Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit betreffende de procedure tot instelling van mariene beschermde gebieden, tot Natura 2000-toelating en Natura 2000-goedkeuring en to

In het kort

Dit Koninklijk Besluit regelt de procedures voor de instelling van mariene beschermde gebieden, Natura 2000-toelating en -goedkeuring, en milieuvergunningen in de Belgische zeegebieden. Het doel is de bescherming van het mariene milieu en de organisatie van de mariene ruimtelijke planning te waarborgen.

Wat het reguleert

  • De procedure voor de instelling en het beheer van mariene beschermde gebieden.
  • De procedures voor Natura 2000-toelating en -goedkeuring.
  • De procedure voor het verkrijgen van een milieuvergunning voor activiteiten in de Belgische zeegebieden.
  • De milieueffectenbeoordeling voor zand- en grindwinning en andere niet-levende rijkdommen.

Wie het betreft

  • Organisaties en personen die activiteiten uitvoeren in de Belgische zeegebieden die een milieuvergunning vereisen.
  • Instanties die betrokken zijn bij de aanwijzing en het beheer van mariene beschermde gebieden.

Kernpunten

  • Het besluit is een samenvoeging en herwerking van vier eerdere koninklijke besluiten.
  • Het brengt procedures in lijn met de Wet ter bescherming van het marien milieu (MMM-wet) en Europese richtlijnen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, project-MER-richtlijn).
  • Voor de exploratie en exploitatie van minerale en andere niet-levende rijkdommen is naast een concessie ook een milieuvergunning vereist.
  • Het besluit omvat de procedures voor zowel de bescherming van mariene gebieden als de vergunningverlening voor activiteiten die het milieu kunnen beïnvloeden.
Wettekst
Wettekst

26 APRIL 2024. - Koninklijk besluit betreffende de procedure tot instelling van mariene beschermde gebieden, tot Natura 2000-toelating en Natura 2000-goedkeuring en tot milieuvergunning in de Belgische zeegebieden VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat U wordt voorgelegd, beoogt uitvoering te geven aan de bepalingen inzake mariene beschermde gebieden en de milieuvergunning van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden (de MMM-wet). A. Doel en opzet van het besluit Onder de oude wet marien milieu werd de procedure inzake mariene beschermde gebieden (instelling en passende beoordeling) vastgesteld onder het koninklijk besluit van 27 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten3 betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden. Het koninklijk besluit van 7 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014212 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 05/11/2003 numac 2003022881 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 76, § 3, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022905 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 70, § 4, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 24/11/2003 numac 2003000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van de wet van 26 maart 2003 tot aanvulling van artikel 42 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, teneinde een leemte te verhelpen inzake het verlof voorafgaand aan de pensionering van de leden van de gemeentepolitie die worden aangewezen voor een mandaatfunctie bij de federale politie type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022904 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen sluiten houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en het koninklijk besluit van 9 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014213 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene-milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 29/09/2003 numac 2003014225 bron federale overheidsdienst financien en programmatorische federale overheidsdienst activabeheer Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de raad van bestuur en de directeur-generaal van de Nationale Delcrederedienst sluiten houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België vormden de procedureregels voor het verlenen van een milieuvergunning. De bedoeling van dit besluit is om deze procedures te herzien. Voor zand- en grindwinning was er geen aparte milieuvergunningsprocedure voorzien, maar werd een regeling voor milieueffectbeoordeling voorzien in het koninklijk besluit van 21 oktober 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten4 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat (wet continentaal plat). De milieueffectenbeoordeling uit dit besluit vormt een onderdeel van de procedure tot het verkrijgen van een concessie volgens de procedureregels voorzien in het koninklijk besluit van 1 september 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten0 betreffende de voorwaarden en de toekenningsprocedure van concessies voor de exploratie en de exploitatie van de minerale en andere niet-levende rijkdommen in de territoriale zee en op het continentaal plat. Artikel 65 van de MMM-wet heeft artikel 3 van de wet continentaal plat gewijzigd, zodat er naast een concessie ook een milieuvergunning is vereist voor de exploratie en exploitatie van minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en van de ondergrond. Dit besluit regelt dus ook de procedure voor deze milieuvergunning. De bedoeling van dit besluit is dus een samenvoeging en herwerking van vier bestaande besluiten: - het koninklijk besluit van 27 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten3 betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden; - het koninklijk besluit van 7 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014212 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 05/11/2003 numac 2003022881 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 76, § 3, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022905 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 70, § 4, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 24/11/2003 numac 2003000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van de wet van 26 maart 2003 tot aanvulling van artikel 42 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, teneinde een leemte te verhelpen inzake het verlof voorafgaand aan de pensionering van de leden van de gemeentepolitie die worden aangewezen voor een mandaatfunctie bij de federale politie type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022904 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen sluiten houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België; - het koninklijk besluit van 9 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014213 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene-milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 29/09/2003 numac 2003014225 bron federale overheidsdienst financien en programmatorische federale overheidsdienst activabeheer Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de raad van bestuur en de directeur-generaal van de Nationale Delcrederedienst sluiten houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België; - het koninklijk besluit van 21 oktober 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten4 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet continentaal plat. De procedures voor mariene beschermde gebieden en voor milieuvergunning worden in overeenstemming gebracht met de MMM-wet en met Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn), de Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn) en de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (project-MER-richtlijn). Ook bepaalde relevante bepalingen van de herziene Richtlijn 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (REDIII-richtlijn) worden omgezet in dit besluit. Dit besluit is een procedureel besluit. De bepalingen betreffen ten eerste de mariene beschermde gebieden. Hieronder valt de procedure betreffende de instelling van mariene reservaten en Natura 2000-gebieden. Ten tweede bevat het de regels voor het vaststellen van instandhoudingsdoelstellingen en instandhoudingsmaatregelen. Ten derde wordt de procedure tot het verkrijgen van een Natura 2000-toelating voor projecten en Natura 2000-goedkeuring voor plannen (passende beoordeling) uiteengezet en de monitoringsmaatregelen die van toepassing zijn voor de mariene beschermde gebieden. Het tweede grote luik betreft de procedure tot het verkrijgen van een milieuvergunning. Dit laatste wordt opgesplitst in de "gewone" milieuvergunningsprocedure en de specifieke bepalingen die van toepassing zijn voor de milieuvergunning continentaal plat. De bestaande procedures worden gestroomlijnd en waar het kan worden termijnen voor adviezen en beslissingen zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. Geïnteresseerden kunnen zo in één besluit terugvinden welke verplichtingen en procedures bestaan in verband met milieu-aangelegenheden in de zeegebieden. De integratie van de termijnen voor behandeling van de milieuvergunning en de Natura 2000-toelating maakt een gemeenschappelijke behandeling van het dossier en een globale beoordeling mogelijk. Dit zorgt ook voor een vereenvoudiging voor de aanvrager en de behandelende en adviserende instanties. B. Artikelsgewijze bespreking 1. Inleidende bepalingen - definities - algemene bepalingen Artikel 1 geeft aan welke Europese richtlijnen worden omgezet. Artikel 2 behoeft geen verder uitleg. Artikel 3 bevat de relevante definities. Die omvatten onder meer verduidelijkingen van de definities uit de verschillende om te zetten Europese richtlijnen, zonder de draagwijdte van deze definities uit de richtlijnen te willen wijzigen. Artikel 3, 4° "digitaal": met deze definitie wordt getracht om de elektronische communicatiemiddelen toe te laten die geschikt en gangbaar zijn in een professionele context (bv. WeTransfer of Dropbox voor omvangrijke bestanden). Berichten op gsm kunnen niet toegelaten worden. Aangezien technologie vatbaar is voor snelle evolutie is er gekozen om de geschikte communicatiemiddelen niet limitatief op te sommen. Anders bestaat immers het risico dat nieuwe evoluties niet gevat worden of bestaande middelen failliet gaan of naamsveranderingen ondergaan. Artikel 3, 6° en 7° "publiek" en "betrokken publiek": deze definities komen uit de project-MER-richtlijn. De definitie "publiek" is ruimer dan het Verdrag van Aarhus, zodat dit aanvaardbaar is. De definitie van "betrokken publiek" is in overeenstemming met het Verdrag van Aarhus. Artikel 3, 8° "project": dit begrip wordt gebruikt voor de procedure van de Natura 2000-toelating en -goedkeuring. Een "activiteit" wordt gebruikt als term onder het hoofdstuk "milieuvergunning". Uit de opsomming van wat onder project moet worden verstaan blijkt dat dit alle activiteiten betreft die vallen onder de milieuvergunningsplicht maar ook breder wordt gezien in het kader van de Natura 2000-toelating. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het begrip "project" in de zin van de project-MER-richtlijn relevant wordt geacht voor de verduidelijking van het begrip "project" in de zin van de Habitatrichtlijn, maar het gegeven dat een activiteit niet onder de notie "project" in het kader van de project-MER-richtlijn kan worden gebracht, neemt op zichzelf niet weg dat deze activiteit kan worden gekwalificeerd als een "project" in de zin van de Habitatrichtlijn. Om te bepalen of dit project al dan niet een Natura 2000-toelating moet verkrijgen, dient de definitie samen gelezen te worden met artikel 20, waarbij bepaald wordt dat een project dat niet direct verband houdt met het beheer van het Natura 2000-gebied en significante gevolgen kan hebben op het Natura 2000-gebied, een Natura 2000-toelating dient aan te vragen. Hierdoor zal bijvoorbeeld niet elk gemotoriseerd varen onder de toelatingsplicht vallen, maar bijvoorbeeld wel een gemotoriseerde sportwedstrijd in of in de buurt van een Natura 2000-gebied. De bewoordingen "invloed op het natuurlijk milieu" werden zo ruim mogelijk genomen om zeker alle projecten te vatten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, in uitvoering van artikel 6,3 van de Habitatrichtlijn. Afhankelijk van de fauna en flora waarvoor bescherming beoogd wordt, kan er immers al dan niet een significant gevolg zijn (de gevolgen van een project op een habitat aanwezig op de zeebodem kan anders zijn dan de impact van datzelfde project op een migrerende vogelsoort boven de zee). Artikel 3, 13° en 14° bevatten de definities van "staat van instandhouding van een habitat" en "staat van instandhouding van een soort", zoals overgenomen uit artikel 1, e), en i), van de Habitatrichtlijn. Artikel 3, 15° en 16° bevatten een overname van de definitie, wanneer de staat van instandhouding van een habitat en de stand van instandhouding van een soort als gunstig wordt beschouwd, uit artikel 1,

  1. e)en
