{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">12 MEI 2006. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne ter doorvoering van correcties van errata en verdere omzetting van EG-regelgeving De Vlaamse Regering, Gelet op artikel 1 van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op artikel 32quater, § 2, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de artikelen 39 en 44 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de decreten van 7 februari 1990, 12 december 1990, 21 december 1990, 22 december 1993, 21 december 1994, 8 juli 1996, 21 oktober 1997, 11 mei 1999, 18 mei 1999, 9 maart 2001, 21 december 2001, 18 december 2002, 16 januari 2004, 6 februari 2004, 26 maart 2004 en 22 april 2005, inzonderheid op de artikelen 3, 4, 12, § 1, 14, 17, 20, 21, § 3, 22, 22bis en 27, § 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op artikel 4.5.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten9;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende de EG-richtlijn 2004/42/EG van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen en tot wijziging van Richtlijn 1999/13/EG;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat bij de omzetting van de volgende EG-richtlijnen in Vlaamse regelgeving errata zijn geslopen : - EG-richtlijn 2003/87/EG van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad; - EG-richtlijn 2003/35/EG van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen van de Raad 85/337/EEG en 96/61/EG; - EG-richtlijn 2001/80/EG van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties; - EG-richtlijn 2000/76/EG van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval; - EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, gewijzigd bij beschikking van het Europees Parlement en de Raad nr. 2455/2001/EG van 20 november 2001; - EG-richtlijn 1999/31/EG van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen; - EG-richtlijn 98/81/EG van 26 oktober 1998 en de Beschikking 2001/204/EG van 8 maart 2001 tot wijziging van de EG-richtlijn 90/219/EEG van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (GGO's); - EG-richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, gewijzigd bij de EG-Verordening nr. 1882/2003 van 29 september 2003 en bij de EG-richtlijn 2003/105/EG van 16 december 2003; - EG-richtlijn 96/61/EEG van 24 september 1996 inzake de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging; - EG-richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd door Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003; - EG-richtlijn 76/769/EEG van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten, laatst gewijzigd door de Richtlijn van de Commissie 2004/21/EG van 24 februari 2004; dat het noodzakelijk is aanpassingen aan te brengen in titel I en II van het VLAREM om die omzettingserrata te corrigeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Beschikking 2003/33/EG van de EU-Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen uiterlijk op 16 juli 2005 door de lidstaten van de Europese Unie moet worden toegepast en in het interne recht van de lidstaten moet worden geïmplementeerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende de EG-richtlijnen als gevolg van de negende en de tiende aanpassing aan de technische vooruitgang van EG-richtlijn 76/769/EEG van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten : - EG-richtlijn 2002/62/EG van 9 juli 2002 tot negende aanpassing aan de technische vooruitgang van bijlage I bij EG-richtlijn 76/769/EEG (organische tinverbindingen) waarvan de bepalingen vanaf 1 januari 2003 door de lidstaten moeten worden toegepast; - EG-richtlijn 2003/2/EG van 6 januari 2003 inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van arseen (tiende aanpassing aan de technische vooruitgang van EG-richtlijn 76/769/EEG) waarvan de bepalingen vanaf 30 juni 2004 door de lidstaten moeten worden toegepast;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 14 juli 2005;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het advies van de Raad van State nummer 39.787/3, gegeven op 21 februari 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op voorstel van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur;</p>\n<p class=\"lf-p\">Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Wijzigingen aan titel I van het VLAREM Artikel 1.In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 april 1994, 1 juni 1995, 12 januari 1999, 6 februari 2004, 14 mei 2004, 4 februari 2005 en 3 juni 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 13°, opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 13° « gevaarlijke stoffen » : toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;»; 2° punt 14°, opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « 14° « prioritaire stoffen » : stoffen waarvan de lijst overeenkomstig de EG-richtlijn 2000/60/EG is vastgesteld in lijst III van bijlage 2C bij dit besluit;hiertoe behoren prioritaire gevaarlijke stoffen op gebied van waterbeleid' waarvoor maatregelen moeten worden getroffen; « 3° een punt 14bis ° wordt ingevoegd, dat luidt als volgt : « 14bis ° « verontreinigende stoffen »: iedere stof die tot verontreiniging kan leiden, met name de stoffen waarvan de lijst overeenkomstig de EG-richtlijn 2000/60/EG is vastgesteld in bijlage 2A bij dit besluit;»; 4° het punt 18° wordt vervangen door wat volgt : « 18° « belangrijke wijziging van een inrichting »: een wijziging van de kenmerken of de werking, of een uitbreiding van de installatie die gevolgen voor het milieu kan hebben en die volgens de vergunningverlenende overheid negatieve en significante effecten kan hebben op mens of milieu; in de zin van deze definitie wordt elke wijziging of uitbreiding van een exploitatie geacht belangrijk te zijn, indien de wijziging of uitbreiding voldoet aan de in de indelingslijst genoemde drempelwaarden, voorzover deze bestaan; »; 5° een punt 25bis ° wordt ingevoegd dat luidt als volgt : « 25bis ° « watervoerende laag »: een of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;»; 6° een punt 43° wordt ingevoegd dat luidt als volgt : « 43° « bijzonder beschermd gebied » : een gebied dat behoort tot één of meer van de volgende gebieden : a) de speciale beschermingszones, de definitief vastgestelde gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone en de waterrijke gebieden van internationale betekenis overeenkomstig het</p>\n<p class=\"lf-p\">decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;b) een beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied zoals aangegeven ter uitvoering van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;c) groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;d) bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, overstromingsgebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;e) een beschermd landschap, stads- of dorpsgezicht, monument of archeologische zone;f) de waterwingebieden en bijhorende beschermingszones type I en II vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;g) het Vlaams Ecologisch Netwerk overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;h) een volgens een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld erfgoedlandschap.».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-23\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 april 1994, 1 juni 1995, 12 januari 1999, 13 juli 2001, 5 oktober 2001, 31 mei 2002, 28 november 2003, 6 februari 2004, 14 mei 2004, 4 februari 2005 en 3 juni 2005 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2, 15°bis, b) worden de woorden « van de resultaten van de bij te voegen hydrogeologische studie » vervangen door de woorden « van de grondwaterhuishouding van het terrein en van de omgeving »;2° aan § 2, 16bis °, wordt een punt j) toegevoegd dat luidt als volgt : « j) de identificatie van de watervoerende laag zo mogelijk met verwijzing naar de unieke code zoals weergegeven in de tabel van bijlage 2bis bij dit besluit;»; 3° aan § 2, 16ter °, wordt een punt f) toegevoegd dat luidt als volgt : « f) de identificatie van de watervoerende laag die wordt aangevuld zo mogelijk met verwijzing naar de unieke code zoals weergegeven in de tabel van bijlage 2bis bij dit besluit;»; 4° in § 9 wordt punt 2° vervangen door wat volgt : « 2° een berekening van de verwachte, voor de BKG-inrichting relevante broeikasgasemissies in het kalenderjaar van opstart van de inrichting; »; 5° in § 9 wordt punt 3° vervangen door wat volgt : « 3° een berekening van de jaarlijks verwachte, voor de BKG-inrichting relevante broeikasgasemissies in een normaal kalenderjaar van exploitatie;»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-24\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 6bis, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 numac 1999035041 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/02/1999 numac 1999035200 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende het kiesreglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van de Hogere Zeevaartschool en hun opvolgers en tot bepaling van de inwerkingtreding van artikel 60, § 1 van het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool sluiten en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten5, wordt het nummer « 5° » vervangen door het nummer « 4° ». Art. 4.In artikel 6ter, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 numac 1999035041 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/02/1999 numac 1999035200 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende het kiesreglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van de Hogere Zeevaartschool en hun opvolgers en tot bepaling van de inwerkingtreding van artikel 60, § 1 van het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool sluiten en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, tweede lid, 4°, worden de punten b) en c) vervangen door wat volgt : « b) een berekening van de verwachte, voor de BKG-inrichting relevante broeikasgasemissies in het kalenderjaar van opstart van de inrichting;c) een berekening van de jaarlijks verwachte, voor de BKG-inrichting relevante, broeikasgasemissies in een normaal kalenderjaar van exploitatie;»; 2° aan § 1, tweede lid, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 5° als het om een verandering gaat van een inrichting die is ingedeeld onder rubriek 43.4 van bijlage I bij Titel I van het VLAREM, waardoor de inrichting niet meer als BKG-inrichting wordt ingedeeld : een door het verificatiebureau geverifieerde en goedgekeurde berekening van het totale thermische ingangsvermogen. ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan artikel 6quater, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het decreet van 12 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, worden de volgende woorden toegevoegd : « Als de mededeling betrekking heeft op een BKG-inrichting, wordt daarenboven een exemplaar gezonden aan de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid van de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 21 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992, 12 januari 1999, 14 mei 2004 en 4 februari 2005, wordt § 9 vervangen door wat volgt : « § 9. Het advies van de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid van de administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer bevat de volgende gegevens : 1° een gemotiveerde beoordeling van (een aanpassing aan) het monitoring protocol zoals bepaald in artikel 5, § 9 1°;2° een gemotiveerde beoordeling van de berekening van de verwachte, voor de BKG-inrichting relevante, broeikasgasemissies in het kalenderjaar van opstart van de inrichting;3° een gemotiveerde beoordeling van de berekening van de jaarlijks verwachte, voor de BKG-inrichting relevante broeikasgasemissies in een normaal kalenderjaar van exploitatie.»