{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Artikel 5, lid 3, a) van de project-MER richtlijn stelt dat de vergunningsaanvrager dient te waarborgen dat het milieueffectbeoordelingsrapport wordt opgesteld door bekwame deskundigen. Het is dus de verantwoordelijkheid van de aanvrager om een coördinator aan te stellen met de nodige bekwaamheid, zodat een kwalitatief en volledig milieueffectbeoordelingsrapport wordt opgesteld dat voldoet aan alle vereisten van artikel 55, om te vermijden dat de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Zonder de nodige kennis van het marien milieu en de specifieke situatie op zee zal de coördinator niet over de nodige bekwaamheid beschikken en zal dit leiden tot een onvolledig milieueffectbeoordelingsrapport dat onontvankelijk zal worden verklaard conform artikel 57.\" Er worden geen erkenningsvereisten gesteld, zodat de gebezigde formulering kan worden aanvaard. De draagwijdte van die bepaling wordt niettemin het best toegelicht in het verslag aan de Koning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 52 17. Gevraagd of beoogd wordt een bindend karakter te verlenen aan het voorafgaandelijk advies dat de wetenschappelijke dienst Beheerseenheid Mathematisch Model van de Noordzee van het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen (hierna: BMM) kan afleveren over de wijze waarop het milieueffectbeoordelingsrapport moet worden uitgewerkt, stelde de gemachtigde: \"Er zijn nadien nog aanvullingen mogelijk van het milieueffectbeoordelingsrapport (zie artikel 70 waar BMM nog zelf aanvullingen kan doen of de aanvrager verzoeken om aanvulling en bijwerking van het milieueffectbeoordelingsrapport).\" Ter wille van de rechtszekerheid verdient het aanbeveling om in het ontwerp te verduidelijken dat het een niet-bindend advies betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 55 18. Artikel 55, 1°, d), van het ontwerp stipuleert dat het milieueffectbeoordelingsrapport onder meer een beschrijving van de \"voornaamste kenmerken van de productieprocessen\" bevat.Gevraagd wat dient te worden begrepen onder dit begrip, verduidelijkte de gemachtigde: \"Dit betekent dat moet worden uitgelegd hoe het productieproces eruit ziet van bijvoorbeeld een windturbine maar niet tot in detail. Alvast de energievraag, het energieverbruik, de gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen moeten zeker worden beschreven; dit is iets strenger dan bijlage IV van Richtlijn 2011/92, die energievraag en volgende slechts als voorbeeld opnam.\" Aangezien zo blijkbaar verdergaande verplichtingen worden opgelegd dan die opgelegd bij richtlijn 2011/92, moet dit duidelijker in het ontwerp tot uiting worden gebracht en moet de draagwijdte van die bepaling worden toegelicht in het verslag aan de Koning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 71 19. Het \"herstelbeginsel\" wordt niet gedefinieerd in het ontworpen besluit, noch in artikel 6, § 2, van de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten waarin dit begrip eveneens voorkomt.De gemachtigde bevestigde dat dit beginsel geacht moet worden dezelfde draagwijdte te hebben als in artikel 4, § 3, zesde lid, van de wet van 17 augustus 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/09/2013 numac 2013011384 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van de rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtmacht type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/09/2013 numac 2013003281 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 16 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/08/2014 numac 2013015216 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 94ste zitting (2) type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/2013 numac 2013204494 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister, ministerie van landsverdediging, buitenlandse zaken, buite,landse handel en ontwikkelingssamenwerking, economie, k.m.o., middenstand en energie, sociale zekerheid, binnenlandse zaken, justitie, budget en beheerscontrole, overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg en federale overheidsdienst financien Wet betreffende de modernisering van het arbeidsrecht en houdende diverse bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/03/2014 numac 2014000166 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding met het oog op de omvorming ervan tot een federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel sluiten `betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van de rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht', waarin wordt bepaald dat het herstelbeginsel \"impliceert dat bij schade of milieuverstoring in de zeegebieden het mariene milieu in de mate van het mogelijke wordt hersteld in zijn oorspronkelijke toestand.\" In dat verband moet worden opgemerkt dat de Raad van State recent advies heeft uitgebracht over een voorontwerp van wet `betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht',35 dat beoogt die wet van 17 augustus 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/09/2013 numac 2013011384 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van de rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtmacht type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/09/2013 numac 2013003281 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 16 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/08/2014 numac 2013015216 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 94ste zitting (2) type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/2013 numac 2013204494 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister, ministerie van landsverdediging, buitenlandse zaken, buite,landse handel en ontwikkelingssamenwerking, economie, k.m.o., middenstand en energie, sociale zekerheid, binnenlandse zaken, justitie, budget en beheerscontrole, overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg en federale overheidsdienst financien Wet betreffende de modernisering van het arbeidsrecht en houdende diverse bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/03/2014 numac 2014000166 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding met het oog op de omvorming ervan tot een federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel sluiten te vervangen. Artikel 7 van dat voorontwerp bevat eveneens een omschrijving van het herstelbeginsel en van de andere beginselen die in artikel 71, § 2, 1°, van het ontwerp worden vermeld. Het verdient aanbeveling om die beginselen in het voorliggende ontwerp op dezelfde manier te definiëren. 20. Artikel 71, § 3, 3°, van het ontwerp stipuleert dat de BMM adviseert over de compensatie in milieuvoordelen (in natura of bij equivalent door het storten van een bijdrage in het Fonds Leefmilieu) om nadelige effecten van de activiteit te compenseren.Artikel 81, § 1, 1°, van het ontwerp bepaalt dat de minister voorwaarden inzake de compensatie kan opleggen in de vergunning. Dat is enkel mogelijk voor zover de activiteit niet eveneens onderworpen is aan een Natura 2000-toelating.36 Artikel 74 21. In de tweede zin van artikel 74, § 1, van het ontwerp dient (zoals de gemachtigde heeft bevestigd) het woord \"maximaal\" te worden weggelaten. Artikel 80 22. Gevraagd wat de meerwaarde is van de bewoording \"voornaamste redenen en overwegingen\", in het licht van de formele en materiële motiveringsplicht, die sowieso geldt voor het vergunningsbesluit, stelde de gemachtigde: \"Dit is inderdaad een herhaling van de formele en materiële motiveringsplicht.In het kader van de Europese omzetting van de project-MER Richtlijn 2011/92/EU, meer bepaald artikel 9, werd het nuttig geacht deze motiveringsplicht expliciet in het ontwerp te vermelden.\" Een dergelijke bepaling is tegelijk overbodig en misleidend. Het is overbodig omdat de beslissingen onder de toepassing vallen van de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/07/1991 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten `betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen' en de verplichting tot formele motivering reeds uit die wet voortvloeit. Het is misleidend omdat dergelijke bepalingen ten onrechte de indruk wekken dat de formele motiveringsverplichting niet bestaat zonder dat zulks erin uitdrukkelijk wordt voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij een verdergaande motiveringsplicht wordt beoogd dan diegene die voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/07/1991 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten, in welk geval de draagwijdte ervan dient te worden omschreven, moet het ontworpen artikel 80, 7°, van het ontwerp worden weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 81 en 82 23. De minister kan overeenkomstig artikel 81, § 1, van het ontwerp aan het gebruik van de vergunning \"alle voorwaarden\" verbinden. Daarbij zal hij echter rekening moeten houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. De gemachtigde bevestigde dat het in het licht van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur de bedoeling is dat de minister geen voorwaarden kan opleggen waarvan de verwezenlijking \"volledig afhankelijk is van een derde\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarvan wordt akte genomen. De draagwijdte van die bepaling wordt het best toegelicht in het verslag aan de Koning. 24. De gemachtigde lichtte de verplichte vergunningsvoorwaarden, vervat in artikel 81, § 2, en artikel 82 van het ontwerp als volgt toe: \"Elke vergunning moet als voorwaarde bepalen dat er een jaarlijks uitvoeringsverslag moet worden opgemaakt en elke vergunning moet retributies bepalen voor de monitoring. In de praktijk wordt in de vergunning de inhoud van het jaarlijks uitvoeringsverslag verder geconcretiseerd (bv. overzicht van het type brandstof, aard en datum van technische defecten en datum van herstelling).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vergunning wordt ook de retributie verder geconcretiseerd (bijvoorbeeld door een opsplitsing te maken van het project in fases, waarbij naargelang werkuren van elke fase een ander retributiebedrag kan worden gevraagd).\" 24.1 Indien het de bedoeling van de stellers van het ontwerp is om deze aspecten nader te concretiseren in de vergunningsvoorwaarden, zou dit uitdrukkelijker naar voren moeten komen uit het ontwerp. In dat verband zou veeleer een autonome bepaling moeten worden opgenomen met een delegatie aan de Koning om de vorm en inhoud van het verslag te bepalen. 24.2 Zoals hoger uiteengezet is er geen rechtsgrond voor retributies voor de monitoringsprogramma's en de permanente milieueffectenonderzoeken.37 Bijgevolg is artikel 82 zonder voorwerp, en dient die bepaling te worden weggelaten uit het ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 84 25. De vergunning kan worden verleend voor een termijn van hoogstens vijfentwintig jaar, die ingaat bij de betekening aan de aanvrager van het besluit waarbij de vergunning wordt verleend, tenzij de vergunning dit anders bepaalt. Het doen aanvangen van de vergunning, die overeenkomstig artikel 85 van het ontwerp daarenboven onmiddellijk uitvoerbaar is, op het ogenblik van de betekening aan de aanvrager van het besluit waarbij de vergunning wordt verleend, biedt niet voldoende rechtszekerheid en transparantie voor leden van het betrokken publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 84, § 4, van het ontwerp dient dan ook te worden heroverwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 104 26. Artikel 104, § 1, van het ontwerp bevat een niet-limitatieve opsomming van de bepalingen die betrekking hebben op de monitoringsprogramma's en de permanente milieuonderzoeken, die niet van overeenkomstige toepassing zijn op de vergunning continentaal plat.De gemachtigde verklaarde daaromtrent: \"Normaal gezien is hetgeen opgesomd in artikel 104 de volledige lijst (artikel 71, § 3, 2°, artikel 80, 12°, artikel 82, artikel 86, artikel 87, artikel 88, artikel 89, § 2, 3°, artikel 90, § 1, 1° en artikel 91, § 2), maar om zeker te zijn dat er niets vergeten was, werd \"onder andere\" gebruikt als formulering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien gewenst kan \"onder andere\" worden geschrapt.