  2. i)van de Habitatrichtlijn. Artikel 3, 18° "te beschermen soorten": met deze definitie wordt zoveel mogelijk binnen het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn gebleven. Er zijn ook trekvogels in de zeegebieden die niet in bijlage I worden vermeld maar wel moeten worden beschermd volgens artikel 4, lid 2 van de Vogelrichtlijn. Daarom werd de definitie zo open mogelijk gehouden. Wetenschappelijke studies tonen aan dat voor een aantal vogelsoorten op bepaalde tijdstippen meer dan 1% van de populatie voorkomt of verblijft in de Belgische zeegebieden. Dit geeft aan dat deze zeegebieden van wezenlijk belang zijn voor deze vogelpopulaties en dat er bijgevolg maatregelen genomen moeten worden ter bescherming van deze soorten en hun leefgebied. Op basis hiervan worden de fuut, grote mantelmeeuw en kleine mantelmeeuw beschermd. Deze soorten worden niet expliciet vermeld in de definitie van artikel 3, 18° omdat het mogelijk is dat de populaties verschuiven en andere soorten boven de 1% populatie zullen komen. Zo wordt vermeden dat het besluit telkens opnieuw moet worden aangepast. Artikel 3, 19° -21° : deze definities zijn nodig om het begrip Natura 2000-gebied uit de wet verder te verfijnen. Een Natura 2000-gebied kan zowel een speciale zone voor natuurbehoud (ingesteld op basis van de Habitatrichtlijn) als een speciale beschermingszone voor vogels (ingesteld op basis van de Vogelrichtlijn) inhouden. Het onderscheid is nodig voor de duidelijkheid en omdat de instelling van een speciale zone voor natuurbehoud anders is dan een speciale beschermingszone voor vogels. Deze definities worden ook gebruikt in het marien ruimtelijk plan. De term "speciale zone voor natuurbehoud" is een letterlijke vertaling van "special area of conservation" uit artikel 1,
  3. l)van de Habitatrichtlijn. Artikel 3, 22° "prioritaire soorten": met deze definitie wordt verwezen naar artikel 1,
  4. h)van de Habitatrichtlijn. Artikel 3, 23° - 25° : hier worden de definities gegeven van de verschillende monitoringsmaatregelen die mogelijk zijn onder dit besluit. Deze monitoringsmaatregelen zijn te onderscheiden van toezicht en inspecties van het naleven van de voorwaarden uit de toelating, goedkeuring of vergunning. Artikel 3, 31° : de beslissing I/3 en de appendix vermeld in deze definitie zijn openbaar te raadplegen via: https://unece.org/ environmental-policy/environmental-assessment/points-contact-regarding-notification Artikel 4 behoeft geen verdere uitleg. Artikel 5 en 6 bepalen de manier waarop termijnen berekend worden. Artikel 7, § 1 en § 2 is de omzetting van artikel 9 bis van de project-MER-richtlijn. Artikel 7, § 3 is de omzetting van artikel 5, lid 3,
  5. b)van de project-MER-richtlijn. Artikel 8 behoeft geen verder uitleg. 2. Mariene beschermde gebieden Artikel 9 regelt de procedure voor de instelling van een marien reservaat en de beschermingsdoelstellingen en verwijst verder voor de instelling naar de procedure tot aanneming van het marien ruimtelijk plan. Artikel 11 tot en met 14 regelt de procedure tot instelling van een Natura 2000-gebied in uitvoering van artikel 3 en 4 van zowel de Habitatrichtlijn als de Vogelrichtlijn en verwijst verder naar de procedure tot aanneming van het marien ruimtelijk plan. Voor de speciale zones voor natuurbehoud is er nog een aparte aanmelding bij de Europese Commissie nodig. Artikel 15 tot en met 17 regelen de procedure voor het vaststellen van instandhoudingsdoelstellingen. Dit zijn de overkoepelende doelen voor de te beschermen habitats en soorten. Artikel 18 regelt de instandhoudingsmaatregelen. Paragraaf 1 en paragraaf 2 zijn omzettingen van artikel 6 lid 1 en lid 2 van de Habitatrichtlijn. Artikel 18 paragraaf 2 stelt dat de minister de nodige stappen neemt om elke verslechtering tegen te gaan. Dit dient gelezen te worden als zijnde binnen de bevoegdheden die de minister krachtens dit besluit, de wet of andere besluiten heeft om verslechtering te vermijden. De situatie op zee is uitzonderlijk. Voor een optimale bescherming van het marien milieu en gelet op het gebrek aan eigendomsrecht op de Noordzee, is de minister in de praktijk het best geplaatst om te beslissen om over te gaan tot bijvoorbeeld oesterbankherstel of opruiming van marien zwerfaval. Het is praktischer en eenvoudiger om de minister de instandhoudingsmaatregelen te laten nemen dan via een koninklijk besluit te moeten werken. Paragraaf 3 is een verduidelijking van paragraaf 1 en 2 van artikel 18. Op deze manier wordt reeds in detail geregeld welke instandhoudingsmaatregelen de minister mag nemen.De beleidsvrijheid is hierdoor ingeperkt: de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden behaald door de maatregelen, of de maatregelen moeten elke verslechtering tegengaan. In deze twee gevallen kan de minister acties voor natuurherstel of -beheer ondernemen (zoals oesterbankherstel, herstel grindbedden, opruiming van wrakken en van marien zwerfafval). Artikel 19 machtigt de minister om een ontwerp-beheerplan en een beheerplan vast te stellen of te herzien. Dit beheerplan is geen ministerieel besluit, maar is een beleids- en communicatiedocument. Het bevat geen voor derden bindende verplichtingen maar verankert het beleid van de minister. Een beheerplan wordt algemeen gebruikt binnen het beheer van beschermde gebieden en het gebruik ervan wordt aangeraden door de Europese Commissie. Een beheerplan geeft een stand van zaken, verwijst naar de doelen, bundelt alle instandhoudingsmaatregelen voor een bepaald beschermd gebied en kan makkelijk ingezet worden om stakeholders te informeren en te betrekken, onder meer via de publieke raadpleging. Door het beheerplan vast te stellen benadrukt de minister dat de instandhoudingsmaatregelen onderdeel zijn van het gevoerde beleid. In artikel 18 wordt de inhoud van een ontwerp-beheerplan in detail geregeld. De publieksraadpleging zorgt voor extra controle op het beleid. Artikel 20 en volgende regelen de procedure voor het verkrijgen van een Natura 2000-toelating voor projecten die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar wel significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Met de Natura 2000-toelating wordt uitvoering gegeven aan artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn. Met de milieuvergunning wordt uitvoering gegeven aan de project-MER-richtlijn. De milieuvergunning geldt specifiek voor de activiteiten opgesomd in artikel 16, § 1 van de wet. Voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied is een Natura 2000-toelating nodig. Bij een milieuvergunning is het beslissend criterium dus de aard van de activiteiten. Bij een Natura 2000-toelating is het beslissend criterium het vermoeden van een significante impact op een Natura 2000-gebied. Het kan dus gebeuren dat een beoogde activiteit zowel een milieuvergunning als een Natura 2000-toelating nodig heeft (bv. een windmolenpark in een Natura 2000-gebied), enkel een milieuvergunning (bv. het bouwen van een kleine offshore installatie ver buiten een Natura 2000-gebied) of enkel een Natura 2000-toelating nodig heeft (bv. een watersportwedstrijd die plaatsvindt binnen een Natura 2000-gebied). Indien zowel een toelating als een vergunning nodig is, voorziet het besluit de mogelijkheid om deze samen aan te vragen. Bij deze gecombineerde aanvraag volgt de behandeling van de Natura 2000-toelating de termijnen van de procedure van de milieuvergunning. Artikel 21, § 2 toont de verhouding aan tussen de procedure tot het verkrijgen van een Natura 2000-toelating en een milieuvergunning. Voor de integratie van deze twee procedures, in uitvoering van artikel 2, lid 3 van de project-MER-richtlijn, is besloten dat de aanvraag tot Natura 2000-toelating herkenbaar geïntegreerd wordt in het milieueffectenbeoordelingsrapport zodat er maar één aanvraagprocedure nodig is. De BMM maakt een gemotiveerde conclusie op (milieuvergunning) en maakt tegelijkertijd de passende beoordeling (Natura 2000) op. De minister neemt dan ook beide besluiten tot milieuvergunning en tot Natura 2000-toelating op hetzelfde moment, zodat de aanvrager beide tegelijk kan ontvangen. Het is dus de bedoeling om zowel de aanvraag tot Natura 2000-toelating als de aanvraag tot milieuvergunning gelijktijdig te behandelen om de administratieve last voor aanvragers te verlagen. De inhoud en beoordeling van beide aanvragen worden wel apart gehouden door de aparte doelstellingen die beoogd worden: er wordt dus voor de Natura 2000-toelating een apart document `ontwerp passende beoordeling' door de aanvrager opgesteld, een aparte `passende beoordeling' door BMM en een apart ministerieel besluit tot Natura 2000-toelating. Hiervoor worden de termijnen voor het behandelen van een Natura 2000-toelating gelijkgeschakeld met de termijnen van de milieuvergunning (de Natura 2000-toelating volgt de termijnen van de milieuvergunning). In de praktijk kan informatie uit bijvoorbeeld de passende beoordeling immers wel nuttig blijken voor de milieuvergunning ondanks de afzonderlijke doelstellingen. Wel moet de procedure zelf van artikel 21 e.v. nog steeds gevolgd worden: (eventuele) screeningsnota, inhoud ontwerp passende beoordeling volgens artikel 23, retributie, nemen van de beslissing en afwijkingsmogelijkheid voorzien in artikel 29. Artikel 22 voorziet de mogelijkheid tot een optionele screening of een project mogelijk significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze screening is geen verplichting, de initiatiefnemer kan besluiten om rechtstreeks een toelating aan te vragen. Artikel 23 tot en met 28 regelen de verdere procedure tot Natura 2000-toelating: het opstellen van het ontwerp passende beoordeling dat een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop rekening werd gehouden met de te verwachten nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen en een voorstel tot milderende maatregelen, de evaluatie en opstellen van de passende beoordeling door BMM, het advies van de dienst Marien Milieu en de uiteindelijke beslissing door de minister. De minister kan enkel een toelating verlenen indien uit de passende beoordeling blijkt dat het project de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied niet in het gedrang zal brengen, overeenkomstig artikel 12 van de wet. De bewoording "niet in het gedrang zal brengen (van de instandhoudingsdoelstellingen)" uit de wet en dit besluit is een verduidelijking en parafrasering van de bewoordingen "dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten" uit artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. Dezelfde bewoording wordt in artikel 12, § 1 van de wet gebruikt. Er wordt in het ontwerp passende beoordeling gekeken of er te verwachten nadelige gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen, dus of de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen al dan niet wordt belemmerd. De BMM onderzoekt dit verder in de passende beoordeling en onderzoekt of er maatregelen kunnen worden getroffen om de nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen te beperken. Dit onderzoek is wetenschappelijk onderbouwd. Indien er nadelige gevolgen zijn die niet kunnen vermeden of beperkt worden door het opleggen van voorwaarden, dan worden de instandhoudingsdoelstellingen in het gedrang gebracht en moet de Natura 2000-toelating worden geweigerd. Bijvoorbeeld: Een aanvrager wil een project middenin een beschermde habitat van een Natura 2000-gebied plaatsen. Hierdoor wordt de instandhoudingsdoelstelling dat de oppervlakte van deze habitat niet mag verkleinen, in het gedrang gebracht omdat een bepaalde oppervlakte habitat verloren gaat door de bouw van het project. Artikel 24 regelt de wijze van indienen. Door ook digitale indiening te voorzien, worden de administratieve lasten voor de initiatiefnemers beperkt. Artikel 29 regelt de afwijkingsprocedure met compenserende maatregelen voor dwingende redenen van groot openbaar belang. Conform de recentste wijziging van de RED III-richtlijn (artikel 16 septies) wordt de aanvulling in het tweede lid van 2° gemaakt dat installaties voor de productie van hernieuwbare energie en hun aanhorigheden worden vermoed van groot openbaar belang te zijn en de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid te dienen. De artikelen 30 tot en met 31 regelen de procedure voor wijziging, opschorting en opheffing van een Natura 2000-toelating. Artikel 32 en volgende regelen de procedure voor de Natura 2000-goedkeuring, voor plannen die mogelijk significante gevolgen kunnen hebben op een of meerdere Natura 2000-gebieden. Een "plan" wordt niet gedefinieerd. Dit woord moet in zijn normale spraakgebruikelijke betekenis begrepen worden en heeft een zeer ruime betekenis. Op de vraag of het begrip "plan" in de zin van de Habitatrichtlijn een analoge draagwijdte heeft aan het begrip "plannen en programma's" in de zin van richtlijn 2001/42/EG, bestaat nog geen eenduidig antwoord. Het Hof van Justitie heeft dit punt nog niet verduidelijkt in zijn rechtspraak. Dit begrip moet geïnterpreteerd worden in de context van de Habitat- en Vogelrichtlijn. De bestaande en toekomstige guidance-documenten van de Europese Commissie zullen helpen bij het goede begrip van wat er onder "plan" moet verstaan worden (zo vermeldt de Mededeling van de Commissie (C

