← België

Koninklijk besluit tot vaststelling van de paramaters waarmee het volume aan te kopen capaciteit wordt bepaald, inclusief hun berekeningsmethode, en v

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit stelt de regels vast voor het bepalen van de hoeveelheid elektriciteitscapaciteit die moet worden aangekocht en de organisatie van veilingen hiervoor, als onderdeel van een mechanisme om de leveringszekerheid van elektriciteit te waarborgen. Het regelt ook hoe uitzonderingen op bepaalde prijslimieten kunnen worden verkregen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
28 APRIL 2021. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de paramaters waarmee het volume aan te kopen capaciteit wordt bepaald, inclusief hun berekeningsmethode, en van de andere parameters die nodig zijn voor de organisatie van de veilingen, alsook de methode en voorwaarden tot het verkrijgen van individuele uitzonderingen op de toepassing van de intermediaire prijslimiet(en) in het kader van het capaciteitsvergoedingsmechanisme VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit koninklijk besluit heeft betrekking op het capaciteitsvergoedingsmechanisme (hierna "CRM"). Wettelijk kader Op 15 maart 2021 werd de wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 08/03/2018 numac 2018011073 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 24/06/1999 numac 1999022439 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen type wet prom. 29/04/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999000502 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van artikel 77, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen type wet prom. 29/04/1999 pub. 24/06/2016 numac 2016000390 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt sluiten betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van de wet van 22 april 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2019 pub. 16/05/2019 numac 2019012267 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, teneinde een capaciteitsvergoedingsmechanisme in te stellen sluiten tot wijziging van de wet van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 08/03/2018 numac 2018011073 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 24/06/1999 numac 1999022439 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen type wet prom. 29/04/1999 pub. 26/06/1999 numac 1999000502 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van artikel 77, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen type wet prom. 29/04/1999 pub. 24/06/2016 numac 2016000390 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt sluiten betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt teneinde een capaciteitsvergoedingsmechanisme in te stellen afgekondigd. Deze wet werd aangenomen onder meer om de CRM- wet van 22 april 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2019 pub. 16/05/2019 numac 2019012267 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, teneinde een capaciteitsvergoedingsmechanisme in te stellen sluiten aan te passen aan de Europese Verordening 2019/943 van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (hierna "Verordening 2019/943"). De Verordening 2019/943 bevat verschillende relevante bepalingen met betrekking tot het design van een CRM, waaronder artikel 22, lid 1: "Capaciteitsmechanismen: a) zijn tijdelijk;b) leiden niet tot onnodige marktverstoringen en beperken de zone-overschrijdende handel niet;c) gaan niet verder dan wat nodig is om de in artikel 20 bedoelde zorgpunten met betrekking tot de toereikendheid aan te pakken;d) selecteren capaciteitsaanbieders via een transparante, niet-discriminerende en concurrerende procedure;e) bieden stimulansen voor capaciteitsaanbieders om op momenten waarop systeemstress verwacht wordt beschikbaar te blijven;f) waarborgen dat de vergoeding wordt bepaald via de concurrerende procedure;g) bepalen de technische voorwaarden voor de deelname van capaciteitsaanbieders voordat de selectieprocedure van start gaat;h) staan open voor deelname van alle hulpbronnen die de vereiste technische prestaties kunnen verstrekken, met inbegrip van energieopslag en vraagzijdebeheer; i) leggen passende sancties op aan capaciteitsaanbieders die niet beschikbaar zijn in tijden van systeemstress." Alsook artikel 25, lid 4: "Wanneer toepassing wordt gemaakt van capaciteitsmechanismen, worden de parameters waarmee de hoeveelheid in het kader van het capaciteitsmechanisme aangekochte capaciteit wordt bepaald, goedgekeurd door de lidstaat of een andere door de lidstaat aangewezen bevoegde instantie op basis van een voorstel van de regulerende instantie." De ontwikkeling van een dergelijk mechanisme wordt verder uitgevoerd door middel van verschillende koninklijke besluiten en werkingsregels. Dit koninklijk besluit geeft uitvoering aan artikel 7undecies, § 2 van de Elektriciteitswet, waarin staat: "De Koning bepaalt bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, met welke parameters het volume aan te kopen capaciteit wordt bepaald, inclusief hun berekeningsmethode, op voorstel van de commissie, na raadpleging van de marktspelers en na advies van de Algemene Directie Energie. De Koning bepaalt bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de andere dan de in het eerste lid bedoelde parameters die nodig zijn voor de organisatie van de veilingen, d.w.z. de reductiefactoren, de referentieprijs, de intermediaire prijslimiet(en) die van toepassing is / zijn op bepaalde capaciteiten die beantwoorden aan specifieke criteria, en de uitoefenprijs, inclusief hun berekeningsmethode, op voorstel van de netbeheerder, dat wordt opgesteld na raadpleging van de marktdeelnemers, en na advies van de commissie. De Koning bepaalt bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de methode en voorwaarden tot het verkrijgen van individuele uitzonderingen op de toepassing van de intermediaire prijslimiet(en), na raadpleging van de marktdeelnemers. Een individuele uitzondering wordt toegekend door de commissie." Dit koninklijk besluit bepaalt dus de parameters waarmee het volume aan te kopen capaciteit wordt bepaald, inclusief hun berekeningsmethode. Vervolgens legt dit koninklijk besluit de andere parameters vast die nodig zijn voor de organisatie van de veilingen, d.w.z. de reductiefactoren, de referentieprijs, de intermediaire prijslimiet(en) die van toepassing is / zijn op bepaalde capaciteiten die beantwoorden aan specifieke criteria, en de uitoefenprijs, inclusief hun berekeningsmethode. Tot slot bepaalt dit Koninklijk besluit de methode en voorwaarden tot het verkrijgen van individuele uitzonderingen op de toepassing van de intermediaire prijslimiet(en). De waarden die voor een specifieke veiling gelden worden, rekening houdend met de methodologie uit dit Koninklijk besluit, vastgelegd bij ministerieel besluit na overleg in de ministerraad, zoals bepaald in artikel 7undecies, § 6, eerste lid van de Elektriciteitswet: "Uiterlijk op 31 maart van elk jaar, op basis van de voorstellen en adviezen bedoeld in de paragrafen 3, 4 en 5, met het oog op het verzekeren van het vereiste niveau aan bevoorradingszekerheid zoals bepaald in paragraaf 7, na overleg in de Ministerraad, geeft de minister instructie aan de netbeheerder