\" Ter wille van de rechtszekerheid dient de zinsnede \"onder andere\" te worden geschrapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 114 27. Artikel 114 van het ontwerp voorziet in een inwerkingtreding van het te nemen besluit op de elfde dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.Daarover bevraagd, gaf de gemachtigde aan dat de zinsnede \"op de elfde dag\" zal vervangen worden door \"op de tiende dag\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee kan worden ingestemd. Daarbij zal er echter wel over moeten worden gewaakt dat ook de overgangsbepalingen (artikelen 112 en 113 van het ontwerp) op hiermee consistente wijze worden geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien moeten de woorden \"door de Koning\" worden vervangen door de woorden \"door Ons\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffier, De Voorzitter, E. YOSHIMI P. LEFRANC _______ Nota's 1 De gemachtigde bevestigde dat alle gebieden die als speciale zone voor natuurbehoud in aanmerking komen, reeds werden aangemeld bij de Europese Commissie, dat deze als opmerkelijke voorbeelden van de biogeografische regio \"Atlantische zone\" werden aangeduid en door de Europese Commissie op de lijst van communautaire gebieden werden geplaatst (waarbij deze blijkens de toelichting van de gemachtigde niet werden aangegeven als gebieden waarin een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen, in de zin van artikel 4, lid 2, van de Habitatrichtlijn). 2 De gemachtigde verduidelijkte de verhouding tussen de Natura 2000-toelating (die vereist is om een project uit te voeren) en de milieuvergunning als volgt: \"Met de Natura 2000-toelating wordt uitvoering gegeven aan de Habitat- en Vogelrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de milieuvergunning wordt uitvoering gegeven aan de project-MER richtlijn (2011/92/EU). De milieuvergunning geldt specifiek voor de activiteiten opgesomd in artikel 16, § 1 van de wet marien milieu. Voor projecten die een significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied is een Natura 2000-toelating nodig. Bij een milieuvergunning is het beslissend criterium dus de aard van de activiteiten. Bij een Natura 2000-toelating is het beslissend criterium het vermoeden van een significante impact op een Natura 2000-gebied. Het kan dus gebeuren dat een beoogde activiteit zowel een milieuvergunning als een Natura 2000-toelating nodig heeft (bv. een windmolenpark in een Natura 2000-gebied), enkel een milieuvergunning (bv. een windmolenpark ver buiten een Natura 2000-gebied) of enkel een Natura 2000-toelating nodig heeft (bv. watersportwedstrijden die plaatsvindt in binnen een Natura 2000-gebied).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien zowel een toelating als een vergunning nodig is, voorziet het KB de mogelijkheid om deze samen aan te vragen.\" 3 Artikel 111, 3°, van het ontwerp vermeldt ten onrechte \"7 oktober 2016\" als datum van dat besluit. 4 Het koninklijk besluit van 7 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/09/2003 numac 2003014212 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/11/2003 numac 2003022881 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 76, § 3, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/10/2003 numac 2003022905 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 70, § 4, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/11/2003 numac 2003000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van de wet van 26 maart 2003 tot aanvulling van artikel 42 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, teneinde een leemte te verhelpen inzake het verlof voorafgaand aan de pensionering van de leden van de gemeentepolitie die worden aangewezen voor een mandaatfunctie bij de federale politie type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/10/2003 numac 2003022904 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen sluiten vindt rechtsgrond in artikel 26; het koninklijk besluit van 9 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/09/2003 numac 2003014213 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene-milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2003 numac 2003014225 bron federale overheidsdienst financien en programmatorische federale overheidsdienst activabeheer Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de raad van bestuur en de directeur-generaal van de Nationale Delcrederedienst sluiten vindt rechtsgrond in artikelen 28, 29 en 30; het koninklijk besluit van 27 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten3 vindt rechtsgrond in artikelen 5, 6, 7, 8 en 9. 5 Artikel 3, §§ 1 en 3 tot 5, van de wet van 13 juni 1969 is wel de correcte rechtsgrond voor de opheffing van het koninklijk besluit van 21 oktober 2018Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten4 `houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat'. 6 Hetzelfde geldt voor artikel 46 van het ontwerp, voor zover hiermee de Natura 2000-goedkeuring wordt geviseerd. Zoals in opmerkingen 4.4.1 en 4.4.2 wordt uiteengezet, is voor deze bepaling in zijn geheel geen deugdelijke rechtsgrond voorhanden. 7 Bovendien moet worden opgemerkt dat de doelstellingen waarvoor de retributies worden geheven betrekking lijken te hebben op een reeks kosten van monitoring en beleidsvoorbereiding ten laste van het algemeen bestuur, die niet als individuele diensten aan de heffingsplichtigen kunnen worden aangemerkt. In dergelijke gevallen moet de retributie veeleer worden beschouwd als een belasting, en moet overeenkomstig het legaliteitsbeginsel in fiscale zaken vervat in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet in een wettelijke grondslag worden voorzien. Zie in die zin GwH 21 november 2013, nr. 158/2013, B.6.3; zie ook adv.RvS 73.387/3 van 4 mei 2023 over een voorontwerp dat geleid heeft tot de wet van 31 juli 2023Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2023 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/09/2023 numac 2023044749 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende de productnormen voor het integreren van energie uit hernieuwbare bronnen in fossiele motorbrandstoffen bestemd voor de vervoerssector en tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen sluiten `houdende de productnormen voor het integreren van energie uit hernieuwbare bronnen in fossiele motorbrandstoffen bestemd voor de vervoerssector en tot wijziging van de wet van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen', opmerking 6.2; adv. RvS 73.880/1 van 24 oktober 2023 over een voorontwerp van wet `betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht', opmerking 49.3. 8 Zie GwH 17 december 2003, nr. 164/2003, B.8.4.1. 9 GwH 19 november 2015, nr. 162/2015, B.5. 10 Zie onder meer: GwH 21 december 1995, nr. 87/95, B.3.4; adv.RvS 25.487/8 van 4 maart 1997 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1998 numac 1998016042 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten sluiten `betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten' en tot de wet van 16 april 1998 `met betrekking tot de geschillen betreffende de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten'; adv.RvS 40.951/1/V van 23 augustus 2006 over een voorontwerp dat heeft geleid tot het decreet van 2 maart 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten6 `houdende het statuut van de reisbureaus'; adv.RvS 62.825/3 van 5 maart 2018 over een voorontwerp dat heeft geleid tot het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 2018 `tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming'; adv.RvS 66.659/1/3 van 25 oktober 2019 over een voorontwerp dat heeft geleid tot het programmadecreet van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap van 13 december 2019 `bij de aanpassing van de begroting 2019'; adv.RvS 73.652/3 van 19 juni 2023 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2023Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten7 `tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 tot vaststelling van de tarieven van het loodsgeld, de loodsvergoedingen voor loodsverrichtingen in de loodsvaarwateren en andere kosten', opmerking 4.4; adv.RvS 73.759/3 van 4 juli 2023 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2023Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten8 `tot wijziging van diverse besluiten over de rijopleiding en het rijexamen voor voertuigen van categorie B', opmerking 7.3 en adv.RvS 73.920/3 van 21 november 2023 over een voorstel van decreet van het Vlaamse Gewest `over het professionele rijonderricht', opmerking 7. 11 Adv.RvS 42.202/3 van 20 februari 2007 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 27 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten1 `tot bepaling van de bijdragen te betalen in het kader van artikel 30, § 6 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon', opmerking 4.2. 12 Vgl. adv.RvS 68.243/1-2-3-4 van 10 november 2020 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de programmawet van 20 december 2020Relevante gevonden documenten type programmawet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/12/2020 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/02/2022 numac 2022030188 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Programmawet type programmawet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/12/2020 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/12/2020 numac 2020044541 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Programmawet sluiten, met betrekking tot het onderwerpen aan een retributie van de \"herinspectie\" na vaststelling van een inbreuk en het indienen van een preventief en correctief actieplan. Daarbij werd aangegeven dat \"[i]n een dergelijke situatie, waarin de overheid zich niet beperkt tot het vaststellen van inbreuken en het vervolgens intrekken van de vergunning, maar in interactie met de vergunninghouder de conformiteit met de relevante regelgeving waarborgt, mag worden aangenomen dat daadwerkelijk een dienst wordt gepresteerd ten voordele van de vergunninghouder waarvoor een retributie kan worden gevorderd.\" 13 Artikelen 101, § 2, en 104, § 1, van het ontwerp stipuleren dat deze bepalingen niet van overeenkomstige toepassing zijn op de vergunningen continentaal plat. 14 Gevraagd op welke concrete periode van de monitoring een bepaalde retributie betrekking heeft, antwoordde de gemachtigde: \"De monitoring wordt project per project bepaald, omdat elk project zijn eigen accenten en specifieke eigenschappen heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepalen van de monitoring zal in de praktijk grotendeels overeenkomen met het systeem van de monitoring bij de milieuvergunning. In de praktijk wordt er meestal jaarlijks een bedrag gevraagd van de toelatingshouder. Hoe dat bedrag bepaald wordt (soms verschillend bedrag per fase van het project) en op welke dag van het jaar dit bedrag wordt betaald, wordt vastgesteld in de voorwaarden van de toelating. De monitoring zal dus starten voor of na de eerste betaling van de retributie en wordt doorlopend uitgevoerd, met dan telkens jaarlijkse betalingen. Er zijn ook Natura 2000-toelatingen en -goedkeuringen waar geen monitoring wordt voorzien.\" In geval van betwisting \"zal [de toelatingshouder] in de praktijk de betwisting van de retributie schriftelijk melden aan de BMM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze betwisting kan door de toelatingshouder ook nog expliciet vermeld worden in de procedure voorzien in artikel 46, § 4: `opmerkingen en bezwaren en eventuele vraag om gehoord te worden'. De minister beslist dan of de geldingsduur wordt ingekort of de toelating of goedkeuring wordt geschorst of opgeheven.\" 15 Zie opmerkingen 7.2 tot 7.5. 16 Zie ook de artikelen 21, 53 en 54 van het ontwerp. 17 Zie artikel 1 van het ontwerp. Het betreft de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 `inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna' (hierna: Habitatrichtlijn) (eerste paragraaf), richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 `inzake het behoud van de vogelstand' (tweede paragraaf), richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad `betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten', zoals gewijzigd door richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 `tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten' (derde paragraaf), en richtlijn 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 `ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen', zoals gewijzigd door de richtlijn 2023/2413/EU van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 `tot wijziging van Richtlijn 2018/2001/EU, Verordening 2018/1999/EU en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn 2015/652/EU van de Raad' (vierde paragraaf). 18 Het Nederlandstalige opschrift van de richtlijn luidt: \"Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 `inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna'\", en niet het in het ontwerp gebezigde \"Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 `inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora'\". 19 Er moet meer bepaald worden verwezen naar \"het verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband\" en niet, zoals in artikel 3, 31°, het ontwerp aangeduid, \"het verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband\". 20 Voor zover er geen discordantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst van de richtlijn bestaat. 