(2018)7621 final, Brussel, 21.11.2018 "Beheer van Natura-2000-gebieden - De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (92/43/EEG)") onder andere bestemmingsplannen, structuurplannen en sectorplannen zoals een energieplan of waterbeheerplan. Er wordt gekozen om hierdoor in het besluit plan niet te definiëren door een limitatieve opsomming zodat, als er een eenduidig antwoord komt, het begrip plan in dit besluit zo geïnterpreteerd moet worden. Net zoals bij de Natura 2000-toelating dient enkel een plan, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat wel significante gevolgen kan hebben op een Natura 2000-gebied, onderworpen te worden aan een Natura 2000-goedkeuring. Op basis van de Bijzondere Wet op de hervorming van de instellingen van 1980 heeft de federale staat de residuaire bevoegdheid op zee, waaronder het marien milieubeleid. Het Vlaams Gewest beschikt over toegewezen bevoegdheden, zoals havens en zeewering. Niet enkel federale plannen kunnen een Natura 2000-goedkeuring behoeven maar ook gewestelijke, provinciale of gemeentelijke plannen die mogelijk significante gevolgen hebben voor een federaal Natura 2000-gebied. In het kader van het federaal loyauteitsbeginsel en de verplichtingen voortvloeiend uit de Habitat- en Vogelrichtlijn, dient de federale staat de significante impact van dergelijke plannen op de federale Natura 2000-gebieden te beoordelen. Ook plannen met private initiatiefnemers maar medegefinancierd door een overheidsinstelling kunnen onder de definitie van plan vallen. De procedure voor de Natura 2000-goedkeuring is gelijkaardig aan de Natura 2000-toelating. De verschilpunten zijn: - geen verwijzing naar de milieuvergunning, omdat plannen geen milieuvergunning in de zin van dit besluit behoeven; - geen retributie, dus een andere manier van berekening van de termijn voor het verder behandelen van de aanvraag (artikel 37, § 1 en § 2); - geen advies van de dienst Marien Milieu indien het gaat over een plan dat door of in opdracht van de dienst Marien Milieu wordt opgesteld, zoals het marien ruimtelijk plan. Artikel 44 en 45 regelen de uitvoering van de permanente monitoring. Er wordt geen retributie voorzien voor de permanente monitoring van de mariene reservaten en de Natura 2000-gebieden. Dit is een opdracht van de overheid, ten voordele van de gemeenschap. Artikel 46 voorziet de mogelijkheid tot monitoring in het kader van de toelating mits het betalen van een retributie. Ook voor plannen is monitoring mogelijk, maar zonder retributie. Monitoring wordt gedefinieerd onder artikel 3, 24° als de evaluatie waarbij de milieueffecten van een toegelaten project of goedgekeurd plan worden onderzocht en geëvalueerd. Deze som voor het uitvoeren van de monitoring kan niet gekwalificeerd worden als een belasting, maar betreft een retributie. De monitoring heeft immers niet het controleren van het naleven van de voorwaarden van de Natura 2000-toelating door de toelatingshouder als doel. In de monitoring wordt niet aan controle, toezicht of inspectie van het naleven van de toelatingsvoorwaarden gedaan. De finaliteit van de monitoring is anders. De situatie op zee is immers specifiek: de toelatingshouder heeft geen eigendomsrecht op zee en het gaat soms om specifieke projecten met nieuwe technologieën waarbij de milieueffecten vaak niet helemaal gekend zijn. Omwille van de uitzonderlijke situatie op zee kan monitoring opgelegd worden bij een Natura 2000-toelating. Hierbij worden door de BMM, als onafhankelijke wetenschappelijke overheidsinstantie, de milieueffecten van een toegelaten project onderzocht en geëvalueerd. De impact van een project op zee op bepaalde aspecten van het marien milieu kan op korte of lange termijn pas duidelijk worden. Hiervoor is meer onderzoek nodig om de leemten in de kennis over het marien milieu op te vullen. Omwille van het voorzorgsbeginsel zouden dergelijke aanvragen niet kunnen toegelaten worden omdat er een risico bestaat dat er nieuwe nadelige gevolgen ontstaan voor de betrokken Natura 2000-gebieden door het project, die pas achteraf duidelijk worden, ook al worden alle voorwaarden strikt nageleefd door de toelatingshouder. Om dergelijke projecten toch te vergunnen kan de monitoring essentieel zijn bij het besluitvormingsproces. Zonder monitoring van de milieueffecten van een bepaald project kunnen geen toelatingen uitgereikt worden omwille van het voorzorgsbeginsel. Ook het `vervuiler betaalt'-beginsel is hier van toepassing. Hierdoor maakt het uitvoeren van deze monitoringsmaatregel door of in opdracht van een overheidsinstantie een dienst uit die ten gunste is van de toelatingshouder en staat de retributie in direct verband met de diensten geleverd door de overheid. Het werk wordt immers verricht door de overheid zodat de initiatiefnemer een toelating kan bekomen. Bovendien vindt, indien deze monitoringsmaatregelen worden uitgevoerd door de overheidsinstantie met wetenschappelijke kennis van de zeegebieden, een onafhankelijke evaluatie plaats van de milieueffecten, die niet aan de initiatiefnemer kan worden overgelaten. Het algemeen toezicht op het marien milieu, hetgeen zonder twijfel een overheidstaak is, wordt geregeld door de permanente monitoring van de mariene beschermde gebieden zoals voorzien in artikel 44 en door de uitvoering van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu). Hiervoor wordt geen retributie voorzien. Er wordt geen retributie voorzien voor het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de voorwaarden van de Natura 2000-toelating door de toelatingshouder of van de Natura 2000-goedkeuring door de goedkeuringshouder. Toezicht en inspectie behoren tot het algemeen overheidstoezicht op de naleving van de voorwaarden. Dit blijkt duidelijk uit paragraaf 4 van artikel 46, met name dat de in de toelating opgelegde monitoring te onderscheiden is van het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de voorwaarden door de toelatings- of goedkeuringshouder en dat dit toezicht en deze inspecties niet onderworpen zijn aan een retributie. Toezicht en inspectie maken immers wel deel uit van een algemeen toezicht op de naleving van de voorwaarden door de overheid, die niet middels een retributie zonder meer kan worden afgewenteld op de toelatingshouder. Uit het voorgaande blijkt dat er voor de monitoring opgelegd in de Natura 2000-toelating geen sprake is van een algemeen toezicht op de naleving van de voorwaarden door de overheid en dat er dus geen sprake is van een belasting. 3. Milieuvergunning Artikel 47 en volgende regelen de procedure die milieuvergunningsplichtige activiteiten moeten doorlopen. Artikel 48 regelt wie precies een aanvraag kan indienen. Het indienen kan door betekening of digitaal. Tot de relevante internationale verdragen vermeld in artikel 48, § 1,
  1. b)behoren onder meer de GPA-overeenkomst van de WTO en de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Artikel 49 en 50 bevatten alle gegevens die verplicht bij elke aanvraag dienen te worden gevoegd. Identificatie van de activiteit (2° ) betekent een beknopte omschrijving van de activiteiten van de aanvrager (bijvoorbeeld: het uitbaten van een windturbinepark met zoveel MW vermogen). De verplichting tot het opstellen van een milieueffectbeoordelingsrapport vloeit voort uit de MMM-wet en de project-MER-richtlijn. De integratie met de procedure voor een Natura 2000-toelating, zoals aangegeven in artikel 2, lid 3 van de project-MER-richtlijn zit onder meer vervat in het feit dat het ontwerp passende beoordeling inbegrepen zit in het milieueffectbeoordelingsrapport. Artikel 51 is de omzetting van artikel 5, lid 3,
  2. a)van de project-MER-richtlijn. Gelet op de omvang van de activiteiten en de uitzonderlijke situatie op zee zijn de coördinatoren in de praktijk studiebureaus met de nodige ervaring in activiteiten op zee en wetenschappelijke kennis van het marien milieu. Artikel 5, lid 3,
  3. a)van de project-MER-richtlijn stelt dat de vergunningsaanvrager dient te waarborgen dat het milieueffectbeoordelingsrapport wordt opgesteld door bekwame deskundigen. Het is dus de verantwoordelijkheid van de aanvrager om een coördinator aan te stellen met de nodige bekwaamheid, zodat een kwalitatief en volledig milieueffectbeoordelingsrapport wordt opgesteld dat voldoet aan alle vereisten van artikel 55, om te vermijden dat de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Zonder de nodige kennis van het marien milieu en de specifieke situatie op zee zal de coördinator niet over de nodige bekwaamheid beschikken en zal dit leiden tot een onvolledig milieueffectbeoordelingsrapport dat onontvankelijk zal worden verklaard conform artikel 57. Artikel 52 is de omzetting van artikel 5, lid 2 van de project-MER-richtlijn en artikel 16 ter lid 2 van de RED-richtlijn 2011/92/EU. Een voorafgaandelijk advies kan aangevraagd worden om ervoor te zorgen dat het milieueffectenbeoordelingsrapport alle nodige gegevens bevat. Artikel 53 zorgt voor de integratie milieuvergunning - Natura 2000-toelating. Voor activiteiten die zowel milieuvergunningsplichtig zijn als een Natura 2000-toelating behoeven, zal de procedure tot het verkrijgen van een Natura 2000-toelating volgens de termijnen verlopen van de milieuvergunningsprocedure. Er wordt hiervoor verwezen naar de toelichting onder artikel 21, § 2. Artikel 54 regelt de mogelijkheid om één geïntegreerd milieueffectbeoordelingsrapport op te stellen voor verschillende activiteiten met hetzelfde doel die het voorwerp uitmaken van afzonderlijke vergunningen. Artikel 55 regelt de inhoud van het milieueffectbeoordelingsrapport. Voor een goed begrip wordt verwezen naar de guidances opgesteld door de Europese Commissie. Artikel 55, 1°,
  4. d)stipuleert dat het milieueffectbeoordelingsrapport onder meer een beschrijving van de "voornaamste kenmerken van de productieprocessen" bevat. Dit betekent dat moet worden uitgelegd hoe het productieproces van bijvoorbeeld een windturbine eruitziet maar niet tot in detail. Alvast de energievraag, het energieverbruik, de gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen moeten zeker worden beschreven. Dit is een verdergaande verplichting dan die opgelegd bij de project-MER-richtlijn, die energievraag en volgende slechts als voorbeeld opnam. De artikelen 56 en 57 bevatten de regels inzake volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag. De artikelen 58 en 59 bevatten de bepalingen inzake de retributie voor onder andere het onderzoek van de informatie uit het milieueffectbeoordelingsrapport en het opstellen van de gemotiveerde conclusie door de BMM. Artikel 60 bevat de bepaling van de termijn voor het verder behandelen van de aanvraag. Deze termijn gaat in de dag na de betekening van het attest dat de ontvankelijkheid en volledigheid bevestigt en de bevestiging van de betaling van de retributie. Artikel 61 tot en met 65 regelen de procedure voor de publieksraadpleging. Artikel 66 regelt de procedure voor consultatie van andere staten voor een activiteit in de Belgische zeegebieden met waarschijnlijke grensoverschrijdende aanzienlijke effecten voor die andere staten. Artikel 67 regelt de procedure voor consultatie van de Belgische staat over een activiteit in een andere staat met waarschijnlijk grensoverschrijdende aanzienlijke effecten voor de Belgische zeegebieden. Het artikel regelt ook de publieksraadpleging voor activiteiten uit andere staten, waarbij de termijnen van de andere staat dienen gerespecteerd te worden. Artikel 68 regelt de bescherming van het industrieel en handelsgeheim in de gevallen van artikel 66 en 67. Met artikel 66, 67 en 68 wordt uitvoering gegeven aan zowel artikel 7 van de project-MER-richtlijn als het Verdrag van Espoo. De artikelen 69 en 70 regelen het onderzoek door de BMM. De artikelen 71, 72 en 74 regelen de procedure voor de gemotiveerde conclusie door een onafhankelijke wetenschappelijke instantie met kennis van zaken over het marien milieu (de BMM), met daarin begrepen het advies over de aanvaardbaarheid van de activiteit. Artikel 71, § 2, 1° verwijst naar de beginselen waarmee de BMM dient rekening te houden bij het opstellen van de gemotiveerde conclusie. Met deze beginselen dient ook de minister rekening te houden bij het opstellen van het besluit (artikel 80, 3° ) en de minister dient ook rekening te houden met deze beginselen bij het nemen van het besluit over het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden van een vergunning (artikel 89, § 2, 1° ). Deze beginselen staan vervat in artikel 6, § 2 MMM-wet. De omschrijving van deze beginselen is in overeenstemming met de memorie van toelichting van de MMM-wet. Het beginsel van een hoog beschermingsniveau betekent dat er moet gestreefd worden naar een hoog niveau van milieubescherming. Dit vloeit onder meer voort uit artikel 192 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Het beginsel van het preventief handelen betekent dat moet worden opgetreden om milieuschade te voorkomen, veeleer dan de schade achteraf te moeten herstellen. Het voorzorgsbeginsel