{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Afdeling 2. - De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau Art. VIII 52. De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau worden georganiseerd voor bevordering door overgang naar graden van rang D1, C1, B1 en A1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 53. Het vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau staat open : 1° voor bevordering tot een graad van rang A1 : a) voor alle ambtenaren van niveau C van de diensten van de Vlaamse regering die ten minste vier jaar anciënniteit tellen in dat niveau;b) voor alle ambtenaren van niveau B van de diensten van de Vlaamse regering die ten minste drie jaar anciënniteit tellen in dat niveau;2° voor bevordering tot een graad van B1, voor de ambtenaren van niveau C van de diensten van de Vlaamse regering die in het bezit zijn van het vereiste diploma;3° voor bevordering tot een graad van rang C1, voor alle ambtenaren van niveau D van de diensten van de Vlaamse regering die ten minste twee jaar anciënniteit tellen in dat niveau;4° voor bevordering tot een graad van rang D1, voor alle ambtenaren van de diensten van de Vlaamse regering van niveau E. Art. VIII 54. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de datum waarop aan de deelnemingsvoorwaarden moet worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 55. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau A omvatten de volgende gedeelten : 1° een eerste gedeelte dat schriftelijk wordt afgenomen en dat bestaat uit het samenvatten en het commentariëren van een tekst.Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor het eerste gedeelte worden tot het tweede gedeelte toegelaten; 2° een tweede gedeelte dat bestaat uit een ondervraging over vier door de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken vast te stellen vakken;3° een derde gedeelte dat bestaat uit een praktische oefening, namelijk een schriftelijk verslag en een interview over een aangelegenheid die verband houdt met de functie. Alleen de kandidaten die voor de vier vakken zijn geslaagd, worden tot de praktische oefening toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 56. § 1. Om te slagen voor het eerste gedeelte van een vergelijkend examen voor overgang naar een graad van rang A1 moet de kandidaat ten minste 60 % van de punten behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kandidaat die geslaagd is voor het eerste gedeelte geniet het voordeel van de bepalingen van artikel VIII 50. § 2. Om te slagen voor het tweede gedeelte van het in § 1 vermelde examen moet de kandidaat voor elk van de vier vakken ten minste 50 % van de punten behalen en 60 % over het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kandidaat die geslaagd is voor het tweede gedeelte van dit examen wordt op zijn aanvraag van dit gedeelte vrijgesteld voor de volgende examens in dezelfde graad waaraan hij deelneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kandidaat die geen 60 % van de punten over het geheel behaalt, wordt voor de volgende drie examens in dezelfde graad waaraan hij deelneemt vrijgesteld van de vakken waarvoor hij ten minste 65 % van de punten heeft behaald. § 3. De kandidaat die geslaagd is voor het tweede gedeelte van het examen wordt tot de praktische oefening toegelaten waarvoor hij eveneens ten minste 60 % van de punten moet behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geslaagden worden gerangschikt volgens de voor de praktische oefening behaalde punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 57. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau B en C bestaan uit twee examengedeelten, namelijk een algemeen examen en een bijzonder examen. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor het algemeen gedeelte worden tot het bijzondere gedeelte toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het algemene gedeelte bestaat uit het samenvatten en commentariëren van een tekst, of uit het opstellen van een verslag over een aangelegenheid die verband houdt met de functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bijzondere gedeelte heeft tot doel te toetsen : hetzij de algemene vorming van de kandidaat, hetzij zijn kennis van bepaalde vakken, hetzij de vaardigheden vereist voor het uitoefenen van de functie, hetzij verschillende van deze elementen samen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 58. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau D bestaan uit één ondervraging. De programma's zijn hoofdzakelijk afgestemd op de aard van de te verlenen graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de technische of gespecialiseerde betrekkingen kan het examen nochtans uit meer dan één gedeelte bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 59. De geslaagden worden gerangschikt volgens de behaalde punten. Ingeval het examen is opgesplitst, worden zij gerangschikt volgens de punten behaald in de bijzondere gedeelten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3. - De vergelijkende examens voor verhoging in graad Art. VIII 60. § 1. Aan een vergelijkend examen voor verhoging in graad mag de ambtenaar deelnemen van de onmiddellijk lagere rang met ten minste twee jaar graadanciënniteit. § 2. De vergelijkende examens voor verhoging in graad bestaan uit een ondervraging over administratieve of technische kennis overeenstemmend met de te verlenen graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 3. - De vergelijkende bekwaamheidsproef Art. VIII 61. § 1. Voor de organisatie van de vergelijkende bekwaamheidsproef bedoeld in artikel VIII 41, § 1 en van de vergelijkende bekwaamheidsproeven bedoeld in artikel VIII 76, § 3 worden in de diensten van de Vlaamse regering één of meer commissies opgericht die belast zijn met de organisatie van de bekwaamheidsproeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken regelt de organisatie van de proef, stelt het programma vast na overleg met de instellingen en bepaalt de samenstelling van de commissies. § 2. De proef heeft betrekking op de theoretische en/of praktische kennis, evenals op de bekwaamheden en geschiktheden, vereist voor de uitoefening van de functie. § 3. De geslaagde voor één van de vergelijkende bekwaamheidsproeven bedoeld in § 1, eerste lid behoudt onbeperkt het voordeel van zijn uitslag tenzij de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken de geldigheidsduur ervan beperkt. De kortere geldigheidsduur wordt opgenomen in het examenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 4. - De hiërarchische bevordering Afdeling 1. - Bevoegde overheid en procedurevoorschriften Art. VIII 62. De bevordering tot een graad van rang A2 vindt plaats door de Vlaamse regering op voorstel van de functioneel bevoegde Vlaamse minister en na gemotiveerd voorstel van de directieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 63. De bevordering tot een graad van rang A1 wordt toegekend door het instellingshoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 64. § 1. De bevordering tot een graad ingedeeld in de niveaus B, C en D wordt toegekend door het instellingshoofd. § 2. Vóór de bevordering door verhoging in graad binnen deze niveaus doet de directieraad een gemotiveerd voorstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 65. § 1 Van de voorstellen van de directieraad wordt kennis gegeven aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld. § 2. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien kalenderdagen na de kennisgeving bezwaar indienen bij de directieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij wordt, op zijn verzoek, door de directieraad gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2. - Bevordering door overgang naar een ander niveau Art. VIII 66. § 1. De geslaagden worden in de volgorde van hun rangschikking bevorderd tot de graad waarnaar zij hebben meegedongen en worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. § 2. Wanneer de geslaagden van verschillende examens kandidaat zijn voor dezelfde bevordering, worden zij gerangschikt volgens de datum van de processen-verbaal van afsluiting van de vergelijkende examens, vanaf het eerst afgesloten proces-verbaal, en, voor elk vergelijkend examen, in de volgorde van hun rangschikking. § 3. De dienstaanwijzing van de geslaagden die voor bevordering in aanmerking komen vindt plaats binnen de perken van de vacatures en van het vergelijkend karakter van het examen op basis van de functiebeschrijving en het profiel van de geslaagde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3. - Bevordering door verhoging in graad Onderafdeling 1. - Specifieke bepalingen betreffende het wetenschappelijk personeel I. Voorwaarden van bevordering Art. VIII 67. Tot een graad van wetenschappelijk directeur kan worden bevorderd de ambtenaar met een graad van rang A1 die de tweede salarisschaal in de basis functionele loopbaan van deze rang heeft bereikt en ten minste zes jaar graadanciënniteit telt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij dient bovendien te slagen voor een proef waarbij wordt nagegaan of de kandidaat over voldoende leidinggevende capaciteiten voor de functie van afdelingshoofd beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Volgorde van de bevorderingen Art. VIII 68. § 1. De bevordering door verhoging in graad wordt verleend aan de voor een bepaalde betrekking meest geschikte kandidaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze geschiktheid wordt vastgesteld aan de hand van het profiel van de kandidaat rekening houdend met de profielvereisten en met de functiebeschrijving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in aanmerking komende kandidaten worden onderling vergeleken onder meer op basis van hun functioneringsevaluatie en kandidaatstelling. § 2. De directieraad draagt de in aanmerking komende kandidaten via een gemotiveerd voorstel in orde van hun geschiktheid aan de benoemende overheid voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benoemende overheid benoemt uit de door de directieraad voorgedragen kandidaten of benoemt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Specifieke bepalingen betreffende het niet-wetenschappelijk personeel I. Volgorde van de bevorderingen met examen of bekwaamheidsproef Art. VIII 69. De bevordering door verhoging in graad in eenzelfde niveau waarvoor een examen of bekwaamheidsproef is voorgeschreven, wordt verleend in deze volgorde : 1° aan de geslaagde voor het vereiste examen of bekwaamheidsproef waarvan het proces-verbaal het eerst werd afgesloten;2° onder de geslaagden voor een zelfde examen of bekwaamheidsproef, in volgorde van de uitslag. De dienstaanwijzing van de geslaagden die voor bevordering in aanmerking komen vindt plaats binnen de perken van de vacatures en van het vergelijkend karakter van het examen of de proef op basis van de functiebeschrijving en het profiel van de geslaagde.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Volgorde van de bevorderingen zonder examen Art. VIII 70. De bevordering door verhoging in graad binnen alle niveaus, waarvoor geen examen is voorgeschreven, wordt verleend aan de voor een bepaalde betrekking meest geschikte kandidaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze geschiktheid wordt vastgesteld aan de hand van het profiel van de kandidaat rekening houdend met de profielvereisten en met de functiebeschrijving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in aanmerking komende kandidaten worden onderling vergeleken onder meer op basis van hun functioneringsevaluatie en kandidaatstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directieraad draagt de in aanmerking komende kandidaten via een gemotiveerd voorstel in orde van hun geschiktheid aan de benoemende overheid voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benoemende overheid benoemt uit de door de directieraad voorgedragen kandidaten of benoemt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">III. Voorwaarden van bevordering Art. VIII 71. Tot een graad van rang A2 kan worden bevorderd de ambtenaar met een graad van rang A1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft en ten minste zes jaar graadanciënniteit telt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij dient bovendien te slagen voor een proef waarbij zal worden nagegaan of de kandidaat over voldoende leidinggevende capaciteiten voor de functie van afdelingshoofd beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarde van het bereiken van de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan gesteld in het eerste lid, geldt niet voor de graden waaraan slechts één salarisschaal gekoppeld is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 72. Tot een graad van rang B2 kan worden bevorderd de ambtenaar met een graad van rang B1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 73. Tot een graad van rang C2 kan worden bevorderd de ambtenaar met een graad van rang C1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 74. Tot een graad van rang D2 kan worden bevorderd de ambtenaar met een graad van rang D1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">IV. Quota voor bevordering Art. VIII 75. § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rang B2 omvat 20 % van het aantal betrekkingen van niveau B. Rang C2 omvat 20 % van het aantal betrekkingen van niveau C. Rang D2 omvat 36 % van het aantal betrekkingen van niveau D. Indien het resultaat geen geheel getal uitmaakt wordt het afgerond naar de naasthogere eenheid. § 2. Op basis van de functionele organisatie van de diensten kan van de percentages vastgesteld in § 1 afgeweken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 5. - De functionele loopbaan van de ambtenaar Art. VIII 76. § 1. De functionele loopbaan bestaat in de opeenvolgende toekenning aan een ambtenaar van een steeds hogere salarisschaal binnen een zelfde rang op basis van schaalanciënniteit en zonder wijziging van graadbenaming. § 2. De schaalanciënniteit wordt jaarlijks opgebouwd op basis van de functioneringsevaluatie : 1° hetzij met normale snelheid, waarbij de in aanmerking komende diensten gelijk zijn aan de werkelijke diensten;2° hetzij versneld, waarbij de in aanmerking komende diensten gelijk zijn aan tweemaal de werkelijke diensten;3° hetzij vertraagd, waarbij de in aanmerking komende diensten a) gelijk zijn aan de helft van de werkelijke diensten;b) vervallen indien de functioneringsevaluatie met \"onvoldoende\" besloten wordt. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toekenning van de hogere salarisschaal in de functionele loopbaan of van een andere functie kan afhankelijk worden gesteld van het behalen van brevetten of getuigschriften, dan wel van het slagen voor een vergelijkende bekwaamheidsproef zoals bepaald in de functiebeschrijving. § 4. In afwijking van § 2 kan de ambtenaar 1° a) met verlof voor opdracht b) met militaire dienst of burgerdienst c) met vakbondsverlof als vaste afgevaardigde, zijn schaalanciënniteit enkel met een normale snelheid opbouwen. 