21 De gemachtigde verduidelijkte de afwijkingen van de definitie van \"plannen en programma's\" in richtlijn 2001/42/EG als volgt: \"Artikel 6.3 van de Habitatrichtlijn spreekt expliciet over `elk plan'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om duidelijker te maken wat hier allemaal onder verstaan wordt, is er ook gekeken naar de definitie van plan voorzien in artikel 2. a) van richtlijn 2001/42/EG om zo coherentie te hebben met andere Europese richtlijnen en onder meer de wet van 13 februari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/02/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/03/2006 numac 2006022171 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's en de inspraak van het publiek bij de uitwerking van de plannen en programma's in verband met het milieu sluiten betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's en de inspraak van het publiek bij de uitwerking van de plannen en programma's in verband met het milieu. 22 Het Hof van Justitie heeft dit punt nog niet verduidelijkt in zijn rechtspraak. Zie voor de verhouding tussen de werkingssfeer van de plan-MER-plicht en de passende beoordeling: artikel 3, lid 2, b), van richtlijn 2001/42/EG; HvJ 21 juni 2012, Syllogos Ellinon Poleodomon kai Chorotakton, C-177/11, ECLI:EU:C:2012:378, punten 19 en 22 tot 24 en HvJ 12 juni 2019, CFE, C-43/18, ECLI:EU:C:2019:483, punten 51 en 52. 23 Inmiddels opgeheven door richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 `betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van het begrip \"projecten\" in artikel 1, lid 2, a), van richtlijn 2011/92/EU is identiek aan de definitie van dat begrip in artikel 1, lid 2, van richtlijn 85/337/EG. 24 HvJ 7 september 2004, Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee, C-127/02, ECLI:EU:C:2004:482, punten 26 en 27; HvJ 14 januari 2010, Stadt Papenburg, C-226/08, ECLI:EU:C:2010:10, punt 38 en HvJ 7 december 2023, Latvijas valsts me[00c5][00be]i, C-434/22, ECLI:EU:C:2023:966, punten 36 en 37. 25 HvJ 7 november 2018, Coöperatie Mobilisation for the Environment UA, C-293/17 en C-294/17, ECLI:EU:C:2018:882, punten 65 en 66; HvJ 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, C-411/17, ECLI:EU:C:2019:622, punten 123 en 124 en HvJ 9 september 2020, Friends of the Irish Environment, C-254/19, ECLI:EU:C:2020:680, punt 29. 26 HvJ 13 juni 2002, Commissie t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ierland, C-117/00, ECLI:EU:C:2002:366, punten 32 en 33; HvJ 20 oktober 2005, Commissie t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verenigd Koninkrijk, C-6/04, ECLI:EU:C:2005:626, punt 33; HvJ 20 september 2007, Commissie t. Italië, C-304/05, ECLI:EU:C:2007:532, punten 92 tot 96 en HvJ 3 april 2014, Cascina Tre Pini, C-301/12, ECLI:EU:C:2014:214, punten 32 tot 34. 27 HvJ 24 juni 2021, Commissie t. Spanje, C-559/19, ECLI:EU:C:2021:512, punten 133 en 134 en 152 tot 154. 28 De gemachtigde gaf weliswaar aan dat beide formuleringen volgens de stellers van het ontwerp een identieke lading dekken, maar daarover lijkt twijfel te kunnen bestaan. Het is bijvoorbeeld duidelijk dat een gevolg voor een \"gebied met een prioritaire soort\" ook kan slaan op bijvoorbeeld broedplaatsen of foerageergebieden van dergelijke soorten, terwijl gevolgen voor de prioritaire soort als dusdanig ook restrictiever geïnterpreteerd zou kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde bevestigde dat, indien nodig, de formulering zou worden aangepast. 29 K. Lenaerts en P. Van Nuffel; T. Corthaut (ed.), EU Constitutional Law, OUP, Oxford, 2021, 696, nr. 26.002, onder verwijzing naar HvJ 10 september 1996, Commissie t. Duitsland, C-61/94, ECLI:EU:C:1996:313, punt 52; HvJ 14 juli 1998, Safety High Tech, C-284/95, ECLI:EU:C:1998:352, punt 22; HvJ 1 april 2004, Bellio F.lli, C-286/02, ECLI:EU:C:2004:212, punt 33; HvJ 7 juni 2007, [00c5][0098]¤zen¤ Letového Provozu, C-335/05, ECLI:EU:C:2007:321, punten 14-21; HvJ 19 februari 2009, Soysal en Savatli, C-228/06, ECLI:EU:C:2009:101, punt 59; HvJ 6 mei 2010, Walz, C-63/09, ECLI:EU:C:2010:251, punt 22; HvJ 12 mei 2011, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, C-115/09, ECLI:EU:C:2011:289, punt 41;</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 11 april 2013, HK Danmark, C-335/11, ECLI:EU:C:2013:222, punten 28-32; HvJ 1 december 2016, Daouidi, C-395/15, ECLI:EU:C:2016:917, punten 40-41; HvJ 10 november 2016, Vereniging Openbare Bibliotheken, C-174/15, ECLI:EU:C:2016:856, punten 31-33; HvJ 7 mei 2020, LG, C-641/18, ECLI:EU:C:2020:349, punten 46-49 en HvJ 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C-265/19, ECLI:EU:C:2020:677, punt 62. 30 Door artikel 3, 9°, van het ontwerp gedefinieerd als \"een of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen alsook de verenigingen, organisaties of groepen van natuurlijke personen of rechtspersonen\". Aangezien dit begrip ruimer is dan het \"betrokken publiek\" in de zin van het Verdrag van Aarhus, kan dit gebruik worden gebillijkt. 31 Het ontwerp voorziet nergens in een specifieke beroepsmogelijkheid, zodat de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van deze beroepen. 32 De notie \"beheerplan\" of \"ontwerp-beheerplan\" komt voor het overige noch in de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten, noch in het ontwerp terug. 33 Enerzijds zijn er een aantal definities die reeds voorkomen in de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten en daar worden omschreven voor toepassing \"[i]n deze wet en in de op grond ervan genomen uitvoeringsbesluiten\", zoals `de minister' (5° ), `BMM' (6° ) en `dienst Marien Milieu' (7° ). Anderzijds zijn een aantal definities opgenomen die niets meer zijn dan de spraakgebruikelijke betekenis van bekende begrippen, zoals `dag' (2° ), `digitaal' (4° ), `voorwaarden' (27° ) en `aanbevelingen' (28° ). 34 Zie o.a.: HvJ 21 september 2023, Commissie t. Duitsland, C-116/22, ECLI:EU:C:2023:687, punten 105 en 106; HvJ 29 juni 2023, Commissie t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ierland, C-444/21, ECLI:EU:C:2023:524, punten 64 en 65 en HvJ 17 december 2020, Commissie t. Griekenland, C-849/19, ECLI:EU:2020:1047, punten 46 tot 53. 35 Adv. RvS 73.880/1 van 24 oktober 2023 over een voorontwerp van wet `betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht'. 36 Dit werd bevestigd door de gemachtigde. Indien de beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied tot negatieve conclusies zou leiden, kan het project uit hoofde van artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn namelijk enkel in de in dit artikel vermelde gevallen doorgang vinden. Er wordt geen mogelijkheid voorzien om via het betalen van een geldbedrag negatieve gevolgen van een Natura 2000-toelating te compenseren. 37 Supra, opmerkingen 4 tot 4.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 APRIL 2024. - Koninklijk besluit betreffende de procedure tot instelling van mariene beschermde gebieden, tot Natura 2000-toelating en Natura 2000-goedkeuring en tot milieuvergunning in de Belgische zeegebieden FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de Grondwet, artikel 108;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat, gewijzigd bij de wetten van 20 januari 1999, 22 april 1999, 22 december 2008, 25 september 2022 en 11 december 2022, artikel 3, § 1 en §§ 3 tot en met 5;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden, artikel 6, artikel 8 §§ 1 en 3, artikel 9, artikel 10, § 2, artikelen 11, 12, artikel 16 § 5, artikel 17, artikel 19, artikel 20, § 1, artikelen 21, 22, 23 en 26 en artikel 67;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het koninklijk besluit van 7 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/09/2003 numac 2003014212 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/11/2003 numac 2003022881 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 76, § 3, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/10/2003 numac 2003022905 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 70, § 4, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/11/2003 numac 2003000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van de wet van 26 maart 2003 tot aanvulling van artikel 42 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, teneinde een leemte te verhelpen inzake het verlof voorafgaand aan de pensionering van de leden van de gemeentepolitie die worden aangewezen voor een mandaatfunctie bij de federale politie type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/10/2003 numac 2003022904 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen sluiten houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het koninklijk besluit van 9 september 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/09/2003 numac 2003014213 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit houdende de regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene-milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/09/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2003 numac 2003014225 bron federale overheidsdienst financien en programmatorische federale overheidsdienst activabeheer Koninklijk besluit houdende benoeming van de voorzitter van de raad van bestuur en de directeur-generaal van de Nationale Delcrederedienst sluiten houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het koninklijk besluit van 27 oktober 2016Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten3 betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het koninklijk besluit van 21 oktober 2018Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten4 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het algemeen advies nr. 65/2023 van de Gegevensbeschermingsautoriteit, gegeven op 20 oktober 2023;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de adviezen van de Inspecteurs van Financiën, gegeven op 18 oktober 2023, 23 november 2023, 6 december 2023 en 12 december 2023;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 22 december 2023;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het advies 75.293/16 van de Raad van State, gegeven op 2 februari 2024, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op voordracht van de Minister van Economie, de Minister van Noordzee en de Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij: TITEL 1. - Inleidende bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. § 2. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand. § 3. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd door de Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. § 4. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, zoals gewijzigd door de Richtlijn 2023/2413/EU van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn 2018/2001/EU, Verordening 2018/1999/EU en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn 2015/652/EU van de Raad</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit regelt volgende toelatingen, goedkeuringen en vergunningen: 1° de Natura 2000-toelating;2° de Natura 2000-goedkeuring;3° de milieuvergunning. TITEL 2. - Definities</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3</span><span class=\"lf-art-t\">Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° de wet: de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 11 december 2022Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/12/2022 numac 2022034447 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden sluiten ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden;2° dag: kalenderdag;3° betekenen: het verzenden bij ter post aangetekende brief;4° digitaal: per e-mail of elke andere geschikte vorm van digitale communicatie; 5° dienst Continentaal Plat: de dienst Continentaal Plat van de Federale overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie; 6° publiek: een of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen alsook de verenigingen, organisaties of groepen van natuurlijke personen of rechtspersonen;7° betrokken publiek: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk kan ondervinden van of belanghebbende is bij elke milieubesluitvorming;niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en over rechtspersoonlijkheid beschikken worden geacht betrokken publiek te zijn; 8° project: een activiteit die a) opgesomd staat in artikel 16 § 1 van de wet of in het koninklijk besluit krachtens artikel 16, § 2 van de wet;of b) beoogd wordt in artikel 3, § 1 van de wet continentaal plat;of c) een invloed heeft op het natuurlijk milieu;9° Natura 2000-toelating: een toelating die op basis van dit besluit vereist is om een project uit te voeren;10° Natura 2000-goedkeuring: een goedkeuring die op basis van dit besluit vereist is om een plan uit te voeren;11° Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;12° Vogelrichtlijn: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand;13° staat van instandhouding van een habitat: de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken soorten;14° staat van instandhouding van een soort: het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort.15° de gunstige staat van