of § 2, dient ze artikel 20, § 3 vanzelfsprekend niet meer na te leven voor de prijs in kwestie. Het zesde lid van paragraaf 3 neemt in gewijzigde vorm de tekst over van paragraaf 3, laatste lid, van hetzelfde artikel 98. De nieuwe bepaling heeft een minder ruime toepassing doordat ze voortaan de opdrachten voor diensten van de bijlage II, B, van de wet niet meer omvat en dit ongeacht de gevolgde gunningswijze. Afdeling 11. - Belangenvermenging en afspraken Art. 22.Dit artikel vormt een nieuwe bepaling inzake belangenvermenging. De persoon die krachtens artikel 8, § 2, tweede lid, van de wet verplicht is zichzelf te wraken, dient het bevoegde orgaan van de aanbestedende overheid hiervan schriftelijk en onverwijld op de hoogte te brengen, die de nodige maatregelen neemt. De wraking wordt geformaliseerd, bijvoorbeeld in een schrijven van de betrokken persoon of in het proces-verbaal van een beraadslagende vergadering. Het doel hiervan is na te gaan of de wraking tijdig is ingeroepen. Men dient eraan te herinneren dat de persoon die verplicht is zich te wraken, een studiebureau belast met de taak van leidend ambtenaar zou kunnen zijn zoals bepaald in de Memorie van toelichting van de wet. Art. 23.Dit artikel betreffende de afspraken neemt een bepaling over als die van in artikel 79 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Deze bepaling is van toepassing op de offertes en voortaan ook op de aanvragen tot deelneming.Door deel te nemen aan een procedure, verklaart een kandidaat of inschrijver zich niet schuldig te hebben gemaakt aan bij artikel 9 van de wet verboden handelingen, overeenkomsten of afspraken. Bovendien moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 314 van het Strafwetboek elke afspraak strafbaar is, ongeacht of die gepaard gaat met bedreiging of geweld. HOOFDSTUK 2. - Raming opdrachtbedrag Art. 24.Dit artikel betreffende de raming van het opdrachtbedrag, groepeert enkele bepalingen van artikel 17 van Richtlijn 2004/17/EG, alsook bepalingen die nu verspreid zijn over de artikelen 2, 23, 24, 44, 45 en 63 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Het eerste lid van artikel 24 herinnert aan de algemene regel volgens dewelke de raming van het opdrachtbedrag gebaseerd is op de totale duur en waarde van de opdracht. Hierin zijn begrepen alle verplichte opties, percelen, herhalingen als bedoeld in artikel 53, § 2, 3°, van de wet, alle gedeelten als bedoeld in artikel 37, § 1, van de wet en alle verlengingen van de opdracht als bedoeld in artikel 37, § 2, van dezelfde wet. Wanneer voor de oorspronkelijke opdracht is voorzien in één of meer verlengingen in de zin van artikel 37, § 2, van de wet, zal de totale geraamde duur van de opdracht in principe maximaal 4 jaar kunnen bedragen. In dat geval geldt immers de regel dat de duur van opdracht beperkt dient te blijven tot vier jaar na het sluiten van de opdracht. Moeten eveneens in aanmerking worden genomen, alle voor de totale duur van een raamovereenkomst of dynamisch aankoopsysteem geplande opdrachten, alsook het prijzengeld en de betalingen aan de deelnemers. Bijgevolg moet de raming rekening houden met alle elementen die de waarde van het ontwerp kunnen beïnvloeden. Het tweede lid bevat een nieuwe verduidelijking betreffende het tijdstip waarop de raming wordt gemaakt : dit moet gebeuren op het tijdstip van de verzending van de bekend te maken aankondiging of, wanneer deze aankondiging gezien de gunningswijze niet vereist is, op het tijdstip waarop de procedure wordt aangevat, namelijk bij de verzending van de uitnodigingen om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen. Het derde lid herinnert aan het principe dat vervat is in artikel 17, § 2, van Richtlijn 2004/17/EG, alsook in de artikelen 2, § 2, 24, § 2, en 45, § 2, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Volgens dit principe mag geen enkele opdracht worden gesplitst teneinde die aan de bekendmakingsregels te onttrekken. Indien bijvoorbeeld percelen of gedeelten van werken of bouwwerken toegestaan zijn, mogen deze modaliteiten niet tot gevolg hebben dat de percelen of gedeelten onttrokken