{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In elk van deze drie gevallen kan, overeenkomstig het Protocol van 1971, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zich uitspreken over eventuele problemen inzake de uitlegging van het Verdrag van Brussel. 16. Volgens lid 2 daarentegen moet een rechter van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen het Verdrag van Lugano toepassen : 1° indien de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een Staat die partij is bij het Verdrag van Lugano en lid is van de EVA of indien hij krachtens de artikelen 8 en 13 van het Verdrag geacht wordt daar woonplaats te hebben.Wanneer bij voorbeeld iemand met woonplaats in Noorwegen voor een Franse rechter opgeroepen wordt, is deze rechter alleen bevoegd in de door het Verdrag van Lugano vermelde gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met name kunnen de zogenaamde exorbitante bevoegdheidsregels van artikel 4 van het Verdrag van Brussel niet tegen deze verweerder worden ingeroepen; 2° indien de gerechten van een EVA-Staat exclusief bevoegd zijn (artikel 16) of door partijen zijn aangewezen (artikel 17).De gerechten in de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen kunnen bij voorbeeld niet kennis nemen van een geschil over zakelijke rechten op een onroerend goed dat gelegen is op het grondgebied van een Staat die partij is bij het Verdrag van Lugano en lid is van de EVA, dit ondanks het bepaalde in artikel 16, punt 1, van het Verdrag van Brussel, dat alleen van toepassing is wanneer het onroerend goed gelegen is op het grondgebied van een Staat die partij is bij het Verdrag van 1968; 3° wanneer het gaat om de erkenning of tenuitvoerlegging in een Lid-Staat van de Gemeenschappen van een beslissing die gegeven is in een Staat welke partij is bij het Verdrag van Lugano en lid is van de EVA (lid 2, onder c). Lid 2 bepaalt voorts dat het Verdrag van Lugano van toepassing is wanneer het erom gaat een in een EEG-Lid-Staat gegeven beslissing ten uitvoer te leggen in een EVA-Staat die partij is bij het Verdrag van Lugano.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling behelst geen regeling voor een eventuele collisie van beide Verdragen, maar heeft tot doel hun respectieve draagwijdte te omschrijven. Het spreekt immers vanzelf dat het Verdrag van Brussel geen toepassing vindt wanneer een beslissing, die gegeven is in een Staat welke partij is bij het Verdrag van Lugano en lid is van de EVA, ten uitvoer gelegd moet worden in een EEG-Lid-Staat dan wel in een EVA-Staat. 4° Artikel 54ter behelst voorts bepalingen inzake aanhangigheid (zie artikel 21) en samenhang (zie artikel 22).Krachtens lid 2, onder b), van artikel 54ter moet de rechter van een Lid-Staat van de Gemeenschappen deze artikelen van het Verdrag van Lugano toepassen wanneer hetzelfde geschil of een samenhangende vordering voor een rechter van een EVA-Staat dient.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van deze bepalingen, die mede voor de duidelijkheid zijn opgenomen, is tweeërlei : elke onzekerheid wegnemen en voorkomen dat in de betrokken Staten tegenstrijdige beslissingen worden gegeven. 5° Ten slotte bepaalt artikel 54ter, lid 3, dat de rechter van een EVA-Staat de erkenning of tenuitvoerlegging van een in een EEG-Lid-Staat gegeven beslissing kan weigeren, wanneer deze beslissing gebaseerd is op een rechterlijke bevoegdheidsgrond waarin het Verdrag van Lugano niet voorziet en de partij waartegen erkenning of tenuitvoerlegging geëist wordt, woonplaats heeft in een verdragsluitende Staat die lid is van de EVA. Deze weigeringsgrond komt naast de gronden van artikel 28. Het is vooral een garantie waarom de EVA-Staten verzocht hebben. Hij zal zich wellicht vrij zelden voordoen omdat de bevoegdheidsregels van beide Verdragen zeer verwant zijn. Toch is deze hypothese niet uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo is het bij voorbeeld denkbaar dat de rechter van een EEG-Lid-Staat, in een beslissing over een arbeidsovereenkomst, zijn bevoegdheid over een persoon met woonplaats in een EVA-Staat verkeerdelijk baseert op artikel 4 of artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel, dus op een regel die afwijkt van artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Lugano, dat een bijzondere bepaling voor arbeidsovereenkomsten bevat, of, nog steeds met betrekking tot arbeidsovereenkomsten, op een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter daterend van vóór het ontstaan van het geschil (artikel 17).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om echter het vrije verkeer van beslissingen te bevorderen, zal de beslissing zo mogelijk volgens het gemeen recht van de aangezochte Staat, inzake met name de bevoegdheid van buitenlandse gerechten, erkend en ten uitvoer gelegd worden. 6° Gemakshalve hebben wij in bovenstaande voorbeelden de term « EVA-Staten » gebruikt.Uiteraard geldt dezelfde regeling voor Staten die geen lid zijn van de EEG of de EVA, maar wel tot het Verdrag van Lugano zouden zijn toegetreden (zie artikel 62, lid 1, onder b). 17. De vraag naar de toepasselijkheid van het Verdrag van Lugano tussen Lid-Staten van de Gemeenschappen waarvan er één, bij voorbeeld Spanje of Portugal, geen partij is bij het Verdrag van Brussel, maar die allebei partij zijn bij het Verdrag van Lugano, blijft onbeantwoord.Het gaat hier bij voorbeeld om het geval waarin België en Spanje beide partij zijn bij het Verdrag van Lugano, voordat het Verdrag inzake de toetreding van Spanje tot het Verdrag van Brussel is gesloten of in werking getreden en in een van beide Staten om executie verzocht wordt van een in de andere Staat gegeven beslissing. Volgens de rapporteurs is dan het Verdrag van Lugano, dat een rechtsbron is, van toepassing in afwachting dat het Verdrag inzake de toetreding van Spanje tot het Verdrag van Brussel in werking is getreden tussen België en Spanje.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK III BEPALINGEN VAN HET VERDRAG VAN LUGANO DIE AFWIJKEN VAN HET VERDRAG VAN BRUSSEL 1. OVERZICHT 18.Alvorens de artikelen van het Verdrag van Lugano die afwijken van de overeenkomstige bepalingen van het Verdrag van Brussel - en dit zijn er niet veel - uitvoerig te bespreken, achten wij het nuttig deze in het kort op te sommen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hier worden de exorbitante bevoegdheidsregels aangevuld met die welke in de EVA-Staten en in Portugal gelden. Er zij opgemerkt dat Spanje dergelijke regels niet kent Artikel 5, punt 1 Hier is een bijzondere bepaling over arbeidsovereenkomsten ingelast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Een nieuw punt 4 handelt over de samenvoeging van een zakelijke en een persoonlijke rechtsvordering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Er is een nieuwe bepaling (punt 1, onder b), en een voorbehoud (Protocol nr. 1, artikel I ter) over huurovereenkomsten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuw in dit artikel is de verwijzing naar handelsgebruiken en arbeidsovereenkomsten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Hier werd de formulering met betrekking tot aanhangigheid enigszins gewijzigd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel werd aangevuld met nieuwe weigeringsgronden inzake erkenning en tenuitvoerlegging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 31 tot en met 41 In een aantal artikelen werden technische wijzigingen met betrekking tot de executieprocedure en de aanwending van rechtsmiddelen aan gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 50 De formulering van dit artikel, dat over authentieke akten handelt, is licht gewijzigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 54</span><span class=\"lf-art-t\">In dit artikel, dat overgangsbepalingen bevat, werden preciseringen aangebracht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54bis-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 54 bis</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel is het aangevulde artikel 36 van het Toetredingsverdrag van 1978</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54ter\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 54 ter</span><span class=\"lf-art-t\">In dit nieuwe artikel worden de respectieve toepassingsgebieden van het Verdrag van Brussel en van Lugano omschreven</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 55</span><span class=\"lf-art-t\">In dit artikel, over de verhouding tot andere Verdragen, worden alleen de verdragen vermeld waarbij EVA-Staten partij zijn</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 57</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel, betreffende de toepassing van verdragen over bijzondere onderwerpen, verschilt sterk van artikel 57 van het Verdrag van Brussel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 60 tot en met 613 (Slotbepalingen) Deze artikelen zijn gewijzigd. 19. Protocol nr.1 Artikel Ibis Dit nieuwe artikel behelst een voorbehoud op verzoek van de Zwitserse delegatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel Iter In dit nieuwe artikel is een voorbehoud vervat dat voortvloeit uit de wijziging in artikel 16, punt 1, met betrekking tot huurovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelV Dit artikel, over vorderingen tot vrijwaring, is aangevuld om rekening te houden met de wetgeving in verscheidene Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel Vbis Dit artikel handelt met name over onderhoudsverplichtingen en is aangevuld in het licht van de situatie in diverse Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel Vter Ook dit artikel, betreffende geschillen tussen de kapitein en een bemanningslid van een schip, is aangevuld om rekening te houden met de wetgeving in diverse Staten. 20. Protocol nr.2 Dit Protocol is bedoeld om een zo groot mogelijke eenheid te bereiken in de uitlegging van het Verdrag van Lugano, alsmede van de bepalingen van dit Verdrag en de overeenkomstige bepalingen van het Verdrag van Brussel. 21. Protocol nr.3 In dit Protocol wordt het vraagstuk van de besluiten van de Gemeenschappen geregeld. 22. Verklaringen Eerste verklaring : aanvulling op Protocol nr.3 Tweede en derde verklaring : aanvulling op Protocol nr. 2 over de eenheid in de uitlegging van het Verdrag van Lugano. 2. GEDETAILLEERDE BESPREKING TITEL I TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG VAN LUGANO (Artikel 1) 23.Aangezien het Verdrag van Brussel hier op geen enkel punt gewijzigd is, wordt verwezen naar de rapporten Jenard en Schlosser.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL II DE BEVOEGDHEID (Artikelen 2 tot en met 24) Afdeling 1 Algemene bepalingen (artikelen 2 tot en met 4) a) Opmerkingen vooraf 24.De enige formele aanpassing die voor de artikelen 2 tot en met 4 is voorgesteld, is de vermelding in artikel 3, tweede alinea, van de exorbitante bevoegdheden volgens de rechtsstelsels van de EVA-Staten en Portugal. Evenals in het rapport-Schlosser wordt een korte bijzondere toelichting bij de voorgestelde aanvullingen (zie punt 1) gevolgd door twee algemene opmerkingen over de plaats van die aanvullingen in de algemene opzet van het Verdrag van Lugano. b) Exorbitante bevoegdheidsregels in de EVA-Staten en Portugal 1.Oostenrijk 25. Artikel 99 van de « Jurisdiktionsnorm\" (Wet rechterlijke organisatie) bepaalt dat degenen die hun woonplaats of gewone verblijfplaats niet in Oostenrijk hebben, in vermogensrechtelijke zaken opgeroepen kunnen worden voor het gerecht van de plaats waar zij goederen bezitten of waar het litigieuze vermogen gelegen is.De waarde van de in Oostenrijk gelegen goederen mag evenwel niet ver beneden de in rechte geconstateerde waarde liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen, stichtingen, vennootschappen, coöperaties en andere buitenlandse verenigingen kunnen ook overeenkomstig artikel 99 (lid 3) opgeroepen worden voor het gerecht van de plaats waar zij hun vaste vertegenwoordiging in Oostenrijk of een agentschap hebben. 2. Finland 26.Luidens hoofdstuk 10, artikel 1, tweede zin, van het Finse Wetboek van rechtsvordering kunnen degenen die hun gewone verblijfplaats niet in Finland hebben, worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zij kennis hebben gekregen van het stuk dat het geding inleidt of van de plaats waar zij goederen bezitten. De derde zin van dit artikel bepaalt dat Finse onderdanen die in het buitenland verblijven ook voor het gerecht van hun laatste verblijfplaats in Finland kunnen worden gedaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de vierde zin van dit artikel kunnen buitenlandse onderdanen zonder woon- of verblijfplaats in Finland opgeroepen worden voor de rechter van de plaats waar hun kennis is gegeven van het stuk dat het geding inleidt of voor de rechter van de plaats waar zij goederen bezitten, tenzij een bijzondere andersluidende bepaling op de onderdanen van een bepaalde Staat van toepassing is. 3. IJsland 27.Artikel 77 van het IJslandse Wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat wanneer de schuldeiser in vermogensrechtelijke zaken een IJslands onderdaan of rechtspersoon is, niet in IJsland gedomicilieerde personen kunnen worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar hun kennis is gegeven van het stuk dat het geding inleidt of voor het gerecht van de plaats waar zij goederen bezitten. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noorwegen 28.Artikel 32 van het Noorse Wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat in vermogensrechtelijke zaken degenen die niet in Noorwegen gedomicilieerd zijn, opgeroepen kunnen worden voor het gerecht van de plaats waar zij goederen bezitten of van de plaats waar de litigieuze goederen gelegen zijn op het tijdstip dat hun kennis werd gegeven van het stuk dat het geding inleidt. 5. Zweden 29.De eerste zin van artikel 3 van hoofdstuk 10 van het Wetboek van rechtsvordering bepaalt dat wie geen bekende woonplaats in Zweden heeft, ter zake van de betaling van schulden opgeroepen kan worden voor het gerecht van de plaats waar hij of zij goederen bezit. 6. Zwitserland 30.Artikel 4 van de federale wet betreffende het internationale privaatrecht bepaalt dat bij gebreke van een andersluidende Zwitserse wetsbepaling over de bevoegdheid, een rechtsvordering tot van waardeverklaring kan worden ingesteld bij de Zwitserse rechtbank. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Portugal 31.Luidens artikel 65 van hoofdstuk II van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering kunnen buitenlandse onderdanen voor de Portugese rechter worden opgeroepen, wanneer - (lid 1, onder c) de eiser een Portugees is en hij of zij in het omgekeerde geval opgeroepen zou kunnen worden voor het gerecht van de Staat van de verweerder; - (lid 2) het volgens de Portugese wet bevoegde gerecht dat van de woonplaats van de verweer der is, welke een buitenlander is die sinds meer dan zes maanden in Portugal verblijft dan wel zich toevallig op Portugees grondgebied bevindt en in dit geval de litigieuze verbintenis in Portugal werd aangegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A, onder c), van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering verleent de Portugese rechter exclusieve bevoegdheid voor rechtsvorderingen ter zake van arbeidsverhoudingen, indien een van de partijen van Portugese nationaliteit is Luidens artikel 11 van het Wetboek van rechtsvordering in arbeidszaken zijn de Portugese arbeidsgerechten bevoegd voor geschillen met betrekking tot een Portugese werknemer, wanneer de overeenkomst in Portugal gesloten is. c) Situering van artikel 3, tweede alinea, in de algemene structuur van het Verdrag van Lugano 1° Strekking van artikel 3, tweede alinea 32.Evenmin als artikel 3, tweede alinea, van het Verdrag van Brussel van 1968, mag het feit dat belangrijke, thans in de diverse Lid-Staten geldende bevoegdheidsregels als exorbitant worden gekwalificeerd, tot verkeerde conclusies leiden inzake de strekking van artikel 3, eerste alinea. Hier wordt alleen uitdrukkelijk gesteld dat het opeisen van internationale bevoegdheid voor de gerechten van een verdragsluitende Staat als onrechtmatig geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook andere bevoegdheidsregels van het interne recht van de verdragsluitende Staten zijn slechts verenigbaar met het Verdrag van Lugano indien zij stroken met de artikelen 2 en 4 tot en met 18. Zo zal bij voorbeeld de bevoegdheid van de Zweedse gerechten ter zake van overeenkomsten en ten aanzien van personen met woonplaats in een verdragsluitende Staat niet langer gebaseerd kunnen worden op het feit dat de overeenkomst in Zweden is gesloten. 