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 7</span><span class=\"lf-art-t\">Aan artikel 30, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De vergunning voor stortplaatsen van afval bevat overeenkomstig de EG-richtlijn 1999/31/EG van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen daarenboven minstens ook nog : 1° de stortplaatscategorie;2° de lijst van de afvalsoorten en de totale hoeveelheid afvalstoffen die op de stortplaats mogen worden gestort;3° voorzover niet begrepen in de toepasselijke algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM : a) de voorschriften voor de stortvoorbereidingen, stortwerkzaamheden en toezichts- en controleprocedures, met inbegrip van urgentieplannen alsmede voorlopige voorschriften voor de sluitings- en nazorgwerkzaamheden; b) de bepaling dat de exploitant ten minste eenmaal per jaar het rapport bedoeld in artikel 5.2.4.6.5 van titel II van het VLAREM moet bezorgen aan de toezichthoudende overheden en aan de OVAM. ». Art. 8.Aan artikel 30bis, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 numac 1999035041 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/02/1999 numac 1999035200 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende het kiesreglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van de Hogere Zeevaartschool en hun opvolgers en tot bepaling van de inwerkingtreding van artikel 60, § 1 van het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool sluiten en gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten4, wordt een punt 15° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 15° ze bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 5 van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2003 numac 2003035922 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de regering van de Republiek Libanon inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 6 september 1999 type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/08/2003 numac 2003035921 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met : 1° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Jemen inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 3 februari 2000, 2° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Staat Koeweit inzake de wederzijdse bescherming en bevordering van investeringen, ondertekend in Brussel op 28 september 2000, 3° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en het Koninkrijk Saudi-Arabië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Jeddah op 22 april 2001 (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2003 numac 2003035920 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende goedkeuring van het Samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations, gesloten in Brussel op 13 december 2002 sluiten betreffende het integraal waterbeleid. ». Art. 9.Artikel 45, § 4bis, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten9, wordt aangevuld met de volgende woorden : « In dit geval is evenwel de schriftelijke kennisgeving van eigenaars en gebruikers, bedoeld in artikel 17, § 3, 1°, niet vereist. ». HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan de bijlagen bij titel I van het VLAREM Art. 10.In bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 april 1994, 1 juni 1995, 12 januari 1999, 6 februari 2004, 14 mei 2004, 4 februari 2005 en 3 juni 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in rubriek 1.4, tweede kolom, worden de woorden « capaciteit van 200 000 ton « vervangen door de woorden « opslagcapaciteit van 100 000 ton »; 2° rubriek 2.1.2 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 3° in rubriek 2.2.1 wordt punt e) vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 4° subrubriek 2.2.4 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 5° rubriek 2.2.7 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 6° in rubriek 2.3.4.1 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in punt c), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;b) in punt e), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;c) in punt f), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;d) in punt g), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;e) in punt h), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;f) in punt i), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;g) in punt j), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;h) in punt k), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;i) in punt l), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;j) in punt m), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt; 7° in rubriek 2.3.4.2 worden de volgende wijzigingen aangebracht : c) in punt c), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;d) in punt d), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;e) in punt e), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;f) in punt f), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt;g) in punt g), vierde kolom, wordt de letter « X » geschrapt; 8° aan rubriek 2.3.4 wordt een deelrubriek 2.3.4.4 toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 9° rubriek 2.3.6 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 10° rubriek 2.3.8 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 11° rubriek 2.3.9 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 12° aan rubriek 2.3 wordt een deelrubriek 2.3.10 toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 13° in rubriek 3.6.4, tweede kolom, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in punt 2°, worden de woorden « tot en met 500 « vervangen door de woorden « tot 500 »;b) in punt 3°, worden de woorden « meer dan 500 « vervangen door de woorden « 500 of meer »;14° in rubriek 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de tweede kolom wordt het opschrift « Brandstoffen (vaste) « vervangen door het opschrift « Brandstoffen »; b) een subtitel 6.3 wordt toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 15° in rubriek 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in subrubriek 7.3, tweede kolom, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1) in punt 1°, worden de woorden « tot en met 500 000 ton per jaar « vervangen door de woorden « tot 500 000 ton per jaar »;2) in punt 2°, worden de woorden « meer dan 500 000 ton per jaar « vervangen door de woorden « 500 000 ton per jaar of meer »; b) aan rubriek 7 wordt een subrubriek 7.12 toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 16° in rubriek 9.10, tweede kolom, worden de woorden « van vis met een jaarproductie van : « vervangen door de woorden « van vis met een jaarproductiecapaciteit aan levend gewicht van : »; 17° aan rubriek 10 wordt een subrubriek 10.3 toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 18° aan rubriek 18 wordt een subrubriek 18.3 en een subrubriek 18.4 toegevoegd die luiden als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 19° aan rubriek 19 wordt een subrubriek 19.7 toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 20° subrubriek 20.1.6 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 21° aan subrubriek 20.2 wordt een deelrubriek 20.2.6 en een deelrubriek 20.2.7 toegevoegd die luiden als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 22° subrubriek 20.3.1 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 23° in subrubriek 20.3.2, tweede kolom, e), worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in punt 1°, eerste gedachtestreepje, worden de woorden « 20 000 ton eindproducten « vervangen door de woorden « 10 000 ton eindproducten »;b) in punt 1°, tweede gedachtestreepje, worden de woorden « 20 000 ton eindproducten « vervangen door de woorden « 10 000 ton eindproducten »;c) in punt 2°, eerste gedachtestreepje, worden de woorden « 50 ton eindproducten « vervangen door de woorden « 25 ton eindproducten »;d) in punt 2°, tweede gedachtestreepje, worden de woorden « 50 ton eindproducten « vervangen door de woorden « 25 ton eindproducten »;e) in punt 3°, eerste gedachtestreepje, worden de woorden « 200 ton per jaar « vervangen door de woorden « 100 ton per jaar »;f) in punt 3°, tweede gedachtestreepje, worden de woorden « 200 ton per jaar » vervangen door de woorden « 100 ton per jaar »; 24° subrubriek 20.3.3 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 25° subrubriek 20.3.4 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 26° subrubriek 23.1 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 27° aan subrubriek 25.1 wordt een deelrubriek 25.1.3 toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 28° in rubriek 29 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in subrubriek 29.5.5, tweede kolom, wordt punt 4° aangevuld met de volgende woorden : « inhoud van enkel de behandelingsbaden (exclusief spoelbaden) »; b) een subrubriek 29.5.9 wordt toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 29° in rubriek 31 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) subrubriek 31.1 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld b) een subrubriek 31.3 wordt toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 30° aan subrubriek 32.9 wordt een punt 5° toegevoegd dat luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 31° subrubriek 36.3 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 32° aan rubriek 41 wordt een subrubriek 41.11 toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 33° in rubriek 45 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) subrubriek 45.1 wordt aangevuld met een punt e) dat luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld b) een subrubriek 45.17 wordt toegevoegd die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 34° subrubriek 48.3 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 35° aan rubriek 53 wordt een subrubriek 53.10 en een subrubriek 53.11 toegevoegd die respectievelijk luiden als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 36° in rubriek 54.3, tweede kolom, worden de woorden « 10 miljoen m3 of meer » vervangen door de woorden « 10 miljoen m3 of meer, respectievelijk de capaciteit 2.500 m3 per dag of meer, »; 37° in rubriek 55.2, tweede kolom, punt 3, worden de woorden « diepte van meer dan 500 m « vervangen door de woorden « diepte van 100 m »; 38° in rubriek 56 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in subrubriek 56.1, tweede kolom, worden in punt 1° de woorden « meer bedraagt dan 100 miljoen m3 per jaar » vervangen door de woorden « 75 miljoen m3 of meer per jaar bedraagt »; b) subrubriek 56.2 wordt vervangen door wat volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 39° in subrubriek 57.1, tweede kolom, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in punt 1°, worden de woorden « 1 900 meter » vervangen door de woorden « 800 meter »;b) in punt 2°, worden de woorden « 1 900 meter « vervangen door de woorden « 800 meter »; 40° in rubriek 59.3 wordt punt 1° opgeheven met ingang van 1 januari 2007.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-28\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In bijlage 2 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het opschrift worden de woorden « gevaarlijke stoffen » vervangen door de woorden « verontreinigende stoffen, prioritaire stoffen en gevaarlijke stoffen »;2° « BIJLAGE 2A », opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 1994, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « BIJLAGE 2A INDICATIEVE LIJST VAN DE BELANGRIJKSTE VERONTREINIGENDE STOFFEN IN AFVALWATER (Bijlage VIII bij de EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid) 1) Organische halogeenverbindingen en stoffen die in water dergelijke verbindingen kunnen vormen.2) Organische fosforverbindingen.3) Organische tinverbindingen.4) Stoffen en preparaten, of de afbraakproducten daarvan, waarvan is aangetoond dat ze carcinogene of mutagene eigenschappen hebben, of eigenschappen die in of via het aquatische milieu gevolgen kunnen hebben voor steroïdogene functies, schildklierfuncties, de voortplanting of andere hormonale functies.5) Persistente koolwaterstoffen en persistente en bioaccumuleerbare organische toxische stoffen.6) Cyaniden.7) Metalen en metaalverbindingen.8) Arseen en arseenverbindingen.9) Biociden en gewasbeschermingsmiddelen.10) Stoffen in suspensie.11) Stoffen die bijdragen tot de eutrofiëring (met name nitraten en fosfaten). 12) Stoffen die een ongunstige invloed uitoefenen op de zuurstofbalans (en die kunnen worden gemeten met behulp van parameters zoals BZV, CZV, enz.). »; 3° in bijlage 2B wordt tussen het opschrift en de subtitel « Lijst I » een aanhef ingevoegd die luidt als volgt : « De lijsten I en II hieronder zijn overeenkomstig artikel 22, lid 2, van de EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid van kracht tot 22 december 2013.»; 4° in bijlage 2C worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de titel wordt vervangen door wat volgt : « BIJLAGE 2C LIJST VAN GEVAARLIJKE STOFFEN VOOR LOZING IN AQUATISCH MILIEU (EG-richtlijnen 76/464/EEG van 4 mei 1976 en 2000/60/EG van 23 oktober 2000) »;b) tussen het opschrift en de subtitel « Lijst I » wordt een aanhef ingevoegd die luidt als volgt : « De lijsten I en II hierna zijn overeenkomstig artikel 22, lid 2, van de EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid van kracht tot 22 december 2013.»; c) een lijst III wordt toegevoegd die luidt als volgt : « Lijst III Lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid (Bijlage X bij de EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, gewijzigd bij Beschikking nr.2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001) Van de hierna genoemde prioritaire stoffen zijn enkel de stoffen die in de laatste kolom zijn aangewezen als « prioritaire gevaarlijke stof » te beschouwen als gevaarlijke stof voor lozing in aquatisch milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) Waar groepen van stoffen zijn geselecteerd, zijn typische voorbeelden daarvan als indicatieve parameter vermeld (tussen haakjes en zonder nummer). De invoering van beheersingsmaatregelen wordt op deze specifieke stoffen afgestemd, maar waar nodig blijft het mogelijk andere vertegenwoordigers van deze groepen daarin op te nemen. (**) Deze groepen van stoffen omvatten meestal een groot aantal verschillende verbindingen. Adequate indicatieve parameters kunnen op dit moment niet worden vermeld. (***) Deze prioritaire stof zal worden geëvalueerd met het oog op een eventuele aanwijzing als « prioritaire gevaarlijke stof ». De Commissie legt uiterlijk 12 maanden na de goedkeuring van deze lijst een voorstel aan het Europees Parlement en de Raad voor inzake de definitieve classificatie van deze stof.