{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/08/2001 numac 2001016254 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet tot bekrachtiging van de bepalingen betreffende de verplichte bijdragen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en de vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis sluiten1. Deze wijziging strekte met name tot de opheffing het verbod voor de aanbestedende overheid om het gebruik van elektronische middelen op te leggen. Daarnaast werd verduidelijkt wat moet gebeuren wanneer aanvragen tot deelneming of offertes via elektronische middelen worden ingediend en de aanbestedende overheid hieromtrent niets heeft bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede en derde lid van paragraaf 2 nemen een versoepeling over die werd ingevoerd in artikel 66quater van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 ingevolge de wijziging aangebracht bij het koninklijk besluit van 29 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/08/2001 numac 2001016254 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet tot bekrachtiging van de bepalingen betreffende de verplichte bijdragen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en de vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis sluiten1. Het kan immers onmogelijk of zeer moeilijk zijn om sommige documenten elektronisch beschikbaar te stellen. In dat geval mogen de kandidaten en inschrijvers, indien de aanbestedende overheid het gebruik van elektronische middelen heeft opgelegd of toegestaan, deze documenten op papier bezorgen. Om tegemoet te komen aan een opmerking van de Raad van State over de omzetting van artikel 48, 5, d, van de richtlijn, is de tekst van het ontwerp aangepast. De aanbestedende overheid dient zich niet langer vooraf akkoord te verklaren indien elektronische middelen verplicht zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is evenwel ruimer aangezien ze kan worden toegepast op andere documenten dan die welke de richtlijn limitatief opsomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid van paragraaf 2 stemt overeen met de inhoud van artikel 66quater, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Uit deze bepaling blijkt dat de kandidaat of inschrijver die zijn aanvraag tot deelneming of offerte volledig of gedeeltelijk via elektronische middelen indient, aanvaardt dat bepaalde gegevens door de werking zelf van het ontvangstsysteem van zijn aanvraag tot deelneming of zijn offerte worden geregistreerd.Een dergelijke bepaling is vereist omdat de registratie van de activiteiten (logging) inzake ontvangst van de aanvragen tot deelneming of offertes absoluut noodzakelijk blijkt te zijn. Deze bepaling komt met name tegemoet aan de voorschriften van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3, die handelt over de dubbele verzending en de veiligheidskopie, stemt overeen met artikel 66quater, § 3, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Deze mogelijkheden werden ingevoerd bij het koninklijk besluit van 29 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/08/2001 numac 2001016254 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet tot bekrachtiging van de bepalingen betreffende de verplichte bijdragen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en de vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis sluiten1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk kan het gebeuren dat de vastgestelde termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes om diverse technische redenen wordt overschreden : de server van de aanbestedende overheid is overbelast omdat omvangrijke documenten gelijktijdig zijn binnengekomen, tijdelijke onbeschikbaarheid van de server die te wijten is aan de internetprovider van de kandidaat of de inschrijver, foute inschatting van de downloadtermijnen door de inschrijver, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval is slechts een deel van de offerte tijdig « toegekomen ».</p>\n<p class=\"lf-p\">De gekozen concrete oplossing bestaat erin dat enkel een vereenvoudigd document mag worden ingediend op het uiterste ogenblik van de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Dit document bevat hun identiteit, de elektronische handtekening van hun volledige aanvraag tot deelneming of offerte en, in voorkomend geval, het bedrag van hun offerte. De elektronische handtekening op de vereenvoudigde zending moet dus verplicht betrekking hebben op de volledige aanvraag tot deelneming of offerte. Via deze elektronische handtekening wordt de integriteit gewaarborgd van de inhoud van het document dat later wordt verzonden. Ook dit vereenvoudigd document moet elektronisch worden ondertekend omdat het geldt als aanvraag tot deelneming of offerte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het downloaden van de volledige offerte binnen de daaropvolgende vierentwintig uur biedt een oplossing voor dit technisch probleem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanzelfsprekend mag de periode van vierentwintig uur enkel volgen op het uiterste ogenblik van de ontvangst van de offerte en er niet aan voorafgaan. Zoniet zal hetzelfde probleem opduiken na afloop van deze periode. Na de opening mag niets meer worden gewijzigd aan de offerte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van offertes neemt de voorzitter van de zitting, bij de opening, kennis van de vereenvoudigde offerte die de verplichte vermeldingen voor de voorlezing bevat. De elektronische handtekening op de vereenvoudigde offerte authentificeert de inschrijver.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via de elektronische handtekening op de vereenvoudigde offerte wordt de integriteit nagegaan van de volledige offerte die later wordt verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien, om eventuele technische moeilijkheden van allerlei aard te verhelpen die deze overlegging nog zouden kunnen verstoren, met name indien de over te leggen offertes zeer omvangrijk zijn, kunnen de kandidaten of inschrijvers hun offerte bovendien overleggen via een dubbele zending met een « veiligheidskopie ». Deze veiligheidskopie bevat de volledige inhoud van de oorspronkelijke offerte die aan de aanbestedende overheid werd overgemaakt. Ze kan worden overgelegd op een elektronische fysieke drager (CD-Rom, DVD-Rom, USB-apparaat...) of op een papieren drager. Ze wordt gericht aan de aanbestedende overheid, gelijktijdig met de verzending van de oorspronkelijke offerte, onder gesloten omslag en met de verplichte vermelding : « Veiligheidskopie ». De documenten die deze drager bevat, moeten met de hand worden ondertekend indien het om een papieren drager gaat of elektronisch worden ondertekend indien het om een elektronische drager gaat. Deze veiligheidskopie mag slechts worden geopend in geval van een tekortkoming bij de overlegging, de ontvangst of de opening van de aanvraag tot deelneming of van de offerte die via elektronische middelen wordt overgelegd. Eens geopend, vervangt deze kopie definitief het document dat ze heeft bewaard. Op de veiligheidskopie van een offerte zijn voor het overige alle regels toepasselijk die gelden voor offertes, zowel vóór als na de opening ervan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 van dit artikel bevat de nieuwe bepaling dat de aanbestedende overheid in de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, in de andere opdrachtdocumenten één of meer talen moet vermelden die de kandidaten of inschrijvers mogen gebruiken voor het opstellen van hun aanvraag tot deelneming of hun offerte, met inbegrip van de eventuele bijlagen. Deze bepaling doet overigens geen afbreuk aan de toepassing van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 wat betreft het opstellen van de opdrachtdocumenten Een advies in die zin werd op 13 januari 1980 gegeven door de Commissie voor taaltoezicht. Dit advies had betrekking op het gebruik van de talen bij het opstellen van aankondiging van opdracht, die mededelingen ten behoeve van het publiek zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen heeft de bedoelde Commissie in hetzelfde advies de overweging gemaakt dat een offerte uitgaande van een onderneming, niet dient te worden gerangschikt onder de documenten opgelegd door de wet of de reglementering in de zin van artikel 52 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Evenwel heeft ze onderstreept dat een aanbestedende overheid het recht heeft om van geïnteresseerde ondernemingen te eisen dat ze zich van een bepaalde taal bedienden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de opdrachtdocumenten geen enkele verduidelijking bevatten, beslist de aanbestedende overheid of het gebruik van een andere taal dan die van de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, van de andere opdrachtdocumenten wordt aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het bepaalde in artikel 64, 1°, van het ontwerp kan de aanbestedende overheid met het oog op de kwalitatieve selectie aan de kandidaten of de inschrijvers uiteraard steeds een vertaling vragen van de documenten die bij hun aanvraag tot deelneming of offerte zijn gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 stemt overeen met artikel 90 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, betreffende de interpretatie van het contract indien meerdere talen worden gebruikt. Het toepassingsveld van deze bepalingen wordt evenwel uitgebreid tot de aanvragen tot deelneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat een nieuwe bepaling om uit te maken welke taal zal worden gekozen voor de interpretatie van de stukken wanneer de opdrachtdocumenten in meer dan één taal zijn gesteld. Art. 59.Dit artikel stemt overeen met artikel 91 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, volgens dewelke een inschrijver slechts één offerte per opdracht mag indienen, onverminderd eventuele varianten. Paragraaf 1 breidt deze regel expliciet uit tot de aanvragen tot deelneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling staat niet in de weg dat de deelnemers aan een concurrentiedialoog meerdere oplossingen mogen voorstellen, die desgevallend allemaal het voorwerp zullen uitmaken van een eindofferte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het indienen van vrije varianten mogelijk is, kunnen er meerdere varianten worden ingediend, zelfs voor een of meerdere posten, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van paragraaf 2 stemt overeen met artikel 89, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de opdrachten in percelen. Volgens een nieuwe bepaling kunnen de opdrachtdocumenten het aantal percelen beperken waarvoor een inschrijver een offerte mag indienen wanneer de aard van een bepaalde opdracht dit vereist. Het betreft dus een uitzondering op het algemene principe dat een inschrijver het recht heeft om een offerte in te dienen voor alle percelen van een opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die uitzondering kan bijvoorbeeld nuttig zijn om de bevoorradingszekerheid van bepaalde strategische producten te waarborgen, misbruik van machtspositie op een kleine markt te voorkomen, overheidsopdrachten toegankelijk te maken voor kleine en middelgrote ondernemingen, te vermijden dat het voor een onderneming materieel onmogelijk zou zijn om een groter aantal percelen naar behoren uit te voeren, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft dus zeker niet tot doel om deze beperkingen te veralgemenen. Daarom zal later een afzonderlijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden genomen om de strikte voorwaarden, waarin dit uitzonderlijk geval kan worden toegepast, te verduidelijken en te specificeren. Art. 60.Het eerste lid van dit artikel verruimt het toepassingsgebied van artikel 81, § 2, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is voortaan niet enkel van toepassing op de beperkte procedures maar ook op de onderhandelingsprocedure met bekendmaking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze herinnert aan de regel volgens dewelke, bij procedures die twee fasen omvatten, enkel de geselecteerden een offerte mogen indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het tweede lid dient de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten toestemming vermelden dat een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid die minstens één geselecteerde en één of meer niet-geselecteerden omvat, een offerte mag indienen. Bij ontstentenis van zulke vermelding is de indiening van een dergelijke offerte dus niet toegelaten en zal deze dan ook onregelmatig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid vormt een nieuwe bepaling die het mogelijk maakt om, bij dezelfde procedures, in de opdrachtdocumenten het gezamenlijk indienen van één enkele offerte door meerdere geselecteerden te beperken of te verbieden. Deze bepaling strekt ertoe een voldoende mededinging te garanderen, met name wanneer het aantal geselecteerden beperkt is en bijgevolg het risico bestaat dat laatstgenoemden een offerte zouden indienen binnen één enkele combinatie. Art. 61.Deze bepaling neemt gedeeltelijk en in gewijzigde vorm artikel 83 over van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze regelt het geval waarbij een inschrijver-natuurlijk persoon zich omvormt in een rechtspersoon tussen het tijdstip waarop de offerte wordt ingediend en dat waarop de opdracht wordt gegund. Dit artikel verplicht de aanbestedende overheid er voortaan toe deze offerte in aanmerking te nemen en bepaalt dat de inschrijver-natuurlijk persoon de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uitvoering van de opdracht blijft dragen. Zoniet zouden de aan de aanbestedende overheid geboden garanties immers kleiner worden, aangezien een inschrijver-rechtspersoon, in tegenstelling tot een inschrijver-natuurlijk persoon niet onbeperkt gebonden is door zijn roerende en onroerende goederen. Afdeling 6. - Verbintenistermijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling, betreffende de verbintenistermijn van de inschrijvers, stemt overeen met artikel 104, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en breidt het uit naar alle gunningsprocedures. Een uitzondering voor de onderhandelingsprocedures is opgenomen in artikel 105. De termijn die van toepassing is bij gebrek aan een andere termijn in de opdrachtdocumenten, wordt evenwel verlengd van zestig tot negentig dagen. Deze laatste termijn blijkt in de praktijk immers beter te beantwoorden aan wat nodig is voor een grondig onderzoek van de offertes. Wanneer de verbintenistermijn in de opdrachtdocumenten is bepaald, dient te aandacht erop te worden gevestigd dat een te ruime termijn een negatieve financiële weerslag kan hebben voor de aanbestedende overheid. Er moet dus geval per geval een gepaste termijn worden bepaald rekening houdend met het voorwerp van de opdracht en de verplichtingen van de aanbestedende overheid De bepaling vervat in artikel 104, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 is geschrapt. Volgens deze bepaling mogen de inschrijvers bij aanbesteding of offerteaanvraag, de verbintenistermijn van hun offerte zelf bepalen indien het bestek dit toestaat. Het leek aangewezen om voor een eenvormige aanpak te kiezen ongeacht de aard van de opdracht, teneinde de vergelijkbaarheid van de offertes te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is nieuw en bevestigt de praktijk waarbij de aanbestedende overheid aan de inschrijvers een vrijwillige verlenging van de verbintenistermijn kan vragen wanneer die bijna verstreken is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geldt onverminderd de artikelen 102 en 103 indien de inschrijvers, bij aanbesteding of offerteaanvraag, geen gevolg geven aan dit verzoek. HOOFDSTUK 5. - Selectie kandidaten en inschrijvers - Toegangsrecht en kwalitatieve selectie Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 63</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met de artikelen 16, 38 en 59 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens paragraaf 1 gebeurt de selectie op basis van, enerzijds, de bepalingen betreffende het toegangsrecht die vervat zijn in de artikelen 66 tot 71 en, anderzijds, van de kwalitatieve selectiecriteria als bedoeld in de artikelen 72 tot 77.