{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bedoelde personeelslid wordt geacht in zijn oorspronkelijke wervingsambt, selectieambt of bevorderingsambt benoemd te worden, zodra het in zijn ambt van directeur benoemd wordt. b) ofwel een in vast verband benoemd personeelslid dat onder een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht ressorteert en dat voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° binnen die andere inrichtende macht een ambt uitoefenen dat ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan in het onderwijs uit te maken;2° in vast verband één of meer ambt(en) uitoefenen dat(die) toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs, overeenkomstig artikel 102 van dit decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57 en artikel 58 en dat zij enkel één kandidaat voor de toelating tot de stage heeft die aan de voorwaarden van § 1 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur laten concurreren met die van personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid. In dat geval doet het een nieuwe oproep tot kandidaten bij de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve als die personeelsleden reeds bij de oorspronkelijke oproep tot kandidaten bedoeld waren. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57, artikel 58 of de §§ 1 en 2 van dit artikel, kan een lid van zijn tijdelijk personeel tot de stage toelaten die voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° in tijdelijk verband titularis zijn van een ambt dat ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan in het door de betrokken inrichtende macht georganiseerde onderwijs uit te maken;2° in tijdelijk verband één of meer ambten uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stage van het in het eerste lid bedoelde personeelslid dat, op het einde van zijn stage, niet aan de in artikel 57, eerste lid, 1° vereiste voorwaarden voldoet, wordt verlengd totdat het aan die voorwaarde voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bedoelde personeelslid wordt geacht in zijn oorspronkelijke wervingsambt, selectieambt of bevorderingsambt benoemd te worden, zodra het in zijn ambt van directeur wordt benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57 en artikel 58 en § 1 van dit artikel en dat zij enkel één kandidaat voor de toelating tot de stage heeft die aan de voorwaarden van § 2 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur laten concurreren met die van personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid. In dat geval doet het een nieuwe oproep tot kandidaten bij de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve als die personeelsleden reeds bij de oorspronkelijke oproep tot kandidaten bedoeld waren. § 4. Iedere inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten in een ambt van directeur van een kleuter-, lagere of basisschool, overeenkomstig artikel 57, artikel 58 of de §§ 1 tot 3 van dit artikel, kan tot de stage in dat ambt een personeelslid toelaten dat voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° een dienstanciënniteit van zeven jaar binnen de inrichtende macht hebben verworven in één van de wervingsambten, selectieambten of bevorderingsambten van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels vastgelegd in artikel 34 van het voormelde decreet van 6 juni 1994;2° in vast verband titularis zijn van een ambt dat ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan in het door de betrokken inrichtende macht georganiseerde onderwijs uit te maken;3° in vast verband één of meer ambten in het secundair onderwijs van de lagere graad uitoefenen en houder zijn van een diploma van GLSO, voor zover het gaat om een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs van groep A voor het uitgeoefende ambt;4° op de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 56 § 2, 2° hebben geantwoord;5° vooraf de attesten van slagen vóór ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1, en 18, § 1 van dit decreet hebben gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57 en artikel 58 en de §§ 1 en 2 van dit artikel en dat zij enkel één kandidaat voor de toelating tot de stage heeft die aan de voorwaarden van § 3 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur laten concurreren met die van personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid. In dat geval doet het een nieuwe oproep tot kandidaten bij de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve als die personeelsleden reeds bij de oorspronkelijke oproep tot kandidaten bedoeld waren. § 5. Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten in een ambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie, overeenkomstig artikel 57, artikel 58 of de §§ 1 tot 3 van dit artikel, kan tot de stage in dat ambt een personeelslid toelaten dat voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° een dienstanciënniteit van zeven jaar binnen de inrichtende macht hebben verworven in een wervingsambt, selectieambt of bevorderingsambt van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels vastgelegd in artikel 4 van het voormelde decreet van 6 juni 1994;2° in vast verband titularis zijn van één of meer ambten die ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan in het door de betrokken inrichtende macht georganiseerde onderwijs uit te maken;3° in vast verband één of meer ambten in het secundair onderwijs en/of in een hogeschool uitoefenen, en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet;4° op de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 56, § 2, 2° hebben geantwoord;5° vooraf de attesten van slagen vóór ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17 § 1, en 18 § 1 van dit decreet hebben behaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57 en artikel 58 en de §§ 1 en 2 van dit artikel en dat zij enkel één kandidaat voor de toelating tot de stage heeft die aan de voorwaarden van § 3 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur laten concurreren met die van personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid. In dat geval doet het een nieuwe oproep tot kandidaten bij de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve als die personeelsleden reeds bij de oorspronkelijke oproep tot kandidaten bedoeld waren. § 6. In afwijking van artikel 20, § 2, wordt het personeelslid dat tot de stage wordt toegelaten overeenkomstig dit artikel, bij voorrang toegelaten tot de verschillende opleidingsformules.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling II. - Tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 60</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het ambt van directeur kan tijdelijk worden toegewezen aan een personeelslid dat aan alle in artikel 57 bedoelde voorwaarden voldoet : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in het geval bedoeld in artikel 47 van het voormelde decreet van 6 juni 1994. Gedurende die periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanstelling die een geldigheidsduur heeft die gelijk is aan of lager is dan vijftien weken, zijn de voorwaarden bedoeld in artikel 57, 4° en 5° niet vereist. De autoriteiten bedoeld in artikel 27bis van het voormelde decreet van 6 juni 1994 worden ertoe gemachtigd die aanstellingen met een geldigheidsduur die gelijk is aan of lager is dan vijftien weken uit te voeren In afwijking van § 1, eerste lid, kan het ambt van directeur aan een personeelslid tijdelijk worden toegewezen onder de voorwaarden van het eerste lid, bij overlijden van de directeur die titularis van het ambt is, gedurende de periode die noodzakelijk is voor de toelating tot de stage van een stagedoende directeur in het kader van de procedure bedoeld in afdeling 1 van dit hoofdstuk. Die aanstelling eindigt van ambtswege op de datum van de toelating tot de stage die plaatsvindt op het einde van die procedure, uiterlijk na vijftien weken. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is om het bevorderingsambt van directeur tijdelijk toe te wijzen aan een lid van haar personeel dat aan de voorwaarden van artikel 57 voldoet, kan het bevorderingsambt van directeur tijdelijk toewijzen aan een lid van haar personeel met inachtneming van de artikelen 58 en 59. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 57 wordt het personeelslid dat in een niet-vacante betrekking tijdelijk is aangesteld voor een periode van meer dan 15 weken, wordt benoemd in de betrekking die het bekleedt, als deze vacant wordt, met inachtneming van de bepalingen vervat in artikel 37 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, op voorwaarde dat : 1° het tijdelijk ononderbroken sedert ten minste twee jaar vanaf de datum waarop de betrekking vacant is geworden, aangesteld is;2° het ten minste twee keer is geëvalueerd, waarbij de tweede evaluatie geleid heeft tot de toekenning van de vermelding « gunstig ».Daartoe, onverminderd artikel 63, wordt het in deze paragraaf bedoelde personeelslid geëvalueerd met toepassing van de regels vervat in artikel 33, § 2 tot § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in deze paragraaf bedoelde personeelslid kan echter, op eigen aanvraag, tot de stage worden toegelaten in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid. In dat geval duurt de stage één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in deze paragraaf bedoelde personeelslid wordt van ambtswege tot de stage toegelaten in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid, indien het vóór zijn laatste evaluatie één keer de vermelding « met voorbehoud » heeft gekregen. In dat geval duurt de stage één jaar; op het einde van dat jaar vindt een laatste evaluatie plaats. Het personeelslid wordt benoemd in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid, indien het de vermelding « gunstig » krijgt bij die laatste evaluatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 61</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Elke tijdelijke aanstelling in een ambt van directeur wordt schriftelijk vastgesteld, met vermelding van de bepalingen bedoeld in artikel 21 van het voormelde decreet van 6 juni 1994, met uitzondering van 7°. § 2. De inrichtende macht kan geen tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur uitvoeren als zij verplicht wordt, bij de bepalingen in verband met de reaffectatie, die betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld bij ontstentenis van betrekking. § 3. Een tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur eindigt : a) in onderlinge overeenstemming;b) bij beslissing van de inrichtende macht : - als gevolg van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel voor het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld in een ambt van directeur voor een duur van minder dan één jaar c) of bij toepassing van artikel 22, eerste lid van het voormelde decreet van 6 juni 1994. Het einde van het schooljaar heeft geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur. § 4. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van viertien dagen, kan de inrichtende macht de aanstelling van een personeelslid beëindigen dat tijdelijk is aangesteld in een ambt van directeur Vóór de kennisgeving van elke beslissing tot aanstellingsbeëindiging, moet het personeelslid uitgenodigd zijn zich door de inrichtende macht te laten horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de oproeping voor de hoorzitting alsook van de redenen waarom de Regering van plan is om een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, wordt hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting kennis gegeven ofwel bij een ter post aangetekend schrijven ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs. Bij de hoorzitting, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in actieve dienst of in ruste gesteld zijn in het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die in de Nationale Arbeidsraad zitting hebben. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt. Afdeling III. - Evaluatie van de opleiding van de directeurs die benoemd zijn of tijdelijk aangesteld zijn voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar of wier aanstelling ten minste één jaar heeft geduurd Art. 62.Deze afdeling is van toepassing op de in vast verband benoemde directeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze is eveneens van toepassing op het personeelslid dat in het ambt van directeur tijdelijk wordt aangesteld voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar of wiens aanstelling ten minste één jaar heeft geduurd. De bij deze afdeling bedoelde benaming « directeur » geldt ook voor dat personeelslid. Art. 63.Om de vijf jaar, vanaf de datum van zijn benoeming in vast verband of zijn aanstelling in tijdelijk verband, wordt iedere directeur door de inrichtende macht geëvalueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het eerste lid, kan de inrichtende macht zich door deskundigen laten bijstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inrichtende acht dit nuttig acht, kan zij de directeur vroeger evalueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur kan echter niet meer dan twee keer per periode van tien jaar worden geëvalueerd. Art. 64.De evaluatie steunt op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in hoofdstuk III van titel II en op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de artikelen 13, 14 en 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wordt rekening gehouden met de globale context waarin de directeur moet werken en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe houdt de inrichtende macht inzonderheid rekening met de bepalingen van het voormelde decreet van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/11/1997 numac 1997029343 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1997 numac 1997029337 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren sluiten voor het leerplichtonderwijs, van het voormelde decreet van 16 april 1991 voor het onderwijs voor sociale promotie en voor het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan, met het voormelde decreet van 2 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/1998 numac 1998029331 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten, met het opvoedingsproject, het pedagogisch project en het inrichtingsproject. Art. 65.Op grond van die evaluatie beslist de inrichtende macht in onderlinge overeenstemming met de directeur over de aan te brengen verbeteringen. Afdeling IV. - Overgang tussen de bevorderingsambten, de selectieambten en de wervingsambten Art. 66.In artikel 22, eerste lid, 2°, van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, worden de punten cbis ) en cter ) toegevoegd, luidend als volgt : « cbis ) bij toepassing van artikel 29bis, § 1; cter) bij toepassing van artikel 29bis, § 2; ». Art. 67.In artikel 28 van hetzelfde decreet, wordt een punt 3° toegevoegd, luidend als volgt : « 3° indien zij de betrekking reeds heeft toegekend overeenkomstig de bepalingen bedoeld bij artikel 29bis. » Art. 68.In hetzelfde decreet worden een artikel 29bis en een artikel 29ter ingevoegd, luidend als volgt : « Artikel 29bis.§ 1. Een personeelslid dat in vast verband benoemd is in een selectieambt of een bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, als het dit aanvraagt en met de toestemming van de inrichtende macht, in een definitief vacant geworden betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt in vast verband benoemd worden door een inrichtende macht waarbij het reeds een benoeming in vast verband heeft genoten in een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat toegang verschaft tot zijn huidige ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overgang van de ene betrekking naar een andere overeenkomstig deze paragraaf moet zonder onderbreking plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadere regels voor de benoeming krachtens deze paragraaf worden overigens door de plaatselijke paritaire commissies vastgesteld. § 2. Een personeelslid dat in vast verband benoemd is in een selectieambt of een bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, als het dit aanvraagt en met de toestemming van de inrichtende macht, in een definitief vacant geworden betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt in vast verband benoemd worden door een andere inrichtende macht dan deze die bedoeld zijn in § 1, indien geen lid van deze inrichtende macht prioritair is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat de toepassing van deze paragraaf geniet, moet ontslag nemen bij de inrichtende macht die het verlaat voor het selectieambt of bevorderingsambt dat het daar uitoefent.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overgang van de ene betrekking naar een andere overeenkomstig deze paragraaf moet zonder onderbreking plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadere regels voor de benoeming krachtens deze paragraaf zijn overigens vastgesteld door de plaatselijke paritaire commissie die opgericht is binnen de inrichtende macht die het personeelslid ontvangt. § 3. Voor de toepassing van § 1 en § 2, onverminderd artikel 28, 1°, kan de benoeming in vast verband op ongeacht welke datum plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze kan enkel worden toegekend voor zover het personeelslid voldoet aan alle voorwaarden die, naar gelang van het geval, bepaald zijn in : a) artikel 30, met uitzondering van 8°, 9°, wat de ambtsanciënniteit betreft, en 10° en 11°;b) artikel 40, eerste lid, met uitzondering van 5°;c) artikel 49, eerste lid, met uitzondering van 4°;d) in artikel 57 van het decreet van 3 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, met uitzondering van 4°. Voor de toepassing van de punten b), c) en d) van het eerste lid, wordt het vereiste inzake opvolging van de opleiding in verband met een bepaald ambt van ambtswege als vervuld geacht indien het personeelslid titularis van dat ambt in vast verband is geweest vóór de uitoefening van zijn huidige ambt. Artikel 29ter.Het in artikel 29bis bedoelde personeelslid krijgt de weddeschaal toegekend van het ambt waarin het overeenkomstig die bepaling in vast verband benoemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 29bis bedoelde personeelslid, dat gedurende ten minste tien jaar in vast verband het selectieambt of het bevorderingsambt dat het verlaat, heeft uitgeoefend, geniet een degressief weddeschaalstelsel, en krijgt vanaf het derde jaar de weddeschaal toegekend van het ambt waarin het overeenkomstig artikel 29bis benoemd is, vastgesteld als volgt : a) In de loop van het eerste jaar dat op zijn nieuwe affectatie volgt, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 66 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verliet, en anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is;b) In de loop van het tweede jaar dat op zijn nieuwe affectatie volgt, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 33 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verliet, en anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is.»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 37 van hetzelfde decreet wordt een punt 3° toegevoegd, luidend als volgt : « 3° indien ze de betrekking reeds heeft toegewezen bij toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 29bis. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 45 van hetzelfde decreet wordt een punt 3° toegevoegd, luidend als volgt : « 3° indien ze de betrekking reeds heeft toegewezen bij toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 29bis. » Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 71</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het voornoemde decreet van 6 juni 1994 wordt een artikel 39bis ingevoegd, luidend als volgt : « Artikel 39bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in een selectieambt in vast verband moet benoemen : 1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie over het profiel van het toe te kennen selectieambt;2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de benoeming in vast verband. § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 : 1° bepaalt het profiel van het toe te kennen selectieambt.In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de benoeming in vast verband bedoeld in artikel 40; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering, op voorstel van de centrale paritaire commissie.»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 40 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) onder punt 2° van het eerste lid, worden de woorden « sinds ten minste twee jaar » geschrapt.b) punt 3° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 3° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestatie te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;» c) punt 4° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 4° één of meer ambten, in vast verband, binnen de inrichtende macht uitoefenen, die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs;» d) punt 5° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 5° gevolg geven aan een oproep waarvan de vorm door de Regering zal worden bepaald, op voorstel van de plaatselijke paritaire commissie.» e) het derde lid wordt vervangen als volgt : « In afwijking van het eerste lid, 3°, wordt in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan aan de voorwaarde voor de uitoefening van een ambt naar rata van ten minste een halve opdracht beantwoord als deze vervuld is in het onderwijs georganiseerd binnen één of meer inrichtende machten.»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 73</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 42 tot 44 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt : « Artikel 42, § 1. Een selectieambt kan tijdelijk aan een personeelslid toevertrouwd worden dat aan alle voorwaarden van artikel 40 beantwoordt : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in de veronderstelling bedoeld in artikel 39. Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van het ambt waarin het in vast verband benoemd is. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanstelling van een duur die gelijk is aan of korter is dan vijftien weken, worden de voorwaarden bedoeld in artikel 40, 5° en 6° niet vereist</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een selectieambt kan tijdelijk aan een personeelslid toevertrouwd worden dat aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 40 beantwoordt in afwachting van een benoeming in vast verband Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk na een termijn van twee jaar in vast verband benoemd in het selectieambt indien de inrichtende macht hem ervan niet heeft ontlast. Artikel 44.§ 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk aan een personeelslid toe te vertrouwen dat aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4 beantwoordt, kan tijdelijk het selectieambt toevertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is en dat aan de volgende voorwaarden beantwoordt : 1° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het personeelslid tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van artikel 40 beantwoordt, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van het eerste lid of van het derde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het selectieambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans, indien na de drie dienstjaren bedoeld in het vorige lid, het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van het eerste lid, de voorwaarde bedoeld in artikel 40, eerste lid, 6° nog niet vervult, moet de inrichtende macht elk jaar een oproep doen tot kandidaten voor de vaste benoeming in het selectieambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van het derde lid en het vierde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 42, § 1, 1° en 2°. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 40 voldoet en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van het eerste lid of van het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk en prioritair wordt aangesteld overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 40, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of prioritair tijdelijk personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid in vast verband dat tot een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht behoort en dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in vast verband, binnen deze andere inrichtende macht van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht in vast verband benoemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk in een selectieambt is aangesteld overeenkomstig deze paragraaf, wordt in dit bovenvermelde ambt in vast verband benoemd na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarden bedoeld in artikel 40, eerste lid, 5° en 6° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet ontlast heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 40 en van § 1 van dit artikel voldoet, en dat ze slechts een personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 2 beantwoordt, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van het eerste lid of van het vierde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het selectieambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van het derde lid en het vierde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 42, § 1, 1° en 2°. § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 40, van § 1 en § 2 van dit artikel beantwoordt en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van het eerste lid of het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 40, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 44bis, § 1. Elke tijdelijke aanstelling in het selectieambt wordt schriftelijk vastgesteld en worden de vermeldingen zoals bedoeld in artikel 21, met uitzondering van 7°, erin opgenomen. § 2. De inrichtende macht mag niet overgaan tot een tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking als zij, krachtens de bepalingen betreffende de reaffectatie, verplicht is deze betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking is gesteld bij ontstentenis van betrekking. § 3. Een tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking loopt ten einde : a) in onderlinge overeenstemming;b) bij beslissing van de inrichtende macht ten gevolge van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel of voor wat betreft het personeelslid van het onderwijs met volledig leerplan ten gevolge van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk Vbis ;c) of met toepassing van artikel 22, eerste lid. Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking. § 4. Mits een opzeggingstermijn van vijftien dagen kan de inrichtende macht ofwel op voorstel van de directeur, ofwel op eigen initiatief, een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld in een selectieambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. Er wordt een proces-verbaal van de hoorzitting opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is. Artikel 44ter.Elk personeelslid mag krachtens artikel 40 van zijn benoeming afzien binnen de 600 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het selectieambt. In dit geval reïntegreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het selectieambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens 6 maanden vanaf de datum van de aanvraag van het personeelslid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 74</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 46 van hetzelfde decreet, wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt : « In afwijking van het vorige lid kan het personeelslid dat titularis is van een bevorderingsambt slechts een verandering van affectatie aanvragen nadat het zijn ambten uitgeoefend heeft in een betrekking die het tijdens een termijn van drie jaar bekleedt »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 75</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In hetzelfde decreet wordt een artikel 48bis ingevoegd, luidend als volgt : « Artikel 48bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in een bevorderingsambt in vast verband moet benoemen : 1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie over het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt;2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de vaste benoeming. § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 : 1° bepaalt het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt.In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de vaste benoeming bedoeld in artikel 49; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering, op voorstel van de centrale paritaire commissie.»