Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit met betrekking tot vastgoedbevaks

Kort samengevat

Dit koninklijk besluit wijzigt en moderniseert de wettelijke regeling voor instellingen voor collectieve belegging die investeren in vastgoed, ook wel vastgoedbevaks genoemd. Het vervangt eerdere besluiten om de bescherming van beleggers te waarborgen en de regels te actualiseren.

Wat het reguleert

  • De wettelijke regeling voor instellingen voor collectieve belegging die in vastgoed investeren.
  • De mogelijkheid tot oprichting van institutionele vastgoedbevaks naast de bestaande openbare vastgoedbevaks.
  • De vereisten voor onafhankelijke bestuurders en de waardering van vastgoedportefeuilles.
  • De uitgifte van andere effecten dan aandelen door vastgoedbevaks.

Wie het aanbelangt

  • Instellingen voor collectieve belegging die investeren in vastgoed (vastgoedbevaks).
  • Beleggers in vastgoedbevaks.

Kernpunten

  • Er kunnen nu ook institutionele vastgoedbevaks worden opgericht, naast de openbare vastgoedbevaks.
  • Een institutionele vastgoedbevak moet onder exclusieve of gezamenlijke controle staan van een openbare vastgoedbevak.
  • De raad van bestuur van een openbare vastgoedbevak moet ten minste drie onafhankelijke bestuurders hebben.
  • De deskundige die de vastgoedportefeuille waardeert, moet onafhankelijk zijn en zijn vergoeding mag niet gekoppeld zijn aan de waarde van het vastgoed.
Wettekst
Wettekst

7 DECEMBER 2010. - Koninklijk besluit met betrekking tot vastgoedbevaks VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit genomen op basis van de bepalingen van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, dat ik de eer heb U ter ondertekening voor te leggen, strekt ertoe de wettelijke regeling te wijzigen die van toepassing is op de instellingen voor collectieve belegging die investeren in vastgoed, zoals thans vastgelegd bij koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks en het koninklijk besluit van 21 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten0 op de boekhouding, de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van openbare vastgoedbevaks, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks. I - Algemene beschouwingen A. Sinds de inwerkingtreding van het voormelde koninklijk besluit van 10 april 1995, heeft de materie van de instellingen voor collectieve belegging op wetgevend vlak een aantal ontwikkelingen gekend. Een aantal bepalingen van het koninklijk besluit van 10 april 1995 dienden te worden aangepast, hetzij omdat hun toepassing bepaalde problemen met zich bracht, hetzij omdat een actualisering zich opdrong gezien de evolutie van de financiële markten. Opdat de vastgoedbevak zijn aantrekkelijke karakter zou behouden en de bescherming van de beleggers gewaarborgd zou blijven, diende het geldende juridische kader te worden aangepast. Gezien de omvang van de vooropgestelde wijzigingen, leek het opportuun om de bestaande reglementering op te heffen en een nieuw besluit op te stellen waarin zowel de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 april 1995 als van het koninklijk besluit van 21 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten0 werden overgenomen. Over het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening is voorgelegd, werd overleg gepleegd met de betrokken sector. B. Zoals reeds is aangestipt, houdt de voorgestelde wijziging enerzijds rekening met verschillende wetswijzigingen die de voorbije jaren werden doorgevoerd, namelijk : - de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles; - de wet van 16 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/06/2006 pub. 21/06/2006 numac 2006009492 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt sluiten op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt; - het koninklijk besluit van 14 november 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten3 betreffende de verplichtingen van emittenten van financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt; - Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen. Anderzijds wil het ontwerp van koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, hoewel het zich in het kielzog van het koninklijk besluit van 10 april 1995 bevindt, tevens een aantal vernieuwingen doorvoeren en de geldende regeling voor de vastgoedbevaks wijzigen en moderniseren. - Naast de figuur van de vastgoedbevak, die een openbare instelling voor collectieve belegging is, ingesteld bij koninklijk besluit van 10 april 1995 (hierna de "openbare vastgoedbevak" genoemd), biedt het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd de mogelijkheid om een institutionele vastgoedbevak op te richten. Deze nieuwe optie strekt ertoe het gebruik van een ad hoc vehikel toe te laten opdat de openbare vastgoedbevaks specifieke projecten zouden kunnen verwezenlijken met een derde. De institutionele vastgoedbevak is uitsluitend bestemd voor een dergelijk doeleinde. Belangrijk is dat dit nieuwe statuut eveneens het beginsel huldigt van "collectief beheer in het uitsluitend belang van de aandeelhouders" dat krachtens artikel 9 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten ten grondslag ligt aan de figuur van de instelling voor collectieve belegging. Het is derhalve noodzakelijk te waarborgen dat het beheer van de activa die worden ondergebracht in een institutionele vastgoedbevak niet indruist tegen het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak en dat door de oprichting van een institutionele vastgoedbevak niet de mogelijkheid wordt gecreëerd om op dat niveau verrichtingen uit te voeren die niet zouden kunnen worden verricht op het niveau van de openbare vastgoedbevak. De raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak krijgt in dat verband een belangrijke taak te vervullen via het beheer van de deelnemingen van de openbare vastgoedbevak. De invoering van de figuur van de openbare vastgoedbevak doet dus geen afbreuk aan de plicht om bij het beheer uitsluitend het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak voor ogen te houden. Het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak zal met andere woorden de grenzen vormen waarbinnen de oprichting van een institutionele vastgoedbevak is toegestaan. Om deze twee redenen schrijft het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd inzonderheid voor dat een institutionele vastgoedbevak onder de exclusieve of gezamenlijke controle moet staan van een openbare vastgoedbevak. Bovendien verbiedt het ontwerpbesluit de constructie waarbij een institutionele vastgoedbevak onder de gezamenlijke controle staat van twee vastgoedbevaks, voor zover deze laatste niet gecontroleerd worden door eenzelfde openbare vastgoedbevak. Een dergelijke situatie leek immers moeilijk te rijmen met het beginsel van "collectief beheer in het uitsluitend belang van de aandeelhouders". Tot slot wordt een deelneming in een institutionele vastgoedbevak of in een vastgoedvennootschap ten behoeve van het onderhavige besluit enkel beschouwd als een vastgoed als zij (gezamenlijke of exclusieve) controle over de betrokken vennootschap verleent. Er dient te worden opgemerkt dat de institutionele vastgoedbevaks die onder gezamenlijke controle vallen, door het onderhavige ontwerpbesluit deels aan een andere regeling worden onderworpen dan de institutionele vastgoedbevaks die onder exclusieve controle staan. Wanneer immers een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend, zal de institutionele vastgoedbevak de facto niet enkel worden beheerd in het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak maar ook van de overige aandeelhouders. Door het gezamenlijke karakter van de controle, zal deze niet over de volledige beslissingsmacht beschikken. Bijgevolg zijn aanvullende waarborgen vereist om het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak te waarborgen. De institutionele vastgoedbevaks vallen onder het toezicht van de CBFA in de mate bepaald door het besluit en moeten, net als de openbare vastgoedbevaks, bij de CBFA worden ingeschreven. Voor een gedetailleerde toelichting van de regeling die van toepassing is op de institutionele vastgoedbevaks, wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen. Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, laat (net zoals de regeling van het koninklijk besluit van 10 april 1995) de openbare vastgoedbevaks eveneens toe om de controle te hebben over vastgoedvennootschappen. Deze laatste vennootschappen staan uiteraard niet onder toezicht van de CBFA. Indien een openbare vastgoedbevak dergelijke deelnemingen bezit, is zij evenwel onderworpen aan regels waarin bepaalde elementen zijn overgenomen van de regeling voor de institutionele vastgoedbevaks. Wanneer in een artikel van het ontwerpbesluit de term "dochtervennootschap" wordt gehanteerd (in tegenstelling tot de uitdrukking "institutionele vastgoedbevak"), betekent dit dat de betrokken bepaling zowel geldt voor dochtervennootschappen die het statuut van vastgoedbevak hebben als voor dochtervennootschappen die dit statuut niet hebben. Dit verschil in behandeling lijkt verantwoord gelet op de gunstige fiscale regeling die de institutionele vastgoedbevaks genieten krachtens artikel 185bis, § 1 van het Wetboek op de Inkomstenbelastingen. - Het ontwerpbesluit eist dat er ten minste drie onafhankelijke bestuurders in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen zetelen in de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak. - Er komen nieuwe regels voor de deskundige die door de vastgoedbevak is aangesteld om haar vastgoedportefeuille te waarderen. De vereiste onafhankelijkheid van de deskundige wordt sterker benadrukt en er wordt gepreciseerd dat zijn vergoeding geen verband mag houden met de waarde van het vastgoed dat door hem aan een expertise is onderworpen. Tevens is voor de vastgoedbevak de verplichting ingevoerd om te zorgen voor een rotatie van de deskundige(n) die zij aanstelt. Voor nadere toelichting hierover wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen. - Het koninklijk besluit van 10 april 1995 bood de vastgoedbevaks de mogelijkheid om de vorm aan te nemen van een commanditaire vennootschap op aandelen (zie artikel 4, § 1, 1°), bestuurd door een zaakvoerder-rechtspersoon. Kenmerkend voor een dergelijke juridische structuur is dat de vastgoedbevak feitelijk bestuurd wordt door de raad van bestuur van zijn zaakvoerder-rechtspersoon (hoewel het juridisch gezien om afzonderlijke personen gaat). Het ligt geenszins in de bedoeling van het ontwerpbesluit om deze regeling te wijzigen of te verbieden, maar de zaakvoerder-rechtspersoon van de vastgoedbevak wordt, in functie van de opgezette structuur, wel onderworpen aan een aantal organisatorische regels, eigen aan de vastgoedbevak zelf

(5), teneinde te vermijden dat deze regels in de praktijk niet zouden worden toegepast ingeval de vastgoedbevak beheerd wordt door de raad van bestuur van haar zaakvoerder-rechtspersoon. Dit punt wordt nader toegelicht in de commentaar bij de artikelen. - Teneinde een eind te maken aan de bestaande rechtsonzekerheid ter zake, verleent het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd de mogelijkheid om andere effecten uit te geven dan aandelen. Enkel de uitgifte van winstbewijzen (of andere effecten die het kapitaal niet vertegenwoordigen en vergelijkbaar zijn met winstbewijzen) blijft verboden. Het is immers niet opportuun om vastgoedbevaks toe te staan dergelijke instrumenten uit te geven omdat een winstbewijs een effect is dat door een vennootschap wordt uitgegeven in ruil voor een inbreng die niet economisch gewaardeerd kan worden, omdat in een dergelijk geval de aandeelhouders een verwateringsrisico lopen en om de gelijkheid tussen de aandeelhouders niet in het gedrang te brengen. - De regeling voor de kapitaalverhogingen werd herbekeken. Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd beoogt een versoepeling van de voorwaarden waaronder de openbare vastgoedbevaks geld kunnen ophalen op de kapitaalmarkt, waarbij evenwel de aandeelhouders van deze openbare vastgoedbevaks in belangrijke mate worden beschermd. Tegenover de versoepeling van de voorwaarden, staan een zeker aantal randvoorwaarden. In die context kan worden opgemerkt dat de nieuw ingevoerde regels strikter zijn dan de regels van het gemeen vennootschapsrecht. Hieronder worden de voornaamste wijzigingen die het ontwerpbesluit invoert bondig overlopen. Voor meer gedetailleerde informatie hieromtrent wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen. Enerzijds werd de mogelijkheid ingevoerd om een kapitaalverhoging te verwezenlijken met opheffing van het voorkeurrecht, mits verlening van een onherleidbaar toewijzingsrecht aan de bestaande aandeelhouders op het ogenblik van de toekenning van de nieuwe effecten. Anderzijds werden de regels voor kapitaalverhoging door inbreng in natura verder uitgewerkt en is de uitkering van een keuzedividend thans uitdrukkelijk toegestaan en gereglementeerd. Indien, ten slotte, op het niveau van de institutionele vastgoedbevak een kapitaalverhoging met disagio wordt doorgevoerd, is de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak verplicht om hier een verslag over op te stellen en te publiceren. Deze laatste regel sluit nauw aan bij de verplichtingen waaraan de bestuurders van de openbare vastgoedbevak moeten voldoen ten aanzien van de aandeelhouders. - Omwille van de aard van de activiteit van de vastgoedbevaks (belegging in vastgoed), leek het niet opportuun om de bestaande regels met betrekking tot de bewaarder te handhaven. Bijgevolg zullen de vastgoedbevaks niet langer verplicht zijn om een bewaarder aan te stellen. - Met het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, wordt de regeling aangepast die thans geldt voor de vergoedingen, provisies en kosten die gedragen worden door de vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen. In tegenstelling tot de regeling van artikel 20 van het koninklijk besluit van 10 april 1995, eist het ontwerpbesluit niet langer dat de vergoedingen, provisies en kosten die ten laste komen van de vastgoedbevak, vooraf door de CBFA worden goedgekeurd. Daarentegen gelden er openbaarmakingsverplichtingen voor de vergoeding van de eventuele zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm heeft aangenomen van een commanditaire vennootschap op aandelen, voor de persoon belast met de financiële dienst alsook voor de deskundige(