</p>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatie laat het tijdschema onverlet dat in artikel 16 van Richtlijn 2000/60/EG is bepaald voor de voorstellen van de Commissie inzake beheersingsmaatregelen. (****) Alleen pentabroombifenylether (CAS-nummer 32534-81-9). (*****) Fluorantheen komt voor op de lijst als een indicator voor andere, gevaarlijker polyaromatische koolwaterstoffen. (1) CAS : Chemical Abstract Services.(2) Nummer in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances : EINECS) of de Europese lijst van chemische stoffen waarvan kennisgeving is gedaan (European List of Notified Chemical Substances : ELINCS). (******) Lijst III is een minimale lijst, overgenomen uit de richtlijn, die aangevuld kan worden in uitvoering van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2003 numac 2003035922 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de regering van de Republiek Libanon inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 6 september 1999 type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/08/2003 numac 2003035921 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met : 1° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Jemen inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 3 februari 2000, 2° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Staat Koeweit inzake de wederzijdse bescherming en bevordering van investeringen, ondertekend in Brussel op 28 september 2000, 3° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en het Koninkrijk Saudi-Arabië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Jeddah op 22 april 2001 (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2003 numac 2003035920 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende goedkeuring van het Samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations, gesloten in Brussel op 13 december 2002 sluiten betreffende het integraal waterbeleid en in uitvoering van het Reductieprogramma gevaarlijke stoffen 2005 - zoals vastgesteld op 23 oktober 2005 in uitvoering van art. 2.3.6.1 § 1. » Art. 12.In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten9, wordt een bijlage 2bis ingevoegd die onder bijlage I bij dit besluit is gevoegd. Art. 13.In bijlage 3, deel F, punt 5, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8, worden de punten b en c respectievelijk vervangen door wat volgt : « b) een berekening van de verwachte, voor de BKG-inrichting relevante, broeikasgasemissies in het kalenderjaar van opstart van de inrichting; c) een berekening van de jaarlijks verwachte, voor de BKG-inrichting relevante, broeikasgasemissies in een normaal kalenderjaar van exploitatie;». Art. 14.In bijlage 4, deel D, punt 4.11, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten9, worden de punten 2. en 3. respectievelijk vervangen door wat volgt : « 2. een berekening van de verwachte, voor de BKG-inrichting relevante, broeikasgasemissies in het kalenderjaar van opstart van de inrichting; 3. een berekening van de jaarlijks verwachte, voor de BKG-inrichting relevante, broeikasgasemissies in een normaal kalenderjaar van exploitatie;». Art. 15.Bijlage 6 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 numac 1999035041 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/02/1999 numac 1999035200 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende het kiesreglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van de Hogere Zeevaartschool en hun opvolgers en tot bepaling van de inwerkingtreding van artikel 60, § 1 van het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool sluiten en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juni 1999 en 29 september 2000, wordt vervangen door de bijlage 6, die onder bijlage II bij dit besluit is gevoegd. Art. 16.In bijlage 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999 en 29 september 2000 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het opschrift wordt vervangen door wat volgt : « BIJLAGE 7 Lijst van gevaarlijke producten (rubriek 17.3 van de indelingslijst) »; 2° deel I, opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2000Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/05/2001 numac 2001035526 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, in het bijzonder de bepalingen op vlak van de veiligheidsrapportage type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/11/2000 numac 2000036148 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1998 betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden sluiten, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « DEEL I : LIJST VAN DE GEVAARLIJKE PRODUCTEN (STOFFEN EN PREPARATEN) VERMELD IN DE EG-RICHTLIJN 96/82/EG VAN 9 DECEMBER 1996 BETREFFENDE DE BEHEERSING VAN DE GEVAREN VAN ZWARE ONGEVALLEN WAARBIJ GEVAARLIJKE STOFFEN ZIJN BETROKKEN Deze lijst omvat de gevaarlijke stoffen en ingedeelde categorieën van stoffen en preparaten zoals vermeld in de bijlage 6 bij titel I van het VLAREM.» . 3° in het opschrift van deel II worden de woorden « GEVAARLIJKE STOFFEN EN PREPARATEN BEDOELD IN DE EG-RICHTLIJN 67/548/EEG VAN 27 JUNI 1967 » aangevuld met de woorden « EN DE EG-RICHTLIJN 1999/45/EG VAN 31 MEI 1999 ». Art. 17.In bijlage 15B van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten5, worden in de eerste zin de woorden « kan worden vrijgesteld van de toepassing van dit besluit » vervangen door de woorden « valt niet onder het toepassingsgebied van dit besluit ». Art. 18.In bijlage 17 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten5, worden in de eerste zin de woorden « moet dat te worden toegelicht » vervangen door de voorwaarden « moet dat worden toegelicht ». HOOFDSTUK III. - Wijzigingen aan titel II van het VLAREM Art. 19.In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, 24 maart 1998, 19 januari 1999, 20 april 2001, 13 juli 2001, 6 februari 2004, 14 mei 2004 en 4 februari 2005 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in « Definities afvalstoffenverwerking », onderdeel « Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor biomassa-afval », worden in de definitie « biomassa-afval » de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden « één of meer van de volgende afvalstoffen, die kunnen worden gebruikt om energie terug te winnen » worden vervangen door de woorden « de volgende als brandstof gebruikte afvalstoffen »;b) in het tweede gedachtestreepje worden de woorden « plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie » vervangen door de woorden « plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, indien de opgewekte warmte wordt teruggewonnen »;c) het vierde gedachtestreepje « onbehandeld houtafval » wordt geschrapt;d) het zesde gedachtestreepje « niet verontreinigd behandeld houtafval » wordt vervangen door wat volgt : « - houtafval, met uitzondering van houtmateriaal dat als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of van het aanbrengen van een beschermingslaag, gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten, met inbegrip van met name dergelijk houtafval dat afkomstig is van constructie- en sloopafval;»; 2° in « Definities genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen », eerste gedachtestreepje, wordt de nummering « 1- « vervangen door « - »;3° in « Definities luchtverontreiniging », onderdeel « Stookinstallaties », worden in de definitie « biomassa-afval » de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden « één of meer van de volgende afvalstoffen, die kunnen worden gebruikt om energie terug te winnen » worden vervangen door de woorden « de volgende als brandstof gebruikte afvalstoffen »;b) in het tweede gedachtestreepje worden de woorden « plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie » vervangen door de woorden « plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, indien de opgewekte warmte wordt teruggewonnen »;c) het vierde gedachtestreepje « onbehandeld houtafval » wordt geschrapt;d) het zesde gedachtestreepje « niet verontreinigd behandeld houtafval » wordt vervangen door wat volgt : « - houtafval, met uitzondering van houtmateriaal dat als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of van het aanbrengen van een beschermingslaag, gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten, met inbegrip van met name dergelijk houtafval dat afkomstig is van constructie- en sloopafval;»; 4° in « Definities oppervlaktewaterbescherming » worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) het opschrift van deze thematisch gegroepeerde definities dat luidt als volgt : « Definities oppervlaktewaterbescherming (hoofdstukken 2.3, 4.2, 5.3 en 6.2) » wordt vervangen door wat volgt : « Definities oppervlaktewater- en grondwaterbescherming(integraal waterbeleid) (hoofdstukken 2.3, 4.2, 5.3 en 6.2 (oppervlaktewater) en 2.4, 4.3, 5.52, 5.53, 5.54 en 5.55 (grondwater)) »; b) in de onder het opschrift, vermeld in a, thematisch gegroepeerde definities, wordt een tussenschrift ingevoegd dat luidt als volgt : « INTEGRAAL WATERBELEID (EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid) De begrippen en definities, vermeld in artikel 3, § 2, van het</p>\n<p class=\"lf-p\">decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2003 numac 2003035922 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de regering van de Republiek Libanon inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 6 september 1999 type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/08/2003 numac 2003035921 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende instemming met : 1° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Jemen inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Brussel op 3 februari 2000, 2° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Staat Koeweit inzake de wederzijdse bescherming en bevordering van investeringen, ondertekend in Brussel op 28 september 2000, 3° de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en het Koninkrijk Saudi-Arabië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend in Jeddah op 22 april 2001 (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2003 numac 2003035920 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende goedkeuring van het Samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations, gesloten in Brussel op 13 december 2002 sluiten betreffende het integraal waterbeleid zijn ook van toepassing op dit besluit.». Art. 20.Artikel 1.3.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/03/1999 numac 1999035150 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten, worden de woorden « d. en f. het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juli 1982 houdende nadere regels inzake de erkenning van laboratoria ter uitvoering van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 1992 » vervangen door de woorden « d. en f. het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten3 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA); ». Art. 21.Artikel 2.5.3.7, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1998 numac 1998035475 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/04/1998 numac 1998035448 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 24 november 1993, wat de prestatietoelagen betreft type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/05/1998 numac 1998035478 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de criteria, de voorwaarden en de nadere regelen volgens welke subsidies worden verleend met betrekking tot innovatie-opleidingen type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/05/1998 numac 1998035476 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende de regeling van de procedure en de voorwaarden van subsidiëring van flexibiliseringsprojecten op het gebied van het zorgaanbod inzake sociale integratie van personen met een handicap sluiten, wordt aangevuld met een derde lid dat luidt als volgt : « De plannen of programma's, bedoeld in het tweede lid, en elke wijziging of herziening ervan, met inachtneming van de EG-richtlijn 2003/35/EG van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, worden als volgt opgesteld : 1° de Vlaamse Milieumaatschappij betrekt de meest belanghebbende overheidsorganen, instellingen en privaatrechtelijke organisaties bij het ontwerpen van het plan of programma;het betreffen inzonderheid : a) de afdelingen Milieuvergunningen en Land van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie;b) het Agentschap voor Natuur en Bos;c) de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;d) de Vlaamse Landmaatschappij;e) het departement Mobiliteit en Openbare Werken;f) de NV Waterwegen en Zeekanaal;g) RO-Vlaanderen;h) de NV Aquafin;i) de betrokken watervoorzieningsmaatschappijen;2° het ontwerp van plan of programma wordt door de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu na kennisgeving aan de Vlaamse Regering bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en voor een termijn van twee maanden ter inzage gelegd bij de betrokken gemeenten en bij de Vlaamse Milieumaatschappij;gedurende deze termijn kan iedereen bezwaren of opmerkingen schriftelijk ter kennis brengen van de Vlaamse Milieumaatschappij; 3° tegelijkertijd met de bekendmaking ervan wordt het ontwerp bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengen binnen een vervaltermijn van twee maanden na ontvangst van het ontwerp;deze adviezen zijn niet bindend; 4° het plan of programma wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, rekening houdend met de gegeven adviezen en met de ingediende bezwaren of opmerkingen;wanneer de regering het door de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen of de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen uitgebrachte advies niet volgt, hetzij geheel of gedeeltelijk, dan verantwoordt ze dit in een verslag, gevoegd bij de in punt 5° bedoelde bekendmaking; 5° het plan of programma wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ;het ligt ter inzage bij de Vlaamse Milieumaatschappij en de betrokken gemeenten. ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-29\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 22</span><span class=\"lf-art-t\">Hoofdstuk 2.7 van hetzelfde besluit, opgeheven door het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten3, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « HOOFDSTUK 2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">BELEIDSTAKEN INZAKE AFVALSTOFFEN Afdeling 2.7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">VERSLAGGEVING AAN DE EUROPESE COMMISSIE Art. 2.7.1.1. § 1. Overeenkomstig artikel 15 van de EG-richtlijn 1999/31/EG van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen zendt de OVAM om de drie jaar via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie een verslag over de uitvoering van deze EG-richtlijn, waarin speciaal aandacht wordt geschonken aan de Vlaamse strategieën die krachtens artikel 5 van dezelfde richtlijn aangaande afvalstoffen en vormen van behandeling die niet op een stortplaats mogen worden aanvaard, moeten worden ontwikkeld. Dat verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of schema opgesteld door de Europese Commissie volgens de procedure van artikel 6 van EG-richtlijn 91/692/EEG. § 2. Het verslag wordt aan de Europese Commissie toegezonden, telkens binnen negen maanden na afloop van de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft aan de Europese Commissie toegezonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2712\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 2.7.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de Beschikking van de Raad 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen, en meer bepaald punt 2 van de bijlage ervan, stelt de OVAM jaarlijks een verslag op over het aantal vergunningen die krachtens de bepalingen van artikel 5.2.4.1.6, § 2, zijn afgegeven Die verslagen worden om de drie jaar door de OVAM via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie toegezonden als onderdeel van de rapportage bedoeld in artikel 2.7.1.1. ». Art. 23.Aan hoofdstuk 4.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, 19 januari 1999, 12 december 2003 en 2 april 2004, wordt een afdeling 4.1.11 toegevoegd, bestaande uit artikel 4.1.11.1 tot en met 4.1.11.7, dat luidt als volgt : « Afdeling 4.1.11.GEBRUIK VAN GEVAARLIJKE STOFFEN (EG-richtlijn 76/769/EEG van 27 juli 1976) Art. 4.1.11.1. De in deze afdeling voorgeschreven beperkingen zijn niet van toepassing op het gebruik voor onderzoeks-, ontwikkelings- of analysemethoden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.1.11.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van stoffen en preparaten voor houtbehandeling Overeenkomstig de EG-richtlijn 2001/90/EG van 26 oktober 2001 mogen de volgende stoffen niet worden gebruikt voor de behandeling van hout : 1° creosoot;2° creosootolie;3° destillaten (koolteer), naftaleenoliën;4° creosootolie, acenafteenfractie;5° destillaten (koolteer), bovenste;6° antraceenolie;7° teerzuren, kool, ruw;8° creosoot, hout;9° lagetemperatuurkoolteerolie, alkalische. Art. 4.1.11.3. Gebruik van hexachloorethaan Overeenkomstig de EG-richtlijn 2001/91/EG van 29 oktober 2001 mag hexachloorethaan niet worden gebruikt bij de fabricage of bewerking van non-ferrometalen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41114\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.1.11.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van organische tinverbindingen Overeenkomstig de EG-richtlijn 2002/62/EG van 9 juli 2002 mogen organische tinverbindingen niet worden gebruikt : 1° als stoffen en bestanddelen van preparaten, als ze fungeren als biocide in los gebonden aangroeiwerende verf;2° als stoffen en bestanddelen die fungeren als biociden ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op : a) alle vaartuigen, ongeacht hun lengte, bedoeld voor gebruik op volle zee, in kustgebieden, in estuaria, op binnenwateren of op meren;b) fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt;c) alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt;3° als stoffen en bestanddelen van preparaten voor de behandeling van industrieel water</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41115\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.1.11.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van arseenverbindingen Overeenkomstig de EG-richtlijn 2003/2/EG van 6 januari 2003 mogen arseenverbindingen niet worden gebruikt : 1° als verbindingen en bestanddelen van preparaten gebruikt : a) ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op : i) scheepsrompen; ii) fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt; i ii) alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt; b) voor de verduurzaming van hout;2° als stoffen en bestanddelen van preparaten gebruikt bij de behandeling van industrieel water, ongeacht het gebruik daarvan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41116\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.1.11.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van difenylether Overeenkomstig de EG-richtlijn 2003/11/EG van 6 februari 2003 mogen de volgende stoffen noch als stof, noch als bestanddeel van stoffen of preparaten in hogere concentraties dan 0,1 massaprocent worden gebruikt : 1° Difenylether, pentabroomderivaat (C12H5Br5O);2° Difenylether, octabroomderivaat (C12H2Br8O)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41117\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.1.11.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van fenol § 1. Overeenkomstig de EG-richtlijn 2003/53/EG van 18 juni 2003 mogen de volgende stoffen niet als verbinding of bestanddeel van preparaten in concentraties van 0,1 % (g/g) of meer worden gebruikt voor de toepassingen vermeld in § 2 : 1° Nonylfenol C6H4(OH)C9H19;2° Nonylfenolethoxylaat (C2H4O)nC15H24O. § 2. De verbodsbepaling van § 1 betreft de volgende toepassingen : 1° industriële en institutionele reiniging, behalve : a) chemische reiniging in gecontroleerde gesloten systemen met recycling of verbranding van het wasmiddel;b) reiniging in systemen waarbij het wasmiddel in een speciale behandeling wordt gerecycled of verbrand;2° huishoudelijke reiniging;3° textiel- en leerbewerking, behalve : a) bewerking zonder lozing in afvalwater;b) bewerking in systemen waarbij de organische fractie in een speciale behandeling volledig uit het proceswater wordt verwijderd vóór het afvalwater biologisch wordt behandeld (ontvetting van schapenvachten);4° emulgatoren in speendipers voor landbouwgebruik; metaalbewerking, behalve in gecontroleerde gesloten systemen met recycling of verbranding van het wasmiddel 5° vervaardiging van pulp en papier;6° cosmetica;7° andere persoonlijke verzorgingsproducten, behalve : - spermiciden;8° coformulanten in gewasbeschermingsmiddelen en biociden.»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-36\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 24</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 4.2.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/03/1999 numac 1999035150 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten, worden de woorden « die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in de lijsten I en II van bijlage 2C » vervangen door de woorden « die conform bijlage 2C bij titel I van het VLAREM als gevaarlijke stof zijn te beschouwen of die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in deze bijlage 2C » Art. 25.Aan artikel 4.10.1.4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8, wordt een § 2 toegevoegd die luidt als volgt : « § 2. Als startend monitoring protocol geldt het monitoring protocol dat bij de milieuvergunningsaanvraag of de mededeling kleine verandering is gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke latere actualisering en/of wijziging van voormeld protocol moet door het verificatiebureau geverifieerd en goedgekeurd worden. Het geactualiseerde en/of gewijzigde monitoring protocol wordt, na verificatie en goedkeuring door het verificatiebureau, door de exploitant in vijf exemplaren voor aanvaarding aan de Afdeling AMINABEL toegestuurd. Een exemplaar van deze aanvaarde actualisering of wijziging wordt door dezelfde afdeling toegestuurd aan de Vergunningverlenende Overheid en de Afdelingen Milieu-inspectie en Milieuvergunningen van de AMINAL. ». Art. 26.In artikel 5.2.2.1.1, § 1 van hetzelfde besluit wordt punt 2° vervangen door wat volgt : « 2° bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is; ». Art. 27.In artikel 5.2.2.1.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 28 november 2003, wordt § 3 vervangen door wat volgt : « § 3. Het ingezamelde asbestcementafval of ander asbesthoudend afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, moet gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen. ». Art. 28.In artikel 5.2.2.4.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten2, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° aan § 1 wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 5° bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;2° in § 2 wordt punt 1° vervangen door wat volgt : « 1° gevaarlijke afvalstoffen met inbegrip van KGA, uitgezonderd, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de milieuvergunning, asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;». Art. 29.Aan artikel 5.2.2.4.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 en 5 december 2003, wordt een § 7 toegevoegd die luidt als volgt : « § 7. Op bouw- en sloopafval waarin via visuele keuring vastgesteld wordt dat asbestcement aanwezig is, worden er in geen geval breekactiviteiten uitgevoerd. ». Art. 30.Artikel 5.2.2.4.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten2, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 5.2.2.4.3. Het ingezamelde asbestcementafval of andere asbesthoudende afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, dient gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval te worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen. ». Art. 31.In artikel 5.2.3bis.1.24, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten4, wordt § 3 vervangen door wat volgt : « § 3. De procedures, methodes en vast opgestelde apparatuur voor monsterneming en metingen worden goedgekeurd door een hiervoor erkend milieudeskundige. Die keuring gebeurt conform een code van goede praktijk en omvat ten minste een jaarlijkse beperkte keuring en een driejaarlijkse uitgebreide keuring met onder meer vergelijkende emissiemetingen overeenkomstig de referentiemethoden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuring van de vast opgestelde meetapparatuur voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen moet ten minste om de drie jaar gebeuren volgens een code van goede praktijk. Een kopie van de desbetreffende keuringsrapporten worden bezorgd aan de toezichthoudende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle resultaten worden op passende wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd zodat de toezichthoudende overheid kan nagaan of de vastgestelde voorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd. ». Art. 32.Artikel 5.2.3bis.1.26, § 2, vierde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten4, wordt vervangen door wat volgt : « Behalve voor verbrandingsinstallaties voor huishoudelijke afvalstoffen kan de vergunningverlenende overheid op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid, toestaan dat er geen continue bemonstering van dioxinen en furanen wordt uitgevoerd en/of de analysefrequentie wordt verminderd. ». Art. 33.In artikel 5.2.3bis.4.19 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten4, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden « artikel 5.2.3bis.4.18 » vervangen door de woorden « artikel 5.2.3bis.4.12 en in artikel 5.2.3bis.4.18 »; 2° § 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.De procedures, methodes en vast opgestelde apparatuur voor monsterneming en metingen worden goedgekeurd door een hiervoor erkend milieudeskundige. Die keuring gebeurt conform een code van goede praktijk en omvat ten minste een jaarlijkse beperkte keuring en een driejaarlijkse uitgebreide keuring met onder meer vergelijkende emissiemetingen overeenkomstig de referentiemethoden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuring van de vast opgestelde meetapparatuur voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen moet ten minste om de drie jaar gebeuren volgens een code van goede praktijk. Een kopie van de desbetreffende keuringsrapporten worden bezorgd aan de toezichthoudende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle resultaten worden op passende wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd zodat de toezichthoudende overheid kan nagaan of de vastgestelde voorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd. ». Art. 34.Artikel 5.2.4.0.