instandhouding van een habitat: de staat van instandhouding van een habitat wanneer: a) het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en;b) de nodige specifieke structuur en functies voor behoud op lange termijn bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en;c) de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is;16° de gunstige staat van instandhouding van een soort: de staat van instandhouding van een soort wanneer: a) uit populatie dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog altijd een levensvatbare component is van de habitat waarin de soort voorkomt en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en;b) het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en;c) er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;17° te beschermen habitats: de habitattypes vermeld in bijlage I van de Habitatrichtlijn die in de zeegebieden voorkomen;18° te beschermen soorten: de soorten, vermeld in bijlagen II en IV van de Habitatrichtlijn en in bijlage I van de Vogelrichtlijn die in de zeegebieden voorkomen, en de trekvogels die geregeld voorkomen in de zeegebieden en die niet in bijlage I van de Vogelrichtlijn worden vermeld;19° speciale zone voor natuurbehoud: gebied ingesteld op basis van artikel 3 en 4 van de Habitatrichtlijn;20° speciale beschermingszone voor vogels: gebied ingesteld op basis van artikel 4 van de Vogelrichtlijn;21° Natura 2000-gebied: een speciale zone voor natuurbehoud of een speciale beschermingszone voor vogels;22° prioritaire soorten: de soorten vermeld onder bijlage II van de Habitatrichtlijn met een sterretje (*) gemerkt;23° permanente monitoring: de evaluatie van de toestand van het marien milieu, waaronder de toestand van de mariene reservaten en de Natura 2000-gebieden;24° monitoring: de evaluatie waarbij de milieueffecten van een toegelaten project of goedgekeurd plan worden onderzocht en geëvalueerd;25° monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken: de evaluaties waarbij de milieueffecten van een vergunde activiteit worden onderzocht en geëvalueerd;26° vergunning: de milieuvergunning krachtens artikel 16 §§ 1 en 2 van de wet;27° voorwaarden: de condities opgelegd in de Natura 2000-toelating, de Natura 2000-goedkeuring, de vergunning of de vergunning continentaal plat;28° aanbevelingen: een beschrijving van de niet-bindende voorstellen voor de manier van uitvoering van de activiteit;29° het onderzoek: het onderzoek door de BMM van de in het milieueffectbeoordelingsrapport gepresenteerde informatie en, in voorkomend geval van de aanvullende informatie die door de aanvrager wordt verstrekt, van alle via de raadplegingen ontvangen relevante informatie en haar eigen aanvullend onderzoek;30° vergunninghouder: de persoon aan wie een vergunning werd uitgereikt of overgedragen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;31° Verdrag van Espoo: het verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband en zijn Aanhangsels I, II, III, IV, V, VI en VII, gedaan te Espoo op 25 februari 1991;32° het daartoe aangeduide contactpunt: het point of contact aangeduid in de appendix bij Beslissing I/3 van de Vergadering van de partijen bij het verdrag in uitvoering van artikel 3 van het Verdrag van Espoo;33° staat: een lidstaat van de Europese Unie of een verdragsluitende partij bij het Verdrag van Espoo;34° grensoverschrijdende aanzienlijke effecten: effecten die voortvloeien uit een vergunningsplichtige activiteit die is inbegrepen in het toepassingsgebied van het Verdrag van Espoo of van de Richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten zoals gewijzigd door de Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad;35° Raadgevende Commissie: de Raadgevende Commissie Marien Ruimtelijk Plan krachtens artikel 24, § 3 van de wet;36° ingreep: elke verandering van de vergunde activiteit, waardoor aan het mariene milieu een nadeel kan worden berokkend dat niet groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst;37° wijziging van de vergunning: elke verandering van de voorwaarden die tot gevolg kan hebben dat het nadeel aan het marien milieu groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst of elke niet-substantiële verandering aan de vergunde activiteit die als gevolg kan hebben dat het nadeel aan het marien milieu groter of van een andere aard is ten opzichte van het nadeel dat door de geldende vergunning wordt beheerst;38° niet-substantieel: niet essentieel of geen belangrijke weerslag op de vergunde activiteit;39° de wet continentaal plat: de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat;40° vergunning continentaal plat: de milieuvergunning voor de exploratie en de exploitatie van de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en van de ondergrond krachtens artikel 3, § 1 en § 3 van de wet continentaal plat;41° de Raadgevende Commissie Zand en Grind: de Raadgevende Commissie krachtens artikel 3, § 5 van de wet continentaal plat;42° Algemene Verordening Gegevensbescherming: de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;43° Fonds Leefmilieu: het fonds voorzien krachtens de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 3. - Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4</span><span class=\"lf-art-t\">Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor het marien milieu</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor het marien milieu, in het bijzonder voor de mariene beschermde gebieden, dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij betekening gaan de termijnen in op de dag na de datum van de poststempel van de ter post aangetekende brief. Bij digitaal versturen gaan de termijnen in de dag na het digitaal versturen. De termijnen verstrijken om middernacht van de laatste dag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De termijnen en de datums zoals bepaald in dit besluit worden gerekend vanaf de aanvangsdatum van de toepasselijke procedure zoals verder bepaald in dit besluit. De termijnen worden geschorst vanaf 15 juli tot en met 15 augustus</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De BMM vervult haar taken zoals beschreven in dit besluit in alle onafhankelijkheid, objectiviteit en neutraliteit. De BMM mag zich niet bevinden in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft. § 2. Indien een toelating, goedkeuring of vergunning wordt aangevraagd op initiatief of onder toezicht van een federale overheidsdienst, -instelling of -instantie, wordt in ieder geval binnen de organisatie van de administratieve bevoegdheden van de federale overheid een passende scheiding aangebracht tussen conflicterende functies bij het uitvoeren van de uit dit besluit voortvloeiende taken. § 3. Om de volledigheid en kwaliteit van het milieueffectbeoordelingsrapport te waarborgen, dient de BMM te waarborgen dat zij beschikt over, of indien nodig toegang heeft tot, voldoende expertise om het milieueffectbeoordelingsrapport te onderzoeken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De retributies verschuldigd overeenkomstig de artikelen 25, 46, 59 en 88 van dit besluit zijn betaalbaar aan de BMM. Zij worden gestort op het daartoe door de minister bepaald rekeningnummer</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 4. - Mariene beschermde gebieden</h3>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK I. - Instelling en beschermingsdoelstellingen van de mariene reservaten Art. 9.§ 1. De dienst Marien Milieu maakt een voorstel op voor het aanduiden van een gebied als marien reservaat, dat volgende gegevens bevat: 1° een grafisch plan dat aangeeft over welk gebied of welke gebieden het gaat;2° de geografische coördinaten;3° een wetenschappelijke beschrijving van het gebied, het aanwezige ecosysteem en zijn functies;4° een voorstel tot beschermingsdoelstellingen. § 2. Elke federale overheidsdienst stelt, op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging, alle nuttige informatie en kennis, waarover ze beschikt, ter beschikking om te kunnen gebruiken bij het opstellen van de beschermingsdoelstellingen. § 3. De gebieden die in aanmerking komen als mariene reservaten worden ingesteld volgens de procedure krachtens artikel 24, § 1 en § 2 van de wet. § 4. Het instellingsbesluit, zoals bedoeld in paragraaf 3, bevat minstens de volgende elementen: 1° de naam van het gebied;2° de afbakening van het gebied;3° de beschermingsdoelstellingen. Art. 10.De beschermingsdoelstellingen zijn bindend voor de federale overheid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK II. - Natura 2000-gebieden Afdeling I. - Instelling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De dienst Marien Milieu maakt een voorstel op voor de instelling van een Natura-2000 gebied, dat volgende gegevens bevat: 1° een grafisch plan dat aangeeft over welk gebied of welke gebieden het gaat;2° de geografische coördinaten;3° een wetenschappelijke omschrijving. § 2. Voor de speciale zones voor natuurbehoud gebeurt de selectie op grond van de criteria van bijlage III van de Habitatrichtlijn en van de relevante wetenschappelijke gegevens. § 3. Voor de speciale beschermingszones voor vogels worden de gebieden geselecteerd die naar aantal en oppervlakte het meest geschikt zijn voor de instandhouding van: 1° de vogelsoorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn die voorkomen in de zeegebieden;2° de trekvogels die geregeld voorkomen in de zeegebieden en die niet in bijlage I van de Vogelrichtlijn worden vermeld. § 4. De gebieden die in aanmerking komen als Natura 2000-gebieden worden ingesteld volgens de procedure krachtens artikel 24, § 1 en § 2 van de wet. De aanwijzing van speciale beschermingszones voor vogels is definitief</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In het geval van de aanwijzing van een gebied dat in aanmerking komt als speciale zone voor natuurbehoud, meldt de minister het gebied aan bij de Europese Commissie. § 2. Binnen zes jaar nadat de Europese Commissie een gebied van communautair belang heeft verklaard, wordt dit gebied definitief ingesteld als speciale zone voor natuurbehoud</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Zodra de Europese Commissie een gebied van communautair belang heeft verklaard, wordt het gebied als Natura 2000-gebied beschouwd voor de toepassing van afdeling IV en V van dit besluit. § 2. Elke federale overheidsdienst neemt, binnen de haar toegewezen bevoegdheden, de nodige maatregelen om elke verslechtering van de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten en elke significante verstoring van de te beschermen soorten te vermijden in de gebieden waarvoor de Europese procedure tot aanduiding als gebied van communautair belang loopt. § 3. De speciale beschermingszones voor vogels zoals omschreven in artikel 7, § 5, van het koninklijk besluit van 22 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten5 tot vaststelling van het marien ruimtelijk plan voor de periode van 2020 tot 2026 in de Belgische zeegebieden en de speciale zones voor natuurbehoud bedoeld in artikel 7, §§ 1 en 3, van hetzelfde besluit worden geacht definitief te zijn aangewezen, in de zin van artikel 11, § 4 en 12, § 2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het instellingsbesluit, zoals bedoeld in artikel 11, § 4 en 12, § 2, bevat minstens de volgende elementen: 1° de code van het Natura 2000-gebied;2° de naam van het gebied;3° de afbakening van het gebied met kaart en coördinaten;4° een wetenschappelijke omschrijving van het gebied;5° de soorten en/of habitats waarvoor het gebied is aangewezen en, in voorkomend geval, andere Europees beschermde soorten en habitats die in het gebied voorkomen. Afdeling II. - Instandhoudingsdoelstellingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Voor elk Natura 2000-gebied wordt een wetenschappelijk rapport opgesteld, dat minstens de volgende elementen bevat: 1° een wetenschappelijke beschrijving van het gebied en van de te beschermen habitats en/of de te beschermen soorten waarvoor het gebied is aangewezen of die erin voorkomen en, in voorkomend geval, een actualisering van de wetenschappelijke informatie;2° een analyse van de actuele staat van instandhouding van een habitat en actuele staat van instandhouding van een soort, op basis van de permanente monitoring;3° een inschatting van het potentieel van het gebied in kwestie en voor het behalen van de gunstige staat van instandhouding van een habitat en gunstige staat van instandhouding van een soort voor de relevante te beschermen habitats en/of de relevante te beschermen soorten;4° een beoordeling van het belang van het Natura 2000-gebied voor elke relevante te beschermen habitat en relevante te beschermen soort, en hieruit volgend een beoordeling van het belang van elke relevante te beschermen habitat en te beschermen soort binnen het te beschermen gebied in kwestie;5° een voorstel van instandhoudingsdoelstellingen voor de relevante te beschermen habitat en/of relevante te beschermen soort in het gebied;6° een beschrijving van de bedreigingen en kansen met betrekking tot het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld onder 5°.7° een oplijsting en analyse van de bestaande Natura 2000-toelatingen en Natura 2000-goedkeuringen die beïnvloed kunnen worden door het voorstel van instandhoudingsdoelstellingen. § 2 Elke federale overheidsdienst stelt, op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging, alle nuttige informatie en kennis, waarover ze beschikt, ter beschikking om te kunnen gebruiken bij het opstellen van de instandhoudingsdoelstellingen. § 3. Op basis van het wetenschappelijk rapport, zoals bepaald in § 1, stelt de minister ontwerp- instandhoudingsdoelstellingen vast voor elk Natura 2000-gebied. § 4. De minister onderwerpt de ontwerp-instandhoudingsdoelstellingen aan een publieksraadpleging. Deze publieksraadpleging wordt minstens vijftien dagen voor de aanvang ervan bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de dienst Marien Milieu. Deze bekendmaking vermeldt de begin- en einddatum van de publieksraadpleging en de wijze waarop het publiek zijn standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen kan kenbaar maken. § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De publieksraadpleging duurt zestig dagen. § 6. De minister stelt een verklaring op die weergeeft hoe met de standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen van het publiek rekening werd gehouden. § 7. De minister stelt de instandhoudingsdoelstellingen vast. § 8. De instandhoudingsdoelstellingen en de verklaring, zoals bepaald in paragraaf 9, worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en op de website van de dienst Marien Milieu. De minister maakt de instandhoudingsdoelstellingen en de verklaring, zoals bepaald in paragraaf 9, indien relevant, aan andere overheidsdiensten over.