  1. n)en commissaris(sen). De vaste vergoeding van de bestuurders en de effectieve leiders mag niet afhangen van de verrichtingen en transacties die de openbare vastgoedbevak of haar dochters uitvoeren : het is dus uitgesloten dat hen een vergoeding zou worden verleend op basis van het zakencijfer. Deze regel geldt eveneens voor de variabele vergoeding. Indien de variabele vergoeding wordt vastgesteld in functie van het resultaat, mag daarbij enkel worden uitgegaan van het geconsolideerde nettoresultaat. Uiteraard is ook de algemene regeling voor de genoteerde vennootschappen ter zake relevant. - De reikwijdte van de regels ter voorkoming van belangenconflicten werd uitgebreid en aangepast aan de invoering van de figuur van de institutionele vastgoedbevak. - De promotor van de openbare vastgoedbevak krijgt een ruimere rol en meer verplichtingen toebedeeld wat de verplichte verspreiding in het publiek betreft van ten minste 30 % van de aandelen van de openbare vastgoedbevak. Voortaan zal deze middelenverbintenis een permanent karakter hebben. Voor het overige wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen. - Afgezien van de mogelijkheid om institutionele vastgoedbevaks op te richten (zie supra), werden de verplichtingen op het vlak van het beleggingsbeleid op een aantal punten aangepast. Er wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen waar de wijzigingen die worden aangebracht in de vroegere regeling, gedetailleerd aan bod komen. - Het ontwerpbesluit beperkt, zowel op enkelvoudig als op geconsolideerd niveau, de schuldenlast van de openbare vastgoedbevak tot 65 %. Om een proactief beheer van de schuldgraad te waarborgen, dient de openbare vastgoedbevak een financieel plan voor te leggen zodra haar geconsolideerde schuldgraad 50 % overschrijdt. De institutionele vastgoedbevaks zijn niet verplicht om zich op enkelvoudig niveau te houden aan een maximale schuldgraad. II. Commentaar bij de artikelen Titel 1 - Algemene bepalingen Deze titel bevat de algemeen geldende bepalingen van het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, en is dus van toepassing op zowel de openbare als de institutionele vastgoedbevaks. Artikel 1 - Dit artikel omschrijft de wettelijke grondslag op basis waarvan (
  2. a)een categorie van openbare instellingen voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming (openbare vastgoedbevaks) en (
  3. b)een categorie van institutionele instellingen voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming (institutionele vastgoedbevaks), die allebei in vastgoed beleggen (art. 7, eerste lid, 5°, van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten), kunnen worden gecreëerd. Art. 2 - Dit artikel definieert een aantal begrippen uit het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd. Er werd een definitie ingevoerd van het begrip "netto-inventariswaarde". Voor verduidelijking van de begrippen die in de definitie worden gebruikt, verwijzen we naar de relevante bepalingen van de IFRS-normen. Zo wordt met "eigen aandelen die op geconsolideerd niveau worden gehouden" bedoeld de aandelen van de moedervennootschap die worden aangehouden door de moedervennootschap zelf en de andere vennootschappen die in de consolidatieperimeter van de groep zijn opgenomen. Het begrip "vastgoed" (art. 2, 20°, van het ontwerpbesluit) wordt op een aantal vlakken uitgebreid. Twee daarvan worden hier nader toegelicht. Zo worden met name de door vastgoedvennootschappen of door institutionele vastgoedbevaks uitgegeven aandelen als vastgoed beschouwd, op voorwaarde echter dat zij exclusief of gezamenlijk door de openbare vastgoedbevak worden gecontroleerd. Dit vereiste inzake de gezamenlijke of exclusieve controle over de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevaks blijft gehandhaafd, om te kunnen nagaan of de activa die in een institutionele vastgoedbevak zijn ondergebracht, niet worden beheerd op een manier die indruist tegen het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak (wat niet zou kunnen worden gewaarborgd als de betrokken dochtervennootschap door een andere aandeelhouder dan de vastgoedbevak zou worden gecontroleerd). Overigens worden niet alleen de rechten die voortvloeien uit leasingovereenkomsten, maar ook de gebruiksrechten die analoog zijn aan de rechten die voortvloeien uit leasingovereenkomsten, door het ontwerpbesluit als vastgoed beschouwd. Deze verwijzing is bedoeld om op expliciete wijze situaties te dekken waarin het aan de bouw en de terbeschikkingstelling van een gebouw verbonden risico aan de vastgoedbevak wordt overgedragen in ruil voor de betaling door de medecontractant van een langdurige vaste of geïndexeerde vergoeding. Hoewel zo'n structuur economisch vergelijkbaar is met de toekenning van een opstalrecht, moet worden opgemerkt dat ter zake geen enkel - zelfs geen tijdelijk - zakelijk recht wordt toegekend. Dergelijke structuur is typisch voor partnerschappen tussen de openbare en de privésector, een domein waarin ook vastgoedbevaks actief zijn
(1). Met de begrippen "buitenlandse instellingen voor collectieve belegging in vastgoed" en "instellingen voor collectieve belegging in vastgoed die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd" worden de instellingen voor collectieve belegging bedoeld die voor een soortgelijke beleggingscategorie hebben geopteerd als die waarvan sprake in artikel 7, eerste lid, 5°, van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten, die wordt gedefinieerd door de wet die in hun land van herkomst van toepassing is. De definitie van het begrip "promotor" is gewijzigd. Voor de toepassing van dit ontwerp worden de personen die de controle hebben over de openbare vastgoedbevak, en de personen die de controle hebben over de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, als promotoren beschouwd. Ook de personen die, tijdens het leven van de openbare vastgoedbevak, over haar of over de zaakvoerder-rechtspersoon de controle verwerven, worden als promotoren beschouwd. Op te merken valt dat de functie van promotor een permanent karakter heeft. Voor de definitie van de begrippen "controle", "gezamenlijke controle", "exclusieve controle", "dochtervennootschap", "gezamenlijke dochtervennootschap", "verbonden personen", "deelnemingen" en "vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat" wordt verwezen naar de artikelen 5 tot 14 van het Wetboek van vennootschappen. Ter zake moet ook worden opgemerkt dat de regels van het Belgische boekhoudrecht zullen worden toegepast bij de beoordeling of de consolidatieplicht geldt. De bepaling van de consolidatiekring zal daarentegen onderworpen zijn aan de IFRS-normen, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie met toepassing van artikel 3 van verordening (EG) nr. 1606/
  1. Titel II - Openbare vastgoedbevak Deze titel regelt het statuut van de openbare vastgoedbevaks. Sommige artikelen van deze titel gelden echter ook voor de institutionele vastgoedbevaks. In deze commentaar wordt voor elk artikel verduidelijkt in hoeverre het van toepassing is op de institutionele vastgoedbevaks. In dit verband wordt ook verwezen naar de commentaar bij artikel
  2. Hoofdstuk I - Inschrijvingsvoorwaarden Dit hoofdstuk handelt over de voor de openbare vastgoedbevaks geldende inschrijvingsvoorwaarden, waarbij niet enkel aandacht wordt besteed aan het inschrijvingsdossier, maar ook aan de verplichting om een onafhankelijk deskundige aan te stellen, en aan de inhoud van de statuten. Afdeling 1 - Inschrijvingsdossier Art. 4 en 5 - Deze artikelen verduidelijken met name welke informatie moet worden verstrekt in het inschrijvingsdossier dat bij de CBFA wordt ingediend. Ook wordt verwezen naar de desbetreffende circulaires en mededelingen van de CBFA, inzonderheid naar mededeling CBFA_2009_20 van 8 mei
  3. Hier wordt verduidelijkt dat de door artikel 4 vereiste informatie betreffende de bestuurders van de vastgoedbevak of de zaakvoerder-rechtspersoon van de vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, ook moet worden verstrekt voor de permanente vertegenwoordigers van de eventuele bestuurders-rechtspersonen. Het betreft hier een specifieke toepassing van artikel 61, § 2, van het Wetboek van vennootschappen. Wat de vastgoedbevaks betreft die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen hebben aangenomen, spreekt het voor zich dat artikel 40 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten enkel met betrekking tot de vastgoedbevak zelf en/of de zaakvoerder-rechtspersoon moet worden nageleefd, afhankelijk van de door de vastgoedbevak ingevoerde organisatie (zie commentaar bij artikel 11). Art. 6 - Dit artikel betreft de aanstelling van een onafhankelijke deskundige door de openbare vastgoedbevaks en zijn rol. De rol van de onafhankelijke vastgoeddeskundige van de openbare vastgoedbevak is uiterst belangrijk. Hij is immers belast met de waardering van het vastgoed van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen. Aldus moet de deskundige de raad van bestuur bijstaan om te garanderen dat er een hoog niveau van transparantie is met betrekking tot het vermogen van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen om te vermijden dat zich mogelijke belangenconflicten zouden voordoen en om te verzekeren dat de belangen van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak worden nageleefd bij de verrichtingen met betrekking tot de vermogensbestanddelen van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen. Bijgevolg moet de onafhankelijkheid van de deskundige op passende wijze worden gewaarborgd, waarbij er vooral moet worden op toegezien dat hij niet met de promotor van de vastgoedbevak verbonden is. In diezelfde optiek wordt verduidelijkt dat de vergoeding van de deskundige niet mag afhangen van de waarde van het vastgoed dat hij aan een expertise onderwerpt; dit neemt natuurlijk niet weg dat hem een vergoeding wordt toegekend die wordt berekend op basis van een objectief criterium, zoals de oppervlakte van het betrokken vastgoed. Bovendien voert het U ter ondertekening voorgelegde ontwerpbesluit een dubbel rotatievereiste in. Zo mag de vastgoedbevak de deskundige slechts voor een hernieuwbare termijn van drie jaar benoemen. Bovendien mag de deskundige gedurende maximaal drie jaar met de waardering van een bepaald vastgoed worden belast, waarna een "cooling off"-periode van eveneens drie jaar moet volgen. Een deskundige die al een termijn van drie jaar achter de rug heeft, zal dus slechts voor een nieuwe termijn van drie jaar mogen worden aangesteld als hij tijdens die termijn instaat voor de waardering van een ander deel van het vermogen van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen. Er gelden specifieke regels als de deskundige een rechtspersoon is. De door de deskundige uitgevoerde waardering heeft in beginsel een periodiek karakter; daarnaast moet ook occasioneel, naar aanleiding van bepaalde verrichtingen, een waardering worden uitgevoerd (zie hieronder). In bepaalde gevallen heeft die waardering een bindend karakter (zie hieronder). In zoverre de door de deskundige uitgevoerde waarderingen betrekking hebben op het vastgoed van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen, werd het niet nuttig geacht de institutionele vastgoedbevaks te verplichten een onafhankelijke deskundige aan te stellen. Afdeling 2 - Statuten Art. 7 en 8 - Deze artikelen definiëren de inhoud van de statuten en bepalen dat elke wijziging van de statuten vooraf ter goedkeuring aan de CBFA moet worden voorgelegd. Voor de institutionele vastgoedbevaks is in een specifieke regeling voorzien. Artikel 8 van het ontwerpbesluit werd gewijzigd teneinde rekening te houden met een opmerking ter zake van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Hoofdstuk II - Werking Afdeling 1 - Bestuur Art. 9 - Krachtens paragraaf 1 van dit artikel moet de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak uit minstens drie onafhankelijke bestuurders bestaan. Die bestuurders moeten voldoen aan de criteria van artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen, ingevoegd bij de wet van 17 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/12/2008 pub. 29/12/2008 numac 2008003517 bron federale overheidsdienst financien Wet inzonderheid tot oprichting van een auditcomité in de genoteerde vennootschappen en de financiële ondernemingen sluiten inzonderheid tot oprichting van een auditcomité in de genoteerde vennootschappen en de financiële ondernemingen. Gelet op het belang van de aangebrachte wijziging met betrekking tot (a) de samenstelling van de raad van bestuur
