← België

Koninklijk besluit betreffende de procedure tot instelling van mariene beschermde gebieden, tot Natura 2000-toelating en Natura 2000-goedkeuring en to

In het kort

Dit Koninklijk Besluit regelt de procedures voor de instelling van mariene beschermde gebieden, Natura 2000-toelating en -goedkeuring, en milieuvergunningen in de Belgische zeegebieden. Het doel is de bescherming van het mariene milieu en de organisatie van de mariene ruimtelijke planning te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
26 APRIL 2024. - Koninklijk besluit betreffende de procedure tot instelling van mariene beschermde gebieden, tot Natura 2000-toelating en Natura 2000-goedkeuring en tot milieuvergunning in de Belgische zeegebieden VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat U wordt voorgelegd, beoogt uitvoering te geven aan de bepalingen inzake mariene beschermde gebieden en de milieuvergunning van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/2022 pub. 16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden (de MMM-wet). A. Doel en opzet van het besluit Onder de oude wet marien milieu werd de procedure inzake mariene beschermde gebieden (instelling en passende beoordeling) vastgesteld onder het koninklijk besluit van 27 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten3 betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden. Het koninklijk besluit van 7 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014212 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 05/11/2003 numac 2003022881 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 76, § 3, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022905 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 70, § 4, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 24/11/2003 numac 2003000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van de wet van 26 maart 2003 tot aanvulling van artikel 42 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, teneinde een leemte te verhelpen inzake het verlof voorafgaand aan de pensionering van de leden van de gemeentepolitie die worden aangewezen voor een mandaatfunctie bij de federale politie type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022904 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen sluiten houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en het koninklijk besluit van 9 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014213 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene-milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 29/09/2003 numac 2003014225 bron federale overheidsdienst financien en programmatorische federale overheidsdienst activabeheer Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de raad van bestuur en de directeur-generaal van de Nationale Delcrederedienst sluiten houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België vormden de procedureregels voor het verlenen van een milieuvergunning. De bedoeling van dit besluit is om deze procedures te herzien. Voor zand- en grindwinning was er geen aparte milieuvergunningsprocedure voorzien, maar werd een regeling voor milieueffectbeoordeling voorzien in het koninklijk besluit van 21 oktober 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten4 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat (wet continentaal plat). De milieueffectenbeoordeling uit dit besluit vormt een onderdeel van de procedure tot het verkrijgen van een concessie volgens de procedureregels voorzien in het koninklijk besluit van 1 september 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten0 betreffende de voorwaarden en de toekenningsprocedure van concessies voor de exploratie en de exploitatie van de minerale en andere niet-levende rijkdommen in de territoriale zee en op het continentaal plat. Artikel 65 van de MMM-wet heeft artikel 3 van de wet continentaal plat gewijzigd, zodat er naast een concessie ook een milieuvergunning is vereist voor de exploratie en exploitatie van minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en van de ondergrond. Dit besluit regelt dus ook de procedure voor deze milieuvergunning. De bedoeling van dit besluit is dus een samenvoeging en herwerking van vier bestaande besluiten: - het koninklijk besluit van 27 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten3 betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden; - het koninklijk besluit van 7 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014212 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 05/11/2003 numac 2003022881 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 76, § 3, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022905 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 70, § 4, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 24/11/2003 numac 2003000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van de wet van 26 maart 2003 tot aanvulling van artikel 42 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, teneinde een leemte te verhelpen inzake het verlof voorafgaand aan de pensionering van de leden van de gemeentepolitie die worden aangewezen voor een mandaatfunctie bij de federale politie type koninklijk besluit prom. 07/09/2003 pub. 07/10/2003 numac 2003022904 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen sluiten houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België; - het koninklijk besluit van 9 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 17/09/2003 numac 2003014213 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene-milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom. 09/09/2003 pub. 29/09/2003 numac 2003014225 bron federale overheidsdienst financien en programmatorische federale overheidsdienst activabeheer Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de raad van bestuur en de directeur-generaal van de Nationale Delcrederedienst sluiten houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België; - het koninklijk besluit van 21 oktober 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 29/04/1999 pub. 11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten4 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet continentaal plat. De procedures voor mariene beschermde gebieden en voor milieuvergunning worden in overeenstemming gebracht met de MMM-wet en met Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn), de Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn) en de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (project-MER-richtlijn). Ook bepaalde relevante bepalingen van de herziene Richtlijn 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (REDIII-richtlijn) worden