2° a) met verlof voor loopbaanonderbreking b) met voltijds politiek verlof c) tijdens een periode van tuchtschorsing bedoeld in artikel IX 7 d) tijdens de periode van verlof voor verminderde prestaties gelijkgesteld met non-activiteit bedoeld in artikel XI 40, § 2 geen schaalanciënniteit opbouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 77. De beslissing tot loopbaanversnelling of loopbaanvertraging wordt genomen vóór 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar bedoeld in artikel VIII 15; zij heeft uitwerking op 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar en heeft effect op de daaropvolgende twaalf maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar voor wie de directieraad geen beslissing tot loopbaanvertraging noch tot loopbaanversnelling heeft genomen, bouwt de schaalanciënniteit op met normale snelheid, en dit voor dezelfde periode als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die meent dat zijn evaluatie loopbaanvertraging tot gevolg kan hebben, wordt door de directieraad op zijn vraag gehoord voor deze een beslissing neemt over de loopbaanversnelling of de loopbaanvertraging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de directieraad tot vertraagde opbouw van de schaalanciënniteit wordt gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van 1 juli tot 30 juni telt elke maand overeenkomstig de beslissing van het eerste lid, voor één maand, twee maanden, een halve maand of nul maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar tussen 1 juli en 30 juni overgaat naar een volgende salarisschaal in de functionele loopbaan of naar een hogere hiërarchische graad, verkrijgt hij in zijn nieuwe salarisschaal of graad de normale loopbaansnelheid voor de resterende periode tot 30 juni.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 78. § 1. Er wordt een functionele loopbaan ingesteld binnen de hierna vermelde rangen voor overgang tussen de daaronder opgesomde salarisschalen en na het aantal jaren schaalanciënniteit dat ernaast vermeld wordt. - voor het wetenschappelijk personeel : 1° in rang A1 - basis functionele loopbaan a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 4 jaar van A 165 naar A 166 b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 6 jaar van A 166 naar A 167 - expert functionele loopbaan a) van de vierde naar de vijfde salarisschaal na 10 jaar van A 168 naar A 169 - voor het niet-wetenschappelijk personeel : 1° in rang A1 a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 6 jaar van A 111 naar A 112 b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 12 jaar van A 112 naar A 113 2° in rang A2 van de eerste naar de tweede salarisschaal na 10 jaar van A 211 naar A 212 3° in rang B1 a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 8 jaar van B 111 naar B 112 b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 10 jaar van B 112 naar B 113 4° in rang B2 van de eerste naar de tweede salarisschaal na 10 jaar van B 211 naar B 212 5° in rang C1 a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 8 jaar van C 111 naar C 112 C 121 C 122 b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 10 jaar van C 112 naar C 113 C 122 C 123 6° in rang C2 van de eerste naar de tweede salarisschaal na 10 jaar van C 211 naar C 212 C 221 C 222 7° in rang D1 van de eerste naar de tweede salarisschaal na 8 jaar van D 111 naar D 112 D 121 D 122 8° in rang D2 van de eerste naar de tweede salarisschaal na 10 jaar van D 211 naar D 212 D 221 D 222 9° in rang E1 a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 8 jaar van E 111 naar E 112 E 121 E 122 b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 10 jaar van E 112 naar E 113 E 122 E 123 § 2.In afwijking van § 1 start de ambtenaar van rang A1 van het wetenschappelijk personeel die houder is van het diploma van : - arts, - dierenarts, - burgerlijk ingenieur, - landbouwkundig ingenieur, - ingenieur in de scheikunde en de landbouwindustrieën, - bio-ingenieur, - apotheker, of van een doctoraat op proefschrift of van een diploma of certificaat dat, met toepassing van de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord, hiermee als gelijkwaardig wordt erkend, op de tweede trap van de functionele loopbaan, zijnde de salarisschaal A 166. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van § 1 wordt de ambtenaar van rang A1 van het wetenschappelijk personeel die tijdens zijn loopbaan in de instelling bovenvermeld doctoraat op proefschrift of bovenvermeld diploma of certificaat verwerft, op de eerste van de maand volgend op de toekenning van dit doctoraat, diploma of certificaat, bevorderd tot de tweede trap van de functionele loopbaan, zijnde de salarisschaal A 166. § 4. Het instellingshoofd kan in afwijking van het bepaalde in paragraaf 1, 1°, de ambtenaar van rang A1 van het wetenschappelijk personeel, titularis van de salarisschaal A 166, die houder is van een doctoraat op proefschrift of van een diploma of certificaat dat met toepassing van de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend, en die ten minste 4 jaar werkelijke prestaties in de instelling en 6 jaar functierelevante wetenschappelijke activiteit telt, bevorderen tot de derde trap van de functionele loopbaan, zijnde de salarisschaal A 167. § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel VIII 76, § 2, 2° kan op de anciënniteitsvoorwaarde van 10 jaar gesteld in artikel VIII 78, § 1, 2° geen versnelling toegepast worden voor de ambtenaar van rang A2 van het niet-wetenschappelijk personeel die afdelingshoofd is. Art. VIII 79. § 1. Het instellingshoofd kan na advies van de directieraad aan de ambtenaar van rang A1 van het wetenschappelijk personeel die 6 jaar werkelijke prestaties in de salarisschaal A 167 telt en die - hetzij houder is van een doctoraat op proefschrift of van een diploma of certificaat dat met toepassing van de de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend, - hetzij het bewijs levert dat hij in een tak van de wetenschap waarop het ambt betrekking heeft, uitzonderlijk wetenschappelijk werk heeft verricht dat met een doctoraat op proefschrift kan worden vergeleken, op basis van zijn functioneringsevaluatie de titel van wetenschappelijk attaché-expert en de salarisschaal A 168 toekennen. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzake de toepassing van paragraaf 1 voor de ambtenaar voor wie het uitzonderlijk wetenschappelijk werk in een tak van de wetenschap waarop het ambt betrekking heeft, moet worden vergeleken met een doctoraat op proefschrift, wordt het in de eerste paragraaf vermelde advies door de in artikel II 6 § 2 bedoelde directieraad verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 80. Het instellingshoofd kan na advies van de directieraad aan de ambtenaar van rang A2 van het wetenschappelijk personeel die onder hem ressorteert en tien jaar werkelijke prestaties in de salarisschaal A 265 telt, op basis van zijn functioneringsevaluatie de salarisschaal A 266 toekennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 81. Het instellingshoofd kan na advies van de directieraad aan een ambtenaar van rang A1 van het niet-wetenschappelijk personeel die vier jaar werkelijke prestaties in de salarisschaal A 113 telt, op basis van zijn functioneringsevaluatie de salarisschaal A 114 toekennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 82. Het instellingshoofd kan na advies van de directieraad aan de ambtenaar van rang A2 van het niet- wetenschappelijk personeel die onder hem ressorteert en vier jaar werkelijke prestaties in de salarisschaal A 212 telt, op basis van zijn functioneringsevaluatie de salarisschaal A 213 toekennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 83. § 1. Het instellingshoofd en het afdelingshoofd kunnen bovenop hun salaris per jaar een managementstoelage ontvangen tussen 0 en 20 % van deze salarisschaal wanneer zij de concrete korte-termijndoelstellingen die hun bij het begin van de evaluatieperiode waren opgelegd, hebben bereikt, en wanneer uit hun functioneringsevaluatie blijkt dat zij tijdens de evaluatieperiode beter hebben gepresteerd dan normaliter van die functie kon worden verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De managementstoelage wordt uitbetaald vóór 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse regering stelt per instelling jaarlijks het beschikbare bedrag voor de toekenning van de managementstoelage vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag mag nooit hoger zijn dan de helft van het bedrag dat verkregen wordt indien alle betrokkenen van de onderscheiden groepen de managementstoelage van 20 % zouden verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het percentage aan managementstoelage wordt bepaald door de Vlaamse regering voor het instellingshoofd en door de functioneel bevoegde Vlaamse minister na advies van het instellingshoofd voor het afdelingshoofd. § 2. De toekenning van een managementstoelage is mogelijk gedurende zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de invoering van deze toelage. Deze periode kan verlengd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 84. De Vlaamse regering stelt per instelling jaarlijks het beschikbare bedrag vast dat kan worden aangewend voor de versnelling van de ambtenaar in zijn functionele loopbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directieraad verdeelt op zijn beurt het beschikbare bedrag binnen zijn instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directieraad beslist over de versnelling en de vertraging van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 85. De hogere salarisschaal binnen de functionele loopbaan wordt toegekend door het instellingshoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 6. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de administratieve loopbaan Art. VIII 86. Onverminderd de bepalingen van dit besluit inzake rang en anciënniteit wordt in bijlage 5 bij dit besluit voor alle graden de wijze vastgesteld waarop deze graden worden toegekend met eventuele aanduiding van de aanvullende en bijzondere voorwaarden inzake beroepskwalificatie, alsmede voor elke bevorderingsgraad de lijst van graden die er toegang toe verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 7. - Functiewijziging Art. VIII 87. De Vlaamse regering kan aan het instellingshoofd en aan de ambtenaar van rang A2, en met zijn instemming, met behoud van de organieke salarisschaal, binnen de diensten van de Vlaamse regering een andere gelijkwaardige betrekking aanbieden al dan niet in de vorm van een opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 8. - Naamlijst Art. VIII 88. Jaarlijks en uiterlijk op 1 september worden per instelling naamlijsten van de ambtenaren gepubliceerd, ingedeeld per graad met vermelding van : - de universitaire of gelijkgestelde diploma's, wat de ambtenaar van niveau A betreft, of bij ontstentenis het hoogste diploma; - de diploma's van het hoger onderwijs van het korte type of gelijkgestelde diploma's en de hogere diploma's wat de ambtenaar van niveau B betreft, of bij ontstentenis het hoogste diploma; - de leeftijd; - de salarisschaal; - de graad-, niveau-, dienst- en schaalanciënniteit op 1 juli van dat jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 9. - Overgangsbepalingen HOOFDSTUK 1. - De functioneringsevaluatie Art. VIII 89. De ambtenaar behoudt voor de periode tussen de datum van inwerkingtreding van dit besluit en de datum van toekenning van de eerste functioneringsevaluatie bedoeld in artikel VIII 15, zijn beoordeling die hem gegeven werd krachtens het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en loopbaan. Voor deze periode wordt de beoordeling slecht, toegekend krachtens voormeld koninklijk besluit, gelijkgesteld met de functioneringsevaluatie onvoldoende vermeld in dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste functioneringsevaluatie wordt op het vastgestelde tijdstip eveneens toegekend aan de afwezige ambtenaar die zich in de administratieve toestand non-activiteit of disponibiliteit bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 90. § 1. De evaluatie over het eerste evaluatiejaar heeft plaats in juli en augustus 1997. Het beschrijvende evaluatieverslag dient uiterlijk op 15 september 1997 aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. De planning voor het nieuwe evaluatiejaar dient eveneens op dat tijdstip te zijn gefinaliseerd. » § 2. De evaluatie gaat ook door als tijdens de maanden juli en augustus 1997 : 1° de geëvalueerde niet beschikbaar is;2° de te horen ambtenaren of ministers bedoeld in de artikelen VIII 18 en VIII 19 niet bereikbaar zijn. HOOFDSTUK 2. - Anciënniteit en rangschikking Art. VIII 91. De anciënniteit die de ambtenaar van de instelling verworven heeft op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, krachtens een reglementaire bepaling die op hem van toepassing was, blijft behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 3. - De hiërarchische loopbaan van de ambtenaar Art. VIII 92. § 1. De ambtenaar die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit of na deze datum wat betreft de examens gestart vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit ooit werd vrijgesteld van een examengedeelte voor overgang naar een hoger niveau, behoudt deze vrijstelling voor de twee eerstvolgende vergelijkende examens voor overgang naar hetzelfde niveau waaraan hij deelneemt, en die starten na de datum van inwerkingtreding van dit besluit. § 2. De ambtenaar die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit of na deze datum wat betreft de examens opgestart vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit bij een vergelijkend examen voor overgang naar een graad van niveau 1 ten minste 60 % van de punten heeft behaald in één of meer van de vakken bedoeld in artikel VIII 55, wordt op zijn aanvraag van deze vakken vrijgesteld voor de twee eerstvolgende vergelijkende examens voor dezelfde graad waaraan hij deelneemt, en die starten na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 93. De geslaagde voor een aanwervingsexamen, een examen voor overgang naar het hoger niveau of een examen voor verhoging in graad dat toegang geeft tot rang 21 of 22 of voor een onderzoek naar de beroepsgeschiktheid voor verandering van graad in rang 21 of 22 en dat georganiseerd werd vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, behoudt zijn rechten op benoeming in de graad met dezelfde kwalificatie in niveau B. Art. VIII 94. De personeelsleden uit de loopbaan van correspondent der vorsing respectievelijk technicus der vorsing die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit in dienst waren van de instelling, en ingevolge artikel VIII 101 tweede lid ambtshalve benoemd zijn in de graad van medewerker of hoofdmedewerker respectievelijk technicus kunnen, mits zij slagen voor een bijzonder vergelijkend overgangsexamen waaraan zij tweemaal mogen deelnemen, benoemd worden in de graad van deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 95. De ambtenaar die tussen de inschalingsdatum en de datum van ondertekening van dit besluit bevorderd of benoemd werd, wordt met behoud van deze bevordering of benoeming ingeschakeld in de nieuwe loopbaanstructuur rekening houdend met zijn toestand respectievelijk op de inschalingsdatum en op de datum van zijn benoeming of bevordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 96. De wetenschappelijke personeelsleden van rang A1 die op 1 januari 1997 in dienst waren van de instelling en die uiterlijk op deze datum een gelijkstelling hebben bekomen voor het verrichten van een wetenschappelijk werk dat met een doctoraat op proefschrift kan worden vergeleken, kunnen tot de graad van wetenschappelijk directeur worden benoemd zonder in het bezit te zijn van het vereiste doctoraat op proefschrift of van het diploma of certificaat dat met toepassing van de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord als gelijkwaardig wordt erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 4. - De functionele loopbaan van de ambtenaar Art. VIII 97. De schaalanciënniteit van de ambtenaar begint naargelang het niveau waartoe hij behoort, ten vroegste op volgende data : niveau D en E : 1 januari 1993 niveau C : 1 juli 1993 niveau B : 1 januari 1994 niveau A : 1 juni 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 98. De ambtenaar die geslaagd is voor een examen voor verhoging in een graad of voor een onderzoek naar de beroepsgeschiktheid voor verandering van een graad die overeenkomstig dit besluit overeenstemt met een hogere salarisschaal dan de basissalarisschaal van een functionele loopbaan, en dat aangevraagd werd naargelang het niveau vóór de data bedoeld in artikel VIII 97, wordt op ten vroegste met ingang van die datum