(7)en (b) de criteria voor de beoordeling van de onafhankelijkheid van de bestuurders, wordt voorzien in een overgangsperiode, die geënt is op de overgangsperiode vermeld in artikel 24, § 3, van voornoemde wet van 17 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/12/2008 pub. 29/12/2008 numac 2008003517 bron federale overheidsdienst financien Wet inzonderheid tot oprichting van een auditcomité in de genoteerde vennootschappen en de financiële ondernemingen sluiten (zie art. 74, § 4, van het ontwerpbesluit). Die overgangsregeling stelt de bestuurders die uitsluitend aan de vroeger geldende onafhankelijkheidscriteria voldoen
(8), in staat om tot 1 juli 2011 als onafhankelijke bestuurders te blijven zetelen. De in artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen gedefinieerde criteria zullen wel onmiddellijk gelden voor de bestuurders die na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit worden benoemd (of van wie het mandaat na die inwerkingtreding wordt hernieuwd). Er moet worden opgemerkt dat de aldus voorziene overgangsregeling niet slaat op de verplichte aanwezigheid van onafhankelijke bestuurders in de raad van bestuur, maar uitsluitend op de criteria waaraan zij moeten voldoen. Zoals wordt onderstreept in de algemene beschouwingen hierboven, is één van de doelstellingen van het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, te voorkomen dat, wanneer de vastgoedbevak de vorm aanneemt van een commanditaire vennootschap op aandelen en zij in de praktijk door het bestuursorgaan van de zaakvoerder-rechtspersoon wordt beheerd, de artikelen van het besluit met betrekking tot de organisatie van de vastgoedbevak niet zouden kunnen worden toegepast. Het tweede lid van paragraaf 1 strekt ertoe te voorkomen dat een persoon die niet voldoet aan de geldende onafhankelijkheidscriteria om een mandaat van onafhankelijk bestuurder in de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak te mogen uitoefenen, als onafhankelijk bestuurder zitting zou krijgen in de raad van bestuur van de zaakvoerder-rechtspersoon (zelfs als op dat niveau is voldaan aan de criteria voor de beoordeling van de onafhankelijkheid). Deze paragraaf is niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Paragraaf 2 van dit artikel schetst de externe vertegenwoordigingsbevoegdheden van de leden van het bestuursorgaan van de openbare vastgoedbevak in verband met de daden van beschikking met betrekking tot vastgoed. Voor verrichtingen van beperkte omvang wordt in een dubbele de minimis-drempel voorzien. Deze bepaling is onverkort van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Art. 10 - Dit artikel betreft de gevallen waarin de vastgoedbevak de vorm aanneemt van een commanditaire vennootschap op aandelen die wordt beheerd door een zaakvoerder-rechtspersoon die het volledige beheer van de vastgoedbevak voor zijn rekening neemt. Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, bepaalt dat in deze gevallen de zaakvoerder-rechtspersoon en zijn bestuurders onder de toepassing vallen van de artikelen 38 en 39 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten met betrekking tot de effectieve leiding en de beleidsstructuur van de instellingen voor collectieve belegging. Het spreekt voor zich dat artikel 40 ook in dat geval van toepassing is op de vastgoedbevak zelf en/of op haar zaakvoerder-rechtspersoon, afhankelijk van de plaats waar de beleidsstructuur van de vastgoedbevak is gelokaliseerd. Dit artikel is van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Art. 11 - De mogelijkheid tot delegatie waarin artikel 11 van het ontwerpbesluit voorziet, is met name belangrijk in het kader van het nieuwe besluit. Ingevolge de invoering van het statuut van institutionele vastgoedbevak wordt immers verwacht dat het vermogen van de openbare vastgoedbevaks vaak onder verschillende vennootschappen zal worden verdeeld. Tegen die achtergrond kan het voor vastgoedbevaks interessant zijn om het beheer van het door hen gehouden vastgoed bij één enkele vennootschap te centraliseren. Daarom wordt voor de openbare vastgoedbevaks en hun dochtervennootschappen voorzien in de mogelijkheid om het beheer van hun portefeuille te delegeren aan een door hen gecontroleerde vennootschap die gespecialiseerd is in vastgoedbeheer. Het spreekt voor zich dat deze beheerfunctie door de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak ook aan die vastgoedbevak zelf of aan een andere vennootschap uit de groep kan worden gedelegeerd, in zoverre deze over een daartoe passende organisatie beschikt en haar leiders aan de in het besluit vermelde voorwaarden voldoen. In zoverre het ontwerpbesluit de openbare vastgoedbevaks de mogelijkheid biedt om het kapitaal van hun dochtervennootschappen samen met derden te houden, terwijl zij toch steeds een exclusieve of gezamenlijke controle behouden, zou het niet passend zijn dat alle kosten voor het beheer van de portefeuilles van die dochtervennootschappen door die openbare vastgoedbevaks worden gedragen. Die problematiek komt aan bod in artikel 13, tweede lid, van het besluit. Er werd geen rekening gehouden met de opmerking die de afdeling wetgeving van de Raad van State geformuleerd heeft in haar advies over deze bepaling : artikel 41, § 1, 5°, tweede lid, lijkt aan de Koning immers de vereiste machtiging te geven om af te wijken van artikel 41, § 1, 4° voor de vastgoedbevaks. Afdeling 2 - Kapitaal Art. 12 - Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, gaat uit van het beginsel dat de vastgoedbevaks andere effecten dan aandelen (b.v. obligatieleningen) kunnen uitgeven onder de voorwaarden van het gemeen recht van de vennootschappen. De uitgifte van effecten die het kapitaal niet vertegenwoordigen, als tegenprestatie voor een bijdrage die niet economisch kan worden gewaardeerd en dus niet voldoet aan de definitie van een inbreng in geld of in natura (b.v. een inbreng van nijverheid), is krachtens artikel 12 van het ontwerpbesluit echter in ieder geval verboden. Dit artikel is van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Art. 13 - Dit artikel strekt ertoe de openbare vastgoedbevak een aantal specifieke verplichtingen op te leggen bij een kapitaalverhoging, zowel op het niveau van de openbare vastgoedbevak zelf als op dat van de institutionele vastgoedbevaks waarvan zij het kapitaal niet volledig in handen heeft. Een belangrijke verandering ten opzichte van de huidige regeling is dat de openbare vastgoedbevaks voortaan kapitaalverhogingen met opheffing van het voorkeurrecht kunnen doorvoeren onder de voorwaarden bepaald door het gemeen recht van de vennootschappen (art. 592 tot 598 van het Wetboek van vennootschappen). Tegen de achtergrond van die versoepeling is voor de bestaande aandeelhouders naar een bijkomende garantie gezocht bovenop de garanties die het Wetboek van vennootschappen hun reeds biedt. Zo moet aan de aandeelhouders een onherleidbaar toewijzingsrecht worden verleend wanneer een openbare vastgoedbevak een kapitaalverhoging met beperking of opheffing van het voorkeurrecht doorvoert. Dat recht strekt ertoe hetzelfde economische effect te sorteren als het voorkeurrecht, maar dan zonder de nadelen daarvan (lange inschrijvingsperiode enz.). Kenmerkend voor het onherleidbaar toewijzingsrecht is dat het, in tegenstelling tot het in artikel 592 van het Wetboek van vennootschappen bedoelde voorkeurrecht, bij de toewijzing van de aandelen (en dus niet bij de inschrijving) wordt uitgeoefend. Dit houdt dus in dat enkel de aandeelhouders die hebben ingeschreven, ervoor in aanmerking komen. In antwoord op een opmerking die in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State geformuleerd wordt, merken we op dat dit onherleidbaar toewijzingsrecht zich ook onderscheidt, door zijn verplichte aard en modaliteiten, van het facultatief recht van voorrang met variabele inhoud, waarin voorzien is in artikel 599 van het Wetboek van vennootschappen. Het blijft dus mogelijk gebruik te maken van de mogelijkheid die deze laatste bepaling biedt, op voorwaarde uiteraard dat voldaan is aan de vereisten van artikel 13 van het ontwerpbesluit. Voor het onherleidbaar toewijzingsrecht geldt een specifieke regeling. Enerzijds wordt bepaald dat dit recht aan de aandeelhouders moet worden verleend naar rato van hun deelneming. Anderzijds moet het op alle uitgegeven aandelen kunnen worden uitgeoefend. Dit heeft tot gevolg dat, wanneer de bestaande aandeelhouders het bod volledig zouden onderschrijven naar rato van hun respectieve deelneming, niet zou kunnen worden voldaan aan de orders van de overige inschrijvers. Zo is de opsplitsing van de uitgifte in verschillende schijven, waarbij de ene uitsluitend aan de bestaande aandeelhouders en de andere aan de nieuwe inschrijvers wordt voorbehouden, bijvoorbeeld verboden. Om de bestaande aandeelhouders effectief de kans te bieden om in te schrijven, wordt bepaald dat de openbare inschrijvingsperiode minimaal drie dagen duurt. Conform het koninklijk besluit van 17 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten2 betreffende de primaire marktpraktijken en onverminderd het verbod om de uitgifte in verschillende schijven op te splitsen, verbiedt het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, daarentegen niet dat de inschrijvers die de hoedanigheid van gekwalificeerde beleggers hebben, slechts over een kortere inschrijvingsperiode beschikken. Gelet op de beperkte duur van de inschrijvingsperiode, wordt niet geëist dat de niet-uitgeoefende rechten kunnen worden verhandeld. Nog steeds om de bestaande aandeelhouders de kans te bieden hun recht effectief uit te oefenen, wordt tot slot bepaald dat de maximale inschrijvingsprijs vóór de start van de inschrijving moet worden aangekondigd. Op dat moment hoeft niet de effectieve prijs te worden aangekondigd : de vermelding van een maximumprijs is voldoende. Deze bijkomende garantie is echter niet van toepassing bij de uitkering van een keuzedividend. Een keuzedividend wordt gezien als een inbreng in natura, in het kader waarvan de inbreng van de dividendvordering die gekoppeld is aan een gedefinieerd aantal bestaande aandelen, recht geeft op een nieuw aandeel. Vaak bezit een aandeelhouder niet het vereiste aantal aandelen en moet hij zijn inbreng in natura "aanvullen" met een inbreng in geld. Dergelijke kapitaalverhoging in geld veronderstelt per definitie de opheffing van het voorkeurrecht. De bepaling verduidelijkt dat in zo'n geval geen recht van voorrang moet worden toegekend aan de bestaande aandeelhouders. Wel moet worden onderstreept dat de "aanvulling" in de vorm van de inbreng in geld marginaal moet zijn en er enkel mag toe strekken de "aanvulling" van de inbreng van de dividendvordering mogelijk te maken, zodat de betrokken aandeelhouder kan inschrijven op het eerstvolgend geheel aantal nieuwe aandelen. Deze vrijstelling geldt dus enkel als het aantal bestaande aandelen in het bezit van de aandeelhouder hem niet in staat stelt op een geheel aantal aandelen in te schrijven. Tot slot moet worden opgemerkt dat de uitkering van een keuzedividend onder de hier vermelde voorwaarden geen aanleiding lijkt te geven tot de toepassing van artikel 598 van het Wetboek van vennootschappen : alle aandeelhouders kunnen immers inschrijven zonder dat zij extra geld hoeven in te brengen. Bijgevolg lijkt artikel 598 van het Wetboek van vennootschappen zowel naar de letter als naar de geest te worden nageleefd (zie het ontwerp van wet tot wijziging van de wetten betreffende de handelsvennootschappen gecoördineerd op 30 november 1935, Memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 1990-1991, nr. 1107-1, p. 46 en 47). Voor de institutionele vastgoedbevaks gelden de regels van het gemeen recht van de vennootschappen. Paragraaf 2 neemt de bestaande regeling voor inbrengen in natura over en wijzigt die op bepaalde punten. Terloops wordt eraan herinnerd dat, krachtens artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit van 10 april 1995, de uitgifteprijs bij een kapitaalverhoging tegen inbreng in natura niet minder mag bedragen dan de gemiddelde beurskoers gedurende de dertig dagen voorafgaand aan de inbreng. Het verslag van de raad van bestuur moet de identiteit van de inbrenger vermelden, alsook de impact van de voorgestelde inbreng op de toestand van de bestaande aandeelhouders. In het U ter ondertekening voorgelegde ontwerpbesluit wordt die regel van toepassing verklaard op fusies, splitsingen en gelijkgestelde verrichtingen. Bovendien is het ontwerpbesluit in die zin vernieuwend dat het bepaalt dat het referentiepunt waarmee de uitgifteprijs moet worden vergeleken, de laagste waarde is van (
  1. a)een netto-inventariswaarde die ten hoogste vier maanden oud is, en (