2° Onmogelijkheid om de bevoegdheid te baseren op de aanwezigheid van vermogen 33.Met betrekking tot Oostenrijk, Denemarken, Finland, Duitsland, IJsland, Noorwegen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk behelst de lijst van artikel 3, tweede alinea, regels inzake de onaanvaardbaarheid van rechterlijke bevoegdheid die uitsluitend zou berusten op de aanwezigheid van vermogen op het grondgebied van de Staat van het gerecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die bevoegdheid kan evenmin worden ingeroepen wanneer de rechtsvordering de eigendom of het bezit van dan wel de beschikkingsmacht over dat vermogen tot voorwerp heeft 34. Met betrekking tot Zwitserland bevat de lijst in de tweede alinea een regel die gerechtelijke bevoegdheid uitsluit wanneer deze alleen op het beslag op in Zwitserland gelegen goederen berust.Niets belet de Zwitserse gerechten echter conform artikel 24 voorlopige of bewarende maatregelen volgens het Zwitserse recht te treffen, ook al zijn de gerechten van een andere verdragsluitende Staat krachtens het Verdrag bevoegd om van het bodemgeschil kennis te nemen. 35. Voor degenen die woonplaats buiten de verdragsluitende Staten hebben, blijven de bestaande regels over de rechterlijke bevoegdheid in de verdragsluitende Staten ongewijzigd.Zelfs de bevoegdheidsregels als bedoeld in artikel 3, tweede alinea, kunnen verder op hen worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts moeten beslissingen van gerechten waarvan de bevoegdheid aldus is vastgesteld, in de overige verdragsluitende Staten erkend en ten uitvoer gelegd worden, tenzij het om één van de in artikel 27, punt 5, of in artikel 59 van het Verdrag bedoelde uitzonderingen gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Laatstgenoemde bepaling is trouwens de enige voor de toepassing waarvan de lijst van artikel 3, tweede alinea, niet slechts als voorbeeld geldt, maar ook een constitutieve en limitatieve waarde heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2 Bijzondere bevoegdheid (artikelen 5 en 6) a) Artikel 5, punt 1 : Arbeidsovereenkomst 36.Zowel in het Verdrag van Brussel als in het Verdrag van Lugano geldt de woonplaats van de verweerder als grondregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2 (artikelen 5 en 6) van titel II over de bevoegdheid behelst echter aanvullende bepalingen. Op grond daarvan kan de eiser zijn rechtsvordering naar keuze instellen bij het in deze afdeling vermelde gerecht of bij de gerechten van de Staat waar de verweerder woonplaats heeft (artikel 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel kan de verweerder worden opgeroepen « ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd\". 37. Deze bepaling geldt ook voor arbeidsovereenkomsten (zie het rapport-Jenard, bladzijde 24, en hoofdstuk VI : arrest van het Hof van Justitie d.d. 13 november 1979 (Sanicentral/Collin), besluitend dat het arbeidsrecht tot het toepassingsgebied van het Verdrag behoort).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze materie heeft het Hof van Justitie beslist dat de verbintenis die in aanmerking moet worden genomen bij vorderingen gebaseerd op verschillende verbintenissen voortvloeiende uit een vertegenwoordigingsovereenkomst tussen een werknemer in loondienst en een onderneming, die is waardoor de overeenkomst wordt gekarakteriseerd, dat wil zeggen die van de plaats waar arbeid wordt verricht (arrest van het Hof van 26 mei 1982 (Ivenel/Schwab), zie hoofdstuk VI).</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit arrest is met name rekening gehouden met artikel 6 van het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (PB nr. L 266 van 9. 10. 1980, blz. 1), luidend dat arbeidsovereenkomsten, bij gebreke van een rechtskeuze, beheerst worden door het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, tenzij de arbeidsovereenkomst nauwer verbonden is met een ander land. In genoemd arrest heeft het Hof opgemerkt dat deze bepaling tot doel heeft de in sociaal-economisch opzicht zwakkere partij in de contractuele relatie een betere bescherming te garanderen (zie ook het rapport-Giuliano-Lagarde; PB nr. C 282 van 31. 10. 1980, blz. 25).</p>\n<p class=\"lf-p\">In een ander arrest heeft het Hof van Justitie verklaard dat arbeidsovereenkomsten evenals andere overeenkomsten betreffende arbeid in dienstverband, in vergelijking met andere overeenkomsten, zelfs overeenkomsten inzake het verrichten van diensten, bijzondere kenmerken vertonen, in dier voege dat zij een duurzame band creëren waardoor de werknemer een bepaalde plaats in het bedrijf van de onderneming of van de werkgever krijgt, en dat zij de plaats waar de arbeid wordt verricht, als plaats aanwijzen welke bepalend is voor de toepassing van de bepalingen van het dwingende recht en de collectieve arbeidsovereenkomsten (arrest van 15 januari 1987 (Shenavai/Kreischer), zie hoofdstuk VI).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de onderhandelingen over het Verdrag van Lugano verzochten de EVA-Staten, met betrekking tot artikel 5 en artikel 17 (zie voor dit artikel nummer 60 van onderhavig rapport) om een aparte bepaling over arbeidsovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verzoek werd ingewilligd. 38. Krachtens het nieuwe artikel 5, punt 1, over arbeidsovereenkomsten geldt als plaats waar de aan de eis ten grondslag liggende verbintenis is of moet worden uitgevoerd, de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht.Is dat niet gewoonlijk in een zelfde land, dan is de plaats die van de vestiging welke de werknemer in dienst heeft genomen. Over een dergelijk probleem dient thans een zaak voor het Hof van Justitie (zie hoofdstuk VI, zaak Six Constructions Ltd/ P. Humbert).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling blijkt dus in de lijn te liggen van eerdere arresten van het Hof van Justitie, die nauw aansluiten bij artikel 6 van het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (5). 39. Over de precisering in artikel 5, punt 1, kan het volgende worden opgemerkt : Volgens de algemene geest van het Verdrag van Lugano zijn bij geschillen tussen werkgevers en werknemers bevoegd : - de gerechten van de Staat waar de verweerder woonplaats heeft (artikel 2); - het in artikel 5, punt 1, aangewezen gerecht. Verricht een werknemer zijn arbeid gewoonlijk in een zelfde land, maar niet op één bepaalde plaats, dan wordt het bevoegde gerecht door het interne recht van dit land bepaald; - het gerecht dat partijen na het ontstaan van het geschil uitdrukkelijk hebben aangewezen (zie artikel 17, lid 5); - het gerecht dat partijen stilzwijgend hebben aangewezen (artikel 18).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regels zijn echter alleen van toepassing wanneer het geschil een extern element bevat. De Verdragen stellen alleen bevoegdheidsregels in internationaal verband vast (zie preambule). Wanneer de overeenkomst (woonplaats van de werkgever, woonplaats van de werknemer, arbeidsplaats) aan één land gebonden is, hebben zij geen gelding. In deze aangelegenheid speelt de nationaliteit van de werknemer geen rol, omdat hij met andere werknemers gelijk wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de verweerder voorts woonplaats heeft buiten het grondgebied van een verdragsluitende Staat, is artikel 4 van toepassing. 40. Wanneer de verweerder niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, is het bevoegde gerecht dat van de plaats van de vestiging die hem in dienst heeft genomen.Dit stemt overeen met artikel 6, lid 2, onder b), van het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit de overeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men wil aldus voorkomen dat in geschillen tussen werkgevers en werknemers meer dan één gerecht bevoegd is, ingeval de werknemer zijn arbeid in verschillende landen moet verrichten. Voor Staten die partij zijn bij het Verdrag van Rome inzake het overeenkomstenrecht en bij het Verdrag van Lugano zullen bovendien rechterlijke bevoegdheid en materieel recht samenvallen. Dit geldt ook voor een aantal Staten die geen partij zijn bij het Verdrag van Rome inzake het overeenkomstenrecht. 41. De vraag wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst, wordt in het Verdrag niet geregeld.Zodra het gerecht waarbij de zaak is aangebracht, oordeelt van wel, moet dit gerecht het tweede deel van artikel 5, punt 1, toepassen, dat een bijzondere bepaling is. Hoewel het begrip arbeidsovereenkomst tot dusver niet als zodanig omschreven is, kan gesteld worden dat het ondergeschiktheid van de werknemer tegenover de werkgever impliceert (zie hoofdstuk VI, reeds aangehaald arrest Shenavai/Kreischer en arrest Arcado/Haviland van 8 maart 1988). 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5, punt 1, slaat alleen op individuele arbeidsverhoudingen en niet op collectieve overeenkomsten tussen werkgevers en werknemersvertegenwoordigers.43. De term « vestiging » moet ruim worden uitgelegd en omvat met name elk autonoom geheel zoals een filiaal of een agentschap zonder rechtspersoonlijkheid.44. De conclusie kan luiden dat het Verdrag van Brussel en het Verdrag van Lugano weliswaar niet volledig gelijklopen, maar toch convergeren, met name wegens de interpretatie die het Hof van Justitie aan artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel heeft gegeven.b) Artikel 6, punt 1 : Meer dan één verweerder 45.Er is niets gewijzigd aan de bepaling in het Verdrag van Brussel dat, indien er meer dan een verweerder is, een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze tekst is evenwel als zodanig slechts overgenomen in het licht van de commentaar in het rapport-Jenard over het Verdrag van 1968 (PB nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">C 59 van 5.3.1979, blz. 26) volgens welke « voor de toepassing van dit voorschrift vereist is dat er een band bestaat tussen de tegen elk van de verweerders ingestelde vorderingen, bij voorbeeld dat zij hoofdelijke schuldenaren zijn. Daaruit volgt dat een eis niet uitsluitend kan worden ingesteld om een van de verweerders af te trekken van de rechter van het land waar hij zijn woonplaats heeft\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Enige dagen na de diplomatieke conferentie werd een arrest van het Hof van Justitie in die zin gepubliceerd (arrest van 27 september 1988 in zaak Kalfelis/Schröder, zie hoofdstuk VI; PB nr. C 281 van 4. 11. 1988, blz. 18). c) Artikel 6, punt 4 : Voeging van zakelijke en persoonlijke rechtsvorderingen 46.Heeft iemand een hypotheek op een onroerend goed, dan heeft de eigenaar van dit goed zeer dikwijls ook een persoonlijke verbintenis uit hoofde van de gewaarborgde schuld. Daarom voorziet het recht van een aantal Staten in de mogelijkheid om een rechtsvordering ter zake van de persoonlijke verbintenis van de eigenaar te voegen bij een rechtsvordering strekkende tot gedwongen verkoop van het goed. Dit veronderstelt uiteraard dat het gerecht van de plaats waar het goed gelegen is, ook bevoegd is om kennis te nemen van rechtsvorderingen over de persoonlijke verbintenis van de eigenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men vond het praktisch dat in Staten waar voeging is toegestaan, een rechtsvordering ter zake van de persoonlijke verbintenis van de eigenaar van een onroerend goed kan worden gevoegd bij een vordering tot gedwongen verkoop van dit goed. Daarom leek het wenselijk in het Verdrag te bepalen dat een verweerder met woonplaats in een verdragsluitende Staat, ter zake van overeenkomsten ook opgeroepen kan worden voor het gerecht van de verdragsluitende Staat waar het onroerend goed gelegen is, indien de rechtsvordering kan worden gevoegd bij een vordering tegen dezelfde verweerder over zakelijke rechten op een onroerend goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter illustratie gaan wij er even vanuit dat de eigenaar van een in Noorwegen gelegen onroerend goed in Frankrijk gedomicilieerd is. Hij heeft een lening aangegaan die gewaarborgd is door een hypotheek op zijn onroerend goed in Noorwegen. Wordt de lening niet tijdig terugbetaald en wil de schuldeiser daarop een rechtsvordering tot gedwongen verkoop van het goed instellen, dan is krachtens artikel 16, punt 1, het Noorse gerecht exclusief bevoegd. Maar volgens de onderhavige bepaling kan dit gerecht ook kennis nemen van een vordering tegen de eigenaar van het goed ter zake van zijn persoonlijke verbintenis tot betaling, indien de schuldeiser deze vordering wil voegen bij een eis tot gedwongen verkoop van het goed. 47. Het spreekt vanzelf dat deze bevoegdheidsregel op zich niet volstaat.Hij moet noodzakelijkerwijze aangevuld worden met juridische criteria inzake de voorwaarden waaronder voeging mogelijk is. Het Verdrag van Lugano doet dus geen afbreuk aan bestaande of toekomstige bepalingen in de rechtsstelsels van de verdragsluitende Staten betreffende de voeging van de hierboven genoemde rechtsvorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is duidelijk dat beide rechtsvorderingen door dezelfde eiser moeten worden ingesteld. Uiteraard slaat de uitdrukking « dezelfde eiser » ook op diens rechtsopvolgers of rechtverkrijgenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdelingen 3 en 4 Bevoegdheid in verzekeringszaken (artikelen 7 tot en met 12 bis) en in consumentenzaken (artikelen 13 tot en met 15) 48. Voor deze afdelingen, die geen enkele wijziging hebben ondergaan, zij verwezen naar de rapporten-Jenard en -Schlosser. Afdeling 5 Exclusieve bevoegdheid Artikel 16, punt 1 : Huurovereenkomsten 49. Krachtens artikel 16, punt 1, van het Verdrag van Brussel, zijn de gerechten van de verdragsluitende Staat waar het onroerend goed gelegen is, bij uitsluiting bevoegd ten aanzien van zakelijke rechten op huur en verhuur, pacht en -verpachting van onroerende goederen. Deze formulering slaat niet alleen op geschillen over zakelijke rechten betreffende onroerende goederen, maar ook op geschillen over huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen. Volgens het rapport-Jenard (bladzijde 35), heeft het Comité voor de redactie van het Verdrag van Brussel geschillen tussen verhuurders en huurders over het bestaan van huurcontracten of over het herstel van door de huurder veroorzaakte schade, de ontruiming van lokalen enz. op het oog gehad. De regeling is volgens het Comité niet van toepassing op rechtsvorderingen uitsluitend strekkende tot betaling der huur, omdat deze vorderingen los worden gezien van het verhuurde onroerend goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het rapport-Schlosser (punt 164) staat echter te lezen dat de vraag, of zuivere huur- en pachtvorderingen dus alleen incassogevallen van de toepassing van artikel 16, punt 1, zijn uitgesloten, niet kon worden opgelost door de groep die gewerkt heeft aan de redactie van het Verdrag inzake de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag van Brussel en het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rapport-Jenard preciseert dat onder de huur van onroerende goederen de huur van woon- of bedrijfsruimte, handelshuur en pacht moet worden verstaan. Volgens het rapport-Schlosser verlangt de ratio legis zeker niet dat de bepaling van toepassing is op kortlopende overeenkomsten inzake gebruik, met name in geval van vakantieverblijf. 50. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verklaard dat artikel 16, punt 1, geen toepassing vindt op geschillen betreffende de overdracht van een exploitatierecht op een onroerend goed (arrest van 14 december 1977 in zaak Sanders/Van der Putte;zie hoofdstuk VI). Volgens het Hof behoort artikel 16, punt 1, niet te worden uitgelegd als omvattend het geval van een overeenkomst tot verpachting van een winkelbedrijf dat wordt uitgeoefend in een door de verpachter van een derde gehuurd onroerend goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking. echter van hetgeen de opstellers van het Verdrag van 1968 hebben bedoeld, heeft het Hof recentelijk beslist dat de exclusieve bevoegdheid van artikel 16, punt 1, ook van toepassing is op elke rechtsvordering betreffende de betaling van huur of pacht, ook wanneer het gaat om vakantiewoningen die voor korte tijd worden verhuurd (arrest van 15 januari 1985 in zaak Rösler/Rottwinkel; zie hoofdstuk VI). Het Hof achtte deze exclusieve bevoegdheid van toepassing op elke overeenkomst inzake huur en verhuur van onroerend goed, zelfs wanneer zij voor korte duur is gesloten en uitsluitend het gebruik van een vakantiewoning betreft, en het oordeelde dat deze bevoegdheid geldt voor alle geschillen die betrekking hebben op uit een huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen van de huurder en de verhuurder, inzonderheid voor geschillen betreffende het bestaan of de uitlegging van huurovereenkomsten, de duur ervan, de teruggave van het onroerend goed aan de verhuurder, het herstel van de door de huurder veroorzaakte schade of de inning van de huurpenningen en de door de huurder verschuldigde bijkomende kosten, zoals die voor verbruik van water, gas en elektriciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de rapporten-Jenard en -Schlosser lijkt deze beslissing althans gedeeltelijk strijdig met de intentie van de opstellers van het Verdrag van Brussel. 51. Onder verwijzing naar met name het arrest van het Hof in de zaak Rösler/Rottwinkel, drongen de EVA-Staten erop aan in het Verdrag van Lugano een bijzondere bepaling over de huur van onroerend goed voor korte duur op te nemen.Als alternatief stelden zij voor, huurovereenkomsten volledig uit te sluiten van de toepassing van het Verdrag of meer bepaald van artikel 16. Gezien het belang van deze aangelegenheid achtte de groep het niet opportuun, de huurovereenkomst volledig buiten het toepassingsgebied van het Verdrag te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluiting van artikel 16 in het bijzonder vonden de delegaties van de Lid-Staten van de Gemeenschap volstrekt onaanvaardbaar, omdat dan de gewone bevoegdheidsregels van het Verdrag van toepassing zouden zijn op de huur van onroerende goederen, wat haaks staat op alle althans in deze Staten heersende opvattingen ter zake. Daarom besloot de groep artikel 16, punt 1, uit te breiden met een nieuwe letter b), zijnde een bijzondere bepaling over huurovereenkomsten voor korte duur.52. Deze wijziging brengt mee dat er voor huur- en pachtovereenkomsten twee exclusieve bevoegdheden zijn die men als alternatief zou kunnen bestempelen. Volgens letter a) zijn steeds en zonder enige beperking bevoegd de gerechten van de verdragsluitende Staat waar het onroerend goed gelegen is. Maar met betrekking tot huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden - dit zijn vooral overeenkomsten in verband met vakantieverblijven - bepaalt letter b) dat de eiser zich ook kan wenden tot de gerechten van de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft. Deze mogelijkheid heeft hij echter alleen wanneer de huurder (en niet de eigenaar) een natuurlijke persoon is en bovendien geen van de partijen bij de overeenkomst woonplaats heeft in de verdragsluitende Staat waar het onroerend goed gelegen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtspersonen zijn als huurders uitgesloten omdat zij zich doorgaans met handelsverrichtingen bezighouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts leek het aangewezen om, wanneer een van de partijen woonplaats heeft in de verdragsluitende Staat waar het onroerend goed gelegen is, te blijven bij de regel van artikel 16, punt 1, die het beginsel bevestigt dat de gerechten van deze Staat bevoegd zijn. 53. Voor bepaalde EEG-Lid-Staten leverde artikel 16, punt 1, onder b), echter grote politieke moeilijkheden op.Daarom kwam de groep overeen deze bepaling vergezeld te laten gaan van de mogelijkheid tot voorbehoud. Op grond hiervan kan elke verdragsluitende Staat verklaren dat hij beslissingen over verhuur of verpachting van onroerende goederen niet zal erkennen of ten uitvoer zal leggen indien het onroerend goed op zijn grondgebied gelegen is, ook al gaat het om een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 16, punt 1, onder b), en indien de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht berust op de woonplaats van de verweerder. Dit voorbehoud is vervat in artikel 1 ter van Protocol nr. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze mogelijkheid om voorbehoud te maken slaat alleen op de gevallen waarin het onroerend goed in de aangezochte Staat gelegen is. Maakt bij voorbeeld Spanje van deze mogelijkheid gebruik, dan betekent zulks niet dat dit land de erkenning of tenuitvoerlegging kan weigeren van een beslissing op een vordering ter zake van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 16, punt 1, onder b), indien het goed in een andere Staat, bij voorbeeld Italië, gelegen is en de beslissing gegeven is in een derde Staat waar de verweerder woonplaats heeft, bij voorbeeld in Zweden. Dat de Staat waar het goed gelegen is, zijn recht op voorbehoud heeft ingeroepen, doet hier niet ter zake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is het zo dat een Staat die zijn voorbehoud wil inroepen, een beperkter voorbehoud maakt dan nu mogelijk is. Zo kan een Staat verklaren dat het voorbehoud beperkt blijft tot het geval waarin de eigenaar een rechtspersoon is. 54. Artikel 16, punt 1, vindt slechts toepassing wanneer het onroerend goed op het grondgebied van een verdragsluitende Staat gelegen is.Op dit punt is de tekst duidelijk genoeg. Is het goed op het grondgebied van een derde Staat gelegen, dan zijn de overige bepalingen van het Verdrag van toepassing, bij voorbeeld artikel 2 indien de verweerder op het grondgebied van een verdragsluitende Staat gedomicilieerd is, of artikel 4 indien hij woonplaats heeft op het grondgebied van een Derde Staat, enz.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6 Aanwijzing van een bevoegde rechter (artikelen 17 en 18) a)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter (forumclausule) 55.Lid 1 van dit artikel behelst voornamelijk de vormvereisten voor overeenkomsten die een bepaalde competentie scheppen. De vraag, of een dergelijke overeenkomst geldig gesloten is (en bij voorbeeld geen wilsgebreken vertoont), moet door de toepasselijke wet worden beantwoord (arrest van het Hof van Justitie van 11 november 1986 in zaak Iveco Fiat/Van Hool; zie hoofdstuk VI). Over de vraag naar de geldigheid van een dergelijke overeenkomst voor bijzondere onderwerpen, heeft het Hof van Justitie (arrest van 13 november 1979 in zaak Sanicentral/Collin; zie hoofdstuk VI) beslist dat voor aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen, de interne procedurele voorschriften inderdaad moeten wijken voor de Verdragsbepalingen. 56 Luidens de oorspronkelijke tekst van artikel 17 van het Verdrag van Brussel komt een forumclausule schriftelijk, dan wel mondeling met schriftelijke bevestiging tot stand.In het licht van de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in een van zijn eerste arresten over artikel 17 van het Verdrag van Brussel (zie hoofdstuk VI), heeft de groep die gewerkt heeft aan de redactie van het Verdrag van 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag van Brussel, alsmede tot het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie, geoordeeld dat deze formele voorwaarden slecht beantwoorden aan de gebruiken en de behoeften van het internationale handelsverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bleek dus dat op dit punt de voorwaarden inzake forumclausules moesten worden versoepeld. Krachtens artikel 17, eerste alinea, van het Verdrag van Brussel, zoals gewijzigd door het Toetredingsverdrag van 1978, kan een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in de internationale handel gesloten worden in een vorm die wordt toegelaten door de gebruiken op dit gebied en die de partijen kennen of geacht worden te kennen. 57. Bij de onderhandelingen over het Verdrag van Lugano vonden de EVA-Staten deze bepaling dan weer te vaag en een gevaar voor de rechtszekerheid.Zij vreesden dat de eerste alinea van artikel 17 ertoe zou leiden, overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter in de internationale handel als aanvaard te beschouwen louter op grond van het feit dat er geen bezwaar is gemaakt tegen een forumclausule in een unilaterale verklaring van één partij, bij voorbeeld in een factuur of in algemene verkoopsvoorwaarden die gelden als bevestiging van het contract.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom stelden de EVA-Staten voor, de tweede zin van de eerste alinea van artikel 17 als volgt te wijzigen : « Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter dient : a) hetzij te worden gesloten bij een schriftelijke overeenkomst (of bij een duidelijke schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst), zoals onder meer door een briefwisseling, door telegrammen en telexen (of via een andere moderne communicatietechniek), b) hetzij in een cognossement of een soortgelijk vervoersdocument te worden ingelast of vermeld.» De vertegenwoordigers van de Lid-Staten van de Gemeenschappen vonden echter dat een dergelijke bepaling niet alleen te streng zou zijn, maar ook zou indruisen tegen de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen, namelijk dat rekening moet kunnen worden gehouden met bijzondere gewoonten (arrest van 14 december 1976 in zaak Segoura/Bonakdarian; zie hoofdstuk VI). 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Letter c) van lid I van artikel 17 van het Verdrag van Lugano is ontleend aan artikel 9, lid 2, van het Verdrag der Verenigde Naties van 1980 inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken (het zogenaamde Verdrag van Wenen).Aangezien de Lid-Staten van de EEG en de EVA-landen misschien tot dit VN-Verdrag zullen toetreden, achtte de groep het wenselijk de tekst van artikel 17 in dit opzicht af te stemmen op die van artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Wenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling kan als een compromis tussen de twee Staten verbanden beschouwd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats voldoet een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter volgens lid 1, onder b), van artikel 17 van het Verdrag aan de vormvereisten indien zij gesloten is in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen welke tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden. Deze bepaling staat niet in artikel 17 van het Verdrag van Brussel. Niettemin is dit, blijkens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zie hoofdstuk VI), de betekenis van artikel 17 van het Verdrag van Brussel. De groep oordeelde dat de tekst van het Verdrag van Lugano deze betekenis expliciet moest weergeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede plaats voldoet een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in de internationale handel aan de vormvereisten indien zij gesloten is in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo volstaat het ook in de internationale handel niet dat een forumclausule gesloten wordt in een vorm die overeenstemt met de gewoonten (of het gebruik) welke in die handel van kracht zijn en waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn. Dit gebruik moet in de internationale handel ook algemeen bekend zijn en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien met name in de Duitse en de Franse versie van artikel 17 van het Verdrag van Brussel de woorden. « internationale Flandelsgebrauche\" en « usages\" gebruikt worden, lijken er geen grote inhoudelijke verschillen te zijn tussen de desbetreffende bepalingen van beide Verdragen. In het belang van de eenheid in de uitlegging vonden de EVA-Staten echter dat de huidige formulering van lid 1, onder c), van het Verdrag van Lugano moest worden gekozen. 59. Artikel 17 van het Verdrag van Brussel heeft een vrij groot aantal arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen opgeleverd.Wij verwijzen hiervoor naar hoofdstuk VI, punt 2 - 12°, artikel 17, nummers 1 tot en met 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch zij in dit verband gewezen op het oordeel van het Hof van Justitie dat een overeenkomst tussen partijen over de plaats van uitvoering, krachtens artikel 5, punt 1, een bevoegdheidsgrond, als competentieclausule volstaat en dat de in artikel 17 bedoelde vormvoorschriften voor de aanwijzing van een bevoegde rechter, niet in acht moeten worden genomen (arrest van 17 januari 1980 in zaak Zelger/Salinitri; zie hoofdstuk VI). 60. Lid 5 van artikel 17 is door de EVA-Staten voorgesteld.Het bepaalt dat ten aanzien van geschillen inzake arbeidsovereenkomsten, forumclausules in de zin van lid 1 alleen zijn toegestaan indien zij na het ontstaan van het geschil zijn gesloten. Hieraan ligt dezelfde ratio als aan artikel 5, punt 1, ten grondslag, namelijk de bescherming van de werknemer die economisch en sociaal als de zwakste partij in een contractuele verhouding wordt beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is wenselijk gebleken dat de bescherming die men met artikel 5, punt 1, aan werknemers wil bieden, niet kan worden opgeheven door voor het ontstaan van het geschil een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter te sluiten. Evenals artikel 5, punt 1, is deze bepaling alleen van toepassing op individuele arbeidsbetrekkingen en niet op collectieve overeenkomsten tussen werkgevers en werknemersvertegenwoordigers. 61. Tijdens de diplomatieke conferentie werd erop gewezen dat het Verdrag van Brussel en het Verdrag van Lugano uiteenlopen op het stuk van de forumclausules inzake arbeidsovereenkomsten en kwamen enkele moeilijkheden aan het licht.Het voorbeeld werd aangehaald van een forumclausule waarbij de partijen op het tijdstip dat zij gesloten werd, woonplaats hadden op het grondgebied van twee Staten die het Verdrag van Brussel hebben bekrachtigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens laatstgenoemd Verdrag kunnen partijen met betrekking tot een arbeidsovereenkomst een forum aanwijzen voordat het geschil ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er nu wanneer een van de partijen later in een EVA-Staat gaat wonen ? Wat zal de houding zijn van de rechter uit de EEG-Lid-Staat die op grond van deze forumclausule wordt aangesproken, of van de rechter uit een EVA-Staat die ondanks deze clausule wordt aangesproken ? Deze vraag is opengelaten en ook al hebben zowel het Verdrag van Brussel als het Verdrag van Lugano hiervoor een niet onverdienstelijke oplossing gevonden, toch zou de kwestie eventueel geregeld kunnen worden in het Verdrag inzake de toetreding van Spanje en Portugal tot het Verdrag van Brussel, door het Verdrag van Brussel gelijk te trekken met het Verdrag van Lugano. b) Artikel 18 : Stilzwijgende aanwijzing 62.Er is geconstateerd dat de verschillende taalversies van het Verdrag van Brussel uiteenlopen. Zo staat in verschillende versies, bij voorbeeld de Engelse en de Duitse, dat de rechter van de verdragsluitende Staat niet bevoegd is wanneer de verschijning « uitsluitend\" ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, een beperking die in de Franse tekst niet voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De teksten zijn echter niet gewijzigd omdat het Hof van Justitie van de Gemeenschappen in een arrest beslist heeft dat artikel 18 - onder bepaalde voorwaarden - van toepassing is « wanneer de verweerder niet slechts de bevoegdheid betwist, maar ook over de zaak zelf concludeert » (arrest van 24 juli 1981 in zaak Elefanten Schuh/Jacqmain; zie hoofdstuk VI).