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 76</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 49 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) onder punt 1° van het eerste lid, worden de woorden « zes jaar dienstanciënniteit definitief verworven hebben » vervangen door de woorden « zeven jaar dienstanciënniteit verworven hebben »;b) punt 2° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 2° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestatie te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht »;c) punt 3° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 3° één of meer ambten binnen de inrichtende macht uitoefenen, die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.» d) punt 4° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 4° gevolg geven aan een oproep waarvan de vorm door de Regering zal worden bepaald, op voorstel van de plaatselijke paritaire commissie.» e) het tweede lid wordt vervangen als volgt : « In afwijking van het eerste lid, 3°, wordt in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan aan de voorwaarde voor de uitoefening van een ambt naar rata van ten minste een halve opdracht beantwoord als deze vervuld is in het onderwijs georganiseerd binnen één of meer inrichtende machten.»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 50 tot 52 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt : « Artikel 50, § 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat aan alle voorwaarden van artikel 49 voldoet : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in het geval bedoeld in artikel 47. Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanstelling van een duur die gelijk is aan of korter is dan vijftien weken, worden de voorwaarden bedoeld in artikel 49, 4° en 5° niet vereist. De inrichtende macht stelt, na raadpleging van de plaatselijke paritaire commissie, de procedure tot aanstelling vast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 49 voldoet, in afwachting van een benoeming in vast verband Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk na een termijn van twee jaar in vast verband benoemd in het bevorderingsambt indien de inrichtende macht hem ervan niet heeft ontlast. Artikel 52.Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk aan een personeelslid toe te vertrouwen dat aan de voorwaarden bedoeld in artikel 49 beantwoordt, kan tijdelijk het bevorderingsambt toevertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is en dat aan de volgende voorwaarden beantwoordt : 1° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het personeelslid tijdelijk het bevorderingsambt uitoefent, blijft het titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van artikel 49 beantwoordt, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van het eerste lid of van het derde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het bevorderingsambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als na drie dienstjaren bedoeld in het vorige lid, het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van het eerste lid, de voorwaarde bedoeld in artikel 49, eerste lid, 5°, nog niet vervult, moet de inrichtende macht elk jaar een oproep doen tot kandidaten voor de vaste benoeming in het bevorderingsambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van het derde lid en het vierde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 50, § 1, 1° en 2°. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49 voldoet en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van het eerste lid of het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk en prioritair is aangesteld overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 49, eerste lid, 1°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of aan een prioritair tijdelijk personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid in vast verband dat tot een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht behoort en dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in vast verband, binnen deze andere inrichtende macht van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het bevorderingsambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht in vast verband benoemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld in een bevorderingsambt overeenkomstig deze paragraaf, wordt in dit bovenvermelde ambt in vast verband benoemd na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarden bedoeld in artikel 49, eerste lid, 4° en 5° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet ontlast heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49 en van § 1 van dit artikel voldoet en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 2 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van het eerste lid of van het vierde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het bevorderingsambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van het tweede lid en het derde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 50, § 1, 1° en 2°. § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49, van § 1 en van § 2 van dit artikel beantwoordt, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van het eerste lid of het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 40, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden. § 5. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt in een inrichting voor sociale promotie tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° een dienstanciënniteit van zeven jaar binnen de inrichtende macht hebben verworven in één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 34 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994;2° titularis zijn, in vast verband, van één of meer ambten met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen in het secundair onderwijs en/of in een hogeschool, en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49, van § 1 en van § 2 van dit artikel, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. »</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 52bis, § 1. Elke tijdelijke aanstelling in het bevorderingsambt wordt schriftelijk vastgesteld en worden de vermeldingen zoals bedoeld in artikel 21, met uitzondering van 7°, erin opgenomen. § 2. De inrichtende macht mag niet overgaan tot een tijdelijke aanstelling in een betrekking van bevordering als zij, krachtens de bepalingen betreffende de reaffectatie, verplicht is deze betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking is gesteld bij ontstentenis van betrekking. § 3. Een tijdelijke aanstelling in een bevorderingsbetrekking loopt ten einde : a) in onderlinge overeenstemming;b) bij beslissing van de inrichtende macht ten gevolge van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel of ten gevolge van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk Vbis ;c) of met toepassing van artikel 22, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een bevorderingsbetrekking. § 4. Mits een opzeggingstermijn van 15 dagen kan de inrichtende macht een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk werd aangesteld in een bevorderingsambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. Er wordt een proces-verbaal van de hoorzitting opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is. Artikel 52ter.Elk personeelslid mag krachtens artikel 49 van zijn benoeming afzien binnen de 600 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het bevorderingsambt. In dit geval reïntegreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het bevorderingsambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens 6 maanden na de aanvraag van het personeelslid. Artikel 52quater.De artikelen 49 tot 52ter zijn niet van toepassing op de bevorderingsambten van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, bepaald door het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. » Art. 78.In hetzelfde decreet wordt een Hoofdstuk V bis ingevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk Vbis. - Opdrachtenblad, evaluatie en einde van de uitoefening van sommige bevorderings- en selectieambten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 52quinquies, § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een bevorderingsambt of een selectieambt, zoals bedoeld in de artikelen 4, 3° eb 5, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/02/1999 numac 1999029087 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/1999 numac 1999029055 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 17 juli 1987 over de audiovisuele sector en omzetting van de richtlijn 97/36/EG van 30 juni 1997 en de richtlijn 95/47/EG van 24 oktober 1995 sluiten betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten in het onderwijs met volledig leerplan, en op artikel 50 van het decreet van 2 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/1998 numac 1998029331 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is ook van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een selectieambt, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, b) van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan. § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder « directeur » het personeelslid dat titularis is, in welke hoedanigheid dan ook, van het bevorderingsambt van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, zoals opgesomd in de artikelen 3 en 4, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/02/1999 numac 1999029087 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/01/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/1999 numac 1999029055 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 17 juli 1987 over de audiovisuele sector en omzetting van de richtlijn 97/36/EG van 30 juni 1997 en de richtlijn 95/47/EG van 24 oktober 1995 sluiten betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten of van het bevorderingsambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, a van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan. Afdeling I. - Het opdrachtenblad</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52sexies\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52sexies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de