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2° wordt bepaalt dat de kwalitatieve selectiecriteria van financiële, economische, technische aard of inzake beroepsbekwaamheid verband moeten houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht. De aanbestedende overheid moet tevens het vereiste niveau bepalen van deze criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo moet in het kader van procedures die één enkele fase omvatten, de aanbestedende overheid alle inschrijvers selecteren die aan haar minimale eisen voldoen, zonder hierbij onder hen te mogen kiezen. Deze verplichting is bevestigd door de rechtspraak van de Raad van State (zie RvSt, arrest nr. 159.657 van 7 juni 2006, sprl ARCHI + I).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de nieuwe bepaling van paragraaf 2 kan de aanbestedende overheid, indien het gebruik van een onderhandelingsprocedure met bekendmaking gerechtvaardigd is, kandidaten in aanmerking nemen die geselecteerd waren tijdens een vorige procedure waaraan ze geen gevolg heeft gegeven. De vorige procedure kan een onderhandelingsprocedure zijn, maar ook een aanbesteding of een offerteaanvraag die zonder resultaat is gebleven. Wanneer voor de opdracht een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, bevat de aankondiging van opdracht de namen en adressen van de betrokken geselecteerden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 van hetzelfde artikel herformuleert een bepaling van de artikelen 16, 38 en 59 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Om de essentie van een procedure die gepaard gaat met een voorafgaande selectie optimaal te benutten, kan de aanbestedende overheid op wettige wijze en op grond van een objectief gemotiveerde keuze steunende op de selectiecriteria, het aantal kandidaten beperken dat zij uiteindelijk kiest en aan dewelke zij zal vragen een offerte in te dienen. Zo kan de aanbestedende overheid, wanneer bijvoorbeeld vijftien kandidaten in verschillende mate zouden voldoen aan de gestelde voorwaarden, beslissen dit aantal zodanig te verminderen dat enkel de meest geschikte kandidaten overblijven, rekening houdend met de moeilijkheidsgraad van de betrokken opdracht, alsook met de mogelijkheden waarover de aanbestedende overheid beschikt voor het onderzoek van een groot aantal offertes.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de loop van eenzelfde procedure mag de aanbestedende overheid geen andere belangstellenden opnemen die niet om deelname hebben gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanbestedende overheid een minimumaantal kandidaten vaststelt dat ze wenst te selecteren via een beperkte procedure en een onderhandelingsprocedure met bekendmaking, moet dit aantal enkel worden gerespecteerd voorzover er zich een voldoende aantal geschikte kandidaten aandienen. Dit wordt bevestigd door het Hof van Justitie (HJEG, arrest van 15 oktober 2009, C-138/08, Hochtief en Linde).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen is de aanbestedende overheid gebonden door het maximumaantal kandidaten dat zij eventueel heeft aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderlijk kan de aanbestedende overheid evenwel een groter aantal kandidaten selecteren, voor zover zij niet in staat is tussen een aantal onder hen een keuze te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval moet het aantal kandidaten dat uiteindelijk wordt geselecteerd, voldoende groot zijn om een werkelijke mededinging te garanderen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 bevat een nieuwe bepaling betreffende de kwalitatieve selectie bij opdrachten in percelen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">In geval van percelen moet de aanbestedende overheid de mogelijkheid hebben om over te gaan tot de kwalitatieve selectie van de kandidaten of inschrijvers in twee fasen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbestedende overheid kan kwalitatieve selectiecriteria bepalen volgens dewelke de kandidaten of de inschrijvers moeten voldoen aan de minimumeisen inzake draagkracht voor elk van de percelen waarvoor ze een aanvraag tot deelneming of een offerte hebben ingediend, aangezien elk perceel afzonderlijk kan worden gegund. De aanbestedende overheid kan bovendien ook minimumeisen opleggen indien meerdere percelen worden gegund aan dezelfde inschrijver, doorgaans met het oog op een gelijktijdige uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is immers mogelijk dat de financiële en economische draagkracht van de inschrijver (met name in het licht van de eventueel noodzakelijke investeringen) of diens technische en beroepsbekwaamheid (bijvoorbeeld wat het beschikbare personeelsbestand betreft) beperkt is tot de uitvoering van een gering aantal percelen ten opzichte van alle percelen die hem kunnen worden gegund.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel in het stadium van de gunning van de opdracht kan worden nagegaan of aan deze laatste eisen is voldaan, wanneer de rangschikking van de verschillende offertes voor de betrokken percelen gekend is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 bevat eveneens een nieuwe bepaling over de mogelijkheid tot herziening van de selectie.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Eens over de selectie is beslist, worden de geselecteerden geacht zich niet in een toestand van uitsluiting te bevinden, en in staat te zijn de opdracht uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vermoeden vervalt echter wanneer de aanbestedende overheid na de selectie, maar vóór de gunning vaststelt dat één van de geselecteerden of inschrijvers zich in een toestand van uitsluiting bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens bestaat het risico dat de toestand van een geselecteerde verslechtert, met name wanneer de gunningsprocedure veel tijd in beslag neemt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor een beperkte procedure wanneer een vrij lange termijn verloopt tussen de indiening van de aanvragen tot deelneming en de verzending naar de geselecteerden van de uitnodiging tot het indienen van een offerte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt wanneer de opdracht voor akkoord moet worden voorgelegd aan toezichthoudende of subsidiërende overheden. Dit kan eveneens het geval zijn voor offertes die betrekking hebben op technisch ingewikkelde opdrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien kan het gebeuren dat, wanneer de aanbestedende overheid overeenkomstig artikel 46 een lijst van geselecteerden heeft opgesteld die maximum drie jaar geldig is, de toestand van een onderneming wijzigt tussen het tijdstip waarop de lijst is opgesteld en de aanwending ervan bij de aanvang van de opdracht. Hetzelfde geldt bij gebruik van een kwalificatiestelsel overeenkomstig artikel 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dan ook mogelijk dat een geselecteerde in een beperkte procedure of een onderhandelingsprocedure met bekendmaking, of een inschrijver die op basis van de verkregen inlichtingen en documenten voor selectie in aanmerking komt in een open procedure en vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking, bijvoorbeeld zijn financiële en economische draagkracht ongunstig ziet evolueren zonder daarom in een toestand van uitsluiting te belanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals reeds voorzien in de omzendbrief van de Eerste Minister van 10 februari 1998 betreffende de kwalitatieve selectie van aannemers, leveranciers en dienstverleners, kan de aanbestedende overheid, op basis van nieuwe elementen, haar beoordeling inzake de selectie van de onderneming herzien. De regel is immers dat een opdracht maar kan worden gegund aan een onderneming met voldoende draagkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze herziening mag in geen geval leiden tot de regularisering van een kandidaat of inschrijver die zich wat betreft de voor de selectie in aanmerking te nemen referentieperiode niet in de voorwaarden voor selectie bevond. Dit betekent ook dat een niet-geselecteerde in een later stadium niet meer kan worden opgevist om de plaats in te nemen van een weggevallen geselecteerde. Art. 64.Dit artikel voegt de bepalingen samen die betrekking hebben op de informatie en de aanvullende inlichtingen die de kandidaten of inschrijvers op verzoek van de aanbestedende overheid verstrekken. 1° is een nieuwe bepaling, terwijl 2° gedeeltelijk overeenstemt met de artikelen 17bis, § 3, 39bis, § 3, en 60bis, § 3, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en 3°, met artikel 80 van hetzelfde besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens 1°, kunnen de kandidaten of inschrijvers verzocht worden de ingediende inlichtingen en documenten in het kader van de kwalitatieve selectie aan te vullen of toe te lichten. De mogelijkheid waarover de aanbestedende overheid beschikt om aanvullende inlichtingen te vragen, betekent niet dat de kandidaten en inschrijvers in dit verband rechten kunnen doen gelden. Het kan de aanbestedende overheid dus niet kwalijk worden genomen dat zij geen aanvullingen heeft gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebeurt immers dat kandidaten of inschrijvers bepaalde inlichtingen of documenten niet meedelen, of zelfs helemaal niets meedelen, terwijl de aanbestedende overheid die nodig heeft om hun bekwaamheid te kunnen beoordelen. Indien geen enkele inlichting of document werd meegedeeld of bepaalde inlichtingen of documenten ontbreken, kan de aanbestedende overheid tot de niet-selectie van de kandidaten of inschrijvers besluiten. Het komt evenwel vaker voor dat enkel een bepaalde inlichting of document niet werd meegedeeld, dubbelzinnig of onvolledig is. In dat geval moet de aanbestedende overheid een beslissing nemen, rekening houdend met de grondbeginselen inzake mededinging, behoorlijk bestuur en gelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodoende zal de aanbestedende overheid : - wat de financiële en economische draagkracht betreft, moeten nagaan of de kandidaat of inschrijver aangetoond heeft dat hij niet in staat was de gevraagde referenties als bewijs van zijn draagkracht voor te leggen en gevraagd heeft of hij die mag bewijzen met een ander door de aanbestedende overheid daartoe geschikt geacht document; - wat de uitsluitingsgronden en de financiële en economische draagkracht, alsook de technische en beroepsbekwaamheid betreft, de kandidaten of inschrijvers kunnen vragen om de niet meegedeelde inlichtingen of documenten en deze die reeds in haar bezit zijn, te vervolledigen of te verduidelijken, teneinde de mededinging uit te breiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke vraag of uitnodiging moet gebeuren ten aanzien van alle kandidaten of inschrijvers die zich in een gelijkaardige situatie bevinden. In een open procedure tast dit geenszins het onveranderlijk karakter van de offertes aan. Weliswaar mogen geen bijkomende eisen worden gesteld dan deze waarin oorspronkelijk was voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien inlichtingen of documenten uitgaande van een overheidsinstantie opgesteld zijn in een andere taal dan één van de officiële Belgische talen, kan de aanbestedende overheid de kandidaten of inschrijvers een vertaling vragen, indien zij dit nodig acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens 2° kan de aanbestedende overheid, in eender welk stadium van de procedure en met alle middelen die zij nuttig acht, maar onverminderd artikel 65, inlichtingen inwinnen over de situatie van de kandidaat of inschrijver. Een dergelijke bepaling is tot op heden enkel uitdrukkelijk opgenomen voor het toezicht op de naleving door de kandidaten en inschrijvers van hun verplichtingen inzake sociale zekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 3° stemt overeen met artikel 80 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, betreffende de overlegging door de rechtspersonen van hun statuten of vennootschapsakten en van de eventuele vertaling ervan. Art. 65.Dit artikel bevat twee bepalingen die kaderen in de maatregelen inzake administratieve vereenvoudiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 beoogt de elektronische raadpleging van de inlichtingen en documenten uitgaande van overheidsinstanties die het mogelijk maken de persoonlijke toestand en de bekwaamheid van de kandidaten en inschrijvers te verifiëren. Hij stemt overeen met de artikelen 17ter, § 3, 39ter, § 3, en 60ter, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Indien de aanbestedende overheid, bijvoorbeeld om technische redenen, geen elektronische toegang (meer) zou hebben tot de inlichtingen of documenten, kan zij toepassing maken van artikel 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de nieuwe bepaling van paragraaf 2 moet een kandidaat of inschrijver, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, de gevraagde inlichtingen en documenten voor een bepaalde opdracht van dezelfde aanbestedende overheid, niet voorleggen indien hij dit reeds gedaan heeft voor een andere opdracht. Ze is van toepassing onder de volgende voorwaarden : - de kandidaat of inschrijver moet in zijn aanvraag tot deelneming of offerte de referenties van de vorige procedure vermelden; - de bedoelde inlichtingen en documenten beantwoorden aan de gestelde voorwaarden (het RSZ-attest moet bijvoorbeeld verwijzen naar hetzelfde voorlaatste kalenderkwartaal). Afdeling 2. - Toegangsrecht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 66</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 van dit artikel geeft uitvoering aan artikel 20, tweede lid, van de wet. Het stemt overeen met § 1 van de artikelen 17, 39 en 60 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. De vier opgesomde gevallen geven aanleiding tot de verplichte uitsluiting van de toegang tot de opdracht. Van dit voorschrift mag slechts worden afgeweken om dwingende redenen van algemeen belang. Deze gevallen, waarmee rekening dient te worden gehouden in eender welk stadium van de procedure, werden uiteengezet in de memorie van toelichting bij de wet, waarnaar wordt verwezen Paragraaf 2 vermeldt de gevallen waarin een kandidaat of inschrijver kan worden uitgesloten van de toegang tot de opdracht, en dit onverminderd de wetgeving houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken die de verplichte basisvoorschriften bevat in het kader van de plaatsing van overheidsopdrachten voor werken. Deze gevallen stemmen overeen met die opgenomen in § 2 van de artikelen 17, 39, en 60 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Ter herinnering : de aanbestedende overheid is niet verplicht alle in paragraaf 2 vermelde uitsluitingsgronden toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in deze bepaling opgesomde gevallen is de aanbestedende overheid dus niet verplicht de kandidaat of inschrijver van deelname aan de opdracht uit te sluiten. Niettemin houdt het beginsel van behoorlijk bestuur in dat een aanbestedende overheid zich niet met dergelijke kandidaten of inschrijvers inlaat. Alleen bij uitzondering, bijvoorbeeld wanneer een onderneming in moeilijkheden over een monopolie beschikt voor de levering van goederen bestemd voor de voltooiing van een installatie, zou de aanbestedende overheid een beslissing kunnen rechtvaardigen waarbij ze de betrokken onderneming toegang verleent tot de opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie in het arrest van 16 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/08/2001 numac 2001016254 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet tot bekrachtiging van de bepalingen betreffende de verplichte bijdragen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en de vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis sluiten4, C-213/07, Michaniki, dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd dat ze een limitatieve opsomming bevat van de uitsluitingsgronden voor de deelname aan een overheidsopdracht voor werken, die gebaseerd zijn op criteria inzake beroepsbekwaamheid. Ze belet een lidstaat evenwel niet om, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, andere uitsluitingsmaatregelen te bepalen om de transparantie en de gelijke behandeling van de inschrijvers te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangaande 1° en 2° die met name de gerechtelijke reorganisatie en elke vergelijkbare situatie beogen wordt opgemerkt dat de aanbestedende overheid elk geval zorgvuldig dient te onderzoeken teneinde een te strakke toepassing van de bepaling van paragraaf 2 te vermijden, rekening houdend met de bijzonderheden van de wetgeving die van toepassing is op de gerechtelijke reorganisatie, met name op Belgisch niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">De paragrafen 3 en 4 gaan nader in op de bewijsstukken die in aanmerking kunnen worden genomen en bevatten bepalingen die gedeeltelijk overeenstemmen met die van de bovengenoemde artikelen van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid van paragraaf 3 worden de documenten of getuigschriften vermeld op basis waarvan de verificatie van de toestand inzake de in de § § 1 en 2 vermelde uitsluitingsgronden gebeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid voorziet, zoals vandaag, in alternatieve bewijsmiddelen voor het geval de in het eerste lid bedoelde documenten of getuigschriften niet worden uitgereikt in het betrokken land of daarin niet alle in § 1 en in § 2, 1°, 2°, 3°, bedoelde gevallen worden vermeld. Het gaat meer bepaald om de verklaring onder eed en de plechtige verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van het ontwerp verschilt op dit vlak van de formulering van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, in de zin dat voor het gebruik van de voornoemde alternatieve bewijsmiddelen niet langer een keuzemogelijkheid bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de voormelde documenten of getuigschriften in het betrokken land niet worden uitgereikt of niet toereikend zijn, dient voortaan in eerste instantie een beroep te worden gedaan op de verklaring onder eed, en staat de mogelijkheid van de plechtige verklaring enkel open wanneer in het betrokken land niet in een eed is voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij dient te worden onderstreept dat de verklaring onder eed niet mag worden verward met de verklaring op erewoord zoals bedoeld in § 4 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de verklaring onder eed wordt verwezen naar een specifiek systeem dat in sommige landen bestaat en waarbij via een bevoegde instantie aan verklaringen bewijskracht wordt verleend. Zo wordt in Groot-Brittannië de verklaring onder eed inzake sociale schulden afgelegd voor een « commissionner of oath ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de gelijkwaardigheid met de verklaring onder eed - waar het formeel karakter wordt verondersteld - te garanderen, wordt voor de plechtige verklaring expliciet vermeld dat ze moet worden afgelegd voor een gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4, tweede lid, vormt een nieuwe bepaling die aansluit bij de maatregelen inzake administratieve vereenvoudiging. Voor zover de aanbestedende overheid de in deze bepaling vermelde mogelijkheid aanwendt, volstaat een verklaring op erewoord van de kandidaten of inschrijvers waaruit blijkt dat zij zich niet in een uitsluitingstoestand bevinden als bedoeld in artikel 66, § § 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verklaring kan expliciet zijn, wat betekent dat een gedateerd en ondertekend document bij de aanvraag tot deelneming of offerte moet worden gevoegd. Ze kan ook impliciet voortvloeien uit een bepaling in de aankondiging van opdracht of de andere opdrachtdocumenten dat door het loutere feit van de indiening van zijn aanvraag tot deelneming of offerte, de kandidaat of inschrijver verklaart zich niet in één van de daarin vermelde uitsluitingstoestanden te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de meeste procedures in twee fasen zal het instrument van de verklaring op erewoord niet nuttig zijn gezien, enerzijds, de korte tijdspanne die er doorgaans ligt tussen de indiening van de aanvragen tot deelneming en de selectiebeslissing en, anderzijds, het soms beperkt aantal afgewezen aanvragen tot deelneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring op erewoord mag niet worden gelijkgesteld met een bewijsmiddel. De aanbestedende overheid zal immers nog de echtheid van de verklaring op erewoord moeten onderzoeken. Daartoe verzoekt zij de kandidaten of inschrijvers die voor de selectie of de gunning van de opdracht in aanmerking komen de relevante inlichtingen of documenten voor te leggen alvorens de selectie- respectievelijk gunningsbeslissing te nemen. Indien zij conform artikel 69, § 1, via elektronische middelen kosteloos toegang heeft tot de bedoelde inlichtingen of documenten, verricht zij via die weg zelf het onderzoek voor zover dat mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte kan eraan worden herinnerd dat voor het verkrijgen van de nodige inlichtingen in toepassing van de paragrafen 3 en 4, desgevallend een beroep zal moeten worden gedaan op buitenlandse overheden. Wat de lidstaten van de Europese Unie betreft, bevat de website van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/internal_market/publicprocurement/ e-procurement/e-certis/index_fr.htm) informatie over de bewijsmiddelen en de nationale instanties die bevoegd zijn voor de afgifte van attesten. Art. 67.Dit artikel neemt grotendeels de bepalingen over inzake de naleving van de sociale zekerheidsverplichtingen van de artikelen 17 bis, 39bis en 60bis van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. De paragrafen 1 en 2 van artikel 64 maken evenwel geen onderscheid meer naargelang de werkgever de Belgische of buitenlandse nationaliteit bezit, maar wel naargelang hij personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheidswetgeving, dan wel aan die van een andere lidstaat. In geval beide stelsels van toepassing zijn, dienen, overeenkomstig paragraaf 3, zowel de bepalingen van paragraaf 1 als deze van paragraaf 2 te worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat het in België toepasselijke stelsel betreft, gelden vergelijkbare bepalingen als die vervat in het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Nieuw is evenwel dat het volstaat dat het gevraagde attest betrekking heeft op het voorlaatste afgelopen kalenderkwartaal, ongeacht de datum waarop het opgesteld is.De kandidaat of inschrijver mag geen bijdrageschuld bezitten die groter is dan 3.000 euro (heden 2.500 euro), tenzij hij voor de schuld groter dan dit bedrag uitstel van betaling heeft gekregen waarvan hij de afbetalingen strikt in acht neemt. Bovendien blijft het huidige mechanisme behouden dat de kandidaat of inschrijver de mogelijkheid biedt zich te beroepen op schuldvorderingen die zeker, opeisbaar en vrij zijn van elke verbintenis tegenover derden en voortvloeien uit de uitvoering van overheidsopdrachten. Wat dit laatste punt betreft, volstaat het niet dat de betrokkene een factuur voorlegt. Hij moet zich kunnen beroepen op een document dat uitgereikt wordt door een aanbestedende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermelding van de bestaanszekerheid is opgeheven. Deze verplichting betreft immers een beperkt aantal werknemers. Bovendien wordt de naleving ervan gecontroleerd bij de toekenning van de erkenning van de aannemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 is toepasselijk op de kandidaten of inschrijvers die personeel tewerkstellen dat niet onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheid. In dat geval moet de naleving van de sociale zekerheidsverplichtingen worden beoordeeld op grond van de wettelijke bepalingen van het land van vestiging. De vaststelling van de toestand gebeurt evenwel ten laatste op de uiterste datum bepaald voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes, en niet langer op de dag die aan deze datum voorafgaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwe paragraaf 3 behoeft geen commentaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 bepaalt dat de aanbestedende overheid voor de opdrachten waarvan het geraamde bedrag 30.000 euro niet bereikt (op heden 22.000 euro), zelf het onderzoek moet doen naar de naleving van de verplichtingen. Net zoals in het koninklijk besluit van 10 januari 1996 is de voorlegging van de attesten als bedoeld in de paragrafen 1 en 2 in dat geval dus niet vereist. Voor de bedoelde opdrachten vraagt de aanbestedende overheid de vereiste attesten zelf op bij de bevoegde instanties, wat eventueel kan gebeuren via elektronische middelen indien de aanbestedende overheid conform artikel 65, § 1, via deze middelen kosteloos toegang heeft tot de betrokken gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 5 bevat een nieuwe bepaling toepasselijk op de kandidaten en inschrijvers die aan het sociale zekerheidsstelsel van de zelfstandigen zijn onderworpen. Hun toestand inzake betaling van de sociale bijdragen kan worden nagegaan aan de hand van een fiscaal attest dat wordt voorgelegd door de kandidaten of de inschrijvers. Dit attest wordt hen jaarlijks overgemaakt door het RSVZ. Een werkgever die het statuut van zelfstandige heeft en werknemers tewerkstelt, is verplicht om zowel een attest voor te leggen betreffende de sociale zekerheid van de zelfstandigen, voor zichzelf, als een attest betreffende de sociale zekerheid van de werknemers, voor deze laatste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 6 stemt overeen met artikel 78, § 3, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Hij bepaalt dat de overlegging van de attesten als bedoeld in de paragrafen 1 tot 5, niet vereist is bij de indiening van de offerte indien dit reeds gebeurde tijdens een eerste procedurefase betreffende de aanvragen tot deelneming, op voorwaarde dat deze attesten betrekking hebben op dezelfde periode. Hetzelfde geldt ingeval artikel 62 toepassing vindt. Art. 68.Dit artikel vormt een nieuwe bepaling betreffende de naleving van de beroepsmatige fiscale verplichtingen door de kandidaten of inschrijvers. Deze verplichtingen hebben betrekking op de belasting over de toegevoegde waarde en de personen- of de vennootschapsbelasting, en eventueel ook op de belastingen verbonden aan de beroepsactiviteit die voortvloeien uit een gewestelijke of lokale reglementering, al naargelang de door de aanbestedende overheid geëxpliciteerde en niet-discriminerende eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het adjectief « beroepsmatige » heeft de bedoeling het onderzoek uit te sluiten van de niet-beroepsmatige fiscale schulden, zoals de successie- of de schenkingsrechten, het kijk- en luistergeld, ....</p>\n<p class=\"lf-p\">Zouden daarentegen wel in rekening kunnen worden gebracht, de belastingen op de motorkracht, de computers, de burelen, het stedelijk roerend goed, het drankverbruik, enzovoort. Het is evenwel aangewezen dat men zich beperkt tot de belangrijkste fiscale verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het fiscale attest bepaalt de toestand van de kandidaat of inschrijver op het einde van de laatste afgelopen fiscale periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewijs dat een kandidaat of inschrijver zijn fiscale verplichtingen heeft nagekomen, moet worden geleverd conform de wettelijke bepalingen van het land van vestiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de fiscale verplichtingen betreft die van toepassing zijn in België, creëren het tweede en derde lid van artikel 68 een stelsel dat vergelijkbaar is met dat bedoeld in artikel 67, § 1, voor de schulden ten aanzien van de RSZ. Verder bevatten ze de toepasselijke voorschriften indien er sprake is van schuldvorderingen die zeker, opeisbaar en vrij zijn van elke verbintenis tegenover derden. Art. 69.Dit artikel stemt overeen met artikel 65 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende het toegangsverbod. Het houdt enkel vormelijke wijzigingen in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens deze bepaling is de aanbestedende overheid verplicht de ingediende aanvraag tot deelneming of offerte voor een overheidsopdracht voor werken, leveringen of diensten af te wijzen, indien de kandidaat of inschrijver belast werd met het onderzoek, de proeven, de studie of de ontwikkeling van die werken, leveringen of diensten, en die prestaties hem een voordeel verschaffen dat de normale mededingingsvoorwaarden vervalst. Dit zal vaak het geval zijn wanneer die persoon belast werd met de uitwerking van de opdrachtdocumenten en de nauwkeurige technische of architecturale opties heeft vastgelegd die overeenstemmen met degene waarmee hij het best vertrouwd is. Daarentegen zal dit normaal niet het geval zijn indien de eerste dienstverlening bijvoorbeeld tot doel had de algemene functionele voorschriften te bepalen die voor de uitvoering van een dergelijke opdracht door de meeste concurrenten zullen kunnen worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens daarover een gemotiveerde beslissing te nemen, moet de aanbestedende overheid de betrokken kandidaat of inschrijver evenwel per aangetekende brief vragen de schriftelijke verantwoordingen te bezorgen waarmee laatstgenoemde kan aantonen dat hij geen dergelijk voordeel geniet. Behalve indien een langere termijn is toegestaan, moeten deze verantwoordingen worden overgemaakt binnen twaalf kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de verzending van de aangetekende brief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vormvereiste moet evenwel niet vervuld zijn indien de kandidaat of inschrijver deze verantwoordingen reeds op eigen initiatief bij zijn aanvraag tot deelneming of offerte heeft gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst vermeldt eveneens dat de betrokken kandidaat of inschrijver het bewijs moet kunnen leveren dat de verantwoordingen zijn verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aangetekende brief is dus aanbevolen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 heeft betrekking op de ondernemingen die verbonden zijn aan de betrokken kandidaat of inschrijver.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De uitzondering vermeld in paragraaf 3, 1°, van artikel 65 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 is niet hernomen in het ontwerp, daar deze geen reële inhoud heeft, en deze vermeld in § 3, 2°, van artikel 65 van hetzelfde besluit is nu opgenomen in artikel 101, § 1, eerste lid, 2°, van dit ontwerp. Art. 70.Dit artikel bevat een nieuwe precisering die vermeld is in artikel 11, § 1, eerste alinea, van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling hoort logischerwijze eerder thuis bij de regels betreffende het toegangsrecht. Ze houdt in dat een kandidaat of inschrijver die gerechtigd is om prestaties uit te voeren in de lidstaat waar hij gevestigd is, niet mag worden afgewezen door een aanbestedende overheid louter op grond van het feit dat hij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is. Art. 71.Deze nieuwe bepaling strekt ertoe de situatie te verduidelijken van de combinaties zonder rechtspersoonlijkheid, meer bepaald in België de feitelijke verenigingen en de tijdelijke handelsvennootschappen. Met het oog op de terminologische coherentie is evenwel geopteerd voor de term « combinatie » die gebruikt wordt in Richtlijn 2004/17/EG. Afdeling 3. - Kwalitatieve selectie</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 herschikt de voorschriften inzake kwalitatieve selectie die</h3>\n<p class=\"lf-p\">tot doel hebben de draagkracht van de kandidaten of inschrijvers te beoordelen. Deze bepalingen vermelden de referenties en bewijsstukken die de aanbestedende overheid kan vragen, maar niet het niveau ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt dus toe aan de aanbestedende overheid om in de opdrachtdocumenten eenduidig de referenties te bepalen die zij wenst te ontvangen, alsook de niveaus die de ondernemingen moeten bereiken om voor de selectie in aanmerking te worden genomen. Bij de procedures die gepaard gaan met de bekendmaking van een aankondiging van opdracht, moeten de belangstellende kandidaten of inschrijvers in de aankondiging zelf kennis kunnen nemen van de gevraagde referenties en bewijsstukken. Eventueel kan bijkomend, doch niet uitsluitend, worden verwezen naar de bepalingen van andere documenten die beschikbaar zijn bij de aanbestedende overheid (bestek of selectieleidraad), waartoe vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang wordt verschaft via elektronische middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbestedende overheid dient evenwel niet noodzakelijk alle gegevens op te vragen die vermeld zijn in de bepalingen betreffende de kwalitatieve selectie. Zij moet haar vraag afstemmen op het voorwerp van de opdracht en op wat haar noodzakelijk of nuttig lijkt om haar beslissing inzake selectie te nemen, en om deze beslissing te kunnen motiveren. Bijgevolg dient de aanbestedende overheid te vermijden gegevens op te vragen wanneer zij niet over de nodige interne of externe deskundigheid beschikt om deze te kunnen interpreteren. Art. 72.Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de artikelen 17quater, 39quater en 60quater van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens dit artikel kan een kandidaat of een inschrijver zich voor welbepaalde opdrachten, beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. Hij moet de aanbestedende overheid evenwel het bewijs leveren dat hij werkelijk over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen zal beschikken die deze entiteiten ter beschikking stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe moet de kandidaat of inschrijver de aanbestedende overheid het schriftelijk bewijs voorleggen dat hij, indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de opdracht, een beroep kan doen op de diensten van de entiteiten waarnaar hij verwijst, en dat deze entiteiten, rekening houdend met de vermelde referenties, een passend deel van de uitvoering voor hun rekening zullen nemen. Op deze entiteiten is bovendien artikel 66 van het ontwerp inzake toegangsrecht toepasselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dezelfde bepaling is van toepassing op de combinaties van kandidaten of inschrijvers voor de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie en van andere entiteiten die daarvan geen deel uitmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste lid preciseert dat de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten voor een kandidaat of een inschrijver de mogelijkheid kan beperken om zich te beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer aan deze laatste het toegangsrecht is ontzegd op grond van artikel 21 van de wet. De bedoeling van deze bepaling is te vermijden dat artikel 21 van de wet zou worden omzeild, onder meer via een beroep op de onderaanneming. Art. 73.Zoals artikel 17ter, § 1, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, gaat artikel 73 nader in op de reglementering houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken waarvan de bepalingen dienen te worden toegepast in het kader van de kwalitatieve selectie. Paragraaf 1 herinnert aan de drie door deze reglementering toegestane bewijsmiddelen, namelijk de overlegging hetzij van een Belgisch erkenningsgetuigschrift, hetzij van een gelijkwaardig getuigschrift, uitgereikt door de lidstaat waar de aannemer gevestigd is, hetzij van een dossier waaruit kan worden afgeleid dat de aannemer aan de voorschriften van die reglementering voldoet. Bijgevolg dient de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten één of meer categorieën of subcategorieën waartoe de uit te voeren werken behoren, alsook de vermoedelijke erkenningsklasse te vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat het eerstgenoemde bewijsmiddel betreft, is de lijst van de ondernemingen die over een Belgisch erkenningsgetuigschrift beschikken, te vinden op de website van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, via het adres http://economie.fgov.be.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid dat een nieuw bepaling is bepaald dat de aanbestedende overheid zich bij open procedure of vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking kan beperken tot de eisen inzake erkenning met het oog op de selectie van de aannemers. De erkenningsreglementering bepaalt immers de basisvoorschriften van de kwalitatieve selectie wat de opdrachten voor werken betreft en die volstaan meestal voor de opdrachten gegund via open procedure. Deze bepaling is logischerwijze uitgebreid tot de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking. Art. 74.Dit artikel herneemt de tekst van 17ter, § 2, 39ter, eerste lid, et 60ter, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Het gaat nader in op het bewijs van de inschrijving van de kandidaten of inschrijvers in het beroeps- of handelsregister volgens de wetgeving van het land waar ze gevestigd zijn.Bijlage 3 van dit ontwerp vermeldt de registers en de overeenstemmende verklaringen die voor de andere lidstaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ondernemingen die een vestiging hebben in België kan de aanbestedende overheid deze gegevens rechtstreeks inwinnen bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (zie artikel 65, § 1). Nieuw is de mogelijkheid van een verklaring onder eed, wanneer in een bepaald land geen attesten worden afgeleverd. Art. 75.Dit artikel is een nieuwe bepaling waaruit blijkt dat de aanbestedende overheid de dienstverleners kan vragen om aan te tonen dat zij over een bijzondere vergunning beschikken of lid zijn van een bepaalde organisatie wanneer dit vereist is in hun land van herkomst. Art. 76.Dit artikel stemt overeen met de artikelen 17quinquies, 39quinquies en 61bis van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevat een voorschrift betreffende de overeenstemming met bepaalde kwaliteitsnormen. Art. 77.Dit artikel stemt overeen met de artikelen 17sexies en 61ter van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. In de gepaste gevallen, wanneer de aard van de werken of diensten rechtvaardigt dat bij de uitvoering van de opdracht milieubeheermaatregelen of -systemen worden toegepast, kan de toepassing van dergelijke maatregelen of systemen worden verlangd. Milieubeheersystemen kunnen, onafhankelijk van hun registratie overeenkomstig de communautaire instrumenten zoals de Verordening (EG) nr. 761/2001 (EMAS) het bewijs leveren van de technische bekwaamheid van de aannemer of dienstverlener om de opdracht uit te voeren. Informatie over EMAS is onder meer te vinden op de website van de Europese Commissie. Bovendien moet een beschrijving van de door de aannemer of de dienstverlener toegepaste maatregelen om hetzelfde niveau inzake milieubescherming te waarborgen, als alternatief bewijsmiddel voor geregistreerde milieubeheersystemen, worden aanvaard. Art. 78.Het eerste lid van dit artikel stemt overeen met artikel 17ter, § 1, tweede tot vierde lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Deze bepaling is voortaan ook toepasselijk op de leveringen en de diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede en het derde lid stemt gedeeltelijk overeen met artikel 17ter, § 1, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Hieruit blijkt met name dat de gegevens die uit de inschrijving op een officiële lijst kunnen worden afgeleid, niet zonder verantwoording ter discussie kunnen worden gesteld. Deze bepaling is voortaan toepasselijk op de leveringen en de diensten. HOOFDSTUK 6. - Gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag Afdeling 1. - Vorm, inhoud en ondertekening offerte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 79</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel herformuleert artikel 77, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, betreffende de vorm van de offerte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is gebruikelijk dat de aanbestedende overheid bij de opdrachtdocumenten een formulier voegt voor het opmaken van de offerte en het invullen van de samenvattende opmeting of de inventaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een inschrijver in toepassing van het voormeld artikel 77, eerste lid, zijn offerte opstelt op andere documenten dan het daartoe voorziene formulier, moet hij op elk van deze documenten verklaren dat deze in overeenstemming zijn met het bedoelde formulier. Artikel 79 van het ontwerp beperkt zich voortaan tot de bepaling dat de inschrijver in dat geval de verantwoordelijkheid draagt voor de volledige overeenstemming tussen de documenten die hij gebruikt en het formulier. Deze bepaling heeft als doel effectiever te zijn dan de opgeheven formaliteit van de conformiteitsverklaring. Art. 80.Dit artikel neemt een aantal bepalingen over van artikel 78 en gedeeltelijk, wat het derde lid betreft, van artikel 81, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 2° van het eerste lid vermeldt nu bij de in de offerte op te nemen gegevens, het totale offertebedrag, in voorkomend geval belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen. Niet alle inschrijvers zijn immers BTW-plichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gegevens omvatten ook de prijstoeslagen, kortingen of verbeteringen, alsook de voorgestelde prijskortingen of verbeteringen in geval van toepassing van artikel 88 betreffende de opdrachten in percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 4° handelt over het beroep op de draagkracht van derden. Er wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 12 van het ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien moet worden opgemerkt dat bij een beperkte procedure, de voormelde verplichting tot het vermelden van de identiteit van de onderaannemers of andere entiteiten een regelmatigheidsvereiste voor de offerte vormt, wanneer hun draagkracht bepalend is geweest voor de selectie van de betrokken inschrijver, overeenkomstig artikel 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de bepaling onder 5° moet de oorsprong en de waarde van de geleverde producten en de verwerkte materialen die afkomstig zijn van buiten de Europese Unie enkel worden vermeld voor zover de opdrachtdocumenten dit opleggen. Deze vermeldingen zouden de aanbestedende overheid die dit heeft voorzien, moeten toelaten een offerte te verwerpen die dergelijke producten of materialen bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden niet beschouwd als derde landen, de landen waarmee een verdrag of een internationaal akkoord inzake overheidsopdrachten is gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 6° heeft betrekking op de voorkeurvolgorde die de toepassing van artikel 99, § 2, laatste lid, en artikel 100, § 2, laatste lid mogelijk moet maken in geval een inschrijver offertes indient voor meerdere percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat de nieuwe verduidelijking dat elke deelnemer aan een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid in zijn offerte de identificatiegegevens van de inschrijver, als bedoeld in het eerste lid, punt 1°, moet vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het derde lid van artikel 80 bepalen de opdrachtdocumenten de wijze van terbeschikkingstelling van de documenten, modellen, monsters en andere inlichtingen. Deze worden bij de offerte gevoegd of op een andere wijze overgelegd. Art. 81.Dit artikel betreffende de ondertekening van de offerte neemt de bepalingen over van de artikelen 77, tweede en derde lid, 81, § 1, eerste en tweede lid, en 82, eerste tot derde lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, op enkele formele aanpassingen na.</p>\n<p class=\"lf-p\">De paragrafen 2 en 3 betreffen de ondertekening van een offerte ingediend door een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid, respectievelijk de ondertekening door een gemachtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 verduidelijkt dat geen bijkomende volmacht is vereist wanneer de offerte elektronisch wordt ondertekend door een certificaat op naam van een rechtpersoon die daarbij enkel een verbintenis aangaat voor eigen naam.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval is het namelijk zo dat : - de volmacht van de natuurlijke persoon die over dit certificaat beschikt, niet bij de aanvraag tot deelneming of offerte moet worden gevoegd. Deze volmacht werd immers reeds gecontroleerd door de certificerende instantie die het gekwalificeerd certificaat heeft verstrekt. Deze instantie staat in voor de waarachtigheid van de vermeldingen op het certificaat; - de aanbestedende overheid niet hoeft na te gaan welke natuurlijke persoon over het certificaat beschikt en evenmin inlichtingen dient in te winnen over diens bevoegdheid; - deze afwijking slechts van toepassing is indien de rechtspersoon enkel een verbintenis aangaat in eigen naam en voor eigen rekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de rechtspersoon optreedt als gevolmachtigde, moet het mandaat worden bijgevoegd; - de aanbestedende overheid daarentegen wel rekening moet houden met de vermeldingen op het certificaat. Wanneer het volgens het certificaat bijvoorbeeld niet mogelijk is om de rechtspersoon aansprakelijk te stellen voor verbintenissen die een bepaald bedrag overschrijden en de waarde van de offerte hoger ligt dan dit bedrag, moet deze offerte als nietig worden beschouwd. Afdeling 2. - Samenvattende opmeting en inventaris</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreffende de samenvattende opmeting, vereenvoudigt en herstructureert de bepalingen van artikel 84, § § 1 tot 3 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 bepaalt dat indien bij de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting is gevoegd, de inschrijver die invult en de nodige berekeningen doet.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 is gewijd aan de verbeteringen door de inschrijver van diverse fouten in de forfaitaire en vermoedelijke hoeveelheden en van de leemten in de samenvattende opmeting. Deze verbeteringen moeten worden verantwoord in een nota die de inschrijver bij zijn offerte voegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestaande regeling betreffende de verbetering van de vermoedelijke hoeveelheden wordt op diverse punten gewijzigd. Vooreerst wordt het voorschrift geschrapt dat de bedoelde verbetering slechts mogelijk is voor zover toegestaan in het bestek. Verder verbetert de inschrijver de vermoedelijke hoeveelheden voortaan slechts op voorwaarde dat de voorgestelde verbetering minstens vijfentwintig procent - in plaats van tien procent - in meer of in min van de hoeveelheid van de betrokken post bedraagt. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd om de flagrante vergissingen in de vermoedelijke hoeveelheden altijd te laten verbeteren door de inschrijvers. Art. 83.Dit artikel betreffende de inventaris, behoudt en vereenvoudigt de bepalingen van artikel 85, § 1, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot de oplossing waarvoor is geopteerd in artikel 82 in verband met de samenvattende opmeting van een opdracht voor werken, mag de inschrijver bij een opdracht voor leveringen of diensten de in de inventaris vermelde hoeveelheden in principe niet wijzigen, ongeacht of die forfaitair of vermoedelijk zijn. De opdrachtdocumenten kunnen dergelijke wijzigingen evenwel toestaan en de voorwaarden hiervoor vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende aanpak op dit punt tussen opdrachten voor leveringen en diensten en opdrachten voor werken is verantwoord doordat de samenvattende opmetingen vaker complex zijn en derhalve gemakkelijker onjuiste hoeveelheden kunnen bevatten. Bij opdrachten voor leveringen en diensten liggen de behoeften van de aanbestedende overheid in principe in al hun aspecten vast bij het opmaken van de opdrachtdocumenten. Afdeling 3. - Interpretatie, fouten en leemten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 van dit artikel is overgenomen uit artikel 24, § § 1 en 3, van de Algemene aannemingsvoorwaarden en tegelijk uitgebreid van de opdrachten voor werken tegen globale prijs naar alle opdrachten zonder onderscheid. Hij bevat de te respecteren voorrangsorde voor de interpretatie in geval van tegenspraak tussen de opdrachtdocumenten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 stemt overeen met artikel 84, § 5, tweede zin, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het tweede lid kan deze bepaling toepasselijk worden gemaakt voor de opdrachten voor leveringen en diensten. Art. 85.Dit artikel dat overeenstemt met artikel 86 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, handelt over de vergissingen of leemten die de prijsberekening of een vergelijking van de offertes onmogelijk maken. Voorbeeld : het ontbreken van bewapeningsgegevens waardoor het niet mogelijk is de hoeveelheden staal te berekenen voor een bouwwerk in gewapend beton, het ontbreken van de gunningscriteria bij offerteaanvraag, een wezenlijk verschil tussen de Franse en de Nederlandse versie van de opdrachtdocumenten,.... In dat geval moet de aannemer, leverancier of dienstverlener die zinnens is een offerte in te dienen dit onmiddellijk aan de aanbestedende overheid melden, ten laatste tien dagen vóór de datum van de opening van de offertes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van het belang van de vastgestelde fouten of leemten, moet de aanbestedende overheid oordelen of passende maatregelen al dan niet nodig zijn. Deze kunnen variëren naargelang de gekozen gunningswijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de opdracht bijvoorbeeld geplaatst wordt via een open procedure, dient eventueel een aankondiging van rectificatie te worden bekendgemaakt en de termijn voor de indiening van de offertes, indien nodig, te worden verlengd met een redelijke termijn. Bij beperkte procedure is het eventueel aangewezen de aangepaste documenten ter beschikking te stellen van de geselecteerden en, indien nodig, de termijn voor de indiening van de offertes te verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk dat de termijn van tien dagen niet zal kunnen worden nageleefd, met name wanneer de termijn voor het indienen van de offertes voor de opdracht in kwestie is ingekort. In dat geval blijven de verstrekte inlichtingen evenwel hun nut behouden, en wanneer de aanbestedende overheid niet meer de tijd heeft om de nodige maatregelen te nemen, kan ze, indien zij beslist heeft de zitting uit te stellen, niet overgaan tot de opening van de ontvangen offertes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de beoordeling van de aanbestedende overheid moet een schriftelijke neerslag bestaan in het gunningsdossier. Art. 86.Dit artikel herneemt de eerste zin van artikel 84, § 5, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, maar verruimt de toepassing ervan naar de opdrachten voor leveringen en diensten. Deze oplossing is immers ook voor die opdrachten nuttig. Vanaf de opening van de zitting kunnen de inschrijvers zich niet meer beroepen op fouten of leemten in de samenvattende opmeting of de inventaris. Deze bepaling is verantwoord door de verplichting die artikel 81 aan de inschrijvers oplegt, enerzijds, en door het vermijden van elk risico van speculatie, anderzijds, en meer algemeen door de gelijke behandeling en de eerlijke mededinging.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn tweede lid herneemt artikel 86 eveneens artikel 87 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 dat bepaalt dat de inschrijvers zich niet kunnen beroepen op vormgebreken, fouten of leemten in hun offerte na de opening van de zitting. Afdeling 4. - Prijsopgave en percelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 87</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel herneemt gedeeltelijk de bepalingen van artikel 88, § 2, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verduidelijkt dat de prijzen in de offerte in euro worden uitgedrukt en dat het totale offertebedrag voluit wordt geschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw is de bepaling dat dit laatste enkel nog geldt voor de eenheidsprijzen indien de opdrachtdocumenten dit opleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van verschil tussen de prijzen uitgedrukt in cijfers en deze uitgedrukt in letters, wordt er geen specifieke regeling meer behouden en wordt de algemene regel van artikel 95 voortaan toegepast. Art. 88.Het eerste lid van dit artikel neemt gedeeltelijk, in gewijzigde vorm, de bepalingen over van artikel 89, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, betreffende de percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vermeldt voortaan dat indien de opdrachtdocumenten het niet verbieden, de inschrijver, naargelang de procedure, in zijn offertes voor meerdere percelen prijskortingen of verbeteringen mag aanbieden indien hem bepaalde percelen worden gegund. Dergelijke prijskortingen of verbeteringen zijn tot op heden enkel mogelijk indien het bestek dit toestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige mogelijkheid geldt nochtans enkel indien voor alle percelen hetzelfde gunningscriterium of dezelfde gunningscriteria worden gebruikt teneinde de gunning van de percelen niet te bemoeilijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbestedende overheden worden geattendeerd op de moeilijkheid die kan voortvloeien uit de toepassing van kortingen ingeval gebruik wordt gemaakt van de elektronische veiling als bedoeld in artikel 125, meer bepaald wanneer het systeem niet toelaat om rekening te houden met het effect van de kortingen op de verschillende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe tweede lid voorziet in de mogelijkheid voor de inschrijver om in zijn offerte een voorkeurvolgorde te vermelden ingeval hij voor meerdere percelen een offerte indient en de aanbestedende overheid toepassing maakt van artikel 63, § 4, eerste lid, 2°, en de betrokken inschrijver het vereiste minimale niveau niet haalt. Afdeling 5. - Indiening offertes</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 89</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel stemt grotendeels overeen met artikel 92 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, betreffende de indieningswijze van de offertes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 is van toepassing op de offertes op papier en op de met elektronische middelen opgestelde offertes die niet via deze middelen worden overgemaakt (bijvoorbeeld een offerte op cd-rom of op een andere digitale drager).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling maakt een onderscheid tussen de offertes verzonden via een postdienst en deze bezorgd per drager. Ingeval van offertes overgemaakt via een postdienst, d.w.z. via bpost of een ander post- of koerierbedrijf, kunnen via de formaliteit van de dubbele envelop schadeverwekkende gevolgen worden vermeden ten gevolge van een accidentele opening van de envelop die een offerte bevat. Indien de offerte zelf zou geopend zijn, zou dit immers de nietigheid ervan met zich brengen. Op te merken valt dat de formaliteit van de dubbele envelop van toepassing zal zijn op de « veiligheidskopie » als bedoeld in artikel 57, § 3, eerste lid, 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een verzending per drager in de handen van de daartoe aangeduide persoon of in een daartoe bestemde offertebus, zal een dergelijk risico daarentegen niet bestaan en heeft de formaliteit van een dubbele envelop weinig zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst bevat een verduidelijking voor de offertes die per drager worden overgemaakt. Teneinde geschillen naar aanleiding van het indienen van offertes te vermijden, is bepaald dat de offertes hetzij moeten worden overhandigd aan de persoon die daartoe door de aanbestedende overheid is aangeduid, hetzij moeten worden gedeponeerd in een daartoe bestemde offertebus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 bepaalt het uiterste tijdstip voor het indienen van de offertes en geldt zowel voor de op papier als voor via elektronische middelen opgestelde offertes. De praktijk die erin bestaat het uiterste tijdstip voor de indiening van de offertes en dit voor de opening ervan te scheiden, is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De offertes moeten bij de voorzitter toekomen alvorens hij de zitting opent. Daarbij is de uitzondering behouden voor de offertes die nog niet zijn toegekomen, maar die ten minste 4 kalenderdagen vóór de datum van de openingszitting als aangetekende brief, zijn verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden twee bijkomende uitzonderingen betreffende de elektronische offertes bepaald zoals in de huidige reglementering. Hiervoor wordt verwezen naar artikel 57 dat de gevallen van de « dubbele zending » (vereenvoudigde zending gevolgd door de aanvraag tot deelneming of de volledige offerte) en de veiligheidskopie verduidelijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge een opmerking van de Raad van State maakt de kwestie van de laattijdige indiening van de offertes het voorwerp uit van een verduidelijking. Ongeacht of de oorzaak bij de aanbestedende overheid ligt of niet, geeft de laattijdige indiening aanleiding tot de weigering van de offertes. Dit strikte standpunt is ingegeven door de wil om misbruiken te voorkomen en om een recente tendens in een deel van de rechtspraak een halt toe te roepen. Die tendens ging ervan uit dat de huidige bepalingen van artikel 92 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 niet noodzakelijk tot een onregelmatigheid moeten leiden ingeval de gelijkheid tussen de inschrijvers niet is bedreigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst preciseert ten slotte dat laattijdige offertes, die niet aan de voorwaarden voldoen, voortaan hetzij worden geweigerd, in geval de offerte wordt aangeboden tijdens de zitting, hetzij worden bewaard zonder ze te openen, in de andere gevallen. Art. 90.Dit artikel betreffende de wijziging en intrekking van reeds opgestuurde of ingediende offertes, stemt grotendeels overeen met artikel 93 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 1 zijn de woorden « op straffe van nietigheid van de offerte », vermeld in artikel 93, geschrapt. Het komt immers aan de aanbestedende overheid toe zich over de gevolgen van een eventueel gebrek aan duiding bij de wijziging van de offerte uit te spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 maakt het mogelijk de intrekking per telefax of via een elektronische middel dat niet in overeenstemming is met artikel 57, § 1, mee te delen alvorens de zitting wordt geopend. De mededeling per telegram of telex is geschrapt, daar deze middelen in de praktijk niet meer worden gebruikt. Afdeling 6. - Opening offertes</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 91</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel, dat handelt over de openingzitting, stemt grotendeels overeen met artikel 94 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Hierbij moet worden opgemerkt dat de bepaling vervat in 4° van het voormelde artikel 94, betreffende de gekozen oplossing in geval van technische moeilijkheden waarbij het niet mogelijk is om tijdens de zitting de met elektronische middelen opgestelde offertes te openen en te onderzoeken, nu in artikel 93 van dit ontwerp is opgenomen. Het bedrag bedoeld in 5°, inzake de voorlezing van de prijzen bij aanbesteding, betreft het totale offertebedrag, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen. Indien de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting of inventaris bevatten, moet het totale offertebedrag worden voorgelezen uit het offerteformulier en niet uit de samenvattende opmeting of de inventaris Volgens de bepaling onder 6° moet de voorzitter of een bijzitter de offerte en de wijzigingen en intrekkingen verplicht paraferen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast parafeert hij eveneens de bijlagen die hij het belangrijkst acht, mede rekening houdende met wat materieel haalbaar is. Een ander authentificatiemiddel kan nochtans de paraaf vervangen, zoals een stempel of een naamstempel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de offertes via elektronische middelen conform artikel 57, § 1, zijn opgesteld, plaatst de voorzitter of een bijzitter zijn elektronische handtekening op de documenten. De elektronische handtekening van een document genereert een « hash » (code gevormd door opeenvolging van cijfers en letters) die uniek is voor het document. Deze formaliteit is evenwel niet vereist indien de door de aanbestedende overheid gebruikte elektronische middelen toelaten de integriteit van de documenten na hun opening te controleren. Zelf de toevoeging van een spatie in het document doet de hash wijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van elektronische offertes kunnen de hashs van de documenten worden opgenomen in het proces-verbaal van de openingszitting dat wordt ondertekend. Het is dus niet nodig om alle documenten die deel uitmaken van de offertes te ondertekenen, vermits de controle op de integriteit van een document op elk ogenblik kan worden uitgeoefend. Art. 92.Dit artikel betreffende het proces-verbaal van de openingszitting, stemt overeen met de artikelen 95 en 97 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Voortaan bevat het proces-verbaal de opmerkingen die elke aanwezige persoon wenst opgenomen te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige wijzigingen betreffen het tweede lid, volgens hetwelk de ondertekening door de voorzitter volstaat, en het derde lid, dat voortaan van toepassing is op alle inschrijvers, ongeacht of zij de openingszitting hebben bijgewoond. Art. 93.Dit artikel, betreffende het organiseren van een extra openingszitting, stemt grotendeels overeen met artikel 96 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Een dergelijke zitting moet plaatsvinden : - wanneer offertes, wijzigingen of intrekkingen te laat zijn ingediend, maar overeenkomstig de artikelen 89 en 90 toch in aanmerking kunnen worden genomen, aangezien deze ten laatste vier kalenderdagen vóór de datum van de opening van de offertes per aangetekende brief werd afgegeven. Indien de aangetekende brief met deze offerte, de intrekking of de wijziging ervan evenwel nog tijdens de zitting bij de voorzitter toekomt, kan die onmiddellijk worden geopend. Een bijkomende zitting is in dat geval dan ook niet vereist; - in geval van technische moeilijkheden waarbij het niet mogelijk is om tijdens de oorspronkelijke openingszitting, een met elektronische middelen opgestelde offerte te openen en te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 93 bepaalt verder dat de modaliteiten zoals omschreven in de artikelen 91, derde lid, punten 4° tot 6°, en 92, betreffende het verloop van de zitting en het opmaken van het proces-verbaal van de openingszitting hier eveneens van toepassing zijn, en dit vanuit een bekommernis van transparantie en gelijke behandeling van de inschrijvers. Afdeling 7. - Onderzoek en regelmatigheid offertes Er wordt eraan herinnerd dat de gunning van een overheidsopdracht drie opeenvolgende fasen omvat : 1° het onderzoek van de uitsluitingscriteria, de economische en financiële draagkracht en de technische of beroepsbekwaamheid;2° het onderzoek van de regelmatigheid;3° het onderzoek van de overgebleven regelmatige offertes en hun beoordeling op basis van het gunningscriterium of de gunningscriteria. In de open procedures worden offertes die de eerste stap niet doorstaan, niet verder onderzocht ten opzichte van de elementen van de tweede en de derde