of met ingang van de eerste van de maand volgend op de datum van het proces-verbaal van het examen of het onderzoek naar de beroepsgeschiktheid indien dit later valt, ingeschakeld in de overeenstemmende salarisschaal van de functionele loopbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden geen anciënniteitsvoorwaarden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geslaagd zijn voor het examen of het onderzoek naar de beroepsgeschiktheid bedoeld in het eerste lid is de enige voorwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 99. § 1. Voor de periode tussen de in artikel VIII 97 bepaalde data waarop de schaalanciënniteit van de ambtenaar ten vroegste begint en de datum van inwerkingtreding van de functioneringsevaluatie bedoeld in artikel VIII 15 krijgt de ambtenaar met een graad uit een functionele loopbaan en ongeacht zijn beoordeling op de eerstvermelde data een schaalanciënniteit gelijk aan zijn werkelijke diensten voor die periode. § 2. Voor de periode tussen de datum van inwerkingtreding van de functioneringsevaluatie en 1 juli van het jaar waarop de eerste versnelde of vertraagde functioneringsevaluatie mogelijk is, krijgt de ambtenaar eveneens een schaalanciënniteit gelijk aan zijn werkelijke diensten voor die periode. § 3. Onverminderd artikel VIII 76, § 4 wordt de op de datum van inwerkingtreding van de functioneringsevaluatie tijdelijk uit de administratie afwezige ambtenaar die een rang heeft uit een functionele loopbaan, gelijkgesteld met een ambtenaar die een normaal verloop van de loopbaan kent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 100. De beslissing tot loopbaanversnelling of loopbaanvertraging wordt voor het eerste evaluatiejaar genomen vóór 1 januari 1998; zij heeft uitwerking op 1 januari 1998 en heeft effect op de daaropvolgende zes maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar voor wie de directieraad geen beslissing tot loopbaanvertraging noch tot loopbaanversnelling heeft genomen, bouwt de schaalanciënniteit op met normale snelheid, en dit voor dezelfde periode als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die meent dat zijn evaluatie loopbaanvertraging tot gevolg kan hebben, wordt door de directieraad op zijn vraag gehoord voor deze een beslissing neemt over de loopbaanversnelling of de loopbaanvertraging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de directieraad tot vertraagde opbouw van de schaalanciënniteit wordt gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van 1 januari tot 30 juni 1998 telt elke maand overeenkomstig de beslissing van het eerste lid, voor één maand, twee maanden, een halve maand of nul maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar tussen 1 januari en 30 juni 1998 overgaat naar een volgende salarisschaal in de functionele loopbaan of naar een hogere hiërarchische graad, verkrijgt hij in zijn nieuwe salarisschaal of graad de normale loopbaansnelheid voor de resterende periode tot 30 juni.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 101. § 1. De ambtenaar die ingeschakeld wordt op de in artikel VIII 97 vermelde data in een graad waaraan een functionele loopbaan verbonden is, heeft in de salarisschaal verbonden aan deze graad een schaalanciënniteit gelijk aan : 1° één derde van zijn graadanciënniteit in zijn oude graad of in de oude graden die op dezelfde trap van dezelfde functionele loopbaan ingeschakeld worden, voor de graadanciënniteit tussen 0 en 12 jaar en 2° twee derde van zijn graadanciënniteit berekend overeenkomstig 1° voor de graadanciënniteit boven de 12 jaar. In het resultaat van deze berekening wordt alleen rekening gehouden met volledige maanden. § 2. In afwijking van § 1 eerste lid krijgt de ambtenaar die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een graad had waaraan een vlakke loopbaan gekoppeld werd een schaalanciënniteit gelijk aan de graadanciënniteit in zijn oude graad of in de oude graden die op dezelfde trap van de functionele loopbaan ingeschaald worden. § 3. Indien voor de inschakeling in de functionele loopbaan naast de oude graad ook de oude salarisschaal bepalend is, is in afwijking van §§ 1 en 2 de graadanciënniteit gelijk aan de periode van toekenning van die salarischa(a)l(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf geldt niet voor de ambtenaar op wie § 1 eerste lid van dit artikel van toepassing is en die op de datum van inschakeling in zijn functionele loopbaan titularis is van een graad van rang 20 en die met toepassing van het koninklijk besluit van 11 februari 1977 houdende administratieve en geldelijke bepalingen betreffende sommige personeelsleden in de rijksbesturen de salarisschaal 21/1 of 21/2 genoot. § 4. In afwijking van § 1 wordt de schaalanciënniteit van de ambtenaar die overeenkomstig bijlage 7 ingeschaald wordt in de salarisschaal E111 of E121, berekend op basis van de graadanciënniteiten van de rangen 40, 41 en 42. § 5. Ongeacht het resultaat van de berekening overeenkomstig §§ 1 en 2 dat een kleiner of een groter aantal jaren schaalanciënniteit kan opleveren dan vereist voor de overgang naar de volgende salarisschaal in de functionele loopbaan, is deze overgang slechts mogelijk nadat de ambtenaar één functioneringsevaluatie overeenkomstig dit besluit gekregen heeft. Het overschot aan jaren vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 5. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de administratieve loopbaan Art. VIII 102. De graden vermeld in de vierde kolom van de bij dit besluit gevoegde bijlage 7 worden afgeschaft op de in artikel VIII 97 vermelde data.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren die een graad hebben die afgeschaft is, worden op de in het eerste lid vermelde data ambtshalve benoemd tot de in de eerste kolom vermelde nieuwe graad, waaraan de ernaast vermelde rang is gekoppeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtshalve graadveranderingen worden geïndividualiseerd bij besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren verkrijgen in hun nieuwe graad de graadanciënniteit die wordt vastgesteld door de som van de graadanciënniteiten die zij hebben verworven in de afgeschafte graden die met toepassing van het tweede lid aanleiding geven tot een ambtshalve benoeming in hun nieuwe graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren behouden hun niveauanciënniteit, zelfs indien hun graad ambtshalve ingedeeld werd in een hoger niveau, met uitzondering van degenen die ambtshalve benoemd worden in een graad die is ingedeeld in niveau B en van wie de niveauanciënniteit wordt vastgesteld door de som van de graadanciënniteiten die zij verworven hebben in alle afgeschafte graden die met toepassing van het tweede lid aanleiding geven tot een ambtshalve benoeming in een graad die is ingedeeld in niveau B. Art. VIII 103. De benoemings- en bevorderingsprocedures die in uitvoering zijn op de datum van het inwerkingtreden van dit besluit worden voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen bij de vacantverklaring of bij de start van de procedure aan voor onderzoek naar de beroepsgeschiktheid indien deze aan de vacantverklaring voorafgegaan is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 104. De ambtenaren die ingeschaald werden in de graad van wetenschappelijk directeur en die over voldoende leidinggevende capaciteiten voor de functie van afdelingshoofd beschikken, kunnen overeenkomstig artikel VIII 62 als afdelingshoofd worden aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. VIII 105. § 1. In afwijking van artikel VIII 78 wordt de ambtenaar van rang A1 van het wetenschappelijk personeel die in dienst is op 31 december 1995, en die ingeschaald werd in de salarisschaal A165, bevorderd naar de salarisschaal A166 na 4 jaar graadanciënniteit. § 2. Het instellingshoofd kan na advies van de in artikel II 6, § 2 bedoelde directieraad de ambtenaar van rang A1 van het wetenschappelijk personeel die in dienst is op 31 december 1995, en die ofwel houder is van een doctoraat op proefschrift of van een diploma of certificaat dat met toepassing van de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend, ofwel het bewijs levert dat hij in een tak van de wetenschap waarop het ambt betrekking heeft, uitzonderlijk wetenschappelijk werk heeft verricht dat met een doctoraat op proefschrift kan worden vergeleken, bevorderen tot de derde trap van de functionele loopbaan, zijnde de salarisschaal A 167.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL IX. - TUCHTREGELING TITEL 1. - Tuchtstraffen Artikel IX 1. De ambtenaar kan onderworpen worden aan een tuchtprocedure 1° bij tekortkoming aan zijn plichten bepaald in deel III;2° bij inbreuken op de bepalingen van deel IV - Cumulatie van activiteiten;3° na strafrechtelijke veroordeling. Art. IX 2. De volgende tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken : 1° blaam;2° inhouding van salaris;3° tuchtschorsing;4° terugzetting in graad;5° afzetting. Art. IX 3. De inhouding van salaris wordt toegepast gedurende ten hoogste drie maanden en mag niet meer dan één vijfde van de nettobezoldiging bedragen zoals bepaald in artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 4. § 1. De tuchtschorsing wordt uitgesproken ten hoogste voor drie maanden en kan aanleiding geven tot een inhouding van salaris die niet hoger mag liggen dan één vijfde van de nettobezoldiging zoals bedoeld is bij artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. § 2. Tijdens de tuchtschorsing bevindt de ambtenaar zich in de administratieve toestand non-activiteit; hij heeft geen recht op bevordering in graad en op verhoging in salaris en salarisschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 5. De terugzetting in graad bestaat in de toekenning van een graad van een lagere rang die binnen hetzelfde of binnen een lager niveau is ingedeeld of van een lagere salarisschaal binnen dezelfde graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugzetting in graad heeft tot gevolg dat de salarisschaal wordt toegekend die verbonden is aan het ambt dat definitief wordt toegewezen door de terugzetting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar neemt in de nieuwe graad of salarisschaal rang in op de datum waarop de in het eerste lid bedoelde toekenning van een graad of salarisschaal uitwerking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 6. In geval van afzetting wordt de ambtenaar onmiddellijk, zonder opzeggingstermijn en zonder verbrekingsvergoeding ontslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover aan de voorwaarden van de desbetreffende reglementering is voldaan, stort de instelling in dit geval bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen die verschuldigd zijn voor de opname van de afgezette ambtenaar in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering - sector uitkeringen - en de moederschapsverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 2. - De tuchtprocedure HOOFDSTUK 1. - De bevoegde overheid Art. IX 7. De overheid die de tuchtstraf voorstelt of uitspreekt zoals bepaald in de artikelen IX 8, IX 9 en IX 10, kan deze bevoegdheid niet delegeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overheid die de tuchtstraf uitspreekt, mag niet dezelfde zijn als die welke haar voorstelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 8. De tuchtstraf wordt voorgesteld door een hiërarchische meerdere van niveau A van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het instellingshoofd wordt de tuchtstraf voorgesteld door een functioneel bevoegde Vlaamse minister of een inhoudelijk bevoegde Vlaamse minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 9. De tuchtstraf wordt uitgesproken door het instellingshoofd voor de ambtenaar tot en met rang A1, door de functioneel bevoegde Vlaamse minister voor de ambtenaar van rang A2 en wanneer de tuchtstraf werd voorgesteld door het instellingshoofd, en door de Vlaamse regering voor het instellingshoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lid van de Vlaamse regering dat de tuchtstraf heeft voorgesteld neemt niet deel aan de beraadslaging. De notulen vermelden de naleving van dit principe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 10. De tuchtstraf wordt na het advies van de raad van beroep definitief uitgesproken door de directieraad voor de ambtenaar tot en met rang A1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de tuchtstraf werd voorgesteld door het afdelingshoofd wordt ze definitief uitgesproken door de functioneel bevoegde minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de tuchtstraf werd voorgesteld door het instellingshoofd wordt ze definitief uitgesproken door de Vlaamse regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtstraf wordt na het advies van de raad van beroep definitief uitgesproken door de Vlaamse regering voor de ambtenaar van rang A2 en voor het instellingshoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het instellingshoofd die de tuchtstraf in eerste instantie uitspreekt zoals vermeld in artikel IX 9, neemt geen deel aan de beraadslaging over de definitieve uitspraak door de directieraad vermeld in het vorige lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functioneel bevoegde Vlaamse minister die de tuchtstraf heeft voorgesteld of uitgesproken neemt evenmin deel aan de beraadslaging over de definitieve uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De notulen vermelden de naleving van het principe opgenomen in het tweede en derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 2. - Het voorstel en de uitspraak Art. IX 11. Het voorstel dat ertoe strekt een tuchtstraf op te leggen wordt schriftelijk geformuleerd, met redenen omkleed en meegedeeld aan de betrokken ambtenaar die een afschrift ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die bevoegd is om het voorstel te doen, stuurt tezelfder tijd het voorstel aan de bevoegde overheid voor uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 12. De overheid die bevoegd is voor het uitspreken van de tuchtstraf roept, binnen vijftien kalenderdagen volgend op de datum van het voorstel, de ambtenaar op om gehoord te worden in zijn verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 13. § 1. De oproeping van de ambtenaar om in zijn verdediging gehoord te worden, wordt meegedeeld via een aangetekende brief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oproeping dient melding te maken van : 1° de ten laste gelegde feiten;2° het feit dat een tuchtstraf wordt gevraagd;3° de plaats, de dag en het uur van het verhoor;4° het recht van de betrokkene om zich te laten bijstaan door een raadgever of zich te laten vertegenwoordigen door een raadgever bij gewettigde verhindering;5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien en het recht om gratis fotokopieën te maken. § 2. De belanghebbende en zijn raadgever mogen het tuchtdossier op hun verzoek raadplegen voordat de verdediging plaatsheeft. Zij beschikken voor de inzage van het dossier over een termijn van ten minste vijftien kalenderdagen na ontvangst van de oproepingsbrief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 14. Van de zitting wordt er een proces-verbaal gemaakt waarvan de betrokkene of de raadgever een kopie kan krijgen. De ambtenaar of de raadgever kan op straffe van nietigheid binnen twee werkdagen na de mondelinge verdediging schriftelijk de middelen ter verdediging uiteenzetten. Het verweerschrift wordt bij het dossier gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 15. De overheid spreekt de tuchtstraf uit binnen vijftien kalenderdagen na het horen van de ambtenaar in zijn verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing waarbij de tuchtstraf wordt opgelegd, wordt met redenen omkleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtstraf wordt aangezegd bij aangetekend schrijven binnen twee werkdagen na de uitspraak, en gaat in op de derde werkdag volgend op de datum van het aangetekend schrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 16. De tuchtstraf is definitief de dag na het verstrijken van de termijn voor instelling van het beroep of nadat de bevoegde overheid na advies van de raad van beroep haar beslissing heeft meegedeeld via een aangetekende brief.