om de veilingen te organiseren voor de onderzochte perioden van capaciteitslevering, stelt de parameters vast die nodig zijn voor hun organisatie, bepaalt het maximale volume aan capaciteit dat in het kader van de betreffende veiling kan gecontracteerd worden met alle houders van niet bewezen capaciteit en bepaalt het minimaal te reserveren volume voor de veiling die één jaar voor de periode van capaciteitslevering georganiseerd wordt. Dit minimaal te reserveren volume is minstens gelijk aan de capaciteit die gemiddeld minder dan 200 draaiuren heeft per jaar teneinde de totale piekcapaciteit af te dekken." Net zoals de Elektriciteitswet zelf, moet dit koninklijk besluit te allen tijde in overeenstemming zijn met de relevante bepalingen en regels van de Europese regelgeving. In het bijzonder zal de in dit koninklijk besluit beschreven methodologie dus enkel dienen ter aanvulling van de Verordening 2019/943 en de methodologieën ontwikkeld op basis van deze Verordening, en kan ze niet in tegenspraak daarmee worden geïnterpreteerd. Na een korte algemene inleiding over het CRM worden al deze aspecten beschreven in dit verslag aan de Koning. Algemene beschrijving van het CRM Een capaciteitsvergoedingsmechanisme is een marktmechanisme dat is opgezet om de toereikendheid van de middelen in de Belgische regelzone en dus de bevoorradingszekerheid van het land te garanderen door een bepaalde capaciteitsvergoeding toe te kennen in ruil voor het ter beschikking stellen van capaciteit gedurende een vooraf bepaalde periode van capaciteitslevering. De toekenning van een vergoeding vloeit voort uit een concurrerende veiling, op jaarbasis, voor een gegeven toekomstige periode van capaciteitslevering. De veilingen vinden lang genoeg vóór het begin van de desbetreffende periode van capaciteitslevering plaats, dat wil zeggen vier jaar en een jaar voor het begin van de desbetreffende periode van capaciteitslevering, om alle technologieën alsook bestaande en bijkomende capaciteit in staat te stellen deel te nemen aan het CRM. Technologieën kunnen deelnemen op basis van hun verwachte bijdrage aan de toereikendheid van de middelen, die wordt bepaald door de toepassing van reductiefactoren. Het mechanisme is van toepassing op de gehele markt, wat betekent dat het alle capaciteit vergoedt die nodig is om aan de verwachte vraag te voldoen, waardoor de betrouwbaarheidsnorm, d.w.z. het vooraf bepaalde niveau van bevoorradingszekerheid van het land, wordt gewaarborgd. Na de veiling worden de capaciteitscontracten gegund aan de geselecteerde capaciteitsleveranciers. Dit contract, dat door de commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 7undecies, § 7 van de Elektriciteitswet, beschrijft alle rechten en plichten van de contractuele partijen. Hoewel de looptijd van het standaardcontract 1 jaar bedraagt, is het ook mogelijk om op grond van artikel 7undecies, § 5, een contract te gunnen voor verschillende periodes van capaciteitslevering, afhankelijk van de vooraf bepaalde investeringsdrempels die in koninklijk besluit zijn vastgesteld. Voorstellen Het artikel 7undecies, § 2 van de Elektriciteitswet vereist twee voorstellen: - Een voorstel van de commissie met betrekking tot de parameters waarmee het volume aan te kopen capaciteit wordt bepaald (lid 1); - Een voorstel van de netbeheerder met betrekking tot de andere parameters die nodig zijn voor de organisatie van de veilingen (lid 2). Het voorstel van de commissie met betrekking tot de parameters waarmee het volume aan te kopen capaciteit wordt bepaald werd eerst opgemaakt op 24 maart 2020. Per brief van 25 februari 2021 bevestigde de commissie dat dit voorstel dient beschouwd te worden als haar voorstel overeenkomstig artikel 7undecies, § 2 van de Elektriciteitswet. Overeenkomstig de wettelijke procedure, bepaalt de Koning de parameters en hun berekeningsmethode, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, na raadpleging van de marktspelers en na advies van de Algemene Directie Energie. Na het voorstel van de commissie dd. 24 maart 2020 werd, rekening houdend met de resultaten van de publieke bevraging van de CREG op haar nota 2024 en op haar ontwerpvoorstel 2064 en met de reacties van de marktpartijen zoals gecommuniceerd tijdens verschillende vergaderingen van de Task Force CRM, en na analyse door de FOD Economie, geconcludeerd dat het voorstel van de CREG onvoldoende garanties bood dat de doelstelling van het CRM, d.i. "het verzekeren van het vereiste niveau aan bevoorradingszekerheid", zou gerespecteerd worden. Het advies van de Algemene Directie Energie van 17 april 2020 bevatte daarom een aangepaste methode voor de parameters waarmee de hoeveelheid in het kader van het capaciteitsmechanisme aangekochte capaciteit wordt bepaald. Hierover is een publieke bevraging gehouden van 23 maart 2020 tot en met 27 maart 2020. Er wordt opgemerkt dat het voorstel van de commissie geen voorstel van koninklijk besluit bevat. Het voorstel bevat vijf principes, die vervolgens worden toegepast in een voorstel van methodologie ter bepaling van de parameters voor het aan te kopen volume. Dit voorstel, alsook het al dan niet afwijken ervan, wordt hierna toegelicht. Er wordt rekening gehouden met het advies van de Algemene Directie Energie en de reacties van de marktpartijen. Scenariokeuze De commissie stelt dat de eerste stap in de bepaling van het volume voor een bepaald leveringsjaar de bepaling is van welk scenario weerhouden dient te worden. Deze stap wordt inderdaad voorzien als basis, in artikel 2 van het koninklijk besluit. In artikel 3 wordt de procedure om te komen tot het scenario, die jaarlijks opnieuw wordt gevolgd, toegelicht als volgt: " § 2. Uit de op het ogenblik van de selectie meest recent beschikbare Europese beoordeling bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) 2019/943 en / of de nationale beoordeling bedoeld in artikel 24 van Verordening (EU) 2019/943, worden één of meerdere scenario's en gevoeligheden geselecteerd. Deze selectie omvat minstens het Europese centrale referentiescenario bedoeld in artikel 23, § 1, 5, b) van Verordening (EU) 2019/943. Tot zolang deze beoordelingen nog niet beschikbaar zijn, wordt een selectie gemaakt uit andere beschikbare studies. § 3. De gegevens en hypothesen waaruit deze scenario's en gevoeligheden zijn opgebouwd worden geactualiseerd op basis van de meest recente relevante informatie. § 4. Daarnaast kunnen andere gevoeligheden gedefinieerd worden die een impact kunnen hebben op de bevoorradingszekerheid in België, met inbegrip van gebeurtenissen buiten de Belgische regelzone. § 5. De geselecteerde scenario's en gevoeligheden, inclusief de gegevens en hypothesen waaruit ze zijn opgebouwd, worden onderworpen aan een openbare raadpleging bedoeld in artikel 5. § 6. Op basis van het consultatierapport en in het bijzonder de informatie die betrekking heeft op artikel 5, § 2, 1° en 2° maakt de commissie een voorstel op voor de Minister van de te weerhouden set van gegevens en hypotheses, die samen een voorstel van referentiescenario vormen. De Algemene Directie Energie formuleert een advies op dit voorstel. § 7. Rekening houdend met het voorstel van de commissie, de aanbevelingen van de netbeheerder en het advies van de