stap, en worden de offertes die het regelmatigheidsonderzoek niet doorstaan, niet verder onderzocht ten opzichte van de elementen van de derde stap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beperkte procedure heeft het onderzoek betreffende de eerste fase geen zin meer omdat enkel de geselecteerden de mogelijkheid hebben gehad om een offerte in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien, ongeacht de procedure, achteraf blijkt dat een kandidaat of inschrijver ten onrechte niet werd geselecteerd, moet de aanbestedende overheid op dat ogenblik nagaan of de betrokken offerte regelmatig is alvorens die te toetsen aan één of meer gunningscriteria. Art. 94.Dit artikel dat betrekking heeft op de regelmatigheid van de offertes bij open en beperkte procedure, herdefinieert en herformuleert de bepalingen van artikel 77 en artikel 98, § § 1 en 2, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Het daarin gemaakt onderscheid tussen substantiële en niet-substantiële onregelmatigheden is ongewijzigd behouden, doch wordt hier niet verder gepreciseerd omdat dit geval per geval voor elke onregelmatigheid moet worden uitgemaakt. Wat de gevolgen van de substantiële onregelmatigheid betreft, is ook het gemaakte onderscheid behouden tussen de gevallen van absolute nietigheid en de gevallen van relatieve nietigheid van de betreffende offertes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid bepaalt dat bij het onderzoek van de regelmatigheid van de offertes zowel de formele regelmatigheid als de materiële regelmatigheid wordt onderzocht. Dit onderscheid dat op vandaag reeds wordt gehanteerd, is in het ontwerp ingeschreven om rekening te kunnen houden met de eisen inzake formele regelmatigheid die voorkomen in een aantal bepalingen van de wet, inzonderheid in haar artikel 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het tweede lid moet een offerte steeds als formeel onregelmatig worden beschouwd wanneer ze afwijkt van de vormelijkheden voorgeschreven door de artikelen 5, § 1, 56, § 2, 57, § 2, 59, 60, 79, 80, 81, 89 en 90 en door de opdrachtdocumenten die substantieel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzing naar artikel 79 betekent geenszins dat de inschrijver de erin voorziene mogelijkheid niet meer zou kunnen benutten om een ander formulier te gebruiken dan het bij de opdrachtdocumenten gevoegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien heeft de aanbestedende overheid ook de mogelijkheid een offerte als formeel onregelmatig te beschouwen indien zij niet in overeenstemming is met de andere voorgeschreven vormelijkheden. In dat geval beschikt de aanbestedende overheid over een grotere speelruimte dan in het kader van de eerste zin van het tweede lid. Zij dient immers niet enkel na te gaan of de offerte substantieel onregelmatig is, maar, in bevestigend geval, ook te beslissen of ze moet worden geweerd naargelang de bijzonderheden van elk concreet geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid gaat nader in op de materiële onregelmatigheid van de offerte. Een offerte is materieel onregelmatig wanneer ze afwijkt van de essentiële bepalingen van de opdracht, betreffende met name de prijzen, termijnen en technische specificaties. Hierbij wordt herinnerd aan de gangbare interpretatie dat niet elke afwijking betreffende de prijzen, termijnen en technische specificaties die geen essentiële afwijking uitmaakt, een substantiële onregelmatigheid meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwijkingen op de hierboven vermelde technische specificaties moeten worden beoordeeld in het licht van de bepalingen van artikel 6, § 3 en § 4. Deze verbieden de aanbestedende overheid om een offerte af te wijzen omdat de geboden producten of diensten niet aan de in de opdrachtdocumenten vermelde specificaties, prestaties of functionele eisen zouden beantwoorden, indien de inschrijver in zijn offerte aantoont dat de door hem voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze aan de in de opdrachtdocumenten gestelde eisen voldoen. Het is dus pas wanneer de inschrijver dit bewijs niet levert dat zijn offerte als onregelmatig kan worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien heeft de aanbestedende overheid de mogelijkheid een offerte als materieel onregelmatig te beschouwen indien zij : - niet in overeenstemming is met de bepalingen van hoofdstuk 1, afdeling 6 tot 11, en van hoofdstuk 6, afdelingen 2 tot 4. Hierbij worden enkel de bepalingen bedoeld die verplichtingen opleggen aan de inschrijvers; - enig voorbehoud inhoudt of elementen bevat die niet met de werkelijkheid overeenstemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hypothese van de abnormale prijzen is daarentegen niet vermeld in het laatste lid die de onregelmatigheden opsomt die tot een relatieve nietigheid leiden. Deze keuze is ingegeven door de wil om rekening te houden met de recente evolutie in de rechtspraak van de Raad van State. Immers, volgens het arrest nr. 198.368 van 30 november 2009, SPRL SOGEPAR, dient wanneer een eenheidsprijs als abnormaal laag is bestempeld en de gegeven verantwoordingen niet zijn aangenomen, de aanbestedende overheid de offerte als onregelmatig te weren. Het gaat alsdan om een absolute nietigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze strenge benadering wordt evenwel getemperd doordat overeenkomstig artikel 21 van dit ontwerp het voortaan, zelfs bij aanbesteding, mogelijk is de inschrijver over een prijs te ondervragen zonder de procedure van het onderzoek van abnormale prijzen op te starten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overwegingen over het tweede lid wat de rechten en verplichtingen van de aanbestedende overheid betreft, gelden mutatis mutandis ook voor de onregelmatigheden bedoeld in het derde lid van het ontwerp. Art. 95.De paragrafen 1 tot 3 van dit artikel nemen de bepalingen van de artikelen 99 en 102 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 over en voeren voor de aanbesteding en de offerteaanvraag een uniform systeem in voor de verbetering door de aanbestedende overheid van de rekenfouten en de louter materiële fouten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1, tweede lid, bepaalt dat om deze fouten in de offertes te verbeteren, de aanbestedende overheid de werkelijke bedoeling van de inschrijver moet nagaan door de offerte te onderzoeken en haar te vergelijken met de andere offertes en de marktprijzen (de notie dat dit 'met alle middelen' moet gebeuren is daarbij verlaten). Enkel indien dit niet tot een oplossing leidt, kan ze § 4 toepassen en de inschrijvers vragen hun werkelijke bedoeling te verduidelijken. De verzoeken om verantwoording bedoeld in artikel 98 kunnen hiervoor niet worden aangegrepen, vermits in dat artikel staat vermeld dat artikel 21 eerst moet worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit paragraaf 1, derde lid, blijkt dat wanneer geen toelichting wordt verstrekt na dit verzoek, of de toelichting voor de aanbestedende overheid niet aanvaardbaar is, deze laatste de fouten naar eigen bevindingen verbetert. Indien dit onmogelijk is, kan de aanbestedende overheid, zoals in het koninklijk besluit van 10 januari 1996, beslissen dat de opgegeven eenheidsprijzen van toepassing zijn of de offerte als onregelmatig afwijzen. Deze laatste keuze valt geval per geval te motiveren door de aanbestedende overheid, in functie van de eigenheden van elk dossier. Zo zou de aanbestedende overheid een offerte kunnen aanvaarden niettegenstaande het feit dat de verbetering van materiële of rekenfouten daarin niet mogelijk is doordat de toelichting van de inschrijver niet aanvaardbaar is of er geen toelichting is gegeven, wanneer de fout de prijs van een te verwaarlozen post betreft, die hoe dan ook geen impact heeft op de rangschikking en/of de vergelijkbaarheid van de offertes, en waarvan het ongemoeid laten de gelijkheid van de inschrijvers niet in het gedrang brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 is een nieuwe bepaling die nader ingaat op de verbetering van de offertes voor de rekenfouten en louter materiële fouten die de aanbestedende overheid of een inschrijver in de opdrachtdocumenten ontdekt, wat in het koninklijk besluit van 10 januari 1996 niet geregeld is. Deze verbeteringen laten toe om de gunning op een zo correct mogelijke basis te laten gebeuren, om de vergelijkbaarheid van de offertes te bevorderen en zonder de gelijke behandeling van de inschrijvers in het gedrang te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 betreffende de rechtstreekse verbetering van fouten in de met elektronische middelen opgestelde offertes, stemt overeen met het vierde lid van artikel 99 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 bepaalt dat de aanbestedende overheid de inschrijvers kan vragen de draagwijdte van hun offerte te verduidelijken of aan te vullen. Krachtens artikel 103, zesde lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 is deze bepaling tot op heden enkel van toepassing bij offerteaanvraag. Het onderhavige ontwerp breidt deze mogelijkheid uit tot de aanbesteding. Er dient in dat verband te worden herinnerd aan de regel dat deze mogelijkheid niet mag leiden tot misbruiken, noch tot gevolg mag hebben dat de ingediende offertes worden gewijzigd. Bovendien mogen de contacten met de inschrijvers geen onderhandelingen meebrengen, aangezien die in het kader van deze procedures verboden zijn. Art. 96.Dit artikel is toepasselijk bij aanbesteding. Het stemt overeen met artikel 100 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, maar de bepalingen ervan zijn aangepast teneinde de verschillende bewerkingen in een meer logische orde te plaatsen en derhalve de leesbaarheid van de tekst te verbeteren. Bovendien is de toepassing ervan uitgebreid tot de inventaris bij opdrachten voor leveringen en diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste bewerking, zoals beschreven in paragraaf 2, heeft betrekking op de definitieve verbetering van de hoeveelheden door de aanbestedende overheid, wanneer een inschrijver de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmeting of inventaris heeft verbeterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van paragraaf 2 stemt overeen met artikel 84, § 2, derde lid, 1°, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Het bepaalt dat voor de inschrijver die een vermindering heeft voorgesteld, de totale prijs die overeenstemt met de aldus verminderde hoeveelheid een forfaitaire prijs wordt, op voorwaarde en in de mate dat de aanbestedende overheid de bedoelde verbetering aanvaardt. Dit forfaitair karakter kan voor de inschrijver in kwestie een voordeel opleveren, aangezien de vermindering van de hoeveelheid enkel voor hem zal gelden en hij dus als enige van een verminderde prijs kan genieten voor de rangschikking van zijn offerte. Evenwel zal hij ook als enige het risico dragen van een eventuele onderraming van de hoeveelheid van de verminderde post, aangezien hij in dat geval de werkelijke hoeveelheid zal moeten uitvoeren tegen een forfaitair geworden prijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede bewerking, als bedoeld in paragraaf 3, betreft de berekening van de prijs van een post van de samenvattende opmeting of inventaris waarvoor een inschrijver geen prijs heeft vermeld. In dat geval en indien de aanbestedende overheid de offerte om die reden niet als onregelmatig afwijst, moet de in paragraaf 3 vermelde formule worden toegepast. Deze bepaling stemt overeen met artikel 100, § 4, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, maar aangezien de daarin toegepaste formule van paragraaf 2 van hetzelfde artikel betrekking heeft op andere gevallen en te weinig is afgestemd op de hier behandelde problematiek, is nu voorzien in een geëigende formule.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste lid van paragraaf 3 bepaalt dat de aanbestedende overheid, voor de berekening van de waarden L en X, gerechtigd is geen rekening te houden met de offertes die voor de betrokken post een abnormale prijs vermelden, en dit om te vermijden dat een dergelijke prijs ten onrechte het gemiddelde zou beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde bewerking, waarvan sprake in paragraaf 4, heeft betrekking op de berekening van de leemten in de samenvattende opmeting of inventaris, en die zijn aangevuld overeenkomstig de artikelen 82, § 2, of 83, § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het einde van paragraaf 4 is een bepaling opgenomen ter vervanging van de bepaling in fine van artikel 100, § 2, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. De tekst stelt voortaan enkel dat indien geen enkele inschrijver een normale prijs geboden heeft voor een leemtepost, de aanbestedende overheid de opdracht mag gunnen zonder rekening te houden met die post. In voorkomend geval kunnen de prestaties betreffende de leemteposten aan de opdrachtnemer worden gegund tijdens de uitvoering, overeenkomstig artikel 53, § 2, 2°, of 4°, a) en b), van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 5 stemt overeen met de bepalingen van artikel 100, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 dat enkel handelt over de rangschikking van de offertes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 6 preciseert dat, of hun offerte nu regelmatig is of niet, enkel de voorgestelde verbeteringen van geselecteerde inschrijvers in aanmerking worden genomen. Het betreft een nieuwe voorwaarde die bedoeld is om dezelfde regels toe te passen bij de open en beperkte procedure, terwijl het al dan niet regelmatig zijn van de offerte in dit verband geen belang heeft. Art. 97.Dit artikel, dat overeenstemt met artikel 102 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, handelt over het nazicht door de aanbestedende overheid van de fouten en leemten in de samenvattende opmeting of inventaris van een opdracht gegund bij offerteaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met uitzondering van paragraaf 5 geldt de commentaar bij artikel 96 mutatis mutandis voor dit artikel. Art. 98.Dit artikel, dat de bepalingen van de paragrafen 3 tot 5 van artikel 98 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 herformuleert, betreft het nazicht van de abnormaal lage of hoge prijzen. Het sluit aan bij de bepalingen inzake het prijsonderzoek van artikel 21 en verwijst in het bijzonder naar zijn paragraaf 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 vormt de algemene regeling die geldt voor alle opdrachten, ook wanneer paragraaf 2 van toepassing is. Hij vermeldt dat het nazicht gebeurt nadat de aanbestedende overheid de eventuele rekenfouten en de louter materiële fouten verbeterd heeft. Het nazicht mag dus in geen enkel geval gebeuren voordat deze verbetering beëindigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 neemt de tekst over van paragraaf 4 van artikel 98 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Hij bevat een specifieke regeling voor het nazicht van het totale offertebedrag voor de opdrachten voor werken geplaatst bij aanbesteding, wanneer de ingediende offertes aan bepaalde voorwaarden voldoen. De opdrachtdocumenten kunnen deze paragraaf voortaan toepasselijk maken op de offerteaanvragen en bovendien ook op de opdrachten voor leveringen en diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 blijft toepasselijk, ongeacht of de voorwaarden van paragraaf 2 zijn vervuld. Zo zou in een offerte bijvoorbeeld een abnormaal lage eenheidsprijs kunnen voorkomen, wat aanleiding zou kunnen geven tot een verzoek tot verantwoording op basis van paragraaf 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 herneemt gedeeltelijk paragraaf 5 van artikel 98 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, die voorziet in de kennisgeving aan de Erkenningscommissie wanneer een offerte voor een opdracht voor werken is geweerd wegens het abnormaal karakter van de erin vervatte prijs. Afdeling 8. - Gunning opdracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 99</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op de aanwijzing van de opdrachtnemer bij aanbesteding. Het stemt hoofdzakelijk overeen met artikel 101 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 Het vermelden van de basisoffertes in het eerste lid van paragraaf 2 doet niets af aan het feit dat bij facultatieve varianten, volgens artikel 9, § 1, 2°, er niet noodzakelijk sprake is van het indienen van een basisofferte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van paragraaf 2 bevat evenwel een verduidelijking betreffende het in aanmerking nemen van opties. In geval van verplichte opties wordt bij het opmaken van één enkele rangschikking om de laagste offerte te bepalen, rekening gehouden met al die opties, zelfs indien de aanbestedende overheid overeenkomstig artikel 10, § 3, beslist om de verplichte opties niet te bestellen. Vrije opties, die worden ingediend op initiatief van de inschrijver, mogen daarentegen geen weerslag hebben op de rangschikking, aangezien geen enkele meerprijs noch een andere tegenprestatie mag worden verbonden aan de indiening ervan, zoals blijkt uit artikel 10, § 2, van het ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een inschrijver in strijd daarmee heeft gehandeld, wordt de vrije optie buiten beschouwing gelaten voor zover zulks mogelijk is, zoniet is zijn offerte onregelmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid van paragraaf 2 verduidelijkt de keuze van de opdrachtnemer wanneer verscheidene inschrijvers prijskortingen hebben aangeboden voor gegroepeerde percelen. Nieuw is dat de laagste offerte niet louter bepaald wordt door de gegroepeerde percelen die het laagste bedrag vormen, maar ook door de invloed die de diverse aangeboden prijskortingen per combinatie uitoefenen op het totale opdrachtbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 63, § 4, eerste lid, 2°, minimumeisen heeft bepaald voor de selectie, indien ze meerdere percelen aan dezelfde inschrijver gunt, moet ze tewerkgaan als volgt : eerst moet de laagste offerte worden bepaald en pas daarna zal de aanbestedende overheid nagaan of aan het vereiste minimale niveau is voldaan. Dit onderzoek kan een invloed hebben op het bepalen van de laagste offerte omdat enkel de percelen waarvoor een inschrijver aan dit minimale niveau voldoet, hem kunnen worden gegund.