{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het departement kan eenmalig een verlenging van de opschortingstermijn toestaan met hoogstens twee jaar als : 1° de aanvraag tot subsidiëring met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 19 april 1995 wegens budgettaire redenen niet kan worden ingewilligd;2° de aanvaarde vernieuwing dermate buitengewone werkzaamheden omvat dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid;3° de aanvaarde vernieuwing vanwege economische, ruimtelijke, juridische of (milieu)technische redenen dermate complex is dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het vernieuwingsvoorstel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2671\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 2.6.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">2. In de inventaris worden de datum van de indiening van het aanvaarde vernieuwingsvoorstel en de opschortingstermijn vermeld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Opschorting ingevolge een definitief gesloten brownfieldconvenant Art. 2.6.7.2.1. Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaar(s) voor de bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een brownfieldconvenant, definitief gesloten conform hoofdstuk III van het decreet van 30 maart 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1968 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten6 betreffende de Brownfieldconvenanten, voor zover de eigenaar actor is bij het brownfieldconvenant.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opschorting kan worden toegekend voor een termijn die loopt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de beëindiging van het brownfieldconvenant, met toepassing van artikel 10, § 3, van het decreet van 30 maart 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1968 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten6 betreffende de Brownfieldconvenanten. Op het einde van die periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Opschorting ingevolge een conform verklaard bodemsaneringsproject Art. 2.6.7.3.1. Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaar(s) voor de bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject, met toepassing van titel III, hoofdstuk V, van het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1968 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opschorting kan worden toegekend voor een termijn die loopt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de datum van de eindverklaring van de OVAM, vermeld in artikel 68 van het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1968 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, met een maximumtermijn van vijf jaar vanaf de conformverklaring van het bodemsaneringsproject. Op het einde van die periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Opschorting voor nieuwe eigenaars Art. 2.6.7.4.1. Nieuwe eigenaars van een geregistreerde bedrijfsruimte krijgen een opschorting van de heffing gedurende twee jaar vanaf de datum van het verlijden van de authentieke akte van overdracht. Als er verschillende eigenaars voor dezelfde bedrijfsruimte zijn, en minstens één ervan een nieuwe eigenaar is, gelet op de overdracht aan hem door erfopvolging of testament, krijgen ze een opschorting van de heffing gedurende twee jaar vanaf de datum van eigendomsoverdracht door erfopvolging of testament.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende rechtspersonen of natuurlijke personen worden niet beschouwd als nieuwe eigenaar : 1° de vennootschappen waarin de vroegere eigenaars van de bedrijfsruimte rechtstreeks of onrechtstreeks participeren voor meer dan 10 % van het aandeelhouderschap;2° bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht door erfopvolging of testament. Art. 2.6.7.4.2. In de inventaris worden de datum van het verlijden van de authentieke akte en de opschortingstermijn vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 5. - Opschorting voor leegstaande maar niet-verwaarloosde bedrijfsruimten Art. 2.6.7.5.1. Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaars voor de bedrijfsruimten die ten gevolge van bedrijfseconomische omstandigheden geheel of gedeeltelijk leegstaan, maar die in een goede staat worden gehouden zodat ze onmiddellijk opnieuw in gebruik genomen kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opschorting blijft beperkt tot een termijn van een jaar. Tijdens die periode moet de leegstand zijn beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2675\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 2.6.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">2. In de inventaris worden de datum van de indiening van de aanvaarde opschortingsaanvraag en de opschortingstermijn vermeld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 6. - Opschorting ingevolge staving van de beëindiging van de vernieuwing en/of de leegstand Art. 2.6.7.6.1. Als de eigenaar tijdens de toegestane opschortingstermijn een aanvraag tot schrapping uit de inventaris heeft ingediend conform artikel 12 van het decreet van 19 april 1995, krijgt hij een opschorting van de heffing gedurende de termijn dat zijn aanvraag, conform artikel 13 van het decreet van 19 april 1995, onderzocht wordt. Als de aanvraag tot schrapping geweigerd wordt, heeft die beslissing rechtsgevolgen vanaf de datum van de kennisgeving, vermeld in artikel 12 van het voormelde decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 7. - Sancties Art. 2.6.7.7.1. Als de opschortingen, verleend met toepassing van artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 en 2.6.7.5.1, bij het verstrijken van de toegestane opschortingstermijnen niet resulteren in een beëindiging van de verwaarlozing en/of de leegstand, is de opgeschorte heffing alsnog verschuldigd voor die termijnen, vermeerderd met de interesten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 of 2.6.7.5.