Algemene Directie Energie, beslist de Minister ten laatste op 15 september van het jaar voorafgaand aan de veiling welke set van gegevens en hypotheses moet worden geselecteerd als het referentiescenario. De Minister kan hierbij afwijken van het voorstel van de commissie mits passende motivatie." Er gebeurt dus inderdaad jaarlijks, zoals de commissie voorstelt, een beoordeling omtrent het referentiescenario van de veiling. De commissie stelt dat dit gelijkaardig zou moeten zijn aan de nationale beoordeling van de toereikendheid, zoals bepaald in artikel 24 van de Verordening 2019/943. De beoordeling omtrent het referentiescenario binnen het capaciteitsremuneratiemechanisme is evenwel niet hetzelfde als een nationale beoordeling van de toereikendheid voorzien in artikel 24 van de Verordening 2019/943. Er is geenszins een verplichting voor de lidstaten om jaarlijks dergelijke beoordeling te doen. Integendeel stelt artikel 20, lid 1 van de Verordening 2019/943 dat lidstaten dergelijke nationale beoordelingen kunnen doen. In artikel 3, § 2 wordt bepaald dat de selectie van scenario's en sensitiviteiten (die vervolgens geconsulteerd worden) steeds het Europese centrale referentiescenario omvat. De commissie stelt dat elke eventuele wijziging in de methodologie voor de nationale beoordeling van de toereikendheid, ten opzichte van de goedgekeurde Europese methodologie, samen met de scenario's, de gevoeligheidsanalyses en de aannames, in het bijzonder inzake de specifieke kenmerken van de nationale vraag naar en het nationale aanbod aan elektriciteit, het voorwerp moeten uitmaken van een voorafgaande openbare raadpleging. Er wordt vastgesteld dat, in zoverre de commissie doelt op de procedure die geldt voor de nationale beoordeling van de toereikendheid, dit koninklijk besluit hiervoor niet geldt. Dit besluit bevat geen nadere regels omtrent de nationale beoordeling van de toereikendheid, het regelt de parameters die het volume bepalen in het kader van de CRM. Voor de nationale beoordeling van de toereikendheid geldt artikel 24 van de Verordening 2019/943 en de regels daar voorzien, waaronder: "1.Nationale beoordelingen van de toereikendheid van de elektriciteitsvoorziening hebben een regionaal toepassingsgebied en zijn gebaseerd op de in artikel 23, lid 5, bedoelde methodologie, met name het bepaalde in artikel 23, lid 5. Nationale beoordelingen van de toereikendheid van de elektriciteitsvoorziening omvatten de centrale referentiescenario's als bedoeld in artikel 23, lid 5, onder b). Nationale beoordelingen van de toereikendheid van de elektriciteitsvoorziening kunnen rekening houden met bijkomende gevoeligheden naast die als bedoeld in artikel 23, lid 5, onder b). " In zoverre de commissie doelt op de procedure voor het CRM, is het inderdaad zo dat de scenario's, sensitiviteiten en aannames (waaronder de nationale vraag en het nationale aanbod) het voorwerp uitmaken van een voorafgaande openbare raadpleging, voorzien in artikel 3, § 5 en artikel 5. De commissie stelt dat het realistisch is om, naast het centrale referentiescenario, ook nog andere plausibele scenario's te beschouwen. De commissie stelt daarbij voor dat in T-4 vervolgens steeds geopteerd zou dienen te worden voor het scenario met het laagste benodigde totale veilingvolume. Dit laatste standpunt kan niet worden gevolgd. Nergens legt de Europese regelgeving op dat op dergelijke manier het scenario zou dienen te worden bepaald. Dit creëert daarenboven aanzienlijke risico's, die de commissie in dit voorstel buiten beschouwing lijkt te laten. Alle capaciteit die niet wordt geveild in de veiling vier jaren voorafgaand aan het leveringsjaar, dient geveild te worden in de veiling een jaar voorafgaand aan het leveringsjaar. Verschillende technologieën kunnen evenwel niet worden gebouwd op slechts een jaar tijd, waardoor zij in de realiteit niet meer in aanmerking zullen komen om een eventueel tekort aan capaciteit op te vullen. Dit creëert bijgevolg het risico dat, indien er niet voldoende capaciteiten met een korte ontwikkelingstijd (met name maximaal 1 jaar) op de markt aanwezig zijn, de bevoorradingszekerheid niet meer gegarandeerd is. Dit voorstel lijkt er bovendien vanuit te gaan dat de situatie op het vlak van bevoorradingszekerheid alleen maar kan verbeteren tussen de periode vier jaren, en de periode een jaar voorafgaand aan het leveringsjaar. Daarop bestaat geen enkele garantie. In de Verordening 2019/943 worden de bevoegdheden van de lidstaten inzake bevoorradingszekerheid uitdrukkelijk bevestigd. Het is aan de overheid die bevoegd is voor de bevoorradingszekerheid om uit te maken welk scenario het meest realistisch wordt geacht en tegen welke risico's men zich wenst te verzekeren. Indien zou worden bepaald dat steeds zou moeten gekozen worden voor het laagste benodigde totale veilingvolume zouden de bevoegdheden en beleidsmarge van de overheid onevenredig worden beperkt en bestaat er daarenboven het reële risico dat in het leveringsjaar de bevoorradingszekerheid niet kan worden gegarandeerd. Dit kan niet worden aanvaard. Betrouwbaarheidsnorm De commissie geeft aan dat het voorstel van betrouwbaarheidsnorm niet het voorwerp uitmaakt van dit voorstel 2064. Wel zou het belangrijk zijn om voor eenzelfde leveringsjaar eenzelfde betrouwbaarheidsnorm te hanteren, gezien een verschillende betrouwbaarheidsnorm een concurrentieverstoring zou kunnen betekenen tussen de beide biedingen. Er wordt opgemerkt dat artikel 7undecies, § 7 van de Elektriciteitswet de nadere omzetting van artikel 25 van de Verordening 2019/943 regelt. De aanbeveling omtrent het gebruiken van dezelfde betrouwbaarheidsnorm voor eenzelfde leveringsjaar wordt niet verwerkt. Indien in de periode tussen de veiling vier jaren voorafgaand aan het leveringsjaar en de veiling een jaar voorafgaand aan het leveringsjaar, een nieuwe betrouwbaarheidsnorm wordt vastgesteld door de lidstaat op basis van gewijzigde gegevens, moet deze wel degelijk kunnen doorwerken in de volumebepaling voor de daaropvolgende veilingen. Dit is in lijn met artikel 11 van de Elektriciteitsverordening, die bepaalt dat de waarde van de verloren belasting ten minste om de vijf jaar wordt bijgewerkt, of eerder indien significante veranderingen worden vastgesteld (de waarde van de verloren belasting is een belangrijke input parameter voor de betrouwbaarheidsnorm, ndvr). Een aanpassing van de betrouwbaarheidsnorm kan in beide richtingen een impact hebben (namelijk meer of minder volume in T-4, respectievelijk T-1). Bepaling volume voor het leveringsjaar Dit voorstel is verwerkt in de tekst van het koninklijk besluit, met name in artikel 11. Bepaling van het gereserveerd volume voor T-1 veiling In de wet wordt de volgende bepaling voorzien in artikel 7undecies, § 4, laatste lid: "Dit voorstel bevat eveneens een voorstel voor het minimale volume dat moet worden gereserveerd voor de veiling die één jaar voor de periode van capaciteitslevering plaatsvindt. Dit minimaal te reserveren volume is minstens gelijk aan de capaciteit die gemiddeld minder dan 200 draaiuren heeft per jaar teneinde de totale piekcapaciteit af te dekken." De commissie stelt in haar voorstel voor dat deze bepaling zo zou worden geïnterpreteerd dat dit volume enkel