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De instandhoudingsdoelstellingen worden aangenomen ten laatste zes jaar na de definitieve aanwijzing van een speciale beschermingszone voor vogels zoals bepaald in artikel 11, § 4 en ten laatste zes jaar nadat de Europese Commissie een speciale zone voor natuurbehoud van communautair belang heeft verklaard</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 17</span><span class=\"lf-art-t\">De instandhoudingsdoelstellingen zijn bindend voor de federale overheid. Afdeling III. - Instandhoudingsmaatregelen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De minister neemt de nodige instandhoudingsmaatregelen, gericht op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. § 2. De minister neemt de nodige stappen om elke verslechtering van de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten en elke significante verstoring van de te beschermen soorten te vermijden. § 3. Voor hetgeen bepaald in paragrafen 1 en 2, kan de minister acties voor natuurherstel of -beheer ondernemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De minister kan voor elk van de Natura 2000-gebieden een ontwerp-beheerplan vaststellen of herzien. § 2. Dit ontwerp-beheerplan bevat minstens de volgende elementen: 1° een evaluatie van het bestaande beschermingsregime, vertrekkend vanuit de resultaten van de permanente monitoring;2° een ontwerp van instandhoudingsmaatregelen en de te ondernemen stappen om de verslechtering van de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten en elke significante verstoring van de te beschermen soorten tegen te gaan. § 3. De minister onderwerpt het ontwerp-beheerplan aan een publieksraadpleging. Deze publieksraadpleging wordt minstens vijftien dagen voor de aanvang ervan bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, op de Federale Portaalsite, op de website van de dienst Marien Milieu en door minstens één ander vrij te kiezen communicatiemiddel Deze bekendmaking vermeldt de begin- en einddatum van de publieksraadpleging en de wijze waarop het publiek zijn standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen kan kenbaar maken. § 4. De publieksraadpleging duurt zestig dagen. § 5. De minister stelt een verklaring op die weergeeft hoe met de standpunten, opmerkingen, bezwaren en adviezen van het publiek rekening werd gehouden. § 6. De minister neemt het ontwerp-beheerplan aan als beheerplan. § 7. De minister doet het nodige opdat dit beheerplan en de verklaring, zoals bepaald in paragraaf 5, publiek wordt gemaakt en, indien relevant, aan andere overheidsdiensten wordt overgemaakt. Afdeling IV. - Projecten met een mogelijke impact op een Natura 2000-gebied</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een project dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor, het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is onderworpen aan een Natura 2000-toelating</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De procedure tot het bekomen van een Natura 2000-toelating bestaat uit volgende stappen: 1° een optionele screening, zoals bepaald in artikel 22;2° het opstellen van een ontwerp van passende beoordeling door de initiatiefnemer;3° het evalueren van het ontwerp van passende beoordeling, het opmaken van een passende beoordeling door de BMM en het advies van de dienst Marien Milieu;4° de beslissing van de minister. § 2. Indien voor het project ook een vergunning of een vergunning continentaal plat vereist is, verloopt het behandelen van een Natura 2000-toelating volgens de termijnen bepaald in titel 5</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Om te bepalen of een project mogelijk significante gevolgen heeft voor één of meerdere Natura 2000-gebieden, kan de initiatiefnemer aan de BMM digitaal verzoeken om aan te geven of een Natura 2000-toelating vereist is. Bij dit verzoek wordt een screeningsnota gevoegd, waarin de initiatiefnemer een beschrijving geeft van het project en aangeeft of bij het uitvoeren van dit project sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. § 2. De BMM beslist, op basis van dit verzoek en alle andere relevante informatie, binnen vijftien dagen na het verzoek, of er voor het betrokken project een Natura 2000-toelating vereist is. § 3. De BMM verstuurt haar beslissing digitaal aan de initiatiefnemer en de dienst Marien Milieu</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De initiatiefnemer stelt een ontwerp van passende beoordeling op, op eigen initiatief of indien de BMM beslist heeft dat een Natura 2000-toelating vereist is voor het project, zoals bepaald in artikel 22, § 2. § 2. Het ontwerp van passende beoordeling bevat, op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis, alle aspecten van het project die op zichzelf, of in combinatie met andere plannen of projecten, de instandhoudingsdoelstellingen in gedrang kunnen brengen Indien voor het betrokken gebied nog geen instandhoudingsdoelstellingen zijn opgemaakt, dienen de gegevens op basis waarvan de aanmelding van het Natura 2000-gebied is gebeurd, aangevuld met de relevante ecologische informatie, als referentie gebruikt te worden. § 3. Het ontwerp van passende beoordeling bevat: 1° de gegevens van de initiatiefnemer: a) naam, voornaam, adres, e-mailadres en desgevallend ondernemingsnummer van de initiatiefnemer;b) als de initiatiefnemer een privaatrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, haar statuten en de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van het ontwerp van passende beoordeling evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de initiatiefnemer.Als de initiatiefnemer een publiekrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van het ontwerp van passende beoordeling, evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de initiatiefnemer; 2° een deel betreffende het project waarin volgende zaken beschreven worden: a) de doelstelling van het project;b) de locatie en periode van het project;c) de wijze van uitvoering van het project;3° een deel betreffende de mogelijke gevolgen van het project op de Natura 2000-gebieden: a) een beschrijving en waardering van de gevolgen van het project op de instandhoudingsdoelstellingen;b) een beschrijving van de wijze waarop rekening werd gehouden met de te verwachten nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen en een beschrijving van de maatregelen die mogelijk zijn om nadelige gevolgen te vermijden of te beperken tot een niveau waarop zij de instandhoudingsdoelstellingen niet meer in het gedrang brengen;c) een beschrijving van de voorzieningen die kunnen worden getroffen om een behoorlijke monitoring te verzekeren van de gevolgen van het project op de instandhoudingsdoelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit deel wordt per geval op passende wijze uitgewerkt. In voorkomend geval wordt het aangevuld met een overzicht van de moeilijkheden, zoals ontbrekende kennis, die werden ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemer betekent of verstuurt digitaal het ontwerp van passende beoordeling aan de BMM en verstuurt een kopie van het ontwerp digitaal aan de dienst Marien Milieu</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De BMM berekent het bedrag van de retributie op basis van de gegevens vervat in het ontwerp van passende beoordeling. De berekening van de retributie omvat: 1° een vergoeding voor de administratieve kosten, te begroten op 50 euro, jaarlijks te indexeren volgens de index der consumptieprijzen;2° een vergoeding voor de uitvoering van de passende beoordeling en alle daaraan verbonden kosten, op basis van een tarief van 692 euro (index 127,11;basis 2013) per mandag, jaarlijks te indexeren volgens de index der consumptieprijzen. § 2. De BMM betekent de berekening van de retributie aan de initiatiefnemer binnen tien dagen na de aanvraag. § 3. De initiatiefnemer betekent het bewijs van betaling van de retributie aan de BMM. § 4. De termijn voor het verder behandelen van de aanvraag tot Natura 2000-toelating gaat in de dag na de betekening door de initiatiefnemer van het bewijs van betaling van de retributie, zoals bepaald in paragraaf 3, aan de BMM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De BMM evalueert het ontwerp van passende beoordeling en stelt de passende beoordeling op. De BMM verstuurt de passende beoordeling digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen zestig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De dienst Marien Milieu verstuurt zijn advies over de passende beoordeling digitaal aan de BMM binnen vijfenzeventig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4. § 2. De BMM verstuurt de passende beoordeling en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen vijfentachtig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De minister kan voor het project enkel een Natura 2000-toelating verlenen, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied niet in het gedrang zal brengen. De minister kan aan deze toelating voorwaarden koppelen. § 2. De minister betekent de beslissing aan de initiatiefnemer binnen vijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In afwijking van artikel 28 kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het project worden toegelaten indien cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1° er is geen ander alternatief dat de natuurlijke kenmerken van het Natura-2000 gebied niet of minder aantast;2° het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden vermoed van groot openbaar belang te zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval het project significante gevolgen heeft voor een gebied met een prioritaire natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort, kunnen enkel dwingende redenen van groot openbaar belang in rekening genomen worden die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen enkel in rekening genomen worden na gunstig advies van de Europese Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit advies van de Europese Commissie wordt door de minister gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden vermoed van groot openbaar belang te zijn en de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid te dienen; 3° de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.De minister stelt de Europese Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. § 2. De initiatiefnemer betekent voor de afwijkingsmogelijkheid uit § 1, een gemotiveerde aanvraag aan de BMM binnen honderdentien dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4. § 3. De BMM beoordeelt de gemotiveerde aanvraag en verstuurt haar advies over de vervulling van de voorwaarden, zoals bepaald in paragraaf 1, aan de dienst Marien Milieu binnen honderdzeventig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienst Marien Milieu verstuurt haar advies digitaal binnen honderdvijfentachtig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4, aan de BMM. § 5. De BMM verstuurt haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen honderdvijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4, aan de BMM. § 6. De minister betekent de beslissing aan de initiatiefnemer binnen tweehonderdenvijf dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 25, § 4. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De minister kan een Natura 2000-toelating wijzigen, schorsen of opheffen in de volgende gevallen: 1° wanneer uit de permanente monitoring en, in voorkomend geval, de monitoring blijkt dat zich nieuwe nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden hebben voorgedaan door het project;2° wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd;3° wanneer de gegevens op grond waarvan de Natura 2000-toelating is verleend, zodanig onjuist of onvolledig zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou genomen zijn;4° wanneer de Natura 2000-toelating in strijd met de wettelijke voorschriften is verleend. § 2. Een Natura 2000-toelating wordt door de minister opgeheven of gewijzigd indien nieuwe wetenschappelijke inzichten aantonen dat dit nodig is om te vermijden dat de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten verslechtert en dat er een significante verstoring van de te beschermen soorten optreedt door het toegelaten project. § 3. Een Natura 2000-toelating wordt door de minister opgeheven of gewijzigd, indien deze niet meer verenigbaar is met gewijzigde instandhoudingsdoelstellingen. § 4. De minister neemt een beslissing over het wijzigen, schorsen of opheffen van een Natura 2000-toelating ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van de BMM. De minister betekent de ontwerpbeslissing aan de toelatingshouder Binnen dertig dagen na de betekening van de ontwerpbeslissing kan de toelatingshouder opmerkingen en bezwaren en eventuele vraag om gehoord te worden aan de BMM betekenen. § 5. Binnen zestig dagen na betekening zoals bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, verstuurt de BMM haar advies met, in voorkomend geval, de beoordeling van de opmerkingen en bezwaren en, in voorkomend geval, het verslag van de hoorzitting, digitaal aan de dienst Marien Milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienst Marien Milieu verstuurt binnen vijfenzeventig dagen na betekening haar advies digitaal aan de BMM. Binnen vijfentachtig dagen na betekening verstuurt de BMM haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister. Binnen vijfennegentigdagen na betekening betekent de minister de beslissing aan de toelatingshouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister het besluit digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De toelatingshouder kan een gemotiveerde aanvraag tot wijziging van de Natura 2000-toelating betekenen aan de BMM. In deze gemotiveerde aanvraag geeft de toelatingshouder aan waarom door de wijziging van de Natura 2000-toelating er geen sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. § 2. De BMM beslist, op basis van de gemotiveerde aanvraag en alle andere relevante informatie of er een nieuwe Natura 2000-toelating vereist is of niet. De BMM verstuurt haar beslissing digitaal binnen vijftien dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag aan de toelatingshouder en de dienst Marien Milieu. § 3. Indien de BMM beslist dat er een nieuwe Natura 2000-toelating vereist is, kan de toelatingshouder een nieuwe Natura 2000-toelating aanvragen volgens de procedure zoals bepaald in artikel 23 tot en met 29. § 4. Indien de BMM beslist dat er geen nieuwe Natura 2000-toelating vereist is, verstuurt de BMM haar advies over de aangevraagde wijziging van de Natura 2000-toelating digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen zestig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag De dienst Marien Milieu verstuurt haar advies digitaal aan de BMM binnen vijfenzeventig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De BMM verstuurt haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen vijfentachtig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. De minister betekent de beslissing aan de toelatingshouder binnen vijfennegentig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister het besluit digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu. Afdeling V. - Plannen met een mogelijke impact op een Natura 2000-gebied</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een plan dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor, het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is onderworpen aan een Natura 2000-goedkeuring</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De procedure tot het bekomen van een Natura 2000-goedkeuring bestaat uit volgende stappen: 1° een optionele screening, zoals bepaald in artikel 34;2° het opstellen van een ontwerp van passende beoordeling door de initiatiefnemer;3° het evalueren van het ontwerp van passende beoordeling, het opmaken van een passende beoordeling door de BMM en het advies van de dienst Marien Milieu;4° de beslissing van de minister. Art. 34.§ 1. Om te bepalen of een plan mogelijk significante gevolgen heeft voor één of meerdere Natura 2000-gebieden, kan de initiatiefnemer aan de BMM digitaal verzoeken om aan te geven of een Natura 2000-goedkeuring vereist is. Bij dit verzoek wordt een screeningsnota gevoegd, waarin de initiatiefnemer een beschrijving geeft van het plan en aangeeft of bij het uitvoeren van dit plan sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. § 2. De BMM beslist, op basis van dit verzoek en alle andere relevante informatie, binnen vijftien dagen na het verzoek, of er voor het betrokken plan een Natura 2000-goedkeuring vereist is. § 3. De BMM verstuurt haar beslissing digitaal aan de initiatiefnemer en de dienst Marien Milieu</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 35</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De initiatiefnemer stelt een ontwerp van passende beoordeling op, op eigen initiatief of indien de BMM beslist heeft dat een Natura 2000-goedkeuring vereist is voor het plan, zoals bepaald in artikel 34, § 2. § 2. Het ontwerp van passende beoordeling bevat, op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis, alle aspecten van het plan die op zichzelf, of in combinatie met andere plannen of projecten, de instandhoudingsdoelstellingen in gedrang kunnen brengen Indien voor het betrokken gebied nog geen instandhoudingsdoelstellingen zijn opgemaakt, dienen de gegevens op basis waarvan de aanmelding van het Natura 2000-gebied is gebeurd, aangevuld met de relevante ecologische informatie, als referentie gebruikt te worden. § 3. Het ontwerp van passende beoordeling bevat: 1° de gegevens van de initiatiefnemer: a) benaming, adres, e-mailadres en desgevallend ondernemingsnummer van de initiatiefnemer;b) als de initiatiefnemer een privaatrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, haar statuten en de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van het ontwerp van passende beoordeling evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de initiatiefnemer.Als de initiatiefnemer een publiekrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van het ontwerp van passende beoordeling, evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de initiatiefnemer; 2° een deel betreffende het plan waarin volgende zaken beschreven worden: a) de doelstelling van het plan;b) de locatie en periode van het plan;c) de wijze van uitvoering van het plan;3° een deel betreffende de mogelijke gevolgen van het plan op de Natura 2000-gebieden: a) een beschrijving en waardering van de gevolgen van het plan op de instandhoudingsdoelstellingen;b) een beschrijving van de wijze waarop rekening werd gehouden met de te verwachten nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen en een beschrijving van de maatregelen die mogelijk zijn om nadelige gevolgen te vermijden of te beperken tot een niveau waarop zij de instandhoudingsdoelstellingen niet meer in het gedrang brengen;c) een beschrijving van de voorzieningen die kunnen worden getroffen om een behoorlijke monitoring te verzekeren van de gevolgen van het plan op de instandhoudingsdoelstellingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit deel wordt per geval op passende wijze uitgewerkt. In voorkomend geval wordt het aangevuld met een overzicht van de moeilijkheden, zoals ontbrekende kennis, die werden ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemer betekent of verstuurt digitaal het ontwerp van passende beoordeling aan de BMM en verstuurt een kopie van het ontwerp digitaal aan de dienst Marien Milieu</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De termijn voor het verder behandelen van de aanvraag tot Natura 2000-goedkeuring gaat in de dag na de betekening of het digitaal versturen door de initiatiefnemer van het ontwerp van passende beoordeling aan de BMM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De BMM evalueert het ontwerp van passende beoordeling en stelt de passende beoordeling op. De BMM verstuurt de passende beoordeling digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen zestig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 39</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De dienst Marien Milieu verstuurt zijn advies over de passende beoordeling digitaal aan de BMM binnen vijfenzeventig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37. Indien een plan door of in opdracht van de dienst Marien Milieu wordt opgesteld, verleent de dienst Marien Milieu geen advies. § 2. De BMM verstuurt de passende beoordeling en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen vijfentachtig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De minister kan voor het plan enkel een Natura 2000-goedkeuring verlenen, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied niet in het gedrang zal brengen De minister kan aan deze goedkeuring voorwaarden koppelen. § 2. De minister betekent de beslissing aan de initiatiefnemer binnen vijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In afwijking van artikel 40 kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden toegelaten indien cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1° er is geen ander alternatief dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet of minder aantast;2° het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard;plannen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden vermoed van groot openbaar belang te zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval het plan significante gevolgen heeft voor een gebied met een prioritaire natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort, kunnen enkel dwingende redenen van groot openbaar belang in rekening genomen worden die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen enkel in rekening genomen worden na gunstig advies van de Europese Commissie. Dit advies van de Europese Commissie wordt door de minister gevraagd. Plannen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden vermoed van groot openbaar belang te zijn en de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid te dienen; 3° de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.De minister stelt de Europese Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemer betekent voor de afwijkingsmogelijkheid uit § 1, een gemotiveerde aanvraag aan de BMM binnen honderdentien dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37. § 3. De BMM beoordeelt de gemotiveerde aanvraag en verstuurt haar advies over de vervulling van de voorwaarden, zoals bepaald in paragraaf 1, aan de dienst Marien Milieu binnen honderdzeventig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37. § 4. De dienst Marien Milieu verstuurt haar advies digitaal binnen honderdvijfentachtig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37, aan de BMM. § 5. De BMM verstuurt haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen honderdvijfennegentig dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37, aan de BMM. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister betekent de beslissing aan de initiatiefnemer binnen tweehonderdenvijf dagen vanaf de aanvang van de termijn, zoals bepaald in artikel 37. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De minister kan een Natura 2000-goedkeuring wijzigen, schorsen of opheffen in de volgende gevallen: 1° wanneer uit de permanente monitoring en, in voorkomend geval, de monitoring blijkt dat zich nieuwe nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden hebben voorgedaan door het plan;2° wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd;3° wanneer de gegevens op grond waarvan de Natura 2000-goedkeuring is verleend, zodanig onjuist of onvolledig zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou genomen zijn;4° wanneer de Natura 2000-goedkeuring in strijd met de wettelijke voorschriften is verleend. § 2. Een Natura 2000-goedkeuring wordt door de minister opgeheven of gewijzigd indien nieuwe wetenschappelijke inzichten aantonen dat dit nodig is om te vermijden dat de kwaliteit van de te beschermen habitats en van de habitats van soorten verslechtert en dat er een significante verstoring van de beschermde soorten optreedt door het goedgekeurde plan. § 3. Een Natura 2000-goedkeuring wordt door de minister opgeheven of gewijzigd, indien deze niet meer verenigbaar is met de gewijzigde instandhoudingsdoelstellingen. § 4. De minister neemt een beslissing over het wijzigen, schorsen of opheffen van een Natura 2000-goedkeuring ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van de BMM. De minister betekent de ontwerpbeslissing aan de goedkeuringshouder Binnen dertig dagen na de betekening van de ontwerpbeslissing kan de goedkeuringshouder opmerkingen en bezwaren en eventuele vraag om gehoord te worden aan de BMM betekenen. § 5. Binnen zestig dagen na betekening zoals bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, verstuurt de BMM haar advies, met, in voorkomend geval, de beoordeling van de opmerkingen en bezwaren en, in voorkomend geval, het verslag van de hoorzitting, digitaal aan de dienst Marien Milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienst Marien Milieu verstuurt binnen vijfenzeventig dagen na betekening haar advies digitaal aan de BMM. Binnen vijfentachtig dagen na betekening verstuurt de BMM haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister. Binnen vijfennegentig dagen na de betekening betekent de minister de beslissing aan de goedkeuringshouder. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De goedkeuringshouder kan een gemotiveerde aanvraag tot wijziging van de Natura 2000-goedkeuring betekenen aan de BMM. In deze gemotiveerde aanvraag geeft de goedkeuringshouder aan waarom door de wijziging van de Natura 2000-goedkeuring er geen sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. § 2. De BMM beslist, op basis van de gemotiveerde aanvraag en alle andere relevante informatie of er een nieuwe Natura 2000-goedkeuring vereist is of niet. De BMM verstuurt haar beslissing digitaal binnen vijftien dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag aan de goedkeuringshouder en de dienst Marien Milieu. § 3. Indien de BMM beslist dat er een nieuwe Natura 2000-goedkeuring vereist is, kan de goedkeuringshouder een nieuwe Natura 2000-goedkeuring aanvragen volgens de procedure zoals bepaald in artikel 35 tot en met 41. § 4. Indien de BMM beslist dat er geen nieuwe Natura 2000-goedkeuring vereist is, verstuurt de BMM haar advies over de aangevraagde wijziging van de Natura 2000-goedkeuring digitaal aan de dienst Marien Milieu binnen zestig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag De dienst Marien Milieu verstuurt haar advies digitaal aan de BMM binnen vijfenzeventig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De BMM verstuurt haar advies en het advies van de dienst Marien Milieu digitaal aan de minister binnen vijfentachtig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. De minister betekent de beslissing aan de goedkeuringshouder binnen vijfennegentig dagen na ontvangst van de gemotiveerde aanvraag. Gelijktijdig met de betekening verstuurt de minister de beslissing digitaal aan de BMM en aan de dienst Marien Milieu.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK III. - Permanente monitoring en monitoring Art. 44.De BMM is belast met de permanente monitoring.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 45</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De toestand van mariene reservaten in functie van de beschermingsdoelstellingen wordt minstens elke acht jaar na de instelling van de reservaten geëvalueerd op basis van de permanente monitoring en nieuwe wetenschappelijke kennis en inzichten. Indien nodig worden de beschermingsdoelstellingen herzien. § 2. Het wetenschappelijk rapport zoals bepaald in artikel 15 wordt minstens elke zes jaar na de instelling van de Natura 2000-gebieden geactualiseerd op basis van de permanente monitoring en nieuwe wetenschappelijke kennis en inzichten. Op basis van de actualisatie van het wetenschappelijk rapport worden de instandhoudingsdoelstellingen ten laatste zes jaar na hun aanneming geëvalueerd, en indien nodig, herzien volgens de procedure zoals bepaald in artikel 15, § 3 tot en met § 8</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 46</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het uitvoeren van monitoring, uitgevoerd door of in opdracht van de BMM, kan opgelegd worden als voorwaarde bij het verlenen van een Natura 2000-toelating. De houder van de Natura 2000-toelating is gehouden tot het betalen van een retributie voor de vergoeding van de kosten van deze monitoring. § 2. De retributie voor de monitoring opgelegd als voorwaarde in de Natura 2000-toelating bestaat uit een vergoeding voor de BMM voor de uitvoering van de monitoring en alle daaraan verbonden kosten, op basis van het tarief van 692 euro (index 127,11; basis 2013) per mandag, jaarlijks te indexeren volgens de index der consumptieprijzen. § 3. De retributie zoals bepaald in paragraaf 2 is betaalbaar aan de BMM na factuur met vermelding van de betalingstermijn. § 4. De in de toelating of goedkeuring opgelegde monitoring is te onderscheiden van het toezicht en de inspecties uitgevoerd door de overheid op het naleven van de voorwaarden van de Natura 2000-toelating of -goedkeuring door de toelating - of goedkeuringshouder. Dit toezicht en deze inspecties zijn niet onderworpen aan een retributie. § 5. Het uitvoeren van monitoring kan opgelegd worden als voorwaarde bij het verlenen van een Natura 2000-goedkeuring</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 5. - Procedure milieuvergunning</h3>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK I. - Milieuvergunning voor de activiteiten omschreven in artikel 16, § 1 en § 2 van de wet Art. 47.De activiteiten omschreven in artikel 16, § 1 en § 2, van de wet zijn onderworpen aan een voorafgaande vergunning. De procedure voor het verlenen van een vergunning omvat volgende stappen: 1° het indienen van de aanvraag, met inbegrip van een milieueffectbeoordelingsrapport;2° het onderzoek van de volledigheid en ontvankelijkheid;3° de raadpleging van raadgevende instanties, het publiek en, indien relevant, andere staten;4° het onderzoek van de BMM en het opstellen door de BMM van de gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke effecten van de activiteit op het milieu met advies over de aanvaardbaarheid van de activiteit;5° het advies van de dienst Marien Milieu;6° het besluit tot het verlenen of weigeren van de vergunning door de minister en de bekendmaking ervan. Afdeling I. - Indienen van de aanvraag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De aanvraag wordt ingediend door de natuurlijke persoon of rechtspersoon of gevolmachtigde van de rechtspersoon die de vergunningsplichtige activiteit wenst uit te oefenen. De aanvrager, of, indien de aanvrager een samenwerkingsverband betreft, iedere deelnemer van dat samenwerkingsverband, is: a) een natuurlijk persoon uit een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;of b) een onderneming met rechtspersoonlijkheid, die is opgericht overeenkomstig de Belgische wetgeving of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van een ander land voor zover internationale verdragen waardoor België gebonden is, vereisen dat deze onderneming of iedere deelnemer van een samenwerkingsverband toegang heeft tot de Belgische markt. § 2 De aanvrager, die een onderneming met rechtspersoonlijkheid is of, indien de aanvrager een samenwerkingsverband betreft, iedere deelnemer van dat samenwerkingsverband, beschikt over een centrale administratie, een voornaamste inrichting of een maatschappelijke zetel gevestigd in een van de in paragraaf 1, b) bedoelde landen, op voorwaarde dat de activiteit van deze vestiging of maatschappelijke zetel een effectief en bestendig verband vertegenwoordigt met de economie van het land waarin het gevestigd is. § 3. De aanvrager moet een contactpersoon aanstellen binnen het Belgisch grondgebied, waarlangs alle communicatie kan gevoerd worden. § 4. De aanvrager betekent of verstuurt digitaal de aanvraag aan de BMM.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager verstuurt een kopie van de aanvraag digitaal aan de minister, aan de BMM en de dienst Marien milieu.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 49</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Iedere aanvraag omvat minstens: 1° naam, voornaam, adres en e-mailadres van de aanvrager;2° een identificatie van de voorgenomen activiteit;3° als de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, haar statuten en de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van de aanvraag evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de aanvrager.Als de aanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon is, haar ondernemingsnummer, de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van de aanvraag, evenals de naam, voornaam, e-mailadres en contactgegevens van de binnen het Belgisch grondgebied aangestelde contactpersoon bij de aanvrager; 4° referenties die de financiële en economische draagkracht van de aanvrager aantonen en meer bepaald: passende bankverklaringen, balansen, uittreksels uit balansen of jaarrekeningen van de onderneming, of een verklaring betreffende de totale omzet en de omzet in werken van de onderneming over de laatste drie boekjaren;indien de aanvrager aannemelijk kan maken dat hij niet in staat is de gevraagde referenties voor te leggen, kan de BMM de aanvrager toestaan zijn economische en financiële draagkracht aan te tonen met andere documenten die het geschikt acht; 5° een milieueffectbeoordelingsrapport, opgesteld overeenkomstig de bepalingen onder Titel 5, Hoofdstuk 1, afdeling II, met, in voorkomend geval, daarin begrepen een ontwerp passende beoordeling, zoals bepaald in artikel 23</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-50\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De minister kan de lijst van de gegevens en documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, uitbreiden met bijkomende gegevens en documenten. Afdeling II. - Milieueffectbeoordelingsrapport Onderafdeling I. - Toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport gebeurt onder leiding van een coördinator, die zelf beschikt over de nodige bekwaamheid en, in voorkomend geval, zich laat bijstaan door deskundigen met de nodige bekwaamheid. De coördinator voert zijn opdracht onafhankelijk uit. Het verrichten door de coördinator van een strategische milieueffectenbeoordeling van bepaalde plannen en programma's heeft geen impact op deze onafhankelijkheid Onderafdeling II. - Voorafgaandelijke vraag tot advies</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 52</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Voorafgaandelijk aan het indienen van de aanvraag en het bijhorende milieueffectbeoordelingsrapport, kan de aanvrager de BMM digitaal om advies vragen over de wijze waarop het milieueffectbeoordelingsrapport moet worden uitgewerkt. De BMM kan de aanvrager uitnodigen op een informatieve vergadering. Na deze vraag om advies brengt de BMM, op basis van de door de aanvrager verstrekte informatie over de specifieke kenmerken van de activiteit (inclusief de locatie en de technische capaciteit ervan) en over de te verwachten milieueffecten ervan, een digitaal niet-bindend advies uit over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de door de aanvrager in het milieueffectbeoordelingsrapport op te nemen informatie zoals bepaald in artikel 55. De BMM raadpleegt in dit geval digitaal de in artikel 64, § 1 bedoelde instanties en kan bijkomende adviesinstanties raadplegen die ze nuttig acht, vooraleer ze haar advies uitbrengt. § 2. De minister kan op eigen initiatief de BMM digitaal om voorafgaandelijk advies als bedoeld in § 1 vragen, ongeacht of de aanvrager daarom vraagt. § 3. Elke federale overheidsdienst stelt, op eenvoudig verzoek van de aanvrager of uit eigen beweging, alle nuttige informatie en kennis, waarover ze beschikt, ter beschikking om te kunnen gebruiken bij het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport. De BMM kan eveneens de instanties die over relevante informatie beschikken vragen om deze informatie ter beschikking te stellen aan de aanvrager Onderafdeling III. - Integratie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien voor de activiteit ook een Natura 2000-toelating vereist is zoals bepaald in artikel 23, wordt het ontwerp passende beoordeling geïntegreerd in het milieueffectbeoordelingsrapport als een apart onderdeel hiervan. Het behandelen van een Natura 2000-toelating verloopt dan overeenkomstig de termijnen bepaald voor de vergunning in dit besluit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 54</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanvrager wenst om één geïntegreerd milieueffectbeoordelingsrapport op te stellen, in het geval zoals bepaald in artikel 