betekent dat preventieve maatregelen moeten worden getroffen, indien er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan voor verontreiniging van de zeegebieden, zelfs in de gevallen dat er geen overtuigend bewijs is van een oorzakelijk verband tussen het inbrengen van stoffen, energie en materialen in het marien milieu en de schadelijke gevolgen. Het beginsel van duurzaam beheer betekent dat het marien milieu in voldoende mate in een goede staat wordt gehouden voor toekomstige generaties en dat de effecten van het menselijk handelen de draagkracht van het marien milieu niet overschrijden. Hiertoe zullen de ecosystemen en de ecologische processen noodzakelijk voor het goed functioneren van het marien milieu worden beschermd en de biologische diversiteit ervan worden behouden en hersteld. Het beginsel dat de vervuiler betaalt betekent dat de kosten voor maatregelen ter voorkoming, inperking en herstel van milieuschade voor rekening zijn van de vervuiler. Het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden vloeit ook voort uit artikel 192 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Het herstelbeginsel betekent dat bij schade aan de zeegebieden het mariene milieu prioritair moet worden hersteld in zijn oorspronkelijke toestand of, indien niet mogelijk, de schade moet worden gecompenseerd. Artikel 73 zorgt ervoor dat gelijktijdig met de gemotiveerde conclusie de passende beoordeling door de BMM wordt uitgevoerd. De artikelen 75 en 76 regelen het advies van de dienst Marien Milieu. Artikel 77 behoeft geen verdere uitleg. Artikel 78 regelt de termijn waarbinnen de minister de beslissing moet nemen en het verlengen van deze termijn. Artikel 79 zorgt voor de integratie met de procedure tot Natura 2000-toelating voor de activiteiten die zowel een milieuvergunning als een Natura 2000-toelating behoeven. De beslissing over de milieuvergunning en de beslissing over de Natura 2000-toelating worden gelijktijdig genomen door de minister. Indien de minister in eerste instantie de Natura 2000-toelating weigert omdat de instandhoudingsdoelstellingen in het gedrang worden gebracht en de initiatiefnemer wil de afwijkingsmogelijkheid uit artikel 29 toepassen, worden de termijnen van deze afwijkingsmogelijkheid aangepast door middel van artikel 79, § 2, om aan te sluiten bij de termijnen van de milieuvergunningsaanvraag. Artikel 80 bevat de verplichte vermeldingen in het besluit over de vergunningsaanvraag. Zo dient onder meer verwezen te worden naar de beginselen vervat in artikel 6, § 2 van de MMM-wet. Het besluit dient ook gemotiveerd te worden door de verplichting tot formele motivering die voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/07/1991 pub. 18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en uit de toepassing van het materieel motiveringsbeginsel. Artikel 81 bevat de bepaling dat alle voorwaarden aan het gebruik van de vergunning kunnen worden verbonden. Het besluit legt geen specifieke normen of criteria op. De voorwaarden worden per vergunning vastgesteld, dus per specifieke aangevraagde activiteit. Artikel 81 bevat verder een beschrijving van mogelijke vaak voorkomende voorwaarden die kunnen worden opgelegd. Bij het opleggen van voorwaarden zal de minister rekening moeten houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. De minister kan geen voorwaarden opleggen waarvan de verwezenlijking volledig afhankelijk is van een derde. Artikel 81, § 1, 1° bepaalt dat de minister voorwaarden inzake de compensatie kan opleggen in de milieuvergunning. Bij activiteiten die zowel een milieuvergunning als een Natura 2000-toelating behoeven, dient in dit verband het volgende te worden opgemerkt. De Natura 2000-toelating vereist een aparte beslissing van de minister, die te onderscheiden is van de beslissing over de milieuvergunning. De integratie met de milieuvergunningsprocedure komt enkel tot uiting op het vlak van termijnen en het samen behandelen van beide aanvragen. In uitvoering van de Habitatrichtlijn is er de aparte procedure tot het bekomen van een Natura 2000-toelating, die geïntegreerd wordt in de milieuvergunningsprocedure maar enkel qua termijnen. Zo voorziet artikel 73 in een aparte beoordeling door de BMM van het ontwerp passende beoordeling, het opstellen van een passende beoordeling (verwijzing naar artikel 26) en voorziet artikel 79 in een aparte ministeriële beslissing voor de Natura 2000-toelating. De mogelijkheid tot compensatie door het storten van een bijdrage in het Fonds is enkel ter uitvoering van de project-MER-richtlijn, als compensatie voor nadelige milieueffecten en geldt dus enkel voor de milieuvergunning. Indien de beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied tot negatieve conclusies zou leiden, kan het project uit hoofde van artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn namelijk enkel in de in dit artikel vermelde gevallen doorgang vinden. Indien uit de Natura 2000 passende beoordeling blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen in gedrang worden gebracht, dan moet de afwijkingsprocedure worden toegepast en moeten compenserende maatregelen worden toegepast. Er wordt geen mogelijkheid voorzien om via het betalen van een geldbedrag negatieve gevolgen van een Natura 2000-toelating te compenseren. Indien blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen in het gedrang worden gebracht, kan dit dus niet opgelost worden door de betaling van compensatie in milieuvoordelen. Beide beslissingen hebben een andere finaliteit: bij de milieuvergunning spelen aanzienlijke nadelige effecten de doorslaggevende rol, bij de Natura 2000-toelating het in gedrang brengen van de instandhoudingsdoelstellingen. Voor activiteiten die zowel een vergunning als een toelating behoeven, kan het mogelijk zijn dat uit de passende beoordeling blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen niet in het gedrang worden gebracht door de activiteit. Diezelfde activiteit kan wel een aanzienlijk nadelig milieueffect veroorzaken op een mariene omgeving, waarvoor een compensatie in geld kan worden opgelegd. Artikel 81, § 2 bevat bepalingen over het jaarlijks uitvoeringsverslag. In de vergunning wordt de inhoud van het jaarlijks uitvoeringsverslag verder geconcretiseerd (bv. overzicht van het type brandstof, aard en datum van technische defecten en datum van herstelling). De minister kan de nadere regels over de vorm en inhoud bepalen. Artikel 82 legt op dat bij elke vergunning een retributie moet betaald worden voor de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken. In de vergunning wordt ook de retributie verder geconcretiseerd (bijvoorbeeld door een opsplitsing te maken van het project in fases, waarbij naargelang werkuren van elke fase een ander retributiebedrag kan worden gevraagd). De motivering voor het opleggen van een retributie wordt verder uitgelegd onder artikel 88. Artikel 83 regelt de bekendmaking van het besluit langs verschillende kanalen. Artikel 84 bevat de bepalingen over de duur van de vergunning, de koppeling met de duur van concessies indien van toepassing en de mogelijkheid tot verlenging. Artikel 84, § 4 voorziet een schorsing van de duur van de vergunning totdat iedere bijkomende vereiste vergunning of concessie is verleend en het verval van de vergunning wanneer de bijkomende vergunning of concessie definitief is geweigerd in laatste administratieve aanleg. Wanneer een beroep over een weigering van een vergunning of concessie aanhangig is voor een administratief rechtscollege, is nog geen sprake van een definitieve weigering en blijft de vergunning geschorst. Een definitieve weigering is er pas wanneer er geen procedure tegen de weigering meer loopt bij een administratief rechtscollege. Artikel 85 voorziet dat elke individuele vergunning de termijn moet regelen waarbinnen met de werken moet worden gestart en waarbinnen met de eigenlijke exploitatie van de activiteit moet worden gestart. Artikel 86 en volgende regelen de procedure voor de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken, in uitvoering van artikel 22 en 23 van de MMM-wet en artikel 8 bis, lid 1,
  5. b)van de Project-MER-richtlijn. Artikel 87 regelt de monitoringsmaatregelen van grensoverschrijdende aanzienlijke effecten van een activiteit. Artikel 88 voorziet een retributie voor het uitvoeren van de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken. Deze worden gedefinieerd onder artikel 3, 25° als de evaluatie waarbij de milieueffecten van een vergunde activiteit worden onderzocht en geëvalueerd. De som voor het uitvoeren van de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken kan niet gekwalificeerd worden als een belasting, maar betreft een retributie. De monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken hebben immers niet het controleren van het naleven van de voorwaarden van de milieuvergunning door de vergunningshouder als doel. In de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken wordt niet aan controle, toezicht of inspectie van het naleven van de vergunningsvoorwaarden gedaan. De finaliteit van de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken is anders. De situatie op zee is immers specifiek: de vergunninghouder heeft geen eigendomsrecht op zee en het gaat om specifieke grote werken met nieuwe technologieën waarbij de milieueffecten vaak niet helemaal gekend zijn. Omwille van de uitzonderlijke situatie op zee worden monitoringsmaatregelen verplicht opgelegd bij elke vergunning. Hierbij worden door de BMM, als onafhankelijke wetenschappelijke overheidsinstantie, de milieueffecten van een vergunde activiteit onderzocht en geëvalueerd. De impact van een constructie op zee op bepaalde aspecten van het marien milieu kan op korte of lange termijn pas duidelijk worden. Hiervoor is meer onderzoek nodig om de leemten in de kennis over het marien milieu op te vullen. Omwille van het voorzorgsbeginsel zouden dergelijke aanvragen niet kunnen vergund worden omdat er een risico bestaat op aanzienlijke milieueffecten die pas achteraf duidelijk worden, ook al worden alle voorwaarden strikt nageleefd door de vergunninghouder. Om dergelijke projecten toch te vergunnen zijn de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken essentieel bij het besluitvormingsproces. Zonder monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken kunnen geen vergunningen uitgereikt worden omwille van het voorzorgsbeginsel. Ook het `vervuiler betaalt' beginsel is hier van toepassing. Hierdoor maakt het uitvoeren van deze monitoringsmaatregelen door of in opdracht van een overheidsinstantie een dienst uit die ten gunste is van de vergunninghouder. Het werk wordt immers verricht door de overheid zodat de aanvrager een vergunning kan bekomen. Bovendien vindt, indien deze monitoringsmaatregelen worden uitgevoerd door de overheidsinstantie met wetenschappelijke kennis van de zeegebieden, een onafhankelijke evaluatie plaats van de milieueffecten, die niet aan de aanvrager kan worden overgelaten. Bovendien wordt in de project-MER-richtlijn monitoring uitdrukkelijk voorzien (artikel 8 bis, lid 1,