wordt opgevuld met capaciteit met een marginale kost gelijk aan het prijsplafond in de elektriciteitsmarkt. Zij verwijst hierbij naar bijlage 1 van haar voorstel, waarop kan worden waargenomen dat het volume voor de veiling voor 1 jaar voorafgaand aan het leveringsjaar, tussen de 6 à 8 GW zou bedragen. Dit wordt als 100% beschikbaar beschouwd, zonder energie- of activatiebeperkingen. Er wordt geoordeeld dat dit voorstel niet kan gevolgd worden. De interpretatie van de commissie is niet in lijn met de wil van de wetgever, zoals kan afgeleid worden uit de toelichting bij het amendement dat geleid heeft tot de opname in de CRM- wet van 22 april 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2019 pub. 16/05/2019 numac 2019012267 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, teneinde een capaciteitsvergoedingsmechanisme in te stellen sluiten (Doc 54 3584/002, pagina 17-19). Daarnaast wordt in de interpretatie die voorzien is in het koninklijk besluit, dewelke geleid heeft tot berekeningen in het rapport van de netbeheerder overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit (beschikbaar op https://www.elia.be/en/users-group/crm-implementation), reeds een volume van ongeveer 1,5 GW berekend, hetgeen meer dan 3 tot 4 GW betreft indien rekening wordt gehouden met derating factoren van technologieën zoals vraagsturing of opslag waarvoor het niet onredelijk is te veronderstellen dat ze kunnen deelnemen in een veiling een jaar op voorhand (zoals de commissie evenzeer voorstelde). Een dergelijk volume is reeds significant en is significant groter dan wat in andere Europese landen met een capaciteitsmechanisme wordt toegepast. Bijvoorbeeld, voor het leveringsjaar 2018/19, had het VK 2,5 GW opzij gezet voor de veiling T-1, ten opzichte van 48,6 GW voor de veiling T-4. In het Ierse CRM wordt ongeveer 2-5% van het volume gereserveerd voor de veiling T-1. In het Italiaans systeem wordt minstens 1% gereserveerd voor de `aanpassingsveilingen'. Het voorstel van de commissie zou ertoe leiden dat meer dan 50% van het beoogde volume (vooraleer niet in aanmerking komende capaciteit nog in rekening wordt gebracht), zou worden voorbehouden voor de veiling een jaar voorafgaand aan het leveringsjaar. Naast het gegeven dat dit niet in lijn is met de wil van de wetgever en niet in lijn met de toegepaste praktijken in andere Europese landen, zou dit voorstel ook tot een onaanvaardbaar risico voor de bevoorradingszekerheid leiden. Indien dergelijke hoeveelheden capaciteiten niet kunnen gevonden worden in T-1, is de kans zeer reëel dat zij evenmin nog tijdig kunnen gebouwd worden. Het is daarnaast ook belangrijk dat een `level playing field' wordt gegarandeerd tussen enerzijds verschillende technologieën, alsook tussen zowel nieuwe als bestaande capaciteiten. Dit is een duidelijke vereiste die volgt uit de Europese regelgeving. Indien een dergelijk groot volume zou worden voorbehouden voor de veiling in T-1, is het meer dan waarschijnlijk dat er in de T-4 veiling geen nieuwe capaciteit kan deelnemen, wat strijdig zou zijn met deze principes. Methodologie voor het opstellen van de vraagcurve voor de veilingen - Toepassing van het proportionaliteitsprincipe De commissie stelt dat de gemaakte kosten door het CRM moeten opwegen tegen de voordelen. De kost van het CRM zou ex ante moeten worden beperkt tot de vermindering van de kost van het probleem (die zij bepaalt als de kost van de niet geleverde energie). Vooraleer concreter in te gaan op de gevolgen van dit principe, wordt opgemerkt dat dit zogenaamde proportionaliteitsprincipe geen basis vindt in de wet, die nog werd aangepast na de CRM-wet van 22 april 2019. De enige plaats waarbij in de Elektriciteitswet over een `proportionele vergoeding' wordt gesproken, is bij de werkingsregels, waarbij wordt bepaald dat deze beogen "ervoor te zorgen dat de toegekende capaciteitsvergoedingen passend en evenredig zijn".Ervoor zorgen dat de toegekende capaciteitsvergoedingen passend en evenredig zijn, is een primaire doelstelling van de regering en is een principe dat doorwerkt in alle voorziene aspecten van het CRM. De commissie stelt voor om ex ante een maximaal budget voor het CRM te bepalen, gebaseerd op de vermeden EENS en de waarde van VOLL. In artikel 25, lid 1 van de Verordening 2019/943 wordt bepaald: "Wanneer de lidstaten capaciteitsmechanismen toepassen, maken zij gebruik van een betrouwbaarheidsnorm. Die geeft op transparante wijze aan wat het vereiste niveau van voorzieningszekerheid voor de lidstaat is." Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat, indien een capaciteitsmechanisme wordt toegepast, het vereiste niveau van voorzieningszekerheid wordt bepaald door de betrouwbaarheidsnorm. Nog vooraleer dat deze bepaling in de Verordening werd verankerd, werd eenzelfde aanpak reeds gehanteerd in de capaciteitsmechanismen in de andere Europese landen. Dit wordt overzichtelijk geduid in de reactie van Elia van 27 maart 2020 ("Bijdrage van Elia aan de raadpleging van de markspelers van de Algemene Directie Energie over de parameters waarmee de hoeveelheid in het kader van het capaciteitsmechanisme aangekochte capaciteit wordt bepaald", beschikbaar op: https://economie.fgov.be/nl/themas/energie/bevoorradingszekerheid/ capaciteitsremuneratiemechanis#toc_heading_14, pagina 28 onderaan, punt Bx). De methodologie omtrent de bepaling van de betrouwbaarheidsnorm, die inmiddels werd vastgesteld overeenkomstig artikel 23, 6 van de Verordening 2019/943, stelt onder meer: "The LOLE threshold pursuant to Article 18 reflects an economic optimisation between the marginal cost of a new capacity resource (CONE) or a renewal/prolongation (CORP) where relevant, and the marginal reduction of EENS (LOLE * VOLLRS). The optimum is reached when these two quantities are equal." De betrouwbaarheidsnorm volgt dus uit een `welvaartsmaximalisatie', waarbij de waarde van de verloren belasting wordt vergeleken met de kost voor nieuwe toegang. Het economisch optimum wordt bereikt wanneer het marginaal voordeel en de marginale kost van betrouwbaarheid gelijk zijn. Dit wil zeggen dat één eenheid additionele capaciteit toevoegen aan het systeem een hogere kost met zich zou meebrengen dan het verwachte voordeel van deze additionele eenheid. Het voorstel van de commissie zou evenwel leiden tot een maximale prijs in het CRM die aanzienlijk lager ligt dan de verwachte waarde van Net-Cone (dewelke wordt gebruikt om de maximumprijs te bepalen). Dit wordt met concrete cijfers aangetoond in de voormelde bijdrage van de transmissienetbeheerder, pagina's 31- 37). De commissie erkent dit ook als zodanig in haar voorstel, waar zij in randnummer 179 stelt dat indien het beoogde veilingsvolume niet gerespecteerd kan worden binnen de gestelde kostenlimiet, er minder capaciteit gecontracteerd zou worden dan het beoogde volume, wat een invloed zou hebben de op de EENS en dus de kostenlimiet. De vraagcurve zou dan opnieuw aangepast moeten worden om rekening te houden met de nieuwe EENS-waarden. Het is duidelijk dat deze iteratieve aanpak zou leiden tot een complex, onzeker en on-transparant proces. Er wordt geoordeeld dat het voorstel van de commissie op dit punt niet kan gevolgd worden. Een alternatief, in lijn met principes