indiensttreding van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies van dit decreet wijst de directeur hem een opdrachtenblad toe dat voorafgaandelijk goedgekeurd werd door de inrichtende macht Dit bovenvermelde blad bepaalt de opdrachten van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies en de prioriteiten die hem worden toegewezen, in functie van de behoeften van de inrichting waarin het geaffecteerd wordt en in functie van de doelstellingen opgenomen in het opdrachtenblad dat de directeur zelf heeft gekregen overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 52septies, § 1. De duur van het opdrachtenblad bedraagt zes jaar. § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan gewijzigd worden, op grond van de evolutie van de behoeften en van de werking van de inrichting vóór het einde van de geldigheidsduur ervan ten vroegste na twee jaar door de directeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór zijn geldigheidsduur gewijzigd worden, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gewijzigde opdrachtenblad wordt ter goedkeuring aan de inrichtende macht voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 52octies, § 1. In afwijking van artikel 52sexies, § 1, eerste lid, kan de directeur, indien nodig en mits voorafgaande goedkeuring van de inrichtende macht, een opdrachtenblad toevertrouwen aan het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinqies van dit decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur wijst van ambtswege een opdrachtenblad dat voorafgaandelijk werd goedgekeurd door de inrichtende macht, aan het personeelslid toe dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinquies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de duur van de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. § 2. Het opdrachtenblad bedoeld in dit artikel kan tot doel hebben het opdrachtenblad van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies dat vervangen wordt te bevestigen of in een nieuw document op te stellen. Afdeling II. - De opleidingsevaluatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52novies\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52novies</span><span class=\"lf-art-t\">Deze afdeling is van toepassing op het in vast verband benoemde personeelslid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ze is ook van toepassing op het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinquies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. De benaming \"personeelslid » bedoeld in deze afdeling heeft ook betrekking op dit personeelslid. Artikel 52decies.Om de vijf jaar na zijn benoeming in vast verband of zijn tijdelijke aanstelling moet het personeelslid een evaluatie ondergaan die gezamenlijk gebeurt door de inrichtende macht en de directeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze laatste het nuttig achten, kunnen ze het personeelslid vroeger evalueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans mag het personeelslid niet meer dan twee keer geëvalueerd worden over een periode van tien jaar. Artikel 52undecies.De evaluatie baseert zich op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in afdeling I van dit hoofdstuk en op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de opleidingen bedoeld in artikel 40, 6° van dit decreet wat betreft de selectieambten en in artikel 49, 5° van dit decreet voor de bevorderingsambten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze houdt rekening met de globale context waarin het personeelslid evolueert en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld. Artikel 52duodecies.In functie van deze evaluatie komen de inrichtende macht en de directeur overeen met het personeelslid over de verbeteringen die moeten aangebracht worden. Afdeling 3. - Het einde van de uitoefening van sommige bevorderingsambten en selectieambten door de tijdelijke onderwijzende personeelsleden. Artikel 52terdecies.Mits een opzeggingstermijn van 15 dagen kan de inrichtende macht, ofwel op voorstel van de directeur, ofwel op eigen initiatief, een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies dat tijdelijk werd aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid of waarom de directeur overweegt een voorstel ervan te maken aan de inrichtende macht, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs, die uitwerking heeft met ingang van de datum opgenomen op dit ontvangbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is. HOOFDSTUK III. - Het gesubsidieerd vrij onderwijs Afdeling I. - Algemene voorwaarden voor de toegang tot de stage en voor de toekenning van betrekkingen van directeur Art. 79.§ 1. De inrichtende macht die een personeelslid moet toelaten tot de stage in het bevorderingsambt van directeur : 1° raadpleegt, volgens het geval, de ondernemingsraad, de plaatselijke overleginstantie, of bij gebreke hiervan, de vakorganisatie, over het profiel van het toe te kennen ambt van directeur;2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de toelating tot de stage. § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 : 1° bepaalt het profiel van het toe te kennen ambt van directeur.In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de toelating tot de stage bedoeld in artikel 80 van dit decreet; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering op voorstel van de centrale paritaire commissie.» § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichtende macht deelt aan de kandidaten de motieven mee van haar keuze van de stagedoende directeur, gelet op de criteria vastgesteld in het profiel van het bepaalde ambt overeenkomstig dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niemand kan tot de stage worden toegelaten in het bevorderingsambt van directeur indien hij niet op het ogenblik van de toelating tot de stage aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn sinds ten minste zeven jaar binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard van één van de wervingsambten, selectieambten of bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29 bis of 29 ter van het voornoemde decreet van 1 februari 1993; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet;4° voorafgaandelijk de slaagattesten hebben bekomen voor ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1 van dit decreet.5° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 79, § 2, 2° In het basisonderwijs moet de anciënniteit bedoeld in het eerste lid, 1° op het basisniveau verworven zijn. In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan aan de voorwaarde voor de uitoefening van een ambt naar rata van ten minste een halve opdracht beantwoord als deze vervuld is in het onderwijs georganiseerd binnen één of meer inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80, kan tot de stage toelaten : a) ofwel een personeelslid dat aan alle voorwaarden van artikel 80 voldoet behalve aan deze bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°. Dit personeelslid wordt bij voorkeur toegelaten tot de verschillende opleidingsmodules. b) ofwel een personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn sinds ten minste zeven jaar in het gesubsidieerd onderwijs van één van de wervingsambten, selectieambten of bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29bis of 29ter van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd onderwijs;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet;4° voorafgaandelijk slaagattesten te hebben bekomen voor ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1 van dit decreet In het basisonderwijs moet de anciënniteit bedoeld in het eerste lid, b), 1° op het basisniveau verworven zijn. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van artikel 80 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van § 1 van dit artikel beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van § 1 van dit artikel beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80 of artikel 81, kan een personeelslid in vast verband tot de stage toelaten dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80 en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van artikel 81 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80, artikel 81 of § 1 van dit artikel, kan tot de stage toelaten : a) ofwel een prioritair tijdelijk personeelslid in de zin van artikel 34, § 1 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stage van het personeelslid bedoeld in het eerste lid dat, na zijn stage, niet aan de voorwaarde vereist in artikel 80, eerste lid, 1° voldoet, wordt verlengd totdat het aan de bovenvermelde voorwaarde beantwoordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt geacht benoemd te zijn in zijn oorspronkelijke wervingsambt, selectieambt of bevorderingsambt vanaf het ogenblik dat het in zijn ambt van directeur benoemd is. b) ofwel een in vast verband aangeworven personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd onderwijs;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig de artikelen 80 en 81 en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 1 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot de kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80, artikel 81 of §§ 1 en 2 van dit artikel, kan tot de stage toelaten : a) ofwel een tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties uit te oefenen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in het eerste lid dat, na zijn stage, aan de voorwaarde vereist in artikel 80, eerste lid, 1°, niet voldoet, zal zijn stage moeten verlengen totdat het aan de bovenvermelde voorwaarde beantwoordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt geacht benoemd te zijn in zijn oorspronkelijke wervingsambt, selectieambt of bevorderingsambt vanaf het ogenblik dat het in zijn ambt van directeur benoemd is. b) ofwel een personeelslid dat ten minste zes jaar in vast verband titularis is van een wervingsambt of selectieambt met ten minste een halve opdracht in een gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum voor zover het houder is van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig de artikelen 80, 81 en van § 1 van dit artikel, en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 2 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldaan, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten in een ambt van directeur van een kleuter-, lager of basisonderwijs overeenkomstig artikel 80, artikel 81 of §§ 1 tot 3 van dit artikel, kan tot de stage in het bovenvermelde ambt een personeelslid toelaten dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° sinds ten minste zeven jaar titularis zijn binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard, van één van de wervingsambten, selectieambten of bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29bis van het voornoemde decreet van 1 februari 1993; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen in het secundair onderwijs van de lagere graad en houder zijn van een diploma van GLSO, voor zover het gaat om een verworven bekwaamheidsbewijs of een voldoend bekwaamheidsbewijs van groep A voor het uitgeoefende ambt;4° voorafgaandelijk slaagattesten hebben bekomen voor ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1 van dit decreet;5° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 79, § 2, 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig de artikelen 80, 81 en §§ 1 en 2 van dit artikel, en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating van de stage die aan de voorwaarden van § 3 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. § 5. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten in een ambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie, overeenkomstig de artikelen 80 en 81 of §§ 1 tot 3 van dit artikel, kan in het bovenvermelde ambt een personeelslid tot de stage toelaten dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° sinds ten minste zeven jaar titularis zijn, binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard, van één van de wervingsambten, selectieambten en bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29bis van het voornoemde decreet van 1 februari 1993; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van één of meer ambten met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen in het secundair onderwijs en/of in een hogeschool en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet;4° voorafgaandelijk de slaagattesten hebben bekomen voor ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1 van dit decreet;5° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 79, § 2, 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig de artikelen 83, 84 en §§ 1 en 2 van dit artikel, en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 3 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. § 6. In afwijking van artikel 20, § 2 wordt het personeelslid dat overeenkomstig dit artikel tot de stage wordt toegelaten, bij voorrang toegelaten tot de verschillende opleidingsmodules.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling II. - De tijdelijke aanwerving in een betrekking van</h3>\n<p class=\"lf-p\">directeur Art. 83.§ 1. Het ambt van directeur kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 80 voldoet : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in het geval bedoeld in artikel 57 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993; Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband wordt aangeworven. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanwerving van een duur die gelijk is aan of korter is dan 15 weken, wordt de voorwaarde bedoeld in artikel 80, eerste lid, 4° en 5° niet vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van § 1, eerste lid, kan het ambt van directeur tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid onder de voorwaarden van het eerste lid bij overlijden van de directeur die titularis is van de betrekking, tijdens de tijd die nodig is voor de toelating tot de stage van een stagedoende directeur in het kader van de procedure bedoeld in afdeling 1 van dit hoofdstuk. Deze aanstelling loopt van ambtswege ten einde op de datum van de toelating tot de stage die plaats vindt na deze procedure en uiterlijk na vijftien weken. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is het bevorderingsambt van directeur tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband is aangeworven en dat aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 80 voldoet, kan het bevorderingsambt van directeur tijdelijk aan een personeelslid toevertrouwen met inachtneming van de artikelen 81 en 82. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 80 wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een niet-vacante betrekking voor een duur van meer dan 15 weken, in vast verband aangeworven in de betrekking die het bekleedt als deze vacant wordt met inachtneming van de bepalingen van artikel 55 van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, op voorwaarde : 1° dat het sinds ten minste 2 jaar ononderbroken tijdelijk aangesteld is op de datum waarop de betrekking vacant is geworden;2° dat het ten minste twee evaluaties heeft gekregen waarvan de laatste aanleiding heeft gegeven tot de toekenning van de vermelding « gunstig ».Daartoe en onverminderd artikel 86 wordt het personeelslid bedoeld in deze paragraaf van ambtswege een eerste keer geëvalueerd na één jaar vanaf zijn aanstelling, alsook een tweede keer één jaar na deze eerste evaluatie, met toepassing van de regels bedoeld in artikel 33, § 2 tot § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in deze paragraaf kan, nochtans, op zijn aanvraag, toegelaten worden tot de stage in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid. In dit geval duurt de stage één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans wordt het personeelslid bedoeld in deze paragraaf van ambtswege tot de stage toegelaten in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid indien het voorafgaandelijk aan zijn laatste evaluatie één keer de vermelding « met voorbehoud » heeft gekregen. In dit geval duurt de stage één jaar; op het einde van dat jaar vindt een laatste evaluatie plaats. Het personeelslid wordt aangeworven in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid indien het de vermelding « gunstig » krijgt bij deze laatste evaluatie. Art. 84.§ 1. Elke tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 31 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, met uitzondering van 8°. § 2. De tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur is slechts mogelijk na de toepassing door de inrichtende macht van de bepaling van artikel 55, 1° van het voornoemde decreet van 1 februari 1993. § 3. Een tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur loopt ten einde overeenkomstig artikel 71nonies van het voornoemde decreet van 1 februari 1993.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het einde van het schooljaar heeft geen gevolg voor de tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur. Afdeling III. - De opleidingsevaluatie van directeurs aangeworven in vast verband of aangesteld in tijdelijk verband voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt Art. 85.Deze afdeling is van toepassing op de in vast verband aangeworven directeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze is ook van toepassing op het personeelslid aan wie een ambt van directeur tijdelijk wordt toevertrouwd voor een duur die gelijk is aan of langer is dan een jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. De benaming « directeur » bedoeld in deze afdeling heeft ook betrekking op dit personeelslid. Art. 86.Om de vijf jaar na zijn benoeming in vast verband of zijn tijdelijke aanstelling wordt elke directeur door de inrichtende macht geëvalueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het eerste lid kan de inrichtende macht zich door deskundigen laten begeleiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inrichtende macht het nuttig acht, kan zij de directeur vroeger evalueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans mag de directeur over een periode van tien jaar niet meer dan twee keer geëvalueerd worden. Art. 87.De evaluatie baseert zich op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in hoofdstuk III van Titel II en op de toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de artikelen 12, 13 en 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze houdt rekening met de globale context waarin de directeur moet evolueren en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit kader houdt de inrichtende macht inzonderheid rekening met de bepalingen van het voornoemde decreet van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/11/1997 numac 1997029343 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1997 numac 1997029337 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren sluiten voor het leerplichtonderwijs, van het voornoemde decreet van 16 april 1991 voor het onderwijs voor sociale promotie en voor het secundair kunstonderwijs met beperkte leerplan, het voornoemde decreet van 2 juni 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/1998 numac 1998029331 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten voor het educatief project, het pedagogisch project en het inrichtingsproject. Art. 88.In functie van