  6. b)en lid 4) naast het opleggen van voorwaarden in de vergunning. Het algemeen toezicht op het marien milieu, hetgeen zonder twijfel een overheidstaak is, wordt geregeld door de permanente monitoring van de mariene beschermde gebieden zoals voorzien in artikel 44 en door de uitvoering van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu). Hiervoor wordt geen retributie voorzien. Er wordt geen retributie voorzien voor het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de vergunningsvoorwaarden door de vergunninghouder. Toezicht en inspectie behoren tot het algemeen overheidstoezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden. Dit blijkt duidelijk uit paragraaf 4 van artikel 88, met name dat de in de vergunning opgelegde monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken te onderscheiden zijn van het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de voorwaarden van de milieuvergunning door de exploitant en dat dit toezicht en deze inspecties niet onderworpen zijn aan een retributie. Toezicht en inspectie maken immers wel deel uit van een algemeen toezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden door de overheid, die niet middels een retributie zonder meer kan worden afgewenteld op de vergunninghouder. Uit het voorgaande blijkt dat er voor de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken opgelegd in de milieuvergunning geen sprake is van een algemeen toezicht op de naleving van de voorwaarden door de overheid en dat er dus geen sprake is van een belasting. De artikelen 89 tot en met 94 regelen de procedure voor het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden van de vergunning en voor de schorsing en opheffing van de vergunning. Artikel 95 regelt de procedure voor het verval van de vergunning. Artikel 96 regelt de procedure voor ingrepen, die niet onderworpen zijn aan een vergunning. Er worden zeer veel verschillende activiteiten geviseerd door dit besluit en tijdens de exploitatie zouden vergunninghouders ook veranderingen willen doorvoeren aan de vergunde activiteit. In artikel 3, 36° wordt ingreep gedefinieerd als elke verandering van de vergunde activiteit, waardoor aan het mariene milieu een nadeel kan worden berokkend dat niet groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst. Een voorbeeld hiervan is het vervangen van een beschadigde mast (deel vanaf de nacelle tot aan het transitieplatform) van een offshore monopile windturbine door een nieuwe mast van dezelfde grootte. Hierbij is er geen groter nadeel voor het milieu dan het nadeel dat al beoordeeld werd in de vergunning. Het vervangen van een mast door één van een grotere hoogte kan mogelijk wel een groter nadeel veroorzaken voor het milieu zodat er kan besloten worden dat dit geen ingreep betreft. Artikel 97 regelt de procedure voor het wijzigen van de vergunning, waarbij een vereenvoudigde procedure wordt voorzien doordat er geen volledig nieuw milieueffectbeoordelingsrapport moet worden opgesteld. Wijziging van de vergunning wordt in artikel 3, 37° gedefinieerd als elke verandering van de voorwaarden die tot gevolg kan hebben dat het nadeel aan het marien milieu groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst of elke niet-substantiële verandering aan de vergunde activiteit die als gevolg kan hebben dat het nadeel aan het marien milieu groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst. Indien bijvoorbeeld de vergunninghouder de voorwaarde inzake de locatie van een tijdelijke stockageplaats voor sediment wil wijzigen, zal hij daarvoor een wijziging van de vergunning moeten aanvragen. Artikel 3, 38° definieert "niet-substantieel" als "niet essentieel of geen belangrijke weerslag op de vergunde activiteit". Het is de bedoeling om een zekere beoordelingsmarge te behouden om te evalueren welke veranderingen een wijziging van de vergunning behoeven en welke een volledig nieuwe vergunningsaanvraag. Een voorbeeld van "niet essentieel of geen belangrijke weerslag": de activiteit blijft een windmolenpark, maar de vergunninghouder wil een monopile fundering wijzigen in een gravity based fundering. Dit heeft geen belangrijke weerslag op de vergunde activiteit omdat deze activiteit blijft bestaan uit de productie van energie door een windmolenpark met hetzelfde vermogen. Qua inname van de bodem geeft dit wel een groter nadeel voor het milieu dan de oorspronkelijk vergunde monopile dus is een wijziging van de vergunning nodig. Een voorbeeld van "essentieel": er is een vergunning verkregen voor de uitbating van een windpark, dus voor de productie van windenergie. De vergunninghouder wil daarna ook een omzetting doen naar de productie van waterstof. Dit is een totaal andere activiteit dan een windpark, zodat er geen wijziging van de vergunning mogelijk is en er dus een nieuwe vergunningsaanvraag moet worden aangevraagd. Artikel 98 regelt het geval waarin een bestaande activiteit vergunningsplichtig wordt. Artikel 99 regelt de overdracht van de vergunning. Artikel 100 en volgende bevatten specifieke bepalingen inzake de milieuvergunning continentaal plat. Hierbij wordt de "gewone" milieuvergunningsprocedure uit titel 5, hoofdstuk I grotendeels volledig overgenomen, waarbij in de artikelen 101 en volgende uitzonderingen worden voorzien op deze gewone procedure. Artikel 101 voorziet een afwijking op artikel 57, § 4, omdat bij de vergunning continentaal plat geen monitoringsmaatregelen worden opgelegd in het kader van de MMM-wet en dus ook geen retributie wordt betaald. Artikel 3, § 4 van de wet continentaal plat regelt immers dat de exploratie en exploitatie van minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en van de ondergrond worden onderworpen aan een continue monitoring. De uitvoering van deze continue monitoring wordt onderworpen aan een vergoeding, die zal worden bepaald door een ander koninklijk besluit in uitvoering van artikel 3, § 4 van de wet continentaal plat. Door het aparte systeem van de vergoeding voor de continue monitoring, zijn de bepalingen inzake monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken van de gewone milieuvergunningsprocedure niet van toepassing op de vergunning continentaal plat. Artikel 102 regelt het advies van de Raadgevende Commissie Zand en Grind in plaats van de Raadgevende Commissie voor de gewone procedure. Artikel 103 regelt de adviesmogelijkheden van de dienst Continentaal Plat, hetgeen een extra advies is in vergelijking met de gewone procedure, naast het advies van de dienst Marien Milieu. Artikel 104 sluit de bepalingen inzake de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken van de gewone vergunningsprocedure uit en verwijst naar de continue monitoring voorzien onder de wet continentaal plat. Aan deze continue monitoring worden gevolgen gekoppeld door artikel 104 paragraaf 2 en volgende, zoals dat met de resultaten van de continue monitoring rekening wordt gehouden bij het besluit over het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden of om te beslissen om tot schorsing of opheffing van de vergunning continentaal plat over te gaan. Artikel 105 regelt de duur van de vergunning continentaal plat. Artikel 106 tot en met 108 regelt de procedure voor de acties voor natuurherstel of -beheer, in uitvoering van artikel 16, § 4 van de wet. Artikel 109 bevat de regels inzake verwerking van de persoonsgegevens. Artikel 110 bevat een bepaling inzake het beheer van het Fonds Leefmilieu. Artikel 111 bevat de opheffingsbepalingen. De artikelen 112 en 113 bevatten de overgangsbepalingen. Indien een aanvraag reeds werd ingediend voor de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit, blijven de oude regels van de in de aanhef vermelde besluiten van kracht en wordt de vergunning verleend met toepassing van de oude regels en procedures. Ook indien een procedure tot wijziging, schorsing of opheffing onder de oude regels werd opgestart door een ontwerpbesluit of indien een aanvraag tot verlenging, overdracht of wijziging reeds werd ingediend voor de tiende dag na bekendmaking, zijn deze procedures verder te behandelen volgens de oude regels. Zo dienen er niet halverwege een procedure tot verlenen van een vergunning nieuwe bepalingen te worden toegepast. Dit zou voor onnodige verwarring en rechtsonzekerheid zorgen. Uit artikel 113 volgt dat indien een toelating, goedkeuring of vergunning reeds werd afgeleverd voor de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit, de nieuwe regels van dit besluit gelden in het geval de minister bijvoorbeeld de voorwaarden van een vergunning wil wijzigen na de tiende dag na bekendmaking. Verder wordt onder meer bepaald dat, ook al werd een oorspronkelijke vergunning verleend voor de inwerkingtreding van dit besluit, dan toch de nieuwe regels gelden indien men bijvoorbeeld na inwerkingtreding van dit besluit een wijziging van de vergunning wil aanvragen. In het geval van artikel 112, § 1, wordt de vergunning verleend overeenkomstig de regels die op het moment van het indienen van de aanvraag van toepassing waren. Indien bijvoorbeeld een vraag tot overdracht van de in dit geval afgeleverde vergunning wordt ingediend na de inwerkingtreding van dit besluit, dan wordt deze procedure tot overdracht overeenkomstig de regels van dit besluit behandeld. Artikel 114 regelt de inwerkingtreding, waarbij een uitzondering wordt voorzien voor de bepalingen inzake de vergunning continentaal plat. Hiervoor dient een besluit inzake de concessie voor de exploratie en exploitatie van minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en van de ondergrond aangepast te worden. De inwerkingtreding van titel 5, hoofdstuk II en artikel 111, 4° zal dus pas plaatsvinden door een regeling in het koninklijk besluit dat deze concessie regelt en uiterlijk op 31 december 2024. Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Economie, P.-Y. DERMAGNE De Minister van Noordzee, P. VAN TIGCHELT De Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid, T. DERMINE RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving Advies 75.293/16 van 2 februari 2024 over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende de procedure tot instelling van mariene beschermde gebieden, tot Natura 2000-toelating en Natura 2000-goedkeuring en tot milieuvergunning in de Belgische zeegebieden' Op 4 januari 2024 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Noordzee verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende de procedure tot instelling van mariene beschermde gebieden, tot Natura 2000-toelating en Natura 2000-goedkeuring en tot milieuvergunning in de Belgische zeegebieden'. Het ontwerp is door de zestiende kamer onderzocht op 23 januari 2024. De kamer was samengesteld uit Pierre LEFRANC, wnd. kamervoorzitter, Toon MOONEN en Tim CORTHAUT, staatsraden, Johan PUT, assessor, en Eline YOSHIMI, griffier. Het verslag is uitgebracht door Lennart NIJS, adjunct-auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Tim CORTHAUT, staatsraad. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 2 februari 2024. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. STREKKING VAN HET ONTWERP 2. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt tot een herziening van de procedure tot instelling van mariene beschermde gebieden (de mariene reservaten en Natura 2000-gebieden), en de beschermingsdoelstellingen, respectievelijk instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen die daar gelden (artikelen 9 tot 19)1.Het ontwerp bepaalt de procedure voor het aanvragen van een Natura 2000-toelating (artikelen 20 tot 31), een milieuvergunning, zoals bedoeld in artikel 16, §§ 1 en 2, van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten `ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden' (artikelen 47 tot 85)2, of een milieuvergunning voor de exploratie en de exploitatie van de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en van de ondergrond, zoals bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 13 juni 1969 `inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat' (artikelen 100 tot 105), alsook de procedure voor het verkrijgen van een Natura 2000-goedkeuring (artikelen 32 tot 43). Het ontwerp regelt ook de monitoring van de mariene beschermde gebieden (artikelen 44 tot 46), de monitoring en permanente milieueffectenonderzoeken van activiteiten (artikelen 86 tot 88 en 104) en de mogelijkheid tot wijziging of uitbreiding van de milieuvergunningsvoorwaarden, de schorsing of opheffing (artikelen 89 tot 94) en het verval (artikel 95) van de milieuvergunning. Het te nemen besluit zal in de plaats komen van het koninklijk besluit van 7 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014212 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 05/11/2003 numac 2003022881 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 76, § 3, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022905 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 70, § 4, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 24/11/2003 numac 2003000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van de wet van 26 maart 2003 tot aanvulling van artikel 42 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, teneinde een leemte te verhelpen inzake het verlof voorafgaand aan de pensionering van de leden van de gemeentepolitie die worden aangewezen voor een mandaatfunctie bij de federale politie type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022904 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen sluiten `houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België', het koninklijk besluit van 9 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014213 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene-milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 29/09/2003 numac 2003014225 bron federale overheidsdienst financien en programmatorische federale overheidsdienst activabeheer Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de raad van bestuur en de directeur-generaal van de Nationale Delcrederedienst sluiten `houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België', het koninklijk besluit van 27 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten3 `betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden'3 en het koninklijk besluit van 21 oktober 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten4 `houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat', waarvan artikel 111 van het ontwerp de opheffing beoogt. De artikelen 112 en 113 van het ontwerp bevatten de overgangsregeling. Artikel 114 regelt de inwerkingtreding van het te nemen besluit. RECHTSGROND 3. Voor het ontwerp wordt rechtsgrond gezocht in artikel 3, §§ 1, en 3 tot 5, van de wet van 13 juni 1969 `inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat', de artikelen 6, 8, §§ 1 en 3, 9, 10, § 2, 11, 12, 16, §§ 4 en 5, 17, 19, 20, § 1, en 21,tot 23 van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten `ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden', alsook in artikel 108 van de Grondwet, in samenhang gelezen met sommige van die bepalingen. Hierbij zijn de hiernavolgende opmerkingen te maken. 