  2. b)de gemiddelde slotkoers gedurende de laatste dertig kalenderdagen. Tot slot wordt verduidelijkt dat de termijn van vier maanden of van dertig dagen op basis waarvan de prijs wordt bepaald (zie § 2, 2°), naar keuze van de openbare vastgoedbevak, eindigt op de datum waarop de inbrengovereenkomst wordt afgesloten dan wel de akte van kapitaalverhoging wordt verleden. De openbare vastgoedbevaks worden geacht consequent te zijn bij de datumkeuze en zich niet louter door de omstandigheden te laten leiden. De netto-inventariswaarde waarnaar dit artikel verwijst, is de laatst gepubliceerde. Conform een gangbare praktijk is bijsturing mogelijk bij een uitgifte "ex coupon". Die term verwijst naar uitgiften waarbij de nieuwe aandelen geen recht geven op dividend voor het lopende en/of het voorbije boekjaar (indien het betrokken dividend nog niet werd uitgekeerd). Het ontwerpbesluit verduidelijkt in dat verband dat het bedrag van het toekomstige dividend mag worden afgetrokken van de gemiddelde slotkoers gedurende de laatste dertig kalenderdagen. Hoewel de juridische regeling die wordt ingevoerd door het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, het gebruik van een "dubbele drempel" toestaat, bestaat die mogelijkheid tot bijsturing bij een uitgifte "ex coupon" dus enkel wanneer de vastgoedbevak de gemiddelde beurskoers als maatstaf hanteert voor de bepaling van de uitgifteprijs (zie (
  3. b)hierboven), en dus niet wanneer zij gebruik maakt van de netto-inventariswaarde (zie (
  4. a)hierboven). Dit verschil in aanpak berust op de volgende overwegingen. Het is bekend dat de beurskoers, in tegenstelling tot de netto-inventariswaarde per aandeel, de prijs is waartegen de aandelen van de vastgoedbevak op de markt kunnen worden verhandeld. Het is dus de enige "publiek toegankelijke" prijs. Indien de netto-inventariswaarde per aandeel onder de gemiddelde beurskoers zou liggen, zou de vastgoedbevak het recht hebben om de uitgifteprijs uitsluitend op basis van die netto-inventariswaarde te berekenen. De vastgoedbevak ook nog toestaan om van die netto-inventariswaarde een bedrag af te trekken dat overeenstemt met de toekomstige dividenden, zou een erg grote verwatering tot gevolg hebben voor de bestaande aandeelhouders. Bovendien hebben de bestaande aandeelhouders niet de mogelijkheid om aandelen tegen dezelfde prijs te verwerven als de inbrenger (die aandelen tegen de netto-inventariswaarde heeft kunnen kopen, i.e. tegen een "niet-publieke" prijs, die ex hypothesi onder de beurskoers ligt). In dat geval zou de inbrenger overigens een meerwaarde kunnen realiseren als hij de aandelen waarop hij heeft ingeschreven, terug zou verkopen op de markt. Dat probleem stelt zich niet bij een uitgifte "ex coupon" tegen een prijs die overeenstemt met de gemiddelde beurskoers (die dan per definitie onder de netto-inventariswaarde per aandeel ligt). In tegenstelling tot de netto-inventariswaarde is de gemiddelde beurskoers immers, zoals eerder gedefinieerd, een "publiek toegankelijke" prijs. Verder dient te worden opgemerkt dat deze benadering aansluit bij de momenteel gangbare praktijk (zie hierboven), waarbij het, bij een uitgifte "ex coupon", mogelijk is de gemiddelde beurskoers te "corrigeren". Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat van de raad van bestuur van de vastgoedbevak wordt verwacht dat hij in zijn bijzonder verslag het aldus afgetrokken dividendbedrag verantwoordt en in zijn jaarlijks financieel verslag toelichting geeft bij de financiële voorwaarden van de verrichting. Indien gedurende een bepaald boekjaar een kapitaalverhoging heeft plaatsgevonden waarbij een correctie op de beurskoers heeft plaatsgevonden, zal dit bedrag moeten worden gerechtvaardigd aan de hand van het effectieve dividend voor het betrokken boekjaar en, in geval van verschil tussen het vooropgestelde dividend en het uiteindelijke dividend, daaraan de nodige informatie in het jaarlijks financieel verslag zal moeten worden verstrekt. Ook is gepoogd de distorsies te beperken tussen (
  5. a)de uitgifteprijs wanneer die wordt bepaald onder verwijzing naar de datum van de inbrengovereenkomst, conform paragraaf 2, 2°, en (
  6. b)de beurskoers of de netto-inventariswaarde op het moment van de kapitaalverhoging. De bepaling onder 3° van diezelfde paragraaf verduidelijkt dat de uitgifteprijs uiterlijk op de werkdag na de afsluiting van de inbrengovereenkomst moet worden bepaald en aan het publiek moet worden meegedeeld met vermelding van de termijn waarbinnen de kapitaalverhoging effectief zal worden doorgevoerd. Als dat niet gebeurt, moet de kapitaalverhoging binnen vier maanden na de afsluiting van de inbrengovereenkomst worden doorgevoerd, wat overeenstemt met de maximumtermijn voor de registratie van die overeenkomst. Een kortere termijn lijkt niet aangewezen, gelet op de formaliteiten waarmee de eigendomsoverdracht van een gebouw gepaard gaat, bijvoorbeeld krachtens de reglementering inzake bodemverontreiniging. Dit artikel is niet van toepassing op de uitkering van een keuzedividend, voor zover dit effectief voor alle aandeelhouders betaalbaar wordt gesteld. De institutionele vastgoedbevaks zijn aan deze bepaling onderworpen, behalve wat de door de openbare vastgoedbevak doorgevoerde kapitaalverhoging door inbreng in natura betreft. Art. 14 - Dit artikel beoogt de informatieverstrekking aan de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak te garanderen wanneer, bij de verhoging van het kapitaal van een door de openbare vastgoedbevak gecontroleerde institutionele vastgoedbevak, een disagio van meer dan 10 % wordt toegepast. De verplichting om verslag uit te brengen berust bij de raad van bestuur of de zaakvoerder van de openbare vastgoedbevak, en sluit aan bij zijn verplichtingen ten aanzien van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak. De regel is niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks waarvan het kapitaal volledig in handen is van een openbare vastgoedbevak : in die situatie heeft een disagio immers geen invloed op de positie van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak. De netto-inventariswaarde moet op basis van de reële waarde worden bepaald. Ook hier is het onder bepaalde voorwaarden toegestaan om rekening te houden met het toekomstige dividend waarop de nieuwe aandelen eventueel geen recht zouden geven. Ter zake wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 13. Afdeling 3 - Verzekeringsdekking Art. 15 - Dit artikel herneemt de in artikel 17 van het huidige koninklijk besluit vervatte regel. Het is van toepassing op de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak, inclusief de institutionele vastgoedbevaks. Afdeling 4 - Vergoedingen, provisies en kosten Art. 16 - Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de regeling inzake vergoedingen, provisies en kosten. Doelstelling van de eerste paragraaf van dit artikel is de informatieverstrekking aan de aandeelhouders over de vergoedingen van de persoon belast met de financiële dienst en van de deskundigen en de commissarissen te garanderen. Deze informatie moet op individuele basis worden gepubliceerd in het financieel verslag. Deze paragraaf is ook van toepassing op de vergoedingen die ten laste zijn van de openbare vastgoedvennootschap en haar dochtervennootschappen (inclusief de institutionele vastgoedvennootschappen). Paragrafen 2 en 3 bevatten met name de regels vervat in de artikelen 19 en 20, § 1, van het koninklijk besluit van 10 april 1995. Zij zijn van toepassing op de leiders van de institutionele vastgoedbevak. Paragraaf 2 strekt ertoe te voorkomen dat de vaste of variabele vergoeding van de leiders van de openbare vastgoedbevak zou worden bepaald in functie van de door die openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen uitgevoerde verrichtingen en transacties. Meer algemeen lijkt een vergoeding die gebaseerd is op de omzet van de openbare vastgoedbevak en/of haar dochtervennootschappen, uitgesloten. Indien een variabele vergoeding wordt toegekend in functie van de resultaten van de openbare vastgoedbevak, mag enkel het geconsolideerde nettoresultaat in aanmerking worden genomen. Anderzijds mag de uitvoering van een bijzondere verrichting of transactie door de openbare vastgoedbevak niet in aanmerking worden genomen bij de toekenning van de variabele vergoeding. Afdeling 5 - Voorkoming van belangenconflicten Art. 17 - Dit artikel moet worden gelezen in samenhang met artikel 6 van het ontwerpbesluit, en strekt ertoe te voorkomen dat de onafhankelijkheid van de deskundige in het gedrang zou komen door een deelname aan de verrichtingen van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen, ongeacht of zij al dan niet de hoedanigheid van institutionele vastgoedbevaks hebben. Art. 18 - Dit artikel bevat de regels voor het beheer van de belangenconflicten. Dit artikel neemt het algemeen beginsel van artikel 24 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 over. Het beginsel van de voorafgaande informatieverstrekking aan de CBFA en de openbaarmaking van de betrokken informatie blijft dus behouden. Ook voor de verrichtingen die onder de toepassing van deze bepaling vallen, zal de door de deskundige uitgevoerde waardering een bindend karakter behouden. Op te merken valt dat het toepassingsgebied van het artikel is uitgebreid. Het bleek immers nodig rekening te houden met de invoering van het statuut van institutionele vastgoedbevak en met het feit dat de belangen van derden die aandeelhouder zijn van de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak, kunnen verschillen van de belangen van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak. Deze bepaling zal dus van toepassing zijn op de verrichtingen van de institutionele vastgoedbevaks. In dergelijk geval berust de verplichting om de verrichting ter kennis te brengen van de CBFA bij de betrokken openbare vastgoedbevak. Art. 19 - Krachtens dit artikel zijn de artikelen 17 en 18 van het ontwerpbesluit niet van toepassing op bepaalde verrichtingen, omdat dit niet verantwoord lijkt. Hoofdstuk III - Uitgifte, verkoop en verhandeling van de aandelen van de openbare vastgoedbevak Afdeling 1 - Algemene bepalingen Art. 20 - De openbare vastgoedbevaks zijn instellingen voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming die bijgevolg niet onder de toepassing van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten vallen wat de regels over het openbaar aanbod van rechten van deelneming betreft (zie art. 52, § 2, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten). Dit artikel verwijst dan ook naar de wet van 16 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/06/2006 pub. 21/06/2006 numac 2006009492 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt sluiten. Afdeling 2 - Promotor Art. 21 - Dit artikel verduidelijkt in welke omstandigheden de personen die de hoedanigheid van promotor hebben op het ogenblik dat de openbare vastgoedbevak op de lijst wordt ingeschreven, die hoedanigheid verliezen. Artikel 21 verduidelijkt dat de promotor niet langer als dusdanig wordt beschouwd wanneer (
  7. a)hij niet langer beantwoordt aan de onderdelen van de definitie van het begrip "promotor", (
  8. b)hij de oorspronkelijke verplichtingen van de promotor is nagekomen (zie hieronder), en (
  9. c)een termijn van minstens drie jaar is verstreken sinds de inschrijving van de openbare vastgoedbevak. Dit impliceert dat de personen die de hoedanigheid van promotor hadden op het ogenblik waarop de openbare vastgoedbevak op de lijst werd ingeschreven, zelfs bij verlies van de controle gedurende minstens drie jaar na die inschrijving en zolang niet aan voornoemde voorwaarden is voldaan, die hoedanigheid behouden. Indien er verschillende promotoren zijn, dienen zij hun verplichtingen, krachtens het besluit, hoofdelijk na te komen. Gelet op de kenmerken van de regeling voor de institutionele vastgoedbevaks, zijn deze niet verplicht een promotor aan te wijzen. Art. 22 - Dit artikel somt de specifieke verplichtingen van de promotor van de openbare vastgoedbevak op. Paragrafen 1 en 2 nemen zonder noemenswaardige wijzigingen de bepalingen van artikel 33, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 over. Artikel 22, §§ 3, 4 en 5 nemen de krachtens artikel 33, § 3, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 voor de promotor geldende verplichtingen over en breiden die sterk uit. Bedoeling is ervoor te zorgen dat minstens 30 % van de effecten van de openbare vastgoedbevak te allen tijde in het bezit zijn van het publiek. Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, wil die middelenverbintenis dus een permanent karakter geven. De promotor bepaalt vrij welke middelen hij daarvoor gebruikt. Toch wordt verwacht dat de gebruikte middelen voor een redelijke waarnemer van dien aard zijn dat zij het mogelijk maken die drempel van 30 % te bereiken. Hoofdstuk IV - Openbaarmaking van gegevens en boekhouding Afdeling 1 - Openbaarmaking van gegevens Art. 23 en 24 - Deze artikelen bepalen de inhoud, de vorm alsook de openbaarmakingswijze en -termijn van de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen en financiële staten van de openbare vastgoedbevaks. De openbare vastgoedbevaks vallen onder de toepassing van het koninklijk besluit van 14 november 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten3 (zie art. 3, eerste lid). De aandelen van de openbare vastgoedbevaks moeten immers tot de verhandeling op een gereglementeerde markt worden toegelaten (art. 75 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten en art. 20 van het ontwerpbesluit). De jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen van de openbare vastgoedbevaks moeten dus conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 november 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten3 worden opgesteld. Bovendien bevat bijlage B bij het ontwerpbesluit een opsomming van de in de financiële verslagen op te nemen gegevens. Ook is het nuttig te vermelden dat de openbare vastgoedbevaks aan de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen zijn onderworpen (art. 96 en 119). Opdat de gepubliceerde informatie gemakkelijker toegankelijk zou zijn voor het publiek, legt het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, enkel de openbare vastgoedbevaks (en dus niet de door hen gecontroleerde vennootschappen) specifieke verplichtingen op met betrekking tot de inhoud van hun periodieke rapporteringsstaten. De inhoud van de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen zal dus zowel op de openbare vastgoedbevak als op haar dochtervennootschappen (inclusief de institutionele vastgoedbevaks) betrekking hebben. Artikel 23 van het ontwerpbesluit is dus niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Indien een dochtervennootschap van een openbare vastgoedbevak op een gereglementeerde markt of een MTF genoteerd zou zijn, zouden de aan die notering verbonden verplichtingen toch op haar van toepassing zijn, onverminderd de specifiek voor de openbare vastgoedbevak geldende verplichtingen. Afdeling 2 - Opstelling van de jaarrekening Art. 25 - Dit artikel neemt de bepalingen over van Hoofdstuk I van het koninklijk besluit van 21 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten0 op de boekhouding, de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van openbare vastgoedbevaks, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks. De verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen met toepassing van de IFRS-normen vloeit voort uit Verordening (EG) nr. 1606/2002, met als gevolg dat die verplichting niet expliciet in dit besluit hoeft te worden herhaald. Dit artikel verwijst naar Hoofdstuk I van Bijlage C van het ontwerpbesluit voor de opsomming en de beschrijving van de rubrieken van de enkelvoudige jaarrekening. De enkelvoudige jaarrekening van de vastgoedbevaks moet dus worden opgesteld conform de voorschriften van Hoofdstuk I van Bijlage C. We benadrukken dat geen afbreuk wordt gedaan aan de verplichting om in het halfjaarlijks financieel verslag verkorte financiële overzichten te publiceren, conform artikel 13, § 2 van het koninklijk besluit van 14 november 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten3 betreffende de verplichtingen van emittenten van financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt. Voor de geconsolideerde jaarrekening verwijst artikel 25 naar Hoofdstuk II van Bijlage C. Art. 26 - Met toepassing van artikel 77 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten bepaalt dit artikel dat Titel I (Jaarrekening) van Boek II en Hoofdstuk I van Titel III (Openbaarmaking van de jaarrekening en van de geconsolideerde jaarrekening) van datzelfde Boek II van het koninklijk besluit van 30 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 27/02/2001 numac 2001000090 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 24 november 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 februari 1995 tot vaststelling van de in het wachtregister vermelde informatiegegevens en tot aanwijzing van de overheden die bevoegd zijn om die gegevens in het wachtregister in te voeren type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 06/02/2001 numac 2001009091 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 10/01/2007 numac 2006000914 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen. - Duitse vertaling sluiten tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen niet van toepassing zijn. Voornoemde bepalingen van het koninklijk besluit van 30 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 27/02/2001 numac 2001000090 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 24 november 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 februari 1995 tot vaststelling van de in het wachtregister vermelde informatiegegevens en tot aanwijzing van de overheden die bevoegd zijn om die gegevens in het wachtregister in te voeren type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 06/02/2001 numac 2001009091 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 10/01/2007 numac 2006000914 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen. - Duitse vertaling sluiten zijn hier niet pertinent omdat de IFRS-normen van toepassing zijn. Afdeling 3 - Resultaatverwerking Art. 27 - Paragraaf 1 van dit artikel legt de openbare vastgoedbevaks de verplichting op om jaarlijks minstens 80 % van het conform het schema in Hoofdstuk III van Bijlage C bij dit ontwerpbesluit bepaalde bedrag als vergoeding van het kapitaal uit te keren. Deze verplichting doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 617 van het Wetboek van vennootschappen. Een openbare vastgoedbevak kan dus in geen geval verplicht worden een dividend uit te keren als de voorgenomen uitkering een overtreding zou inhouden van artikel 617 van het Wetboek van Vennootschappen. Bij de toepassing van laatstgenoemd artikel moet rekening worden gehouden met het boekhoudschema in Bijlage C bij het ontwerpbesluit, en in het bijzonder met de daarin gedefinieerde posten van de onbeschikbare reserves. Het begrip "schuldenlast" wordt in het tweede lid van deze paragraaf gedefinieerd. Deze paragraaf is ook van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Uitsluitend met betrekking tot de openbare vastgoedbevaks verbiedt paragraaf 2 van datzelfde artikel elke uitkering aan de aandeelhouders als de geconsolideerde of enkelvoudige schuldratio van de openbare vastgoedbevak reeds boven 65 % van de statutaire of geconsolideerde activa zou liggen, of als gevolg van de uitkering boven dat percentage zou uitstijgen. Hier worden dus zowel de individuele schuldgraad van de openbare vastgoedbevak als de schuldgraad van de groep in haar geheel geviseerd. Indien de openbare vastgoedbevak het volledige kapitaal van een of meer dochtervennootschappen in handen heeft, wordt niet haar enkelvoudige schuldratio in aanmerking genomen, maar de geconsolideerde schuldratio van het geheel dat zij samen vormt met de dochtervennootschappen waarvan zij het volledige kapitaal in handen heeft. Krachtens § 2, tweede lid, van datzelfde artikel moeten de bedragen die, ingevolge de te hoge schuldenlast, niet konden worden uitgekeerd, aan de reserves worden toegevoegd. Die reserve mag enkel worden aangewend om de schuldgraad onder 65 % te doen dalen en pas worden uitgekeerd als de schuldgraad minder dan 65 % bedraagt. Hier wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen 53 en 54 van het ontwerpbesluit. Er moet worden opgemerkt dat deze paragraaf niet van toepassing is op de institutionele vastgoedbevaks, die aan een eigen regeling zijn onderworpen (zie hieronder). Afdeling 4 - Inventaris en waardering door de deskundige Art. 28 - Dit artikel legt de openbare vastgoedbevak de verplichting op om ten minste eenmaal per jaar een inventaris van haar vastgoed en dat van haar dochtervennootschappen op te maken. Datzelfde geldt ook telkens wanneer zij aandelen uitgeeft dan wel anders dan op een gereglementeerde markt aandelen inkoopt. Dit artikel is ook van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Art. 29, 30 en 31 - Deze artikelen vormen een centraal gegeven van de wettelijke regeling die wordt ingevoerd door het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd. Zij beschrijven de krachtlijnen van de waarderingstaak van de deskundige van de openbare vastgoedbevak. Deze artikelen zijn niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Zij hoeven op hun niveau immers geen deskundige te benoemen (zie commentaar bij artikel 6 hierboven). Wel moet worden opgemerkt dat het vastgoed in het bezit van de institutionele vastgoedbevaks en de andere dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevaks, net als het rechtstreeks door de openbare vastgoedbevak gehouden vastgoed, wordt opgenomen in de door de deskundige van de openbare vastgoedbevak uitgevoerde waarderingen. De waardering heeft betrekking op de reële waarde van het vastgoed, in de betekenis die de IFRS normen aan dat begrip geven. Er dient te worden opgemerkt dat de onroerende leasing waarnaar wordt verwezen in artikel 29, § 1, eerste lid, 1° van het ontwerpbesluit, een onroerende leasing is als bedoeld in IAS 17, § 36. De vorderingen die uit dergelijke contracten voortvloeien, moeten dus niet gewaardeerd worden conform artikel 29 en volgende van het ontwerp besluit. Het ontwerpbesluit maakt een onderscheid tussen de periodieke waarderingen van het vastgoed van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen, en de occasionele waarderingen die bij de verwezenlijking van bepaalde verrichtingen worden uitgevoerd. Zo verduidelijkt artikel 29 dat het vastgoedpatrimonium van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen aan het einde van elk boekjaar moet worden gewaardeerd. Deze jaarlijkse waardering wordt driemaandelijks geactualiseerd. Daarnaast wordt ook in occasionele waarderingen voorzien. Zo moet de deskundige van de openbare vastgoedbevak de reële waarde van het vastgoed in het bezit van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen waarderen wanneer de openbare vastgoedbevak verrichtingen zoals fusies, splitsingen, kapitaalverhogingen en inkopen van aandelen buiten de gereglementeerde markt uitvoert. De uitgevoerde waardering is niet bindend, maar eerder bestemd als leidraad : de regeling strekt ertoe de belangen van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak te beschermen. Daartoe lijkt de interventie van een onafhankelijke derde (de deskundige) passend. Artikel 30, vierde lid, biedt de openbare vastgoedbevaks de mogelijkheid om de driemaandelijkse waarderingen (zie hieronder) zoveel mogelijk te gebruiken bij de occasionele waarderingen die dit artikel oplegt. De noodzaak om de verrichtingen van de openbare vastgoedbevak niet meer dan nodig te bemoeilijken, en het belang om over een voldoende recente waardering te kunnen beschikken, zijn hier tegen elkaar afgewogen. Precies daarom wordt verduidelijkt dat een eerdere waardering enkel mag worden gebruikt als de deskundige bevestigt dat de onderliggende premissen niet zijn veranderd. In dezelfde zin is het zo dat, wanneer een nieuwe driemaandelijkse waardering wordt uitgevoerd na de indiening van een splitsings- of fusievoorstel, de raad van bestuur niet verplicht is om de ruilverhouding of het bedrag van de opleg te wijzigen, als hij aan de hand van een verklaring van de deskundige aantoont dat de onderliggende premissen van de waardering niet zijn veranderd. Gelet op de termijn die kan verstrijken tussen de indiening van een splitsings- of fusievoorstel en de uitvoering van de verrichting, zou de omgekeerde oplossing de planning van zo'n verrichting onnodig kunnen bemoeilijken, zonder dat daarom aan de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak bijkomende garanties worden geboden. Artikel 31 van het ontwerpbesluit betreft de verwervingen en overdrachten van vastgoed door de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen. Het beginsel dat in het besluit geformuleerd is, is dat elk van die vaste goederen vooraf moet worden gewaardeerd door de deskundige van de openbare vastgoedbevak. Wanneer de tegenpartij één van de personen is die bedoeld worden in artikel 18 van het besluit, dat over de belangenconflicten gaat, geldt een strengere regeling, die inhoudt dat de door de deskundige uitgevoerde waardering bindend is. Hoofdstuk V - Toezicht Art. 32 - Deze bepaling herinnert eraan dat de openbare vastgoedbevaks conform de artikelen 80 en volgende van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten onder het toezicht van de CBFA vallen, wat onder meer inhoudt dat de CBFA hen de maatregelen kan opleggen waarin de artikelen 89 en volgende van dezelfde wet voorzien. Voor de institutionele vastgoedbevaks geldt een specifieke regeling. Hoofdstuk VI - Beleggingsbeleid Dit hoofdstuk bevat de regeling waaraan de vastgoedbevaks zijn onderworpen voor hun beleggingen en beschrijft het beleggingsbeleid dat zij moeten volgen. Afdeling 1 - Algemene bepalingen Art. 33 - In de mate dat de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen vanuit economisch oogpunt een geïntegreerde entiteit vormen, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk die een kwantitatieve regel bevatten, op geconsolideerde basis van toepassing, tenzij anders aangegeven. Het gaat om de artikelen 34, § 2, 35, § 1, 37, tweede en derde lid, 38 en 39 van het ontwerp. Voor de toepassing van die bepalingen wordt een onderscheid gemaakt tussen de dochtervennootschappen die exclusief gecontroleerd worden (waarbij de activa en de passiva van de dochtervennootschap en van de openbare vastgoedbevak worden samengevoegd ongeacht het effectieve deelnemingspercentage) en de gemeenschappelijke dochtervennootschappen (waarbij de activa en passiva van de dochtervennootschap en van de openbare vastgoedbevak worden samengevoegd naar verhouding van het effectieve deelnemingspercentage van de openbare vastgoedbevak). Art. 34 - Dit artikel bepaalt dat de openbare vastgoedbevaks en hun dochtervennootschappen hun activa in vastgoed moeten beleggen en geeft aan binnen welke grenzen dit dient te gebeuren. De vastgoedbevak mag alleen bijkomend of tijdelijk effecten houden die geen vastgoed zijn of niet-toegewezen liquide middelen bezitten. Een geval dat hiermee wordt beoogd is dat van een vastgoedbevak die over een groot bedrag aan liquide middelen komt te beschikken nadat zij een transactie heeft gesloten die betrekking heeft op haar vastgoedpatrimonium. We benadrukken dat de twee criteria die in dit verband worden gebruikt, niet cumulatief zijn. Overigens dient het bijkomend karakter