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 3. - Het beroep en de definitieve uitspraak Art. IX 17. De ambtenaar tegen wie een tuchtstraf uitgesproken wordt, kan hiertegen gemotiveerd beroep instellen bij de raad van beroep binnen vijftien kalenderdagen, ingaande de dag volgend op de mededeling via een aangetekende brief van de uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zaak wordt bij de raad van beroep aanhangig gemaakt door de griffier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 18. De raad van beroep beraadslaagt binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij afwezigheid van beraadslaging binnen de vastgestelde termijn behandelt men het beroep alsof er een gunstig advies werd gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 19. Binnen vijftien kalenderdagen na het uitbrengen van het gemotiveerd advies stuurt de raad van beroep het dossier aan de overheid bevoegd voor het definitief uitspreken van de tuchtstraf. Hij vermeldt met hoeveel stemmen voor of tegen de stemming over het advies werd verkregen. De stemming is geheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tezelfder tijd wordt het advies aan de verzoeker betekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 20. De bevoegde overheid voor de definitieve uitspraak neemt binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep een gemotiveerde beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij kan geen andere feiten ter sprake brengen dan de feiten die als motief gediend hebben voor het advies van de raad van beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de bevoegde overheid wordt binnen twee werkdagen aangetekend verstuurd aan de betrokken ambtenaar en meegedeeld ter informatie aan de griffier van de raad van beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 4. - Algemene kenmerken van de tuchtprocedure Art. IX 21. Wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar gelegd wordt, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven zonder dat de lopende procedure onderbroken wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 22. Behoudens nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen, kan niemand het voorwerp zijn van een tuchtvordering voor reeds bestrafte feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 23. De tuchtoverheid kan geen zwaardere tuchtstraf uitspreken dan de straf die uitgesproken is vóór beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij mag slechts de feiten in aanmerking nemen die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tuchtstraf kan geen uitwerking hebben over een periode vóór de uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 24. De strafvordering schorst de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeacht het resultaat van de strafvordering oordeelt alleen de administratieve overheid of in voorkomend geval de functioneel bevoegde Vlaamse ministers of de Vlaamse regering over de gepastheid om een tuchtstraf uit te spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 25. De tuchtvordering mag alleen betrekking hebben op feiten die werden vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de strafmaat mogen evenwel relevante vermeldingen die in het persoonlijk dossier opgetekend werden, in aanmerking genomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet wordt voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 26. Elke tuchtstraf wordt vermeld op een in het evaluatiedossier te voegen staat en wordt in het personeelsdossier opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 27. De in deze titel vastgestelde termijnen worden opgeschort in de maand augustus.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 3. - De doorhaling van de tuchtstraffen Art. IX 28. § 1. Elke tuchtstraf behalve de afzetting wordt in het persoonlijk dossier van de ambtenaar doorgehaald onder de in § 2 bepaalde voorwaarden en uit het personeelsdossier verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de uitvoering van de straf heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf op geen enkele wijze meer rekening mag worden gehouden. § 2. De doorhaling van de tuchtstraffen gebeurt van rechtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op : - één jaar voor de blaam; - vier jaar voor de inhouding van salaris; - zes jaar voor de tuchtschorsing; - acht jaar voor de terugzetting in graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn loopt vanaf de datum van de eindbeslissing in de tuchtprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. IX 29. Dit deel is tevens van toepassing op de stagiairs.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL X. - DE SCHORSING IN HET BELANG VAN DE DIENST Artikel X 1. De ambtenaar in effectieve dienst kan onder de in dit deel bepaalde voorwaarden in zijn ambt worden geschorst, wanneer het belang van de dienst dat vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 2. § 1. De schorsing in het belang van de dienst wordt uitgesproken door de overheid die bevoegd is voor het uitspreken van de tuchtstraffen zoals bepaald in artikel IX 9 eventueel op voorstel van de overheid die bevoegd is om deze tuchtstraffen voor te stellen. § 2. De in § 1 bedoelde overheid kan deze bevoegdheid niet delegeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er een voorstel is mag de overheid die de schorsing in het belang van de dienst uitspreekt, niet dezelfde zijn als die welke haar voorstelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 3. De overheid bevoegd voor het uitspreken van de schorsing in het belang van de dienst kan aan de in artikel X 1 bedoelde ambtenaar het recht ontzeggen om zijn aanspraken op bevordering en op verhoging in salaris en salarisschaal te doen gelden en zijn salaris kan worden verminderd in de volgende gevallen : 1° wanneer hij strafrechtelijk vervolgd wordt;2° wanneer hij tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij hij op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn. De inhouding van salaris mag niet meer bedragen dan één vijfde van de nettobezoldiging zoals bepaald in artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 4. De ambtenaar wordt vooraf in zijn verdediging gehoord over de feiten die hem ten laste worden gelegd en hij mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze, raadgever te noemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De redenen om over te gaan tot schorsing in het belang van de dienst worden uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan het verhoor schriftelijk meegedeeld aan de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar wordt verzocht de voorstellen en beslissingen tot schorsing in het belang van de dienst te viseren. Weigert de ambtenaar dit te doen, dan wordt daarvan ter plaatse proces-verbaal opgemaakt door de overheid die de schorsing uitspreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schorsing in het belang van de dienst wordt aan de ambtenaar meegedeeld via een aangetekende brief; zij gaat in de dag na het aanbieden van die aangetekende brief bij de post.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 5. De ambtenaar kan na 15 kalenderdagen sedert de dag dat de schorsing in het belang van de dienst uitwerking gekregen heeft, beroep instellen bij de raad van beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de raad van beroep ongunstig advies uitbrengt over de opheffing van de schorsing, wordt de schorsing in het belang van de dienst gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de raad van beroep gunstig advies uitbrengt over de opheffing van de schorsing beslist de overheid die bevoegd is om de tuchtstraffen definitief uit te spreken, zoals bepaald in artikel IX 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 6. De ambtenaar kan, op voorwaarde dat hij nieuwe feiten inroept, beroep instellen na telkens drie maanden nadat een beslissing tot handhaving van de schorsing in het belang van de dienst is genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 7. Behoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging mag de schorsing in het belang van de dienst ten hoogste zes maanden bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging mag de schorsing in het belang van de dienst maximum voor de duur van het onderzoek en/of de vervolging gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 8. Indien de overheid in kennis wordt gesteld van de strafrechtelijke uitspraak, de minnelijke schikking of seponering, beslist zij om de schorsing in het belang van de dienst op te heffen of te behouden voor de duur van de tuchtprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 9. Aan de schorsing in het belang van de dienst komt van rechtswege een einde bij het definitief worden van de tuchtrechtelijke uitspraak over dezelfde feiten waarvoor het personeelslid in het belang van de dienst werd geschorst, behalve in geval van afzetting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 10. Indien de ambtenaar buiten vervolging wordt gesteld, zijn dossier geseponeerd wordt of wanneer een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vrijspraak volgt die kracht van gewijsde gekregen heeft, worden de beslissingen genomen krachtens artikel X 3 inzake inhouding van salaris en ontzeggen van de aanspraken op verhoging in salaris en salarisschaal, ongedaan gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 11. De beslissing waarbij de ambtenaar geschorst wordt in het belang van de dienst kan geen uitwerking hebben over een periode vóór de datum waarop de schorsing is uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 12. Indien de ambtenaar na afloop van het tuchtonderzoek een schorsing als tuchtstraf wordt opgelegd, vindt die schorsing plaats met terugwerkende kracht in afwijking van de bepaling dat een straf geen gevolg heeft dat voorafgaat aan het uitspreken ervan, maar gaat niet verder terug dan de dag waarop de bij toepassing van artikel X 3 getroffen maatregelen uitwerking hebben gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval wordt de duur van de schorsing in het belang van de dienst, tot de nodige termijn, op de duur van de tuchtschorsing aangerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. X 13. Dit deel is tevens van toepassing op de stagiairs.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL XI. - HET VERLOF EN DE ADMINISTRATIEVE TOESTAND TIJDENS VERLOF TITEL 1. - Algemene bepalingen Artikel XI 1. De ambtenaar bevindt zich geheel of gedeeltelijk in een van de volgende administratieve toestanden : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit. Art. XI 2. De ambtenaar in dienstactiviteit heeft recht op bevordering in graad, in salarisschaal en in salaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft recht op salaris tenzij anders bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 3. § 1. De ambtenaar in non-activiteit heeft geen recht op salaris, onder voorbehoud van wat bepaald is inzake tuchtschorsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft evenmin recht op bevordering in graad, salarisschaal en salaris tenzij anders bepaald. § 2. De ambtenaar kan niet in non-activiteit gesteld of gehouden worden als hij aan de voorwaarden voldoet om gepensioneerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 4. De ambtenaar wordt voor de vaststelling van zijn administratieve toestand altijd geacht in dienstactiviteit te zijn behoudens uitdrukkelijke bepaling die hem van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in non-activiteit plaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 5. Voor de toepassing van dit deel betekent : - \"werkdag\" : de dag waarop de ambtenaar verplicht is te werken ingevolge de arbeidsregeling die op hem van toepassing is; - \"vakantiedag\" : de vrije dag waarop de ambtenaar aan geen enkele dienstverplichting is onderworpen; - \"verlof\" : het recht van de ambtenaar om voor een welbepaalde reden de actieve dienst te onderbreken; - \"dienstvrijstelling\" : de toestemming van de bevoegde overheid aan de ambtenaar om tijdens de diensturen afwezig te zijn gedurende een vooraf bepaalde tijd, met behoud van alle rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 6. De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof, vakantie of dienstvrijstelling te hebben gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf of van een administratieve maatregel, is de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is, in non-activiteit tenzij in geval van overmacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 7. In afwijking van artikel XI 6 is de ambtenaar die deelneemt aan een georganiseerde werkonderbreking in dienstactiviteit en verliest hij zijn salaris enkel voor de duur van de afwezigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 8. Deze titel is tevens van toepassing op de stagiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 2. - Jaarlijkse vakantiedagen en feestdagen Art. XI 9. § 1. De ambtenaar heeft jaarlijks recht op 35 werkdagen vakantie waarvan 10 werkdagen opeenvolgend genomen dienen te worden. § 2. Onverminderd § 1 worden de vakantiedagen genomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst onder verantwoordelijkheid van het instellingshoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het vorig lid heeft de ambtenaar evenwel het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, 4 werkdagen vakantieverlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover gesteld kan worden en na overlegging van een medisch attest dat de dwingende afwezigheid van de ambtenaar staaft. § 3. De jaarlijkse vakantie wordt opgenomen binnen het kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderlijke gevallen kan de ambtenaar om dienstredenen toestemming krijgen om vijf werkdagen over te dragen naar het volgende jaar, die dan opgenomen moeten worden vóór het einde van de paasvakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 10. In de instelling geldt een standaardwerktijdregeling met onderscheid tussen stamtijden, glijtijden en bereikbaarheid van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van deze standaardwerktijdregeling kan het instellingshoofd voor specifieke organisatorische eenheden en/of werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van de ambtenaar die onderworpen is aan het prikklokreglement wordt 's morgens, 's middags en 's avonds geregistreerd. De gepresteerde uren in meer op maandbasis kunnen enkel ingehaald worden op de glijtijd van de volgende maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het vorig lid kan het instellingshoofd in uitzonderlijke omstandigheden, inzonderheid in piek-periodes, toestaan om te veel gepresteerde uren toch in te halen in de vorm van vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar in de onmogelijkheid verkeert om het te veel aan gepresteerde uren te recupereren in vakantie binnen de periode van vier maanden, worden deze uren geldelijk gecompenseerd overeenkomstig dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 11. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantiedagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt, wordt zijn vakantieverlof in evenredige mate verminderd tijdens het lopende jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal vakantiedagen wordt in evenredige mate verminderd met het aantal onbezoldigde vakantiedagen tijdens het lopende jaar en, indien niet meer mogelijk, tijdens het daaropvolgende jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal aldus berekende vakantiedagen bedraagt steeds een halve of een volledige dag. De afronding gebeurt naar de hogere halve of hele dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 12. § 1. De ambtenaar heeft vakantie op de wettelijke en decretale feestdagen en op 2 en 15 november en 26 december. § 2. Ter vervanging van de in § 1 vermelde vakantiedagen die samenvallen met een zaterdag of zondag, heeft de ambtenaar die niet in een continuregeling tewerkgesteld wordt, vakantie voor de periode tussen Kerstmis en nieuwjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die verplicht is om op één van de in § 1 vermelde dagen of in de periode tussen Kerstmis en nieuwjaar te werken ten gevolge van behoeften van de dienst, krijgt in evenredige mate vervangende vakantiedagen die onder dezelfde voorwaarden kunnen worden genomen als de jaarlijkse vakantiedagen. § 3. De ambtenaar tewerkgesteld in continudienst die werkt of in rust is op de in § 1 vermelde dagen krijgt hiervoor vervangende vakantiedagen die onder dezelfde voorwaarden kunnen worden genomen als de jaarlijkse vakantiedagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 13. De in deze titel bepaalde vakantiedagen worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Zij worden niet opgeschort bij ziekte doch wel bij hospitalisatie van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 14. Deze titel is tevens van toepassing op de stagiair.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 3. - Bevallingsverlof en opvangverlof HOOFDSTUK 1. - Bevallingsverlof Art. XI 15. Het bevallingsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeids</h3>\n<p class=\"lf-p\">wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dagen van afwezigheid wegens ziekte gedurende de periode van zeven weken die de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat, worden beschouwd als bevallingsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 16. De periode van bezoldiging voor bevallingsverlof mag niet meer dan vijftien weken bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 17. De artikelen XI 15 en XI 16 zijn niet van toepassing in geval van miskraam vóór de 181e dag van de zwangerschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 2. - Opvangverlof Art. XI 18. De ambtenaar krijgt op zijn aanvraag een opvangverlof wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof bedraagt ten hoogste zes of ten hoogste vier weken naar gelang het opgenomen kind de leeftijd van drie jaar nog niet heeft bereikt of al bereikt heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind minder-valide is en aan de voorwaarden voldoet om kinderbijslag te genieten overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag van de loonarbeiders of artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien slechts één van de samenwonende partners adopteert of pleegvoogd wordt, kan alleen die persoon het verlof genieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 19. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 20. Deze titel is tevens van toepassing op de stagiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 4. - Ouderschapsverlof Art. XI 21. De ambtenaar die zich in de administratieve toestand dienstactiviteit bevindt kan bij de geboorte van een kind een aavraag indienen om ouderschapsverlof te verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van dit verlof bedraagt drie maanden; het moet genomen worden binnen het jaar na de geboorte van het kind. Het verlof wordt aangevraagd en toegestaan overeenkomstig de procedure bepaald in artikel XI 36, §§ 1, 2 en 3, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met de administratieve toestand dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 5. - Ziekteverlof Art. XI 22. § 1. De ambtenaar die afwezig is wegens ziekte, heeft ziekteverlof. § 2. Het ziekteverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 23. Het ziekteverlof maakt geen einde aan het stelsel van verlof voor verminderde prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 24. § 1. De wegens ziekte afwezige ambtenaar staat onder het geneeskundig toezicht van het geneeskundig controleorgaan aangewezen door de Vlaamse regering en overeenkomstig de door haar vastgestelde nadere bepalingen. § 2. De controlearts die van oordeel is dat de ambtenaar het werk dient te hervatten, neemt contact op met de behandelende arts vooraleer een beslissing tot werkhervatting te nemen en deelt hem dit voornemen mee Indien de behandelende arts niet akkoord gaat met de diagnose van de controlerend arts neemt hij binnen 24 uur contact op met deze laatste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien beide artsen geen overeenstemming bereiken over de uiteindelijke beslissing stellen zij in gemeen overleg een arbitrerend arts aan. De beslissing van deze laatste is bindend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 25. § 1. Indien de ambtenaar tijdens zijn loopbaan 666 werkdagen afwezig geweest is wegens ziekte, kan het in artikel XI 24 bedoelde geneeskundig controleorgaan een voorstel formuleren aan de Administratieve Gezondheidsdienst tot definitieve ongeschiktverklaring van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de dagen afwezigheid wegens ziekte worden enkel de werkdagen aangerekend op het in het eerste lid vermelde aantal. § 2. De beslissing van de Administratieve Gezondheidsdienst tot voortijdige pensionering wegens definitieve arbeidsongeschiktheid zal voor de ambtenaar die met toepassing van artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheden of van elke andere bepaling die het mocht wijzigen, een ziektekrediet van meer dan 666 werkdagen opbouwt, ten vroegste uitwerking hebben na het aantal werkdagen afwezigheid wegens ziekte overeenstemmend met dit krediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 26. De ambtenaar die tijdens een opdracht bij een buitenlandse regering, een buitenlands openbaar bestuur of een internationale instelling, gepensioneerd wordt wegens invaliditeit en een pensioen van die overheid of instelling ontvangt, kan vóór het verstrijken van de termijn van 666 werkdagen bedoeld in artikel XI 25, eerste lid definitief ongeschikt verklaard worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 27. Indien het geneeskundig controleorgaan een wegens ziekte afwezige ambtenaar geschikt acht om zijn ambt weer op te nemen met halftijdse prestaties, dan geeft het daarvan kennis aan het instellingshoofd onder wie de ambtenaar ressorteert en aan de ambtenaar zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 28. De wegens ziekte afwezige ambtenaar kan zelf vragen zijn ambt weer te mogen opnemen met halftijdse prestaties. Tot staving van die aanvraag legt hij een geneeskundig attest over. Indien het geneeskundig controleorgaan oordeelt dat de lichaamstoestand van de betrokkene dat toelaat, geeft het kennis van deze beslissing aan het instellingshoofd onder wie de ambtenaar ressorteert en aan de ambtenaar zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 29. De arts die door het geneeskundig controleorgaan is aangewezen om de ambtenaar te onderzoeken, spreekt zich uit over de lichamelijke geschiktheid om zijn ambt met halftijdse prestaties weer op te nemen na voorafgaande raadpleging van de behandelende arts. Bij betwisting is de procedure van artikel XI 24, § 2 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 30. Het geneeskundig controleorgaan staat halftijdse prestaties toe voor een periode van maximum dertig kalenderdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans worden voor ten hoogste dezelfde periode verlengingen toegestaan indien het geneeskundig controleorgaan bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de lichamelijke toestand van de ambtenaar dat wettigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 31. In een periode van tien jaar dienstactiviteit mag de ambtenaar zijn ambt in totaal niet meer dan negentig kalenderdagen lang in halftijdse prestaties wegens ziekte uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 32. Als ziekteverlof worden ook beschouwd de halve of hele werkdagen afwezigheid van een ambtenaar tijdens een periode van halftijdse prestaties wegens ziekte die hij verricht bij toepassing van de artikelen XI 27 tot XI 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij worden pro rata aangerekend op het aantal dagen vermeld in artikel XI 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 33. § 1. Ziekteverlof wordt toegestaan voor de duur van de afwezigheid naar aanleiding van : 1° een arbeidsongeval;2° een ongeval op weg naar en van het werk;3° een beroepsziekte;4° de vrijstelling van arbeid van de zwangere ambtenaar die werkt in een schadelijk arbeidsmilieu, nadat vastgesteld werd dat geen aangepaste of andere arbeidsplaats mogelijk is. Deze dagen afwezigheid worden niet aangerekend op het contingent van 666 werkdagen vermeld in artikel XI 25. § 2. Is de afwezigheid te wijten aan de in § 1, 1° tot en met 3° vermelde redenen of aan een ongeval, veroorzaakt door de schuld van een derde dan ontvangt de ambtenaar zijn salaris alleen als voorschot dat betaald wordt op de door de derde verschuldigde vergoeding en dat op de derde te verhalen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Gemeenschap/het Vlaamse Gewest treedt in het in het vorig lid bedoelde het geval van rechtswege in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen die de getroffene mocht kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het ongeval tot het bedrag van het salaris. § 3. Het instellingshoofd neemt de juridische beslissing met betrekking tot de erkenning van arbeidsongevallen, van ongevallen op weg naar en van het werk en van beroepsziekten en de toekenning van schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 34. Deze titel is tevens van toepassing op de stagiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 6. - Verlof voor verminderde prestaties Art. XI 35. De periodes van afwezigheid wegens vermindering van prestaties overeenkomstig dit hoofdstuk worden beschouwd als verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verlof wordt niet vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof is een gunst, afhankelijk van de goede werking van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 36. § 1. Het afdelingshoofd kan de ambtenaar die onder hem ressorteert toestaan om zijn ambt uit te oefenen met verminderde prestaties. § 2. De ambtenaar dient zijn aanvraag in bij de in § 1 vermelde bevoegde ambtenaar, ten minste één maand vóór de aanvang van het verlof. § 3. Het afdelingshoofd beoordeelt of het geven van de toestemming verenigbaar is met de goede werking van de dienst; hij maakt zijn beslissing bekend aan de ambtenaar binnen een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag, zoniet wordt ervan uitgegaan dat er een gunstige beslissing is; wanneer de aanvraag niet of slechts gedeeltelijk wordt ingewilligd, wordt de beslissing gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan beroep indienen bij de raad van beroep binnen vijftien kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing van het afdelingshoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het advies van de raad van beroep wordt de beslissing definitief genomen door het instellingshoofd. Deze laatste neemt een beslissing binnen 15 kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn voor de betrokkene. § 4. De ambtenaar die de in § 1 vermelde toestemming krijgt, dient ofwel 50 procent, ofwel 80 procent ofwel 90 procent van de duur der prestaties die hem normaal worden opgelegd te volbrengen. Deze prestaties worden in principe ofwel elke dag ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week of over de maand verricht, met dien verstande dat de vermindering van de prestaties steeds ten minste een halve dag bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het werken naar rato van 80 procent of 90 procent van de normale arbeidsduur kan de vermindering van de arbeidstijd evenwel ook in uren volgens een vaste verdeling genomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verminderde prestaties dienen steeds in te gaan bij het begin van de maand. § 5. De in § 1 bedoelde machtiging mag niet worden toegekend aan een ambtenaar van rang A2 en hoger die belast is met de leiding van een organisatorische eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 37. De toestemming om met verminderde prestaties te werken wordt gegeven voor een periode van ten minste drie en ten hoogste twaalf maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlengingen van ten minste drie en ten hoogste twaalf maanden kunnen echter worden toegestaan indien de maatregel te verzoenen valt met de eisen van de goede werking van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van het lopende verlof worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure van toestemming, die bepaald is bij artikel XI 36, § 3, moet eveneens worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 38. Het verlof voor verminderde prestaties wordt opgeschorst zodra de ambtenaar verlof krijgt : 1° voor bevalling, adoptie en pleegvoogdij, ouderschap en het voorbereiden van zijn kandidatuur voor de wetgevende en provinciale verkiezingen;2° voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de civiele bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980. Art. XI 39. Op initiatief hetzij van de bevoegde overheid, hetzij van de betrokken ambtenaar en mits er een opzegtermijn van een maand is, hervat de ambtenaar zijn voltijds ambt, voordat de periode verstrijkt waarvoor hij toestemming kreeg zijn ambt met verminderde prestaties uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen de krachtens dit artikel genomen beslissingen kan het bij artikel XI 36, § 3, 2de lid vermelde beroep worden aangetekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 40. § 1. Het verlof voor verminderde prestaties wordt voor een periode van vijf jaar gelijkgesteld met dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de vijf jaar die voor het geheel van de loopbaan de totale duur omvat van de periodes aan verlof voor verminderde prestaties die aan de ambtenaar worden toegekend, wordt gerekend vanaf 1 juli 1982. § 2. Na het verstrijken van de termijn van vijf jaar is de ambtenaar die verlof voor verminderde prestaties geniet tijdens de duur van de afwezigheid met non-activiteit. Hij kan niettemin zijn aanspraken op bevordering door verhoging in graad doen gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevordering tot een hogere graad maakt een einde aan de toestemming tot het uitoefenen van zijn ambt met verminderde prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 41. § 1. De ambtenaar die de leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt en de ambtenaar die ten minste twee kinderen ten laste heeft die nog niet de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben, mag wanneer hij erom vraagt zijn ambt uitoefenen met verminderde prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid geldt dit recht op verlof nochtans niet voor de ambtenaar van niveau A die de leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt en voor de ambtenaar van rang A2 en hoger die twee kinderen heeft die nog niet de leeftijd van 15 jaar bereikt hebben. § 2. De artikelen XI 35 eerste en tweede lid, XI 36 §§ 1, 2 en 4, XI 38 en XI 40 zijn van toepassing op de in § 1 bedoelde ambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel XI 37 eerste, tweede en derde lid is eveneens van toepassing zonder dat de aanvraag tot verlenging tegengesteld kan worden aan de goede werking van de dienst. § 3. Op initiatief van de ambtenaar en met opzegging van één maand, kan vóór het verstrijken ervan een einde worden gemaakt aan een lopend verlof, tenzij de bevoegde overheid, op verzoek van de ambtenaar, een kortere opzeggingstermijn aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 