{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Artikel 36duodecies/8. § 1. Een inrichtende macht die een procedure overweegt die zou kunnen leiden tot een \"negatieve\" evaluatie van een vakbondsafgevaardigde in het kader van de procedure die is voorzien in deze afdeling, moet de vakbondsafvaardiging, indien deze uit meerdere afgevaardigden bestaat, alsook de vakbondsorganisatie die de afgevaardigde heeft aangesteld, hiervan op voorhand op de hoogte brengen, op straffe van nietigheid. Deze kennisgeving gebeurt per aangetekende brief die van kracht wordt op de 3e werkdag na de datum van verzending. § 2. De betrokken vakbondsorganisatie beschikt over een periode van 10 dagen om de inrichtende macht overeenkomstig artikel 36duodecies/1, § 2 met kopie aan de voorzitter van het bevoegde Centraal Paritair Comité, te laten weten dat ze van mening is dat de beoogde maatregel is ingegeven door redenen eigen aan de uitoefening van het syndicaal mandaat, en kan vragen dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij een verzoeningsbureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode van 10 dagen gaat in op de dag waarop de aangetekende brief van de inrichtende macht van kracht wordt. De periode van 10 dagen wordt echter opgeschort van 15 juli tot 15 augustus. § 3. Als de betrokken vakbondsorganisatie niet binnen de toegestane termijn reageert, betekent dit dat ze van mening is dat de beoogde maatregel niet is ingegeven door redenen eigen aan de uitoefening van het syndicaal mandaat. § 4. Na het verstrijken van de periode van 10 dagen kan de inrichtende macht de procedure voor het toekennen van een \"negatieve\" evaluatie voortzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 36duodecies/9. - In het kader van de in deze afdeling bedoelde gesprekken en evaluaties moeten het personeelslid en zijn beoordelaar de volgende verplichtingen nakomen: a) discretie;b) wederzijds respect. Bovendien moet de beoordelaar: a) hun instructies/advies/uitwisselingen met het personeelslid en zijn positieve of negatieve evaluatie op een gepaste en constructieve manier motiveren;b) het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;c) de plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen.\" Art. 53.In artikel 44sexies van hetzelfde decreet wordt een als volgt opgestelde paragraaf 6 ingevoegd: \" § 6. Coördinatoren van centra voor gevorderde technologieën die vast zijn benoemd, worden geëvalueerd overeenkomstig de bepalingen van afdeling II van Hoofdstuk Vbis van deze titel, die mutatis mutandis van toepassing zijn. \" Art. 54.In artikel 44decies/2 van hetzelfde decreet wordt een als volgt opgesteld lid 3 ingevoegd: \"Coördinatoren van territoriale polen die vast zijn benoemd, worden geëvalueerd overeenkomstig de bepalingen van afdeling II van Hoofdstuk Vbis van deze titel, die mutatis mutandis van toepassing zijn. \" Art. 55.Aan artikel 52quinquies van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht aan § 1: 1° in lid 1 worden de woorden \"en 5 § 3, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/02/1999 numac 1999029087 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten sluiten\" vervangen door de woorden \"en 5 § 3 van het decreet van 4 januari 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/02/1999 numac 1999029087 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten sluiten\";2° in lid 3 worden de woorden \"Met uitzondering van afdeling Iter met betrekking tot de opdrachtbrief,\" opgeheven. Art. 56.Het opschrift van afdeling 2 van Hoofdstuk Vbis van hetzelfde decreet wordt vervangen door: \"Afdeling II. - Over het evaluatiemechanisme\" Art. 57.Artikel 52novies, lid 2 van hetzelfde decreet wordt opgeheven. Art. 58.De volgende bepalingen worden ingevoegd in afdeling 2 van Hoofdstuk Vbis van hetzelfde decreet: \"Artikel 52novies/1. - § 1. Voor vast benoemde personeelsleden is de in deze afdeling bedoelde inrichtende macht de instantie die de benoemingsbevoegdheid uitoefent. § 2. In deze afdeling gebeuren kennisgevingen van documenten, beslissingen of oproepingen per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of persoonlijk met ontvangstbevestiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52novies\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52novies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/2. - § 1. Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden. § 2. Elke eerste evaluatie moet worden voorafgegaan door een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek zoals bedoeld in afdeling 4 van Hoofdstuk 9 van titel I van boek 6 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, in afdeling 4 van hoofdstuk Ibis van het decreet van 30 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/09/1998 numac 1998029350 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/1998 numac 1998029332 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie sluiten betreffende de vorming tijdens de loopbaan en het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van de beroepscompetenties van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie, of in afdeling 4 van hoofdstuk Ibis van het decreet van 15 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/07/1999 numac 1999029340 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het onderwijzend hulppersoneel van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten betreffende de vorming tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. § 3. Ten vroegste zes maanden nadat dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties aan het personeelslid werd meegedeeld, en voor zover het afrondingsgesprek heeft plaatsgevonden dat wordt bedoeld in artikel 6.1.9-9, § 5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, in artikel 8.9, § 5 van het decreet van 30 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/09/1998 numac 1998029350 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/1998 numac 1998029332 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie sluiten betreffende de vorming tijdens de loopbaan en het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van de beroepscompetenties van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel en van de deskundigen in het onderwijs voor sociale promotie, en in artikel 8/8, § 5 van het decreet van 15 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/07/1999 numac 1999029340 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het onderwijzend hulppersoneel van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten betreffende de vorming tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, stelt de directeur in geval van manifeste onwil ten aanzien van het genoemde plan of van manifest en herhaald onvermogen om de doelstellingen te bereiken die in het kader van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties samen met het personeelslid werden bepaald, een gemotiveerd rapport op ten behoeve van de inrichtende macht zodat die laatste het personeelslid kan evalueren. § 4. Voor de berekening van de voornoemde periode van 6 maanden wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52novies</span><span class=\"lf-art-t\">/3. - § 1. Deze evaluatie wordt uitgevoerd door de inrichtende macht op basis van het rapport van de directeur, zoals bedoeld in artikel 52novies/2, § 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om de evaluatie uit te voeren, moet de inrichtende macht aan een van de volgende voorwaarden voldoen: a. Ofwel wordt een lid van de inrichtende macht hiertoe opgeleid via de vorming bedoeld in artikel 132 van het decreet van XXX betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van de beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel;b. Ofwel is een lid van de inrichtende macht een deskundige op het gebied van pedagogie of human resources;c. Ofwel laat de inrichtende macht zich bijstaan door een deskundige op het gebied van pedagogie of human resources. § 2. Het personeelslid moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht het positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. § 3. Na afloop van deze evaluatie stelt de inrichtende macht een evaluatierapport op, waarin de evaluatie de volgende kan zijn: \"positief\" of \"negatief\". De evaluatie wordt geformaliseerd in het in artikel 52novies/5 bedoelde document en ter kennis van het personeelslid gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen: - in het rapport van de directeur; - in het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties; - van het evaluatiegesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen evaluatierapport is, wordt elk personeelslid geacht een \"positieve\" evaluatie te hebben gekregen. § 4. In geval van een \"negatieve\" evaluatie wordt een gesprek gepland tussen enerzijds de inrichtende macht en/of de directeur aan wie de inrichtende macht delegatie verleent en anderzijds het personeelslid, om een nieuw individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Dit plan bepaalt de doelstellingen die het personeelslid moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52novies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/4. § 1. Als het personeelslid zijn ambt minstens zes maanden heeft kunnen uitoefenen na het individuele begeleidingsplan te hebben ontvangen dat tijdens de vorige negatieve evaluatie werd overeengekomen, kan er een nieuwe evaluatie plaatsvinden Deze periode moet het personeelslid in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een \"negatieve\" evaluatie moet de volgende evaluatie plaatsvinden binnen maximaal twee jaar na de mededeling van het individuele begeleidingsplan dat werd opgesteld naar aanleiding van de vorige evaluatie. Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het vorige lid kan de volgende evaluatie binnen een langere periode plaatsvinden als het individuele begeleidingsplan wordt verlengd zoals bedoeld in paragraaf 3. § 2. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de evaluatie die volgt op de toekenning van een definitieve \"negatieve\" evaluatie, stelt de inrichtende macht een evaluatierapport op dat resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie of, in geval van onderlinge overeenstemming tussen het personeelslid en de inrichtende macht, in een verlenging van het individuele begeleidingsplan. Het evaluatierapport wordt geformaliseerd in het in artikel 52novies/5 bedoelde document en ter kennis van het personeelslid gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal 3 maanden en maximaal één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht het positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. § 4. Als er geen evaluatierapport is, wordt elk personeelslid geacht een \"positieve\" evaluatie te hebben gekregen. § 5. Ingeval het individuele begeleidingsplan wordt verlengd, wordt een gesprek gepland tussen enerzijds de inrichtende macht en/of de directeur aan wie de inrichtende macht delegatie verleent en anderzijds het personeelslid, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Het bevat de doelstellingen van het vorige individuele begeleidingsplan die het personeelslid moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. § 6. Na een verlenging van het individuele begeleidingsplan vindt er een nieuwe evaluatie plaats binnen een periode van minimaal drie maanden en maximaal één jaar waarin het personeelslid zijn ambt uitoefent, vanaf de datum waarop het personeelslid op de hoogte is gebracht van het individuele begeleidingsplan dat werd overeengekomen tijdens de vorige evaluatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze periode moet het personeelslid in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn. § 7. Voor de berekening van de voornoemde periodes van drie maanden en één jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. § 8. Het evaluatierapport na een verlenging van het individuele begeleidingsplan wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie, wordt geformaliseerd in het document bedoeld in artikel 52novies/5, en wordt ter kennis gebracht van het personeelslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht het positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52novies</span><span class=\"lf-art-t\">/5. De regering legt het model vast van het rapport van de directie voor de inrichtende macht, van het individuele begeleidingsplan en van het evaluatierapport</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52novies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/6. De herhaling van twee opeenvolgende \"negatieve\" evaluaties over twee verschillende schooljaren, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 52novies/7, heeft als gevolg dat de dienst ambtshalve wordt beëindigd, overeenkomstig artikel 58</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52novies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/7. - § 1. Het personeelslid dat een \"negatieve\" evaluatie krijgt, kan binnen de tien werkdagen na ontvangst van dit rapport beroep instellen bij de Kamer van beroep, zoals bedoeld in hoofdstuk X. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn recht op beroep, stelt zijn inrichtende macht hiervan onmiddellijk in kennis Dit beroep werkt opschortend. § 2. Wanneer de negatieve evaluatie volledig of gedeeltelijk verband houdt met een doelstelling die betrekking heeft op de pedagogische bekwaamheid van het personeelslid, kan de Kamer van beroep een beroep doen op de Algemene Inspectiedienst in zijn hoedanigheid van deskundige voor technische aspecten die verband houden met de disciplinaire en/of didactische dimensies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Voorzitter van de kamer nodigt dan een vertegenwoordiger van de Algemene Inspectiedienst uit, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een of meer leden, hetzij op verzoek van het personeelslid op wie het beroep betrekking heeft. § 3. Tijdens het verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan door een advocaat of een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het verhoor worden notulen opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure wordt rechtsgeldig voortgezet als het naar behoren opgeroepen personeelslid het verhoor niet bijwoont. § 4. Het advies wordt verstrekt na een geheime stemming. Ingeval het advies unaniem of met een gewone meerderheid van stemmen plus één wordt verstrekt, is het advies van de Kamer van beroep bindend. Alleen bij gelijkheid van stemmen beslist de voorzitter. In dit geval is het advies van de Kamer van beroep niet bindend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van beroep bezorgt haar advies aan de inrichtende macht binnen de 45 dagen na de datum van ontvangst van het beroep. Het advies van de Kamer van beroep moet op basis van de haar voorgelegde elementen aangeven of de positieve of negatieve evaluatie van het personeelslid al dan niet verantwoord is. In het advies van de Kamer van beroep wordt geen alternatief voorgesteld voor de beslissing van de inrichtende macht. § 5. De inrichtende macht neemt haar beslissing binnen de 30 dagen na ontvangst van het in het vorige lid bedoelde advies en stelt de Kamer van beroep en het personeelslid in kennis van haar beslissing. In voorkomend geval geeft de inrichtende macht de redenen aan waarom het advies van de Kamer van beroep niet is gevolgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52novies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/8. - Een inrichtende macht die een procedure overweegt die zou kunnen leiden tot een \"negatieve\" evaluatie van een vakbondsafgevaardigde in het kader van de procedure die is voorzien in deze afdeling, moet de vakbondsafvaardiging, indien deze uit meerdere afgevaardigden bestaat, alsook de vakbondsorganisatie die de afgevaardigde heeft aangesteld, hiervan op voorhand op de hoogte brengen, op straffe van nietigheid. Deze kennisgeving gebeurt per aangetekende brief die van kracht wordt op de 3e werkdag na de datum van verzending. § 2. De betrokken vakbondsorganisatie beschikt over een periode van 10 dagen om de inrichtende macht per aangetekende brief, met kopie aan de voorzitter van het bevoegde Centraal Paritair Comité, te laten weten dat ze van mening is dat de beoogde maatregel is ingegeven door redenen eigen aan de uitoefening van het syndicaal mandaat, en kan vragen dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij een verzoeningsbureau De periode van 10 dagen gaat in op de dag waarop de aangetekende brief van de inrichtende macht van kracht wordt. De periode van 10 dagen wordt echter opgeschort van 15 juli tot 15 augustus. § 3. Als de betrokken vakbondsorganisatie niet binnen de toegestane termijn reageert, betekent dit dat ze van mening is dat de beoogde maatregel niet is ingegeven door redenen eigen aan de uitoefening van het syndicaal mandaat. § 4. Na het verstrijken van de periode van 10 dagen kan de inrichtende macht de procedure voor het toekennen van een \"negatieve\" evaluatie voortzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52novies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/9. - In het kader van de in deze afdeling bedoelde gesprekken en evaluaties moeten het personeelslid en zijn beoordelaar de volgende verplichtingen nakomen: a) discretie;b) wederzijds respect. Bovendien moet de beoordelaar: a) hun instructies/advies/uitwisselingen met het personeelslid en zijn positieve of negatieve evaluatie op een gepaste en constructieve manier motiveren;b) het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;c) de plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen.\" Art. 59.Artikelen 52decies tot 52duodecies van hetzelfde decreet worden opgeheven. Art. 60.In artikel 52quaterdecies van hetzelfde decreet worden de woorden \"52terdecies\" vervangen door de woorden: \"52octies/1 en artikel 52terdecies\". Art. 61.In artikel 58 van hetzelfde decreet wordt een als volgt opgesteld punt 11° ingevoegd: \"11° na de toekenning van een \"negatieve\" evaluatie die werd voorafgegaan door een negatieve evaluatie, over 2 verschillende schooljaren, die definitief werden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikelen 36duodecies/7 en 52novies/7. \" HOOFDSTUK 6. - bepalingen tot wijziging van het decreet van 4 januari 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/02/1999 numac 1999029087 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten sluiten betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten Art. 62.In artikel 28bis, § 1 van het decreet van 4 januari 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/02/1999 numac 1999029087 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten sluiten betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten, worden de woorden \"in artikel 4, 3° \" vervangen door de woorden \"in artikel 4, § 1, 3° en 4° \". Art. 63.De woorden \"Afdeling II. - Over de formatieve evaluatie\" worden vervangen door de woorden \"Afdeling II. - Over de evaluatie van personeelsleden. \" Art. 64.Artikel 28septies van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt: \"Artikel 28septies.Hoofdstuk VIIIbis met betrekking tot de evaluatie van personeelsleden van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, is van toepassing op de in artikel 28bis van dit decreet bedoelde personeelsleden. \" Art. 65.Artikel 28octies van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt: \"Artikel 28octies.Voor de in artikel 28bis van hetzelfde decreet bedoelde personeelsleden moet er voor zover mogelijk één keer per jaar een gesprek over professionele ontwikkeling plaatsvinden, en minstens één keer om de drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gesprek over professionele ontwikkeling is gebaseerd op: - de opdrachtbrief; - de beroepscompetenties die in de sollicitatieoproep worden genoemd; - de uitvoering van de doelstellingenovereenkomst. \" Art. 66.Artikel 28novies van dit decreet wordt opgeheven. HOOFDSTUK 7. - bepalingen tot wijziging van het decreet van 10 maart 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/03/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/05/2006 numac 2006029068 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst sluiten betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst Art. 67.In artikel 24, § 1 van het decreet van 10 maart 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/03/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/05/2006 numac 2006029068 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst sluiten betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst, wordt een als volgt opgesteld nieuw lid 3 ingevoegd: \"De toekenning van een eerste definitieve \"negatieve\" evaluatie in het kader van de evaluatie bedoeld in afdeling V van dit hoofdstuk, staat gelijk aan een \"negatief\" rapport voorafgaand aan de classificatie als prioritaire tijdelijke. \" Art. 68.In artikel 31, § 1 van hetzelfde decreet wordt een als volgt opgesteld lid 5 ingevoegd: \"De toekenning van een eerste definitieve \"negatieve\" evaluatie in het kader van de evaluatie bedoeld in afdeling V van dit hoofdstuk, staat gelijk aan een \"negatief\" rapport voorafgaand aan de benoeming. Per schooljaar mag het personeelslid niet zowel positief of negatief worden geëvalueerd in het kader van de evaluatie bedoeld in afdeling V van dit hoofdstuk, als een evaluatierapport krijgen voorafgaand aan de vaste benoeming, zoals bedoeld in de vorige paragraaf. \" Art. 69.Na afdeling IV van hoofdstuk III van titel I van hetzelfde decreet wordt een nieuwe afdeling V ingevoegd, met als opschrift: \"Afdeling V - Over het evaluatiemechanisme\" Art. 70.De volgende bepalingen worden ingevoegd in de voornoemde afdeling V van hetzelfde decreet: \"Artikel 36/1.- § 1. In deze afdeling moet er voor de tijdelijke personeelsleden onder \"inrichtende macht\" de in artikel 19 bedoelde instanties worden verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor vaste personeelsleden is de in deze afdeling bedoelde inrichtende macht de instantie die de benoemingsbevoegdheid uitoefent. § 2. In deze afdeling gebeuren kennisgevingen van documenten, beslissingen of oproepingen per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of persoonlijk met ontvangstbevestiging. Artikel 36/2.- § 1. Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden. § 2. Met uitzondering van de evaluatie voorafgaand aan de vaste benoeming, moet de evaluatie worden voorafgegaan door een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties zoals bedoeld in afdeling 3 van Hoofdstuk 9 van titel I van boek 6 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, en een afrondingsgesprek. § 3. Ten vroegste zes maanden nadat dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties aan het personeelslid werd meegedeeld, en voor zover het afrondingsgesprek heeft plaatsgevonden dat wordt bedoeld in artikel 6.1.9-7, § 5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, in artikel 8.7, § 5 van het decreet van 30 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/09/1998 numac 1998029350 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/1998 numac 1998029332 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie sluiten betreffende de vorming tijdens de loopbaan en het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van de beroepscompetenties van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel en van de deskundigen in het onderwijs voor sociale promotie, en in artikel 8/6, § 5 van het decreet van 15 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/07/1999 numac 1999029340 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het onderwijzend hulppersoneel van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten betreffende de vorming tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, stelt de directeur in geval van manifeste onwil ten aanzien van het genoemde plan of van manifest en herhaald onvermogen om de doelstellingen te bereiken die in het kader van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties samen met het personeelslid werden bepaald, een gemotiveerd rapport op ten behoeve van de inrichtende macht zodat die laatste het personeelslid kan evalueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de voornoemde periode van zes maanden wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. Artikel 36/3.- § 1. Deze evaluatie wordt uitgevoerd door de inrichtende macht op basis van het rapport van de directeur, zoals bedoeld in artikel 36/2, § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de evaluatie uit te voeren, moet de inrichtende macht aan een van de volgende voorwaarden voldoen: a. Ofwel wordt een lid van de inrichtende macht hiertoe opgeleid via de vorming bedoeld in artikel 132 van het decreet van XXX betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van de beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel;b. Ofwel is een lid van de inrichtende macht een deskundige op het gebied van pedagogie of human resources;c. Ofwel laat de inrichtende macht zich bijstaan door een deskundige op het gebied van pedagogie of human resources. § 2. Het personeelslid moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht het positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. § 3. Na afloop van de evaluatie stelt de inrichtende macht een evaluatierapport op dat resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie, dat wordt geformaliseerd in het document bedoeld in artikel 36/5, en dat ter kennis wordt gebracht van het personeelslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen: - in het rapport van de directeur; - in het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties; - van het evaluatiegesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen evaluatierapport is, wordt elk personeelslid geacht een \"positieve\" evaluatie te hebben gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het evaluatierapport heeft uitsluitend betrekking op de vormingsactiviteiten, de houding, het voorkomen en het verantwoordelijkheidsgevoel. Het neemt de inhoud van een eventueel individueel inspectierapport over pedagogische bekwaamheid over. § 4. In geval van een \"negatieve\" evaluatie wordt vervolgens een gesprek gepland tussen enerzijds de inrichtende macht en/of de directeur aan wie de inrichtende macht delegatie verleent en anderzijds het personeelslid, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Dit plan bepaalt de doelstellingen die het personeelslid moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal 4 doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. Artikel 36/4.- § 1. Als het personeelslid zijn ambt minstens zes maanden heeft kunnen uitoefenen na het individuele begeleidingsplan te hebben ontvangen dat tijdens de vorige negatieve evaluatie werd overeengekomen, kan er een nieuwe evaluatie plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze periode moet het personeelslid in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een \"negatieve\" evaluatie moet de volgende evaluatie plaatsvinden binnen maximaal twee jaar na de mededeling van het individuele begeleidingsplan dat werd opgesteld naar aanleiding van de vorige evaluatie. Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het vorige lid kan de volgende evaluatie binnen een langere periode plaatsvinden als het individuele begeleidingsplan wordt verlengd zoals bedoeld in paragraaf 3. § 2. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de evaluatie die volgt op de toekenning van een \"negatieve\" evaluatie, stelt de inrichtende macht een evaluatierapport op dat resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie of, in geval van onderlinge overeenstemming tussen het personeelslid en de Inrichtende macht, in een verlenging van het individuele begeleidingsplan. Het evaluatierapport wordt geformaliseerd in het in artikel 36/5 bedoelde document en ter kennis van het personeelslid gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal 3 maanden en maximaal één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen evaluatierapport is, wordt elk personeelslid geacht een \"positieve\" evaluatie te hebben gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht het positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. § 4. Ingeval het individuele begeleidingsplan wordt verlengd, wordt een gesprek gepland tussen enerzijds de inrichtende macht en/of de directeur aan wie de inrichtende macht delegatie verleent en anderzijds het personeelslid, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Het bevat de doelstellingen van het vorige individuele begeleidingsplan die het personeelslid moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal 4 doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. § 5. Na een verlenging van het individuele begeleidingsplan vindt er een nieuwe evaluatie plaats binnen een periode van minimaal drie maanden en maximaal één jaar waarin het personeelslid zijn ambt uitoefent, vanaf de datum waarop het personeelslid op de hoogte is gebracht van het individuele begeleidingsplan dat werd aangepast naar aanleiding van de verlenging van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze periode moet het personeelslid in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen. § 6. Voor de berekening van de voornoemde periodes van drie maanden en één jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. § 7. Het evaluatierapport na een verlenging van het individuele begeleidingsplan wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie, wordt geformaliseerd in het document bedoeld in artikel 36/5, en wordt ter kennis gebracht van het personeelslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht het positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span><span class=\"lf-art-t\">/5.- De regering legt het model vast van het rapport van de directie voor de inrichtende macht, van het individuele begeleidingsplan en van het evaluatierapport</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/6.- De herhaling van twee opeenvolgende \"negatieve\" evaluaties over twee verschillende schooljaren, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 36/7, heeft als gevolg: a) de ambtshalve beëindiging van de dienst in het betrokken ambt;b) het verlies van voorrang voor elke nieuwe betrekking in het betrokken ambt binnen dezelfde inrichtende macht tijdens hetzelfde schooljaar en in de daaropvolgende schooljaren.Het personeelslid krijgt de voorrang echter terug als het later opnieuw wordt aangeworven door dezelfde inrichtende macht</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/7.- § 1. Het personeelslid dat een \"negatieve\" evaluatie krijgt, kan binnen de tien werkdagen na ontvangst van dit rapport beroep instellen bij de Kamer van beroep, zoals bedoeld in Hoofdstuk V van Titel I. Het personeelslid dat gebruik maakt van zijn recht op beroep, stelt zijn inrichtende macht hiervan onmiddellijk in kennis Dit beroep werkt opschortend. § 2. Wanneer de negatieve evaluatie volledig of gedeeltelijk verband houdt met een doelstelling die betrekking heeft op de pedagogische bekwaamheid van het personeelslid, kan de Kamer van beroep een beroep doen op de Algemene Inspectiedienst in zijn hoedanigheid van deskundige voor technische aspecten die verband houden met de disciplinaire en/of didactische dimensies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter van de Kamer nodigt dan een vertegenwoordiger van de Algemene Inspectiedienst uit, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een of meer leden, hetzij op verzoek van het personeelslid op wie het beroep betrekking heeft. § 3. Tijdens het verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan door een advocaat of een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het verhoor worden notulen opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure wordt rechtsgeldig voortgezet als het naar behoren opgeroepen personeelslid het verhoor niet bijwoont. § 4. Het advies wordt verstrekt na een geheime stemming. Ingeval het advies unaniem of met een gewone meerderheid van stemmen plus één wordt verstrekt, is het advies van de Kamer van beroep bindend. Alleen bij gelijkheid van stemmen beslist de voorzitter. In dit geval is het advies van de Kamer van beroep niet bindend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van beroep bezorgt haar advies aan de inrichtende macht binnen de 45 dagen na de datum van ontvangst van het beroep. Het advies van de Kamer van beroep moet op basis van de haar voorgelegde elementen aangeven of de positieve of negatieve evaluatie van het personeelslid al dan niet verantwoord is. In het advies van de Kamer van beroep wordt geen alternatief voorgesteld voor de beslissing van de Inrichtende macht. § 5. De inrichtende macht neemt haar beslissing binnen de 30 dagen na ontvangst van het in het vorige lid bedoelde advies en stelt de Kamer van beroep en het personeelslid in kennis van haar beslissing. In voorkomend geval geeft de inrichtende macht de redenen aan waarom het advies van de Kamer van beroep niet is gevolgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/8.§ 1. Een inrichtende macht die een procedure overweegt die zou kunnen leiden tot een \"negatieve\" evaluatie van een vakbondsafgevaardigde in het kader van de procedure die is voorzien in deze afdeling V, moet de vakbondsafvaardiging, indien deze uit meerdere afgevaardigden bestaat, alsook de vakbondsorganisatie die de afgevaardigde heeft aangesteld, hiervan op voorhand op de hoogte brengen, op straffe van nietigheid. Deze kennisgeving gebeurt per aangetekende brief die van kracht wordt op de 3e werkdag na de datum van verzending. § 2. De betrokken vakbondsorganisatie beschikt over een periode van 10 dagen om de inrichtende macht per aangetekende brief, met kopie aan de voorzitter van het bevoegde Centraal Paritair Comité, te laten weten dat ze van mening is dat de beoogde maatregel is ingegeven door redenen eigen aan de uitoefening van het syndicaal mandaat, en kan vragen dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij een verzoeningsbureau De periode van 10 dagen gaat in op de dag waarop de aangetekende brief van de inrichtende macht van kracht wordt. De periode van 10 dagen wordt echter opgeschort van 15 juli tot 15 augustus. § 3. Als de betrokken vakbondsorganisatie niet binnen de toegestane termijn reageert, betekent dit dat ze van mening is dat de beoogde maatregel niet is ingegeven door redenen eigen aan de uitoefening van het syndicaal mandaat. § 4. Na het verstrijken van de periode van 10 dagen kan de inrichtende macht de procedure voor het toekennen van een \"negatieve\" evaluatie voortzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/9.