van de beleggingen die in het kader van dit artikel worden verricht, op geconsolideerd niveau te worden nagegaan. Zo is er geen sprake van een inbreuk op artikel 34 wanneer één van de door een openbare vastgoedbevak gecontroleerde vennootschappen individueel het grootste deel van haar activa belegt in effecten die geen vastgoed zijn of in liquide middelen, indien die beleggingen hun bijkomend karakter behouden wanneer de groep in haar geheel wordt beschouwd. Het houden van dergelijke activa is ook onderworpen aan de voorwaarden van artikel 35 (zie verder). Wanneer het bijkomend karakter van de uitgevoerde beleggingen onderzocht wordt, moet rekening gehouden worden met het relatieve belang van die beleggingen ten opzichte van de overige geconsolideerde activa van de openbare vastgoedbevak; tenzij die beleggingen een tijdelijk karakter hebben, mogen ze ook niet de core business van de vastgoedbevak vormen. De belegging in vastgoed moet haar core business blijven. Er wordt van de openbare vastgoedbevak verwacht dat zij in haar jaarlijks en halfjaarlijks verslag een omstandige omschrijving en verantwoording geeft van haar beleggingen in effecten die geen vastgoed zijn, die in de loop van de betrokken periode zijn uitgevoerd. De derde paragraaf van dit artikel handelt over de onderschrijving van afdekkingsinstrumenten door de vastgoedbevaks. Volgens de regeling die wordt ingevoerd door het besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, is de onderschrijving van dergelijke instrumenten maar toegelaten indien de verrichting een bijkomend karakter heeft : het doel van de verrichting moet de indekking van rente- en wisselkoersrisico's blijven en verrichtingen met speculatief oogmerk zijn uitgesloten. De onderschrijving van afdekkingsinstrumenten met fysieke afwikkeling of ter verwezenlijking van een ander doel dan de indekking van de voornoemde risico's, is dus verboden. Overigens wordt van de vastgoedbevak verlangd dat zij een beleid vastlegt voor de indekking van financiële risico's, waar de onderschrijving van afdekkingsinstrumenten deel van moet uitmaken. Wanneer een positie wordt afgewikkeld vóór vervaldatum, moet dit verantwoord worden in het licht van dit beleid. Art. 35.Deze bepaling moet ervoor zorgen dat de beleggingen in effecten die in het kader van artikel 34 worden verricht, gediversifieerd zijn. De beperkingen die in dit verband zijn vastgelegd, moeten op geconsolideerde basis worden toegepast, rekening houdend met alle beleggingen van die aard die op groepsniveau worden uitgevoerd. Art. 36.Deze bepaling betreft het sluiten, als leasingnemer, van overeenkomsten van onroerende leasing door openbare vastgoedbevaks en hun dochtervennootschappen, ongeacht of die dochtervennootschappen het statuut van institutionele vastgoedbevak hebben of niet. Het tweede lid geldt enkel voor de openbare vastgoedbevak en moet op individuele (niet op geconsolideerde) basis worden toegepast. Art. 37.Dit artikel betreft het sluiten, als verhuurder, van overeenkomsten van onroerende leasing door de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen (ongeacht of die dochtervennootschappen het statuut van institutionele vastgoedbevak hebben of niet). Er wordt gepreciseerd dat die activiteit maar als hoofdactiviteit mag worden uitgeoefend indien de in leasing gegeven onroerende goederen bestemd zijn voor doeleinden van algemeen belang. In de andere gevallen moet op geconsolideerde basis worden nagegaan of de activiteit al dan niet bijkomend is van aard. Afdeling 2 - Diversificatie van de beleggingen Art. 38 et 39. Deze bepalingen moeten ervoor zorgen dat de door de openbare vastgoedbevak uitgevoerde beleggingen gediversifieerd zijn. Ook hier merken we op dat de vereisten voor de diversificatie van de beleggingen die door de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen worden uitgevoerd, op geconsolideerde basis moeten worden toegepast. Artikel 38 omschrijft in grote lijnen de verplichting tot diversificatie. De vastgoedbevaks dienen in hun statuten te vermelden welke diversificatiecriteria zij toepassen. De regeling van het koninklijk besluit van 10 april 1995 wordt op dit vlak niet aanzienlijk gewijzigd door het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd. Artikel 39 bevat een specifieke regel die het beginsel van artikel 38 verfijnt voor wat betreft de "vastgoedgehelen" waarin de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen beleggen. Het begrip "vastgoedgeheel" is gebaseerd op het idee dat verschillende vaste goederen ten aanzien van het risico dat eraan verbonden is, toch een samenhangend geheel kunnen vormen. Bijgevolg is het gerechtvaardigd dat men zich ervan vergewist dat het vermogen van de openbare vastgoedbevak, ook al is dit in verschillende vaste goederen belegd, niet op buitensporige wijze is blootgesteld aan één enkel risico dat verbonden is aan vastgoed dat in werkelijkheid een geheel vormt. Net zoals in de regeling van het koninklijk besluit van 10 april 1995, is die regel maar van toepassing op het ogenblik dat de betrokken verrichting wordt uitgevoerd. Indien de drempel van 20 % overschreden wordt ten gevolge van een wijziging in de reële waarde van de portefeuille van de vastgoedbevak, is er dus geen sprake van een schending van deze bepaling. Hierbij dient evenwel opgemerkt te worden dat de algemene verplichting tot diversificatie van de beleggingen in een dergelijk geval van toepassing blijft. Indien de raad van bestuur met een dergelijke situatie geconfronteerd wordt, dient hij deze situatie op te volgen en te beslissen of de risicopositie van de vastgoedbevak verminderd moet worden. Het spreekt voor zich dat een openbare vastgoedbevak waarvan meer dan 20 % van de geconsolideerde activa in één enkel vastgoedgeheel is belegd, (ongeacht of de oorspronkelijke overschrijding (
  10. a)te wijten is aan een verrichting die door de openbare vastgoedbevak of een van haar dochtervennootschappen is uitgevoerd, (
  11. b)te wijten is aan een gebeurtenis buiten haar wil, zoals een wijziging in de reële waarde van de portefeuille of (
  12. c)gedekt is door een afwijking toegekend door de CBFA - zie verder) in geen geval een transactie mag verrichten waardoor de situatie verergert. Verrichtingen die de vastgestelde overschrijding van de drempel van 20 % doen dalen, vallen daarentegen niet onder de toepassing van artikel 39 (ook al hebben ze niet tot gevolg dat de risicopositie van de openbare vastgoedbevak onder de limiet van 20 % zakt). Er kunnen afwijkingen worden toegestaan door de CBFA. De toegestane afwijkingen en de eventuele voorwaarden die eraan zijn verbonden, moeten gepubliceerd worden in de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen van de openbare vastgoedbevak, evenals, in voorkomend geval, in het prospectus. Zoals dit al het geval was onder het koninklijk besluit van 10 april 1995, kan de CBFA geen afwijking toestaan wanneer de geconsolideerde schuldgraad van de openbare vastgoedbevak meer bedraagt dan 33 %. Een hoge schuldgraad houdt immers een groter risico in, en indien het risico groter is, is het zeker van belang dat de vereisten inzake de diversificatie van de beleggingen strikt worden nageleefd. De verplichting om te diversifiëren geldt zodra de openbare vastgoedbevak is ingeschreven. Zoals dit al het geval was onder het koninklijk besluit van 10 april 1995, wordt bij het toezicht op de naleving van de verplichting om te diversifiëren, voor wat betreft het risico dat slaat op de identiteit van de huurder of de gebruiker van het vastgoed, geen rekening gehouden met het vastgoed dat gedekt is door een langetermijnverbintenis van een publiekrechtelijke instelling. Art. 40.Deze bepaling houdt in dat de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak, wanneer hij vaststelt dat de reglementaire en statutaire bepalingen inzake de diversificatie van de beleggingen niet worden nageleefd, verplicht is een algemene vergadering bijeen te roepen om over de ontbinding van de openbare vastgoedbevak te beraadslagen en te besluiten. De te volgen procedure is vergelijkbaar met die van artikel 633 van het Wetboek van vennootschappen. Zoals vermeld in het tweede en het derde lid, is deze bepaling uiteraard niet van toepassing wanneer er voor de vastgestelde overschrijding een afwijking wordt toegestaan door de CBFA (uiteraard voor zover de schuldratio lager ligt dan 33 %) of wanneer de overschrijding van de limiet voor beleggingen in een bepaald vastgoedgeheel enkel te wijten is aan een variatie van de reële waarde van de portefeuille (in dit laatst geval dient rekening gehouden te worden met de overgangsperiode van twee jaar). Afdeling 3 - Deelnemingen in andere vennootschappen Art. 41.In dit artikel wordt het basisprincipe geformuleerd dat geldt voor beleggingen van de openbare vastgoedbevak in aandelen. Om te garanderen dat de openbare vastgoedbevak haar volledige vermogen in het belang van haar aandeelhouders beheert, wordt verlangd dat zij over de vastgoedvennootschappen waarin zij aandelen bezit, de controle uitoefent. Deze controle kan exclusief of gemeenschappelijk zijn. Conform artikel 2, 20°, wordt een deelneming in een openbare of institutionele vastgoedbevak of in een vastgoedvennootschap voor de toepassing van het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, maar als vastgoed beschouwd indien de openbare of institutionele vastgoedbevak door die deelneming een (gezamenlijke of exclusieve) controle verwerft over de betrokken vennootschap. Een dergelijke belegging kan dus enkel worden uitgevoerd binnen de grenzen van de artikelen 34, § 2 en 35. Zoals hierboven wordt uiteengezet in de Algemene Beschouwingen, gelden er bijkomende regels wanneer er een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend over een dochtervennootschap, om de belangen van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak te vrijwaren. Een gezamenlijke controle houdt namelijk in dat een beperkt aantal aandeelhouders samen de controle uitoefenen over een vennootschap. In een dergelijk geval heeft de openbare vastgoedbevak dus niet de volledige zeggenschap over de betrokken dochtervennootschap. Het is uitgesloten dat de gezamenlijke controle over een vastgoedvennootschap of over een institutionele vastgoedbevak wordt uitgeoefend door twee openbare vastgoedbevaks. Dit zou indruisen tegen het principe dat een instelling voor collectieve belegging in het uitsluitende belang van de effectenhouders moet worden beheerd (art. 9 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten). In een dergelijk geval zou het immers per definitie onmogelijk zijn een beheer te voeren dat in het uitsluitende belang is van de aandeelhouders van de twee openbare vastgoedbevaks, aangezien deze twee groepen aandeelhouders uiteenlopende belangen hebben. Sommige bepalingen van het ontwerpbesluit, zoals de artikelen 18 en 43, zouden overigens niet-toepasbaar worden indien er een gezamenlijke controle zou worden uitgeoefend door twee openbare vastgoedbevaks. Art. 42.Dit artikel bepaalt binnen welke grenzen de openbare vastgoedvennootschap andere vennootschappen kan controleren zonder er het volledige kapitaal van te bezitten. Eerst en vooral dient opgemerkt te worden dat er geen specifieke drempel of voorwaarde geldt voor het bezit van aandelen van een vastgoedvennootschap of van een institutionele vastgoedbevak waarvan het volledige kapitaal in het bezit is van de openbare vastgoedbevak zelf (of van dochtervennootschappen die volledig in haar bezit zijn). Dergelijke drempels of voorwaarden zouden immers overbodig zijn in een dergelijke situatie, waar alle vermogens- en vennootschapsrechten aan de openbare vastgoedbevak toekomen. Wat de dochtervennootschappen betreft die exclusief gecontroleerd worden maar waarvan een deel van het kapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks wordt aangehouden door een derde, geldt een limiet (30 % van het geconsolideerde nettoactief van de openbare vastgoedbevak) voor de waarde van de minderheidsbelangen die in alle exclusief gecontroleerde dochtervennootschappen samen worden aangehouden. Dit criterium valt dus in principe voordeliger uit voor openbare vastgoedbevaks met een lage schuldgraad. De dochtervennootschappen waarover een exclusieve controle wordt uitgeoefend door de openbare vastgoedbevak en waarvan de rest van het kapitaal in handen is van een publiekrechtelijke instelling, worden niet in aanmerking genomen voor dit criterium en worden dus niet opgenomen in de berekening van de voornoemde limiet van 30 %. Voor die dochtervennootschappen geldt namelijk een specifieke limiet (zie verder). Anderzijds wordt ook geëist dat de openbare vastgoedbevak rechtstreeks of onrechtstreeks minstens 50 % van het kapitaal bezit. Voor de openbare vastgoedbevaks die ten minste sedert 1 januari 2009 niet aan deze voorwaarde voldoen, is in een grandfathering-clausule voorzien. Dat hier een strengere regeling geldt dan voor de dochtervennootschappen waarvan het volledige kapitaal in het bezit is van de openbare vastgoedbevak, is gerechtvaardigd. Ondanks het feit dat de openbare vastgoedbevak door haar exclusieve controle de volledige beslissingsbevoegdheid heeft, komt immers een deel van de vermogensrechten toe aan de andere aandeelhouders van de betrokken dochtervennootschap. Voor de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak is een dergelijke situatie minder gunstig dan een inbreng van goederen in het vermogen van de openbare vastgoedbevak zelf : indien de