omgezet in dit besluit. Dit besluit is een procedureel besluit. De bepalingen betreffen ten eerste de mariene beschermde gebieden. Hieronder valt de procedure betreffende de instelling van mariene reservaten en Natura 2000-gebieden. Ten tweede bevat het de regels voor het vaststellen van instandhoudingsdoelstellingen en instandhoudingsmaatregelen. Ten derde wordt de procedure tot het verkrijgen van een Natura 2000-toelating voor projecten en Natura 2000-goedkeuring voor plannen (passende beoordeling) uiteengezet en de monitoringsmaatregelen die van toepassing zijn voor de mariene beschermde gebieden. Het tweede grote luik betreft de procedure tot het verkrijgen van een milieuvergunning. Dit laatste wordt opgesplitst in de "gewone" milieuvergunningsprocedure en de specifieke bepalingen die van toepassing zijn voor de milieuvergunning continentaal plat. De bestaande procedures worden gestroomlijnd en waar het kan worden termijnen voor adviezen en beslissingen zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. Geïnteresseerden kunnen zo in één besluit terugvinden welke verplichtingen en procedures bestaan in verband met milieu-aangelegenheden in de zeegebieden. De integratie van de termijnen voor behandeling van de milieuvergunning en de Natura 2000-toelating maakt een gemeenschappelijke behandeling van het dossier en een globale beoordeling mogelijk. Dit zorgt ook voor een vereenvoudiging voor de aanvrager en de behandelende en adviserende instanties. B. Artikelsgewijze bespreking 1. Inleidende bepalingen - definities - algemene bepalingen Artikel 1 geeft aan welke Europese richtlijnen worden omgezet. Artikel 2 behoeft geen verder uitleg. Artikel 3 bevat de relevante definities. Die omvatten onder meer verduidelijkingen van de definities uit de verschillende om te zetten Europese richtlijnen, zonder de draagwijdte van deze definities uit de richtlijnen te willen wijzigen. Artikel 3, 4° "digitaal": met deze definitie wordt getracht om de elektronische communicatiemiddelen toe te laten die geschikt en gangbaar zijn in een professionele context (bv. WeTransfer of Dropbox voor omvangrijke bestanden). Berichten op gsm kunnen niet toegelaten worden. Aangezien technologie vatbaar is voor snelle evolutie is er gekozen om de geschikte communicatiemiddelen niet limitatief op te sommen. Anders bestaat immers het risico dat nieuwe evoluties niet gevat worden of bestaande middelen failliet gaan of naamsveranderingen ondergaan. Artikel 3, 6° en 7° "publiek" en "betrokken publiek": deze definities komen uit de project-MER-richtlijn. De definitie "publiek" is ruimer dan het Verdrag van Aarhus, zodat dit aanvaardbaar is. De definitie van "betrokken publiek" is in overeenstemming met het Verdrag van Aarhus. Artikel 3, 8° "project": dit begrip wordt gebruikt voor de procedure van de Natura 2000-toelating en -goedkeuring. Een "activiteit" wordt gebruikt als term onder het hoofdstuk "milieuvergunning". Uit de opsomming van wat onder project moet worden verstaan blijkt dat dit alle activiteiten betreft die vallen onder de milieuvergunningsplicht maar ook breder wordt gezien in het kader van de Natura 2000-toelating. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het begrip "project" in de zin van de project-MER-richtlijn relevant wordt geacht voor de verduidelijking van het begrip "project" in de zin van de Habitatrichtlijn, maar het gegeven dat een activiteit niet onder de notie "project" in het kader van de project-MER-richtlijn kan worden gebracht, neemt op zichzelf niet weg dat deze activiteit kan worden gekwalificeerd als een "project" in de zin van de Habitatrichtlijn. Om te bepalen of dit project al dan niet een Natura 2000-toelating moet verkrijgen, dient de definitie samen gelezen te worden met artikel 20, waarbij bepaald wordt dat een project dat niet direct verband houdt met het beheer van het Natura 2000-gebied en significante gevolgen kan hebben op het Natura 2000-gebied, een Natura 2000-toelating dient aan te vragen. Hierdoor zal bijvoorbeeld niet elk gemotoriseerd varen onder de toelatingsplicht vallen, maar bijvoorbeeld wel een gemotoriseerde sportwedstrijd in of in de buurt van een Natura 2000-gebied. De bewoordingen "invloed op het natuurlijk milieu" werden zo ruim mogelijk genomen om zeker alle projecten te vatten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, in uitvoering van artikel 6,3 van de Habitatrichtlijn. Afhankelijk van de fauna en flora waarvoor bescherming beoogd wordt, kan er immers al dan niet een significant gevolg zijn (de gevolgen van een project op een habitat aanwezig op de zeebodem kan anders zijn dan de impact van datzelfde project op een migrerende vogelsoort boven de zee). Artikel 3, 13° en 14° bevatten de definities van "staat van instandhouding van een habitat" en "staat van instandhouding van een soort", zoals overgenomen uit artikel 1, e), en i), van de Habitatrichtlijn. Artikel 3, 15° en 16° bevatten een overname van de definitie, wanneer de staat van instandhouding van een habitat en de stand van instandhouding van een soort als gunstig wordt beschouwd, uit artikel 1, e) en i) van de Habitatrichtlijn. Artikel 3, 18° "te beschermen soorten": met deze definitie wordt zoveel mogelijk binnen het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn gebleven. Er zijn ook trekvogels in de zeegebieden die niet in bijlage I worden vermeld maar wel moeten worden beschermd volgens artikel 4, lid 2 van de Vogelrichtlijn. Daarom werd de definitie zo open mogelijk gehouden. Wetenschappelijke studies tonen aan dat voor een aantal vogelsoorten op bepaalde tijdstippen meer dan 1% van de populatie voorkomt of verblijft in de Belgische zeegebieden. Dit geeft aan dat deze zeegebieden van wezenlijk belang zijn voor deze vogelpopulaties en dat er bijgevolg maatregelen genomen moeten worden ter bescherming van deze soorten en hun leefgebied. Op basis hiervan worden de fuut, grote mantelmeeuw en kleine mantelmeeuw beschermd. Deze soorten worden niet expliciet vermeld in de definitie van artikel 3, 18° omdat het mogelijk is dat de populaties verschuiven en andere soorten boven de 1% populatie zullen komen. Zo wordt vermeden dat het besluit telkens opnieuw moet worden aangepast. Artikel 3, 19° -21° : deze definities zijn nodig om het begrip Natura 2000-gebied uit de wet verder te verfijnen. Een Natura 2000-gebied kan zowel een speciale zone voor natuurbehoud (ingesteld op basis van de Habitatrichtlijn) als een speciale beschermingszone voor vogels (ingesteld op basis van de Vogelrichtlijn) inhouden. Het onderscheid is nodig voor de duidelijkheid en omdat de instelling