worden aan de mededinging via een bekendmaking op Belgisch niveau en, desgevallend, op Europees niveau. Art. 25.Onverminderd de bepalingen van artikel 24 van dit ontwerp, bevat het onderhavige artikel, dat overeenstemt met artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, drie verduidelijkingen voor de berekening van de geraamde waarde van een opdracht voor werken : 1° enerzijds dient rekening te worden gehouden met alle geplande werken.Wanneer het een bouwwerk betreft als bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting, d.w.z. het product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen, moet de waarde van de verschillende opdrachten worden samengeteld om de op elke afzonderlijke opdracht toepasselijke bekendmakingsregels te bepalen op grond van de regel vermeld in artikel 24, derde lid; 2° anderzijds moet ook rekening worden gehouden met de geraamde waarde van de leveringen of diensten die nodig zijn voor de uitvoering van de werken of van het bouwwerk en die de aanbestedende overheid ter beschikking stelt van de aannemer.Bijvoorbeeld : de ter beschikkingstelling van een partij straatstenen of andere materialen; 3° aangezien de Europese drempels voor de werken, leveringen en diensten verschillend zijn, betekent dit a contrario dat de waarde van de leveringen of diensten die niet nodig zijn voor de uitvoering van een opdracht voor werken, niet mag worden toegevoegd aan de waarde van de werken met de bedoeling ze te onttrekken aan de mededinging op Europees niveau. Art. 26.Dit artikel bevat specifieke berekeningsmodaliteiten voor sommige overheidsopdrachten voor leveringen die vervat zijn in artikel 23, § § 1 en 3, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Conform het eerste lid, moet bij opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen of bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, worden uitgegaan van de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten over twaalf maanden volgend op de eerste levering of, indien de looptijd van de opdracht meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd ervan. Artikel 17, 7, van Richtlijn 2004/17/EG voorziet in twee verschillende ramingswijzen voor dit soort opdrachten. In dit ontwerp wordt gekozen voor de meest strenge ramingswijze om foutieve interpretaties te voorkomen. Ingevolge een opmerking van de Raad van State wordt verduidelijkt dat het woord « periode » verkozen werd boven het woord « boekjaar » in de veronderstelling dat het om meer dan twaalf maanden gaat. De tekst van artikel 17, § 7, 6, van de richtlijn is immers niet zeer coherent aangezien hij verwijst naar « het boekjaar, indien het zich over meer dan twaalf maanden uitstrekt », zonder evenwel de draagwijdte van het woord te verduidelijken terwijl de bepaling betrekking heeft op opdrachten voor leveringen en diensten die met name bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd. De formulering « opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen » heeft betrekking op de aankoop van leveringen van dezelfde aard via afzonderlijke opdrachten die gegund worden tijdens dezelfde referentieperiode, meer bepaald het begrotingsjaar of boekjaar. De formulering « die bestemd zijn om te worden hernieuwd » heeft betrekking op steeds wederkerende behoeften van de aanbestedende overheid. Overeenkomstig het tweede lid zijn specifieke berekeningsmodaliteiten van toepassing wanneer de opdrachten gegund worden in de vorm van huur, huurkoop, leasing of in een vergelijkbare vorm. Bij een opdracht met een bepaalde duur, wordt rekening gehouden met de geraamde totale waarde van de opdracht voor de gehele looptijd ervan. Wanneer deze bepaalde duur meer dan twaalf maanden bedraagt, moet de restwaarde van de leveringen op het einde van de overeenkomst in de raming worden opgenomen. Bij opdrachten van onbepaalde duur, of waarvan de looptijd niet kan worden bepaald, moet het geraamde maandelijkse bedrag van de opdracht vermenigvuldigd worden met achtenveertig. Hier worden bijvoorbeeld de opdrachten met een clausule tot jaarlijkse …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.