goederen rechtstreeks worden ingebracht in het vermogen van de openbare vastgoedbevak, zullen haar tegoeden immers meer gediversifieerd zijn. Voor gezamenlijk gecontroleerde dochtervennootschappen ten slotte, geldt een specifieke regeling die gerechtvaardigd is omwille van het feit dat de rechten op het vermogen van de dochtervennootschap en de beslissingsbevoegdheid verdeeld zijn onder de openbare vastgoedbevak en de andere aandeelhouders. Enerzijds mag de totale waarde van de deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie of het totaal van de proportioneel geconsolideerde activa (naargelang van de gebruikte consolidatiemethode) niet meer bedragen dan 20 % van het geconsolideerde actief van de openbare vastgoedbevak. Voor de openbare vastgoedbevaks die dit plafond ten minste sedert 1 januari 2009 overschrijden, is voorzien in een grandfathering-clausule van twee jaar. Er wordt gepreciseerd dat de openbare vastgoedbevaks die van deze bepaling gebruik maken, het percentage van hun deelnemingen in gezamenlijk aangehouden vennootschappen tijdens die periode van twee jaar niet mogen verhogen. Die periode van twee jaar is immers enkel bedoeld om de openbare vastgoedbevaks die die drempel van 20 % overschrijden, in staat te stellen de omvang van hun gezamenlijke deelnemingen te doen afnemen. Zoals blijkt uit de woorden "ten minste sedert 1 januari 2009", kan een openbare vastgoedbevak die deze drempel van 20 % zou hebben over- of onderschreden na 1 januari 2009, zich niet meer beroepen op deze bepaling. De dochtervennootschappen waarover een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend met een publiekrechtelijke instelling, dienen niet opgenomen te worden in de berekening van de voornoemde drempel van 20 %. Voor die dochtervennootschappen geldt namelijk een specifieke limiet (zie verder). Bovendien wordt gepreciseerd dat wanneer de openbare vastgoedbevak een onrechtstreekse deelneming aanhoudt, slechts één dochtervennootschap als tussenschakel mag fungeren tussen de openbare vastgoedbevak en de gezamenlijk gecontroleerde dochtervennootschap. In dit verband merken we op dat de gezamenlijke controle moet worden uitgeoefend door de openbare vastgoedbevak zelf (en niet door de dochtervennootschap). Het zou immers niet aanvaardbaar zijn dat de dochtervennootschap die als tussenschakel fungeert, eveneens gezamenlijk gecontroleerd wordt. Dan zou niet langer voldaan zijn aan het vereiste dat op de dochtervennootschap een gezamenlijke controle moet worden uitgeoefend door de openbare vastgoedbevak. Ook hier is in een grandfathering-clausule voorzien voor de openbare vastgoedbevaks die ten minste sedert 1 januari 2009 niet aan dit vereiste voldoen. Net zoals wanneer het om een exclusieve controle gaat, wordt van de openbare vastgoedbevak verlangd dat zij rechtstreeks of onrechtstreeks (in dit laatste geval via vennootschappen waarop zij een exclusieve controle uitoefent), minstens 50 % bezit van het kapitaal van de vennootschappen waarop zij een gezamenlijke controle uitoefent. Ook hier is in een grandfathering-clausule van twee jaar voorzien voor de openbare vastgoedbevaks die ten minste sedert 1 januari 2009 niet aan dit vereiste voldoen. Indien de in dit artikel 42 vastgelegde drempels worden overschreden als gevolg van een wijziging van de reële waarde van de activa, beschikt de openbare vastgoedbevak over een periode van twee jaar om zich in regel te stellen. Van deze overgangsperiode kan uiteraard geen gebruik gemaakt worden bijvoorbeeld wanneer de betrokken overschrijding nog is toegenomen als gevolg van een nieuwe verwerving. Art. 43.Deze bepaling zorgt ervoor dat de belangen van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak gevrijwaard blijven wanneer er sprake is van een patstelling binnen een gezamenlijk gecontroleerde dochtervennootschap. Zo dient de contractuele overeenkomst tussen de openbare vastgoedbevak en haar medeaandeelhouder bepalingen te bevatten die aan de openbare vastgoedbevak het recht geven om bij een conflict tussen aandeelhouders zijn deelneming te verkopen of de deelneming van de ander te kopen. Gelijkaardige rechten kunnen eventueel aan de andere aandeelhouder verleend worden, op voorwaarde dat er altijd een voorrang aan de openbare vastgoedbevak toegekend wordt. Voor de vaststelling van de prijs wordt dan een beroep gedaan op deskundigen. De eventuele contractuele overeenkomsten die in dit kader worden gesloten, mogen uiteraard geen belemmering vormen voor de toepassing van andere bepalingen van het besluit (met name over de maximale schuldratio); zij dienen dus gesloten te worden zonder afbreuk te doen aan de toepassing van die bepalingen. Art. 44.Dit artikel bepaalt dat de algemene regeling die geldt voor de dochtervennootschappen van openbare vastgoedbevaks niet van toepassing is op de dochtervennootschappen waarvan een deel van het kapitaal in handen is van de openbare vastgoedbevak en het andere in het bezit is van een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte. Rekening houdend met de kenmerken van een partnerschap met een publiekrechtelijke instelling, leek het niet opportuun te voorzien in een even strenge regeling als die welke van toepassing is op de andere dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevaks. Om diezelfde reden is er in specifieke drempels voorzien voor de partnerschappen met publiekrechtelijke instellingen. Indien er een exclusieve controle wordt uitgeoefend, geldt er een specifieke regeling. Enerzijds geldt er een specifieke limiet (30 % van het geconsolideerde nettoactief van de openbare vastgoedbevak) voor de waarde van de minderheidsbelangen die worden aangehouden in alle dochtervennootschappen waarover een exclusieve controle wordt uitgeoefend door de openbare vastgoedbevak en waar een publiekrechtelijke instelling de rest van het kapitaal aanhoudt. Die limiet van 30 % is niet inbegrepen in de in artikel 42, § 1, eerste lid, 1° bepaalde drempel. Bij dochtervennootschappen waarover een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend door een openbare vastgoedbevak en een publiekrechtelijke instelling, mag de totale waarde van de deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie of, naargelang het geval, het totaal van de proportioneel geconsolideerde activa, voor alle dochtervennootschappen waarover samen met een publiekrechtelijke instelling een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend, niet meer bedragen dan 20 % van het geconsolideerde actief van de openbare vastgoedbevak. Die limiet van 20 % is niet inbegrepen in de in artikel 42, § 2, tweede lid, 1° bepaalde drempel. Tot slot mag de openbare vastgoedbevak in het algemeen minder dan 50 % bezitten van het kapitaal van een dochtervennootschap waarover zij een exclusieve of gezamenlijke controle uitoefent, op voorwaarde uiteraard dat de rest van het kapitaal in handen is van een publiekrechtelijke instelling. Met deze versoepeling wordt tegemoetgekomen aan de ter zake geldende eisen van het publiek recht. Art. 45.Het is wenselijk dat de openbare vastgoedbevaks een keuze maken inzake de structuur van de groep die zij controleren : een openbare vastgoedbevak mag in principe geen dochtervennootschappen hebben die wel het statuut van vastgoedvennootschap hebben en andere dochtervennootschappen die dit statuut niet hebben. Met deze bepaling wordt fiscale arbitrage voorkomen. Indien een openbare vastgoedbevak die al de controle heeft over institutionele vastgoedbevaks, daarnaast ook de controle verwerft over een vastgoedvennootschap, beschikt zij over een periode van 24 maanden om die vastgoedvennootschap te laten inschrijven als institutionele vastgoedbevak. Om geen afbreuk te doen aan reeds bestaande situaties, werd een vrijwaringsclausule ingevoerd voor vastgoedvennootschappen waarin een openbare vastgoedbevak ten minste sedert 1 januari 2009 aandelen bezit. De regel van artikel 45, eerste en tweede lid, is niettemin volledig van toepassing op de overige dochtervennootschappen van de betrokken openbare vastgoedbevak. Art. 46.Dit artikel bepaalt dat het voor bepaalde personen verboden is, wegens de banden die zij met de openbare vastgoedbevak hebben, om deelnemingen te bezitten in een dochtervennootschap van de openbare vastgoedbevak. Dit artikel moet beletten dat partijen die een deelneming bezitten in of de controle hebben over de openbare vastgoedbevak, hun positie versterken door ook een deelneming te bezitten in of de controle te hebben over een dochtervennootschap van de openbare vastgoedbevak. Een dergelijke structuur zou het immers mogelijk maken dat een referentieaandeelhouder via een cascade van deelnemingen een groot deel van het vermogen van de openbare vastgoedbevak controleert en bepaalde delen van dit vermogen afleidt naar dochtervennootschappen die hij de facto exclusief zou controleren. De bepaling slaat ook op de leiders van de openbare vastgoedbevak en op de personen die er een deelneming in bezitten of haar controleren, eveneens omwille van het feit dat een dergelijke situatie een risico op belangenconflicten inhoudt. Art. 47.Dit artikel biedt aan de openbare vastgoedbevaks en aan hun dochtervennootschappen de mogelijkheid om vennootschappen te bezitten waarvan het maatschappelijk doel aansluit bij hun eigen doel. Dit stelt de vastgoedbevaks in staat het beheer van hun vermogen (beheer van onroerende goederen, financiering,...) op een soepele manier te organiseren. Die vennootschappen zijn niet onderworpen aan de bepalingen van Hoofdstuk VI van het ontwerpbesluit. Hoofdstuk VII - Verplichtingen en verbodsbepalingen Art. 48.Zoals ook het geval is voor Hoofdstuk VI, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk die een kwantitatieve regel bevatten, op geconsolideerde basis van toepassing, wat betekent dat met de volledige groep rekening dient te worden gehouden. Het feit dat één van de betrokken bepalingen niet wordt nageleefd door een bepaalde, individueel genomen vennootschap, heeft in principe geen invloed op de beoordeling van de naleving van deze bepaling (die op groepsniveau gebeurt). Art. 49.Dit artikel houdt in dat de openbare vastgoedbevak een persoon belast met de financiële dienst moet aanduiden. Art. 50.Met toepassing van artikel 67, § 3 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten, wordt in dit artikel bepaald dat artikel 67, § 1 en 2 van dezelfde wet niet van toepassing is op openbare vastgoedbevaks. Deze uitzondering is meer dan gerechtvaardigd, aangezien de openbare vastgoedbevaks de verplichting hebben om hun dochtervennootschappen te controleren. Dit artikel geldt ook voor de institutionele vastgoedbevaks. Art. 51.Dit artikel neemt de verbodsbepaling over die opgenomen is in artikel 48 van het koninklijk besluit van 10 april 1995. Het geldt ook voor de institutionele vastgoedbevaks. Art. 52.Dit artikel neemt de verbodsbepalingen over die opgenomen zijn in artikel 51 van het koninklijk besluit van 10 april 1995, met uitzondering van punt 4° (verbod om effecten te verwerven die uitgegeven zijn door vennootschappen die niet ten minste voor twee boekjaren een jaarrekening hebben openbaar gemaakt), waarvan het behoud niet gerechtvaardigd is. Het artikel is ook van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Art. 53.De regels die betrekking hebben op de schuldratio zijn van bijzonder belang in de regeling die wordt ingevoerd door het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd. Er wordt een maximale schuldgraad vastgelegd. Net zoals in het koninklijk besluit van 10 april 1995, bedraagt die maximale schuldratio 65 %. Dit maximumpercentage moet op twee niveaus worden gerespecteerd. Enerzijds wordt er een eerste begrenzing vastgelegd, die inhoudt dat de geconsolideerde schuldgraad niet meer mag bedragen dan 65 % van de geconsolideerde activa van de groep. Anderzijds is de openbare vastgoedbevak verplicht haar enkelvoudige schuldgraad te beperken tot 65 % van haar statutaire activa. Indien een vennootschap van de groep die niet de openbare vastgoedbevak is, die schuldgraad individueel overschrijdt, vormt dit dus geen inbreuk op dit artikel. De openbare vastgoedbevak mag haar schulden dus toewijzen zoals zij wil binnen de groep, voor zover de enkelvoudige schuldgraad van de openbare vastgoedbevak nooit meer bedraagt dan 65 % van haar statutaire activa. Artikel 53, eerste lid, geldt niet wanneer de overschrijding van de schuldgraad uitsluitend het gevolg is van een daling van de reële waarde van de activa. Een passieve overschrijding van de limiet van 65 % wordt niet in aanmerking genomen. Wanneer een nieuwe schuld wordt aangegaan, moet de waarde die de activa op dat ogenblik hebben, dus in aanmerking worden genomen om na te gaan of er al dan niet sprake is van een overschrijding van de limiet van 65 %. Met andere woorden, indien de schuldratio de limiet van 65 % reeds heeft overschreden vóór de nieuwe schuld wordt aangegaan, ten gevolge van een daling van de reële waarde van de portefeuille, belet dit niet dat deze bepaling wordt toegepast met inaanmerkingneming van de reële waarde die de activa hebben op het ogenblik dat de nieuwe schuld wordt aangegaan. Indien de overschrijding van de maximale schuldgraad langer duurt dan twee jaar te rekenen vanaf de vaststelling van de overschrijding, moet de algemene vergadering bijeenkomen om te beraadslagen en te besluiten over de eventuele ontbinding van de openbare vastgoedbevak en eventueel over andere maatregelen. Zoals de woorden "voor welke reden dan ook" aangeven in het ontwerpbesluit, is die regel ook van toepassing wanneer de overschrijding uitsluitend veroorzaakt wordt door een variatie van de reële waarde van de activa van de vastgoedbevak. Voor de beschrijving van de impact van de schuldgraad op de dividenduitkering wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 27. Art. 54.Dit artikel vormt een aanvulling op de regeling die geldt voor de schuldgraad van de vastgoedbevaks en moet verhinderen dat de 65 % waarvan sprake is in artikel 53, overschreden wordt. Indien de geconsolideerde schuldgraad meer bedraagt dan 50 % van de geconsolideerde activa, moet de openbare vastgoedbevak een financieel plan opstellen waarin zij een beschrijving geeft van de maatregelen die zullen worden genomen om te verhinderen dat de schuldgraad boven 65 % van de geconsolideerde activa zou stijgen. Over dit financieel plan wordt een verslag opgesteld door de commissaris. Het plan moet voorgelegd worden aan de CBFA en de algemene richtlijnen ervan moeten opgenomen worden in de periodieke verslagen. Indien de bekendmaking van bepaalde maatregelen de belangen van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen kan schaden, is het niet wenselijk te verlangen dat die maatregelen gedetailleerd worden bekendgemaakt. Art. 55.In dit artikel wordt de regel overgenomen van artikel 52, § 1, derde lid van het koninklijk besluit van 10 april 1995. Dit artikel vormt een aanvulling op de regels over de maximale schuldgraad. Terwijl deze laatste regels de schulden van de vastgoedbevak vergelijken met haar activa, wordt in dit artikel een vergelijking gemaakt tussen (