van een speciale zone voor natuurbehoud anders is dan een speciale beschermingszone voor vogels. Deze definities worden ook gebruikt in het marien ruimtelijk plan. De term "speciale zone voor natuurbehoud" is een letterlijke vertaling van "special area of conservation" uit artikel 1, l) van de Habitatrichtlijn. Artikel 3, 22° "prioritaire soorten": met deze definitie wordt verwezen naar artikel 1, h) van de Habitatrichtlijn. Artikel 3, 23° - 25° : hier worden de definities gegeven van de verschillende monitoringsmaatregelen die mogelijk zijn onder dit besluit. Deze monitoringsmaatregelen zijn te onderscheiden van toezicht en inspecties van het naleven van de voorwaarden uit de toelating, goedkeuring of vergunning. Artikel 3, 31° : de beslissing I/3 en de appendix vermeld in deze definitie zijn openbaar te raadplegen via: https://unece.org/ environmental-policy/environmental-assessment/points-contact-regarding-notification Artikel 4 behoeft geen verdere uitleg. Artikel 5 en 6 bepalen de manier waarop termijnen berekend worden. Artikel 7, § 1 en § 2 is de omzetting van artikel 9 bis van de project-MER-richtlijn. Artikel 7, § 3 is de omzetting van artikel 5, lid 3, b) van de project-MER-richtlijn. Artikel 8 behoeft geen verder uitleg. 2. Mariene beschermde gebieden Artikel 9 regelt de procedure voor de instelling van een marien reservaat en de beschermingsdoelstellingen en verwijst verder voor de instelling naar de procedure tot aanneming van het marien ruimtelijk plan. Artikel 11 tot en met 14 regelt de procedure tot instelling van een Natura 2000-gebied in uitvoering van artikel 3 en 4 van zowel de Habitatrichtlijn als de Vogelrichtlijn en verwijst verder naar de procedure tot aanneming van het marien ruimtelijk plan. Voor de speciale zones voor natuurbehoud is er nog een aparte aanmelding bij de Europese Commissie nodig. Artikel 15 tot en met 17 regelen de procedure voor het vaststellen van instandhoudingsdoelstellingen. Dit zijn de overkoepelende doelen voor de te beschermen habitats en soorten. Artikel 18 regelt de instandhoudingsmaatregelen. Paragraaf 1 en paragraaf 2 zijn omzettingen van artikel 6 lid 1 en lid 2 van de Habitatrichtlijn. Artikel 18 paragraaf 2 stelt dat de minister de nodige stappen neemt om elke verslechtering tegen te gaan. Dit dient gelezen te worden als zijnde binnen de bevoegdheden die de minister krachtens dit besluit, de wet of andere besluiten heeft om verslechtering te vermijden. De situatie op zee is uitzonderlijk. Voor een optimale bescherming van het marien milieu en gelet op het gebrek aan eigendomsrecht op de Noordzee, is de minister in de praktijk het best geplaatst om te beslissen om over te gaan tot bijvoorbeeld oesterbankherstel of opruiming van marien zwerfaval. Het is praktischer en eenvoudiger om de minister de instandhoudingsmaatregelen te laten nemen dan via een koninklijk besluit te moeten werken. Paragraaf 3 is een verduidelijking van paragraaf 1 en 2 van artikel 18. Op deze manier wordt reeds in detail geregeld welke instandhoudingsmaatregelen de minister mag nemen.De beleidsvrijheid is hierdoor ingeperkt: de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden behaald door de maatregelen, of de maatregelen moeten elke verslechtering tegengaan. In deze twee gevallen kan de minister acties voor natuurherstel of -beheer ondernemen (zoals oesterbankherstel, herstel grindbedden, opruiming van wrakken en van marien zwerfafval). Artikel 19 machtigt de minister om een ontwerp-beheerplan en een beheerplan vast te stellen of te herzien. Dit beheerplan is geen ministerieel besluit, maar is een beleids- en communicatiedocument. Het bevat geen voor derden bindende verplichtingen maar verankert het beleid van de minister. Een beheerplan wordt algemeen gebruikt binnen het beheer van beschermde gebieden en het gebruik ervan wordt aangeraden door de Europese Commissie. Een beheerplan geeft een stand van zaken, verwijst naar de doelen, bundelt alle instandhoudingsmaatregelen voor een bepaald beschermd gebied en kan makkelijk ingezet worden om stakeholders te informeren en te betrekken, onder meer via de publieke raadpleging. Door het beheerplan vast te stellen benadrukt de minister dat de instandhoudingsmaatregelen onderdeel zijn van het gevoerde beleid. In artikel 18 wordt de inhoud van een ontwerp-beheerplan in detail geregeld. De publieksraadpleging zorgt voor extra controle op het beleid. Artikel 20 en volgende regelen de procedure voor het verkrijgen van een Natura 2000-toelating voor projecten die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar wel significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Met de Natura 2000-toelating wordt uitvoering gegeven aan artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn. Met de milieuvergunning wordt uitvoering gegeven aan de project-MER-richtlijn. De milieuvergunning geldt specifiek voor de activiteiten opgesomd in artikel 16, § 1 van de wet. Voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied is een Natura 2000-toelating nodig. Bij een milieuvergunning is het beslissend criterium dus de aard van de activiteiten. Bij een Natura 2000-toelating is het beslissend criterium het vermoeden van een significante impact op een Natura 2000-gebied. Het kan dus gebeuren dat een beoogde activiteit zowel een milieuvergunning als een Natura 2000-toelating nodig heeft (bv. een windmolenpark in een Natura 2000-gebied), enkel een milieuvergunning (bv. het bouwen van een kleine offshore installatie ver buiten een Natura 2000-gebied) of enkel een Natura 2000-toelating nodig heeft (bv. een watersportwedstrijd die plaatsvindt binnen een Natura 2000-gebied). Indien zowel een toelating als een vergunning nodig is, voorziet het besluit de mogelijkheid om deze samen aan te vragen. Bij deze gecombineerde aanvraag volgt de behandeling van de Natura 2000-toelating de termijnen van de procedure van de milieuvergunning. Artikel 21, § 2 toont de verhouding aan tussen de procedure tot het verkrijgen van een Natura 2000-toelating en een milieuvergunning. Voor de integratie van deze twee procedures, in uitvoering van artikel 2, lid 3 van de project-MER-richtlijn, is besloten dat de aanvraag tot Natura 2000-toelating herkenbaar geïntegreerd wordt in het milieueffectenbeoordelingsrapport zodat er maar één aanvraagprocedure nodig is. De BMM maakt een gemotiveerde conclusie op (milieuvergunning) en maakt tegelijkertijd de passende beoordeling (Natura 2000) op. De minister neemt dan ook beide besluiten tot milieuvergunning en tot Natura 2000-toelating op hetzelfde moment, zodat de aanvrager beide tegelijk kan ontvangen. Het is dus de bedoeling