die reeds gelden in andere Europese capaciteitsvergoedingsmechanismen en in lijn met de Verordening 2019/943, wordt aangenomen. - Bepaling van het prijsplafond De commissie stelt voor om het prijsplafond gelijk te stellen met de Net Cone. In het koninklijk besluit wordt het prijsplafond gelijk gesteld aan de Net Cone vermenigvuldigd met een correctiefactor X, zoals vastgelegd overeenkomstig artikel 4, § 3. De waarde van de correctiefactor X houdt rekening met de onzekerheden die verband houden met de raming van de nettokost van een nieuwkomer, zowel wat betreft de kostenverschillen tussen de in aanmerking genomen technologieën, de variabiliteit van de brutokost van een nieuwkomer die verbonden is aan verschillende technologieën, als wat betreft de bepaling van de jaarlijkse inframarginale inkomsten op de energiemarkt en netto inkomsten uit balanceringsdiensten. De toepassing van een correctiefactor is in lijn met de capaciteitsvergoedingsmechanismen in andere Europese landen. - De vraagcurve Bij het proportionaliteitsprincipe werd reeds toegelicht waarom deze vorm van vraagcurve niet mee werd opgenomen. - Pay-as-bid versus Pay-as-cleared In artikel 7undecies, § 10 van de wet, wordt voorzien: "De veilingen worden georganiseerd op basis van de "pay-as-bid"-methode, waarvan de modaliteiten worden bepaald in de werkingsregels bedoeld in paragraaf 12. De Koning kan een andere methode van toepassing maken, op grond van een tweejaarlijks verslag dat wordt opgemaakt door de netbeheerder en betrekking heeft op de reeds gehouden veilingen, en op voorstel van de commissie voor zover er wordt vastgesteld dat middels de "pay-as-bid"-methode niet de meest kosten-efficiënte selectie van capaciteiten bereikt wordt en dat een andere methode een meer kostenefficiënte selectie van capaciteiten kan verwacht worden met zich mee te brengen. Indien een andere methode van toepassing wordt gemaakt, dan worden de modaliteiten daarvan bepaald in de werkingsregels bedoeld in paragraaf 12." Het volgen van de pay-as-bid logica is wettelijk verankerd. Enkel indien wordt vastgesteld dat door deze methode niet de meest kosten-efficiënte selectie van capaciteiten bereikt wordt en dat een andere methode een meer kostenefficiënte selectie van capaciteiten kan verwacht worden met zich mee te brengen, is een overstap naar een andere methode mogelijk. - Verfijning van de vraagcurve Het niet-volgen van dit voorstel werd toegelicht bij de toepassing van het proportionaliteitsprincipe. De commissie bevestigt in deze sectie dat er door middel van dit principe het mogelijk is dat er minder capaciteit zou worden gecontracteerd dan het beoogde volume. - Meerjarencontracten De commissie meent dat moet vermeden worden dat dure capaciteit met een meerjarencontract in de latere jaren zou verhinderen dat goedkope capaciteit kan worden gecontracteerd. De commissie stelt dat de meest voor de hand liggende manier zou zijn om de capaciteitsvergoeding in de volgende jaren van het meerjarencontract te laten beperken tot net onder de maximale gecontracteerde capaciteitsvergoeding. Hiervan is zij echter van mening dat de bestaansreden van een meerjarencontract, namelijk het bieden van zekerheid op bepaalde inkomsten, teniet zou worden gedaan. Zij stelt bijgevolg voor om in geval van een gemiddeld dalende EENS een specifieke prijslimiet op te leggen aan meerjarencontracten, die berekend wordt als de gemiddelde totale vermeden EENS-kost berekend voor de jaren met een gemiddeld dalende vermeden EENS vanaf het leveringsjaar, te delen door het totale veilingsvolume voor een leveringsjaar. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat het gegeven dat er in eerdere studies voor de jaren 2028 en verder (met andere woorden erg ver in de toekomst en dus met aanzienlijke onzekerheden) een lagere EENS wordt voorzien, niet afdoet aan het gegeven dat voor 2025 een aanzienlijk tekort aan capaciteit wordt berekend. Dit tekort aan capaciteit, volgend met name uit de kernuitstap waarbij 6 GW aan stuurbare capaciteit de Belgische markt verlaat, kan niet enkel met bestaande capaciteiten worden opgevuld. In elk geval is er nood aan nieuwe capaciteit. Daarnaast is het relevant te vermelden dat de bedoeling van het voorzien van multi-jaarcontracten is het mogelijk maken dat nieuwe capaciteiten (die in veel gevallen significante investeringen vergen die onderworpen zijn aan langere terugbetalingsperioden) in competitie kunnen treden met bestaande capaciteiten. De belangrijkste reden voor het voorzien van multi-jaarcontracten is het voorzien van een `level playing field' tussen bestaande, gerenoveerde en nieuwe capaciteiten. Deze doelstelling speelt evenzeer in elke veiling. Indien in bepaalde veilingen een `additionele' prijslimiet wordt opgelegd, die niet berekend wordt op een `missing money' of net-CONE zoals voorzien wordt in de overige veilingen, is het duidelijk dat capaciteiten die in deze veilingen wensen mee te doen, discriminatoir zouden behandeld worden. Daarnaast kan uit de informatie die naar voren is gekomen tijdens het openbaar onderzoek worden afgeleid dat op deze manier een prijslimiet zou ontstaan die significant afwijkt van de net-CONE, wat met name het bedrag is dat marktpartijen niet zouden verdienen op de markt. Dergelijke prijslimiet opleggen zou er dus voor zorgen dat marktpartijen uit het capaciteitsmechanisme onvoldoende inkomsten zouden halen en dus niet zouden deelnemen. Ten gevolge daarvan zou niet gegarandeerd worden dat de betrouwbaarheidsnorm gehaald wordt. Omwille van de redenen uiteengezet supra, bij de toepassing van het proportionaliteitsprincipe, kan dit voorstel niet worden gevolgd. Hierbij kan additioneel worden opgemerkt dat naast de categorieën van 1 jaar en 15 jaren, ook additionele categorieën van maximum drie en acht jaar voorzien zijn in de Elektriciteitswet. Op deze manier wordt de toekenning van multi-jaar contracten reeds beperkt tot wat strikt genomen nodig is om verschillende capaciteiten toe te laten om met elkaar in competitie te treden (en wordt een overdreven `lock-in' dus al beperkt). Deze aanpak is fijnmaziger dan wat in andere Europese landen is voorzien. Definities (hoofdstuk 1) Voor het algemene begrip van het koninklijk besluit worden een aantal specifieke aspecten gedefinieerd. Deze definities vormen een aanvulling op de definities die in andere wettelijke of regelgevende documenten, zoals de Elektriciteitswet en de Europese wetgeving, zijn vastgesteld. Referentiescenario en intermediaire waarden (hoofdstuk 2) Het uitgangspunt voor elke berekening om de toekomstige capaciteitsbehoefte en andere parameters te bepalen is het referentiescenario. Dit laatste combineert een veelvoud aan veronderstellingen en waarden voor de berekening van deze elementen, met inbegrip van parameters met betrekking tot het verbruik, het aanbod en de interconnectiecapaciteit op Belgisch niveau en op andere relevante markten. Het scenario heeft een belangrijke invloed op de resultaten. Het moet niet alleen de mogelijke toekomstige toestand van het systeem weergeven, maar ook de situaties behandelen waarvoor de Belgische staat zich wil indekken en de bevoorradingszekerheid wil waarborgen en waarop de Belgische Staat geen invloed heeft. De structurele