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval zal de aanbestedende overheid rekening houden met de voorkeurvolgorde die eventueel vermeld is in de offerte overeenkomstig artikel 99, § 2, tweede lid, en indien deze volgorde ontbreekt, zal zij voor deze percelen een loting houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 behandelt de hypothese waarin verschillende inschrijvers dezelfde laagste prijs hebben geboden. Een aantal bepalingen van het ontwerp zijn toepasselijk wanneer de aanbestedende overheid ervoor kiest om aan de betrokken inschrijvers te vragen hun offerteprijs te herzien. Het gaat immers om een stadium van de procedure waarvoor eveneens in transparantie moet worden voorzien. Deze artikelen betreffen met name de modaliteiten voor de ontvangst en de opening van deze offertes, alsook de vaststelling van de verbintenistermijn van de inschrijvers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste lid van paragraaf 3 handelt over de loting die plaatsvindt ingeval de prijzen van beide offertes nog steeds gelijk zijn nadat een prijskorting werd gevraagd. Voortaan is bepaald dat een proces-verbaal van deze loting wordt opgesteld conform artikel 92. Art. 100.Dit artikel is van toepassing op de aanwijzing van de opdrachtnemer bij offerteaanvraag. Het stemt gedeeltelijk overeen met artikel 103 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt thans in paragraaf 2 verduidelijkt dat, in geval van verplichte of facultatieve varianten, één enkele rangschikking van de basisoffertes en offertes betreffende deze varianten wordt opgemaakt teneinde de economisch voordeligste offerte te bepalen. De opdrachtdocumenten kunnen een andersluidende bepaling bevatten, bijvoorbeeld in de zin dat de aanbestedende overheid ervoor zou kunnen opteren een bepaalde variante niet in de rangschikking op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vermelden van de basisoffertes in het eerste lid van paragraaf 2 doet niets af aan het feit dat bij facultatieve varianten, volgens artikel 9, § 1, 2°, er niet noodzakelijk sprake is van het indienen van een basisofferte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vrije varianten, indien deze overeenkomstig artikel 9 van dit ontwerp zijn toegestaan, moet de aanbestedende overheid beslissen welke zij niet in aanmerking neemt. De motivering terzake steunt niet op de regelmatigheid noch op de beoordeling van de gunningscriteria maar op andere wettige en concrete motieven : zo bijvoorbeeld indien de aangeboden vrije variante de aanbestedende overheid voor onaanvaardbare problemen zou stellen qua esthetische integratie in de omgeving, qua mobiliteit of ten aanzien van reeds bestaande infrastructuur enz terwijl deze elementen niet in de gunningscriteria werden opgenomen. De in aanmerking genomen vrije varianten worden in de unieke rangschikking opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid van paragraaf 2 handelt over het lot van de verplichte en vrije opties en behoeft geen commentaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid van paragraaf 2 verduidelijkt de keuze van de opdrachtnemer wanneer verscheidene inschrijvers verbeteringsvoorstellen hebben gedaan voor gegroepeerde percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw is dat de economisch voordeligste offerte niet louter bepaald wordt door de gegroepeerde percelen die het economisch voordeligste zijn, maar ook door het economisch voordeligste geheel van alle percelen. Deze bepaling dient er immers voor te zorgen dat de aanbestedende overheid de economisch meest voordelige combinatie kan kiezen, ongeacht of het om gegroepeerde of individuele percelen gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is de in artikel 99, § 3, vermelde commentaar over de loting mutatis mutandis van toepassing op de offerteaanvraag wanneer verscheidene offertes als gelijkwaardig worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere bepalingen van artikel 103 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 zijn niet opgenomen in dit artikel : - de bepalingen van het tweede en het derde lid betreffende de weging van de gunningscriteria of hun rangschikking in dalende volgorde van belang of hun gelijke waarde, die voortaan zijn opgenomen in artikel 25 van de wet; - de bepalingen van dezelfde leden waarin wordt voorzien in een uitzondering voor de vergoeding van de diensten op grond van wettelijke, reglementaire of bestuursrechterlijke bepalingen, die worden opgeheven, aangezien ze voortaan zonder voorwerp zijn. Zo bijvoorbeeld is de deontologische norm nr. 2 voor de architectenhonoraria vaststelde niet meer van toepassing; - de bepalingen van het vierde lid volgens dewelke rekening wordt gehouden met de verschillende varianten, wat voortaan voor een deel wordt behandeld in artikel 9 van het ontwerp; - de bepalingen van het zesde lid, die erin voorzien dat de aanbestedende overheid slechts in contact treedt met de inschrijvers indien zij de inhoud van hun offerte moeten preciseren of aanvullen, wat voortaan wordt behandeld in artikel 95, § 4. Afdeling 9. - Sluiting opdracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 101</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel stemt overeen met artikel 105 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat de sluiting van de opdracht niet onderhevig mag zijn aan enig voorbehoud, geldt vanzelfsprekend onverminderd de voorwaarden van de artikelen 32 en 37 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in het tweede lid van dit artikel vermelde verzendingswijzen in het kader van de betekening van de contractuele verbintenis, is de verzending per telegram of per telex geschrapt, aangezien deze middelen niet meer gebruikt worden. De telefax maakt deel uit van de elektronische middelen, maar de gelijktijdige vermelding van deze beide noties wordt behouden om elke discussie te vermijden Art. 102.Dit artikel herneemt hoofdzakelijk de tekst van artikel 106 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, die evenwel nader wordt verduidelijkt. Het is van toepassing bij aanbesteding. Het gaat nader in op het verstrijken van de geldigheidstermijn van de offertes.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval kan de aanbestedende overheid hetzij de gunningsprocedure stopzetten, hetzij de procedure herbeginnen, in toepassing van artikel 35 van de wet. De aanbestedende overheid kan eveneens beslissen artikel 35 van de wet in dit stadium niet toe te passen, en de procedure voort te zetten op grond van het onderhavig artikel 102. Dit doet evenwel geen afbreuk aan de mogelijkheid om het voormeld artikel 35 toe te passen in een later stadium van de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de geldigheidstermijn van de offertes is verstreken, kan de aanbestedende overheid de inschrijver die de laagste offerte heeft ingediend, schriftelijk vragen of hij instemt met het behoud ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als laatstgenoemde daarmee schriftelijk en zonder voorbehoud instemt, gaat de aanbestedende overheid over tot de gunning en vervolgens tot de sluiting van de opdracht. De notie voorbehoud « zonder voorbehoud » betekent dat elke wijziging van de offerte is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze inschrijver slechts instemt met het behoud van zijn offerte mits hij een prijstoeslag krijgt die hij verantwoordt op grond van omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan - verantwoording die de aanbestedende overheid dient te verifiëren - wordt de opdracht aan hem gegund voor zover zijn offerte de laagste blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid, dat gedeeltelijk overeenstemt met het derde lid van het voormeld artikel 106, is verduidelijkt. Het is van toepassing in de volgende gevallen : - de inschrijver stemt niet in met het behoud van zijn offerte. In dat geval zet hij zich definitief buiten spel; - hij stemt daarmee slechts in mits hij een niet verantwoorde prijstoeslag krijgt; - hij stemt daarmee slechts in mits een verantwoorde prijstoeslag die tot gevolg heeft dat zijn offerte niet meer de laagste is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze gevallen kan de aanbestedende overheid, zoals in het koninklijk besluit van 10 januari 1996 : - hetzij zich achtereenvolgens, volgens de rangschikking, richten tot de andere regelmatige inschrijvers, en hierbij op dezelfde wijze te werk gaan als voor de inschrijver die oorspronkelijk de laagste offerte had ingediend; - hetzij alle andere regelmatige inschrijvers vragen om hun offerteprijs te herzien. De nieuwe prijzen die deze inschrijvers eventueel hebben ingediend, moeten niet worden verantwoord op grond van omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan. Bovendien, en dit vormt een nieuw element, participeert de inschrijver die oorspronkelijk de laagste regelmatige offerte had ingediend en die zijn offerte heeft behouden mits prijstoeslag, eveneens aan deze nieuwe ronde, zij het enkel met de door hem initieel gevraagde prijstoeslag, ongeacht of deze verantwoord was of niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvankelijke keuze tussen beide hypotheses valt geval per geval te motiveren door de aanbestedende overheid, in functie van de eigenheden van elk dossier. De eerste oplossing is met name aangewezen wanneer de prijzen van de eerste en de tweede gerangschikte inschrijver zeer dicht bij elkaar liggen. Wanneer hun prijzen verder uit elkaar liggen, zal het eerder aangewezen zijn te kiezen voor de tweede oplossing teneinde op die manier alle inschrijvers opnieuw in concurrentie te brengen. De initiële keuze voor de eerste hypothese verhindert de aanbestedende overheid niet om, zodra aangewezen, over te gaan naar de tweede.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal bepalingen van het ontwerp zijn toepasselijk wanneer de aanbestedende overheid ervoor kiest om aan alle andere regelmatige inschrijvers te vragen hun offerteprijs te herzien. Het gaat immers opnieuw om een nieuw stadium in de procedure waarvoor eveneens in de noodzakelijke transparantie moet worden voorzien. Art. 103.Dit artikel behandelt het verstrijken van de geldigheidstermijn van de offertes bij offerteaanvraag. Het neemt hoofdzakelijk de tekst over van artikel 107 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, die evenwel in dezelfde zin als het vorige artikel wordt verduidelijkt. Er wordt dus mutatis mutandis verwezen naar de toelichting bij artikel 102. HOOFDSTUK 7. - Gunning bij onderhandelingsprocedure Afdeling 1. - Specifieke drempels</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 104</span><span class=\"lf-art-t\">De paragrafen 1 en 2 van dit artikel bevatten een aangepaste versie van bepalingen van artikel 108 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 legt de diverse bedragen vast die niet mogen worden overschreden voor de opdrachten gegund in sommige gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. De bedragen vermeld in paragraaf 1 hebben geen betrekking op een geraamd bedrag maar op de goed te keuren uitgave voor de betrokken opdracht op het ogenblik van de gunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens paragraaf 1 is de Europese drempel, vandaag 400.000 euro, toepasselijk op : - de financiële diensten; - de diensten voor onderzoek en ontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze specifieke categorieën van diensten wordt het tussenbedrag van 270.000 euro, zoals vermeld in het koninklijk besluit van 10 januari 1996, immers niet overgenomen omdat het verschil met de Europese drempel niet meer relevant blijkt te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van 400.000 euro is ook toepasselijk op alle diensten opgenomen in bijlage II, B, van de wet en niet meer alleen op de juridische diensten. e reden hiervoor is dat op al deze diensten in de Richtlijn een soepeler stelsel van toepassing is en het bovendien soms moeilijk is om een werkelijke mededinging te organiseren via een bekendmaking gezien de specifieke kenmerken van sommige prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 2° voorziet in een bedrag van 170.000 euro voor de opdrachten voor werken en leveringen. Dit bedrag geldt ook voor de opdrachten voor diensten voor zover 1° niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 3° behandelt de gunning via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking van percelen van een opdracht voor werken, leveringen of diensten indien het geraamde opdrachtbedrag het Europese drempelbedrag vermeld in artikel 32 niet overschrijdt, elk perceel niet hoger is dan 60.000 euro en het samengevoegde bedrag van de aldus via onderhandelingsprocedure gegunde percelen niet hoger is dan twintig percent van het geraamde opdrachtbedrag. Deze bepaling is geïnspireerd op de voorschriften vervat in artikel 33 van dit ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze was vroeger enkel van toepassing op de opdrachten voor werken en diensten. Het is de bedoeling een zekere soepelheid in te bouwen dankzij de gunning van deze percelen met een beperkte waarde via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Deze regeling bevordert daarenboven de deelname aan de overheidsopdrachten door kleine en middelgrote ondernemingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de bepaling onder 4° mag het goed te keuren bedrag van de opdrachten toegewezen met een aanvaarde factuur niet hoger zijn dan 17.000 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noteer dat de goed te keuren uitgave lager moet zijn dan de hierboven vermelde bedragen, terwijl deze bedragen in de huidige reglementering mogen worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij moet worden opgemerkt dat voor de opdrachten waarvan het geraamde bedrag de Europese drempel niet bereikt en voor de opdrachten voor diensten opgenomen in bijlage II, B, van de wet, ongeacht het bedrag, de nieuwe vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking kan worden gebruikt, zonder dat er hiertoe een verplichting bestaat. Dat wil zeggen dat ook steeds de onderhandelingsprocedure in twee stappen kan worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de coherentie, bepaalt paragraaf 2, dat deze bedragen worden geraamd volgens de voorschriften vervat in de artikelen 24 tot 28 van het ontwerp. Noteer hierbij dat de goed te keuren uitgave dient te worden beoordeeld op het ogenblik van de gunning van de opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de eventuele toepassing van een prijsherzieningsformule of een wijziging aan de opdracht nadien tot een hogere uitgave zal leiden, blijft daarbij vanzelfsprekend buiten beschouwing. Afdeling 2. - Verloop en sluiting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 105</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel bevat in zijn eerste paragraaf een aangepaste versie van artikel 122, vierde en vijfde lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid neemt de bepalingen over die niet toepasselijk zijn op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat in de eerste plaats om de artikelen 5, 56, 57, 59 en 62 van het ontwerp. De artikelen 5 en 56 bevatten de na te leven voorschriften wanneer elektronische middelen worden gebruikt. Het is immers de bedoeling om, in het kader van deze niet-geformaliseerde procedure, het gebruik toe te staan van de meest soepele communicatiemiddelen, met name e-mail en telefax. Artikel 57 bevat modaliteiten voor de indiening van de aanvragen tot deelneming en de offertes waarvan de strikte toepassing niet vereist is bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Hetzelfde geldt voor artikel 59 omvattende het principe dat slechts één aanvraag tot deelneming en één offerte mag worden ingediend. Met het oog op het vermijden van elk overdreven formalisme, wordt eveneens hoofdstuk 5 uitgesloten dat betrekking heeft op het toegangsrecht en de kwalitatieve selectie, met uitzondering evenwel van de artikelen 66, § § 1 en 2, 5°, en 67. Artikel 66, § 1, handelt over de uitsluitingsgevallen die conform artikel 20, tweede lid, van de wet van toepassing zijn in alle gunningsprocedures. De toepassing van de artikelen 66, § 2, 5° en 67 komt neer op het behoud van de regeling van het koninklijk besluit van 10 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 voorziet in de niet-toepasselijkheid van artikel 62 inzake de verbintenistermijn op de opdrachten gegund via onderhandelingsprocedure met bekendmaking, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard is de hoofdstuk 5 niet toepasselijk op de onderhandelingsprocedure vermits deze enkel andere procedures beoogt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenwel kunnen een aantal bepalingen van hoofdstuk 8 toepassing vinden op deze procedure (promotieopdracht, elektronische veiling, raamovereenkomst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet worden opgemerkt dat de aanbestedende overheid in het kader van een onderhandelingsprocedure in principe onderhandelt. Het gaat om een regel van goed management. In sommige gevallen zal een onderhandelingsfase evenwel niet nuttig zijn, bijvoorbeeld wanneer de ingediende offertes aan de behoeften beantwoorden en van bij de aanvang voldoende interessant blijken vanuit het standpunt van de aanbestedende overheid, rekening houdende met de specifieke vereisten en de in het geding zijnde belangen. Art. 106.Het eerste lid van dit artikel voorziet de verplichting van de weging in wanneer er meerdere gunningscriteria zijn voor de opdrachten gegund bij onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking die de in artikel 32 vermelde Europese drempel bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij overeenstemt met artikel 110bis van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. In dit verband wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 25 van de memorie van toelichting van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid vermeldt daarop twee uitzonderingen. De eerste betreft de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage II, B, van de wet. De tweede betreft de diverse gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking waarin slechts één aannemer, leverancier of dienstverlener kan worden geraadpleegd, waardoor de weging in die gevallen geen zin heeft. Art. 107.Paragraaf 1 van dit artikel stemt overeen met artikel 109 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996. Volgens dit artikel moet de aanbestedende overheid, indien het geraamde bedrag de Europese drempels bereikt en er meerdere concurrenten geraadpleegd worden bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, hen schriftelijk en gelijktijdig uitnodigen om een offerte in te dienen. Deze schriftelijke uitnodiging bevat de in dit artikel vermelde gegevens en inlichtingen. De bepaling onder 4° betreffende de vermelding van een of meer gunningscriteria verwijst naar de mogelijke gevallen wanneer diverse gunningscriteria zijn bepaald. Conform artikel 106, is de vermelding van een weging de algemene regel, voorzover de raadpleging van meerdere concurrenten mogelijk is. Indien een weging onmogelijk is, moet een dalende volgorde van belangrijkheid worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet de bedoeling de aanbestedende overheden de mogelijkheid te ontnemen om te onderhandelen over de voorwaarden van de opdracht maar wel voor voldoende transparantie te zorgen. Daartoe dienen zij opdrachtdocumenten op te stellen en de nodige inlichtingen te verstrekken zodat de gekozen concurrenten een offerte kunnen indienen met kennis van zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens paragraaf 2 is de vorige paragraaf niet toepasselijk op de opdrachten voor diensten als bedoeld in bijlage II, B, van de wet. Art. 108.Dit artikel is een nieuwe bepaling volgens dewelke de onderhandelingen over de ingediende offertes tot doel hebben de beste offerte te kiezen vanuit het oogpunt van de aanbestedende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij moet worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot wat bepaald is in artikel 30, 2, van Richtlijn 2004/18/EG, Richtlijn 2004/17/EG, die toepasselijk is in de hier bedoelde sectoren, de mogelijkheid om over de voorwaarden van de opdracht te onderhandelen niet beperkt tot de inhoud van de offertes bij een onderhandelingsprocedure met bekendmaking waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is. Zelfs in dat geval kunnen de vooraf bepaalde voorwaarden van de opdracht in de loop van de onderhandelingen worden aangepast overeenkomstig de beginselen vermeld in artikel 5 van de wet. Art. 109.Dit artikel is hoofdzakelijk gebaseerd op die van artikel 110, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, betreffende de wijzen van sluiting van een opdracht gegund bij onderhandelingsprocedure. De briefwisseling volgens handelsgebruiken is niet langer beperkt tot de opdrachten met een geraamd bedrag beneden de Europese drempel. De enige wijziging in de tekst vloeit voort uit het feit dat men een onderscheid heeft willen maken tussen, enerzijds, de toewijzingsvormen van de opdrachten en, anderzijds, de wijze van totstandkoming van de opdracht met een aanvaarde factuur. HOOFDSTUK 8. - Specifieke en aanvullende opdrachten en procedures Afdeling 1. - Promotieopdracht van werken Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen De artikelen 110 tot 119 zijn gewijd aan de promotieopdrachten van werken. In dit verband wordt ook verwezen naar de commentaar bij de artikelen 3, 11°, en 28 in de memorie van toelichting van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het koninklijk besluit van 10 januari 1996 behandelt de promotieopdrachten voor werken enkel in de artikelen 18 en 19. Het leek logischer in dit ontwerp de vergelijkbare bepalingen samen te voegen met de bepalingen uit het koninklijk besluit van 26 september 1996 die eerder betrekking hebben op de gunningsfase dan op de uitvoering van de opdracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel stemt grotendeels overeen met artikel 18 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 en beschrijft de diverse vormen die een promotie kan aannemen, al dan niet met inbegrip van de overdracht van zakelijke rechten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 111</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een nieuwe bepaling die het geval beoogt waarbij een bestaand bouwwerk wordt gehuurd door een aanbestedende overheid en de verhuurder door de huurder belast werd met de uitvoering van werken aan dit bouwwerk met het oog op, hetzij, de inrichtingswerken ervan of zijn behoud in goede staat, hetzij de beperkte specifieke herinrichting ervan. De door de verhuurder aan een derde gegunde werken dienen niet als een overheidsopdracht voor werken, noch als een promotieopdracht van werken te worden beschouwd in de drie volgende gevallen : - de inrichtingswerken aan het bouwwerk waarmee de verhuurder volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek is belast en die bijvoorbeeld betrekking hebben op het herschilderen van kantoren, het vernieuwen van de vloerbekleding ervan, de aanpassingswerken om te voldoen aan de brandveiligheidsnormen, de saneringswerken inzake asbest, (de zogenaamde « gestandaardiseerde herinrichtingswerken ») - de grote herstellingen aan het bouwwerk die niet voldoen aan de vastgestelde behoeften van de aanbestedende overheid, ongeacht of deze zich in het begin of op het einde van de huur voordoen; - de specifieke herinrichting die voldoet aan de vastgestelde behoeften van de aanbestedende overheid, maar bijkomstige kosten veroorzaakt in vergelijking met de huurprijs (bijvoorbeeld : een alarminstallatie, een specifiek loket, een bijkomende bekabeling voor de informatica, ...). Deze werken moeten, over de hele huurperiode, lager zijn dan vijf procent van de totale huurwaarde zonder indexering. Deze uitgave kan naar keuze worden uitgevoerd tijdens een bepaalde huurjaar of tijdens meerdere jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de werken rechtstreeks worden opgedragen door de aanbestedende overheid, zonder de tussenkomst van de verhuurder, is de reglementering overheidsopdrachten daarentegen hierop van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gepreciseerd dat de bepaling niet van toepassing is wanneer de verhuurder zelf een aanbestedende overheid is. In die hypothese zal de gunning van de werken immers in ieder geval een overheidsopdracht uitmaken. Art. 112.Dit artikel bevat een vereenvoudigde versie van de bepalingen van artikel 19 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996, betreffende het toegangsrecht en de kwalitatieve selectie. Dit omvat eveneens de naleving van de eisen inzake de erkenning van aannemers van werken. Daartoe zal de promotor eventueel een beroep kunnen doen op artikel 72 betreffende de draagkracht van andere entiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Opdrachtdocumenten Art. 113.Dit artikel stemt overeen met artikel 11 van het koninklijk besluit van 26 september 1996. Het bepaalt welke gegevens de opdrachtdocumenten minstens moeten bevatten. Art. 114.Dit artikel herneemt de bepalingen van artikel 12, eerste en derde lid, van het koninklijk besluit van 26 september 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid vermeldt dat wanneer de aanbestedende overheid, eigenaar zijnde van het bouwterrein, een recht van opstal afstaat, de promotor niet de rechten geniet als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 januari 1824Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000362 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van opstal sluiten op het recht van opstal. Dit betekent dat de promotor de gebouwen en andere bouwwerken niet mag afbreken en evenmin de aanplantingen mag vernielen of rooien. Deze bepaling dient ervoor te zorgen dat de gebouwen, bouwwerken en aanplantingen, bij het verstrijken van het recht van opstal, met toepassing van het natrekkingsrecht, eigendom worden van de aanbestedende overheid zonder dat deze laatste gehouden is tot enige andere formaliteit, noch tot enige andere betaling dan die waarin eventueel is voorzien in de opdrachtdocumenten conform artikel 118, tweede lid. Art. 115.Dit artikel stemt overeen met artikel 13, § § 1 en 2, van het koninklijk besluit van 26 september 1996 en bepaalt de voorwaarden voor de eventuele eigendomsoverdracht en voor de toekenning van zakelijke rechten op de terreinen waarop het bouwwerk zal worden opgericht. Art. 116.Dit artikel stemt overeen met artikel 14, eerste lid, van het koninklijk besluit van 26 september 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalt welke gegevens de opdrachtdocumenten moeten bevatten wanneer de aanbestedende overheid, die eigenaar of erfpachter is van de bouwgrond, die ter beschikking stelt van de promotor met het oog op de oprichting van een bouwwerk dat aan derden zal worden verkocht of verhuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enerzijds dienen de voorwaarden voor de verkoop of verhuring, en in het bijzonder de verkoop- of verhuurprijzen, te worden bepaald teneinde de rechten van deze derden te vrijwaren. Anderzijds zal de aanbestedende overheid de betrokken derden moeten omschrijven, hetzij door de voorwaarden te bepalen waaraan ze moeten voldoen (bijvoorbeeld geen inkomsten genieten die een bepaald maximumbedrag overschrijden, in het kader van sociale woningen), hetzij door zich het recht voor te behouden om de promotor, binnen een bepaalde termijn, de namen van de kopers of huurders mede te delen. Art. 117.Dit artikel herneemt in een vereenvoudigde vorm artikel 15, eerste lid, van het koninklijk besluit van 26 september 1996. In 4° wordt evenwel verduidelijkt dat in geval van verwerving vanaf de terbeschikkingstelling van het bouwwerk, de betaling voortaan in één keer kan worden gestort. Art. 118.Dit artikel stemt overeen met artikel 16 van het koninklijk besluit van 26 september 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het heeft tot doel te vermijden dat de promotor, in het kader van een eigendomsoverdracht, zakelijke rechten op het bouwwerk en, in voorkomend geval, op de bouwgrond, zou afstaan aan derden zonder het schriftelijk en voorafgaand akkoord van de aanbestedende overheid. De aanbestedende overheid zal immers in het bijzonder toezien op de naleving van de contractuele bepaling volgens dewelke zij de eigendom van deze goederen verwerft, vrij van alle rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepalingen doen geen afbreuk aan de wettelijke bepalingen betreffende de voorrechten en de wettelijke hypotheken. De aanbestedende overheid heeft evenwel het volste recht van de promotor te eisen dat het betrokken goed, bij de sluiting van de opdracht, niet bezwaard is met een voorrecht, noch met een conventionele hypotheek en geen overeenkomst te sluiten indien deze voorwaarde niet is vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze kan de promotor eveneens verbieden een conventionele hypotheek of erfdienstbaarheid toe te staan zonder haar voorafgaand akkoord en laatstgenoemde sancties opleggen indien hij deze verbintenis niet nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van artikel 118 zijn zowel van toepassing in het kader van een eigendomsoverdracht op termijn als in geval van een aankoopoptie. Art. 119.Dit artikel stemt overeen met artikel 17, eerste lid, van het koninklijk besluit van 26 september 1996 en betreft de mogelijkheid om in de opdrachtdocumenten te voorzien in de beëindiging van rechtswege ingeval van volledige of gedeeltelijke vernieling van het bouwwerk. Afdeling 2. - Dynamisch aankoopsysteem</p></div>", "next": 239784}