om zowel de aanvraag tot Natura 2000-toelating als de aanvraag tot milieuvergunning gelijktijdig te behandelen om de administratieve last voor aanvragers te verlagen. De inhoud en beoordeling van beide aanvragen worden wel apart gehouden door de aparte doelstellingen die beoogd worden: er wordt dus voor de Natura 2000-toelating een apart document `ontwerp passende beoordeling' door de aanvrager opgesteld, een aparte `passende beoordeling' door BMM en een apart ministerieel besluit tot Natura 2000-toelating. Hiervoor worden de termijnen voor het behandelen van een Natura 2000-toelating gelijkgeschakeld met de termijnen van de milieuvergunning (de Natura 2000-toelating volgt de termijnen van de milieuvergunning). In de praktijk kan informatie uit bijvoorbeeld de passende beoordeling immers wel nuttig blijken voor de milieuvergunning ondanks de afzonderlijke doelstellingen. Wel moet de procedure zelf van artikel 21 e.v. nog steeds gevolgd worden: (eventuele) screeningsnota, inhoud ontwerp passende beoordeling volgens artikel 23, retributie, nemen van de beslissing en afwijkingsmogelijkheid voorzien in artikel 29. Artikel 22 voorziet de mogelijkheid tot een optionele screening of een project mogelijk significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze screening is geen verplichting, de initiatiefnemer kan besluiten om rechtstreeks een toelating aan te vragen. Artikel 23 tot en met 28 regelen de verdere procedure tot Natura 2000-toelating: het opstellen van het ontwerp passende beoordeling dat een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop rekening werd gehouden met de te verwachten nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen en een voorstel tot milderende maatregelen, de evaluatie en opstellen van de passende beoordeling door BMM, het advies van de dienst Marien Milieu en de uiteindelijke beslissing door de minister. De minister kan enkel een toelating verlenen indien uit de passende beoordeling blijkt dat het project de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied niet in het gedrang zal brengen, overeenkomstig artikel 12 van de wet. De bewoording "niet in het gedrang zal brengen (van de instandhoudingsdoelstellingen)" uit de wet en dit besluit is een verduidelijking en parafrasering van de bewoordingen "dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten" uit artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. Dezelfde bewoording wordt in artikel 12, § 1 van de wet gebruikt. Er wordt in het ontwerp passende beoordeling gekeken of er te verwachten nadelige gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen, dus of de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen al dan niet wordt belemmerd. De BMM onderzoekt dit verder in de passende beoordeling en onderzoekt of er maatregelen kunnen worden getroffen om de nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen te beperken. Dit onderzoek is wetenschappelijk onderbouwd. Indien er nadelige gevolgen zijn die niet kunnen vermeden of beperkt worden door het opleggen van voorwaarden, dan worden de instandhoudingsdoelstellingen in het gedrang gebracht en moet de Natura 2000-toelating worden geweigerd. Bijvoorbeeld: Een aanvrager wil een project middenin een beschermde habitat van een Natura 2000-gebied plaatsen. Hierdoor wordt de instandhoudingsdoelstelling dat de oppervlakte van deze habitat niet mag verkleinen, in het gedrang gebracht omdat een bepaalde oppervlakte habitat verloren gaat door de bouw van het project. Artikel 24 regelt de wijze van indienen. Door ook digitale indiening te voorzien, worden de administratieve lasten voor de initiatiefnemers beperkt. Artikel 29 regelt de afwijkingsprocedure met compenserende maatregelen voor dwingende redenen van groot openbaar belang. Conform de recentste wijziging van de RED III-richtlijn (artikel 16 septies) wordt de aanvulling in het tweede lid van 2° gemaakt dat installaties voor de productie van hernieuwbare energie en hun aanhorigheden worden vermoed van groot openbaar belang te zijn en de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid te dienen. De artikelen 30 tot en met 31 regelen de procedure voor wijziging, opschorting en opheffing van een Natura 2000-toelating. Artikel 32 en volgende regelen de procedure voor de Natura 2000-goedkeuring, voor plannen die mogelijk significante gevolgen kunnen hebben op een of meerdere Natura 2000-gebieden. Een "plan" wordt niet gedefinieerd. Dit woord moet in zijn normale spraakgebruikelijke betekenis begrepen worden en heeft een zeer ruime betekenis. Op de vraag of het begrip "plan" in de zin van de Habitatrichtlijn een analoge draagwijdte heeft aan het begrip "plannen en programma's" in de zin van richtlijn 2001/42/EG, bestaat nog geen eenduidig antwoord. Het Hof van Justitie heeft dit punt nog niet verduidelijkt in zijn rechtspraak. Dit begrip moet geïnterpreteerd worden in de context van de Habitat- en Vogelrichtlijn. De bestaande en toekomstige guidance-documenten van de Europese Commissie zullen helpen bij het goede begrip van wat er onder "plan" moet verstaan worden (zo vermeldt de Mededeling van de Commissie (C(2018) 7621 final, Brussel, 21.11.2018 "Beheer van Natura-2000-gebieden - De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (92/43/EEG)") onder andere bestemmingsplannen, structuurplannen en sectorplannen zoals een energieplan of waterbeheerplan. Er wordt gekozen om hierdoor in het besluit plan niet te definiëren door een limitatieve opsomming zodat, als er een eenduidig antwoord komt, het begrip plan in dit besluit zo geïnterpreteerd moet worden. Net zoals bij de Natura 2000-toelating dient enkel een plan, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat wel significante gevolgen kan hebben op een Natura 2000-gebied, onderworpen te worden aan een Natura 2000-goedkeuring. Op basis van de Bijzondere Wet op de hervorming van de instellingen van 1980 heeft de federale staat de residuaire bevoegdheid op zee, waaronder het marien milieubeleid. Het Vlaams Gewest beschikt over toegewezen bevoegdheden, zoals havens en zeewering. Niet enkel federale plannen kunnen een Natura 2000-goedkeuring behoeven maar ook gewestelijke, provinciale of gemeentelijke plannen die mogelijk significante gevolgen hebben voor een federaal Natura 2000-gebied. In het kader van het federaal loyauteitsbeginsel en de verplichtingen voortvloeiend uit de Habitat- en Vogelrichtlijn, dient de federale staat de significante impact van dergelijke plannen op de federale Natura 2000-gebieden te beoordelen. Ook plannen met private initiatiefnemers maar medegefinancierd door een overheidsinstelling kunnen onder de