afhankelijkheid van België van imports voor de bevoorradingszekerheid en de hoge graad van interconnecties betekenen immers dat het van cruciaal belang is om rekening te houden met gebeurtenissen in het buitenland die een grote impact hebben op België. Het zou bijvoorbeeld kunnen gaan om: veranderingen in de geïnstalleerde capaciteitsmix; de langdurige onbeschikbaarheid van bepaalde capaciteiten of het risico dat niet tijdig wordt voldaan aan de Europese criteria betreffende de terbeschikkingstelling van grensoverschrijdende capaciteit aan de markt. De bepaling van de contouren van het te hanteren scenario is dan ook een overwegend politieke keuze. Het referentiescenario wordt opgebouwd in verschillende fasen om aan de verschillende vooropgestelde doelstellingen te voldoen. Deze worden toegelicht in artikelen 3, 5 en 6, § 1 van het Koninklijk besluit. Uit de op het ogenblik van de selectie meest recent beschikbare Europese beoordeling bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) 2019/943 en / of de nationale beoordeling bedoeld in artikel 24 van Verordening (EU) 2019/943, worden één of meerdere scenario's en gevoeligheden geselecteerd. Deze selectie omvat minstens het Europese centrale referentiescenario bedoeld in artikel 23, § 1, 5, b) van Verordening (EU) 2019/943 . Tot zolang deze beoordelingen nog niet beschikbaar zijn, wordt een selectie gemaakt uit andere beschikbare studies. Dit scenario wordt vervolgens geactualiseerd op basis van de meest recente publicaties (die nog niet opgenomen zijn in het scenario voor de Europese beoordeling) om rekening te houden met de meest recente informatie. Aangezien het CRM wordt beschouwd als het essentiële vangnet voor de bevoorradingszekerheid van België, kunnen bepaalde gevoeligheden worden gedefinieerd om rekening te kunnen houden met gebeurtenissen die een impact kunnen hebben op de bevoorradingszekerheid in België, met inbegrip van gebeurtenissen buiten de Belgische regelzone. De geselecteerde scenario's en gevoeligheden, inclusief de gegevens en hypothesen waaruit ze zijn opgebouwd, worden onderworpen aan een openbare raadpleging bedoeld in artikel 5. Aan het referentiescenario wordt indien nodig bijkomende capaciteit toegevoegd, zodat het gehanteerde scenario adequaat is en beantwoordt aan de doelstelling van het CRM om te voldoen aan de bevoorradingszekerheidscriteria. Deze laatste stap is nodig om de benodigde parameters te berekenen, en wordt toegelicht in artikel 6, § 1 van het Koninklijk besluit. Wat betreft de vaststelling van het referentiescenario werd door de Raad van State in haar advies 69.020/3 van 13 april 2021 aangegeven dat in het Koninklijk Besluit geen machtiging aan de minister zou kunnen worden gegeven, omdat het vaststellen van het referentiescenario geen regel van bijkomstige of detailmatige aard zou zijn. Hieromtrent wordt evenwel opgemerkt dat artikel 7undecies, § 2, van de Elektriciteitswet de Koning ermee belast om op structurele wijze (niet-periodiek) de volumeparameters en hun berekeningsmethode vast te leggen. Daarentegen is het krachtens artikel 7undecies, § 6, van de Elektriciteitswet aan de minister om periodiek de specifieke waarden vast te stellen van de parameters die nodig zijn voor de organisatie van de veilingen. In deze zin is het logisch dat ook het concrete referentiescenario, wat slechts de periodieke toepassing vormt van de door de Koning in onderhavig besluit bepaalde structurele methode, door de minister wordt vastgesteld. Het bepalen van het referentiescenario moet worden gezien als een voorafgaande maatregel, die nodig is voor het uitvoeren van bepaalde berekeningen, voorstellen en adviezen overeenkomstig artikel 5, 6, § 2, 7, 8 en 12 van onderhavig Koninklijk Besluit. In dat verband moet worden opgemerkt dat in het artikel 3 van onderhavig Koninklijk Besluit een uitgebreide procedure is beschreven, met de nodige consultaties, adviezen en voorstellen, om tot het referentiescenario te komen. De essentie van de regeling inzake het vaststellen van het referentiescenario wordt dus door de Koning zelf vastgesteld. Finaal neemt de minister een beslissing op basis van een voorstel van de regulator, waarover een advies wordt gegeven door de bevoegde instantie voor de bevoorradingszekerheid, zijnde de Algemene Directie Energie. Overeenkomstig de resolutie 1220/007 wordt ook een raadpleging gehouden van de Kamer van volksvertegenwoordigers over de set van gegevens en hypotheses die geselecteerd worden als referentiescenario. Vanaf het jaar 2021 zal de beslissing eveneens worden genomen na overleg in ministerraad. De delegatie aan de minister is dus voldoende afgebakend. Intermediaire waarden De commissie stelt in samenwerking met de netbeheerder een voorstel op van de volgende intermediaire waarden : 1° de brutokost van een nieuwkomer van de technologieën die opgenomen zijn in de beperkte lijst van technologieën;2° de correctiefactor X, die toelaat de maximumprijs te bepalen, zoals bedoeld in artikel 10, § 8 en 9, en die toelaat het maximale volume tegen de maximumprijs te berekenen, door het niveau van bevoorradingszekerheid aan te passen. Dit voorstel omvat eveneens de gewogen gemiddelde kost van kapitaal die in aanmerking genomen is in artikel 4, § 1. Het netbeheerdersverslag (hoofdstuk 3) In overeenstemming met de wettelijke bepalingen, stelt de netbeheerder een verslag en voorstel op, ten laatste tegen 15 november van het jaar voorafgaand aan de veiling. Parameters die de aan te kopen hoeveelheid capaciteit bepalen (hoofdstuk 4) De vraagcurve voor de T-4 veilingen wordt opgebouwd op basis van drie punten: - Punt B wordt gekenmerkt door de nettokost van een nieuwkomer, berekend in overeenstemming met dit Koninklijk besluit, op de ordinaat. Op de abscis komt dit punt B overeen met het op een veiling vereist volume (waarbij het gemiddelde elektriciteitsverbruik in gesimuleerde tekortsituaties, de vereiste reserves voor het bewaren van het evenwicht in het netwerk, verwachte gemiddelde niet-geleverde energie in gesimuleerde tekortsituaties, de niet in aanmerking komende capaciteit, reeds gecontracteerde capaciteit en het volume te reserveren voor de veiling een jaar voor de periode van capaciteitslevering, in rekening worden genomen). - Punt C wordt gekenmerkt door een nul-kost op de ordinaat en het op een veiling vereist volume op de abscis. - Punt A wordt gekenmerkt door de maximumprijs op de ordinaat. Op de abscis correspondeert punt A met het specifieke volume dat wordt berekend zoals het volume in punt B, maar met een andere betrouwbaarheidsnorm (LOLE). LOLEA correspondeert met de betrouwbaarheidsnorm vermenigvuldigd met de correctiefactor X. De vraagcurve voor de T-1 veilingen is gebaseerd op dezelfde punten B en C als voor de T-4 veilingen, maar het vereiste volume wordt aangepast om capaciteit in rekening te brengen die reeds gecontracteerd werd in T-4 voor dezelfde leveringsperiode. Punt A correspondeert in ordinaat met de maximumprijs en in abscis met het vereiste volume. Het design van de vraagcurve respecteert twee principes: - Het garanderen van bevoorradingszekerheid: dit wil zeggen dat eens de T-4 en T-1 veiling zijn gehouden, de betrouwbaarheidsnorm moet gehaald worden. In het tegenovergestelde geval zou