3.1. Artikel 16, § 5, van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten bepaalt dat de Koning nadere regels kan vaststellen voor hetgeen bepaald is in de eerste, tweede en vierde paragraaf van dat artikel. De verwijzing naar artikel 16, § 4, kan dan ook uit de aanhef worden weggelaten. 3.2. Artikel 111 van het ontwerp bevat de opheffingsbepaling. Blijkens de door de gemachtigde bezorgde rechtsgrondentabel zoekt deze bepaling rechtsgrond in de artikelen 16, § 5, 17 en 23 van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten, alsook in artikel 3, §§ 1 en 3 tot 5, van de wet van 13 juni 1969. Het op te heffen koninklijk besluit van 7 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014212 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 05/11/2003 numac 2003022881 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 76, § 3, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022905 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 70, § 4, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 24/11/2003 numac 2003000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van de wet van 26 maart 2003 tot aanvulling van artikel 42 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, teneinde een leemte te verhelpen inzake het verlof voorafgaand aan de pensionering van de leden van de gemeentepolitie die worden aangewezen voor een mandaatfunctie bij de federale politie type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022904 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen sluiten `houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België' (1° ), het op te heffen koninklijk besluit van 9 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014213 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene-milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 29/09/2003 numac 2003014225 bron federale overheidsdienst financien en programmatorische federale overheidsdienst activabeheer Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de raad van bestuur en de directeur-generaal van de Nationale Delcrederedienst sluiten `houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België' (2° ), en het op te heffen koninklijk besluit van 27 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten3 `betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden' (3° ) vinden rechtsgrond in de wet van 20 januari 1999 `ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België'4, die zelf werd opgeheven door artikel 67 van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten. De rechtsgrond voor die opheffingen wordt dan ook geboden door artikel 108 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 67 van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten. Die laatste bepaling moet bijgevolg aan de aanhef worden toegevoegd.5 4. Luidens de artikelen 23, § 2, en 26 van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten "kan" een retributie worden geheven om de kosten van het vereiste onderzoek, de monitoringsprogramma's en de permanente milieueffectenonderzoeken te dekken, respectievelijk voor het beheer van de aanvraag en de uitvoering van de vergunning of toelating vermeld in artikel 25 van de voormelde wet, met inbegrip van de onderzoeken door of in opdracht van de bevoegde overheid. De artikelen 8, 25, 37, 46, 58, 59 en 88 van het ontwerp strekken ertoe uitvoering te geven aan die machtigingen. Artikel 25 betreft de vergoeding voor het uitvoeren van de passende beoordeling in het kader van de aanvraag tot Natura 2000-toelating. Artikel 37 betreft de vergoeding voor het uitvoeren van de passende beoordeling in het kader van de aanvraag tot Natura 2000-goedkeuring. Artikel 46 regelt de vergoeding die verschuldigd is voor de monitoring, opgelegd als voorwaarde bij het verlenen van een Natura 2000-toelating of -goedkeuring. De artikelen 58 en 59 hebben betrekking op de vergoeding voor het uitvoeren van het onderzoek in het kader van de vergunningsaanvraag, met inbegrip van de milieueffectbeoordeling en desgevallend de passende beoordeling (die wordt opgemaakt in kader van de aanvraag tot Natura 2000-toelating). Artikel 88 tot slot heeft betrekking op de vergoeding voor de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken, opgelegd als vergunningsvoorwaarden. 4.1. Artikel 37 van het ontwerp voorziet in een retributie, te betalen door de initiatiefnemer van een plan, voor het behandelen van de aanvraag tot Natura 2000-goedkeuring. De artikelen 23, § 2, en 26 van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten voorzien enkel in de mogelijkheid tot het heffen van een retributie ten laste van de aanvrager van een vergunningsplichtige activiteit om de kosten van het vereiste onderzoek, de monitoringsprogramma's en de permanente milieueffectonderzoeken te dekken, respectievelijk ten laste van de aanvrager voor het beheer van de aanvraag en de uitvoering van de vergunning of toelating. Er is geen rechtsgrond voorhanden voor het heffen van retributies, verschuldigd voor het onderzoek en behandelen van de aanvraag tot Natura 2000-goedkeuring in het kader van de opmaak van een plan. Ook het in de rechtsgrondentabel door de gemachtigde aangevoerde artikel 12 van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten, dat de Koning machtigt om de nadere regels voor onder meer het goedkeuren van een plan vast te stellen, kan het ontworpen artikel 37 niet tot rechtsgrond strekken.6 Deze bepaling dient dan ook uit het ontwerp te worden weggelaten.7 4.2. Daarbij wordt eraan herinnerd dat een retributie een geldelijke vergoeding moet zijn van een dienst die de overheid presteert ten voordele van de heffingsplichtige,8 individueel beschouwd, en een louter vergoedend karakter moet hebben, zodat er een redelijke verhouding moet bestaan tussen de kostprijs of de waarde van de verstrekte dienst en het bedrag dat de heffingsplichtige verschuldigd is.9 Bij gemis van een zodanige verhouding verliest de retributie haar vergoedend karakter en wordt zij van fiscale aard. 4.3. De gemachtigde lichtte de bedragen van de retributies als volgt toe: "Het tarief van 692 euro is gebaseerd op het intern cost model dat door de directieraad van het KBIN elk jaar wordt vastgelegd. Dit is een gemiddeld tarief waarmee zowel administratieve mandagen als wetenschappelijke mandagen mee gedekt worden. De index refereert naar het basisbedrag consumptieprijzen. De vergoeding van 50 euro is te bekijken als een administratieve dossieropeningskost." Voor wat betreft de retributies opgelegd bij de artikelen 25, 58 en 59, lijkt de redelijke verhouding tussen de kostprijs of de waarde van de dienst en het bedrag van de heffing te kunnen worden aanvaard. Deze retributies vinden bijgevolg rechtsgrond in de artikelen 23, § 2, en 26 van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten. Die laatste bepaling ontbreekt echter in de aanhef, en zal dus aan het derde lid ervan moeten worden toegevoegd. 4.4.1. Dit ligt evenwel anders voor de heffingen die aan de orde zijn in de artikelen 46 en 88 van het ontwerp. In advies 71.158/1 van 13 mei 2022 merkte de afdeling Wetgeving reeds het volgende op met betrekking tot de retributie voorzien in artikel 26 van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten: "57. In artikel 26 van het voorontwerp wordt voorzien in de heffing van een retributie voor het beheer van de aanvraag en de uitvoering van de vergunning of toelating vermeld in artikel 25, met inbegrip van de onderzoeken door of in opdracht van de bevoegde overheid. De kosten die de overheid oploopt bij het onderzoek van een vergunningsaanvraag kunnen als een retributie worden verhaald op de aanvrager wanneer die zelf een voordeel ontleent aan die vergunning en wanneer dat onderzoek ertoe strekt om na te gaan of aan alle vergunningsvoorwaarden is voldaan. Dat impliceert evenwel nog niet dat de financiering van het algemeen overheidstoezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden door de overheid middels retributies zonder meer kan worden afgewenteld op de vergunninghouders. Aangezien de concrete invulling van `de onderzoeken door of in opdracht van de bevoegde overheid' en `de uitvoering van de vergunning of toelating' niet geheel duidelijk is, beschikt de afdeling Wetgeving niet over voldoende gegevens om te beoordelen of in casu kan worden gesproken van een retributie. Mocht deze laatste niet uitsluitend een vergoedend karakter hebben zou de betrokken heffing een fiscaalrechtelijk karakter verwerven dat als gevolg zou hebben dat de wetgever zelf bepaalde elementen ervan zou moeten regelen en dat de ontworpen bepaling in het licht daarvan zou moeten worden aangevuld." 4.4.2. Een heffing die niet de tegenprestatie vormt van een dienst waarvan de heffingsplichtige de begunstigde zou zijn, maar die een vorm van financiering uitmaakt van het algemeen overheidstoezicht als taak die wordt uitgeoefend ten voordele van de gemeenschap, is een belasting en geen retributie.10 Het uitvoeren van een inspectie in het kader van het behandelen van een vergunningsaanvraag, of een andere inspectie die op één of andere wijze op aanvraag van de heffingsplichtigewordt verricht, zijn diensten die de overheid presteert ten voordele van de aanvrager, zodat de bijdragen daarvoor kunnen worden beschouwd als retributies.11 Dat impliceert evenwel nog niet dat ook de financiering van het algemeen overheidstoezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden door de overheid middels retributies zonder meer kan worden afgewenteld op de vergunninghouders.12 Gelet op het voorgaande moet voor wat betreft de heffingen die worden opgelegd bij de artikelen 46 en 88 van het ontwerp (en die aldaar zijn aangeduid als "retributie") een voorbehoud worden gemaakt. Ook de opmerkingen 5 en 20 dienen onder dit voorbehoud te worden gelezen. 5.De artikelen 46, § 4, en 88, § 4, van het ontwerp bepalen dat de Natura 2000-toelating, de Natura 2000-goedkeuring, respectievelijk de vergunning13 kan worden geschorst of opgeheven, dan wel de geldingsduur ervan ingekort, bij gebrek aan tijdige betaling van de retributie en na ingebrekestelling.14 Deze regeling staat op gespannen voet met artikel 22 van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten (dat voor artikel 88 mede als rechtsgrond wordt aangehaald), luidens hetwelk een vergunning kan worden opgeschort, opgeheven of ingetrokken indien uit het monitoringsprogramma of de permanente milieueffectonderzoeken blijkt dat zich nieuwe nadelige gevolgen of schade voor het marien milieu hebben voorgedaan. De wet voorziet niet in gelijkaardige mogelijkheden bij het niet-tijdig betalen van retributies. Die sanctie op het niet betalen van de retributie moet bijgevolg telkens worden weggelaten. ALGEMENE OPMERKINGEN A. Duidelijkheid van de regeling - verslag aan de Koning 6. Het om advies voorgelegde ontwerp voorziet in de gedeeltelijke (soms in afwijkende bewoordingen)15 omzetting van diverse Europese richtlijnen, waarbij enerzijds de regeling inzake de passende beoordeling en het verkrijgen van een toelating, respectievelijk goedkeuring voor activiteiten en plannen in Natura 2000-gebieden, en anderzijds de aanvraagprocedure voor een milieuvergunning of vergunning continentaal plat (met inbegrip van de vereiste milieueffectbeoordeling) wordt vastgesteld.Sommige van deze aspecten zijn met elkaar verweven, waarbij niet steeds duidelijk is hoe ver deze verwevenheid strekt. 6.1. Zo bepaalt artikel 21, § 2, van het ontwerp dat indien voor een project zowel een Natura 2000-toelating als een vergunning of een vergunning continentaal plat nodig is, het behandelen van een Natura 2000-toelating verloopt "volgens de termijnen" bepaald voor de procedure voor het verkrijgen van een vergunning. De gemachtigde lichtte de verhouding tussen de procedure tot het verkrijgen van een Natura 2000-toelating en een vergunning als volgt toe:16 "Voor de integratie van deze twee procedures, in uitvoering van artikel 2, lid 3 van de project-MER richtlijn, is besloten dat de aanvraag tot Natura 2000-toelating herkenbaar geïntegreerd wordt in het milieueffectenbeoordelingsrapport zodat er maar één aanvraagprocedure nodig is. De BMM maakt een gemotiveerde conclusie op en maakt tegelijkertijd de passende beoordeling op. De minister neemt dan ook beide besluiten tot milieuvergunning en tot Natura 2000-toelating op hetzelfde moment, zodat de aanvrager beide tegelijk kan ontvangen. Het is dus de bedoeling om deze gelijktijdig te behandelen om de administratieve last voor aanvragers te verlagen, maar de inhoud en beoordeling apart te houden door de aparte doelstellingen die beoogd worden (zie vorige vraag): er wordt dus een apart document `ontwerp passende beoordeling' door de aanvrager opgesteld, een apart document `passende beoordeling' door BMM en een apart ministerieel besluit tot Natura 2000-toelating. Dit betekent dat de termijnen voor het behandelen van een Natura 2000-toelating gelijkgeschakeld worden met de termijnen van de milieuvergunning (de Natura 2000-toelating volgt de termijnen van de milieuvergunning). In de praktijk kan er immers wel informatie uit bv. de passende beoordeling nuttig blijken voor de milieuvergunning ondanks de afzonderlijke doelstellingen. Wel moet de procedure zelf van artikel 21 e.v. nog steeds gevolgd worden: screeningsnota, inhoud ontwerp passende beoordeling volgens artikel 23, retributie, nemen van de beslissing en afwijkingsmogelijkheid artikel 29." 