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 7 Toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid (artikelen 19 en 20) 63. Hoewel deze artikelen overeenstemmen met de artikelen 19 en 20 van het Verdrag van Brussel, vergt artikel 20 enige toelichting als zeer belangrijke bepaling in het geval van verstek van de verweerder (zie het rapport-Jenard, bladzijde 39). De rechter voor wie het Verdrag van Lugano wordt ingeroepen, moet zich ambtshalve en voor alles onbevoegd verklaren wanneer zijn bevoegdheid niet gegrond is in de zin van titel II, afdelingen 2 tot en met 6, van dit Verdrag. Zo moet een Franse rechter voor wie een persoon met woonplaats in Noorwegen opgeroepen wordt op grond van artikel 14 van het Burgerlijk Wetboek (bevoegdheid die op de Franse nationaliteit van de eiser berust), zich bij verstek van de verweerder ambtshalve onbevoegd verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in lid 2 van artikel 57 bepaald is, moet de rechter zich eveneens ambtshalve onbevoegd verklaren wanneer zijn bevoegdheid niet gegrond is in de zin van een verdrag over de rechterlijke bevoegdheid voor bijzondere onderwerpen. In dit verband zij verwezen naar de commentaar op artikel 57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voorbeeld vermelden wij dat bijna alle Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en van de EVA thans partij zijn bij het Verdrag van Den Haag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken. Uitzonderingen waren, per 1 juli 1988, Oostenrijk, Ierland, IJsland en Zwitserland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 8 Aanhangigheid en samenhang (artikelen 21 tot en met 23) 64. Artikel 21 : Aanhangigheid Dit is het enige artikel van afdeling 8 dat gewijzigd werd. Artikel 21 van het Verdrag van Brussel bepaalt dat in geval van aanhangigheid het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zelfs ambtshalve de partijen moet verwijzen naar het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst aanhangig is gemaakt en dat het zijn uitspraak kan aanhouden indien de bevoegdheid van het andere gerecht betwist wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertegenwoordigers van EVA-Staten vonden deze formule te radicaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij merkten op dat een vordering vaak moet worden ingesteld om een termijn na te leven of de verjaring te stuiten en dat de meningen verdeeld zijn over de vraag of een termijn nageleefd is wanneer de vordering bij een internationaal niet bevoegd gerecht wordt ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo stellen zij dat, wanneer de vordering voor een rechter gebracht wordt die bevoegd is maar er niet als eerste kennis van neemt, deze rechter de zaak ambtshalve moet verwijzen naar de rechter bij wie de zaak het eerst aanhangig is gemaakt. Laatstgenoemde zou dan eventueel kunnen beslissen dat hij niet bevoegd is. In dat geval zouden beide vorderingen worden afgewezen, met als mogelijk gevolg dat de termijnen verstreken zijn en de vordering verjaard is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze opmerkingen werden in overweging genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 21 is gewijzigd in die zin dat het laatst geadviseerde gerecht ambtshalve zijn uitspraak aanhoudt totdat de bevoegdheid van de eerste rechter vaststaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter bij wie de zaak het laatst is aangebracht, moet deze zaak pas naar de eerst geadieerde rechter verwijzen wanneer diens bevoegdheid vaststaat (zie het rapport-Schlosser, punt 176).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof van Justitie heeft zich in die zin uitgesproken dat het begrip aanhangigheid volgens artikel 21 « het geval omvat waarin de ene partij voor een gerecht van een verdragsluitende Staat een vordering instelt tot nietigverklaring of ontbinding van een internationale verkoopovereenkomst, terwijl een vordering van de andere partij, strekkende tot nakoming van dezelfde overeenkomst, aanhangig is voor een gerecht van een andere verdragsluitende Staat. » (arrest van 8 december 1987 in zaak Gubisch/Palumbo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 9 65. Voorlopige maatregelen en maatregelen tot bewaring van recht (artikel 24) Deze bepaling is ongewijzigd gebleven, derhalve kan worden verwezen naar de rapporten-Jenard, bladzijde 42, en -Schlosser, punt 183. TITEL III ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING (artikelen 25 tot en met 49) Afdeling 1 Erkenning (artikelen 26 tot en met 30). a) Artikel 27, punt 5 66.Punt 5 van artikel 27 slaat alleen op het geval waarin de beslissing waarvan de erkenning gevraagd wordt, in de aangezochte Staat onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een niet bij het Verdrag partij zijnde Staat is gegeven en in de aangezochte Staat voor erkenning in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geval waarin een in een Verdragsluitende Staat gegeven beslissing onverenigbaar is met een vroegere beslissing in een andere verdragsluitende Staat die in de aangezochte Staat voor erkenning in aanmerking komt, wordt noch hier noch overigens in het Verdrag van Brussel, uitdrukkelijk bedoeld. Gezien de in titel II en met name in de artikelen 21 en 22 getroffen regeling om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen, werd geoordeeld dat deze gevallen volstrekt uitzonderlijk moesten blijven. Doet het geval zich toch voor, dan is het zaak voor de rechter van de aangezochte Staat zijn procesregels en de algemene Verdragsbeginselen toe te passen en de erkenning en executie te weigeren van de beslissing die na de erkenning van de eerste uitspraak is gegeven. Men zou namelijk kunnen oordelen dat de eerste beslissing, die reeds erkend is in de aangezochte Staat, aldaar dezelfde gevolgen moet hebben als een beslissing van de gerechten van die Staat (hypothese van artikel 27, punt 3). b) Artikel 28 67.Er zijn twee weigeringsgronden bijgekomen. Het gaat om de gevallen bedoeld in de artikelen 54 ter en 57; wij verwijzen dan ook naar de commentaar daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2 Tenuitvoerlegging (artikelen 31 tot en met 45) a) Artikel 31 68.Luidens de eerste alinea van dit artikel in de versie van het Verdrag van Brussel « kunnen de beslissingen welke in een verdragsluitende Staat zijn gegeven en aldaar uitvoerbaar zijn, in een andere verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij al daar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, van het verlof tot tenuitvoerlegging zijn voorzien ». Aangezien het recht van het Verenigd Koninkrijk : het systeem van het exequatur van buitenlandse beslissingen niet kent, bepaalt de tweede alinea van dit artikel dat deze beslissingen in Engeland en Wales, in Schotland of in Noord-Ierland eerst ten uitvoer worden gelegd na ten verzoeke van iedere belanghebbende partij in het betrokken deel van het Verenigd Koninkrijk voor tenuitvoerlegging te zijn geregistreerd (zie het rapport-Schlosser, punt 208 e.v.). 69. In Zwitserland moeten beslissingen die strekken tot betaling van een geldsom, onderscheiden worden van beslissingen strekkende tot het verrichten van andere prestaties.De tenuitvoerlegging van de eerste categorie beslissingen is geregeld. in artikel 69 e.v. van de federale wet over de vervolging wegens schulden en faillissement (LP). Voor gedwongen executie is volgens de artikelen 80 en 81 van de LP overlegging van een executoriale, civiele beslissing vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitenlandse veroordelingen tot betaling van een geldsom vereisen alleen een exequatur wanneer zij uitgaan van een Staat die geen erkennings- en executieverdrag met Zwitserland gesloten heeft. Bestaat zo'n verdrag wel, dan is een buitenlandse veroordeling tot betaling uitvoerbaar op gelijke voet met een Zwitserse beslissing. Alleen de in het bewuste verdrag vermelde excepties kunnen worden tegengeworpen (artikel 81, derde alinea, van de LP).</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitenlandse veroordelingen tot het verrichten van andere prestaties dan betaling van een geldsom worden volgens het kantonnale recht ten uitvoer gelegd, ook wanneer met de betrokken Staat een verdrag is gesloten. In de regel zijn dan de kantonnale voorschriften over executoirverklaring van toepassing. In verband met het Verdrag heeft Zwitserland verklaard dat beslissingen tot betaling van een geldsom de huidige preferentiële behandeling zullen blijven genieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De groep erkende dat de formulering van artikel 31, eerste alinea van het Verdrag van Brussel beantwoordde aan het rechtsstelsel van de zes oorspronkelijke Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, maar problemen kan opleveren voor Staten met andere executieprocedures. Om met name rekening te houden met Zwitserlands positie werd bijgevolg de uitdrukking « van het verlof tot tenuitvoerlegging zijn voorzien\" (Verdrag van Brussel, artikel 31, eerste alinea) in de tekst van Lugano vervangen door « uitvoerbaar zijn verklaard\". b) Artikelen 32 tot en met 45 70.De formele aanpassingen in de artikelen 32 tot en met 45 hebben alleen betrekking op de bevoegde gerechten en de soorten rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In IJsland en Zweden is telkens één gerecht bevoegd verklaard voor executiebeslissingen. In Zweden heerst de praktijk dat de « Svea hovratt » bevoegd is om in het buitenland gegeven beslissingen en scheidsrechterlijke uitspraken uitvoerbaar te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil de partij tegen wie om executie wordt verzocht, het exequatur aanvechten, dan moet zij dat niet zoals in de meeste verdragsluitende Staten bij een hoger gerecht doen, maar wel, zoals in Oostenrijk, België, Ierland, Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, bij het gerecht dat het exequatur heeft verleend. Het betreft een civiele procedure op tegenspraak. Dit geldt ook voor het beroep dat de eiser kan instellen tegen de afwijzing van zijn verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3 Gemeenschappelijke bepalingen (artikelen 46 tot en met 49) 71. Voor de bepalingen van deze afdeling, die nergens gewijzigd zijn, wordt verwezen naar de rapporten-Jenard (bladzijden 54 tot en met 56) en -Schlosser (punt 225). TITEL IV AUTHENTIEKE AKTEN EN GERECHTELIJKE SCHIKKINGEN (artikelen 50 en 51) Artikel 50 : Authentieke akten 72. De vertegenwoordigers van de EVA-Staten konden instemmen met de tekst van artikel 50, hoewel hun wetgevingen, de Oostenrijkse uitgezonderd, het begrip authentieke akte niet kennen. Zij vroegen echter in het rapport te verduidelijken aan welke voorwaarden een akte moet beantwoorden om als authentiek in de zin van artikel 50 te worden beschouwd (zie het rapport-Schlosser, punt 226).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorwaarden zijn : - de authenticiteit van de akte moet door een overheidsorgaan zijn vastgesteld; - deze authenticiteit moet op de inhoud slaan en bij voorbeeld niet alleen op de handtekening; - de akte moet uit zichzelf executoriaal zijn in de Staat waar zij is opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kent het Deense recht buitengerechtelijke executoriale transacties (udenretlig forlig) waarop artikel 50 niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wissels en cheques vallen evenmin onder artikel 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenals in artikel 31 (zie nummer 69) is de uitdrukking « nadat zij van het verlof tot tenuitvoerlegging zijn voorzien\" vervangen door de woorden « uitvoerbaar verklaard ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevallen van toepassing van artikel 50 van het Verdrag van Brussel lijken eerder zeldzaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL V ALGEMENE BEPALINGEN (artikelen 52 en 53) Artikel 52 : Woonplaats 73. Artikel 52, derde alinea, van het Verdrag van Brussel heeft betrekking op partijen wier woonplaats afhankelijk is van de woonplaats van een andere persoon of van de zetel van een autoriteit. Deze bepaling vestigt een gemeenschappelijke conflictenregel die gebaseerd is op de status van de afhankelijke persoon, in casu op de nationale wet van die persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De EVA-Staten hebben deze regel aangevochten, omdat sinds de opstelling van het Verdrag van 1968 met name met betrekking tot de woonplaats van de gehuwde vrouw het een en ander is veranderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is besloten de derde alinea te schrappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om uit te maken of de verweerder minderjarig dan wel een onbekwame meerderjarige is, zal de rechter bijgevolg de toepasselijke wet bepalen aan de hand van de verwijzingsregels van zijn land.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is het antwoord positief, dan wordt het wettelijke domicilie, naar gelang van het geval, volgens de eerste of de tweede alinea van artikel 52 vastgesteld. Om bij voorbeeld vast te stellen of een minderjarige woonplaats heeft op het grondgebied van de Staat bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past de rechter zijn interne wet toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de minderjarige geen woonplaats heeft in de Staat bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past de rechter, ter vaststelling of hij een woonplaats heeft in een andere verdragsluitende Staat, de wet van die Staat toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VI OVERGANGSBEPALINGEN (artikelen 54 en 54bis) a) Artikel 54 : Werking van het Verdrag in de tijd 74.In dit artikel zijn alleen technische wijzigingen aangebracht omdat de wijze van inwerkingtreding van beide Verdragen niet identiek is, maar in wezen is er niets veranderd (zie het rapport-Jenard, bladzijden 57 en 58, en het rapport-Schlosser, punten 228 tot en met 235). b) Artikel 54bis : Zaken van zeerecht 75.Artikel 54 bis stemt overeen met artikel 36 van het Toetredingsverdrag van 1978 (zie het rapport-Schlosser, punten 121 en volgende).</p>\n<p class=\"lf-p\">In punt 5 van dit artikel wordt de term « zeerechtelijke vordering\" omschreven. Volgens deze definitie is een zeerechtelijke vordering onder meer een vordering voortvloeiend uit havengelden (punt 1). In de Duitse versie van dit Verdrag en van het Verdrag van Brussel wordt voor havengelden de term « Hafenabgaben\" gebruikt. Hieruit mag echter beslist niet worden afgeleid dat havenkosten, dokgeld of retributies dan wel andere soortgelijke heffingen voor de toepassing van dit artikel als haven gelden beschouwd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VII VERHOUDING TOT HET VERDRAG VAN BRUSSEL EN TOT ANDERE VERDRAGEN (artikelen 54ter tot en met 59) a) Artikel 54ter : Verhouding tot het Verdrag van Brussel 76.Hiervoor wordt verwezen naar het commentaar in hoofdstuk II.I. b) Artikelen 55 en 56 : Verdragen betreffende de EVA-Staten 77.Artikel 55 handelt over verdragen tussen EVA-Staten en over verdragen tussen EVA-Staten en Lid-Staten van de Gemeenschappen (zie bijlage II).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Verdragen tussen Lid-Staten van de Gemeenschap zijn niet vermeld omdat zij reeds zijn opgesomd in artikel 55 van het Verdrag van Brussel; verdragen met Spanje en Portugal zullen worden opgenomen in de verdragen inzake de toetreding tot het Verdrag van Brussel. 