definitie van plan vallen. De procedure voor de Natura 2000-goedkeuring is gelijkaardig aan de Natura 2000-toelating. De verschilpunten zijn: - geen verwijzing naar de milieuvergunning, omdat plannen geen milieuvergunning in de zin van dit besluit behoeven; - geen retributie, dus een andere manier van berekening van de termijn voor het verder behandelen van de aanvraag (artikel 37, § 1 en § 2); - geen advies van de dienst Marien Milieu indien het gaat over een plan dat door of in opdracht van de dienst Marien Milieu wordt opgesteld, zoals het marien ruimtelijk plan. Artikel 44 en 45 regelen de uitvoering van de permanente monitoring. Er wordt geen retributie voorzien voor de permanente monitoring van de mariene reservaten en de Natura 2000-gebieden. Dit is een opdracht van de overheid, ten voordele van de gemeenschap. Artikel 46 voorziet de mogelijkheid tot monitoring in het kader van de toelating mits het betalen van een retributie. Ook voor plannen is monitoring mogelijk, maar zonder retributie. Monitoring wordt gedefinieerd onder artikel 3, 24° als de evaluatie waarbij de milieueffecten van een toegelaten project of goedgekeurd plan worden onderzocht en geëvalueerd. Deze som voor het uitvoeren van de monitoring kan niet gekwalificeerd worden als een belasting, maar betreft een retributie. De monitoring heeft immers niet het controleren van het naleven van de voorwaarden van de Natura 2000-toelating door de toelatingshouder als doel. In de monitoring wordt niet aan controle, toezicht of inspectie van het naleven van de toelatingsvoorwaarden gedaan. De finaliteit van de monitoring is anders. De situatie op zee is immers specifiek: de toelatingshouder heeft geen eigendomsrecht op zee en het gaat soms om specifieke projecten met nieuwe technologieën waarbij de milieueffecten vaak niet helemaal gekend zijn. Omwille van de uitzonderlijke situatie op zee kan monitoring opgelegd worden bij een Natura 2000-toelating. Hierbij worden door de BMM, als onafhankelijke wetenschappelijke overheidsinstantie, de milieueffecten van een toegelaten project onderzocht en geëvalueerd. De impact van een project op zee op bepaalde aspecten van het marien milieu kan op korte of lange termijn pas duidelijk worden. Hiervoor is meer onderzoek nodig om de leemten in de kennis over het marien milieu op te vullen. Omwille van het voorzorgsbeginsel zouden dergelijke aanvragen niet kunnen toegelaten worden omdat er een risico bestaat dat er nieuwe nadelige gevolgen ontstaan voor de betrokken Natura 2000-gebieden door het project, die pas achteraf duidelijk worden, ook al worden alle voorwaarden strikt nageleefd door de toelatingshouder. Om dergelijke projecten toch te vergunnen kan de monitoring essentieel zijn bij het besluitvormingsproces. Zonder monitoring van de milieueffecten van een bepaald project kunnen geen toelatingen uitgereikt worden omwille van het voorzorgsbeginsel. Ook het `vervuiler betaalt'-beginsel is hier van toepassing. Hierdoor maakt het uitvoeren van deze monitoringsmaatregel door of in opdracht van een overheidsinstantie een dienst uit die ten gunste is van de toelatingshouder en staat de retributie in direct verband met de diensten geleverd door de overheid. Het werk wordt immers verricht door de overheid zodat de initiatiefnemer een toelating kan bekomen. Bovendien vindt, indien deze monitoringsmaatregelen worden uitgevoerd door de overheidsinstantie met wetenschappelijke kennis van de zeegebieden, een onafhankelijke evaluatie plaats van de milieueffecten, die niet aan de initiatiefnemer kan worden overgelaten. Het algemeen toezicht op het marien milieu, hetgeen zonder twijfel een overheidstaak is, wordt geregeld door de permanente monitoring van de mariene beschermde gebieden zoals voorzien in artikel 44 en door de uitvoering van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu). Hiervoor wordt geen retributie voorzien. Er wordt geen retributie voorzien voor het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de voorwaarden van de Natura 2000-toelating door de toelatingshouder of van de Natura 2000-goedkeuring door de goedkeuringshouder. Toezicht en inspectie behoren tot het algemeen overheidstoezicht op de naleving van de voorwaarden. Dit blijkt duidelijk uit paragraaf 4 van artikel 46, met name dat de in de toelating opgelegde monitoring te onderscheiden is van het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de voorwaarden door de toelatings- of goedkeuringshouder en dat dit toezicht en deze inspecties niet onderworpen zijn aan een retributie. Toezicht en inspectie maken immers wel deel uit van een algemeen toezicht op de naleving van de voorwaarden door de overheid, die niet middels een retributie zonder meer kan worden afgewenteld op de toelatingshouder. Uit het voorgaande blijkt dat er voor de monitoring opgelegd in de Natura 2000-toelating geen sprake is van een algemeen toezicht op de naleving van de voorwaarden door de overheid en dat er dus geen sprake is van een belasting. 3. Milieuvergunning Artikel 47 en volgende regelen de procedure die milieuvergunningsplichtige activiteiten moeten doorlopen. Artikel 48 regelt wie precies een aanvraag kan indienen. Het indienen kan door betekening of digitaal. Tot de relevante internationale verdragen vermeld in artikel 48, § 1, b) behoren onder meer de GPA-overeenkomst van de WTO en de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Artikel 49 en 50 bevatten alle gegevens die verplicht bij elke aanvraag dienen te worden gevoegd. Identificatie van de activiteit (2° ) betekent een beknopte omschrijving van de activiteiten van de aanvrager (bijvoorbeeld: het uitbaten van een windturbinepark met zoveel MW vermogen). De verplichting tot het opstellen van een milieueffectbeoordelingsrapport vloeit voort uit de MMM-wet en de project-MER-richtlijn. De integratie met de procedure voor een Natura 2000-toelating, zoals aangegeven in artikel 2, lid 3 van de project-MER-richtlijn zit onder meer vervat in het feit dat het ontwerp passende beoordeling inbegrepen zit in het milieueffectbeoordelingsrapport. Artikel 51 is de omzetting van artikel 5, lid 3, a) van de project-MER-richtlijn. Gelet op de omvang van de activiteiten en de uitzonderlijke situatie op zee zijn de coördinatoren in de praktijk studiebureaus met de nodige ervaring in activiteiten op zee en wetenschappelijke kennis van het marien milieu. Artikel 5, lid 3, a) van de project-MER-richtlijn stelt dat de vergunningsaanvrager dient te waarborgen dat het milieueffectbeoordelingsrapport wordt opgesteld door bekwame deskundigen. Het is dus de verantwoordelijkheid van de aanvrager om een coördinator aan te