  13. a)de financiële lasten die aan de schulden verbonden zijn en (
  14. b)het operationeel resultaat evenals bepaalde elementen van het financieel resultaat van de vastgoedbevak. Art. 56 en 57. Via deze bepalingen wordt de regeling van artikel 53 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 gewijzigd. De nieuwe regeling bestaat uit twee delen. Enerzijds bepaalt artikel 56 dat de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen enkel binnen de groep zelf kredieten mogen verstrekken en zekerheden mogen stellen. Derden zijn dus uitgesloten. Artikel 57, eerste lid, voegt hieraan toe dat de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen enkel zekerheden mogen stellen in het kader van de financiering van hun vastgoedactiviteiten. De burgerrechtelijke gevolgen bij niet-naleving van deze bepaling vallen onder de algemene theorie van de nietigheid zoals die in de rechtspraak en de rechtsleer is ontwikkeld. Artikel 56 en artikel 57, eerste lid, zijn cumulatief van toepassing. Anderzijds legt artikel 57, tweede en derde lid, kwantitatieve beperkingen op. In dit verband merken we op dat de maximumpercentages (maar niet de drempels) van artikel 53, tweede lid van het koninklijk besluit van 10 april 1995 behouden werden. Art. 58.Dit artikel beperkt de verwerving door de vastgoedbevak van met een hypotheek bezwaarde onroerende goederen. Het stemt overeen met artikel 54 van het koninklijk besluit van 10 april 1995. Titel III - Institutionele vastgoedbevak Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Art. 59.Dit artikel bepaalt dat Titel III uitsluitend van toepassing is op institutionele vastgoedbevaks. Art. 60.Zoals hierboven vermeld wordt, wijkt de regeling waaraan de institutionele vastgoedbevaks onderworpen zijn op sommige punten af van de regeling voor de openbare vastgoedbevaks. Op legistiek vlak wordt in het ontwerpbesluit de volgende werkwijze gehanteerd : alle bepalingen van Titel II (die in de eerste plaats gewijd is aan de openbare vastgoedbevak) zijn ook van toepassing op de institutionele vastgoedbevak, met uitzondering van de bepalingen die in dit artikel zijn vermeld. Dit onderscheid in regeling vindt zijn rechtvaardiging in het feit dat de effecten van de institutionele vastgoedbevaks enkel mogen worden gehouden door institutionele of professionele beleggers die voor eigen rekening handelen en dat ze niet verondersteld worden in handen te komen van het publiek. Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, gaat er immers van uit dat er geen institutionele vastgoedbevaks zijn die geen dochtervennootschap zijn van een openbare vastgoedbevak (zie verder, toelichting bij artikel 56). Het belang van het publiek is dus maar indirect in het geding. Aangezien een groot deel van de bepalingen van het ontwerpbesluit van toepassing zijn op de groep in zijn geheel, is het overigens niet gerechtvaardigd dat ze op statutair niveau van toepassing zijn op een institutionele vastgoedbevak. We bespreken hier kort de voornaamste punten van onderscheid tussen de regeling voor institutionele vastgoedbevaks en die voor openbare vastgoedbevaks, zoals ze uit dit artikel naar voren komen. Ten eerste kan opgemerkt worden dat sommige vereisten met betrekking tot de inhoud van het inschrijvingsdossier niet van toepassing zijn op de institutionele vastgoedbevaks. De institutionele vastgoedbevaks dienen ook geen deskundige aan te duiden. De deskundige die door de openbare vastgoedbevak is aangeduid, zal evenwel ook het vastgoedpatrimonium waarderen van haar dochtervennootschappen, ongeacht of zij het statuut hebben van institutionele vastgoedbevak of niet, conform de artikelen 29, 30 en 31 van het ontwerpbesluit. Terwijl dit niet het geval is voor de openbare vastgoedbevak, staat het de institutionele vastgoedbevak volledig vrij een kapitaalverhoging door te voeren met afschaffing van het voorkeurrecht. De openbare vastgoedbevak die controleaandeelhouder is van de institutionele vastgoedbevak bevindt zich immers niet in dezelfde situatie als de leden van het publiek die (minderheids)aandeelhouders zijn van een genoteerde vennootschap. De bepalingen die betrekking hebben op de vergoeding van de persoon belast met de financiële dienst en van de deskundigen en commissarissen zijn niet als dusdanig van toepassing op de institutionele vastgoedbevak. De institutionele vastgoedbevak is immers niet verplicht een persoon belast met de financiële dienst aan te duiden of een deskundige te benoemen en is onderworpen aan de bepalingen van het gemeen recht voor wat betreft de commissarissen. De vergoedingen die door de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak worden uitgekeerd, vallen echter wel onder deze bepaling. De verplichtingen die de openbare vastgoedbevak als openbare en genoteerde vennootschap heeft, zijn niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevak. Het betreft hier de verplichting om een promotor te hebben, om ervoor te zorgen dat minstens 30 % van de effecten onder het publiek wordt verspreid, om een jaarverslag te publiceren conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 november 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten3 en van de bijlage bij dit ontwerpbesluit en om belangrijke persmededelingen te laten goedkeuren door de CBFA. Van deze regel wordt uiteraard afgeweken wanneer de institutionele vastgoedbevak genoteerd is op een gereglementeerde markt. In dit geval gelden de wettelijke bepalingen die op alle genoteerde vennootschappen van toepassing zijn. De bepalingen over het beleggingsbeleid zijn niet van toepassing op de individueel beschouwde institutionele vastgoedbevak. De situatie van de groep moet in haar geheel worden beschouwd, rekening houdend met alle vennootschappen die in de consolidatieperimeter zijn opgenomen. Dit geldt ook voor de bepalingen van Hoofdstuk VII (Verplichtingen en verbodsbepalingen). Art. 61 - Met toepassing van artikel 110 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten, somt dit artikel de bepalingen van dezelfde wet op die van toepassing zijn op institutionele vastgoedbevaks en bepaalt het op die manier welke verplichtingen en verbodsbepalingen gelden voor die vastgoedbevaks. We vermelden hier in het bijzonder de artikelen over de inschrijvingsvoorwaarden en het inschrijvingsdossier, de beleidsstructuur (met uitzondering van sommige bepalingen van artikel 41 - zie verder), de statuten, de belangenconflicten, de boekhouding en het toezicht, evenals de administratieve maatregelen die de CBFA kan nemen. Hoofdstuk II - Inschrijving Art. 62 tot 64 - Deze artikelen regelen de bijzondere aspecten van de inschrijvingsprocedure die geldt voor institutionele vastgoedbevaks. Hoofdstuk III - Werking Art. 65 tot 67 - De artikelen 65 en 66 bepalen de wijze waarop sommige bepalingen van het ontwerpbesluit moeten worden toegepast op de institutionele vastgoedbevaks. Artikel 67 verlangt dat de raad van bestuur van institutionele vastgoedbevaks waarvan het volledige kapitaal niet rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit is van de openbare vastgoedbevak, voor minstens een kwart is samengesteld uit niet-uitvoerende bestuurders die op het niveau van de openbare vastgoedbevak de hoedanigheid hebben van onafhankelijk bestuurder. Hoofdstuk IV - Aandeelhoudersstructuur Art. 68 - In dit artikel wordt een van de basisprincipes geformuleerd van de regeling die geldt voor institutionele vastgoedbevaks. De controle die door een openbare vastgoedbevak wordt uitgeoefend over een institutionele vastgoedbevak wordt in het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd enkel beschouwd als een bijzondere modaliteit van de uitoefening van de eigen activiteit van die openbare vastgoedbevak. Het ontwerpbesluit moet de openbare vastgoedbevak in staat stellen om met een externe partner projecten uit te voeren op bepaalde goederen. Daarom is het uitgesloten dat een institutionele vastgoedbevak niet in fine gecontroleerd wordt door een openbare vastgoedbevak. Art. 69 - Dit artikel legt de voorwaarden vast waaraan de institutionele vastgoedbevaks moeten voldoen om geacht te worden passende maatregelen te hebben genomen om te garanderen dat de houders van haar effecten de hoedanigheid van institutioneel of professioneel belegger hebben. In dit artikel worden de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 september 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten1 houdende bepaalde uitvoeringsmaatregelen voor de institutionele instellingen voor collectieve belegging in schuldvorderingen grotendeels overgenomen. Hoofdstuk V - Resultaatverwerking Art. 70 - Voor de institutionele vastgoedbevaks geldt net zoals voor de openbare vastgoedbevaks de verplichting een dividend uit te keren, conform artikel 27, § 1 van het ontwerpbesluit en binnen de perken van artikel 617 van het Wetboek van vennootschappen. Die verplichting tot dividenduitkering is echter niet van toepassing wanneer de geconsolideerde of enkelvoudige schuldgraad van de openbare vastgoedbevak reeds meer bedraagt dan 65 % of dat percentage zou overschrijden als gevolg van de betrokken dividenduitkering. In een dergelijk geval heeft de institutionele vastgoedbevak de mogelijkheid om een uitkering aan haar aandeelhouders te verrichten, indien de openbare vastgoedbevak die over haar de controle uitoefent, het deel van de uitkering dat haar toekomt, als onbeschikbare reserve reserveert. De regeling die voor die reservering geldt, is vergelijkbaar met die waarin voorzien is in artikel 27, § 2, tweede en derde lid. In tegenstelling tot de openbare vastgoedbevak, heeft de institutionele vastgoedbevak wel de mogelijkheid een uitkering te verrichten wanneer haar enkelvoudige schuldgraad meer bedraagt dan 65 %. Deze bepaling is niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks waarvan het kapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks volledig in handen is van dezelfde openbare vastgoedbevak. Die regel, die inhoudt dat er aan de uitkeringen aan de aandeelhouders door de institutionele vastgoedbevak een voorwaarde is verbonden waarvan de verwezenlijking (tenminste in bepaalde gevallen) niet van haarzelf afhangt, strekt tot bescherming van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak. Die hebben er belang bij dat de eventuele partnerschappen met derden geen afbreuk doen aan de financiële soliditeit van de openbare vastgoedbevak. Het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak, dat beschermd wordt door artikel 9 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten, beperkt immers de mate waarin de oprichting en het beheer van een institutionele vastgoedbevak is toegestaan door het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd. Er dient ook benadrukt te worden dat de institutionele vastgoedbevak er eveneens belang bij heeft dat de openbare vastgoedbevak die haar controleert, over voldoende financiële soliditeit beschikt. Hoofdstuk VI - Toezicht Art. 71 et 72 - In deze artikelen wordt bepaald dat de institutionele vastgoedbevaks onderworpen zijn aan het toezicht van de CBFA en worden de grenzen van dit toezicht vastgelegd. Titel IV - Inwerkingtreding en diverse bepalingen Art. 73, 74 en 75 - Deze bepalingen regelen de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit. Zij werden aangepast aan de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, voorziet in de opheffing van de reglementaire bepalingen die momenteel van toepassing zijn, namelijk de koninklijk besluiten van 10 april 1995 en 21 juni 2006. Wat de boekhoudkundige bepalingen betreft, was het wenselijk in een bijzondere inwerkingtredingsregeling te voorzien, om het verloop van de lopende boekjaren niet te verstoren. De inwerkingtreding van de artikelen 23, 25 en 26 van het ontwerpbesluit en de opheffing van de artikelen 37

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.