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0, wordt vervangen door wat volgt : « De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de rubriek 2.3.6 en de rubriek 2.3.10 van de indelingslijst. ». Art. 35.Aan artikel 5.2.4.0.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0, wordt een punt 3 toegevoegd dat luidt als volgt : « 3. Overgangsbepalingen met betrekking tot subafdeling 5.2.4.1 in het kader van de implementatie van de Europese beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen. a) Overeenkomstig artikel 7 van de Europese beschikking 2003/33/EG heeft de subafdeling 5.2.4.1 en de bijlage 5.2.4.1 uitwerking met ingang van 16 juli 2004, met uitzondering van de criteria van deel 2 die van kracht worden op 16 juli 2005. b) Voor de op 16 juli 2005 bestaande en vergunde stortplaatsen waarvoor een toelating tot verdere uitbating is verleend met toepassing van de overgangsbepalingen van punt 2 van onderhavig artikel, gelden de volgende overgangsbepalingen : 1) de stortplaatsen die onder de vroegere subrubriek 2.3.6, a) als categorie 3-stortplaats zijn vergund, blijven voor de termijn van de lopende vergunning als dusdanig vergund onder de nieuwe subrubriek 2.3.6, a) ; de bepalingen van subafdeling 5.2.4.1 voor stortplaatsen categorie 3 zijn hierop van toepassing; 2) de bestaande en vergunde stortplaatsen voor asbestcementafval die als categorie 3-stortplaats zijn vergund, blijven voor de termijn van de lopende vergunning vergund, opgesplitst in enerzijds onder de nieuwe subrubriek 2.3.6.c).3) als monostortplaats voor asbesthoudend bouwmateriaal waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is en anderzijds onder de nieuwe subrubriek 2.3.6.a).1) als stortplaats voor inerte afvalstoffen; 3) de stortplaatsen die onder de vroegere subrubriek 2.3.6, b) als categorie 2-stortplaats zijn vergund, blijven voor de termijn van de lopende vergunning als dusdanig vergund onder de nieuwe subrubriek 2.3.6, b) ; de bepalingen van subafdeling 5.2.4.1 voor stortplaatsen categorie 2 zijn hierop van toepassing; 4) de stortplaatsen die onder de vroegere subrubriek 2.3.6, c) als categorie 1-stortplaats zijn vergund, blijven voor de termijn van de lopende vergunning vergund als opgesplitst in enerzijds een categorie 1-stortplaats en anderzijds een categorie 2-stortplaats onder de nieuwe subrubriek 2.3.6, b) ; de bepalingen van subafdeling 5.2.4.1 voor stortplaatsen categorie 1 respectievelijk stortplaatsen categorie 2 zijn hierop van toepassing; 5) voor alle bestaande vergunde stortplaatsen geldt dat enkel die afvalstoffen of groepen van afvalstoffen mogen worden aanvaard waarvoor in de milieuvergunning expliciet vergunning is verleend;6) de exploitant van een stortplaats als bedoeld in punt 3) of 4) is er toe gehouden uiterlijk voor 1 december 2006 bij wijze van mededeling kleine verandering aan de vergunning verlenende overheid kenbaar te maken onder welke subcategorieën van categorie 2 en/of van categorie 1 de bestaande stortplaats valt.».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 36</span><span class=\"lf-art-t\">In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8, wordt subafdeling 5.2.4.1 dat bestaat uit de artikelen 5.2.4.1.1 tot en met 5.2.4.1.6, vervangen door wat volgt : « Subafdeling 5.2.4.1. De aanvaarding van afvalstoffen op de stortplaats Art. 5.2.4.1.1. § 1. Deze subafdeling schrijft de uniforme indeling en de aanvaardingsprocedure voor afvalstoffen voor overeenkomstig de bijlage bij de Europese Beschikking 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II bij EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen, zoals vastgesteld door deze subafdeling. § 2. Punt A van deze subafdeling schrijft de procedure voor het bepalen van de aanvaardbaarheid van afvalstoffen op stortplaatsen voor. Deze procedure bestaat uit de basiskarakterisering, een controletest en de verificatie ter plaatse. § 3. Punt B van deze subafdeling schrijft de aanvaardingsplicht voor elke stortplaats voor. Afvalstoffen mogen alleen op een stortplaats worden aanvaard als zij voldoen aan de aanvaardingscriteria van de desbetreffende stortplaatscategorie. § 4. Punt C van deze subafdeling geeft een overzicht van de te gebruiken methoden voor het bemonsteren en testen van afvalstoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5241\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.2.4.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>§ 1. De volgende afvalstoffen mogen niet op een stortplaats worden aanvaard : 1° afvalstoffen waarvoor krachtens het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en zijn uitvoeringsbesluiten een stortverbod geldt;2° vloeibare afvalstoffen of afvalstoffen met onvoldoende draagkracht, uitgezonderd : a) hydraulisch getransporteerde afvalstoffen die gestort worden in functie van de ontwatering ervan, in een daartoe ingericht en vergund ontwateringsbekken al dan niet deel uitmakend van de stortplaats;b) afvalstoffen in brij- of pasteuze vorm afkomstig van de fysico-chemische immobilisatiebehandeling van afvalstoffen met het oog op de uitharding voor zover die afvalstoffen uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten en mits naleving van de daartoe in de vergunning gestelde bijzondere voorwaarden;3° afvalstoffen die onder de op de stortplaats heersende omstandigheden ontplofbaar, bijtend, oxiderend zeer licht ontvlambaar, licht ontvlambaar of ontvlambaar zijn, zoals omschreven in het VLAREA;4° afvalstoffen die meer dan 0,1 % giftige organische stoffen bevatten gekenmerkt door het symbool T+ of T, uitgedrukt op de watervrije afvalstof;5° afvalstoffen die giftige anorganische stoffen bevatten in concentraties groter dan de drempelwaarde waarbij aan preparaten ervan het symbool T+ of T op basis van de toxicologische eigenschappen van de stoffen (R-zinnen 23, 24, 25, 26, 27, 28, 39, en 48) wordt gegeven (Richtlijn 88/379/EEG van 7 juni 1988 zoals gewijzigd door de Richtlijn 93/18/EEG van 5 april 1993), uitgedrukt op de watervrije afvalstof;6° afvalstoffen waarvan het percolaat, rekeninghoudend met mogelijke interacties met het percolaat van andere gestorte afvalstoffen, de afsluitlaag of de percolaatdrainage zou kunnen aantasten of de goede werking ervan zou kunnen schaden;7° ziekenhuisafval en andere klinische afvalstoffen, afkomstig van medische of diergeneeskundige instellingen, die infectueus zijn zoals omschreven in Richtlijn 91/689/EEG (eigenschap H9 van bijlage III), en afvalstoffen behorende tot categorie 14 (bijlage I, deel A) van die Richtlijn;8° gebruikte banden;deze verbodsbepaling geldt niet voor fietsbanden en banden met een buitendiameter van meer dan 1.400 mm; 9° alle andere soorten afvalstoffen die niet voldoen aan de geldende aanvaardingscriteria;het is verboden afvalstoffen te verdunnen of te vermengen uitsluitend om aan de aanvaardingscriteria te voldoen. § 2 Van de bepalingen van § 1, 5°, kan in de milieuvergunning worden afgeweken mits aan volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° de afvalstoffen worden voorbehandeld zodat de aanwezige giftige verbindingen zo goed mogelijk worden omgelegd naar minder giftige verbindingen en zodat aan de geldende aanvaardbaarheidscriteria wordt voldaan;2° de afvalstoffen op een apart gedeelte van de stortplaats worden gestort.Bij de inrichting, uitbating en afwerking van dat deel van de stortplaats dienen de nodige maatregelen getroffen opdat in alle opzichten een nulemissie wordt bereikt, meer bepaald mag noch door manipulatie van de afvalstoffen, noch door percolaat, noch door verspreiding van stof of dergelijke enige emissie optreden; 3° de afvalstoffen kunnen slechts op de stortplaats worden aanvaard voorzover ze uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten en mits naleving van de daartoe in de milieuvergunning gestelde bijzondere voorwaarden. § 3</div>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning aanvaardt de exploitant van een openbare stortplaats binnen de perken van zijn vergunning afvalstoffen aangevoerd door derden en afkomstig uit het verwerkingsgebied zoals vastgelegd in het Afvalstoffenplan waarin de stortplaats gelegen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Procedure voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen Art. 5.2.4.1.3. Basiskarakterisering Basiskarakterisering is de eerste stap in de aanvaardingsprocedure en houdt een volledige karakterisering van de afvalstoffen in door het verzamelen van alle benodigde informatie voor het veilig verwijderen van de afvalstoffen op lange termijn. Voor elk type afvalstof is basiskarakterisering vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze basiskarakterisering geldt het volgende : 1° Basiskarakterisering heeft de volgende functies : a) basisinformatie over de afvalstoffen (type en herkomst, samenstelling, consistentie, uitloogbaarheid en - zo nodig en beschikbaar - andere karakteristieke eigenschappen); b) basisinformatie voor het verwerven van inzicht in het gedrag van afvalstoffen op stortplaatsen en opties voor behandeling als vastgesteld in de afdeling 5.2.4 van dit besluit; c) beoordeling van afvalstoffen aan de hand van grenswaarden;d) vaststelling van de belangrijkste variabelen (kritische parameters) voor het uitvoeren van de controletest en opties voor de vereenvoudiging van deze test (wat moet leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal te meten bestanddelen, maar uitsluitend na overlegging van de relevante informatie);karakterisering kan verhoudingen tussen basiskarakterisering en resultaten van vereenvoudigde testprocedures opleveren alsmede frequentie van controletests.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de basiskarakterisering van een afvalstof laat zien dat de stof voldoet aan de in punt B van deze subafdeling vervatte criteria voor een stortplaatscategorie, wordt de stof geacht aanvaardbaar te zijn voor deze stortplaatscategorie. Indien de afvalstof niet aan de criteria voldoet, is deze niet aanvaardbaar voor deze stortplaatscategorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De producent van de afvalstoffen, of de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer ervan, is er tevens verantwoordelijk voor dat de informatie aangaande de karakterisering correct is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant bewaart de vereiste informatie gedurende een periode van 10 jaar. 2° De essentiële eisen voor basiskarakterisering van de afvalstoffen zijn de volgende : a) bron en oorsprong van de afvalstoffen;b) informatie over het proces waarbij de afvalstoffen zijn geproduceerd (beschrijving en kenmerken van grondstoffen en producten); c) beschrijving van de afvalbehandeling die is toegepast krachtens afdeling 5.2.4 van dit besluit of een verklaring van redenen waarom zulk een behandeling niet noodzakelijk wordt geacht; d) gegevens over de samenstelling van de afvalstoffen en het uitlooggedrag indien van toepassing;e) uiterlijk van de afvalstoffen (geur, kleur, fysische vorm); f) code volgens de Europese lijst van afvalstoffen zoals opgenomen in bijlage 1.2.1 van het VLAREA; g) voor gevaarlijke afvalstoffen ingeval van spiegelcategorieën : de desbetreffende gevaarlijke eigenschappen overeenkomstig bijlage III van Richtlijn 91/689/EG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen, zoals opgenomen in afdeling 2.4 van het VLAREA; h) informatie waaruit blijkt dat de afvalstoffen niet onder de uitsluitingen van artikel 5.2.4.1.2 vallen; i) de stortplaatscategorie waarin de afvalstoffen kunnen worden aanvaard;j) zo nodig, aanvullende voorzorgsmaatregelen op de stortplaats;k) nagaan of recycling of nuttige toepassing van de afvalstoffen mogelijk is.3° In de regel dient een afvalstof te worden getest om informatie, vermeld in 2°, te verkrijgen.Behalve het uitlooggedrag dient de samenstelling van het afval bekend te zijn of door uitvoering van tests te worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voor de basiskarakterisering gebruikte tests dienen ook die voor het uitvoeren van de controle te omvatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhoud van de karakterisering, de mate waarin laboratoriumproeven nodig zijn en de relatie tussen basiskarakterisering en controletest hangen af van het type afval. Er valt een onderscheid te maken tussen : a) Afval dat regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaat. Hierbij gaat het om één afvalstof met een constante samenstelling die regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaat, waarbij : 1) de installatie en het proces die de afvalstoffen doen ontstaan, genoegzaam bekend zijn en het uitgangsmateriaal voor het proces en het proces zelf nauwkeurig zijn omschreven;2) de exploitant van de installatie alle benodigde informatie verstrekt en de exploitant van de stortplaats informeert over veranderingen in het proces (met name veranderingen in het uitgangsmateriaal). Het proces zal veelal in dezelfde installatie plaatsvinden. De afvalstoffen kunnen ook van verschillende installaties afkomstig zijn, als kan worden vastgesteld dat het één enkele afvalstroom met gemeenschappelijke kenmerken binnen bekende grenzen betreft (bijvoorbeeld bodemas afkomstig van de verbranding van huishoudelijk afval).