6.2. Zoals in opmerking 7 wordt uiteengezet, wordt in verschillende bepalingen van het ontwerp voorzien in de omzetting van Europese richtlijnen, waarbij een afwijkend begrippenkader wordt gehanteerd. Uit de toelichting die door de gemachtigde op deze punten werd verschaft, blijkt dat zulks doorgaans is ingegeven door het oogmerk om de begrippen en bepalingen van de omgezette richtlijnen te verduidelijken, zonder aan hun draagwijdte te willen tornen. Dat blijkt evenwel niet steeds duidelijk uit de gehanteerde bewoordingen, zodat deze werkwijze tot rechtsonzekerheid aanleiding kan geven. 6.3 Meer algemeen moet worden opgemerkt dat het te nemen besluit een nieuw basisbesluit wordt waarin verschillende bestaande regelingen worden geïntegreerd, en waarin verschillende belangrijke beleidskeuzes worden gemaakt. Zoals uit de onderstaande artikelsgewijze bespreking zal blijken, moeten een aantal van die keuzes bijkomend worden toegelicht en verantwoord. 6.4. Bijgevolg zullen de stellers van het ontwerp een verslag aan de Koning moeten opstellen ter aanvulling van het te nemen besluit, waarin deze aspecten nader worden toegelicht. B. Overeenstemming met internationale en Europese rechtsinstrumenten 7. Het ontwerp voorziet in de gedeeltelijke omzetting van diverse Europese richtlijnen.17 7.1. In de omzetting van, en verwijzing naar, deze richtlijnen zijn een aantal onnauwkeurigheden geslopen. Bij wijze van voorbeeld kan gewezen worden op de verwijzingen naar richtlijn 92/43/EEG in de Nederlandse taalversie van artikel 1, § 1, en artikel 3, 15°, van het ontwerp, die dienen te worden verbeterd.18 Bovendien moet in artikel 3, 31°, van het ontwerp ook de omschrijving van het verdrag `inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband', gedaan te Espoo op 25 februari 1991 (hierna: Verdrag van Espoo) worden verbeterd.19 7.2. Daarenboven worden een aantal begrippen omgezet met een afwijkende draagwijdte (zie opmerkingen 7.3 tot 7.5), terwijl andere begrippen worden geparafraseerd (zie bijvoorbeeld artikel 3, 18° en 19°, van het ontwerp; zie ook artikel 23, § 2, waar sprake is van het "in gedrang brengen" van de instandhoudingsdoelstellingen). Het verdient in het algemeen aanbeveling de in een richtlijn gebruikte terminologie over te nemen in het nationale recht,20 tenzij in de nationale rechtsorde een andere, meer tot het courante taalgebruik behorende term wordt gebruikt waarvan de betekenis samenvalt met die van de term uit de richtlijn. In de andere gevallen bestaat er kans op verwarring als de terminologie van de richtlijn niet letterlijk wordt overgenomen. Het gebruik van een andere term is in principe ook mogelijk wanneer die een bredere betekenis heeft dan de in de richtlijn gebezigde term en de bepalingen van de richtlijn zich daar niet tegen verzetten. In dat geval is de nationale regeling breder dan de door de richtlijn beoogde regeling. Hoewel lidstaten bijgevolg niet a priori tot letterlijke omzetting zijn verplicht en eventueel een analoog begrippenkader kunnen hanteren dat nauwer aansluit bij de eigenheid van de nationale rechtsorde, moet er wel op worden toegezien dat daarmee geen onduidelijke, onjuiste of onvolledige omzetting van de richtlijn wordt bewerkstelligd. 7.3.1. Zo blijkt de term "plan", gedefinieerd in artikel 3, 11°, van het ontwerp, bedoeld om aansluiting te zoeken bij de term "plannen en programma's" in de zin van artikel 2, a), van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 `betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's'.21 Richtlijn 2001/42/EG wordt evenwel niet omgezet door het ontwerp, en op de vraag of het begrip "plan" in de zin van de Habitatrichtlijn een analoge draagwijdte heeft aan het begrip "plannen en programma's" in de zin van richtlijn 2001/42/EG, bestaat nog geen eenduidig antwoord.22 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin het Hof het verband tussen het begrip "project" in de (toenmalige)23 richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 `betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten', respectievelijk richtlijn 2011/92/EU en hetzelfde begrip in de Habitatrichtlijn verduidelijkte, blijkt echter minstens voor wat projecten betreft dat het begrip "projecten" in de zin van de Habitatrichtlijn ruimer dient te worden uitgelegd. Het begrip "project" in de zin van de richtlijnen 85/337/EG, respectievelijk 2011/92/EU werd daarbij wel relevant geacht voor de verduidelijking van het begrip "plan of project" in de zin van de Habitatrichtlijn,24 maar het gegeven dat een activiteit niet onder de notie "project" in het kader van de richtlijnen inzake milieueffectbeoordeling kan worden gebracht, neemt op zichzelf niet weg dat deze activiteit kan worden gekwalificeerd als een "plan of project" in de zin van de Habitatrichtlijn.25 De stellers van het ontwerp moeten in het licht hiervan de invulling van het begrip "plan" heroverwegen, en minstens de door hen beoogde draagwijdte ervan toelichten in het verslag aan de Koning. 7.3.2. Tevens worden de definities van "staat van instandhouding van een natuurlijke habitat" en "staat van instandhouding van een soort" uit artikel 1, e), en i), van de Habitatrichtlijn herwerkt, en onder artikel 3, 17°, van het ontwerp in een eengemaakt begrip "staat van instandhouding" gegoten. De gemachtigde lichtte deze keuze als volgt toe: "Voor de leesbaarheid werden deze twee definities samengenomen, zodat artikel 15 ook eenvoudiger kon geschreven worden voor zowel habitats als soorten." De in artikel 3, 17°, van het ontwerp gehanteerde eengemaakte definitie lijkt echter niet voldoende oog te hebben voor de onderscheidende kenmerken in de definities zoals deze zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn. Zo heeft de "staat van instandhouding" enkel betrekking op de invloeden op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende soorten, terwijl de "staat van instandhouding van een soort" overeenkomstig de Habitatrichtlijn betrekking heeft op "het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken". Ook de zinsnede "invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort" wordt niet correct tot uiting gebracht in artikel 3, 17°, van het ontwerp. Het verdient aanbeveling een nauwere aansluiting te behouden met de begrippen zoals gedefinieerd in de Habitatrichtlijn, en de beoogde draagwijdte van die begrippen toe te lichten in het verslag aan de Koning. 7.3.3. Artikel 3, 21°, van het ontwerp stipuleert dat onder de te beschermen soorten ook "de trekvogels die geregeld voorkomen in de zeegebieden en die niet in bijlage I van de Vogelrichtlijn worden vermeld" worden begrepen. Gevraagd over welke trekvogels het dan gaat en waarom met een dergelijke open definitie wordt gewerkt, antwoordde de gemachtigde: "Om zoveel mogelijk vogels onder de definitie te brengen: er zijn ook trekvogels die niet in bijlage I worden vermeld maar wel moeten worden beschermd volgens artikel 4 lid 2 van de Vogelrichtlijn `de lidstaten nemen soortgelijke maatregelen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels'." Aangezien de instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen die moeten worden genomen afgestemd zullen moeten worden op de te beschermen soorten die aanwezig zijn boven het zeegebied, verdient het aanbeveling deze in het ontwerp te identificeren, of minstens in het verslag aan de Koning aan de hand van voorbeelden te verduidelijken op welke soorten wordt gedoeld. 7.4. Artikel 13, § 2, van het ontwerp stelt dat elke federale overheidsdienst de "nodige maatregelen" neemt om "elke verslechtering" van de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten en elke significante verstoring van de te beschermen soorten te vermijden in de gebieden waarvoor de "Europese procedure tot aanduiding als gebied van communautair belang loopt". Deze bepaling vormt de gedeeltelijke omzetting van artikel 4, lid 5, in samenhang gelezen met artikel 4, lid 2, derde alinea, en artikel 6, lid 2, van de Habitatrichtlijn, overeenkomstig welke bepalingen de lidstaten, vanaf het ogenblik van de opname van een gebied op de lijst van gebieden van communautair belang door de Europese Commissie, passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen, voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van de richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben. 7.4.1. De zinsnede "gebieden waarvoor de Europese procedure tot aanduiding als gebied van communautair belang loopt" verruimt de beschermingsperiode waarin de Habitatrichtlijn voorziet. Een dergelijke uitbreiding van de beschermingsperiode kan dan ook worden gebillijkt. 7.4.2. Gevraagd welke juridische draagwijdte toekomt aan de zinsnede "neemt de nodige maatregelen", antwoordde de gemachtigde: "Het valt te lezen als een doelstellingsbepaling. Ook zou de nuance in dit artikel moeten worden opgenomen dat dit `binnen de hun toegewezen bevoegdheden' van de federale overheidsdiensten moet zijn. Rekening houdend met deze vraag, kan worden ingevoegd dat elke federale overheidsdienst `zoveel mogelijk' de nodige maatregelen neemt `binnen de haar toegewezen bevoegdheid' om elke verslechtering ... te vermijden." Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie is echter meermaals gebleken dat het verslechteringsverbod van artikel 6, lid 2, van de Habitatrichtlijn dient te worden begrepen als een resultaatsverbintenis, en niet als een - zoals de stellers van het ontwerp schijnen te veronderstellen - eerder vrijblijvende doelstellingsbepaling.26 De door de gemachtigde voorgestelde aanvulling met de zinsnede "zoveel mogelijk" kan dan ook niet worden aanvaard. 27 7.4.3. Gewezen op de discrepantie in de gehanteerde terminologie "verslechtering" in de Habitatrichtlijn versus "elke verslechtering" in het ontwerp, stelde de gemachtigde: "Dit moet gezien worden als een verduidelijking in plaats van een verstrenging. De Habitatrichtlijn stelt in artikel 6, 3 dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de kwaliteit `niet verslechtert'. `Elke verslechtering' vonden we duidelijker dan `niet verslechtert'." Deze formulering lijkt wel in lijn te liggen met de draagwijdte die het Hof van Justitie aan artikel 6, lid 2, van de Habitatrichtlijn toedicht, zodat deze kan worden aanvaard. 7.5. Artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn bepaalt dat wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of prioritaire soort is, alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen worden aangevoerd om een plan of project bij ontstentenis van alternatieve oplossingen alsnog uit te voeren, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied. Artikel 29, § 1, 2°, tweede lid, van het ontwerp bepaalt dat het project "significante gevolgen [moet hebben] voor een prioritaire natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort", en dus niet voor "een gebied met een prioritair type habitat of soort." Dit verschil dient te worden weggewerkt.28 8. Het ontwerp is op diverse punten niet in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag van Espoo (opmerking 8.1) en het verdrag `betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden', gedaan te Aarhus op 25 juni 1998 (hierna: Verdrag van Aarhus; opmerking 8.2). 8.1. Artikel 2, lid 8, van het Verdrag van Espoo bepaalt dat "[d]e bepalingen van dit Verdrag (...) geen afbreuk [doen] aan het recht van partijen nationale wetten, regelingen, bestuurlijke bepalingen of algemeen aanvaarde rechtspraktijken toe te passen ter bescherming van informatie waarvan de verschaffing schadelijk zou zijn voor industriële geheimen en handelsgeheimen of voor de nationale veiligheid." Zodoende vormt de uitzonderingsgrond, waarin wordt voorzien onder artikel 2, lid 8, van het Verdrag, de "nationale veiligheid" ("sécurité nationale"), en niet, zoals in artikel 68 van het ontwerp bepaald, het aanzienlijk ruimere begrip "openbaar belang" ("intérêt public"). De gemachtigde verklaarde daaromtrent: "De rechtsgrond van dit artikel is artikel 10 van Richtlijn 2011/92, die "openbaar belang" ("public interest") vermeldt." Artikel 10, eerste alinea, van richtlijn 2011/92/EU luidt inderdaad: "De bepalingen van deze richtlijn doen niet af aan de verplichting van de bevoegde instanties tot inachtneming van de door de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de geldende rechtspraktijk opgelegde beperkingen ter bescherming van het industrieel en het handelsgeheim, met inbegrip van de intellectuele eigendom, en van het openbaar belang." Waar het begrip "openbaar belang" in de zin van richtlijn 2011/92/EU een ruimere draagwijdte zou beogen dan het begrip "nationale veiligheid" in de zin van het Verdrag van Espoo, zal, gelet op plicht om het secundaire Unierecht zoveel als mogelijk uit te leggen in overeenstemming met internationale verdragen waarbij de Europese Unie partij is,29 evenwel nog steeds aan deze laatste, striktere, voorwaarde voldaan moeten worden om beperkingen aan te brengen aan de informatie-uitwisseling met andere partijen bij het Verdrag. Dit dient te worden verbeterd. 