het CRM zijn doelstelling niet bereikt hebben. Aangezien punt B overeenkomt met het volume dat nodig is om de betrouwbaarheidsnorm te halen moet verzekerd worden dat dit volume wordt gecontracteerd. Omdat er na de T-4 veiling nog een opportuniteit is om capaciteiten te contracteren in T-1, is een gebogen curve tussen punt A en punt B mogelijk, wat toelaat minder capaciteit te contracteren dan het gecalibreerd volume voor punt B in de T-4 veiling. Minder volume contracteren dan punt B in de T-1 veiling daarentegen zou niet garanderen dat de betrouwbaarheidsnorm wordt gehaald. Bijgevolg is er in de T-1 veiling een verticale sectie tussen punt A en punt B. - Het garanderen van een proportioneel systeem met een zo laag mogelijke kost: dit wil zeggen dat het volume dat wordt gecontracteerd het volume vereist voor het bereiken van de betrouwbaarheidsnorm niet moet overschrijden, aangezien dit de totale kost zou opdrijven. Dit verklaart waarom de vraagcurve verticaal is tussen punt B en het snijpunt met de x-as zowel in de T-4 als de T-1 veilingen. Reductiefactoren (hoofdstuk 5) Alle technologieën kunnen deelnemen aan het CRM, in overeenstemming natuurlijk met de criteria om in aanmerking te komen. Niet alle technologieën dragen echter op dezelfde wijze bij tot de toereikendheid van de middelen. De technologieën voor de productie, de opslag van elektriciteit en de actieve deelname van de vraagzijde hebben immers allemaal verschillende niveaus van beschikbaarheid die verband houden met toevallige stilleggingen, klimatologische omstandigheden, technische beperkingen, enz. Om gelijke mededingingsvoorwaarden te kunnen garanderen, wordt via verschillende categorieën met deze verschillende niveaus van beschikbaarheid rekening gehouden door middel van reductie-factoren. Deze verschillende categorieën zijn vastgesteld om te garanderen dat enerzijds, alle technologieën kunnen deelnemen en anderzijds, dat zij een reductiefactor krijgen toegewezen overeenkomstig hun technische karakteristieken. Het verwachte niveau van beschikbaarheid (of de bijdrage aan de toereikendheid van de middelen) is dus een percentage (altijd minder dan of gelijk aan 100%) van het nominale referentievermogen. Deze niveaus worden voor elke veiling bepaald (en dit voor de duur van het contract) per technologie en worden reductiefactoren genoemd. Een soortgelijke aanpak moet worden toegepast op de interconnecties, om per grens de maximale toegangscapaciteit voor indirecte buitenlandse capaciteit te bepalen, d.w.z. het maximale volume, uitgedrukt in vermogen, dat in een aangrenzend marktgebied zou kunnen worden gecontracteerd. Om deze reductiefactoren voor elke veiling te bepalen, moet een methode zoals beschreven in dit koninklijk besluit worden gevolgd. Het hoofddoel van het CRM is het garanderen van de bevoorradingszekerheid in België. De bijdrage van de verschillende technologieën aan deze doelstelling moet daarom worden berekend op de beslissende momenten voor de voorzieningszekerheid. Deze momenten worden bepaald op basis van de "gesimuleerde tekortsituatie", d.w.z., gebaseerd op een simulatie, de uren waarin de lading niet kan worden gedekt of waarbij de lading niet zou kunnen worden afgedekt in geval van een extra 1MW belasting. De gesimuleerde tekortsituaties worden bepaald met behulp van modelleringsprogramma's (vergelijkbaar met de programma's die worden gebruikt in de context van de beoordeling van de toereikendheid van de middelen op Europees en nationaal niveau als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU)2019/943) op basis van het hierboven beschreven scenario voor het bepalen van de parameters van het CRM. Voor thermische installaties met dagelijkse programma's kunnen reductiefactoren voor elke technologie worden berekend op basis van historische percentages van forced outages. Voor alle andere technologieën (afhankelijk van de weersomstandigheden, met beperkte energie, op het distributienet aangesloten of categorieën van aggregatie) zijn de reductiefactoren gebaseerd op de modelleringsresultaten van het genomen referentiescenario. Om een maximale flexibiliteit en een actieve deelname van de vraagzijde aan het CRM mogelijk te maken, wordt aan technologieën zonder dagelijkse programma's een Service Level Agreement (SLA) aangeboden (voor technologieën met beperkte energie) of mogen zij een SLA kiezen (voor de andere technologieën) volgens hun behoeften en kenmerken, op basis van hun technische beperkingen. Voor elke Service Level Agreement wordt een passende reductiefactor bepaald. Voor interconnecties wordt de bijdrage, in afwachting van de verdere implementatie van de methoden beslist door ACER in december 2020 in navolging van Art. 26.11(a) van de Verordering 2019/943, gebaseerd op de resultaten van de modellering en wordt rekening gehouden met de wijze waarop de grensoverschrijdende uitwisselingen in het model worden geïntegreerd (door middel van een op stroom of nettransmissiecapaciteit gebaseerde aanpak). Intermediaire maximumprijs (hoofdstuk 6) Om ervoor te zorgen dat het CRM wordt ontworpen om de totale kosten te minimaliseren overeenkomstig artikel 7undecies, § 1, lid 3, van de Elektriciteitswet, is een belangrijke maatregel de invoering van maximumprijzen, zijnde de maximale capaciteitsvergoeding die eenheden in de capaciteitsmarkt kunnen bieden en ontvangen. Er is al een globale maximumprijs - van toepassing op alle eenheden in de capaciteitsmarkt voor alle perioden van het capaciteitscontract (d.w.z. de maximumprijs die op de veiling wordt betaald) - voorzien, en daarnaast wordt ook een intermediaire maximumprijs geïntegreerd in het ontwerp. Deze tweede maximumprijs, waarvoor de methodologie beschreven wordt in hoofdstuk 6 van dit voorstel voor koninklijk besluit, vertegenwoordigt een maximumprijs die slechts van toepassing is op bepaalde eenheden in de capaciteitsmarkt. De intermediaire maximumprijs is van toepassing op de contracten van één jaar. Er wordt dus een onderscheid gemaakt tussen capaciteiten die weinig of geen investeringen vergen (eenjarige contracten) en capaciteiten die aanzienlijke investeringen vereisen (met de mogelijkheid van contracten met een looptijd van meer dan een jaar). Door het instellen van een intermediaire maximumprijs wordt vermeden dat capaciteiten die geen aanzienlijke investeringen vereisen, tijdens CRM-veilingen onevenredig hoge inframarginale inkomsten zouden kunnen ontvangen. Verder worden geen bijkomende intermediaire maximumprijzen voorzien voor capaciteiten die in aanmerking komen voor meerjarencontracten, aangezien er geen duidelijke correlatie bestaat tussen het niveau van "missing money" en de meerjarige capaciteitscategorieën (en de onderliggende investeringsniveaus). Bijgevolg zullen de capaciteiten die in aanmerking komen voor meerjarencontracten enkel onderworpen zijn aan de globale maximumprijs. Deze intermediaire maximumprijs is dus de maximale biedprijs die de in aanmerking komende capaciteiten voor eenjarige contracten kunnen bieden en de maximale vergoeding die zij kunnen ontvangen. Om het niveau van deze intermediaire maximumprijs te bepalen, wordt de in dit koninklijk besluit beschreven methodologie gebaseerd op een jaarlijkse kalibratie van het geschatte "missing