78. Artikel 56 is niet gewijzigd.c) Artikel 57 : Verdragen over bijzondere onderwerpen 79.Er kan gesteld worden dat wetsconflicten, samen met geschillen van rechtsmacht, de hoofdmoot van het internationaal privaatrecht uitmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar ook confligerende verdragen houden de aandacht gaande.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegenwoordig handelen namelijk veel internationale overeenkomsten of verdragen direct of indirect over hetzelfde onderwerp, zulks in verband met de verscheidenheid van de internationale organisaties die zulke teksten uitwerken. Het internationaal recht voorziet in tal van regelingen die best als oplossing hiervoor in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige berusten op het beginsel « specialia generalibus derogant », andere op de anciënniteitsregel. Nog andere stoelen op het criterium van de doeltreffendheid. Zo wordt met betrekking tot de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen aanbevolen, in geval van conflict tussen verdragen te kiezen voor het verdrag dat het best het oogmerk van zijn opstellers dient en dat aan degene in wiens voordeel in een bepaald land beslist is, de beste garanties biedt om de beslissing in een ander land te kunnen doen erkennen en ten uitvoer leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals Professor Schlosser in zijn rapport stelt (punten 238 tot en met 246), werd dit probleem uitvoerig besproken tijdens de onderhandelingen over het Toetredingsverdrag van 1978.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het heeft zijn beslag gekregen in artikel 25 van dat Verdrag. 80. Tijdens de onderhandelingen over het Verdrag van Lugano kwam de kwestie dus opnieuw aan de orde.Beide Verdragen gaan uit van hetzelfde basisbeginsel : er wordt niet afgeweken van verdragen over bijzondere onderwerpen tussen de verdragsluitende Staten die er partij bij zijn of zullen worden, ter regeling van de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen (6).</p>\n<p class=\"lf-p\">De oplossing is neergelegd in artikel 57. Zij bevat twee aspecten : bevoegdheid enerzijds en erkenning en tenuitvoerlegging anderzijds. 81. Wat de rechterlijke bevoegdheid betreft bevatten beide Verdragen, namelijk het bij het Verdrag van 1978 gewijzigde Verdrag van 1968 en het Verdrag van Lugano, soortgelijke bepalingen. Evenals lid 2 van artikel 25 van het Toetredingsverdrag van 1978 bepaalt lid 2 van artikel 57 van het Verdrag van Lugano namelijk dat dit Verdrag er niet aan in de weg staat dat een gerecht van de verdragsluitende Staat die partij is bij een verdrag over een bijzonder onderwerp, dienovereenkomstig kennis neemt van een zaak, ook indien de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een Staat die partij is bij het Verdrag van Lugano, maar niet bij het bijzondere verdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 57 vestigt hier dus een nieuwe uitzondering op het beginsel van artikel 2 dat de verweerder voor het gerecht van zijn woonplaats wordt opgeroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Het Verdrag van Warschau van 12 oktober 1929 tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer is door Luxemburg niet bekrachtigd. De vervoerder heeft woonplaats in Luxemburg, maar het Verdrag van Warschau wijst als bevoegd gerecht dat van de plaats van « bestemming\" aan (een forum dat als zodanig niet erkend wordt in het Verdrag van Lugano, evenmin overigens in het Verdrag van Brussel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 57 kan de eiser de Luxemburgse vervoerder voor de rechter dagen in een Staat die partij is bij het Verdrag van Lugano en bij het Verdrag van Warschau, omdat diens bevoegdheid door dit Verdrag erkend wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Verdrag van Brussel wordt dezelfde regeling gehanteerd. In « het belang van eenvoud en overzichtelijkheid van de juridische situatie » (zie het rapport-Schlosser over het Verdrag van 1978, punt 240 b) en volgens ons ook om niet de rechten te miskennen die de onderdanen van derde landen aan een bijzonder verdrag kunnen ontlenen, heeft dit laatste verdrag voorrang gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de rechten van de verdediging moet het geadieerde gerecht evenwel artikel 20 van het Verdrag van Lugano toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In casu moet de rechter, bij verstek van de verweerder, ambtshalve nagaan of hij wel bevoegd is krachtens het bijzondere verdrag en of de verweer der regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, gedagvaard is. 82. Met betrekking tot erkenning en tenuitvoerlegging lopen het Verdrag van Brussel (op dit punt aangepast door het Verdrag van 1978) en het Verdrag van Lugano uiteen.In afwijking van het Verdrag van Brussel bepaalt het Verdrag van Lugano namelijk dat erkenning en executie geweigerd kunnen worden wanneer de aangezochte Staat geen partij is bij het bijzondere verdrag en degene tegen wie erkenning of tenuitvoerlegging gevraagd wordt, woonplaats heeft in die Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderscheid is ingegeven door het feit dat het Verdrag van Brussel tussen Lid-Staten van een zelfde Gemeenschap geldt, hetgeen voor het Verdrag van Lugano niet geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom wilden de EVA-Staten dat de gerechten van de aangezochte Staat de erkenning en tenuitvoerlegging kunnen weigeren wanneer degene tegen wie deze gevraagd worden, woonplaats heeft op het grondgebied van die Staat. Zij oordeelden dat de verweerder deze garantie moest krijgen met name in verband met de mogelijkheid dat de bijzondere overeenkomst bevoegdheidsgronden bevat die door de wetgeving van de aangezochte Staat als exorbitant worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zij op gewezen dat dit een uitzonderlijke weigeringsgrond is, want in lid 3 wordt het beginsel van de erkenning en tenuitvoerlegging bevestigd. Toepassing ervan geschiedt dus niet automatisch, maar naar gelang van het oordeel van de rechter van de aangezochte Staat, overeenkomstig het recht van die Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt vanzelf dat in een Lid-Staat van de Gemeenschappen onder dezelfde voorwaarden de erkenning of tenuitvoerlegging geweigerd kan worden van een beslissing die in een EVA-Staat op grond van een bevoegdheidsregel van een bijzonder verdrag gegeven is. 83. De rapporteurs zijn van mening dat - ook al staat dit niet uitdrukkelijk in artikel 57 - wanneer een zaak het eerst is aangebracht bij een gerecht van een verdragsluitende Staat dat krachtens een bijzondere overeenkomst bevoegd is, de artikelen 21 en 22 over aanhangigheid en samenhang van toepassing zijn.Zo moet bij voorbeeld de rechter van een andere verdragsluitende Staat die geen partij is bij het bijzondere verdrag, in geval van aanhangigheid ambtshalve de uitspraak aanhouden indien de zaak het laatst bij hem is aangebracht. De bevoegdheid van de eerste rechter wordt namelijk in het Verdrag van Lugano erkend door artikel 21 in samenhang met artikel 57; dit laatste artikel erkent de bevoegdheid van de rechter die het eerst op grond van het bijzondere verdrag is geadieerd. 84. Voor de toepassing van het Verdrag van Lugano worden communautaire besluiten met verdragen over bijzondere onderwerpen gelijkgesteld. Hiervoor wordt naar de commentaar op Protocol nr. 3 verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VIII SLOTBEPALINGEN (artikelen 60 tot en met 68) a) Opmerkingen vooraf 85.Hoewel slotbepalingen doorgaans vrij stereotiep zijn, dragen zij hier een ietwat bijzonder karakter en vergen zij daarom een vrij uitvoerige toelichting. In de eerste plaats staan wij hier voor een Verdrag waarvoor bij de verdragsluitende Staten zeer verwante opvattingen in grondwettelijk en economisch opzicht verondersteld worden (zie hoofdstuk 1, punt 2, nummer 3). Voorts is het gesloten tussen Staten die alle behoren tot Europese organisaties, de Europese Gemeenschappen en de EVA. Bij de redactie van het Verdrag zijn diverse vragen gerezen. Een eerste, algemene vraag was, welke Staten partij kunnen worden bij het Verdrag. Andere, meer bijzondere vragen, waren : Wat is de positie van Staten die lid worden van de Europese Gemeenschap of van de EVA nadat het Verdrag voor ondertekening is opengesteld? Wat gebeurt er met derde Staten die tot geen van beide organisaties behoren, maar die partij willen worden bij het Verdrag? Wat is de territoriale werking van het Verdrag? Wat gebeurt er ten slotte wanneer een gebied, waarvan een verdragsluitende Staat de internationale betrekkingen behartigt, onafhankelijk wordt? Al deze vragen werden uitvoerig besproken en zijn in hun geheel opgelost (7). b) Artikel 60 : Staten die aan het Verdrag kunnen deelnemen 86.Over deze kwestie handelt artikel 60; de toepassing is geregeld in artikel 61 (ondertekening en bekrachtiging) en in artikel 62 (toetreding).</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval kunnen aan het Verdrag deelnemen : 1° Staten die op het tijdstip waarop het Verdrag voor ondertekening werd opengesteld, lid waren van de Europese Gemeenschappen of van de EVA;2° Staten die na dit tijdstip lid zouden worden van een van beide organisaties.Gezien de oorsprong van het Verdrag lag dit voor de hand, want geen van beide organisaties is onveranderlijk; 3° derde Staten.Dit is wel het moeilijkste punt. Behalve de Lid-Staten van beide organisaties zijn er namelijk Staten die wel niet Europees zijn, maar er toch dezelfde fundamentele denkbeelden op nahouden. Bij de commentaar op artikel 62 zal duidelijk worden dat er vrij strenge voorwaarden gesteld zijn voor de toetreding van deze Staten tot het Verdrag. Kortom, uit het Verdrag spreekt bereidheid tot verruiming, maar beslist ook voorzichtigheid. c) Artikel 61 : Ondertekening, bekrachtiging en inwerkingtreding 87.Conform artikel 61 kan het Verdrag van Lugano ondertekend worden door de Staten die op de datum waarop het voor ondertekening werd opengesteld, namelijk 16 september 1988, lid waren van een van beide organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is overeengekomen omdat de definitieve tekst door de hiertoe door hun Staten gemachtigde personen op de diplomatieke conferentie is opgesteld en aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op die datum werd het Verdrag door tien Staten ondertekend : België, Denemarken, Griekenland, Italië, Luxemburg en Portugal aan de kant van de Gemeenschappen en IJsland, Noorwegen, Zweden en Zwitserland aan de kant van de EVA. Nadien werd het nog ondertekend door Finland op 30 november 1988 en door Nederland op 7 februari 1989.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zes overige Staten (de Bondsrepubliek Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland en het Verenigd Koninkrijk enerzijds en Oostenrijk anderzijds) kunnen het Verdrag te allen tijde ondertekenen. 88. Overeenkomstig artikel 61, lid 3, treedt het Verdrag in werking zodra het door een Lid-Staat van de Gemeenschappen en een Lid-Staat van de EVA bekrachtigd is. Voor een multilateraal verdrag kan deze wijze van inwerkingtreding enigszins bevreemdend lijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo werd bewust gestreefd naar een spoedige inwerkingtreding van het Verdrag. Voor verweerders met woonplaats op het grondgebied van een EVA-Staat voorziet het Verdrag namelijk in een aantal garanties voor het geval dat zij voor de gerechten van een Lid-Staat van de Gemeenschap opgeroepen worden. Zo zal artikel 4 van het Verdrag van Brussel niet langer op hen van toepassing zijn. Daarnaast kunnen personen met woonplaats op het grondgebied van een Lid-Staat van de Gemeenschappen niet voor een gerecht van een EVA-Staat gedaagd worden op grond van de in die Staat geldende exorbitante bevoegdheidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens kunnen bekrachtigingsprocedures nogal wat tijd in beslag nemen, waardoor de inwerkingtreding van een multilateraal verdrag op zich laat wachten indien een bepaald aantal bekrachtigingen vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voorbeeld kunnen gelden het Verdrag van 1968 dat pas in 1973 in werking is getreden en het Toetredingsverdrag van 1978 waarvan de inwerkingtreding tussen de zes oorspronkelijke Lid-Staten en Denemarken pas op 1 oktober 1986, het Verenigd Koninkrijk op 1 januari 1987 en Ierland op 1 juni 1988 plaatsvond. Het Toetredingsverdrag met Griekenland van 25 oktober 1982 trad op 1 april 1989 in werking ten aanzien van België, Denemarken, de; Bondsrepubliek Duitsland, Griekenland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg en Nederland en op 1 oktober 1989 ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, het volstaat dus dat een Lid-Staat van de Gemeenschappen en een Lid-Staat van de EVA het Verdrag van Lugano bekrachtigen, opdat het in werking treedt op de eerste dag van de derde maand die volgt op de datum van nederlegging van de tweede akte van bekrachtiging tussen die twee Staten. d) Artikel 62 en 63 : Toetreding 1° Nieuwe Lid-Staten 89.Staten die, nadat het Verdrag voor ondertekening is opengesteld, lid worden van de Gemeenschappen of van de EVA, kunnen tot het Verdrag toetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Luidens lid 4 van artikel 62 kan evenwel een verdragsluitende Staat zich niet gebonden achten door die toetreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ratio van deze clausule is dat een Lid-Staat van een der organisaties geen invloed heeft op de aansluiting van nieuwe Staten bij de andere organisatie en om redenen die hem eigen zijn zou kunnen oordelen dat hij zich niet aan die nieuwe Staat kan laten binden door zulke nauwe banden als die van het Verdrag van Lugano. Deze beschermende clausule is ook op derde Staten van toepassing. 2° Derde Staten 90.Tegenover derde landen zijn uit voorzichtigheid bijzondere voorwaarden ingebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste moet een toetreding voorgedragen worden door een verdragsluitende Staat - die het Verdrag bekrachtigd heeft of tot het Verdrag toegetreden is - die het voornemen van de Derde Staat aan de Staat van nederlegging kenbaar maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede moet de Derde Staat aan de Staat van nederlegging de inhoud meedelen van de verklaringen die hij voor de toepassing van het Verdrag wil afleggen en van de door hem gewenste bijzonderheden voor de toepassing van het Protocol. De Staat van nederlegging doet die mededeling aan de overige ondertekenende Staten en aan de toegetreden Staten toekomen. Over die teksten kan onderhandeld worden, zonder dat echter de bepalingen van het Verdrag van Lugano zelf op de tocht komen te staan. De voorgenomen regeling verschilt dus van het bepaalde in artikel 63 van het Verdrag van Brussel, op grond waarvan een nieuwe Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap kan verzoeken om over de « noodzakelijke aanpassingen » een bijzonder Verdrag te sluiten. Deze procedure, die met name bij de opstelling van het Toetredingsverdrag van 1978 gevolgd werd, is hier dus niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten derde moeten de in artikel 60, onder a) en b), bedoelde Staten, die aldus in kennis zijn gesteld van de mededelingen en bijzonderheden die de toetredende Staat wil verstrekken, eenparig besluiten of deze Staat moet worden uitgenodigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 60, onder a) en b), bedoelde Staten waren lid van een van beide organisaties op het tijdstip dat het Verdrag voor ondertekening werd opengesteld, dit wil zeggen op 16 september 1988, dan wel zijn er na die datum lid van geworden. De instemming van Derde Staten die naderhand tot het Verdrag zijn toegetreden, is dus niet vereist. De reden hiervoor is dat het Verdrag in wezen een verdrag tussen Lid-Staten van de Gemeenschappen en van de EVA is en dat het daarom niet aangewezen leek een derde Staat die partij bij het Verdrag is geworden, een vetorecht over de toetreding van andere Derde Staten toe te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten vierde kunnen, nadat besloten is de voordracht van de Derde Staat te « aanvaarden\", op zijn verzoek dan wel op het verzoek van andere betrokken Staten onderhandelingen geopend worden over de bijzonderheden die de derde Staat voor de toepassing van Protocol nr. 1 wenst te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot herinneren wij aan de laatste beschermende clausule, namelijk dat elke verdragsluitende Staat (krachtens lid 4) kan weigeren dat het Verdrag toegepast wordt op zijn betrekkingen met tot het Verdrag toegetreden Derde Staten. Bij deze regeling, ontleend aan diverse in het kader van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht opgestelde Verdragen, is gedacht aan de - eventueel politieke - moeilijkheden die tussen een verdragsluitende Staat en een derde Staat kunnen bestaan. e) Territoriale werking 91.Artikel 60 van het Verdrag van 1968 en artikel 27 van het Toetredingsverdrag van 1978 handelen over de territoriale werking van deze Verdragen, die behoudens wel omschreven uitzonderingen beperkt wordt tot het Europese grondgebied van de verdragsluitende Staten. 