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze afvalstoffen zal de basiskarakterisering bestaan uit de essentiële eisen, bedoeld in 2° en met name uit het volgende : 1) spreiding in de samenstelling van de afzonderlijke afvalstoffen;2) spreiding en variabiliteit van karakteristieke eigenschappen;3) indien nodig, de uitloogbaarheid van de afvalstoffen zoals bepaald door middel van een schudproef en/of een kolomproef en/of een pH-afhankelijkheidsproef;4) belangrijkste variabelen die regelmatig moeten worden getest. Als de afvalproductie tijdens hetzelfde proces in verschillende installaties plaatsheeft, dient informatie te worden verstrekt over de omvang van de evaluatie. Het aantal metingen moet derhalve groot genoeg zijn om de spreiding en variabiliteit van de karakteristieke eigenschappen in beeld te brengen. Het afval kan dan als gekarakteriseerd worden aangemerkt en wordt daarna slechts ter controle getest, tenzij er zich in de ontstaansprocessen belangrijke veranderingen voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor afvalstoffen, afkomstig van hetzelfde proces in dezelfde installatie, mogen de resultaten van de metingen slechts geringe variaties in de eigenschappen van de afvalstoffen vertonen in vergelijking met de toepasselijke grenswaarden. Het afval kan dan als gekarakteriseerd worden aangemerkt en wordt daarna slechts ter controle getest, tenzij er zich in de ontstaansprocessen belangrijke veranderingen voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigenschappen van afval, afkomstig van installaties voor het opbulken of mengen van afval, afvaloverslagstations of gemengde afvalstromen afkomstig van afvalinzamelingspunten kunnen aanzienlijke variaties vertonen. Bij de basiskarakterisering dient hiermee rekening te worden gehouden. Dit afval kan onder geval b) vallen. b) Afval dat niet regelmatig ontstaat. Het betreft hier afvalstoffen die niet regelmatig tijdens hetzelfde proces in dezelfde installatie ontstaan en die geen deel uitmaken van een gekarakteriseerde afvalstroom. Voor elke partij van dergelijk afval is karakterisering vereist. De basiskarakterisering dient de essentiële eisen voor deze karakterisering te omvatten. Aangezien elke partij afval moet worden gekarakteriseerd, is uitvoering van controletests niet noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder a) en b) genoemde karakteriseringen zullen informatie verschaffen die rechtstreeks kan worden vergeleken met aanvaardingscriteria voor de desbetreffende stortplaatscategorie en bovendien kan beschrijvende informatie worden verstrekt (bijvoorbeeld de gevolgen van het storten van dit afval samen met huishoudelijk afval). 4° In de volgende gevallen zijn tests voor de basiskarakterisering niet nodig : a) de afvalstoffen staan op een lijst van stoffen waarvoor geen tests vereist zijn, zoals bepaald in deel 2;b) alle benodigde informatie voor de basiskarakterisering is bekend en naar behoren gemotiveerd ten genoegen van de OVAM;c) bepaalde typen afval waarvoor het testen niet uitvoerbaar is of passende testprocedures en aanvaardingscriteria ontbreken.Dit dient te worden gemotiveerd en gedocumenteerd, met omschrijving van de redenen waarom het afval aanvaardbaar wordt geacht voor deze stortplaatscategorie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.2.4.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Controletest § 1. Wanneer afval op grond van een basiskarakterisering overeenkomstig deel 1 als aanvaardbaar voor een stortplaatscategorie is aangemerkt, dient het afval vervolgens aan controletests te worden onderworpen om te bepalen of het afval in overeenstemming is met de resultaten van de basiskarakterisering en de in deel 2 vervatte toepasselijke aanvaardingscriteria. § 2. Controletests hebben tot doel het periodiek testen van regelmatig ontstane afvalstromen De te testen toepasselijke parameters worden tijdens de basiskarakterisering bepaald. De parameters dienen te worden gerelateerd aan de uit deze karakterisering verkregen informatie; er is alleen een controle van kritische parameters (belangrijkste variabelen) nodig, zoals die tijdens de basiskarakterisering zijn vastgesteld. De controle moet laten zien dat het afval aan de grenswaarden voor de kritische parameters voldoet.</div>\n<p class=\"lf-p\">De voor uitvoering van de controletest gebruikte tests dienen deel uit te maken van de tests van de basiskarakterisering. Bij de controletests moet ten minste een schudproef worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij dienen de in deel 3 vermelde methoden te worden gebruikt. § 3. Afval dat overeenkomstig artikel 5.2.4.1.3, 4° a) en c), vrijgesteld is van de tests voor basiskarakterisering, is ook vrijgesteld van controletests. Wel dient te worden nagegaan of dit afval in overeenstemming is met de informatie voor de basiskarakterisering die geen verband houdt met het testen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Controletests dienen ten minste eenmaal per jaar te worden uitgevoerd en de exploitant dient er in ieder geval voor te zorgen dat uitvoering van deze tests gebeurt in een omvang en frequentie die zijn bepaald op grond van de basiskarakterisering. § 4. De testresultaten dienen te worden bewaard gedurende een periode van 10 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.2.4.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Verificatie ter plaatse § 1. Voor elke op een stortplaats afgeleverde lading afval vindt voor en na het lossen visuele inspectie plaats. Tevens vindt controle van de vereiste documentatie plaats Voor afval dat door de producent van het afval op een onder zijn beheer vallende stortplaats wordt gestort, mag deze verificatie op het punt van verzending plaatsvinden. § 2. Het afval mag op de stortplaats worden aanvaard, als het hetzelfde is als het afval dat aan de basiskarakterisering en controletests is onderworpen en in de bijbehorende documenten wordt beschreven. Is aan deze voorwaarde niet voldaan, dan mag het afval niet worden aanvaard.</div>\n<p class=\"lf-p\">De testvereisten voor verificatie ter plaatse zijn vastgesteld in deel 2. § 3. Bij de aflevering worden periodiek monsters genomen. De genomen monsters worden na aanvaarding van het afval bewaard gedurende een periode van een maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen Art. 5.2.4.1.6. Criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen § 1. Dit deel 2 beschrijft de criteria voor het aanvaarden van afvalstoffen in elke stortplaatscategorie, met inbegrip van de criteria voor ondergrondse opslagplaatsen. § 2. In bepaalde gevallen zijn maximaal driemaal zo hoge grenswaarden voor in dit deel vermelde specifieke parameters (behalve opgeloste organische koolstof ( « Dissolved Organic Carbon « of « DOC « ) in artikel 5.2.4.1.7, § 4, 1°, artikel 5.2.4.1.8, § 5, artikel 5.2.4.1.9, § 3 en artikel 5.2.4.1.10, § 4, BTEX, PCB's en minerale olie in artikel 5.2.4.1.7, § 4, 2°, totaal organische koolstof ( « Total Organic Carbon « of « TOC « ) en pH in artikel 5.2.4.1.9, § 4 en gewichtsverlies bij gloeien ( « Loss on Ignition « « LOI « ) en/of TOC in artikel 5.2.4.1.10, § 5, en met beperking van de mogelijke verhoging van de grenswaarde voor TOC in artikel 5.2.4.1.7, § 4, 2° tot twee maal de grenswaarde) aanvaardbaar, indien : 1° dit is bepaald in de afvalspecifieke vergunning voor de ontvangende stortplaats, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van de stortplaats en haar omgeving, en 2° de emissies (inclusief percolaat) van de stortplaats, rekening houdend met de in dit deel voor die specifieke parameters genoemde grenswaarden, op basis van een risicoanalyse geen extra risico voor het milieu zullen opleveren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.2.4.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Criteria voor stortplaatsen voor inerte afvalstoffen § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2, § 1 kunnen op een categorie 3 stortplaats als vermeld in subrubriek 2.3.6, a) van de indelingslijst, inerte afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1.2 « Definities afvalstoffenverwerking », die voldoen aan de in § 4 vermelde criteria, worden gestort Het betreft meer bepaald volgende afvalstoffen : 1° afvalstoffen, afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken met uitzondering van asbesthoudende afvalstoffen, asfalt, hout, plastiek en andere kunststoffen aangewend in de bouwsector;2° afvalstoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of kwartair tijdperk behoren (zand-, klei-, leem, mergel en grindafzettingen);3° andere inerte afvalstoffen die voldoen aan de criteria, vermeld in § 4; § 2. Als beperking op § 1 mogen op een categorie 3 stortplaats slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld. § 3. De afvalstoffen in de navolgende beknopte lijst worden geacht te voldoen aan de criteria, vermeld in de definitie van inerte afvalstoffen van artikel 1.1.2 « Definities afvalstoffenverwerking » en de criteria, vastgesteld in § 4. De afvalstoffen mogen zonder tests op een stortplaats van categorie 3 worden toegelaten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het afval dient uit één enkele stroom (slechts één bron) van één afvaltype te bestaan. Verschillende afvalstoffen op de lijst kunnen te samen worden aanvaard, mits ze van dezelfde bron afkomstig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een vermoeden van vervuiling (op grond van ofwel visuele inspectie ofwel kennis van de oorsprong van het afval) dienen tests plaats te vinden of dient het afval te worden geweigerd. Als de in de lijst voorkomende afvalstoffen zo sterk vervuild zijn of zoveel ander materiaal of andere stoffen, zoals metalen, asbest, kunststoffen of chemische stoffen, bevatten dat het risico van de afvalstoffen dermate wordt verhoogd dat ze op stortplaatsen van andere klassen dienen te worden gestort, is aanvaarding ervan op een stortplaats voor inerte afvalstoffen niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als niet met zekerheid is vast te stellen dat de afvalstoffen in overeenstemming zijn met de definitie van inerte afvalstoffen van artikel 1.1.2 « Definities afvalstoffenverwerking » en de criteria van § 4 of dat de afvalstoffen niet zijn vervuild, moeten tests plaatsvinden. Daarbij moeten de methoden, vermeld in punt C, worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) Geselecteerd bouw- en sloopafval : met lage concentraties van andere typen materialen (zoals metalen, kunststof, organische stoffen, hout of rubber). De oorsprong van het afval moet bekend zijn. o Geen bouw- en sloopafval afkomstig van gebouwen vervuild met anorganische of organische gevaarlijke stoffen, bijvoorbeeld vanwege productieprocessen in het gebouw, bodemvervuiling of opslag en gebruik van pesticiden of andere gevaarlijke stoffen, tenzij duidelijk is aangetoond dat het gesloopte gebouw niet ernstig was vervuild. o Geen bouw- en sloopafval afkomstig van gebouwen die zijn behandeld, bedekt of beschilderd met materialen die aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalstoffen die niet in deze lijst voorkomen, moeten aan de tests worden onderworpen die zijn vastgesteld in bijlage 5.2.4.1 om te bepalen of ze voldoen aan de criteria voor afvalstoffen die aanvaardbaar zijn op stortplaatsen van categorie 3 zoals bepaald onder § 4. § 4. De grenswaarden voor afvalstoffen die aanvaardbaar zijn op stortplaatsen voor inerte afvalstoffen zijn vastgesteld als volgt : 1° Grenswaarden voor uitloging De volgende grenswaarden voor uitloging zijn van toepassing op afval dat aanvaardbaar is op stortplaatsen voor inerte afvalstoffen, berekend bij een verhouding vloeistof/vaste stof (L/S) van 10 l/kg voor totale afgifte. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) als de afvalstoffen niet aan deze waarden voor sulfaat voldoen, kunnen ze toch als in overeenstemming zijnde met de aanvaardingscriteria worden beschouwd als de uitloging een van de volgende waarden niet overschrijden 1 500 mg/l uitgedrukt als C0 bij L/S 0,1 l/kg en 6 000 mg/kg bij L/S = 10 l/kg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zal een kolomproef nodig zijn om de grenswaarde te bepalen bij L/S = 0,1 l/kg onder omstandigheden van initieel evenwicht, terwijl de waarde bij L/S = 10 l/kg kan worden bepaald door ofwel een schudproef ofwel een kolomproef onder omstandigheden die lokaal evenwicht benaderen. (**) als de afvalstoffen hij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8,0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 500 mg/kg. (Er is een ontwerpmethode beschikbaar op basis van de voorlopige EN 14429.) (***) de waarde voor totaal opgeloste vaste stoffen (« Totaal Opgeloste Vaste Stoffen » (TDS)) kan als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt. 2° Grenswaarden voor het totaalgehalte van organische parameters Behalve aan de in punt 1° vermelde grenswaarden voor uitloging dienen inerte afvalstoffen aan de volgende aanvullende grenswaarden te voldoen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) in het geval van grond kan in de milieuvergunning een hogere grenswaarde worden toegestaan, mits voor DOC een waarde van 500 mg/kg niet overschreden wordt bij L/S 10 l/kg en de pH-waarde van de grond zelf dan wel een pH tussen 7.5 en 8.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.2.4.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Criteria voor stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2, § 1, 5.2.4.1.9 en 5.2.4.1.10 kunnen op een stortplaats van categorie 2, bedoeld in subrubriek 2.3.6, b) van de indelingslijst, de volgende afvalstoffen van huishoudelijke of andere herkomst, worden gestort : 1° huishoudelijke afvalstoffen die langs de normale ophaalbeurten door de gemeente of in haar opdracht worden opgehaald, met uitzondering van de afvalstoffen die gezien de recuperatieverplichtingen selectief werden ingezameld of opgehaald;2° met huishoudelijke afvalstoffen gelijkgestelde afvalstoffen;3° bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen;4° volgende afvalstoffen : a) steekvaste afvalstoffen afkomstig van vetvangers van huishoudelijke aard;b) steekvaste afvalstoffen afkomstig van het normaal onderhoud van openbare rioleringsnetten;c) zand en roostergoed van rioolwaterzuiveringsinstallaties;d) zuiveringsslib van het behandelen of bereiden van drinkwater;e) zuiveringsslib van het biologisch behandelen van afvalwater en rioolwater;f) bodemas van de verbranding van huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van de vliegas en andere afvalstoffen afkomstig van de rookgasbehandeling;5° andere biologisch afbreekbare afvalstoffen van de levensmiddelensector;plantsoenafval, tuinafval, boom- en wortelstronken; 6° puin, afbraakmaterialen met uitzondering van asbesthoudende afvalstoffen;7° niet-risicohoudend medisch afval, afkomstig van de geneeskundige praktijk;8° niet gevaarlijke afvalstoffen van ieder andere oorsprong die voldoen aan de aanvaardingscriteria voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen voor niet gevaarlijk afval;9° stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen (bijV.- verharde of verglaasde afvalstoffen) met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van de niet gevaarlijke afvalstoffen en die voldoen aan de vastgestelde criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen voor niet gevaarlijk afval; deze gevaarlijke afvalstoffen worden niet gestort in cellen die zijn bestemd voor biologisch afbreekbare niet gevaarlijke afvalstoffen. § 2 Als beperking op § 1 mogen op een stortplaats van categorie 2 slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld. § 3. De volgende afvalstoffen zijn zonder tests aanvaardbaar op stortplaatsen van categorie 2 : huishoudelijk afval alsmede andere afvalstoffen die gezien hun aard of samenstelling met huishoudelijk afval kunnen worden gelijkgesteld, die zijn ingedeeld als niet gevaarlijk in hoofdstuk 20 van de Europese afvalstoffenlijst zoals opgenomen in subbijlage 1.2.1 B van het VLAREA, gescheiden ingezamelde niet gevaarlijke fracties van huishoudelijk afval en dezelfde niet gevaarlijke materialen van andere oorsprong.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het afval mag niet worden toegelaten als het niet vooraf is behandeld, of als het zo sterk is vervuild dat het risico van de afvalstoffen zodanig wordt verhoogd dat ze op stortplaatsen van andere categorieën dienen te worden gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afval mag niet worden aanvaard in cellen waar stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen worden aanvaard overeenkomstig de criteria van § 4 van dit artikel. § 4. Als overige criteria gelden : 1° extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : 3° totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : 4° voor de steekvastheid van slib wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd : afschuifspanning =&gt; 10 kN/m2. In ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voldoen aan de aanvaardbaarheidscriteria kan worden aangenomen op basis van de aard en herkomst van de afvalstoffen. § 5. De volgende grenswaarden gelden voor niet gevaarlijke afvalstoffen : 1° de volgende grenswaarden zijn van toepassing op korrelvormige niet gevaarlijke afvalstoffen, die in dezelfde cel worden aanvaard als stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen, berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) als de afvalstoffen hij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH tussen 7,5 en 8,0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800 mg/kg. (Er is een ontwerpmethode beschikbaar op basis van de voorlopige EN 14429.) (**) de waarde voor totaal opgeloste vaste stoffen (« Totaal Opgeloste Vaste Stoffen » (TDS)) kan als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt. 2° Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, gelden voor monolitisch afval de volgende grenswaarden voor uitloging : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (1) De concentratie geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal.(2) Uitloogbaarheid bepaald met behulp van de standtest volgens NEN 7345. § 6. Niet gevaarlijke materialen op gipsbasis mogen alleen op stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen worden gestort in cellen waarin geen biologisch afbreekbaar afval wordt aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grenswaarden voor TOC en DOC die in artikel 5.2.4.1.9, § 3 en § 4 worden vermeld, gelden voor afval dat samen met materialen op gipsbasis wordt gestort. § 7. In afwijking van de bepalingen van artikel 5.2.4.1.8, § 4 en 5.2.4.1.8, § 5, gelden voor stortplaatsen voor uitsluitend anorganische niet gevaarlijke afvalstoffen met een laag gehalte aan organisch/biologisch afbreekbare stoffen, waarbij het afval niet voldoet aan de criteria bepaald in artikel 5.2.4.1.8, § 5, 1° (subrubriek 2.3.6.b), 3)), de volgende voorwaarden : 1° extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : 3° totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : 4° wateroplosbaar gedeelte : 5° tenzij anders vermeld in de milieuvergunning : a) ofwel, verlies door uitgloeiing van het droge bestanddeel van de afvalstof tengevolge van de ontbinding van organische stoffen, uitgezonderd vaste polymeren en asfalt : voor de toepassing van deze bepalingen wordt met vaste polymeren bedoeld de kunststoffen in vaste vorm zoals folies, granulaten, voorwerpen, vaste brokken; aanbevolen analysemethode : - gloeiverlies : DIN 38414-S3, AAC2/II/A.2; - totaal organische koolstof : AAC2/II/A.7; 6° voor de steekvastheid van slib wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd : afschuifspanning &gt; 10 kN/m2, met als aanbevolen methode AAC2filA.4 of een gelijkwaardige grondmechanische methode; in ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven; 7° uitlooggedrag : het uitlooggedrag wordt bepaald volgens de analysemethode beschreven in de norm DIN 38414-S4;de afvalstoffen mogen slechts op de stortplaats worden aanvaard indien het eluaat beantwoordt aan volgende waarden : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld de concentratie voor zware metalen geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal; afvalstoffen die na toepassing van beste beschikbare technieken inzake uitloging niet voldoen aan de grenswaarde voor het wateroplosbaar gedeelte en/of de voormelde uitloogcriteria, kunnen toch op de stortplaats worden aanvaard op voorwaarde dat de afvalstoffen in zoutcelcondities worden gestort; met zoutcelcondities wordt bedoeld het onder de beste omstandigheden fysisch afschermen van de afvalstoffen van het percolaat; die afvalstoffen kunnen slechts op de stortplaats worden aanvaard voor zover ze uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten en mits naleving van de daartoe in de milieuvergunning gestelde bijzondere voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.2.4.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Criteria voor gevaarlijke afvalstoffen die aanvaardbaar zijn op stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2, § 1, kunnen, voorzover uitdrukkelijk bepaald in de milieuvergunning, op een stortplaats van categorie 2, bedoeld in subrubriek 2.3.6, b).6), van de indelingslijst, ook gevaarlijke afvalstoffen worden gestort die beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in dit artikel. § 2. Stabiel, niet-reactief betekent dat het uitlooggedrag van het afval op lange termijn onder de ontwerpomstandigheden van de stortplaats of bij voorzienbare calamiteiten niet in ongunstige zin verandert : 1° in het afval zelf (bijvoorbeeld door biologische afbraak);2° onder invloed van omgevingsomstandigheden op lange termijn (bijvoorbeeld water, lucht, temperatuur, mechanische invloeden);3° onder invloed van andere afvalstoffen (met inbegrip van afvalproducten zoals percolaat en gas). § 3 De volgende grenswaarden voor uitloging : 1° de volgende grenswaarden voor uitloging zijn van toepassing op korrelvormige gevaarlijke afvalstoffen die aanvaardbaar zijn op stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen, berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte Korrelvormig afval omvat alle afvalstoffen die niet monolithisch zijn. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) als de afvalstoffen hij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen. kunnen ze eventueel worden getest hij L/S = 10 l/kg en een pH van 7,5- 8.0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800 (**) de waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt 2° tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, gelden voor monolitisch afval de volgende grenswaarden voor uitloging : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (1) De concentratie geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal.(2) Uitloogbaarheid bepaald met behulp van de standtest volgens NEN 7345. § 4.Als overige criteria gelden : 1° behalve aan de onder § 3, 1° vermelde grenswaarden voor uitloging dient korrelvormig afval aan de volgende aanvullende criteria te voldoen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) Als deze waarde wordt overschreden kan in de milieuvergunning een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits voor de DOC een waarde van 800 mg/kg niet wordt overschreden bij L/S = 10 l/kg en de pH-waarde van het materiaal zelf dan wel een pH tussen 7,5 en 8.</div>\n<p class=\"lf-p\">(**) het zuurbindend vermogen van de afvalstof moet worden gecontroleerd. Meer bepaald moet het bufferend vermogen van de afvalstof voldoende zijn opdat ook in contact met het infiltrerend neerslagwater het voldoen aan de grenswaarden voor uitloging verzekerd blijft. 