money" van de minst efficiënte technologie die momenteel op de markt is. Hoewel het geheel aan capaciteiten die in aanmerking komen voor een eenjarig contract niet noodzakelijk dan wel exclusief overeenstemt met bestaande capaciteiten, wordt de worst performer analyse van bestaande technologieën op de markt beschouwd als een geschikte benchmark voor capaciteiten die minimale investeringen vereisen. Het "missing money" (dat is in wezen wat van de capaciteitshouders wordt verwacht om te bieden) wordt berekend als kosten verminderd met opbrengsten. De kosten worden bepaald als de som van (1) de vaste jaarlijkse exploitatie- en onderhoudskosten, (2) de totale toekomstige geannualiseerde investeringsuitgaven die niet rechtstreeks verband houden met een verlenging van de technische levensduur van de installatie of met een verhoging van het nominale referentievermogen (en derhalve niet worden beschouwd als in aanmerking komende investeringen voor het verkrijgen van een meerjarencontract), zoals bijvoorbeeld de kosten die nodig zijn voor een groot onderhoud van de installaties, die niet noodzakelijkerwijs jaarlijks plaatsvinden en (3) de variabele kosten op korte termijn (bestaande uit de brandstofkosten, de CO2-kosten en andere variabele operationele en onderhoudskosten).De in rekening genomen inkomsten zijn de inkomsten uit de energiemarkt, rekening houdend met de inschatting van de uitoefenprijs van toepassing op de betrokken technologie, en de netto inkomsten uit de markt van de ondersteunende balanceringsdiensten. Bovendien, maar alleen voor technologieën met hoge variabele kosten, d.w.z. technologieën die niet vaak worden geactiveerd op de energiemarkt, worden de in rekening genomen kosten verhoogd met de kost van één enkele activatietest. De kost van de activatietest is in het bijzonder van belang voor deze technologieën, gezien de kans om getest te worden groot is, omdat ze niet vaak worden geactiveerd op de energiemarkt, waardoor het in rekening brengen van een de kost van een activatietest relevant is. Specifiek om bepaalde vereiste kostencomponenten te bepalen, vraagt Elia de hulp van een onafhankelijke expert. In dit verband zal de onafhankelijke expert in een studie, op een onderbouwde wijze, diverse gegevens met betrekking tot de kostenelementen die relevant zijn voor de bepaling van de intermediaire maximumprijs voor alle beschouwde bestaande technologieën op de energiemarkt voorstellen. Het wordt passend geacht dat de selectie van de onafhankelijke expert en de opvolging van deze studie indien mogelijk in overleg met de commissie plaatsvindt, aangezien er een verband bestaat tussen de kostenraming voor de bepaling van de netCONE parameter relevant voor de kalibratie van de vraagcurve uitgevoerd en de kosten voor de bepaling van de intermediaire maximumprijs en de beoordeling van de derogaties van de intermediaire maximumprijs door de commissie. De jaarlijks inframarginale inkomsten verdiend op de energiemarkt worden bepaald op basis van een simulatie zoals uitgewerkt in artikel 6, rekening houdend met een referentiescenario zoals beschreven in artikel 4, § 7, en houden rekening met de mediane opbrengsten (P50) om redelijkerwijs rekening te houden met de risicoaversie in de besluitvorming van investeerders. Om de inkomsten uit de markt van de ondersteunende balanceringsdiensten te bepalen, worden historische gegevens geanalyseerd. Er wordt met name rekening gehouden met de historische aankoopkosten voor een voortschrijdende periode van 36 maanden, waarbij een evenwicht wordt gezocht tussen het niet in aanmerking nemen van de inkomsten uit een te ver verleden en tegelijkertijd niet al te gevoelig zijn voor uitzonderlijke en dus niet representatieve inkomsten. In dit opzicht wordt een voortschrijdende periode van 36 maanden als een goede balans beschouwd. Bij de bepaling van de netto inkomsten uit de markt van de ondersteunende balanceringsdiensten wordt rekening gehouden met de kosten die verband houden met de levering van deze diensten, met inbegrip van bijvoorbeeld, "must-run" kosten. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met de opportuniteitskosten verbonden aan de levering van ondersteunende balanceringsdiensten. Deze opportuniteitskosten dienen geïnterpreteerd te worden als de niet-ontvangen inkomsten voor de levering van energiediensten die zouden verkregen zijn indien de capaciteit niet was gereserveerd voor de levering van ondersteunende balanceringsdiensten. Op deze manier wordt de dubbeltelling van inkomsten vermeden. Door rekening te houden met de kost van capaciteit enerzijds, en de inkomsten uit de energiemarkt en de levering van ondersteunende balanceringsdiensten anderzijds, vermindert de intermediaire maximumprijs het risico op een onevenredige vergoeding via de capaciteitsveilingen, wat bijdraagt tot de algemene doelstelling om de kosten van het CRM tot een minimum te beperken en om een dubbele vergoeding tussen het CRM en de globale energiemarkt te vermijden. De methode voor het bepalen van het niveau van de intermediaire maximumprijs is ook in overeenstemming met de definitie van investeringsdrempels, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van capaciteit en de in aanmerking komende kosten die voor deze drempels in aanmerking komen overeenkomstig het koninklijk besluit bedoeld in artikel 7undecies, § 5 (laatste lid) van de Elektriciteitswet. Tenslotte wordt het verwachte "missing money" verhoogd met een onzekerheidsmarge van 5% vanwege de vroegtijdige bepaling (de intermediaire maximumprijs wordt ingeschat meerdere jaren voor de periode van capaciteitslevering waarop zij betrekking heeft) en om rekening te houden met algemene onzekerheden verbonden aan de assumpties die inherent zijn aan de simulaties die uitgevoerd worden ter inschatting van "missing money". Derogatie van de intermediaire maximumprijs (hoofdstuk 7) In het initieel besluit van de Europese commissie van 21 september 2020 (met referentie: State Aid SA. 54915 (2019/N) - Belgium) geeft zij aan een twijfel te hebben met betrekking tot de intermediaire maximumprijs, en meer bepaald met de verenigbaarheid ervan met de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (2014/C 200/01). Om aan deze twijfel tegemoet te komen, werd in de Elektriciteitswet de mogelijkheid voorzien voor de Koning om bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de methode en voorwaarden te bepalen tot het verkrijgen van individuele uitzonderingen op de toepassing van de intermediaire prijslimiet(en), na raadpleging van de marktdeelnemers. Voor het eerste jaar, 2021, zal de beoordeling van de derogatieaanvragen na de veiling gebeuren, overeenkomstig artikel 21. Deze mogelijkheid werd immers gecreëerd naar aanleiding van de bezorgdheid van de Europese commissie, geuit in september 2020, waardoor het voor de betrokken partijen administratief en operationeel niet meer mogelijk blijkt om voorafgaand aan de veiling in oktober 2021 de derogatieaanvragen te beoordelen. Voor alle navolgende veilingen zal de beoordeling van de derogatieaanvragen voorafgaand aan de veiling gebeuren, overeenkomstig artikel 22. Rekening houdend met de reacties geuit tijdens het openbaar onderzoek, …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.