stellen met de nodige bekwaamheid, zodat een kwalitatief en volledig milieueffectbeoordelingsrapport wordt opgesteld dat voldoet aan alle vereisten van artikel 55, om te vermijden dat de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Zonder de nodige kennis van het marien milieu en de specifieke situatie op zee zal de coördinator niet over de nodige bekwaamheid beschikken en zal dit leiden tot een onvolledig milieueffectbeoordelingsrapport dat onontvankelijk zal worden verklaard conform artikel 57. Artikel 52 is de omzetting van artikel 5, lid 2 van de project-MER-richtlijn en artikel 16 ter lid 2 van de RED-richtlijn 2011/92/EU. Een voorafgaandelijk advies kan aangevraagd worden om ervoor te zorgen dat het milieueffectenbeoordelingsrapport alle nodige gegevens bevat. Artikel 53 zorgt voor de integratie milieuvergunning - Natura 2000-toelating. Voor activiteiten die zowel milieuvergunningsplichtig zijn als een Natura 2000-toelating behoeven, zal de procedure tot het verkrijgen van een Natura 2000-toelating volgens de termijnen verlopen van de milieuvergunningsprocedure. Er wordt hiervoor verwezen naar de toelichting onder artikel 21, § 2. Artikel 54 regelt de mogelijkheid om één geïntegreerd milieueffectbeoordelingsrapport op te stellen voor verschillende activiteiten met hetzelfde doel die het voorwerp uitmaken van afzonderlijke vergunningen. Artikel 55 regelt de inhoud van het milieueffectbeoordelingsrapport. Voor een goed begrip wordt verwezen naar de guidances opgesteld door de Europese Commissie. Artikel 55, 1°, d) stipuleert dat het milieueffectbeoordelingsrapport onder meer een beschrijving van de "voornaamste kenmerken van de productieprocessen" bevat. Dit betekent dat moet worden uitgelegd hoe het productieproces van bijvoorbeeld een windturbine eruitziet maar niet tot in detail. Alvast de energievraag, het energieverbruik, de gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen moeten zeker worden beschreven. Dit is een verdergaande verplichting dan die opgelegd bij de project-MER-richtlijn, die energievraag en volgende slechts als voorbeeld opnam. De artikelen 56 en 57 bevatten de regels inzake volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag. De artikelen 58 en 59 bevatten de bepalingen inzake de retributie voor onder andere het onderzoek van de informatie uit het milieueffectbeoordelingsrapport en het opstellen van de gemotiveerde conclusie door de BMM. Artikel 60 bevat de bepaling van de termijn voor het verder behandelen van de aanvraag. Deze termijn gaat in de dag na de betekening van het attest dat de ontvankelijkheid en volledigheid bevestigt en de bevestiging van de betaling van de retributie. Artikel 61 tot en met 65 regelen de procedure voor de publieksraadpleging. Artikel 66 regelt de procedure voor consultatie van andere staten voor een activiteit in de Belgische zeegebieden met waarschijnlijke grensoverschrijdende aanzienlijke effecten voor die andere staten. Artikel 67 regelt de procedure voor consultatie van de Belgische staat over een activiteit in een andere staat met waarschijnlijk grensoverschrijdende aanzienlijke effecten voor de Belgische zeegebieden. Het artikel regelt ook de publieksraadpleging voor activiteiten uit andere staten, waarbij de termijnen van de andere staat dienen gerespecteerd te worden. Artikel 68 regelt de bescherming van het industrieel en handelsgeheim in de gevallen van artikel 66 en 67. Met artikel 66, 67 en 68 wordt uitvoering gegeven aan zowel artikel 7 van de project-MER-richtlijn als het Verdrag van Espoo. De artikelen 69 en 70 regelen het onderzoek door de BMM. De artikelen 71, 72 en 74 regelen de procedure voor de gemotiveerde conclusie door een onafhankelijke wetenschappelijke instantie met kennis van zaken over het marien milieu (de BMM), met daarin begrepen het advies over de aanvaardbaarheid van de activiteit. Artikel 71, § 2, 1° verwijst naar de beginselen waarmee de BMM dient rekening te houden bij het opstellen van de gemotiveerde conclusie. Met deze beginselen dient ook de minister rekening te houden bij het opstellen van het besluit (artikel 80, 3° ) en de minister dient ook rekening te houden met deze beginselen bij het nemen van het besluit over het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden van een vergunning (artikel 89, § 2, 1° ). Deze beginselen staan vervat in artikel 6, § 2 MMM-wet. De omschrijving van deze beginselen is in overeenstemming met de memorie van toelichting van de MMM-wet. Het beginsel van een hoog beschermingsniveau betekent dat er moet gestreefd worden naar een hoog niveau van milieubescherming. Dit vloeit onder meer voort uit artikel 192 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Het beginsel van het preventief handelen betekent dat moet worden opgetreden om milieuschade te voorkomen, veeleer dan de schade achteraf te moeten herstellen. Het voorzorgsbeginsel betekent dat preventieve maatregelen moeten worden getroffen, indien er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan voor verontreiniging van de zeegebieden, zelfs in de gevallen dat er geen overtuigend bewijs is van een oorzakelijk verband tussen het inbrengen van stoffen, energie en materialen in het marien milieu en de schadelijke gevolgen. Het beginsel van duurzaam beheer betekent dat het marien milieu in voldoende mate in een goede staat wordt gehouden voor toekomstige generaties en dat de effecten van het menselijk handelen de draagkracht van het marien milieu niet overschrijden. Hiertoe zullen de ecosystemen en de ecologische processen noodzakelijk voor het goed functioneren van het marien milieu worden beschermd en de biologische diversiteit ervan worden behouden en hersteld. Het beginsel dat de vervuiler betaalt betekent dat de kosten voor maatregelen ter voorkoming, inperking en herstel van milieuschade voor rekening zijn van de vervuiler. Het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden vloeit ook voort uit artikel 192 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Het herstelbeginsel betekent dat bij schade aan de zeegebieden het mariene milieu prioritair moet worden hersteld in zijn oorspronkelijke toestand of, indien niet mogelijk, de schade moet worden gecompenseerd. Artikel 73 zorgt ervoor dat gelijktijdig met de gemotiveerde conclusie de passende beoordeling door de BMM wordt uitgevoerd. De artikelen 75 en 76 regelen het advies van de dienst Marien Milieu. Artikel 77 behoeft geen verdere uitleg. Artikel 78 regelt de termijn waarbinnen de minister de beslissing moet nemen en het verlengen van deze termijn. Artikel 79 zorgt voor de integratie met de procedure tot Natura 2000-toelating