deze evaluatie komen de inrichtende macht en de directeur overeen over de verbeteringen die moeten aangebracht worden. Afdeling IV. - Overgang tussen bevorderingsambten, selectieambten en wervingsambten Art. 89.Artikel 41ter van het decreet van 1 februari 1993, ingevoegd bij het decreet van 10 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2002, wordt vervangen als volgt : « Artikel 41ter.Een personeelslid dat definitief aangeworven is in een selectieambt of bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, indien het hierom verzoekt en met de toestemming van de inrichtende macht, definitief aangeworven worden in een definitief vacante betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat aanleiding geeft tot zijn huidige ambt door een inrichtende macht waar het reeds een definitieve aanwerving in een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt heeft genoten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 29quater, 1°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een personeelslid dat definitief aangeworven is in een selectieambt of bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, indien het hierom verzoekt en met de toestemming van de inrichtende macht, definitief aangeworven worden in een definitief vacant geworden betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat aanleiding geeft tot zijn huidige ambt door een andere inrichtende macht dan deze bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de bepalingen van artikel 29quater, 3°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het eerste lid en tweede lid en onverminderd artikel 29quinquies, kan de aanwerving plaatsvinden, ongeacht de datum. Ze kan slechts worden toegewezen als het lid voldoet aan alle voorwaarden bepaald, naar gelang van het geval : a) in artikel 42, § 1, met uitzondering van 8° wat betreft de ambtsanciënniteit en van 10° en 12°;b) in artikel 51 moeten de voorwaarden worden vervuld in het gesubsidieerd onderwijs;c) in artikel 59 moeten de voorwaarden worden vervuld in het gesubsidieerd onderwijs;d) in artikel 80 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van directeurs, moeten de voorwaarden worden vervuld in het gesubsidieerd onderwijs. Voor de toepassing van de punten b), c) en d) van het derde lid wordt de eis om de opleiding betreffende een bepaald ambt op te volgen, geacht van ambtswege bereikt te zijn indien het personeelslid titularis in vast verband van dit ambt is geweest vóór de uitoefening van zijn huidige ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in dit artikel krijgt een weddeschaal van het ambt waarin het in vast verband werd aangeworven overeenkomstig deze bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans geniet het personeelslid bedoeld in dit artikel, dat tijdens ten minste tien jaar het selectieambt of het bevorderingsambt in vast verband, dat het verlaat, uitgeoefend heeft, een degressief weddeschaalstelsel om vanaf het derde jaar de weddeschaal te hebben van het ambt waarin het in vast verband is aangeworven overeenkomstig dit artikel, dat vastgesteld is als volgt : a) tijdens het eerste jaar dat volgt op zijn nieuwe affectatie geniet het personeelslid een weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 66 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verlaten heeft en, anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is;b) tijdens het tweede jaar dat volgt op zijn nieuwe affectatie geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 33 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verlaten heeft en, anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is.» Art. 90.Punt 2° van artikel 48 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt : « of is aangesteld in deze betrekking overeenkomstig artikel 41ter. » Art. 91.Punt 2° van artikel 55 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt : « of is aangesteld in deze betrekking overeenkomstig artikel 41ter. » Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het voornoemde decreet van 1 februari 1993 wordt een artikel 50bis toegevoegd, luidend als volgt : « Artikel 50bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in vast verband moet aanwerven in een selectieambt : 1° raadpleegt de directeur van de inrichting alsook, volgens het geval, de ondernemingsraad, de plaatselijke overleginstantie, of bij gebreke hiervan, de vakvereniging, over het profiel van het toe te kennen selectieambt;2° ontvangt van alle personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de vaste benoeming. § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 : 1° bepaalt het profiel van het toe te kennen selectieambt.In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de vaste benoeming bedoeld in artikel 51; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering.» § 3. De inrichtende macht deelt aan de kandidaten de motieven mee van haar keuze van het personeelslid dat aangeworven is in vast verband in het selectieambt, gelet op de criteria vastgesteld in het profiel van het ambt bepaald overeenkomstig dit artikel. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 93</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 51 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993 wordt vervangen als volgt : « Artikel 51.Niemand kan in vast verband worden aangeworven in een selectieambt indien hij niet op het ogenblik van de aanwerving aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° een dienstanciënniteit van ten minste zes jaar binnen het gesubsidieerd onderwijs te hebben verworven in één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29bis ;2° aangeworven zijn, in vast verband, in één van deze ambten in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;3° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van één ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;4° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs;5° voorafgaandelijk een specifieke opleiding hebben gevolgd die bekrachtigd wordt door een getuigschrift dat bewijst dat hij de opleiding heeft gevolgd;6° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 50bis »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 94</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 53 tot 54 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt : « Artikel 53, § 1. Een selectieambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 51 vervult op het ogenblik van de aanwerving : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in het geval bedoeld in artikel 50. Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband is aangeworven, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanwerving van een duur die gelijk is aan of korter is dan 15 weken, worden de voorwaarden bedoeld in artikel 51, 5° en 6° niet vereist</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 54</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een selectieambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 51 vervult in afwachting van een aanwerving in vast verband Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt in vast verband aangeworven in het selectieambt en dit, uiterlijk na een termijn van twee jaar indien de inrichtende macht hem niet uit zijn selectieambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. Artikel 54bis, § 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is het selectieambt tijdelijk toe te vertouwen aan een personeelslid dat alle voorwaarden bedoeld in artikel 51 vervult voor de toegang tot het selectieambt, kan het selectieambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband aangeworven is en dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat zij slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage, die aan de voorwaarden van artikel 51 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan uit dit ambt ontheven worden door de inrichtende macht overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband aangeworven is overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór de aanwerving van een ambt met ten minste een halve opdracht in een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan één personeelslid dat de voorwaarden van artikel 51 vervult en dat zij slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in het eerste lid of het derde lid, wordt geacht aan de in artikel 51, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of een prioritair tijdelijke overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid in vast verband in het gesubsidieerd onderwijs en dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 51 en van § 1 van dit artikel vervult, en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 2 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een selectieambt overeenkomstig deze paragraaf, wordt in vast verband aangeworven in het bovenvermelde ambt na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 51, 5° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet uit dit selectieambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk VIII. Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII. § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen : a) ofwel aan een tijdelijk personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.b) ofwel aan een personeelslid dat sinds ten minste zes jaar titularis is, in vast verband, van een wervings- of selectieambt met ten minste een halve opdracht in een gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum en dat houder is van één van de bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 51, 4°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in het eerste lid, punt a), wordt geacht aan de in artikel 51, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid bedoeld in het eerste lid, punt b) titularis van zijn oorspronkelijke betrekking waarin het in vast verband is aangeworven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 51, van § 1 en § 2 van dit artikel vervult, en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een selectieambt overeenkomstig het eerste lid, punt b), wordt in vast verband aangeworven in het bovenvermelde ambt na een termijn van vier jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 51, 5° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet uit dit selectieambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. Artikel 54ter.Elke tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 31, met uitzondering van 8°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking loopt ten einde in onderlinge overeenstemming, bij beslissing van de inrichtende macht, of bij toepassing van hoofdstuk VIII. Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking is slechts mogelijk na de toepassing door de inrichtende macht van de bepaling van artikel 48, 1°. Artikel 54quater.Elk personeelslid mag krachtens artikel 51 van zijn vaste benoeming afzien binnen de 720 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot een selectieambt. In dit geval reïntegreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het selectieambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens 6 maanden na de aanvraag van het personeelslid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 95</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 56 van hetzelfde decreet, wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidend als volgt : « In afwijking van de vorige leden kan het personeelslid dat titularis is van een bevorderingsambt slechts een overplaatsing of een wijziging van affectatie vragen nadat het zijn ambten uitgeoefend heeft in een betrekking die het tijdens een termijn van drie jaar bekleedt »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 96</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het voornoemde decreet van 1 februari 1993 wordt een artikel 58bis toegevoegd, luidend als volgt : « Artikel 58bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in vast verband moet aanwerven in een bevorderingsambt : 1° raadpleegt de directeur van de inrichting alsook, volgens het geval, de ondernemingsraad, de plaatselijke overleginstantie, of bij gebreke hiervan, de vakorganisatie over het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt;2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de aanwerving in vast verband. § 2. De inrichtende macht, na de toepassing van § 1 : 1° bepaalt het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt.In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de vaste benoeming bedoeld in artikel 59; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering, op voorstel van de centrale paritaire commissie. § 3. De inrichtende macht deelt aan de kandidaten de motieven mee van haar keuze van het personeelslid dat in vast verband wordt aangeworven in het bevorderingsambt, gelet op de criteria vastgesteld in het profiel van het bepaalde ambt overeenkomstig dit artikel. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 97</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 59 tot 61 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt : « Artikel 59.Niemand kan in vast verband aangeworven worden in een bevorderingsambt indien hij op het ogenblik van de aanwerving niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, sinds ten minste zeven jaar in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard, van één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend overeenkomstig artikel 29bis ; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.4° voorafgaandelijk een specifieke opleiding hebben gevolgd die bekrachtigd werd door een attest dat bewijst dat hij die opleiding heeft gevolgd;5° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 58bis. De voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° voor wat betreft de anciënniteit verworven in vast verband, 4° en 5°, worden niet vereist voor het ambt van werkplaatsleider Artikel 60, § 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 59 vervult : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in het geval bedoeld in artikel 57. Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanwerving van een duur die gelijk is aan of korter is dan 15 weken, wordt de voorwaarde bedoeld in artikel 59, eerste lid, 4° en 5° niet vereist. Artikel 61.Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 59 vervult in afwachting van een vaste benoeming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband is aangeworven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt in vast verband aangeworven in het bevorderingsambt en dit, uiterlijk na een termijn van twee jaar indien de inrichtende macht hem niet uit dit bevorderingsambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. Artikel 61bis, § 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat alle voorwaarden vervult voor de toegang tot het bevorderingsambt bedoeld in artikel 59, kan het bevorderingsambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid in vast verband dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het bevorderingsambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is, in voorkomend geval, bij de oorspronkelijke inrichtende macht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat ze slechts één personeelslid heeft dat de voorwaarden van artikel 59 vervult, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig Hoofdstuk VIII. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59 vervult en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid bedoeld in het eerste lid of in het tweede lid wordt geacht aan de in artikel 59, eerste lid, 1° bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of aan een prioritair tijdelijke overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid dat in vast verband aangeworven is in het gesubsidieerd onderwijs en dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het het bevorderingsambt tijdelijk uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59 en van § 1 van dit artikel vervult, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 2 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een bevorderingsambt overeenkomstig deze paragraaf, wordt aangesteld in vast verband in het bovenvermelde ambt na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 59, eerste lid, 4° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet uit dit ambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII. § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen : a) ofwel aan een tijdelijk personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór de aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.b) ofwel aan een personeelslid dat titularis is in vast verband sinds ten minste zes jaar van een wervings- of selectieambt met ten minste een halve opdracht in een gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum en dat houder is van één van de bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 59, eerste lid, 3°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tijdelijk personeelslid dat aangesteld is overeenkomstig het eerste lid, punt a), wordt geacht aan de in artikel 51, eerste lid, 1° en 2° bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de periode waarin het het bevorderingsambt tijdelijk uitoefent, blijft het personeelslid bedoeld in het eerste lid, punt b) titularis van zijn oorspronkelijke betrekking waarin het in vast verband is aangeworven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59, van § 1 en 2 van dit artikel vervult, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een bevorderingsambt overeenkomstig het eerste lid, punt b), wordt aangesteld in vast verband in het bovenvermelde ambt na een termijn van vier jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 59, eerste lid, 4°, vervult en indien het niet door de inrichtende macht uit dit bevorderingsambt ontheven wordt overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. § 5. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een ambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, sinds ten minste zeven jaar in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard, van één van de wervings- selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels vastgesteld in artikel 29bis van het voornoemde decreet van 1 februari 1993; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van één of meer ambten met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen in het secondair onderwijs en/of in een hogeschool, en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs;</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59, van § 1 en van § 2 van dit artikel vervult, en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61ter\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 61ter</span><span class=\"lf-art-t\">Elke tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 31, met uitzondering van 8°</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking loopt ten einde in onderlinge overeenstemming, bij beslissing van de inrichtende macht, of bij toepassing van hoofdstuk VIII. Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking is slechts mogelijk na de toepassing door de inrichtende macht van de bepaling van artikel 55, 1°. Artikel 61quater.Elk personeelslid kan krachtens artikel 59 van zijn benoeming afzien binnen de 720 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het selectieambt. In dit geval reïntegreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.</p></div>", "next": 238680}