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de onderhandelingen over het Verdrag van Lugano is geconstateerd dat de toepassing van het Verdrag op niet-Europese gebieden die integrerend deel uitmaken van het nationale grondgebied van de verdragsluitende Staten of waarvan de internationale betrekkingen door deze Staten behartigd worden, ruimer moest worden opgevat.Vaak gaat het namelijk om belangrijke financiële centra die nauwe betrekkingen onderhouden met verdragsluitende Staten. Gezien de snelle ontwikkeling van de communicatiemiddelen kunnen activa naar die gebieden versluisd worden; indien het Verdrag er niet van toepassing was, zou er een situatie kunnen ontstaan die indruist tegen het beoogde doel, aangezien in een verdragsluitende Staat gegeven beslissingen er niet conform het Verdrag zouden kunnen worden geëxecuteerd. 93.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de diplomatieke conferentie is overeengekomen dat het Verdrag, zoals tal van andere internationale overeenkomsten, beter geen bepalingen over de territoriale werking bevat.Daarom is de begrenzing tot de Europese gebieden, die als beginsel in de Verdragen van 1968 en 1978 was neergelegd, niet in het Verdrag van Lugano overgenomen. 94. Uit de onderhandelingen is evenwel duidelijk gebleken dat het Verdrag van Lugano, bij gebreke van een bijzondere bepaling, ambtshalve van toepassing is op : - het gehele grondgebied van het Koninkrijk Spanje; - het gehele grondgebied van de Portugese Republiek; - wat Frankrijk betreft : op alle gebieden die integrerend deel uitmaken van de Franse Republiek (zie artikelen 71 en volgende van de Grondwet), met inbegrip van de Franse overzeese departementen (Guadeloupe, Martinique, Guyana, Réunion), de overzeese gebiedsdelen. (Polynesië, Nieuw-Caledonië, de Zuidpoolgewesten) en de bijzondere territoria (Saint-Pierre-et-Miquelon, Mayotte). 95. Voor Denemarken en Nederland ligt de situatie enigszins anders. Denemarken Met het oog op de bekrachtiging van het Verdrag van Lugano wilde Denemarken zich de mogelijkheid voorbehouden er later de werkingssfeer van uit te breiden tot de Faeröer en tot Groenland. Deze behoren tot het Koninkrijk Denemarken, maar genieten intern autonomie (wet nr. 137 van 23 maart 1948 voor de Faeröer en nr. 577 van 29 november 1978 voor Groenland) en moeten geraadpleegd worden over wetsontwerpen die hun grondgebied betreffen. Naar gelang van de uitkomst van die raadpleging kan Denemarken te allen tijde in een aan de Staat van nederlegging gerichte verklaring mededelen hoe het met de toepassing van het Verdrag op deze gebieden gesteld is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nederland Sinds 1 januari 1986 bestaat het Koninkrijk der Nederlanden uit drie landen, namelijk Nederland, de Nederlandse Antillen (Bonaire, Curaçao, Sint-Maarten (Nederlands gedeelte van het eiland), Sint-Eustatius en Saba) en Aruba. Aangezien raadpleging vereist is, kan Nederland, net zoals Denemarken met betrekking tot de Faeröer en Groenland, te allen tijde in een aan de Staat van nederlegging gerichte verklaring de stand van zaken meedelen met betrekking tot de toepassing van het Verdrag op de Nederlandse Antillen en op Aruba. 96. Andere verdragsluitende Staten daarentegen (het Verenigd Koninkrijk en Portugal voor Macao en Timor-Leste) omvatten gebieden die losstaan van het moederland.Internationale overeenkomsten namens deze territoria kunnen alleen door het Verenigd Koninkrijk en Portugal gesloten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Verenigd Koninkrijk Evenals de andere Staten heeft het Verenigd Koninkrijk tijdens de onderhandelingen een volledige lijst verstrekt van de niet-Europese gebieden waarvan het de in internationale betrekkingen behartigt (8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Europese gebieden, zie het rapport-Schlosser, punt 252.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze lijst van niet-Europese gebieden is in de akten van de diplomatieke conferentie vervat, het Verenigd Koninkrijk heeft eveneens gegevens verstrekt over die gebieden ten aanzien waarvan het zou kunnen overwegen het Verdrag daadwerkelijk toepasselijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is overeengekomen dat het overleggen van die gegevens niet neerkomt op een bindende belofte dat de werking niet verder zal worden uitgebreid, maar bedoeld is om de overige partijen in staat te stellen beter de praktische consequenties van een uitbreiding van de werkingssfeer van het Verdrag te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband heeft het Verenigd Koninkrijk verklaard dat onder deze niet-Europese gebieden Anguilla, de Bermuda-eilanden, de Britse Maagdeneilanden, Montserrat, de Turkseilanden en de Caicoseilanden, alsook Hong-Kong eventueel voor toepassing van het Verdrag in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Portugal Over de uitbreiding van het Verdrag tot Macao en Timor-Leste is nog geen besluit gevallen. f) Gebieden die onafhankelijk worden 97.Ook is de vraag aan de orde geweest wat er gebeurt met de toepassing van het Verdrag in gebieden die onafhankelijk worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Verdrag zegt hierover niets. Ten eerste is een dergelijke bepaling niet gebruikelijk in internationale overeenkomsten. Voorts is dat een klassieke kwestie in het internationaal publiekrecht en algemeen wordt aangenomen dat wanneer een land onafhankelijk wordt, elke verdragsluitende Staat - zich tegenover de nieuwe Staat al dan niet door het Verdrag gebonden mag achten en vice-versa (zie hierover het rapport-Schlosser, punt 254).</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval kan de nieuwe onafhankelijke Staat via de in artikel 62 van het Verdrag van Lugano vastgestelde toetredingsprocedure voor derde Staten (zie nummer 90) partij worden bij het Verdrag, mocht hij dat wensen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK IV PROTOCOLLEN 98. De drie protocollen bij het Verdrag maken er krachtens artikel 65 deel van uit. PROTOCOL Nr. 1 BETREFFENDE ENKELE ONDERWERPEN VAN BEVOEGDHEID, WIJZE VAN PROCEDEREN EN TENUITVOERLEGGING 1. Opmerkingen vooraf 99.Het Protocol stemt overeen met het Protocol bij het Verdrag van Brussel. De artikelen I, II III en V quinquies zijn in Protocol nr. 1 bij het Verdrag van Lugano tekstueel overgenomen. Artikel V quater van het Protocol bij het Verdrag van Brussel is in de Lugano-tekst weggevallen. In het Protocol bij het Verdrag van Brussel was het slechts opgenomen om te preciseren dat het begrip « residence » in de Engelse tekst van het Verdrag betreffende het Europese octrooi voor de gemeenschappelijke markt, ondertekend te Luxemburg op 15 december 1975, geacht wordt dezelfde betekenis te hebben als de uitdrukking « domicile » in het Verdrag van Brussel. In het Verdrag van Lugano echter waren dergelijke bepalingen overbodig. De overige bepalingen van het Protocol bij het Verdrag van Brussel komen, afgezien van lichte wijzigingen die meestal verband houden met de vigerende wetgeving in verscheidene EVA-Staten, ook in het nieuwe Protocol voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder bevat het Protocol twee artikelen (I bis en I ter) die geen equivalent hebben in het Protocol bij het Verdrag van Brussel. 2. Artikel I bis : Voorbehoud op verzoek van Zwitserland 100.Dit artikel bevat een voorbehoud op verzoek van Zwitserland. Het behelst dat Zwitserland bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging kan verklaren dat een in een andere verdragsluitende Staat gegeven beslissing in Zwitserland niet wordt erkend of ten uitvoer gelegd wanneer de bevoegdheid van het gerecht dat de beslissing heeft gegeven, alleen op artikel 5, punt 1 (plaats van uitvoering van de overeenkomst) van het Verdrag berust en wanneer aan een aantal andere voorwaarden is voldaan. Aangezien vele Staten deze bevoegdheidsgrond vanuit commercieel standpunt als de meest relevante bijzondere bevoegdheidsregel van het Verdrag beschouwen, is over de inhoud van dit gedeelte van Protocol nr. 1 uitvoerig gediscuteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor Zwitserland stoelt de noodzaak van een voorbehoud op artikel 59 van de Zwitserse federale grondwet (9), dat een verweerder met woonplaats in Zwitserland ongeacht zijn nationaliteit het recht waarborgt ter zake van overeenkomsten voor de rechter van zijn woonplaats te worden opgeroepen. Hoewel dit algemene beginsel een aantal uitzonderingen kent, is duidelijk gebleken dat een bepaling zoals artikel 5, punt 1, van het Verdrag zou kunnen confligeren met het Zwitserse grondwettelijke recht en de deelneming van Zwitserland aan het Verdrag onmogelijk zou kunnen maken. Met het onderhavige compromis zijn de gevolgen van het voorbehoud tot het strikte minimum gereduceerd. 101. Ten eerste is het voorbehoud alleen van toepassing indien de verweerder in Zwitserland gedomicilieerd was op het tijdstip dat het geding werd ingeleid.Voor de toepassing van het voorbehoud zal de woonplaats overeenkomstig de algemene beginselen en de bepalingen van het Verdrag worden vastgesteld en erkend. Een vennootschap of andere rechtspersoon zal echter slechts geacht worden woonplaats in Zwitserland te hebben, indien de zetel en het werkelijke centrum van de activiteiten aldaar gevestigd zijn. Het voorbehoud is dus niet van toepassing wanneer, ook al is de zetel in Zwitserland gevestigd, het werkelijke centrum van de activiteiten van een vennootschap of een andere rechtspersoon zich in het buitenland bevindt. Bovendien geldt het voorbehoud alleen voor zover de zetel zich in Zwitserland bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede kunnen op grond van het voorbehoud erkenning en tenuitvoerlegging alleen geweigerd worden wanneer de bevoegdheid van het gerecht dat de beslissing gegeven heeft, uitsluitend op artikel 5, punt 1, berust. Heeft bij voorbeeld een verweerder met woonplaats in Zwitserland de bevoegdheid van een gerecht van een andere verdragsluitende Staat aanvaard, dan is het voorbehoud niet van toepassing omdat de bevoegdheid niet uitsluitend op artikel 5, punt 1, maar ook op artikel 18 gebaseerd is. Het voorbehoud is evenmin van toepassing wanneer de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht steunt op een forumclausule voor de regeling van geschillen ter zake van overeenkomsten, omdat de bevoegdheid dan uit artikel 17 voortvloeit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten derde kan het voorbehoud alleen werken wanneer de verweerder zich tegen erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissing in Zwitserland verzet. Dit verzet moet te goeder trouw geschieden. De Zwitserse delegatie heeft meegedeeld dat naar Zwitsers recht de verweerder te allen tijde zonder meer op geldige wijze afstand kan doen van zijn bescherming uit hoofde van artikel 59 van de grondwet. Deze afstand kan dus zelfs plaatsvinden voordat Zwitserland zijn verklaring aflegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tekst van het artikel volgt dit uit de woorden « de in dit lid bedoelde verklaring ». Wie een overeenkomst sluit met een partij die woonplaats heeft in Zwitserland, kan dus bedingen dat afstand wordt gedaan van de bescherming van artikel 59 van de Zwitserse federale grondwet, die anders van toepassing zou zijn. Een overeenkomst tussen partijen over de afstand van die bescherming kan mondeling of schriftelijk tot stand komen; er moet wel afdoende bewijs van worden geleverd. Is een dergelijke overeenkomst gesloten of is de Zwitserse rechter er de facto van overtuigd dat de verweerder van zijn rechten heeft afgezien, dan zullen de erkenning en tenuitvoerlegging in Zwitserland niet geweigerd worden, ook al zou door dit land de voorbehoudsverklaring zijn gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten vierde slaat het voorbehoud niet op overeenkomsten waarvoor, wanneer om erkenning of tenuitvoerlegging wordt verzocht, een uitzondering op artikel 59 van de Zwitserse federale grondwet zal zijn toegestaan. De Zwitserse Regering moet de ondertekenende en de toetredende Staten in kennis stellen van die uitzonderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten vijfde heeft de Zwitserse delegatie verklaard dat een voorbehoud volgens dit artikel geen betrekking zal hebben op arbeidsovereenkomsten. Zo zal Zwitserland ter zake van een individuele arbeidsovereenkomst nooit de erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing weigeren om reden dat de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, uitsluitend op artikel 5, punt 1, tweede zinsnede, van het Verdrag berust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte verliest elke verklaring die Zwitserland op basis van dit artikel aflegt haar werking na een bepaalde datum, namelijk 31 december 1999. Is de Zwitserse federale grondwet op die datum niet aldus gewijzigd dat dit grondwettelijk probleem uit de weg is geruimd, dan kan Zwitserland het Verdrag opzeggen en er opnieuw partij bij worden zodra de moeilijkheden van de baan zijn. 102. Maakt Zwitserland het hier bedoelde voorbehoud, dan kunnen de andere Staten de wederkerigheidsregel toepassen en de erkenning en tenuitvoerlegging van in Zwitserland gegeven beslissingen weigeren, indien de bevoegdheid van de Zwitserse.gerechten uitsluitend op artikel 5, punt 1, van het Verdrag berust en de overige voorwaarden van artikel I bis van het Protocol vervuld zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegens de verschillen tussen de betrokken constitutionele regelingen is geen wederkerigheidsclausule in het Protocol opgenomen. De wederkerigheid zal daarom volgens het internationaal publiekrecht vastgesteld worden. Aangezien dit recht verschillend kan zijn vertaald in de nationale wetgevingen, kan ook de regeling inzake wederkerigheid van land tot land verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Staten met een « dualistisch\" stelsel wordt de wederkerigheid op een algemene manier door de wetgever geregeld. In landen met een « monistisch » stelsel moet het vraagstuk opgelost worden door de gerechten of door andere organen. In Frankrijk bij voorbeeld, waar het « monistische » stelsel geldt, geeft de grondwet voorrang aan een verdrag boven een wet, op voorwaarde dat het verdrag op wederkerigheid berust. Wordt voor een rechter de vraag opgeworpen of het verdrag op wederkerigheid berust en is het antwoord niet duidelijk, dan moet de rechter zich tot het Ministerie van Buitenlandse Zaken wenden, dat bevoegd is om verdragen uit te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de toepassing van artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreft (verbod op discriminatie op grond van nationaliteit) kan de rechter van een EEG-Lid-Staat voor wie de vraag wordt opgeworpen, het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 177 van het EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bespreking is gebleken dat sommige Staten de wederkerigheidsregel niet zullen toepassen. 