voor de activiteiten die zowel een milieuvergunning als een Natura 2000-toelating behoeven. De beslissing over de milieuvergunning en de beslissing over de Natura 2000-toelating worden gelijktijdig genomen door de minister. Indien de minister in eerste instantie de Natura 2000-toelating weigert omdat de instandhoudingsdoelstellingen in het gedrang worden gebracht en de initiatiefnemer wil de afwijkingsmogelijkheid uit artikel 29 toepassen, worden de termijnen van deze afwijkingsmogelijkheid aangepast door middel van artikel 79, § 2, om aan te sluiten bij de termijnen van de milieuvergunningsaanvraag. Artikel 80 bevat de verplichte vermeldingen in het besluit over de vergunningsaanvraag. Zo dient onder meer verwezen te worden naar de beginselen vervat in artikel 6, § 2 van de MMM-wet. Het besluit dient ook gemotiveerd te worden door de verplichting tot formele motivering die voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/07/1991 pub. 18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en uit de toepassing van het materieel motiveringsbeginsel. Artikel 81 bevat de bepaling dat alle voorwaarden aan het gebruik van de vergunning kunnen worden verbonden. Het besluit legt geen specifieke normen of criteria op. De voorwaarden worden per vergunning vastgesteld, dus per specifieke aangevraagde activiteit. Artikel 81 bevat verder een beschrijving van mogelijke vaak voorkomende voorwaarden die kunnen worden opgelegd. Bij het opleggen van voorwaarden zal de minister rekening moeten houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. De minister kan geen voorwaarden opleggen waarvan de verwezenlijking volledig afhankelijk is van een derde. Artikel 81, § 1, 1° bepaalt dat de minister voorwaarden inzake de compensatie kan opleggen in de milieuvergunning. Bij activiteiten die zowel een milieuvergunning als een Natura 2000-toelating behoeven, dient in dit verband het volgende te worden opgemerkt. De Natura 2000-toelating vereist een aparte beslissing van de minister, die te onderscheiden is van de beslissing over de milieuvergunning. De integratie met de milieuvergunningsprocedure komt enkel tot uiting op het vlak van termijnen en het samen behandelen van beide aanvragen. In uitvoering van de Habitatrichtlijn is er de aparte procedure tot het bekomen van een Natura 2000-toelating, die geïntegreerd wordt in de milieuvergunningsprocedure maar enkel qua termijnen. Zo voorziet artikel 73 in een aparte beoordeling door de BMM van het ontwerp passende beoordeling, het opstellen van een passende beoordeling (verwijzing naar artikel 26) en voorziet artikel 79 in een aparte ministeriële beslissing voor de Natura 2000-toelating. De mogelijkheid tot compensatie door het storten van een bijdrage in het Fonds is enkel ter uitvoering van de project-MER-richtlijn, als compensatie voor nadelige milieueffecten en geldt dus enkel voor de milieuvergunning. Indien de beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied tot negatieve conclusies zou leiden, kan het project uit hoofde van artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn namelijk enkel in de in dit artikel vermelde gevallen doorgang vinden. Indien uit de Natura 2000 passende beoordeling blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen in gedrang worden gebracht, dan moet de afwijkingsprocedure worden toegepast en moeten compenserende maatregelen worden toegepast. Er wordt geen mogelijkheid voorzien om via het betalen van een geldbedrag negatieve gevolgen van een Natura 2000-toelating te compenseren. Indien blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen in het gedrang worden gebracht, kan dit dus niet opgelost worden door de betaling van compensatie in milieuvoordelen. Beide beslissingen hebben een andere finaliteit: bij de milieuvergunning spelen aanzienlijke nadelige effecten de doorslaggevende rol, bij de Natura 2000-toelating het in gedrang brengen van de instandhoudingsdoelstellingen. Voor activiteiten die zowel een vergunning als een toelating behoeven, kan het mogelijk zijn dat uit de passende beoordeling blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen niet in het gedrang worden gebracht door de activiteit. Diezelfde activiteit kan wel een aanzienlijk nadelig milieueffect veroorzaken op een mariene omgeving, waarvoor een compensatie in geld kan worden opgelegd. Artikel 81, § 2 bevat bepalingen over het jaarlijks uitvoeringsverslag. In de vergunning wordt de inhoud van het jaarlijks uitvoeringsverslag verder geconcretiseerd (bv. overzicht van het type brandstof, aard en datum van technische defecten en datum van herstelling). De minister kan de nadere regels over de vorm en inhoud bepalen. Artikel 82 legt op dat bij elke vergunning een retributie moet betaald worden voor de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken. In de vergunning wordt ook de retributie verder geconcretiseerd (bijvoorbeeld door een opsplitsing te maken van het project in fases, waarbij naargelang werkuren van elke fase een ander retributiebedrag kan worden gevraagd). De motivering voor het opleggen van een retributie wordt verder uitgelegd onder artikel 88. Artikel 83 regelt de bekendmaking van het besluit langs verschillende kanalen. Artikel 84 bevat de bepalingen over de duur van de vergunning, de koppeling met de duur van concessies indien van toepassing en de mogelijkheid tot verlenging. Artikel 84, § 4 voorziet een schorsing van de duur van de vergunning totdat iedere bijkomende vereiste vergunning of concessie is verleend en het verval van de vergunning wanneer de bijkomende vergunning of concessie definitief is geweigerd in laatste administratieve aanleg. Wanneer een beroep over een weigering van een vergunning of concessie aanhangig is voor een administratief rechtscollege, is nog geen sprake van een definitieve weigering en blijft de vergunning geschorst. Een definitieve weigering is er pas wanneer er geen procedure tegen de weigering meer loopt bij een administratief rechtscollege. Artikel 85 voorziet dat elke individuele vergunning de termijn moet regelen waarbinnen met de werken moet worden gestart en waarbinnen met de eigenlijke exploitatie van de activiteit moet worden gestart. Artikel 86 en volgende regelen de procedure voor de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken, in uitvoering van artikel 22 en 23 van de MMM-wet en artikel 8 bis, lid 1, b) van de Project-MER-richtlijn. Artikel 87 regelt de monitoringsmaatregelen van grensoverschrijdende aanzienlijke effecten van een activiteit. Artikel 88 voorziet een retributie voor het uitvoeren van de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken. Deze