8.2. Artikel 3, 10°, van het ontwerp definieert het begrip "betrokken publiek" als "elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk kan ondervinden van of belanghebbende is bij elke vorm van besluitvorming over een vergunning; niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en over rechtspersoonlijkheid beschikken worden geacht betrokken publiek te zijn". Artikel 2, lid 5, van het Verdrag van Aarhus bepaalt dat het betrokken publiek moet worden begrepen als "het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming". Daarover bevraagd, antwoordde de gemachtigde: "Het is inderdaad de bedoeling om dit ook toepassing te laten hebben op de vergunning continentaal plat. De woorden `of een vergunning continentaal plat' zullen worden toegevoegd aan deze definitie. De definitie is niet van toepassing op Natura 2000-toelating of -goedkeuring. Hier is niet uitdrukkelijk voorzien wie beroep kan aantekenen zodat de algemene bestuursrechtelijke regels gelden." Met de toevoeging van de woorden "of een vergunning continentaal plat" kan worden ingestemd. Het valt inderdaad op te merken dat de inspraakmogelijkheden geboden worden aan het "publiek",30 en niet aan het "betrokken publiek", zodat dit laatste begrip enkel gebruikt wordt voor het instellen van beroep tegen een vergunning of een vergunning continentaal plat.31 De vraag rijst of het omwille van de duidelijkheid en de coherentie van de regeling niet beter zou zijn de definitie van "betrokken publiek" uit te breiden en in overeenstemming te brengen met deze van het Verdrag van Aarhus, en een gelijkaardige vermelding van de beroepsmogelijkheden te voorzien voor Natura 2000-toelatingen en -goedkeuringen. C. Delegaties 9.1. Volgens artikel 108 van de Grondwet is het maken van de verordeningen die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, in beginsel voorbehouden aan de Koning. Afwijkingen van die principiële regeling, waarbij de Koning verordenende bevoegdheid delegeert aan een minister, worden slechts bestaanbaar geacht met het voornoemde grondwettelijke voorschrift voor zover de toegestane delegaties betrekking hebben op het vaststellen van uitvoeringsmaatregelen van bijkomstige of detailmatige aard. 9.2. Luidens artikel 18 van het ontwerp neemt de minister de nodige instandhoudingsmaatregelen, gericht op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (eerste paragraaf), alsook de "nodige stappen" om elke verslechtering van de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten en elke significante verstoring van de te beschermen soorten te vermijden (tweede paragraaf). Daartoe kan hij "onder meer" acties voor natuurherstel of -beheer ondernemen, en bepaalde activiteiten verbieden of aan voorwaarden onderwerpen (derde paragraaf). Gevraagd naar de bijkomstige of detailmatige aard van deze delegaties, inzonderheid gelet op de enuntiatieve opsomming van bevoegdheden die aan de minister worden gedelegeerd, antwoordde de gemachtigde: "Paragraaf 1 en paragraaf 2 zijn omzettingen van artikel 6 lid 1 en lid 2 van de Habitatrichtlijn. Paragraaf 3 is een verduidelijking van paragraaf 1 en 2 van artikel 18. Op deze manier wordt reeds in detail geregeld welke instandhoudingsmaatregelen de minister mag nemen.De beleidsvrijheid is hierdoor ingeperkt: de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden behaald door de maatregelen, of de maatregelen moeten `elke verslechtering' tegengaan. Enkel in deze twee gevallen kan de minister acties voor natuurherstel of -beheer ondernemen (zoals oesterbankherstel, herstel grindbedden, opruiming wrakken en marien zwerfafval) of indien nodig bepaalde activiteiten verbieden of aan voorwaarden onderwerpen. De situatie op zee is uitzonderlijk. Voor een optimale bescherming van het marien milieu en gelet op het gebrek aan eigendomsrecht op de Noordzee, is de minister praktisch het best geplaatst om te beslissen om over te gaan tot bv. oesterbankherstel of opruiming marien zwerfaval. Het is praktischer en eenvoudiger om de minister de instandhoudingsmaatregelen te laten nemen dan via een koninklijk besluit Er worden hierdoor geen te verregaande delegatie tot stand gebracht omdat de beleidsruimte wordt ingeperkt door hetgeen voorzien in het ontwerp-KB. Indien gewenst kan `2° bepaalde activiteiten verbieden of aan voorwaarden onderwerpen' van artikel 18, § 3 geschrapt worden, aangezien op dit vlak overlap is met de Natura 2000-toelating. Deze woorden `onder meer' zijn ingevoegd om te vermijden dat in de toekomst nog andere instandhoudingsmaatregelen zouden kunnen worden genomen worden die niet opgesomd staan in paragraaf 3. Indien gewenst kan `onder meer' geschrapt worden." Een delegatie aan de minister kan enkel betrekking hebben op bijkomstige of detailmatige aangelegenheden, hetgeen impliceert dat die aangelegenheden exhaustief worden vermeld, wat thans niet het geval is. De aangelegenheden die aan de minister worden gedelegeerd moeten nader worden gepreciseerd. 9.3. Artikel 19, §§ 1 en 6, van het ontwerp machtigen de minister om een ontwerp-beheerplan en een beheerplan vast te stellen of te herzien.32 De gemachtigde lichtte dat als volgt toe: "Het beheerplan bestond reeds in het KB van 7 oktober 2016. Het beheerplan is geen ministerieel besluit, het is een beleids- en communicatiedocument. Een beheerplan wordt algemeen gebruikt binnen het beheer van beschermde gebieden en het gebruik ervan wordt aangeraden door de Europese Commissie. Een beheerplan geeft een stand van zaken aan, verwijst naar de doelen, bundelt alle instandhoudingsmaatregelen voor een bepaald beschermd gebied en kan makkelijk ingezet worden om stakeholders te informeren en te betrekken, onder meer via de publieke raadpleging. In dit ontwerp-KB wordt in detail geregeld wat dat ontwerp-beheerplan moet bevatten. De publieksraadpleging zorgt voor extra controle. Zoals reeds aangegeven is dit geen besluit van de minister dus bevat het geen voor derden bindende verplichtingen." Er rijzen geen bezwaren tegen de opmaak van een dergelijk beheerplan door de minister. Niettemin verdient het aanbeveling om de rol van de minister te verduidelijken in het verslag aan de Koning. ONDERZOEK VAN DE TEKST Aanhef 10. De aanhef dient te worden aangepast in het licht van de opmerkingen 3 tot 5 over de rechtsgrond. Artikel 3 11. Artikel 3 van het ontwerp bevat een aantal overbodige definities. Teneinde de vlotte leesbaarheid van het geheel niet in het gedrang te brengen, zouden deze beter worden geschrapt.33 12. Gevraagd hoe de zinsnede "of elke andere vorm van geschikte digitale communicatie" in artikel 3, 4°, van het ontwerp dient te worden begrepen, antwoordde de gemachtigde: "Technologie is heel vatbaar voor snelle evolutie.Waar momenteel e-mail nog steeds het meest courante communicatiemiddel is, worden er nu ook al vaak dossiers overgemaakt via bv. WeTransfer en Dropbox door de soms omvangrijke aard van dergelijke dossiers. Er wordt dus gepoogd om dergelijke praktijken ook toe te laten, maar te kwalificeren door het woord `geschikt'. Dit dient gelezen te worden als `geschikt en gangbaar in een professionele context', waarbij er toch een intentie is om een dijk te stellen aan bv. vragen of aanvullingen die per sms of WhatsApp-bericht zouden gestuurd te worden. Het limitatief opsommen van bestaande geschikte digitale communicatie zou echter het risico met zich meebrengen dat nieuwe evoluties niet gevat worden of bestaande middelen failliet gaan of naamsveranderingen ondergaan." Er lijkt bijgevolg veeleer te worden gedoeld op "elke andere geschikte vorm van digitale communicatie". De definitie moet in die zin worden geherformuleerd. 13. In artikel 3, 38°, van het ontwerp wordt het begrip "niet-substantieel" gedefinieerd als "niet essentieel of geen belangrijke weerslag [hebbend] op de vergunde activiteit".Gevraagd hoe dit begrip dient te worden begrepen, antwoordde de gemachtigde: "Er worden zeer veel verschillende activiteiten geviseerd door dit KB, en tijdens de uitbating willen vergunninghouders ook veranderingen doorvoeren aan de vergunde activiteit. Het is de bedoeling om een zekere beoordelingsmarge hierover te behouden om te beoordelen welke veranderingen een wijziging van de vergunning behoeven en welke een volledig nieuwe vergunningsaanvraag. Een voorbeeld van `niet essentieel of geen belangrijke weerslag': de activiteit blijft een windmolenpark maar de vergunninghouder wil een monopile fundering wijzigen in een gravity based fundering: dit heeft geen belangrijke weerslag op de vergunde activiteit omdat deze activiteit blijft bestaan uit de productie van energie door een windmolenpark met hetzelfde vermogen. Deze verandering heeft dus `geen belangrijke weerslag'. Qua inname van de bodem geeft dit wel een groter nadeel voor het milieu dan de oorspronkelijk vergunde monopile dus is een wijziging van de vergunning nodig. Een voorbeeld van `essentieel': er is een vergunning verkregen voor de uitbating van een windpark, dus voor windenergie. De vergunninghouder wil daarna ook een omzetting doen naar de productie van waterstof. Dit is een totaal andere activiteit dan een windpark, dus is hier een nieuwe vergunningsaanvraag nodig en is er geen wijziging van de vergunning mogelijk." Ook deze verduidelijking zou best worden opgenomen in het verslag aan de Koning. 14. In artikel 3, 39°, van het ontwerp wordt een definitie opgenomen van de "wet continentaal plat", waarbij verwezen wordt naar de wetshistoriek van deze wet.Hierdoor zou de indruk gewekt kunnen worden dat een statische verwijzing naar deze wet beoogd wordt. De gemachtigde bevestigde dat dit niet het geval is en dat de wetshistoriek uit de definitie zal worden gelicht. Artikel 16 15. Uit artikel 4, lid 4, van de Habitatrichtlijn leidt het Hof van Justitie, mede gelet op de context en het doel van die bepaling, af dat de aanwijzing van speciale beschermingszones en de vaststelling van de instandhoudingsprioriteiten zo spoedig mogelijk moeten plaatsvinden, en in elk geval uiterlijk zes jaar na het moment waarop een gebied volgens de procedure van lid 2 van dit artikel van communautair belang is verklaard.Deze termijn geldt ook voor de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen, aangezien deze noodzakelijk zijn om deze prioriteiten vast te stellen en dus aan de vaststelling daarvan moeten voorafgaan.34 De bij artikel 16 opgelegde termijn voor de aanname van de instandhoudingsdoelstellingen, te weten "ten laatste zes jaar na de definitieve aanwijzing van een Natura 2000-gebied" is hiermee niet in overeenstemming. De gemachtigde stelde daarover het volgende: "Er zal rekening gehouden worden met deze opmerking. We stellen voor om de zinsnede `na de definitieve aanwijzing van een Natura 2000-gebied zoals bepaald in artikel 11, § 5 en artikel 12, § 2' uit artikel 16 te vervangen in `na de definitieve aanwijzing van een speciale beschermingszone voor vogels zoals bepaald in artikel 11, § 4 en ten laatste zes jaar nadat de Europese Commissie een speciale zone voor natuurbehoud van communautair belang heeft verklaard'." Hiermee kan worden ingestemd. Artikel 51 16. Het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport gebeurt door een coördinator die beschikt over "de nodige bekwaamheid".Gevraagd waaruit die bekwaamheid blijkt, en hoe deze kan worden aangetoond, stelde de gemachtigde: "Gelet op de grootte van de projecten en de uitzonderlijke situatie op zee zijn dit in de praktijk studiebureaus met de nodige ervaring met activiteiten op zee en wetenschappelijke kennis van het marien milieu. Artikel 5, lid 3,
  7. a)van de project-MER richtlijn stelt dat de vergunningsaanvrager dient te waarborgen dat het milieueffectbeoordelingsrapport wordt opgesteld door bekwame deskundigen. Het is dus de verantwoordelijkheid van de aanvrager om een coördinator aan te stellen met de nodige bekwaamheid, zodat een kwalitatief en volledig milieueffectbeoordelingsrapport wordt opgesteld dat voldoet aan alle vereisten van artikel 55, om te vermijden dat de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Zonder de nodige kennis van het marien milieu en de specifieke situatie op zee zal de coördinator niet over de nodige bekwaamheid beschikken en zal dit leiden tot een onvolledig milieueffectbeoordelingsrapport dat onontvankelijk zal worden verklaard conform artikel 57." Er worden geen erkenningsvereisten gesteld, zodat de gebezigde formulering kan worden aanvaa

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.