3. Artikel Iter : Voorbehoud inzake huurovereenkomsten 103.Dit artikel bepaalt dat een Staat, door middel van een verklaring die wordt afgelegd bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, zich het recht kan voorbehouden om in andere verdragsluitende Staten gegeven beslissingen niet te erkennen en ten uitvoer te leggen wanneer de bevoegdheid van het gerecht in de Staat van oorsprong overeenkomstig artikel 16, punt 1, onder b), uitsluitend berust op de woonplaats van de verweerder in de Staat van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling werd reeds toegelicht (zie nummer 53). 4. Artikel IV : Gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken 104.Dit artikel is identiek met artikel IV van het Protocol bij het Verdrag van Brussel. De in de tweede alinea van dit artikel bedoelde verklaring wordt echter niet meer aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen, maar aan de Staat van nederlegging van het Verdrag van Lugano toegezonden. 5. Artikel V : Vordering tot vrijwaring of vordering tot voeging of tussenkomst 105.In het Oostenrijkse, het Spaanse en het Zwitserse recht wordt, evenals in het Duitse recht, een vordering tot vrijwaring of een vordering tot voeging of tussenkomst ingeleid door de derde in het geding te brengen. Daarom is een analoge bepaling als artikel V van het Protocol bij het Verdrag van Brussel (zie het rapport-Jenard, bladzijde 27, commentaar op artikel 6, punt 2) uitgebreid tot Oostenrijk, Spanje en Zwitserland.- In tegenstelling tot wat voor Oostenrijk, de Bondsrepubliek Duitsland en Spanje bepaald is, kon voor Zwitserland niet naar een enkele wettelijke bron worden verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften over het in het geding brengen van derden liggen namelijk verspreid over de federale wet inzake burgerlijke rechtsvordering en de 26 kantonale wetboeken van burgerlijke rechtsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interventie door derden in het proces is in de Spaanse rechtsorde niet uitdrukkelijk geregeld en het ontbreken van passende procedures leidt tot onzekerheid met betrekking tot de wijze van procederen. In de doctrine is duidelijk op deze lacune gewezen en wordt de wens geuit dat zij op korte termijn wordt aangevuld. Dat betekent evenwel niet dat deze procedure op bepaalde gebieden in de rechtspraak of in bepaalde civielrechtelijke gevallen niet reeds toegestaan is; dit geldt bij voorbeeld voor artikel 124, lid 3, van wet nr. 11 van 20 maart 1986 betreffende octrooien of voor artikel 1482 (*) van het Burgerlijk Wetboek betreffende uitwinning. Dit laatste artikel kan in het algemeen worden toegepast voor gevallen van gedwongen of gevorderde tussenkomst; bij de onderhandelingen tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en de Lid-Staten van de Europese Vrijhandelsassociatie leek het derhalve dienstig deze bepaling op te nemen in artikel V van Protocol nr. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt, zij het indirect, naar dit artikel 1482 verwezen in de artikelen 638 (schenking), 1145 (hoofdelijke verbintenissen), 1529 (overdracht van vorderingen), 1540 (ruil), 1553 (huur en pacht), 1681 (verbintenissen van vennoten), 1830 (borgstelling), 1831 (medeborgstelling), enz. van het Burgerlijk Wetboek. 6. Artikel Vbis : Bevoegdheid van administratieve autoriteiten 106.In IJsland en Noorwegen zijn, zoals in Denemarken, administratieve autoriteiten bevoegd ten aanzien van onderhoudsverplichtingen. Daarom zijn IJsland en Noorwegen hier naast Denemarken vermeld. 107. In Finland is om historische redenen de « ulosotonhaltija/överexekutor » (regionale instantie) bevoegd voor in artikel 94 van het Verdrag van Lugano bedoelde voorlopige maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts worden de documentaire procedures met het oog op de inning van schulden op grond van orderbriefjes of soortgelijke documenten, in een aantal andere summiere procedures zoals uitwinning, voor deze instantie gevoerd. Er kan gekozen worden tussen deze of een gerechtelijke procedure. De « ulosotonhaltija/överexekutor\" is klaarblijkelijk geen gerecht maar een administratief orgaan dat in de hierboven vermelde gevallen een rechterlijke functie vervult.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afschaffing van dit orgaan wordt nu overwogen; de taken, althans in burgerlijke en handelszaken, zouden aan de gerechten worden overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter wille van het evenwicht is in dit artikel een tweede alinea ingelast met de precisering dat ten aanzien van burgerlijke en handelszaken onder de termen « rechter » en « gerecht » mede de Finse « ulosotonhaltija/överexekutor\" begrepen worden. 7. Artikel Vter : Geschillen tussen de kapitein en een bemanningslid van een schip 108.Op verzoek van hun delegatie zijn IJsland, Noorwegen, Portugal en Zweden in dit artikel vermeld. 8. Artikel VI : Wijziging van interne wetsbepalingen 109.Dit artikel is identiek met artikel VI van het Protocol bij het Verdrag van Brussel. De hier bedoelde mededelingen worden echter niet meer aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen, maar aan de depositaris van het Verdrag van Lugano toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">PROTOCOL Nr. 2 BETREFFENDE DE EENHEID EN DE UITLEGGING VAN HET VERDRAG 1. Opmerkingen vooraf 110.Zonder eenheid in de uitlegging zou aanzienlijk afbreuk worden gedaan aan de unificerende strekking van het Verdrag van Lugano.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij komt dat zeer veel, zo niet het merendeel, van de bepalingen van het Verdrag overgenomen zijn uit het Verdrag van Brussel, wat een extra probleem vormde. Zoals bekend hebben de Lid-Staten van de Gemeenschappen dergelijke divergenties willen voorkomen en daartoe het Protocol van 3 juni 1971 gesloten, waarbij het Hof van Justitie van de Gemeenschappen de bevoegdheid kreeg zich over de uitlegging van het Verdrag van Brussel uit te spreken. Bij de toepassing van dit Verdrag moeten gerechten van de EEG-Lid-Staten zich voegen naar de interpretatie van het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof van Justitie kon echter niet als bevoegd erkend worden voor de uitlegging van het Verdrag van Lugano, dat geen bron van Gemeenschapsrecht is. Voorts hadden de EVA-Staten niet kunnen instemmen met een regeling waarbij een Instelling van de Gemeenschappen zich in laatste aanleg over het Verdrag van Lugano uitspreekt. Evenmin was het denkbaar dat een dergelijke bevoegdheid aan een ander internationaal gerecht zou worden opgedragen of dat er een nieuwe rechterlijke instantie zou worden ingesteld, aangezien met name het Hof van Justitie van de Gemeenschappen krachtens het Protocol van 1971 reeds bevoegd is voor de uitlegging van het Verdrag van Brussel en er hoe dan ook geen bevoegdheidsgeschillen tussen internationale rechterlijke instanties mochten worden gecreëerd. 111.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oplossing voor deze nogal complexe situatie (namelijk behoefte aan eenheid in de uitlegging van het Verdrag van Lugano zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Gemeenschappen inzake de uitlegging van het Verdrag van Brussel, waarvan het Verdrag van Lugano vele bepalingen heeft overgenomen) berust op het beginsel van overleg en niet op dat van de rechterlijke hiërarchie. Daarom is overeengekomen dat met toepassing van het Verdrag van Lugano of het Verdrag van Brussel gegeven beslissingen door een centraal orgaan aan alle ondertekenende en toetredende Staten zullen worden meegedeeld en dat de door deze Staten aangewezen vertegenwoordigers zullen worden bijeengeroepen om van gedachten te wisselen over de werking van het Verdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtstechnisch is besloten de bepalingen die tot eenheid in de uitlegging strekken, bijeen te brengen in een aan het Verdrag gehecht Protocol, dat er een integrerend deel van uitmaakt. Voorts is besloten aan het Protocol twee verklaringen te hechten : de eerste ondertekend door de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Staten die het Verdrag hebben ondertekend en lid zijn van de Europese Gemeenschappen, de andere door de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Staten die het Verdrag hebben ondertekend en lid zijn van de EVA. 2. Preambule 112.In de eerste overweging van de preambule wordt verwezen naar artikel 65 van het Verdrag van Lugano. Dit artikel bepaalt dat een Protocol nr. 2 betreffende de eenheid in de uitlegging van het Verdrag door de gerechten, deel uitmaakt van het Verdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede overweging wordt gewezen op de hechte band tussen het Verdrag van Lugano en het Verdrag van Brussel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals reeds gezegd is het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen krachtens het Protocol van 3 juni 1971 bevoegd het Verdrag van Brussel uit te leggen. Bij de onderhandelingen over het Verdrag van Lugano, werd van meet af aan verklaard dat de bepalingen van het Verdrag van Brussel die in grote trekken in het Verdrag van Lugano zouden worden overgenomen, begrepen moesten worden in het licht van de relevante arresten die het Hof van Justitie zou hebben gegeven tot op de dag dat het Verdrag van Lugano voor ondertekening werd opengesteld. De Groep die het nieuwe Verdrag heeft opgesteld, kende alle desbetreffende beslissingen tot op die datum. Het lag in de bedoeling tot een zo groot mogelijke eenheid in de uitlegging te komen van de bepalingen die identiek zijn in beide Verdragen. Overigens werden bepalingen van het Verdrag van Brussel, zoals artikel 16, punt 1, die volgens de interpretatie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen onaanvaardbaar waren, niet als zodanig in het Verdrag van Lugano overgenomen (voor de arresten van het Hof van Justitie, zie hoofdstuk VI).</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde, de vierde en de vijfde overweging zijn bedoeld om het belang te onderstrepen van de beslissingen inzake de uitlegging van het Verdrag van Brussel, die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen tot op de dag van de ondertekening van het Verdrag van Lugano gegeven heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zesde overweging geven de verdragsluitende Staten hun verlangen te kennen om, met eerbiediging van de onafhankelijkheid van de gerechten, verschillen in uitlegging te voorkomen. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 113.Dit artikel heeft alleen betrekking op beslissingen betreffende bepalingen van het Verdrag van Lugano. Het bepaalt dat de gerechten van elke verdragsluitende Staat bij de toepassing en de uitlegging van het Verdrag van Lugano naar behoren rekening houden met de beginselen vervat in alle relevante beslissingen van de gerechten van de andere verdragsluitende Staten met betrekking tot genoemd Verdrag. Met « alle relevante beslissingen\" worden hier de beslissingen bedoeld van de gerechten van de verdragsluitende partijen, die overeenkomstig artikel 2, lid 1, eerste streepje, aan de centrale instantie zijn toegezonden, namelijk de arresten van de gerechten van laatste aanleg en andere in kracht van gewijsde gegane beslissingen die van bijzonder belang zijn. 114.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel slaat niet expliciet op beslissingen inzake de toepassing en de uitlegging van bepalingen van het Verdrag van Brussel, die grosso modo in het Verdrag van Lugano zijn overgenomen. Men mag namelijk niet vergeten dat het Verdrag van Brussel alleen wordt toegepast door de gerechten van de Lid-Staten van de Gemeenschappen, die zich bij de uitlegging ervan moeten con formeren aan de arresten van het Hof van Justitie. Nu konden de Lid-Staten van de Gemeenschappen het Hof van Justitie, een aparte Instelling, er niet toe verbinden rekening te houden met uitspraken van de gerechten van de EVA-Staten. Hunnerzijds oordeelden de EVA-Staten dat het niet geheel billijk zou zijn in het Protocol uitdrukkelijk te bepalen dat hun rechters niet alleen rekening moeten houden met beslissingen van de gerechten van de andere verdragsluitende Staten, maar ook met arresten van het Hof van Justitie van de Gemeenschappen, terwijl dit Hof op geen enkele wijze verbonden is, aangezien het om de uitlegging gaat van bepalingen van het Verdrag van Brussel die in het Verdrag van Lugano zijn overgenomen. 115.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch werd toegegeven dat de gerechten van de Lid-Staten van de Gemeenschappen, bij de uitlegging van bepalingen van het Verdrag van Lugano die van het Verdrag van Brussel zijn overgenomen, deze bepalingen in dezelfde zin als de identieke bepalingen van het Verdrag van Brussel en conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zullen begrijpen.Met het oog op een maximale eenheid in de uitlegging van het Verdrag van Lugano was het dus van essentieel belang dat de rechters van de EVA-Staten dit Verdrag op dezelfde wijze toepassen als de rechters van de Lid-Staten van de Gemeenschappen. Maar even noodzakelijk was het dat het Hof van Justitie bij de uitlegging van de bepalingen van het Verdrag van Brussel die in het Verdrag van Lugano zijn overeengekomen, in het bijzonder rekening houdt met de jurisprudentie van de gerechten van de EVA-Staten. 116.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dat tweeledige doel zijn twee verklaringen aan het Verdrag toegevoegd.In de eerste verklaren de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten die het Verdrag van Lugano ondertekend hebben en lid zijn van de Gemeenschappen, dat zij het juist achten dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij de uitlegging van het Verdrag van Brussel naar behoren rekening houdt met de jurisprudentie over het Verdrag van Lugano. In de tweede verklaren de vertegenwoordigers van de EVA-Staten dat zij het juist achten dat hun gerechten bij de uitlegging van het Verdrag van Lugano rekening houden met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en van de gerechten van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de bepalingen van het Verdrag van Brussel die in hoofdzaak in het Verdrag van Lugano zijn overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de vertegenwoordigers van de EVA-Staten is in dit verslag (zie hoofdstuk VI) een overzicht opgenomen van de arresten die het Hof van Justitie ter uitlegging van het Verdrag van 1968 heeft gegeven. 4. Artikel 2 117.Zoals reeds gezegd is besloten de eenheid in de uitlegging van de gemeenschappelijke bepalingen van de Verdragen van Lugano en van Brussel door middel van een informatie- en overlegsysteem tot stand te brengen. Luidens lid 1 van dit artikel komen de verdragsluitende Staten overeen een systeem in te stellen voor de uitwisseling van informatie betreffende de uit hoofde van het Verdrag van Lugano gegeven beslissingen alsook de relevante, uit hoofde van het Verdrag van Brussel gegeven beslissingen. De woorden « relevante beslissingen\" betekenen in dit verband de beslissingen uit hoofde van het Verdrag van Brussel die ook relevant zijn voor de uitlegging van het Verdrag van Lugano.