worden gedefinieerd onder artikel 3, 25° als de evaluatie waarbij de milieueffecten van een vergunde activiteit worden onderzocht en geëvalueerd. De som voor het uitvoeren van de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken kan niet gekwalificeerd worden als een belasting, maar betreft een retributie. De monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken hebben immers niet het controleren van het naleven van de voorwaarden van de milieuvergunning door de vergunningshouder als doel. In de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken wordt niet aan controle, toezicht of inspectie van het naleven van de vergunningsvoorwaarden gedaan. De finaliteit van de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken is anders. De situatie op zee is immers specifiek: de vergunninghouder heeft geen eigendomsrecht op zee en het gaat om specifieke grote werken met nieuwe technologieën waarbij de milieueffecten vaak niet helemaal gekend zijn. Omwille van de uitzonderlijke situatie op zee worden monitoringsmaatregelen verplicht opgelegd bij elke vergunning. Hierbij worden door de BMM, als onafhankelijke wetenschappelijke overheidsinstantie, de milieueffecten van een vergunde activiteit onderzocht en geëvalueerd. De impact van een constructie op zee op bepaalde aspecten van het marien milieu kan op korte of lange termijn pas duidelijk worden. Hiervoor is meer onderzoek nodig om de leemten in de kennis over het marien milieu op te vullen. Omwille van het voorzorgsbeginsel zouden dergelijke aanvragen niet kunnen vergund worden omdat er een risico bestaat op aanzienlijke milieueffecten die pas achteraf duidelijk worden, ook al worden alle voorwaarden strikt nageleefd door de vergunninghouder. Om dergelijke projecten toch te vergunnen zijn de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken essentieel bij het besluitvormingsproces. Zonder monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken kunnen geen vergunningen uitgereikt worden omwille van het voorzorgsbeginsel. Ook het `vervuiler betaalt' beginsel is hier van toepassing. Hierdoor maakt het uitvoeren van deze monitoringsmaatregelen door of in opdracht van een overheidsinstantie een dienst uit die ten gunste is van de vergunninghouder. Het werk wordt immers verricht door de overheid zodat de aanvrager een vergunning kan bekomen. Bovendien vindt, indien deze monitoringsmaatregelen worden uitgevoerd door de overheidsinstantie met wetenschappelijke kennis van de zeegebieden, een onafhankelijke evaluatie plaats van de milieueffecten, die niet aan de aanvrager kan worden overgelaten. Bovendien wordt in de project-MER-richtlijn monitoring uitdrukkelijk voorzien (artikel 8 bis, lid 1, b) en lid 4) naast het opleggen van voorwaarden in de vergunning. Het algemeen toezicht op het marien milieu, hetgeen zonder twijfel een overheidstaak is, wordt geregeld door de permanente monitoring van de mariene beschermde gebieden zoals voorzien in artikel 44 en door de uitvoering van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu). Hiervoor wordt geen retributie voorzien. Er wordt geen retributie voorzien voor het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de vergunningsvoorwaarden door de vergunninghouder. Toezicht en inspectie behoren tot het algemeen overheidstoezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden. Dit blijkt duidelijk uit paragraaf 4 van artikel 88, met name dat de in de vergunning opgelegde monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken te onderscheiden zijn van het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de voorwaarden van de milieuvergunning door de exploitant en dat dit toezicht en deze inspecties niet onderworpen zijn aan een retributie. Toezicht en inspectie maken immers wel deel uit van een algemeen toezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden door de overheid, die niet middels een retributie zonder meer kan worden afgewenteld op de vergunninghouder. Uit het voorgaande blijkt dat er voor de monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken opgelegd in de milieuvergunning geen sprake is van een algemeen toezicht op de naleving van de voorwaarden door de overheid en dat er dus geen sprake is van een belasting. De artikelen 89 tot en met 94 regelen de procedure voor het wijzigen of uitbreiden van de voorwaarden van de vergunning en voor de schorsing en opheffing van de vergunning. Artikel 95 regelt de procedure voor het verval van de vergunning. Artikel 96 regelt de procedure voor ingrepen, die niet onderworpen zijn aan een vergunning. Er worden zeer veel verschillende activiteiten geviseerd door dit besluit en tijdens de exploitatie zouden vergunninghouders ook veranderingen willen doorvoeren aan de vergunde activiteit. In artikel 3, 36° wordt ingreep gedefinieerd als elke verandering van de vergunde activiteit, waardoor aan het mariene milieu een nadeel kan worden berokkend dat niet groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst. Een voorbeeld hiervan is het vervangen van een beschadigde mast (deel vanaf de nacelle tot aan het transitieplatform) van een offshore monopile windturbine door een nieuwe mast van dezelfde grootte. Hierbij is er geen groter nadeel voor het milieu dan het nadeel dat al beoordeeld werd in de vergunning. Het vervangen van een mast door één van een grotere hoogte kan mogelijk wel een groter nadeel veroorzaken voor het milieu zodat er kan besloten worden dat dit geen ingreep betreft. Artikel 97 regelt de procedure voor het wijzigen van de vergunning, waarbij een vereenvoudigde procedure wordt voorzien doordat er geen volledig nieuw milieueffectbeoordelingsrapport moet worden opgesteld. Wijziging van de vergunning wordt in artikel 3, 37° gedefinieerd als elke verandering van de voorwaarden die tot gevolg kan hebben dat het nadeel aan het marien milieu groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst of elke niet-substantiële verandering aan de vergunde activiteit die als gevolg kan hebben dat het nadeel aan het marien milieu groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst. Indien bijvoorbeeld de vergunninghouder de voorwaarde inzake de locatie van een tijdelijke stockageplaats voor sediment wil wijzigen, zal hij daarvoor een wijziging van de vergunning moeten aanvragen. Artikel 3, 38° definieert "niet-substantieel" als "niet essentieel of geen belangrijke weerslag op de vergunde activiteit". Het is de bedoeling om een zekere beoordelingsmarge te behouden om te evalueren welke veranderingen een wijziging van de vergunning behoeven en welke een voll …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.