- In het kader van de gesprekken en evaluaties moeten het personeelslid en zijn beoordelaar de volgende verplichtingen nakomen: a) discretie;b) wederzijds respect. Bovendien moet de beoordelaar: a) hun instructies/advies/uitwisselingen met het personeelslid en zijn positieve of negatieve evaluatie op een gepaste en constructieve manier motiveren;b) het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;c) de plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen.\" Art. 71.In artikel 110 van hetzelfde decreet wordt een als volgt opgesteld punt 13° ingevoegd: \"13° na de toekenning van twee opeenvolgende \"negatieve\" evaluaties, over 2 verschillende schooljaren, die definitief werden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 36/7. \" Art. 72.In artikel 111 van hetzelfde decreet wordt een als volgt opgesteld punt 14° ingevoegd: \"14° na de toekenning van twee opeenvolgende \"negatieve\" evaluaties, over 2 verschillende schooljaren, die definitief werden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 36/7. \" HOOFDSTUK 8. - bepalingen tot wijziging van het decreet van 2 juni 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/08/2006 numac 2006029100 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de personeelsformatie en het statuut van de kinderverzorgers van de inrichtingen voor gewoon kleuteronderwijs die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd en gesubsidieerd sluiten betreffende de personeelsformatie en het statuut van de kinderverzorgers van de inrichtingen voor gewoon kleuteronderwijs die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd en gesubsidieerd Art. 73.In het decreet van 2 juni 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/08/2006 numac 2006029100 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de personeelsformatie en het statuut van de kinderverzorgers van de inrichtingen voor gewoon kleuteronderwijs die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd en gesubsidieerd sluiten betreffende de personeelsformatie en het statuut van de kinderverzorgers van de inrichtingen voor gewoon kleuteronderwijs die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd en gesubsidieerd, wordt het opschrift van hoofdstuk V van hetzelfde decreet \"Over de beoordeling\" vervangen door hetgeen volgt: \"Evaluatie van vast benoemde of aangeworven kinderverzorgers\" Art. 74.Artikel 46 van hetzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt: \"Artikel 46.Artikelen 121/2 tot 121/24 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, zijn van toepassing op vast benoemde kinderverzorgers die hun ambt uitoefenen in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap. \" Art. 75.In hetzelfde decreet wordt een als volgt opgesteld artikel 46bis ingevoegd: \"Artikel 46bis.Artikelen 47ter tot 47ter/8 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993 zijn van toepassing op vast aangeworven kinderverzorgers die hun ambt uitoefenen in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd vrij onderwijs. \" Art. 76.In hetzelfde decreet wordt een als volgt opgesteld artikel 46ter ingevoegd: \"Artikel 46ter.Artikelen 36duodecies/1 tot 36duodecies/9 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994 zijn van toepassing op vast benoemde kinderverzorgers die hun ambt uitoefenen in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs. \" HOOFDSTUK 9. - Bepalingen tot wijziging van het decreet van 2 februari 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/02/2007 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/05/2007 numac 2007201245 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van het statuut van de directeurs sluiten tot vaststelling van het statuut van de directeurs en directrices in het onderwijs Art. 77.In artikel 33, § 1, lid 2 van het decreet van 2 februari 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/02/2007 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/05/2007 numac 2007201245 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot vaststelling van het statuut van de directeurs sluiten tot vaststelling van het statuut van de directeurs en directrices in het onderwijs, wordt het cijfer \", 6,\" ingevoegd tussen het cijfer \"5bis\" en de woorden \"en 7\". Art. 78.Het opschrift van afdeling III van hoofdstuk I van Titel III van hetzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt: \"Mechanismen voor ondersteuning, ontwikkeling van beroepscompetenties en evaluatie\" Art. 79.Artikel 39 van hetzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt: \"Artikel 39.Deze afdeling is van toepassing op directeurs die vast zijn benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is ook van toepassing op personeelsleden die op tijdelijke basis worden aangesteld in het ambt van directeur voor een periode van één jaar of langer. De benaming \"directeur\" die in deze afdeling wordt gebruikt, heeft ook betrekking op deze personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de inrichtende macht die zijn belast met de evaluatie, hebben toegang tot de vorming bedoeld in artikel 132 van het decreet van XXX betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van de beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichtende macht kan een beroep doen op deskundigen op het gebied van pedagogie of human resources, om de in onderafdeling II bedoelde gesprekken en/of evaluaties uit te voeren. \" Art. 80.Na artikel 39 van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling I ingevoegd in afdeling III van hoofdstuk I van Titel III, met als opschrift: \"Onderafdeling I. Over het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties\". Art. 81.Artikelen 40 en 41 worden als volgt vervangen en ingevoegd in de voornoemde onderafdeling I van hetzelfde decreet: \"Artikel 40 - § 1. Het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties bestaat met name uit gesprekken over professionele ontwikkeling tussen de directeur en zijn inrichtende macht of haar afgevaardigde en uit een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek. Deze gesprekken over professionele ontwikkeling worden georganiseerd op initiatief van de inrichtende macht, maar kunnen ook op elk moment van het jaar worden aangevraagd door de directeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moeten minimaal vijf werkdagen verstrijken tussen de oproeping voor het gesprek over professionele ontwikkeling en de datum van het gesprek over professionele ontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het gesprek over professionele ontwikkeling moet een rapport worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gesprek over professionele ontwikkeling moet voor zover mogelijk één keer per jaar plaatsvinden, en minstens één keer om de drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gesprek over professionele ontwikkeling heeft betrekking op de uitvoering van de opdrachtbrief bedoeld in hoofdstuk III van Titel 1 en op de uitvoering van de doelstellingenovereenkomst, indien een dergelijke overeenkomst bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het gesprek over professionele ontwikkeling wordt rekening gehouden met de algemene context waarin de directeur zal werken, en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit kader houdt de inrichtende macht of haar afgevaardigde rekening met het volgende: a) in het kleuteronderwijs en in het leerplichtonderwijs met de bepalingen betreffende het vormings- en het pedagogisch project van de inrichtende macht, en met het schoolproject bedoeld in titel 5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs;b) in het onderwijs voor sociale promotie met de bepalingen betreffende het pedagogisch project bedoeld in artikel 36ter van het voornoemde decreet van 16 april 1991. § 2. Na het eerste gesprek over professionele ontwikkeling of op verzoek van de inrichtende macht of de directeur wordt een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt opgesteld door de inrichtende macht of haar afgevaardigde in overleg met de directeur. § 3. Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt geformaliseerd in een document dat wordt medeondertekend door de directeur en de inrichtende macht of haar afgevaardigde, zoals bedoeld in artikel 41, en bevat wederzijdse verbintenissen van beide partijen, zoals individuele, specifieke en realistische doelstellingen die zijn afgestemd op de directeur, en de middelen die hem ter beschikking worden gesteld om ze te bereiken. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de in het vorige lid bedoelde plicht tot medeondertekening wordt geacht te zijn voldaan indien de inrichtende macht of haar afgevaardigde bewijs levert dat het verzoek om ondertekening ter kennisneming naar het personeelslid is verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de directeur weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties gewoon voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit document kan in voorkomend geval worden gebruikt als basis voor het opstellen van het in artikel 42 bedoelde evaluatierapport. § 4. De periodiciteit ervan wordt zo aangepast dat de directeur het gegeven advies kan uitvoeren, of de aanbevolen vormingen kan volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom mag er niet meer dan één ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties per schooljaar worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens eenzelfde schooljaar kan er echter ook een individueel begeleidingsplan worden opgesteld voor een personeelslid waarvoor een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties is opgesteld, na een eerste \"negatieve\" evaluatie. § 5. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties kan worden aangepast op initiatief van de inrichtende macht of haar afgevaardigde of op verzoek van de directeur. Deze aanpassingen worden medeondertekend door de directeur en het personeelslid. Als het personeelslid weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet. § 6. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek. Dit gesprek vindt ten vroegste zes maanden en ten laatste twee jaar na de opstelling van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afrondingsgesprek wordt gevoerd door de inrichtende macht of haar afgevaardigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. § 6. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regering stelt het model vast van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties dat als basis kan dienen voor de evaluatie bedoeld in onderafdeling II. \" Art. 83.Na artikel 41 van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling II ingevoegd in afdeling III van hoofdstuk I van Titel III, met als opschrift: \"Onderafdeling II. Over het evaluatiemechanisme\"</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 42 wordt als volgt vervangen en ingevoegd in de voornoemde onderafdeling II van hetzelfde decreet: \"Artikel 42.- § 1. Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden. § 2. Elke eerste evaluatie moet worden voorafgegaan door een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek zoals bedoeld in onderafdeling I. § 3. Ten vroegste zes maanden nadat dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties werd meegedeeld aan de directeur, en voor zover het afrondingsgesprek bedoeld in artikel 40, § 6heeft plaatsgevonden, kan de inrichtende macht in geval van manifeste onwil ten aanzien van het genoemde plan of van manifest en herhaald onvermogen om de doelstellingen te bereiken die in het kader van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties samen met de directeur werden bepaald, overgaan tot een evaluatie ervan Deze periode wordt berekend overeenkomstig artikel 42bis. § 4. De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatie resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie. Ze wordt geformaliseerd in het in artikel 42quinquies bedoelde document en ter kennis van het personeelslid gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen evaluatierapport is, wordt elk personeelslid geacht een \"positieve\" evaluatie te hebben gekregen. § 6. In geval van een \"negatieve\" evaluatie wordt vervolgens een gesprek gepland tussen de directeur en de inrichtende macht of haar afgevaardigde, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen en rekening houdend met het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit plan bepaalt de doelstellingen die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld, voordat een nieuwe evaluatie plaatsvindt. \" Art. 85.De volgende bepalingen worden ingevoegd in de voornoemde onderafdeling II van hetzelfde decreet: \"Artikel 42bis - § 1. Als de directeur zijn ambt minstens zes maanden heeft kunnen uitoefenen na het individuele begeleidingsplan te hebben ontvangen dat tijdens de vorige negatieve evaluatie werd overeengekomen, kan er een nieuwe evaluatie plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een \"negatieve\" evaluatie moet de volgende evaluatie echter plaatsvinden binnen maximaal twee jaar na de mededeling van het individuele begeleidingsplan dat werd opgesteld naar aanleiding van de vorige evaluatie. Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het vorige lid kan de volgende evaluatie binnen een langere periode plaatsvinden als het individuele begeleidingsplan wordt verlengd zoals bedoeld in artikel 42ter. § 2. Voor de berekening van de in § 1 bedoelde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42ter\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42ter</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het evaluatierapport na een eerste definitieve \"negatieve\" evaluatie wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie of, in geval van onderlinge overeenstemming tussen het personeelslid en de Inrichtende macht, in een verlenging van het individuele begeleidingsplan. Het evaluatierapport wordt geformaliseerd in het in artikel 42quinquies bedoelde document en ter kennis van de directeur gebracht Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal drie maanden en maximaal één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. § 2. Ingeval het individuele begeleidingsplan wordt verlengd, wordt een gesprek gepland tussen enerzijds de inrichtende macht en anderzijds de directeur, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Het bevat de doelstellingen van het vorige individuele begeleidingsplan die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal 4 doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. § 3. Nadat het individuele begeleidingsplan is verlengd, vindt er een nieuwe evaluatie plaats binnen een periode van minimaal drie maanden en maximaal één jaar waarin het personeelslid zijn ambt uitoefent, vanaf de datum waarop het personeelslid op de hoogte is gebracht van het individuele begeleidingsplan dat werd aangepast naar aanleiding van de verlenging van het individuele begeleidingsplan. Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn. § 4. Voor de berekening van de in § 4 bedoelde periodes van drie maanden en één jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. § 5. Het evaluatierapport na een verlenging van het individuele begeleidingsplan wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie, wordt geformaliseerd in het document bedoeld in artikel 42quinquies, en wordt ter kennis gebracht van de directeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42quater\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42quater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In geval van een \"negatieve\" evaluatie kan de directeur binnen de 10 werkdagen beroep instellen overeenkomstig de voorwaarden die worden beschreven in artikelen 121/16 tot 121/24 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, en die mutatis mutandis van toepassing zijn. De directeur die gebruik maakt van zijn recht op beroep, stelt zijn inrichtende macht hiervan onmiddellijk in kennis. Dit beroep werkt opschortend. § 2. Er wordt ambtshalve een einde gemaakt aan de dienst van een directeur die twee opeenvolgende \"negatieve\" evaluaties heeft gekregen over twee verschillende schooljaren overeenkomstig artikel 169, lid 1, 5° van het voornoemde koninklijk besluit van 22 maart 1969, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 121/13 van het voornoemde koninklijk besluit van 22 maart 1969</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42quinquies\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42quinquies</span><span class=\"lf-art-t\">De regering legt de modellen vast van het individuele begeleidingsplan en van het evaluatierapport</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42sexies\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42sexies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in deze onderafdeling genoemde kennisgevingen van documenten, beslissingen of oproepingen gebeuren per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of persoonlijk met ontvangstbevestiging. \" Art. 86.Na artikel 42sexies van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling III ingevoegd in afdeling II van hoofdstuk II van Titel III, met als opschrift: \"Onderafdeling III - Over de deontologische regels\"</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 87</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe artikel 42septies wordt ingevoegd in de voornoemde onderafdeling 3 van hetzelfde decreet: \"Artikel 42septies.- In het kader van de in deze afdeling bedoelde gesprekken en evaluaties moeten het personeelslid en zijn beoordelaar de volgende verplichtingen nakomen: a) discretie;b) wederzijds respect. Bovendien moet de beoordelaar: a) hun instructies, advies en uitwisselingen met het personeelslid en zijn positieve of negatieve evaluatie op een gepaste en constructieve manier motiveren;b) het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;c) de plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen.\" Art. 88.Het opschrift van Afdeling III van hoofdstuk II van Titel III van hetzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt: \"Mechanismen voor ondersteuning, ontwikkeling van beroepscompetenties en evaluatie\" Art. 89.Artikel 63 van hetzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt: \"Artikel 63.- De leden van de inrichtende macht die verantwoordelijk zijn voor deze evaluatie, worden ondersteund door de federatie van hun inrichtende macht, die hen met name voorziet van eventuele gespecialiseerde technische expertise. Ze hebben bovendien toegang tot de vorming bedoeld in artikel 132 van het decreet van XXX betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van de beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel De inrichtende macht kan een beroep doen op deskundigen op het gebied van pedagogie of human resources, om de in onderafdeling II bedoelde gesprekken en/of evaluaties uit te voeren. \" Art. 90.Na artikel 63 van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling 1 ingevoegd in afdeling III van hoofdstuk II van Titel III, met als opschrift: \"Onderafdeling 1. Over het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties\". Art. 91.Artikelen 64 en 65 worden als volgt vervangen en ingevoegd in de voornoemde onderafdeling 1 van hetzelfde decreet: \"Artikel 64.§ 1. Het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties bestaat met name uit gesprekken over professionele ontwikkeling tussen de directeur en zijn inrichtende macht en uit een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek. Deze gesprekken over professionele ontwikkeling worden georganiseerd op initiatief van de inrichtende macht, maar kunnen ook worden aangevraagd door de directeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moeten minimaal vijf werkdagen verstrijken tussen de oproeping voor het gesprek over professionele ontwikkeling en de datum van het gesprek over professionele ontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het gesprek over professionele ontwikkeling moet een rapport worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gesprek over professionele ontwikkeling moet voor zover mogelijk één keer per jaar plaatsvinden, en minstens één keer om de drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gesprek over professionele ontwikkeling heeft betrekking op de uitvoering van de opdrachtbrief bedoeld in hoofdstuk III van Titel 1 en op de uitvoering van de doelstellingenovereenkomst, indien een dergelijke overeenkomst bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het gesprek over professionele ontwikkeling wordt rekening gehouden met de algemene context waarin de directeur zal werken, en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit kader houdt de inrichtende macht rekening met het volgende: a) in het kleuteronderwijs en in het leerplichtonderwijs met de bepalingen betreffende het vormings- en het pedagogisch project van de inrichtende macht, en met het schoolproject bedoeld in titel 5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs;b) in het onderwijs voor sociale promotie met de bepalingen betreffende het pedagogisch project bedoeld in artikel 36, § 2 van het voornoemde decreet van 16 april 1991;c) in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan met de bepalingen betreffende het vormings- en het pedagogisch project van de inrichtende macht bedoeld in artikel 1 van het decreet van 2 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/1998 numac 1998029331 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, en met de bepalingen betreffende het pedagogisch en artistiek schoolproject bedoeld in artikel 3bis van hetzelfde decreet. § 2. Na het eerste gesprek over professionele ontwikkeling of op verzoek van de inrichtende macht of de directeur wordt een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt opgesteld door de inrichtende macht in overleg met de directeur. § 3. Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt geformaliseerd in een document dat wordt medeondertekend, zoals bedoeld in artikel 65, en bevat wederzijdse verbintenissen van beide partijen, zoals individuele, specifieke en realistische doelstellingen die zijn afgestemd op de directeur, en de middelen die hem ter beschikking worden gesteld om ze te bereiken. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de in het vorige lid bedoelde plicht tot medeondertekening wordt geacht te zijn voldaan indien de inrichtende macht of haar afgevaardigde bewijs levert dat het verzoek om ondertekening ter kennisneming naar het personeelslid is verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de directeur weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit document kan in voorkomend geval worden gebruikt als basis voor het opstellen van het in artikel 65/1 bedoelde evaluatierapport. § 4. De periodiciteit ervan wordt zo aangepast dat de directeur het gegeven advies kan uitvoeren, of de aanbevolen vormingen kan volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom mag er niet meer dan één ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties per schooljaar per personeelslid worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens eenzelfde schooljaar kan er echter ook een individueel begeleidingsplan worden opgesteld voor een personeelslid waarvoor een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties is opgesteld, na een eerste \"negatieve\" evaluatie. § 5. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties kan worden aangepast op initiatief van de inrichtende macht of op verzoek van de directeur. Deze aanpassingen worden medeondertekend door beide partijen. Als het personeelslid weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet. § 6. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek. Dit gesprek vindt ten vroegste zes maanden en ten laatste twee jaar na de opstelling van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afrondingsgesprek wordt gevoerd door de inrichtende macht of haar afgevaardigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. § 6. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regering stelt het model vast van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties dat als basis kan dienen voor de evaluatie bedoeld in onderafdeling 2. \" Art. 93.Na artikel 65 van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling 2 ingevoegd in afdeling III van hoofdstuk II van Titel III, met als opschrift: \"Onderafdeling 2. Over het evaluatiemechanisme\" Art. 94.De volgende bepalingen worden ingevoegd in de voornoemde onderafdeling 2 van hetzelfde decreet: \"Artikel 65/1.§ 1. In geval van manifeste onwil ten aanzien van het genoemde plan of van manifest en herhaald onvermogen om de doelstellingen te bereiken die in het kader van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties samen met de directeur werden bepaald, kan door de inrichtende macht een evaluatieprocedure worden gestart De evaluatie wordt voorafgegaan door een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties. § 2. Ten vroegste zes maanden nadat dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties werd meegedeeld aan de directeur, en voor zover het afrondingsgesprek bedoeld in artikel 64, § 6 heeft plaatsgevonden, kan de inrichtende macht overgaan tot een evaluatie ervan. Deze periode wordt berekend overeenkomstig artikel 65/2, § 2. § 3. De directeur moet worden gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. § 4. De evaluatie resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie. Ze wordt geformaliseerd in het in artikel 65/5 bedoelde document en ter kennis van het personeelslid gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen evaluatierapport is, wordt elk personeelslid geacht een \"positieve\" evaluatie te hebben gekregen. § 5. In geval van een \"negatieve\" evaluatie wordt vervolgens een gesprek gepland tussen de directeur en de inrichtende macht, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Dit plan bepaalt de doelstellingen die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal 4 doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. Artikel 65/2.§ 1. Als de directeur zijn ambt minstens zes maanden heeft kunnen uitoefenen na het individuele begeleidingsplan te hebben ontvangen dat tijdens de vorige \"negatieve\" evaluatie werd overeengekomen, kan er een nieuwe evaluatie plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een \"negatieve\" evaluatie moet de volgende evaluatie echter plaatsvinden binnen maximaal twee jaar na de mededeling van het individuele begeleidingsplan dat werd opgesteld naar aanleiding van de vorige evaluatie. Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het vorige lid kan de volgende evaluatie binnen een langere periode plaatsvinden als het individuele begeleidingsplan wordt verlengd zoals bedoeld in artikel 65/3. § 2. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/3.§ 1. Het evaluatierapport na een eerste definitieve \"negatieve\" evaluatie wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie of, in geval van onderlinge overeenstemming tussen het personeelslid en de Inrichtende macht, in een verlenging van het individuele begeleidingsplan. Het evaluatierapport wordt geformaliseerd in het in artikel 65/5 bedoelde document en ter kennis van de directeur gebracht Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal 3 maanden en maximaal één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. § 2. Ingeval het individuele begeleidingsplan wordt verlengd, wordt een gesprek gepland tussen enerzijds de inrichtende macht en anderzijds de directeur, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Het bevat de doelstellingen van het vorige individuele begeleidingsplan die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal 4 doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. § 3. Nadat het individuele begeleidingsplan is verlengd, vindt er een nieuwe evaluatie plaats binnen een periode van minimaal drie maanden en maximaal één jaar waarin het personeelslid zijn ambt uitoefent, vanaf de datum waarop het personeelslid op de hoogte is gebracht van het individuele begeleidingsplan dat werd aangepast naar aanleiding van de verlenging van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen. § 4. Voor de berekening van de voornoemde periodes van drie maanden en één jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. § 5. Het evaluatierapport na een verlenging van het individuele begeleidingsplan wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie, wordt geformaliseerd in het document bedoeld in artikel 65/5, en wordt ter kennis gebracht van de directeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal 3 maanden en maximaal één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/4.§ 1. In geval van een \"negatieve\" evaluatie kan de directeur binnen de 10 werkdagen na ontvangst van het rapport beroep instellen overeenkomstig de voorwaarden die worden beschreven in hoofdstuk Vbis van het decreet van 6 juni 1994 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, en die mutatis mutandis van toepassing zijn. De directeur die gebruik maakt van zijn recht op beroep, stelt zijn inrichtende macht hiervan onmiddellijk in kennis. Dit beroep werkt opschortend. § 2. De herhaling van twee opeenvolgende \"negatieve\" evaluaties over twee verschillende schooljaren, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 52novies/7 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994, heeft als gevolg dat de dienst van de directeur ambtshalve wordt beëindigd, overeenkomstig artikel 58 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span><span class=\"lf-art-t\">/5.- De regering legt het model vast van het individuele begeleidingsplan en van het evaluatierapport</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/6.De in deze onderafdeling genoemde kennisgevingen van documenten, beslissingen of oproepingen gebeuren per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of persoonlijk met ontvangstbevestiging. \" Art. 95.Na artikel 65/6 van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling 3 ingevoegd in afdeling III van hoofdstuk II van Titel III, met als opschrift: \"Onderafdeling 3 - Over de deontologische regels\"</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 96</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende bepaling wordt ingevoegd in de voornoemde onderafdeling 3 van hetzelfde decreet: \"Artikel 65/7.- In het kader van de in deze afdeling bedoelde gesprekken en evaluaties moeten het personeelslid en zijn beoordelaar de volgende verplichtingen nakomen: a) discretie;b) wederzijds respect. Bovendien moet de beoordelaar: a) hun instructies/advies/uitwisselingen met het personeelslid en zijn positieve of negatieve evaluatie op een gepaste en constructieve manier motiveren;b) het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;c) de plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen.\" Art. 97.Het opschrift van Afdeling III van hoofdstuk III van Titel III van hetzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt: \"Mechanismen voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties en evaluatie\"</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 98</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 86 van hetzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt: \"Artikel 86.- De leden van de inrichtende macht die verantwoordelijk zijn voor deze evaluatie, worden ondersteund door de federatie van hun inrichtende macht, die hen met name voorziet van eventuele gespecialiseerde technische expertise. Ze hebben bovendien toegang tot de vorming bedoeld in artikel 132 van het decreet van XXX betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van de beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel De inrichtende macht kan een beroep doen op deskundigen op het gebied van pedagogie of human resources, om de in onderafdeling II bedoelde gesprekken en/of evaluaties uit te voeren. \" Art. 99.Na artikel 86 van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling 1 ingevoegd in afdeling III van hoofdstuk III van Titel III, met als opschrift: \"Onderafdeling 1. Over het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties\" Art. 100.Artikelen 87 en 88 worden als volgt vervangen en ingevoegd in de voornoemde onderafdeling 1 van hetzelfde decreet: \"Artikel 87.- § 1. Het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties bestaat met name uit gesprekken over professionele ontwikkeling tussen de directeur en zijn inrichtende macht en uit een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek. Deze gesprekken over professionele ontwikkeling worden georganiseerd op initiatief van de inrichtende macht, maar kunnen ook worden aangevraagd door de directeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moeten minimaal vijf werkdagen verstrijken tussen de oproeping voor het gesprek over professionele ontwikkeling en de datum van het gesprek over professionele ontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het gesprek over professionele ontwikkeling moet een rapport worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gesprek over professionele ontwikkeling moet voor zover mogelijk één keer per jaar plaatsvinden, en minstens één keer om de drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gesprek over professionele ontwikkeling heeft betrekking op de uitvoering van de opdrachtbrief bedoeld in hoofdstuk III van Titel 1 en op de uitvoering van de doelstellingenovereenkomst, indien een dergelijke overeenkomst bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het gesprek over professionele ontwikkeling wordt rekening gehouden met de algemene context waarin de directeur zal werken, en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit kader houdt de inrichtende macht rekening met het volgende: a) in het kleuteronderwijs en in het leerplichtonderwijs met de bepalingen betreffende het vormings- en het pedagogisch project van de inrichtende macht, en met het schoolproject bedoeld in titel 5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs;b) in het onderwijs voor sociale promotie met de bepalingen betreffende het pedagogisch project bedoeld in artikel 36, § 2 van het voornoemde decreet van 16 april 1991;c) in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan met de bepalingen betreffende het artistiek en het pedagogisch project van de inrichtende macht bedoeld in artikel 1, 7° en 8° van het decreet van 2 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/1998 numac 1998029331 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, en met de bepalingen betreffende het educatief en artistiek schoolproject bedoeld in artikel 3bis van hetzelfde decreet. § 2. Na dit gesprek en op verzoek en inrichtende macht of de directeur wordt een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt opgesteld door de inrichtende macht of haar afgevaardigde in overleg met de directeur. § 3. Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt geformaliseerd in een document dat wordt medeondertekend, zoals bedoeld in artikel 88, en bevat wederzijdse verbintenissen van beide partijen, zoals individuele, specifieke en realistische doelstellingen die zijn afgestemd op de directeur, en de middelen die hem ter beschikking worden gesteld om ze te bereiken. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de in het vorige lid bedoelde plicht tot medeondertekening wordt geacht te zijn voldaan indien de inrichtende macht of haar afgevaardigde bewijs levert dat het verzoek om ondertekening ter kennisneming naar het personeelslid is verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de directeur weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet. § 4. De periodiciteit ervan wordt zo aangepast dat de directeur het gegeven advies kan uitvoeren, of de aanbevolen vormingen kan volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom mag er niet meer dan één ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties per schooljaar worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens eenzelfde schooljaar kan er echter ook een individueel begeleidingsplan worden opgesteld voor een personeelslid waarvoor een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties is opgesteld, na een eerste negatieve evaluatie. § 5. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties kan worden aangepast op initiatief van de inrichtende macht of op verzoek van de directeur. Deze aanpassingen worden medeondertekend door beide partijen. § 6. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek. Dit gesprek vindt ten vroegste zes maanden en ten laatste twee jaar na de opstelling van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afrondingsgesprek wordt gevoerd door de inrichtende macht of haar afgevaardigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. § 7. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regering stelt het model vast van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties dat als basis kan dienen voor de evaluatie bedoeld in onderafdeling 2. \" Art. 101.Na artikel 88 van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling 2 ingevoegd in afdeling III van hoofdstuk III van Titel III, met als opschrift: \"Onderafdeling 2. Over het evaluatiemechanisme\" Art. 102.De volgende bepalingen worden ingevoegd in de voornoemde onderafdeling 2 van hetzelfde decreet: \"Artikel 88/1.- § 1. In geval van manifeste onwil ten aanzien van het genoemde plan of van manifest en herhaald onvermogen om de doelstellingen te bereiken die in het kader van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties samen met de directeur werden bepaald, kan door de inrichtende macht een evaluatieprocedure worden gestart Elke eerste evaluatie wordt voorafgegaan door een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden. § 2. Ten vroegste zes maanden nadat dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties werd meegedeeld aan de directeur, en voor zover het afrondingsgesprek bedoeld in artikel 87, § 6 heeft plaatsgevonden, kan de inrichtende macht overgaan tot een evaluatie ervan. Deze periode wordt berekend overeenkomstig artikel 88/2, § 2. § 3. De directeur moet worden gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd vrij onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. § 4. De evaluatie resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie. Ze wordt geformaliseerd in het in artikel 88/5 bedoelde document en ter kennis van het personeelslid gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties, voor de eerste evaluatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen evaluatierapport is, wordt elk personeelslid geacht een \"positieve\" evaluatie te hebben gekregen. § 5. In geval van een \"negatieve\" evaluatie wordt vervolgens een gesprek gepland tussen de directeur en de inrichtende macht of haar afgevaardigde, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Dit plan bepaalt de doelstellingen die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal 4 doelstellingen worden vastgesteld. Artikel 88/2.- § 1. Als de directeur zijn ambt minstens zes maanden heeft kunnen uitoefenen na het individuele begeleidingsplan te hebben ontvangen dat tijdens de vorige \"negatieve\" evaluatie werd overeengekomen, kan er een nieuwe evaluatie plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een \"negatieve\" evaluatie moet de volgende evaluatie echter plaatsvinden binnen maximaal twee jaar na de mededeling van het individuele begeleidingsplan dat werd opgesteld naar aanleiding van de vorige evaluatie. Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het vorige lid kan de volgende evaluatie binnen een langere periode plaatsvinden als het individuele begeleidingsplan wordt verlengd zoals bedoeld in artikel 88/3. § 2. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/3.- § 1. Het evaluatierapport na een eerste definitieve \"negatieve\" evaluatie wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie of, in geval van onderlinge overeenstemming tussen het personeelslid en de Inrichtende macht, in een verlenging van het individuele begeleidingsplan. Het evaluatierapport wordt geformaliseerd in het in artikel 88/5 bedoelde document en ter kennis van de directeur gebracht Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal 3 maanden en maximaal één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd vrij onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. § 3. Ingeval het individuele begeleidingsplan wordt verlengd, wordt een gesprek gepland tussen enerzijds de inrichtende macht en anderzijds de directeur, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Het bevat de doelstellingen van het vorige individuele begeleidingsplan die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld. § 4. Nadat het individuele begeleidingsplan is verlengd, vindt er een nieuwe evaluatie plaats binnen een periode van minimaal drie maanden en maximaal één jaar waarin het personeelslid zijn ambt uitoefent, vanaf de datum waarop het personeelslid op de hoogte is gebracht van het individuele begeleidingsplan dat werd aangepast naar aanleiding van de verlenging van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen. § 5. Voor de berekening van de voornoemde periodes van drie maanden en één jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van: - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie; - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. § 6. Het evaluatierapport na een verlenging van het individuele begeleidingsplan wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een \"positieve\" of \"negatieve\" evaluatie, wordt geformaliseerd in het document bedoeld in artikel 88/5, en wordt ter kennis gebracht van de directeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd vrij onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/4.- § 1. In geval van een \"negatieve\" evaluatie kan de directeur binnen de 10 werkdagen na ontvangst van het rapport beroep instellen overeenkomstig de voorwaarden die worden beschreven in hoofdstuk Vbis van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, en die mutatis mutandis van toepassing zijn. De directeur die gebruik maakt van zijn recht op beroep, stelt zijn inrichtende macht hiervan onmiddellijk in kennis. Dit beroep werkt opschortend. § 2. De herhaling van twee opeenvolgende \"negatieve\" evaluaties over twee verschillende schooljaren, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 61decies/6 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, heeft als gevolg dat de dienst van de directeur ambtshalve wordt beëindigd, overeenkomstig artikel 72, § 1, 12° van het voornoemde decreet van 1 februari 1993</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 88</span><span class=\"lf-art-t\">/5.- De regering legt het model vast van het individuele begeleidingsplan en van het evaluatierapport</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">/6.- De in deze onderafdeling genoemde kennisgevingen van documenten, beslissingen of oproepingen gebeuren per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of persoonlijk met ontvangstbevestiging. \" Art. 103.Na artikel 88/6 van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling 3 ingevoegd in afdeling III van hoofdstuk III van Titel III, met als opschrift: \"Onderafdeling 3 - Over de deontologische regels\" Art. 104.De volgende bepalingen worden ingevoegd in de voornoemde onderafdeling 3 van hetzelfde decreet: \"Artikel 88/7.- In het kader van de in deze afdeling bedoelde gesprekken en evaluaties moeten het personeelslid en zijn beoordelaar de volgende verplichtingen nakomen: a) discretie;b) wederzijds respect. Bovendien moet de beoordelaar: a) hun instructies/advies/uitwisselingen met het personeelslid en zijn positieve of negatieve evaluatie op een gepaste en constructieve manier motiveren;b) het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;c) de plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen.\" TITEL 3. - BEPALINGEN TOT WIJZIGING VAN HET DECREET VAN 14 MAART 2019Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/03/2019 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/03/2019 numac 2019011352 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse bepalingen betreffende de werkorganisatie van de onderwijspersoneelsleden en tot toekenning van meer organisatieflexibiliteit aan de Inrichtende machten sluiten HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN BETREFFENDE DE WERKORGANISATIE VAN DE ONDERWIJSPERSONEELSLEDEN EN TOT TOEKENNING VAN MEER ORGANISATIEFLEXIBILITEIT AAN DE INRICHTENDE MACHTEN Art. 105.Aan artikel 9 van het decreet van 14 maart 2019Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/03/2019 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/03/2019 numac 2019011352 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse bepalingen betreffende de werkorganisatie van de onderwijspersoneelsleden en tot toekenning van meer organisatieflexibiliteit aan de Inrichtende machten sluiten houdende diverse bepalingen betreffende de werkorganisatie van de onderwijspersoneelsleden en tot toekenning van meer organisatieflexibiliteit aan de inrichtende machten worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in § 1 wordt een als volgt opgesteld punt 17 ingevoegd: \"17.afgevaardigde belast met het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties van personeelsleden\"; 2° een als volgt opgestelde nieuwe § 2bis wordt ingevoegd: \" § 2bis.De opdracht in § 1, punt 17 vereist dat de ervaren leerkracht aan wie de opdracht wordt toevertrouwd, de voorafgaande vorming heeft gevolgd in de mechanismen voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties en evaluatie bedoeld in artikel 6.1.9-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs. \" 3° Een als volgt opgesteld lid 3 wordt toegevoegd aan § 4: \"Deze paragraaf is niet van toepassing op de opdracht bedoeld in artikel 9, § 1, 17°.