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit systeem voor de uitwisseling van in formatie omvat - toezending aan een centrale instantie, door de bevoegde nationale autoriteiten, van de uit hoofde van het Verdrag van Lugano of het Verdrag van Brussel gegeven beslissingen; - classificatie van die beslissingen door de centrale instantie, met inbegrip van, voor zover nodig, het maken en publiceren van vertalingen en samenvattingen; - toezending, door de centrale instantie, van documentatie aan de bevoegde nationale autoriteiten van alle ondertekenende en toetredende Staten bij het Verdrag van Lugano, alsook aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens lid 2 van dit artikel is de centrale instantie de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Deze heeft hiermee ingestemd op voorwaarde dat de bijzonderheden van het systeem voor de uitwisseling van informatie, met name het vertalen van arresten die niet in een officiële taal van de Gemeenschappen geredigeerd zijn, na de diplomatieke conferentie in overleg met het Hof worden vastgesteld en dat de diensten van het Hof daartoe de nodige assistentie en begrotingsmiddelen toegewezen krijgen. Elke Lid-Staat wijst zijn bevoegde nationale autoriteiten als bedoeld in het eerste en het derde streepje van lid 1 van dit artikel aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatie-uitwisseling zal echter niet gaan over alle beslissingen van nationale gerechten uit hoofde van het Verdrag van Lugano, noch over alle relevante beslissingen uit hoofde van het Verdrag van Brussel. Met het oog op het door het Protocol beoogde doel volstaat het dat aan de in dit artikel (lid 1, eerste streepje) genoemde centrale instantie de beslissingen worden toegezonden van de gerechten in laatste aanleg en van het Hof van Justitie, alsook de beslissingen van de overige gerechten die van bijzonder belang zijn en in kracht van gewijsde zijn gegaan. Alleen deze beslissingen zullen dus door de centrale instantie worden geclassificeerd en overeenkomstig het derde streepje van lid 1 van dit artikel worden doorgezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is overeengekomen dat, wanneer de toezending van documentatie vereist dat de centrale instantie vertalingen en samenvattingen publiceert, deze publikatie om besparingsredenen in een zeer eenvoudige vorm zal geschieden. 5. Artikel 3 118.In het belang van de eenheid in de uitlegging van de gemeenschappelijke bepalingen van de Verdragen van Lugano en van Brussel leek het nodig de aangewezen vertegenwoordigers van elke ondertekenende of toetredende Staat te laten bijeenkomen om van gedachten te wisselen over de werking van het Verdrag van Lugano.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiertoe bepaalt artikel 3 dat een Permanent Comité wordt opgericht van vertegenwoordigers die worden aangewezen door elke ondertekenende en toetredende Staat. Dit Permanent Comité is niet opgevat als een bureaucratisch orgaan, maar als een forum waar nationale deskundigen kennis kunnen nemen van elkaars standpunten inzake de werking van het Verdrag en vooral over de desbetreffende jurisprudentie in de diverse verdragsluitende Staten, waardoor de eenheid in de uitlegging van het Verdrag zeer sterk zal worden bevorderd. In het Protocol is niet bepaald dat het Comité regelmatig bijeenkomt. Krachtens artikel 4, lid 1, wordt er slechts vergaderd op verzoek van een verdragsluitende partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband zij erop gewezen dat vertegenwoordigers in het Permanent Comité kunnen worden aangewezen niet alleen door de Staten die reeds partij zijn bij het Verdrag (door middel van bekrachtiging dan wel door toetreding), maar ook door Staten die wel hebben ondertekend doch nog geen partij zijn. De reden hiervoor is dat een onderscheid tussen ondertekenende en verdragsluitende Staten tot de conclusie zou kunnen leiden dat een aantal Staten het Verdrag van Lugano heeft ondertekend zonder de intentie het te bekrachtigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de samenstelling van het Permanent Comité liepen de meningen uiteen : moest het uit rechters of uit ambtenaren bestaan ? Besloten werd elke Staat vrij te laten in de keuze van zijn vertegenwoordigers in het Comité. Het is dus mogelijk dat sommige Staten rechters delegeren, terwijl andere ambtenaren of personen uit andere sectoren benoemen. Uiteraard beslist elke Staat vrij hoe en voor hoelang iemand als zijn vertegenwoordiger in het Permanent Comité zitting neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de band tussen het Verdrag van Lugano en het Verdrag van Brussel bepaalt lid 3 van dit artikel dat vertegenwoordigers van de Europese Gemeenschappen (Commissie, Hof van Justitie en Secretariaat-generaal van de Raad) alsook van de EVA, als waarnemer aan de vergaderingen van het Comité kunnen deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het comité zelf stelt in voorkomend geval zijn intern reglement vast. 6. Artikel 4 119.Lid 1 van dit artikel handelt over de bijeenroeping en de bevoegdheden van het permanent comité. Zoals hierboven vermeld, wordt het Comité op verzoek van een verdragsluitende partij bijeengeroepen om van gedachten te wisselen over de werking van het Verdrag. In dit verband zij erop gewezen dat een Staat die het Verdrag slechts ondertekend heeft en nog geen partij is, het comité niet kan laten bijeenroepen, ook al bepaalt artikel 3, lid 2, dat het comité samengesteld is uit vertegenwoordigers van elke ondertekenende of toetredende Staat. De bijeenroeping van het comité is aan de depositaris van het Verdrag toevertrouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwesties inzake de werking van het Verdrag waarvoor de depositaris op verzoek van een verdragsluitende Staat het comité moet bijeenroepen, zijn niet aan beperkingen gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de opzet van het Protocol bepaalt artikel 4 dat het comité met name kan worden bijeengeroepen voor overleg over de ontwikkeling van de overeenkomstig artikel 2, lid 1, eerste streepje, medegedeelde jurisprudentie. Doel van deze bepaling is echter niet het comité de rol toe te bedelen van een hoger orgaan voor de toetsing van beslissingen van nationale gerechten. Het comité heeft veeleer tot taak deze beslissingen te bestuderen om verschillen in interpretatie op te sporen en de eenheid in de uitlegging van het Verdrag zoveel mogelijk te bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 57, lid 1, bepaalt dat het Verdrag onverlet laat de verdragen waarbij de verdragsluitende Staten partij zijn of zullen zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen. Krachtens Protocol nr. 3 worden de bepalingen betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning of de tenuitvoerlegging van beslissingen, welke bepalingen in besluiten van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen zijn of zullen worden vervat, op gelijke voet gesteld met de in artikel 57, lid 1, bedoelde verdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalingen die voor bijzondere onderwerpen de bevoegdheid regelen kunnen, ongeacht of zij in een verdrag dan wel in;een besluit van de Gemeenschappen vervat zijn, neerkomen op een wijziging van de bevoegdheidsregels van het Verdrag zonder de instemming van alle verdragsluitende partijen. Daarom bepaalt lid 1 van artikel 4 van het Protocol ook nog dat het comité bijeengeroepen wordt om van gedachten te wisselen over de toepassing van artikel 57 van het Verdrag. Punt 2 van Protocol nr. 3 voorziet in een soortgelijke procedure voor Gemeenschapsbesluiten. Het comité zal dus een forum zijn waar standpunten kunnen worden uitgewisseld over met name nieuwe of voorgenomen bevoegdheidsregels voor bijzondere onderwerpen in Gemeenschapsbesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van die gedachtenwisselingen kan een wijziging van het Verdrag wenselijk lijken. Bij voorbeeld wanneer het comité bij de bestudering van de overeenkomstig artikel 2 meegedeelde jurisprudentie op verschillen in uitlegging zou stuiten die het gevolg zijn van onnauwkeurigheden in een of meer bepalingen van het Verdrag. Daarom bepaalt lid 2 van artikel 4 dat het comité ook kan nagaan of het wenselijk is het Verdrag op bepaalde punten te herzien en dat het aanbevelingen kan doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheid van het comité mag niet verward worden met het recht van elke verdragsluitende Staat uit hoofde van artikel 66 van het Verdrag herziening te vragen. De bevoegdheid en de procedure volgens artikel 66 verschillen radicaal van die waarin lid 2 van artikel 4 van het Protocol voorziet. Een aanbeveling van het comité kan niet worden gelijkgesteld met een verzoek van een verdragsluitende Staat krachtens artikel 66 van het Verdrag om bijeenroeping van een herzieningsconferentie. Alleen een verdragsluitende Staat, niet het comité, kan de depositaris van het Verdrag om de bijeenroeping van een herzieningsconferentie verzoeken. Het recht van een verdragsluitende Staat om een herziening van het Verdrag aan te vragen is even min afhankelijk van een aanbeveling van het comité.</p>\n<p class=\"lf-p\">PROTOCOL Nr. 3 BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 57 120. Dit Protocol wil ingaan tegen mogelijke problemen met bepalingen in Gemeenschapsbesluiten over de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen.1° Bezwaren van de Staten die partij zijn bij het Verdrag van Lugano 121.Zowel de Lid-Staten van de Gemeenschappen als die van de EVA hadden volstrekt gefundeerde bezwaren, die zij fel verwoorden met betrekking tot de communautaire besluiten en dit om de volgende redenen : a) ten aanzien van de Lid-Staten van de Gemeenschap, omdat zij in zekere zin een dubbele status hebben.Het zijn soevereine Staten die echter tevens lid zijn van de Gemeenschappen en dus als zodanig gehouden tot nakoming van hun verplichtingen krachtens de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen (EGKS, EEG en Euratom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens deze Verdragen ligt het op de weg van de Raad om, naar gelang van de behoeften van de Gemeenschappen, verordeningen en richtlijnen aan te nemen die voor bijzondere onderwerpen eventueel betrekking kunnen hebben op de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen (10).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bezwaar van deze Staten berustte op drie intenties : - de verplichtingen na te leven die zij zijn aangegaan toen zij partij werden bij de Verdragen tot oprichting van de Gemeenschappen; - de ontwikkelingen in het kader van de oprichtingsverdragen waarvoor de communautaire Instellingen bevoegd zijn, niet te belemmeren; - de verplichtingen na te komen die met het Verdrag van Lugano tegenover de EVA-Staten zijn aangegaan. b) ten aanzien van de EVA-Staten, omdat zij vreesden dat de hun bij het Verdrag van Lugano geboden waarborgen inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op bepaalde punten praktisch ongedaan kunnen worden gemaakt door een besluit van de Gemeenschap.Met name spraken de vertegenwoordigers van de EVA-Staten de vrees uit dat de bescherming die het Verdrag van Lugano (vooral artikel 3) verleent aan verweerders met woonplaats in een EVA-Staat via een Gemeenschapsbesluit ondermijnd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verweerders zouden dus anders behandeld kunnen worden dan verweerders met woonplaats in een EEG-Lid-Staat of zouden zelfs in dezelfde situatie als verweerders met woonplaats in derde Staten terecht kunnen komen. Zo konden de vertegenwoordigers van deze Staten onmogelijk voetstoots aanvaarden dat iemand met woonplaats op het grondgebied van een EVA-Staat (b.v. Noorwegen) opgeroepen zou kunnen worden voor de gerechten van een EEG-Lid-Staat (b.v. Frankrijk), op grond van een besluit van de Gemeenschap dat zij niet mede hebben opgesteld en op een bevoegdheidsgrond die niet in het Verdrag van Lugano voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor die Staten was het hoe dan ook onaanvaardbaar dat een op een dergelijke bevoegdheidsregel gebaseerde beslissing krachtens het Verdrag van Lugano op hun grondgebied kan worden erkend en ten uitvoer kan worden gelegd. Deze bezwaren leken even gegrond als die van de Lid-Staten van de Gemeenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, de EVA-Staten hadden de inlassing in communautaire besluiten, zonder correctieregeling, van regels inzake de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen kunnen beschouwen als een vrijbrief voor de Lid-Staten van de Gemeenschappen om het Verdrag van Lugano unilateraal te wijzigen. 2° Antwoord op de bezwaren 122.Voor de opstellers van het Verdrag kwam het erop aan al deze bezwaren, die alle even gefundeerd waren, te beantwoorden en een voor alle verdragsluitende partijen aanvaardbare regeling te treffen. Nu het probleem is opgelost, zullen wij twee vragen trachten te beantwoorden : Waarom kon het probleem worden opgelost ? En hoe kon het worden opgelost ? Een antwoord kon worden gevonden omdat beide partijen ervan overtuigd waren of althans ten volle beseften dat het probleem ondanks de moeilijkheden overeenkomstig de beginselen van het internationaal publiekrecht kon en moest worden opgelost, zulks gelet op de fundamentele doelstellingen van het Verdrag van Lugano, namelijk de toekenning van garanties aan de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, naast het vrije verkeer van beslissingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is bij de bespreking gebleken dat het probleem, ook al was het theoretisch duidelijk gesteld, in de praktijk slechts een zeer beperkte draagwijdte had; zo beklemtoonden de EEG-Lid-Staten dat de Gemeenschappen in 30 jaar tijd geen enkel besluit met bepalingen over de rechterlijke bevoegdheid hebben aangenomen. Er zij echter opgemerkt dat thans gewerkt wordt aan een ontwerp-verordening over het Gemeenschapsmerk, die wel dergelijke bevoegdheidsregels bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts lieten sommige Lid-Staten van de Gemeenschap duidelijk verstaan dat zij er om praktische redenen niets voor voelden, in communautaire besluiten bepalingen over de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op te nemen. Volgens hen moet deze materie geregeld worden in het Verdrag van Brussel, zelfs indien dit hiervoor moet worden herzien, gewijzigd of aangevuld; voor de rechtspraktijk (advocaten, magistraten enz.) is dit Verdrag immers een communautair wetboek dat grote bekendheid begint te genieten. De versnippering van dergelijke voorschriften over tal van communautaire instrumenten zou de draagwijdte van dit wetboek inperken en de toepassing ervan bemoeilijken. Volgens deze EEG-Lid-Staten, die de mogelijke betekenis ter zake van communautaire besluiten niet miskennen, mag in casu slechts zeer uitzonderlijk gebruik worden gemaakt van die instrumenten. 3° De oplossing 123.Hoe kon het vraagstuk worden opgelost ? De oplossing is vervat in Protocol nr. 3 en in de aanvullende Verklaring van de Lid-Staten van de Gemeenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is nu de oplossing die beide partijen voldoening kon schenken Protocol nr. 3 en de aanvullende Verklaring vormen één geheel. a) Protocol nr.3 124. In punt 1 van Protocol nr.3 worden voor de toepassing van het Verdrag van Lugano de communautaire besluiten gelijkgesteld met de verdragen over bijzondere onderwerpen, waarvan de invloed op het Verdrag van Lugano in artikel 57 wordt geregeld (zie de nummers 79 tot en met 83). Volgens de vertegenwoordigers van de Lid-Staten van de Gemeenschappen is er, behalve in de wijze van opstelling, geen verschil tussen de twee soorten instrumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband merkten zij op dat, indien EVA-Staten bereid waren te aanvaarden dat de Staten die partij zijn bij het Verdrag van Lugano, de bepalingen van dit Verdrag kunnen wijzigen door middel van verdragen over bijzondere onderwerpen (vervoer enz.), zij ook zouden kunnen aanvaarden dat het Verdrag door besluiten van de Gemeenschappen gewijzigd wordt. Ook wezen zij erop dat de goedkeuring van een communautair besluit in beginsel de instemming van de twaalf Lid-Staten vereist, terwijl een verdrag over bijzondere onderwerpen, met regels die afwijken van het Verdrag van Lugano, reeds tussen twee Staten tot stand kan komen. Volgens hen is er dus geen fundamenteel verschil tussen de twee soorten instrumenten : verdragen over bijzondere onderwerpen en besluiten van de Gemeenschappen.</p></div>", "next": 239062}