42. De ambtenaren met verlof voor verminderde prestaties bedoeld in artikel XI 41, § 1 worden door contractuele personeelsleden vervangen naar rato van het aantal halftijdse of voltijdse equivalenten van afwezigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 7. - Verlof voor loopbaanonderbreking HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Art. XI 43. § 1. De ambtenaar kan zijn loopbaan volledig onderbreken met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden, zonder dat die periodes tijdens zijn loopbaan in totaal tweeënzeventig maanden mogen overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid, kan de ambtenaar zijn loopbaan onderbreken voor : 1° ten minste twaalf weken als de ambtenaar de onderbreking aanvraagt naar aanleiding van de geboorte van zijn kind. Om van deze bepaling gebruik te kunnen maken, dient de loopbaanonderbreking : - onmiddellijk aan te sluiten op de periodes bedoeld in artikel 39 van de arbeids wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten als het een vrouwelijke ambtenaar betreft; - uiterlijk een aanvang te nemen op de eerste dag die volgt op de periode van acht weken vanaf de geboorte van het kind, als het een mannelijke ambtenaar betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mannelijke ambtenaar kan van deze bepalingen gebruik maken in zoverre vaststaat dat het zijn kind is. 2° een periode van één maand, eventueel verlengbaar met één maand, om palliatieve verzorging te verstrekken aan een persoon krachtens de bepalingen van artikel 100 bis van de herstel wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/01/1985 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2013 numac 2013000511 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Herstelwet houdende sociale bepalingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende sociale bepalingen. Onder palliatieve verzorging wordt verstaan elke vorm van bijstand en inzonderdheid medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand en verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden. § 2. De ambtenaar die zijn beroepsloopbaan wenst te onderbreken met toepassing van § 1, eerste lid en tweede lid, 1° deelt aan het instellingshoofd onder wie hij ressorteert de datum mee waarop de onderbreking van zijn loopbaan zal beginnen en de duur ervan, en hij voegt bij die mededeling het formulier voor de aanvraag voor uitkeringen bedoeld in artikel XI 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens drie maanden vóór de aanvang van de onderbreking, tenzij het instellingshoofd op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De loopbaanonderbreking dient steeds in te gaan bij het begin van de maand behalve indien zij aansluit bij een periode van bevallingsverlof. § 3. In afwijking van de vorige paragraaf, brengt de ambtenaar die zijn loopbaan wil onderbreken om palliatieve verzorging te verstrekken het instellingshoofd hiervan op de hoogte. Hij voegt bij deze mededeling het formulier bedoeld in artikel XI 58 en een attest afgegeven door de behandelend geneesheer van de persoon die palliatieve verzorging behoeft, waaruit blijkt dat de ambtenaar zich bereid heeft verklaard deze palliatieve verzorging te verstrekken. De identiteit van de patiënt wordt hierbij niet vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderbreking begint de eerste dag van de week volgend op die gedurende dewelke de voormelde mededeling is gebeurd. § 4. De overheid vult het in artikel XI 58 vermelde formulier in en geeft het af aan de ambtenaar. Tenzij bij loopbaanonderbreking om palliatieve verzorging te verstrekken, geeft de overheid aan de ambtenaar ook een kopie van het attest, en, zonodig, een kopie van de vervangingsovereenkomst zoals bedoeld in het derde lid van het artikel XI 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 44. De ambtenaar met verlof voor loopbaanonderbreking bevindt zich in de administratieve toestand dienstactiviteit, maar heeft geen recht op salaris en bevordering in salarisschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 45. De ambtenaar van rang A2 en hoger is uitgesloten van het voordeel van de loopbaanonderbreking behalve om palliatieve verzorging te verstrekken bedoeld in artikel XI 43, § 1, tweede lid, 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 46. Aan de ambtenaar die zijn loopbaan overeenkomstig artikel XI 43 onderbreekt, wordt een maandelijkse uitkering toegekend overeenkomstig de federale bepalingen terzake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 47. De cumulatie van onderbrekingsuitkeringen met inkomsten die voortvloeien uit het uitoefenen van een politiek mandaat, of uit een extra activiteit als loontrekkende, of uit de uitoefening van een zelfstandige activiteit alsook de procedure en voorwaarden worden geregeld overeenkomstig de federale bepalingen terzake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 48. Indien de ambtenaar geen recht heeft op onderbrekingsuitkeringen als gevolg van een beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel XI 57 of afziet van deze uitkeringen, wordt de loopbaanonderbreking omgezet in nonactiviteit, behoudens de uitzonderingen bepaald door de federale overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 49. De ziekte of handicap opgelopen tijdens de onderbrekingsperiode maakt geen einde aan deze onderbreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 50. § 1. Met een opzegging van twee maanden via een aangetekende brief gericht aan het instellingshoofd onder wie hij ressorteert, kan de ambtenaar die zijn loopbaan onderbroken heeft zijn ambt opnieuw opnemen nog voordat de periode van onderbreking van zijn beroepsloopbaan verlopen is. § 2. De onderbrekingsuitkeringen die ontvangen werden voor een periode die minder bedraagt dan de minimumtermijnen bepaald in artikel XI 43, § 1, dienen te worden terugbetaald. § 3. De administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of het door deze laatste aangewezen personeelslid kan afzien van de terugvordering in geval van een werkhervatting gemotiveerd door uitzonderlijke omstandigheden ten aanzien van de ambtenaar als de ambtenaar daartoe een verzoekschrift, eventueel vergezeld van de nodige bewijsstukken, heeft ingediend. Dit verzoekschrift wordt door de ambtenaar ingediend bij de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel XI 57 die het aan de administrateur-generaal doet toekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 51. De ambtenaar die recht heeft op onderbrekingsuitkeringen mag zich naar het buitenland begeven op voorwaarde dat hij zijn woonplaats in België behoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderbrekingsuitkeringen worden echter slechts in België uitbetaald.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. - Vervanging Art. XI 52. De ambtenaar dient gedurende zijn loopbaanonderbreking te worden vervangen overeenkomstig de federale bepalingen terzake.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 53. De in artikel XI 52 bepaalde vervanger dient uiterlijk de zestiende dag na het begin van de onderbreking bij arbeidsovereenkomst aangeworven te worden, volgens de regels bepaald bij de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1978 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1978 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten of elke andere bepaling die deze wet wijzigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 54. Ingeval er een einde gemaakt wordt aan de arbeidsovereenkomst van de vervanger, beschikt de overheid over een termijn van 30 kalenderdagen, te rekenen vanaf het einde van deze arbeidsovereenkomst, om een nieuwe vervanger aan te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode van de vervanging door één of meer contractuelen mag in geen geval de duur van de loopbaanonderbreking overtreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 55. Voor de periodes waarin de ambtenaar niet werkelijk vervangen wordt volgens de bepalingen voorzien in artikel XI 52, vraagt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert, de terugbetaling van de onderbrekingsuitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 56. Wanneer de ambtenaar die zijn loopbaan onderbreekt een betrekking heeft waarin met toepassing van de statutaire regels niet via aanwerving kan worden voorzien, kan het instellingshoofd onder wie de ambtenaar ressorteert een ambtenaar aanwijzen om het aan die betrekking verbonden ambt uit te oefenen, overeenkomstig de reglementering betreffende de uitoefening van een hoger ambt. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de verplichting tot vervanging bepaald in artikel XI 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 3. - Aanvraag van de onderbrekingsuitkering en procedure Art. XI 57. De ambtenaar die een onderbrekingsuitkering wenst te genieten, dient via een aangetekende brief een aanvraag in bij het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bevoegd voor het ambtsgebied waarin hij verblijft. Er wordt van uitgegaan dat de aanvraag ontvangen is op de derde werkdag na de afgifte ervan ter post.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 58. De aanvraag dient te gebeuren door middel van het formulier waarvan het model en de inhoud vastgesteld worden door het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, mits zij worden goedgekeurd door de minister die bevoegd is voor Tewerkstelling en Arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister die bevoegd is voor Tewerkstelling en Arbeid bepaalt welke bewijsstukken de ambtenaar bij zijn aanvraag dient te voegen alsmede de termijnen waarbinnen deze bewijsstukken ingediend dienen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag omvat met name het eigenlijke aanvraagformulier, alsmede een attest afgegeven door de gewestelijke werkloosheidsinspecteur in wiens ambtsgebied de vervanger woont waaruit blijkt dat de vervanger aan de voorwaarden van artikel XI 52 voldoet. In geval van vervanging door een contractueel die voorheen reeds een personeelslid in loopbaanonderbreking verving, dient een afschrift van de oorspronkelijke vervangingsovereenkomst te worden bijgevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar op het werkloosheidsbureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 59. Elke verlenging of nieuwe aanvraag dient te worden ingediend met inachtneming van dezelfde formaliteiten en termijnen als een eerste aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 60. Het recht op uitkeringen gaat in op de dag vermeld in de aanvraag om uitkeringen, wanneer het aanvraagformulier behoorlijk en volledig ingevuld op het werkloosheidsbureau aankomt binnen de termijn van één maand, die ingaat op de dag die volgt op de dag die vermeld is in de aanvraag en die berekend wordt van datum tot datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer dit document behoorlijk en volledig ingevuld ontvangen wordt na die termijn, gaat het recht op uitkeringen pas in op de dag van de ontvangst ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het recht op uitkeringen op een latere datum ingaat overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid, wordt de betrokkene toch geacht in loopbaanonderbreking te zijn vanaf de dag die op het aanvraagformulier is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 61. De bevoegde directeur van het werkloosheidsbureau neemt alle beslissingen inzake toekenning of ontzegging van het recht op onderbrekingsuitkeringen na het nodige onderzoek te hebben verricht of laten verrichten. Hij noteert zijn beslissing op een onderbrekingsuitkeringskaart waarvan het model en de inhoud worden vastgesteld door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De directeur stuurt een exemplaar van deze onderbrekingsuitkeringskaart aan de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 62. § 1. Alvorens een beslissing te nemen waarbij het recht op uitkeringen wordt geweigerd, roept de directeur van het werkloosheidsbureau de ambtenaar op om hem te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar op de dag van de oproeping verhinderd is, mag hij vragen het verhoor te verdagen tot een latere datum die niet later mag vallen dan vijftien dagen na de datum die voor het eerste verhoor was vastgesteld. Behoudens gevallen van overmacht wordt het uitstel maar éénmaal verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een persoon van zijn keuze. § 2. Indien de directeur van het werkloosheidsbureau een beslissing neemt tot weigering van het recht op uitkeringen, dient hij deze beslissing via een aangetekende brief aan de ambtenaar mee te delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze brief wordt geacht aangekomen te zijn op de derde werkdag na de afgifte ervan ter post.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur van het werkloosheidsbureau stuurt een afschrift van deze beslissing aan het instellingshoofd onder wie de ambtenaar ressorteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 4. - Toezicht Art. XI 63. Onverminderd de plichten van de officieren van gerechtelijke politie, worden de personeelsleden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aangewezen overeenkomstig artikel 22 van de wet van 14 februari 1961 houdende economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 8. - Verlof voor opdracht HOOFDSTUK 1. - Verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet Art. XI 64. De ambtenaar van de instelling krijgt verlof wanneer hij door een minister, staatssecretaris of een lid van de regering van een gemeenschap of gewest of een gouverneur van een Vlaamse provincie of de gouverneur of vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen op zijn kabinet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing gebeurt na akkoord van de functioneel bevoegde Vlaamse minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 65. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 66. Bij het einde van zijn aanwijzing en tenzij hij naar een ander kabinet overgaat, krijgt de ambtenaar, per maand activiteit in een kabinet, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 2. - Verlof voor opdracht van algemeen belang Art. XI 67. De ambtenaar krijgt verlof voor de uitoefening van een opdracht waarvan het algemeen belang erkend wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 68. § 1. Het verlof is onbezoldigd en wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof wordt evenwel bezoldigd wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens het besluit van 26 juli 1988 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van de regeling van toepassing op de bij de diensten van de Commissie gedetacheerde nationale deskundigen. § 2. De functioneel bevoegde Vlaamse minister(s) onder wie de ambtenaar ressorteert, kan beslissen het salaris van de ambtenaar voor de duur van de opdracht door te betalen en terug te vorderen of geheel of gedeeltelijk door te betalen zonder terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 69. Onder opdracht wordt verstaan : 1° de uitoefening van de nationale en internationale opdrachten aangeboden door een binnenlandse of buitenlandse regering of openbaar bestuur of een internationale instelling;2° de nationale of internationale opdrachten van wetenschappelijk onderzoek aangeboden, gefinancierd, gesubsidieerd of erkend door een van de onder sub 1° bedoelde overheden of instellingen;3° de internationale opdrachten in het raam van ontwikkelingssamenwerking of humanitaire hulp. Art. XI 70. § 1. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend voor de opdrachten in een ontwikkelingsland en voor de opdrachten die de als nationale deskundige aangewezen ambtenaar uitvoert ingevolge het voornoemde besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. § 2. Het karakter van algemeen belang wordt voor de overige opdrachten erkend door de functioneel bevoegde Vlaamse minister(s) onder wie de ambtenaar ressorteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toestemming voor de opdracht wordt gegeven indien de opdracht geacht wordt van overwegend belang te zijn voor het land, de Vlaamse regering of de Vlaamse administratie. § 3. In afwijking van de §§ 1 en 2 van dit artikel, verliest iedere opdracht van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het verkrijgen van een onmiddellijk ingaand of uitgesteld pensioen ten laste van de buitenlandse regering, het buitenlands openbaar bestuur of de internationale instelling voor wie de opdracht werd vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 71. § 1. Iedere Vlaamse minister kan, met instemming van de betrokkene, een ambtenaar van de instelling, met de uitvoering van een opdracht belasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eveneens kan iedere ambtenaar, met akkoord van de Vlaamse minister(s) onder wie hij ressorteert, de uitvoering van een opdracht aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide gevallen wordt het advies ingewonnen van het instellingshoofd. § 2. Met het oog op de toepassing van het voornoemde besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen maakt de Vlaamse minister bevoegd voor externe betrekkingen, in het Belgisch Staatsblad een oproep bekend waarin duidelijk wordt uiteengezet welke bekwaamheid, geschiktheid en beroepservaring van de gegadigden gevraagd worden alsook hoe lang de opdracht duurt en onder welke voorwaarden die wordt uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar richt binnen vijftien kalenderdagen na de datum van de bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde oproep via de hiërarchische weg zijn kandidatuur aan de Vlaamse minister onder wie hij ressorteert. Laatstgenoemde stuurt, wanneer hij meent zich met de uitoefening van de opdracht akkoord te kunnen verklaren, de kandidatuur, met uitsluiting van elk ander element, binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst door naar de Vlaamse minister, bevoegd voor externe betrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse minister, bevoegd voor externe betrekkingen, legt de kandidatuur voor beslissing voor aan de Commissie van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 72. § 1. Aan de ambtenaar met verlof wegens een internationale opdracht die hem door de Vlaamse regering werd toevertrouwd, kan een vergoeding worden toegekend onder de voorwaarden en voor het bedrag bepaald door de Vlaamse minister, bevoegd voor ambtenarenzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt vastgesteld rekening houdend eensdeels met de bezoldiging aan de ambtenaar toegekend ter uitvoering van zijn opdracht en anderdeels, met de duur van de opdracht, de kosten van levensonderhoud in het land waar de ambtenaar zijn opdracht uitvoert, met de sociale rang die met deze opdracht overeenstemt en de ten gevolge van zijn vertrek uit de woonplaats verhoogde gezinslasten. § 2. De in dit artikel bedoelde vergoeding mag niet worden toegekend aan de met een opdracht belaste ambtenaar die hetzij krachtens andere wets- of verordeningsbepalingen, hetzij wegens de vervulling van zijn opdracht, voordelen geniet die ten minste gelijkwaardig zijn aan het salaris dat hij gekregen zou hebben indien hij in dienst was gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 73. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden, kan de Vlaamse minister onder wie de ambtenaar ressorteert op ieder ogenblik een eind maken aan de opdracht waarmee de ambtenaar is belast tijdens de vervulling ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 74. De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of bij ministeriële beslissing van de Commissie van de Europese Unie of bij beslissing van de ambtenaar zelf onderbroken wordt, stelt zich opnieuw ter beschikking van de Vlaamse minister onder wie hij ressorteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien hij zonder geldige reden weigert of nalaat dit te doen, wordt hij, na tien dagen afwezigheid, als ontslagnemend beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 3. - Verlof wegens terbeschikkingstelling van de Koning, een Prins of een Prinses van België Art. XI 75. § 1. De ambtenaar wordt door de Vlaamse minister onder wie hij ressorteert ter beschikking van de Koning, een Prins of een Prinses van België gesteld, op hun verzoek. § 2. Voor de tijd dat de ambtenaar ter beschikking van de Koning, een Prins of een Prinses van België wordt gesteld, krijgt hij verlof. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 4. - Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een erkende politieke groep Art. XI 76. Onder \"erkende politieke groep\" wordt verstaan de politieke groep die erkend is overeenkomstig het reglement van elk van de wetgevende vergaderingen van de federale overheid of van de Gemeenschappen en de Gewesten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 77. § 1. Op verzoek van de voorzitter van een erkende politieke groep krijgt de ambtenaar in een rang lager dan A2, met zijn instemming en voor zover het belang van de dienst zich er niet tegen verzet, verlof om een ambt uit te oefenen bij een erkende politieke groep in de wetgevende vergaderingen van een federale overheid of van de Gemeenschappen en de Gewesten, of bij de voorzitter van één van die groepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. § 2. Binnen de perken van de reglementering of het reglement van de betrokken wetgevende vergadering, wordt het verlof dat is toegestaan aan de ambtenaar die een ambt uitoefent bij een erkende politieke groep of bij de voorzitter van een van die groepen, ofwel bezoldigd door het ministerie met doorbetaling van het salaris en terugvordering, ofwel niet bezoldigd door het ministerie en wordt het salaris stopgezet indien de betrokken wetgevende vergadering of de erkende politieke groep een salaris betaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 78. Het verlof wordt toegekend door de functioneel bevoegde Vlaamse minister onder wie de ambtenaar ressorteert; de minister kan om dienstredenen het verlof beëindigen mits er een opzeggingstermijn van een maand in acht genomen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit vermeldt de identiteit (naam, voornamen en graad) van de ambtenaar, de duur van het toegekende verlof, alsmede de politieke groep of de voorzitter van de groep waarbij de ambtenaar een ambt uitoefent.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functioneel bevoegde minister dient binnen acht dagen en op straffe van intrekking van het verleende verlof, een afschrift van dit besluit te sturen naar de dienst belast met het uitbetalen van het salaris van de betrokken ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 79. Het totale bedrag van de bezoldigingen die jaarlijks verschuldigd zijn aan ambtenaren met verlof bij een erkende politieke groep of bij de voorzitter ervan, mag niet hoger zijn dan het totale bedrag van de subsidie die de groep of de voorzitter uit de begroting der dotaties ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op ambtenaren die rechtstreeks bezoldigd worden door de betrokken wetgevende vergadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 80. De erkende politieke groepen of hun voorzitter storten elk kwartaal in de Vlaamse Thesaurie een som die gelijk is aan het totale bedrag van de salarissen, vergoedingen en toelagen die tijdens het vorige kwartaal zijn betaald aan ambtenaren met verlof om bij die politieke groepen of bij de voorzitter ervan werkzaam te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bij het verstrijken van een kwartaal een politieke groep of de voorzitter ervan de bedoelde stortingen niet heeft verricht, wordt er een eind gemaakt aan het verlof van de ambtenaar waarover zij beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op ambtenaren die rechtstreeks bezoldigd worden door de betrokken wetgevende vergadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 5. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. XI 81. § 1. De tot benoemen bevoegde overheid onder wie de met een verlof voor opdracht belaste ambtenaar ressorteert beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is, als vacant moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij kan die beslissing nemen zodra de ambtenaar vier jaar afwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste en tweede lid geldt deze mogelijkheid niet voor de betrekking van de ambtenaar met verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet. § 2. Aan de in § 1 bedoelde beslissing moet het advies voorafgaan van het instellingshoofd indien de benoemende overheid de Vlaamse regering is, en van het afdelingshoofd indien de benoemende overheid het instellingshoofd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze van mening is dat de betrekking niet als vacant moet worden beschouwd, kan de benoemende overheid deze niettemin vacant verklaren na advies van de directieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 9. - Vormingsverlof en dienstvrijstelling voor vorming Art. XI 82. Vorming is elke activiteit die bijdraagt tot het ontwikkelen van de capaciteiten, kennis, vaardigheden en attitudes van de ambtenaar met het oog op een verbeterde werking van de instelling inzake efficiëntie en effectiviteit van de dienstverlening aan de burger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 83. § 1. Voor opleidingen die georganiseerd worden in het raam van het vormingsbeleid door het ministerie, of voor vormingsactiviteiten die goedgekeurd worden door de departementale vormingscoördinator wordt dienstvrijstelling verleend. Deze periodes van afwezigheid worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienstvrijstelling kan geweigerd worden indien dezelfde activiteit reeds werd gevolgd. § 2. De ambtenaar heeft recht op een voorbereiding voor examens of bekwaamheidsproeven. De voorbereiding bestaat uit voorbereidende opleidingen georganiseerd namens de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nochtans de ambtenaar deze voorbereiding een tweede maal wil volgen binnen een periode van vijf jaar, kan het afdelingshoofd deze toestemming weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periodes van afwezigheid voor deze voorbereiding worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 84. § 1. Voor beroepsopleidingen die op eigen initiatief gevolgd worden en die georganiseerd worden door het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap of georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Vlaamse Gemeenschap in het kader van regelgeving inzake onderwijs en die 's avonds of in het weekeinde worden gegeven, kan de ambtenaar vormingsverlof krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periodes van afwezigheid voor vormingsverlof worden gelijkgesteld met dienstactiviteit. § 2. Onder beroepsopleiding worden enkel die opleidingen verstaan die in verband staan met het uitgeoefende ambt. § 3. Het vormingsverlof wordt aangevraagd bij het instellingshoofd die, na het advies te hebben ingewonnen van de departementale vormingscoördinator, oordeelt of de aanvraag in verband staat met het uitgeoefende ambt en of het vormingsverlof verenigbaar is met de belangen van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opleidingen bedoeld in § 1 die voorbereiden op overgangs- en bevorderingsexamens voor de betrokken ambtenaar worden in elk geval beschouwd als in verband staande met het uitgeoefende ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dienstbelang kan slechts eenmaal ingeroepen worden om deze opleidingen te weigeren. § 4. Het vormingsverlof is gelijk aan het aantal uren van de opleiding, zonder evenwel per jaar meer dan 120 uur te mogen bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van het aantal uren vormingsverlof wordt rekening gehouden met de geleverde prestaties en wel volgens de regels van toepassing voor de berekening van het jaarlijks vakantieverlof voor het jaar waarin de opleiding begint. § 5. Het vormingsverlof kan slechts éénmaal worden toegekend voor eenzelfde opleiding. § 6. Het vormingsverlof wordt geschorst indien blijkt dat de ambtenaar niet regelmatig de opleiding heeft gevolgd. § 7. Inzake het vormingsverlof worden in instelling de bepalingen gevolgd die door de leidend ambtenaar van de administratie Personeelsontwikkeling voor het ministerie worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 85. Artikel XI 83, § 1 is van toepassing op de stagiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 10. - Omstandigheidsverlof Art. XI 86. § 1. Aan de ambtenaar wordt omstandigheidsverlof toegekend naar aanleiding van de gebeurtenissen en binnen de perken zoals hierna vermeld : 1° huwelijk van de ambtenaar : 4 werkdagen 2° bevalling van de echtgenote of samenwonende partner : 4 werkdagen 3° overlijden van de echtgeno(o)t(e) of samenwonende partner, een bloed- of aanverwant in de eerste graad : 4 werkdagen 4° huwelijk van een kind : 2 werkdagen 5° overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad maar onder eenzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen 6° overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede graad maar niet onder eenzelfde dak wonend als de ambtenaar : 1 werkdag § 2.De afwezigheid wegens omstandigheidsverlof worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. § 3. Dit verlof is tevens van toepassing op de stagiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 11. - Gecontingenteerd verlof Art. XI 87. Onverminderd de in de titels 2 tot en met 10 bepaalde verloven kan de ambtenaar in de toestand dienstactiviteit aanspraak maken op de volgende contingenten verloven : 1° 20 werkdagen per jaar te nemen in volledige dagen en al dan niet aaneensluitende periodes;dit verlof wordt niet bezoldigd. 2° een eenmalig contingent tijdens de loopbaan naar rato van de duur om een stage of proefperiode in een andere betrekking bij een overheidsdienst of in de privé-sector door te maken;dit verlof wordt niet bezoldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenop dit contingent krijgt de ambtenaar van de instelling die geslaagd is voor een vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau ambtshalve verlof in zijn oude graad voor de duur van zijn stage in zijn nieuwe graad. 3° één maand per verkiezing om zijn kandidatuur voor wetgevende en provinciale verkiezingen voor te bereiden;dit verlof wordt niet bezoldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 88. Onverminderd het in titel 6 bepaalde verlofstelsel kan de ambtenaar aanspraak maken op een contingent verlof van 5 jaar gedurende zijn loopbaan, te nemen in periodes van minimum 1 jaar. Dit contingent wordt gelijkgesteld met de administratieve toestand non-activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof kan niet gebruikt worden voor het uitoefenen van een winstgevende betrekking bij een andere werkgever of als zelfstandige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 89. Het gecontingenteerd verlof wordt aangevraagd en toegestaan overeenkomstig de procedure bepaald in artikel XI 36, §§ 1, 2 en 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 12. - Verlof krachtens nationale bepalingen of verplichtingen Art. XI 90. § 1. De ambtenaar en de stagiair van de instelling die hun militaire dienst of burgerdienst volbrengen, vallen onder de toepassing van - het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve stand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden; - het koninklijk besluit van 10 september 1981 tot vaststelling van de administratieve stand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen welke van de militaire dienst vrijgesteld zijn bij toepassing van artikel 16 van die dienstplichtwetten, gecordineerd op 30 april 1962.