19, § 2 van de wet, verstuurt de aanvrager de vraag hiertoe digitaal aan de BMM. De BMM verstuurt haar beslissing over deze vraag digitaal aan de aanvrager binnen vijftien dagen na ontvangst van deze vraag Onderafdeling IV. - Inhoud milieueffectbeoordelingsrapport</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 55</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een milieueffectbeoordelingsrapport bevat de volgende informatie: 1° een beschrijving van de activiteit, bestaande uit: a) de locatie, de periode van de activiteit en, in voorkomend geval, de plannen voor de bouwwerken die nodig zijn voor het uitoefenen van de activiteit;b) een beschrijving van de fysieke kenmerken van de activiteit, de aard en de hoeveelheden van de technische middelen en materialen die bij de uitvoering van de activiteit worden gebruikt;c) een nota die het mogelijk maakt de kennis te beoordelen die de aanvrager ter beschikking heeft bij de uitvoering van de voorgenomen activiteit, en met name een overzicht van de referenties, diploma's en beroepstitels van het voornaamste leidinggevend personeel en een overzicht van de voornaamste activiteiten waaraan de aanvrager heeft deelgenomen de laatste drie jaren voorafgaand aan de aanvraag;d) in voorkomend geval, een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de productieprocessen en hoe het productieproces eruit ziet Hierbij wordt minstens de energievraag, het energieverbruik, de gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen weergegeven; e) een prognose van de soort en de hoeveelheid van verwachte residuen en emissies (zoals water-, lucht-, bodemverontreinigingen, geluidshinder boven en onder water) en de hoeveelheden en soorten tijdens de activiteit geproduceerde afvalstoffen;f) een beschrijving van de redelijke alternatieven (onder andere inzake lokalisatie, wijze van uitvoering of milieuvoorzieningen) die de aanvrager heeft onderzocht en die relevant zijn voor de activiteit;2° een beschrijving van de directe en indirecte milieueffecten van de activiteit, bestaande uit: a) een beschrijving van de relevante aspecten van de huidige toestand van het marien milieu (referentiescenario) en een schets van de mogelijke ontwikkeling daarvan als de activiteit niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen van het referentiescenario redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van de milieu-informatie en de wetenschappelijke kennis;b) een beschrijving en waardering van de milieueffecten van de activiteit en van de beschreven alternatieven op de volgende factoren: de fauna, de flora, de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor de te beschermen soorten en de te beschermen habitats;de mens, met inbegrip van de bevolking en de menselijke gezondheid; de bodem, waaronder erosie, organisch materiaal, verdichting, afdekking; het water, waaronder hydromorfologische veranderingen, kwantiteit en kwaliteit; de lucht; het klimaat; de energie- en grondstoffenvoorraden; de materiële goederen, het ruimtebeslag, het cultureel erfgoed, het landschap en het uitzicht op zee, zowel vanop land als vanop zee waargenomen; de onderlinge wisselwerkingen tussen voorgenoemde factoren;</p>\n<p class=\"lf-p\">De milieueffecten van de activiteit en van de beschreven alternatieven op bovenstaande factoren moet worden beschreven ten gevolge van, onder meer: I. de bouwfase, de exploitatiefase of het bestaan van de activiteit en, in voorkomend geval, de ontmantelingsfase;</p>\n<p class=\"lf-p\">II. de gebruikte technologieën en stoffen, waaronder de fysico-chemische effecten, als gevolg van de mobilisatie en overvloei van de sedimenten;</p>\n<p class=\"lf-p\">III. het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen land, bodem, water en biodiversiteit (bijvoorbeeld de bathymetrische, sedimentologische en hydrodynamische effecten, de raming van het verlies aan bentische biomassa en het effect van dit verlies op het mariene ecosysteem); de mate waarin rekening wordt gehouden met het duurzaam gebruik hiervan;</p>\n<p class=\"lf-p\">IV. de uitstoot van verontreinigde stoffen; geluidshinder, onder meer door het gebruik van akoestische toestellen op het mariene ecosysteem; trillingen; licht; warmte; straling; milieuhinder;</p>\n<p class=\"lf-p\">V. het verwijderen en de recyclagemogelijkheden van de bouwstoffen en afvalstoffen;</p>\n<p class=\"lf-p\">VI. de risico's voor de menselijke gezondheid, voor het cultureel erfgoed of het milieu, waaronder de kwetsbaarheid van de activiteit voor risico's op zware ongevallen en/of rampen;</p>\n<p class=\"lf-p\">VII. het effect van de activiteit op het klimaat, waaronder de aard en de omvang van emissies van broeikasgassen en de kwetsbaarheid van de activiteit voor klimaatverandering;</p>\n<p class=\"lf-p\">VIII. Het gebruik van een natuurinclusief, circulair ontwerp voor de aangevraagde activiteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">IX. het effect van de activiteit op de visserij, voor elke activiteit in of met een impact op de zesmijlszone; een beschrijving van de verenigbaarheid met de uitoefening van de activiteiten van andere rechtmatige gebruikers van de zee;</p>\n<p class=\"lf-p\">X. de cumulatieve effecten met andere bestaande en/of goedgekeurde activiteiten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen met betrekking tot gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en waarop de activiteit van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De te beschrijven en te waarderen effecten omvatten de directe en indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende, permanente en tijdelijke, positieve en negatieve effecten op korte, middellange en lange termijn; deze beschrijving en waardering volgen, in voorkomend geval, de classificatie van de kwalitatief beschrijvende elementen voor de omschrijving van de goede milieutoestand, overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 juni 2010Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011160 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2014 numac 2014000038 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999011161 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten sluiten2 betreffende de mariene strategie voor de Belgische zeegebieden; c) een beschrijving, voor elk waarschijnlijk aanzienlijk effect op het milieu, van de te verwachten onzekerheden en risico's;d) een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken, leemten of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden;in voorkomend geval wordt rekening gehouden met de relevante Europese guidance documenten betreffende de in dit deel behandelde onderwerpen, in het bijzonder deze gericht op de integratie van de evaluatie van de impact op het klimaat; e) een aanduiding van de internationale en nationale wettelijke en reglementaire voorschriften en doelstellingen die vanuit het oogpunt van het milieubeleid relevant zijn bij de uitvoering van de activiteit of de beschreven alternatieven, en een onderzoek naar de mate waarin de activiteit daarmee verenigbaar is;3° een beschrijving van: a) de kenmerken van de activiteit of de geplande maatregelen om de geïdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien dit niet mogelijk is, te compenseren;in deze beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate de aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, met betrekking tot zowel bouwfase, de exploitatiefase en de eventuele ontmantelingsfase; b) de voorzieningen die redelijkerwijze kunnen worden getroffen om behoorlijke monitoringsprogramma's en permanente milieueffectenonderzoeken te verzekeren;c) een voorstel tot afvalbeheersplan;d) maatregelen voor natuurherstel of de motivering waarom natuurherstel niet mogelijk is;4° een beschrijving van de redelijke alternatieven die de aanvrager heeft onderzocht en die relevant zijn voor de activiteit, en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten.In deze beschrijving wordt een vergelijking gemaakt tussen de activiteit en de beschreven alternatieven onder meer op grond van: a) het onderzoek naar de milieueffecten;b) de verenigbaarheid met de internationale en nationale wettelijke en reglementaire voorschriften;c) een globale evaluatie ten aanzien van de algemene doelstellingen en beginselen van de wet;5° elke aanvullende informatie die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaalde activiteit of type activiteit en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed.Indien een advies wordt uitgebracht door de BMM en de adviesinstanties in het geval artikel 52, § 1 of § 2, is het milieueffectbeoordelingsrapport gebaseerd op deze adviezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het milieueffectbeoordelingsrapport bevat in dit geval de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van de activiteit te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethodes. Om overlappingen van beoordelingen te voorkomen, houdt de opdrachtgever bij het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport rekening met de beschikbare resultaten van andere op grond van nationale of Uniewetgeving uitgevoerde relevante beoordelingen; 6° een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het milieueffectbeoordelingsrapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen;7° in voorkomend geval: het ontwerp passende beoordeling zoals bepaald in artikel 23;8° een niet-technische samenvatting van de gegevens onder 1° tot en met 6°.De samenvatting betreft: a) de beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de redelijkerwijze in aanmerking te nemen alternatieven;b) de moeilijkheden die werden ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie;c) de resultaten van de vergelijking tussen de activiteit en de beschreven alternatieven op vlak van aanzienlijke milieueffecten;d) de wijze waarop rekening werd gehouden met de waarschijnlijk aanzienlijke effecten op het mariene milieu bij het uitwerken van de activiteit en de mogelijke maatregelen om nadelige effecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien dit niet mogelijk is, te compenseren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling III. - Ontvankelijkheid en retributie</h3>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling I. - Ontvankelijkheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 56</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De BMM gaat na of de aanvraag volledig en ontvankelijk is en verstuurt haar advies hierover samen met de aanvraag digitaal aan de minister binnen tien dagen vanaf de betekening of het digitaal versturen zoals bepaald in artikel 48, § 4</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 57</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een aanvraag is onvolledig wanneer gegevens of documenten ontbreken die vereist zijn op grond van artikel 49, 1° - 4°, en artikel 50. § 2. Een aanvraag is onontvankelijk wanneer zij niet het vereiste milieueffectbeoordelingsrapport omvat of wanneer deze de gegevens of documenten, zoals bepaald in artikel 55, niet of op onvoldoende wijze omvat. In voorkomend geval is een aanvraag ook onontvankelijk indien zij geen ontwerp passende beoordeling, zoals bepaald in artikel 23, bevat. De minister betekent deze beslissing aan de aanvrager binnen vijftien dagen vanaf de betekening of het digitaal versturen zoals bepaald in artikel 48, § 4. De beslissing vermeldt de reden van onontvankelijkheid. § 3 Wanneer de aanvraag onvolledig is in de zin van paragraaf 1, betekent de minister deze beslissing, binnen vijftien dagen vanaf de betekening of het digitaal versturen zoals bepaald in artikel 48, § 4, aan de aanvrager met aanduiding van de ontbrekende gegevens. De procedure wordt geschorst en wordt hernomen op het moment dat de ontbrekende en/of bijkomende informatie door de aanvrager aan de BMM wordt betekend. De BMM onderzoekt of de aanvraag volledig is en verstuurt haar advies digitaal aan de minister binnen tien dagen vanaf de betekening van de ontbrekende gegevens aan de BMM. Wanneer de aanvraag onvolledig blijft, betekent de minister, binnen vijftien dagen vanaf de betekening van de ontbrekende gegevens aan de BMM, de beslissing van onontvankelijkheid wegens herhaalde onvolledigheid, met aanduiding van de ontbrekende gegevens, aan de aanvrager. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aanvraag volledig en ontvankelijk is en de aanvrager het bewijs van betaling heeft betekend aan de BMM overeenkomstig artikel 59, § 4, betekent de minister een attest ter bevestiging hiervan aan de aanvrager binnen vijf dagen vanaf de betekening van het bewijs van betaling. De minister verstuurt een kopie van het attest digitaal aan de BMM, de dienst Marien Milieu en andere relevante overheidsdiensten. § 5. De beslissing tot ontvankelijkheid doet geen afbreuk aan de mogelijkheden voorzien in artikel 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Retributie</p></div>", "next": 238612}