2° behalve aan de onder § 3, 2° vermelde grenswaarden voor uitloging, dient monolitisch afval aan het volgende aanvullende criterium te voldoen : de exploitant waakt er over dat gevaarlijke monolitische afvalstoffen stabiel en niet-reactief zijn voordat ze op stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen worden aanvaard;ter zake kunnen in de milieuvergunning nadere criteria worden vastgesteld; 3° het afval moet een voldoende fysieke stabiliteit en draagvermogen hebben;in de milieuvergunning kunnen ter zake nadere criteria worden vastgesteld. § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmateriaal dat asbest bevat en ander geschikt asbestafval mogen zonder tests op stortplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen worden gestort wanneer ze in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 6, c),i ii) van de EG-richtlijn 1999/31/EG die luiden als volgt : 1° het betreft stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van de aanvaardingscriteria op stortplaatsen voor niet gevaarlijk afval;2° ze moeten voldoen aan de relevante aanvaardingscriteria;3° deze gevaarlijke afvalstoffen worden niet gestort in cellen die zijn bestemd voor biologisch afbreekbare niet gevaarlijke afvalstoffen. Voor stortplaatsen die asbest bevattend bouwmateriaal en ander geschikt asbestafval ontvangen, moet aan de volgende eisen zijn voldaan : 1° het afval bevat geen andere gevaarlijke stoffen dan gebonden asbest, met inbegrip van door een bindmiddel gebonden of in kunststof verpakte asbestvezels;2° de stortplaats aanvaardt uitsluitend asbest bevattend bouwmateriaal en ander geschikt asbestafval;dat afval mag ook in een afzonderlijke cel van een stortplaats voor niet gevaarlijke afvalstoffen worden gestort, als die cel voldoende geïsoleerd is; 3° om verspreiding van vezels te voorkomen, wordt het stortgebied dagelijks en voorafgaand aan elke verdichtingsbewerking met daartoe geëigend materiaal afgedekt en wordt het, als het afval niet is verpakt, regelmatig besprenkeld;4° uiteindelijk wordt de stortplaats/cel geheel afgedekt om verspreiding van vezels te voorkomen;5° op de stortplaats/cel worden geen werkzaamheden uitgevoerd die het vrijkomen van vezels tot gevolg kunnen hebben (bv - het boren van gaten);6° na sluiting van de stortplaats/cel wordt een plattegrond van de locatie bewaard, waarop is aangegeven dat er asbestafval is gestort;7° er worden passende maatregelen genomen om de mogelijkheden tot gebruik van de locatie na sluiting van de stortplaats te beperken teneinde te voorkomen dat mensen in contact met het afval komen. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalstoffen bestaande uit asbesthoudende bouwmaterialen waarbij asbestvezels in gebonden vorm aanwezig zijn, kunnen worden gestort op stortplaatsen of delen van stortplaatsen die beantwoorden aan de bepalingen voor categorie 1-stortplaatsen, behalve voor wat betreft de voorwaarden inzake inrichting en afwerking met inbegrip van de financiële zekerheid, meer bepaald zoals bedoeld in artikel 5.2.4.3.3, artikel 5.2.4.5.2 en artikel 5.2.4.7.1, waarvoor in de milieuvergunning, mits naleving van de hierna vermelde voorwaarden inzake inrichting en afwerking die gelden voor categorie 1-stortplaatsen, kunnen worden afgezwakt. Aan de voorwaarden die gelden voor de inrichting en afwerking van categorie 3-stortplaatsen moet in ieder geval worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden waaronder voor de inrichting en afwerking van stortplaatsen die asbest bevattend bouwmateriaal ontvangen, de voorwaarden die gelden voor categorie 1-stortplaatsen in de milieuvergunning kunnen worden afgezwakt : 1° het afval bevat geen andere gevaarlijke stoffen dan gebonden asbest, meer bepaald asbestcement in de vorm van dakleien, golfplaten, buizen, ..., of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is; het in gebonden vorm aanwezig zijn wordt nagegaan aan de hand van de meetmethode voor de vezelvrijstelling van asbesthoudend afvalmaterialen en moet worden geattesteerd door een daartoe erkend milieudeskundige; 2° de afvalstoffen dienen te voldoen aan de criteria voor het storten van afvalstoffen op categorie 3-stortplaatsen zoals bedoeld in artikel 5.2.4.1.7, § 4; in het geval van afvalstoffen bestaande uit asbestcement zijn de afvalstoffen aanvaardbaar zonder tests zoals bedoeld in artikel 5.2.4.1.7, § 3; andere asbesthoudende materialen moeten worden onderworpen aan de procedure nepaalt in punt A van deze subafdeling om te bepalen of ze voldoen aan de criteria voor afvalstoffen die aanvaardbaar zijn op categorie 3-stortplaatsen zoals bepaald onder artikel 5.2.4.1.7, § 4; als uitzondering op het verbod om plastiek en andere kunststoffen gebruikt in de bouwsector te storten op een stortplaats voor inert afval, mag het afval zowel in geval van afvalstoffen bestaande uit asbestcement, als in geval van andere asbesthoudende bouwmaterialen, worden aanvaard in een verpakking bestaande uit kunststof; de verpakking moet een vlotte controle van de inhoud ervan toelaten; 3° de stortplaats aanvaardt uitsluitend asbest bevattend bouwmateriaal;dit afval mag ook in een afzonderlijke cel van een stortplaats worden gestort, als deze cel voldoende geïsoleerd is; 4° om verspreiding van vezels te voorkomen, wordt het stortgebied dagelijks en voorafgaand aan elke verdichtingsbewerking met daartoe geëigend materiaal afgedekt en wordt het, als het afval niet is verpakt, regelmatig besprenkeld;voor de dagelijkse afdek wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van daartoe geschikte inerte afvalstoffen; indien dergelijke afvalstoffen niet beschikbaar zijn, worden bodemmaterialen aangewend; het gebruik van afvalstoffen als afdek wordt in het werkplan bepaald; 5° uiteindelijk wordt de stortplaats/cel geheel afgedekt om verspreiding van vezels te voorkomen;6° op de stortplaats/cel worden geen werkzaamheden uitgevoerd die het vrijkomen van vezels tot gevolg kunnen hebben;(bvb het boren van gaten); 7° na sluiting van de stortplaats/cel wordt een plattegrond van de locatie bewaard waarop is aangegeven waar er asbestafval is gestort;8° er worden passende maatregelen genomen om de mogelijkheden tot gebruik van de locatie na sluiting van de stortplaats te beperken ten einde te voorkomen dat mensen in contact met het afval komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.2.4.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Criteria voor afval dat aanvaardbaar is op stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2, § 1, kunnen op een stortplaats van categorie 1 als vermeld in subrubriek 2.6, c), van de indelingslijst, volgende afvalstoffen, die voldoen aan de hierna vermelde criteria, worden gestort : 1° reststoffen van de verbranding en/of behandeling van afvalstoffen;2° gevaarlijke afvalstoffen die de nodige voorbehandeling hebben ondergaan;3° gevaarlijke asbesthoudende afvalstoffen die niet voldoen aan de aanvaardingscriteria voor stortplaatsen van categorie 2.Het gaat meer bepaald om : a) afvalstoffen die vrije asbestvezels bevatten zoals spuitasbest, asbestisolatiemateriaal, asbeststof met inbegrip van bodemmaterialen en andere afvalstoffen verontreinigd met vrije asbestvezels in concentraties &gt; 0,1 Gew.- % of waarin duidelijk asbestvlokken waarneembaar zijn; b) verpakkingsafval en plastiekafval dat met asbest verontreinigd is;c) niet vershredderbaar materiaal zoals metalen onderdelen dat met asbest of asbesthoudend materiaal bedekt of bekleed is.Onder niet vershredderbaar materiaal wordt verstaan materiaal waarbij met toepassing van de best beschikbare technieken het asbestgedeelte niet of zeer moeilijk kan gescheiden worden van het dragermateriaal; d) onder asbesthoudende afvalstoffen worden tevens begrepen : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen;e) afvalstoffen bestaande uit asbesthoudende bouwmaterialen waarbij asbestvezels in gebonden vorm aanwezig zijn. § 2 Als beperking op § 1 mogen op een categorie 1 stortplaats slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld. § 3. De afvalstoffen, vermeld in § 1, afkomstig van de fysico-chemische immobilisatiebehandeling van afvalstoffen mogen met het oog op de uitharding in brij- of pasteuze vorm op de stortplaats worden gestort voor zover die afvalstoffen uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten en mits naleving van de daartoe in de vergunning gestelde bijzondere voorwaarden. § 4.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als grenswaarden voor uitloging gelden : 1° De volgende grenswaarden voor uitloging zijn van toepassing op korrelvormig afval dat aanvaardbaar is op stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen, berekend bij L/S = 10 l/kg voor totale afgifte. Korrelvormig afval omvat alle afvalstoffen die niet monolithisch zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarden voor DOC voldoen, kunnen ze eventueel worden getest hij L/S = 10 l/kg en een pH van 7,5- 8.0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC, als het resultaat van deze bepaling niet hoger is dan 800 (**) de waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt 2° Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, gelden voor monolitisch afval de volgende grenswaarden voor uitloging : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (1) De concentratie geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal.(2) Uitloogbaarheid bepaald met behulp van de standtest volgens NEN 7345. § 5.Als overige criteria gelden : 1° Behalve aan de onder § 4, 1°, vermelde grenswaarden voor uitloging moeten gevaarlijke afvalstoffen aan de volgende aanvullende criteria voldoen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) LOI of TOC moet worden gebruikt. (**) Als deze waarde wordt overschreden kan in de milieuvergunning een hogere grenswaarde worden toegelaten, mits voor de DOC een waarde van 1.000 mg/kg niet wordt overschreden bij L/S = 10 l/kg en de pH-waarde van het materiaal zelf dan wel een pH tussen 7,5 en 8. (**) het zuurbindend vermogen van de afvalstof moet worden gecontroleerd. Meer bepaald moet het bufferend vermogen van de afvalstof voldoende zijn opdat ook in contact met het infiltrerend neerslagwater het voldoen aan de grenswaarden voor uitloging verzekerd blijft. 2° extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : 4° totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : 5° voor de steekvastheid van slib wordt volgende waarde als richtwaarde gehanteerd : afschuifspanning &gt; 10 kN/m2 In ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.2.4.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Criteria voor ondergrondse opslagplaatsen Voor het aanvaarden van afvalstoffen in ondergrondse opslagplaatsen dient een veiligheidsbeoordeling van elke specifieke opslagplaats plaats te vinden, zoals deze is gedefinieerd in bijlage 5.2.4.1 bij dit besluit. Aanvaarding van afvalstoffen is alleen toegestaan als ze in overeenstemming zijn met de specifieke veiligheidsbeoordeling Op ondergrondse opslagplaatsen voor inerte afvalstoffen is alleen aanvaarding toegestaan van afvalstoffen die aan de onder artikel 5.2.4.1.7 vermelde criteria voldoen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op ondergrondse opslagplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen is alleen aanvaarding toegestaan van afvalstoffen die aan de onder artikel 5.2.4.1.8 en artikel 5.2.4.1.9 vermelde criteria voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op ondergrondse opslagplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen is aanvaarding van afvalstoffen alleen toegestaan als ze in overeenstemming zijn met de veiligheidsbeoordeling voor deze specifieke opslagplaatsen. In dit geval zijn de onder artikel 5.2.4.1.10 vermelde criteria niet van toepassing. Wel dienen de afvalstoffen te worden onderworpen aan de in deel 1 beschreven aanvaardingsprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Bemonsterings- en testmethoden Art. 5.2.4.1.12. § 1. De bemonsterings- en testwerkzaamheden voor basiskarakterisering en de controletest worden verricht door onafhankelijke en gekwalificeerde personen en instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Laboratoria dienen over aantoonbare ervaring in het testen en analyseren van afvalstoffen en over een efficiënt systeem voor kwaliteitsborging te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bemonsteringswerkzaamheden kunnen aldus op kosten van de exploitant worden uitgevoerd, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een milieudeskundige erkend in de discipline « afval », hetzij door voormelde milieudeskundige zelf, op voorwaarde dat de in deze subafdeling omschreven doelstellingen worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de testwerkzaamheden kunnen aldus op kosten van de exploitant worden uitgevoerd, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een milieudeskundige erkend in de discipline « afval », hetzij door voormelde milieudeskundige zelf, op voorwaarde dat een passend systeem voor kwaliteitsborging met periodieke onafhankelijke controle is opgezet. § 2. De volgende methoden worden gebruikt : 1° voor de bemonstering van afvalstoffen - voor basiskarakterisering, controletests en verificatie ter plaatse - wordt een bemonsteringsplan ontwikkeld overeenkomstig deel 1 van de bemonsteringsnorm die momenteel door de CEN wordt opgesteld;2° algemene eigenschappen van afvalstoffen;3° uitloogproeven;4° ontsluiting van ruwe afvalstoffen;5° analyse. Deze lijst zal worden gewijzigd als er meer CEN-normen beschikbaar zijn.</p></div>", "next": 239799}