\" TITEL 4. - BEPALINGEN TOT INVOEGING VAN DE DEFINITIE VAN ONDERWIJSTEAM IN HET DECREET VAN 16 APRIL 1991 HOUDENDE ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJS VOOR SOCIALE PROMOTIE Art. 106.Aan artikel 5 bis van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie wordt een als volgt opgesteld punt 29° toegevoegd: \"29° onderwijsteam: het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel en de deskundigen van het onderwijs voor sociale promotie georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.\" Art. 107.In § 2 van artikel 36bis van ditzelfde decreet wordt een als volgt opgesteld punt 6° toegevoegd: \"6° de vormingen geven bedoeld in lid 4 van artikel 5 van het decreet van 30 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/09/1998 numac 1998029350 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/1998 numac 1998029332 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie sluiten betreffende de vorming tijdens de loopbaan en het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van de beroepscompetenties van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel en van de deskundigen in het onderwijs voor sociale promotie.\" TITEL 5. - BEPALINGEN TOT INVOEGING VAN HET MECHANISME VOOR ONDERSTEUNING EN ONTWIKKELING VAN DE BEROEPSCOMPETENTIES EN VAN DE VORMINGSDAGEN WAAROP DE PERSONEELSLEDEN VAN HET ONDERWIJS VOOR SOCIALE PROMOTIE IN HET KADER VAN DIT MECHANISME RECHT HEBBEN, IN HET DECREET VAN 30 JUNI 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/09/1998 numac 1998029350 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/1998 numac 1998029332 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie sluiten BETREFFENDE DE VORMING TIJDENS DE LOOPBAAN EN HET MECHANISME VOOR ONDERSTEUNING EN ONTWIKKELING VAN DE BEROEPSCOMPETENTIES VAN DE LEDEN VAN HET BESTUURS- EN ONDERWIJZEND PERSONEEL EN VAN HET OPVOEDEND HULPPERSONEEL IN HET ONDERWIJS VOOR SOCIALE PROMOTIE, EN BIJGEVOLG TOT WIJZIGING VAN DE TITEL VAN DIT DECREET Art. 108.Het opschrift van het decreet van 30 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/09/1998 numac 1998029350 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/1998 numac 1998029332 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie sluiten betreffende de vorming tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie, wordt vervangen door \"Decreet betreffende de vorming tijdens de loopbaan en het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van de beroepscompetenties van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel en van de deskundigen in het onderwijs voor sociale promotie\". Art. 109.Aan artikel 1 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden \"en het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van de beroepscompetenties\" worden ingevoegd tussen de woorden \"vorming tijdens de loopbaan\" en de woorden \"van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel\";2° de woorden \"en van de deskundigen\" worden toegevoegd tussen het woord \"hulppersoneel\" en de woorden \"in het onderwijs voor sociale promotie \" Art.110. In hoofdstuk 1 van hetzelfde decreet wordt een als volgt opgesteld artikel 2.2 ingevoegd: \"Artikel 2.2. § 1. De begunstigde van de vorming kan de elementen van de voortgezette beroepsopleiding die hem of haar aanbelangen, vastleggen in een dossier voor professionele ontwikkeling dat \"portfolio\" wordt genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het portfolio is een instrument voor professionele ontwikkeling dat op vrijwillige basis wordt samengesteld door het personeelslid dat lesgeeft, en dat specifiek voor hem of haar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het portfolio is een vormingshulpmiddel dat ondersteuning biedt bij het leren en een reflectieve analyse helpt te ontwikkelen. De begunstigde van de vorming legt er nuttige en relevante informatie over het traject van zijn of haar professionele ontwikkeling in vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid is verantwoordelijk voor zijn portfolio. § 2. Het portfolio bestaat uit drie delen, die elk zijn bedoeld om een reflectieve houding te ondersteunen: 1° het eerste deel heeft betrekking op het persoonlijke vormingsproject van het personeelslid. Het bestaat uit de volgende onderdelen: a) de beroepscompetenties die naargelang van het ambt worden verwacht, en in het bijzonder de competenties bedoeld in het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties van het personeelslid of in het individuele begeleidingsplan, en waarvoor vormingsacties nodig zijn;b) alle vormingen, verzameld in het aanbod vormingen tijdens de loopbaan voor personeelsleden in het onderwijs voor sociale promotie waarin dit decreet voorziet, waaraan het personeelslid heeft deelgenomen of nog zal deelnemen, alsmede de bewijzen van deelname aan de gevolgde vormingen tijdens de loopbaan;c) alle vormingen of instrumenten die het personeelslid zelf of samen met de directeur of diens afgevaardigde of met de hulp van een pedagogisch adviseur of een collega heeft vastgesteld, en waarmee het aan de verwachte, in punt a) geïdentificeerde beroepscompetenties kan werken;d) Het aldus samengestelde geheel van vormingsinstrumenten is georganiseerd in een coherent geheel van vormingstrajecten met betrekking tot de verwachte beroepscompetenties.2° Het tweede deel heeft betrekking op het traject van de professionele ontwikkeling van het personeelslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit deel kunnen personeelsleden met name informatie vastleggen die ze nuttig en relevant achten voor hun traject met betrekking tot de ontwikkeling van beroepscompetenties. 3° Het derde deel bevat informatie over de ervaring met competenties die het personeelslid heeft ontwikkeld en verworven. Het doel van dit deel is om de competenties te benutten die zijn ontwikkeld in het kader van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties of het individuele begeleidingsplan. § 3. Het personeelslid beslist of het zijn portfolio al dan niet gebruikt als ondersteuning voor zijn gesprek over professionele ontwikkeling, zijn ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties, zijn individuele begeleidingsplan en zijn evaluatie, zoals voorzien in het kader van het mechanisme voor ondersteuning, ontwikkeling van beroepscompetenties en evaluatie van leden van het onderwijzend personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur of diens afgevaardigde moet de keuze van het personeelslid accepteren om zijn portfolio al dan niet te gebruiken tijdens deze uitwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de ontwikkeling van zijn eigen beroepscompetenties beslist de directeur of hij zijn portfolio al dan niet gebruikt als ondersteuning tijdens zijn gesprekken met zijn inrichtende macht. De inrichtende macht moet de keuze van de directeur accepteren om zijn portfolio al dan niet te gebruiken tijdens deze uitwisseling. § 4. De inhoud van het portfolio wordt regelmatig aangepast en bijgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid stelt één portfolio samen dat al zijn opdrachten in het onderwijs voor sociale promotie omvat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid kan zijn portfolio gebruiken om voor zichzelf of in het kader van zijn toekomstige professionele plannen een dossier samen te stellen waarin zijn traject met betrekking tot de ontwikkeling van beroepscompetenties wordt uiteengezet. \" Art. 111.In punt 3 van artikel 3 van ditzelfde decreet worden de woorden \", met name die welke verband houden met de invoering van regeling 1\" geschrapt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 112</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 van ditzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt: \"Artikel 4.De vormers en vormingsverstrekkers zijn: 1° statutaire of niet-statutaire leden van het onderwijsteam van de instellingen van het onderwijs voor sociale promotie;2° personeelsleden van het multidisciplinaire team van de PMS-centra;3° personeelsleden van de regeringsdiensten;4° personeelsleden van Wallonie-Bruxelles Enseignement en van de Federaties van inrichtende machten;5° Het Institut de la Formation Professionnelle Continue;6° de vormingsinstellingen van Wallonie-Bruxelles Enseignement en van de Federaties van inrichtende machten;7° de organisaties voor permanente en jongereneducatie die zijn erkend door de Franse Gemeenschap;8° de universiteiten;9° de hogescholen;10° de hogescholen en hogere instituten voor opvoedkunde;11° de hogere kunstscholen;12° de instellingen van het onderwijs voor sociale promotie;13° de instellingen van het kunstonderwijs met beperkt leerplan;14° de vormingscentra die zijn erkend door de Franse Gemeenschap; 15° de bedrijven in de zin van artikel I.1, 1° van het Wetboek van economisch recht; 16° de sportfederaties die zijn erkend door de Franse Gemeenschap.\" Art. 113.In artikel 5 van ditzelfde decreet, 1° worden de woorden \"tot 3° \" ingevoegd tussen \"artikel 4, 1° \" en de woorden \", kunnen worden belast met het geven van vormingen.\" 2° wordt een als volgt opgesteld nieuw lid ingevoegd tussen lid 1 en 2: \"Het personeelslid bedoeld in artikel 4, 1° tot 3° kan worden vergoed voor vormingen.De regering bepaalt het bedrag van deze vergoeding Behoudens afwijking toegestaan door de regering op verzoek van hun inrichtende macht of hun hiërarchie, mogen ze tijdens hun prestatietijd niet meer dan twintig halve dagen vorming geven per academiejaar of per boekjaar. \" 3° wordt een als volgt opgesteld vierde lid ingevoegd: \"Voor de toepassing van artikel 4, 4° mag een pedagogisch adviseur bedoeld in artikel 36 bis van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie, maximaal 50% van zijn prestatietijd besteden aan het geven van vormingen in verband met de gemeenschappelijke algemene thema's die zijn vastgelegd door de Commissie voor vorming tijdens de loopbaan.Hij mag echter niet worden vergoed voor het geven van deze vormingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vormingen kunnen ook de vorm aannemen van een collectieve of individuele supervisie. \" Art. 114.In ditzelfde decreet wordt een als volgt opgesteld Hoofdstuk Ibis ingevoegd: \"Hoofdstuk Ibis. - Mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties Afdeling 1. - specifieke bepalingen Artikel 8,1. Het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties maakt deel uit van een proces van professionele ontwikkeling en toenemende professionalisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van toepassing op personeelsleden van het onderwijs voor sociale promotie die onder de statutaire regels vallen, en die tijdelijk of vast worden aangesteld of aangeworven in organieke periodes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassingsgebied van artikel 8.11 wordt uitgebreid naar het hele onderwijsteam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regering legt de modellen vast van het rapport van de directie voor de inrichtende macht en van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties bedoeld in delen 3 en 4 van dit hoofdstuk. Afdeling 2. - vorming in het mechanisme voor ondersteuning en</p></div>", "next": 239559}