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepalingen gelden in afwachting dat de Koning, na advies van de Vlaamse regering, krachtens artikel 43 van het A.P.-K.B. de administratieve toestand en de gevolgen voor recht op salaris, op bevordering tot een hoger salaris, voor administratieve anciënniteit of loopbaanaanspraken bepaalt van verplichtingen die door de nationale wetgever opgelegd zijn. § 2. Het instellingshoofd neemt het besluit houdende ambtshalve verlof en vaststelling van de administratieve toestand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 91. § 1. De ambtenaar en de stagiair van de instelling die verlof krijgen om in vredestijd als vrijwilliger prestaties te verrichten bij het korps voor burgerlijke veiligheid vallen onder de toepassing van artikel 13 van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid zoals het gewijzigd of vervangen zal worden. § 2. Het instellingshoofd staat het verlof toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 92. De ambtenaar en de stagiair van de instelling hebben recht op voorbehoedend verlof wanneer een inwonend familielid aangetast is door een besmettelijke ziekte, in de omstandigheden en volgens de nadere bepalingen die vastgesteld worden door het Algemeen Reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 93. § 1. De ambtenaar en de stagiair van de instelling krijgen vakbondsverlof overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen van het syndicaal statuut zoals bepaald in de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/12/1974 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/12/1974 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. § 2. Het instellingshoofd erkent een personeelslid als vaste afgevaardigde op aanvraag van een verantwoordelijk leider van zijn vakorganisatie. § 3. De tot benoemen bevoegde overheid onder wie de ambtenaar met vakbondsverlof ressorteert, beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is, als vacant moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij kan die beslissing nemen zodra de ambtenaar vier jaar afwezig is. § 4. Aan de in § 3 bedoelde beslissing moet het advies voorafgaan van het instellingshoofd indien de benoemende overheid de Vlaamse regering is en van het afdelingshoofd indien de benoemende overheid het instellingshoofd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze van mening is dat de betrekking niet als vacant moet worden beschouwd, kan de benoemende overheid deze niettemin vacant verklaren na advies van de directieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 94. De ambtenaar en de stagiair van de instelling hebben recht op ziekte- of gebrekkigheidsverlof bij een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte, overeenkomstig artikel 15 van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid, zoals het zal gewijzigd of vervangen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzake de algemene regeling van schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten valt de ambtenaar van de instelling onder de toepassing van navolgende wettelijke en reglementaire bepalingen, zoals zij zullen worden gewijzigd of vervangen door de nationale overheid : - de wet van 3 juli 1967Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1967 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1967 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector; - het koninklijk besluit van 24 januari 1969Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1967 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/10/2001 numac 2001000905 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1967 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/03/2018 numac 2018030614 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten0 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk; - het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 95. § 1. De ambtenaar en de stagiair van de instelling die een politiek mandaat of een ambt dat ermee kan worden gelijkgesteld, uitoefenen, hebben recht op politiek verlof onder de voorwaarden bepaald door de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar en de stagiair worden van ambtswege met voltijds politiek verlof gezonden voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten : - lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers of van de Senaat; - lid van het Vlaamse Parlement; - lid van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad; - lid van het Europees Parlement; - lid van de federale regering; - lid van de Vlaamse regering of de Brusselse Hoofdstedelijke regering; - gewestelijk staatssecretaris van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest - lid van de commissie van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof loopt tot zes maanden na de beëindiging van het mandaat en wordt gelijkgesteld met non-activiteit. § 2. De tot benoemen bevoegde overheid onder wie de ambtenaar met voltijds politiek verlof ressorteert, beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is, als vacant moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij kan die beslissing nemen zodra de ambtenaar vier jaar afwezig is en wat het in § 1, tweede lid vermelde verlof betreft, bij de aanvang van een tweede bij het eerste aansluitend mandaat. § 3. Aan de in § 2 bedoelde beslissing moet het advies voorafgaan van het instellingshoofd indien de benoemende overheid de Vlaamse regering is of het afdelingshoofd indien de benoemende overheid het instellingshoofd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze van mening is dat de betrekking niet als vacant moet worden beschouwd, kan de benoemende overheid deze niettemin vacantverklaren na advies van de directieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 13. - Overgangsbepalingen Art. XI 96. De ambtenaar aan wie een verlof was toegekend overeenkomstig de reglementering die van kracht was vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, geniet dit verlof tot het einde van de periode waarvoor het was toegestaan zonder het te kunnen verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 97. § 1. De ambtenaar die zich op 1 januari 1994 in de administratieve toestand van disponibiliteit wegens ziekte bevindt, wordt met ingang van deze datum ingeschakeld in de ziekteregeling van dit besluit. § 2. In afwijking van § 1 wordt voor de ambtenaar in disponibiliteit tegen wie een aanvraag tot voortijdige pensionering bij de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst werd ingediend vóór 1 januari 1994, de procedure afgehandeld volgens de reglementering van kracht op die datum met dien verstande evenwel dat het salaris van de betrokken ambtenaar vanaf 1 januari 1994 volledig wordt betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de Administratieve Gezondheidsdienst de beslissing neemt dat deze ambtenaar definitief geschikt is om het werk te hervatten, valt hij onder toepassing van artikel XI 25 en worden de ziektedagen genoten vanaf 1 januari 1994 met ingang van deze datum aangerekend op de 666 werkdagen vermeld in artikel XI 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XI 98. De stand van het ziektekrediet dat de ambtenaar vóór 1 januari 1994 opgebouwd heeft overeenkomstig de ziekteregeling van kracht vóór deze datum wordt op nul teruggebracht, onverminderd de toepassing van artikel XI 25 § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL XII. - VERLIES VAN DE HOEDANIGHEID VAN AMBTENAAR EN DEFINITIEVE AMBTSNEERLEGGING TITEL 1. - De redenen Art. XII 1. Niemand kan zijn hoedanigheid van ambtenaar verliezen vóór de normale leeftijd van de pensionering, behalve in de gevallen bepaald door de pensioenwetgeving of door dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XII 2. § 1. Ambtshalve en zonder opzegging verliest de hoedanigheid van ambtenaar : 1° de ambtenaar van wie de benoeming onregelmatig bevonden wordt binnen de termijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of, als een zodanig beroep is ingesteld, tijdens de procedure; die termijn geldt niet in geval van arglist of bedrog van de ambtenaar; 2° de ambtenaar die niet langer zijn burgerlijke en politieke rechten geniet, die niet meer voldoet aan de dienstplichtwetten of wiens lichamelijke ongeschiktheid werd vastgesteld of, voor de ambten bedoeld in artikel VI 1 § 2, die niet meer voldoet aan de nationaliteitsvereiste;3° onverminderd de toepassing van artikel XI 6, tweede lid en artikel XI 7 de ambtenaar die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien dagen afwezig blijft;4° de ambtenaar die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;5° de ambtenaar die wordt afgezet; § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover aan de voorwaarden van de desbetreffende reglementering is voldaan, stort de instelling bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen die verschuldigd zijn voor de opname van de ambtenaar in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering - sector uitkeringen - en de moederschapsverzekering in de gevallen vermeld in § 1, sub 1°, behalve bij arglist of bedrog van de ambtenaar, sub 2°, 4° en 5°, behalve bij ernstig vergrijp zoals bepaald in artikel IX 6. § 3. Het ontslag van de ambtenaar wordt in de gevallen die opgesomd zijn als reden in § 1, sub 1°, 2°, 4° en 5° ondertekend door het instellingshoofd, en in het geval dat als reden genoemd is sub 3° door de benoemende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontslag van het instellingshoofd wordt ondertekend door de benoemende overheid. § 4. Dit artikel geldt tevens voor de stagiairs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XII 3. Tot ambtsneerlegging geven aanleiding : 1° het vrijwillig ontslag;2° de pensionering;3° de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid. De bepaling onder 1° van dit artikel geldt tevens voor de stagiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XII 4. In geval van vrijwillig ontslag mag de ambtenaar slechts na toestemming en na een opzeggingstermijn van ten minste dertig dagen, zijn dienst verlaten. Indien de bevoegde overheid binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de aanvraag van de ambtenaar niet geantwoord heeft, wordt de toestemming geacht gegeven te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans kan in afwijking van het eerste lid in onderling akkoord tussen de ambtenaar en de bevoegde overheid de opzeggingstermijn ingekort worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een benoeming bij een andere overheid die definitief geworden is, wordt gelijkgesteld met vrijwillig ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XII 5. § 1. De ambtenaar die 60 jaar geworden is, wordt ambtshalve op rust gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij, zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, komt tot een totaal van 365 kalenderdagen afwezigheid wegens ziekte te rekenen vanaf de leeftijd van 60 jaar. Voor het berekenen van deze 365 kalenderdagen komen de afwezigheden te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte, niet in aanmerking. § 2. Wegens uitzonderlijke redenen kan een ambtenaar boven de leeftijd van 65 jaar in dienst gehouden worden indien de Vlaamse gemeenschap er bijzonder belang bij zou hebben zijn medewerking nog enige tijd te behouden vóór zijn vervanging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het indiensthouden boven de leeftijdsgrens kan slechts voor maximum zes maanden toegestaan worden zonder mogelijkheid tot verlenging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing wordt gemotiveerd; zij wordt genomen door de Vlaamse regering op voorstel van de Vlaamse minister bevoegd voor ambtenarenzaken en de functioneel bevoegde minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XII 6. Het vrijwillig ontslag en de pensionering wordt toegestaan, respectievelijk ondertekend door het instellingshoofd; voor het instellingshoofd gebeurt dit door de benoemende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XII 7. § 1. De ambtenaar wordt definitief ongeschikt verklaard wegens beroepsredenen indien hij gedurende twee opeenvolgende jaren de evaluatie \"onvoldoende\" gekregen heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorstel \"onvoldoende\" dat de tweede opeenvolgende maal geformuleerd wordt, wordt gelijkgesteld met een voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid waartegen beroep mogelijk is bij de raad van beroep. § 2. De afdanking wegens beroepsongeschiktheid wordt uitgesproken door de benoemende overheid. § 3. Voor zover aan de voorwaarden van de desbetreffende reglementering is voldaan, stort de instelling bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen die verschuldigd zijn voor de opname van de ambtenaar in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering - sector uitkeringen - en de moederschapsverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XII 8. De benoemende overheid kan aan de pensioengerechtigde ambtenaar toestaan de eretitel van het door hem laatst werkelijk waargenomen ambt te blijven dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XII 9. De toestemming tot het voeren van de onder artikel XII 8 beoogde eretitel wordt enkel aan ambtenaren verleend die geen functioneringsevaluatie \"onvoldoende\" kregen en die ten minste 20 jaar werkelijke dienst hebben op het ogenblik van hun pensionering, behoudens in geval van vroegtijdige pensionering ten gevolge van letsels opgedaan of van ongevallen overkomen tijdens de uitoefening van of in verband met hun ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 2. - Overgangsbepaling Art. XII 10. De ambtenaar die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit 60 jaar of ouder is, wordt in afwijking van artikel XII 5, § 1, eerste zin, ambtshalve op rust gesteld op de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, 365 kalenderdagen afwezigheid wegens ziekte telt, te rekenen vanaf zijn zestigste verjaardag.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL XIII. - GELDELIJK STATUUT TITEL 1. - Bezoldigingsregeling HOOFDSTUK 1. - De salarisschalen Artikel XIII 1. Het jaarsalaris, hierna salaris te noemen, van de ambtenaar wordt vastgesteld in de salarisschalen bestaande uit : - een minimumsalaris; - salaristrappen die het resultaat zijn van de periodieke salarisverhogingen; - een maximumsalaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen enkele salarisschaal mag zich over meer dan 31 jaar ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het salaris en de periodieke salarisverhogingen worden uitgedrukt in een aantal munteenheden, dat met hun jaarbedrag overeenstemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het salaris, verhoogd met de eventuele haard- of standplaatstoelage, ligt nooit beneden de gewaarborgde minimumbezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XIII 2. De salarisschaal wordt vastgesteld met inachtneming van de rang, van de graad en van de belangrijkheid van de functie die ermee overeenstemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan elke graad worden één of meer salarisschalen verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer meerdere salarisschalen aan één graad worden verbonden, kunnen de hogere salarisschalen alleen verleend worden volgens de in dit besluit bepaalde criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XIII 3. § 1. Elke salarisschaal behoort tot een van de volgende niveaus aangeduid met de letters A, B, C, D en E. De salarisschaal wordt verder aangeduid met cijfers. Het eerste cijfer geeft de rang aan, het tweede cijfer de loopbaan binnen de rang. Het laatste cijfer geeft de plaats aan van de salarisschaal met betrekking tot de andere salarisschalen die binnen dezelfde loopbaan bestaan. § 2. Elke salarisschaal wordt aangegeven door de lettercijfercode die in de bij dit besluit gevoegde tabel (bijlage 9) boven de salarisschaal is opgenomen.</p></div>", "next": 239874}