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de interesten, alsnog verschuldigd voor de termijn waarvoor de opschorting is verkregen, tot de datum van de authentieke akte van overdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.6.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de interesten, alsnog verschuldigd vanaf de datum van de kennisgeving, vermeld in artikel 12 van het decreet van 19 april 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 3. - Inning en invordering Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen Art. 3.1.0.0.1. De bepalingen van titel 3 zijn, behalve bij afwijkende bijzondere bepalingen, van toepassing op alle belastingen, vermeld in titel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering kan : 1° de wijze regelen waarop men moet handelen voor de aangiften, de opmaak en de kennisgeving van de kohieren, de betalingen, de bewijzen van betaling en de inning en invordering van de verschuldigde bedragen;2° het tarief van de vervolgingskosten regelen. Als een vordering voor het gerecht, zelfs gedeeltelijk, maatregelen tot voorwerp heeft die ertoe strekken de invordering te verwezenlijken of te waarborgen van de belastingen en toebehoren, hebben de cassatietermijn alsook de voorziening in cassatie schorsende kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3100\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.1.0.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>§ 1. Aan de belastingschuldigen wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een fiscaal identificatienummer toegekend, namelijk een van de volgende nummers : 1° het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen;2° het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;3° een automatisch gegenereerd nummer voor alle overige belastingschuldigen voor wie geen bekend nummer als vermeld in 1° of 2°, bestaat. § 2. Het fiscale identificatienummer mag worden gebruikt in de bestanden en repertoria van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het gebruik ervan is alleen geoorloofd met het doel om te identificeren. § 3 Naast de toepassing, vermeld in paragraaf 2, mag het fiscale identificatienummer van de natuurlijke personen alleen gebruikt worden als identificatiemiddel in de volgende externe betrekkingen die nodig zijn voor de uitvoering van deze codex en van andere regelgeving ter uitvoering ervan waarmee de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie is belast : 1° betrekkingen met de houder van het nummer of met zijn wettelijke vertegenwoordigers;2° betrekkingen met de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden als de houder van het nummer overleden is;3° betrekkingen met de lasthebbers aan wie de houder van het nummer een algemene lastgeving inzake belastingen heeft verleend, op voorwaarde dat de houder van het nummer zijn schriftelijke toestemming geeft aan de lasthebber;4° betrekkingen met de openbare overheden of de instellingen, gemachtigd krachtens artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;5° betrekkingen met de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die ertoe gehouden zijn informatie te verstrekken over de houder van het identificatienummer, in het kader van de verplichtingen die hun zijn opgelegd door deze codex of ingevolge de uitvoering ervan;6° betrekkingen met de bestuursdiensten van de staat, de besturen van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook met de vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen naar publiek recht die met het oog op het verstrekken van bepaalde voordelen inkomstengetuigschriften aanvragen over de fiscale toestand van de houder van het nummer.</div>\n<p class=\"lf-p\">De personen, instellingen en verenigingen, vermeld in het eerste lid, mogen alleen over het nummer beschikken voor de uitvoering van de vermelde verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schriftelijke toestemming, vermeld in het eerste lid, 3°, kan op ieder ogenblik worden ingetrokken. De intrekking ervan heeft alleen uitwerking voor de toekomst. § 4. Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aan een derde de uitvoering toevertrouwt van werken die nodig zijn om taken te vervullen waarmee ze is belast, is die entiteit gemachtigd, uitsluitend voor de uitvoering van die werken : 1° aan die derde de informatiegegevens, vermeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, mee te delen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die werken;2° het fiscale identificatienummer alleen als identificatiemiddel te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derden, vermeld in het eerste lid, mogen alleen over de beoogde informatiegegevens en over het fiscale identificatienummer beschikken gedurende de tijd die nodig is voor de uitvoering van die werken, en ze mogen het fiscale identificatienummer uitsluitend voor dat doel gebruiken. § 5. De volgende personen, instanties en verenigingen onderworpen aan de verplichting om het fiscale identificatienummer van de natuurlijke personen te vermelden : 1° de openbare overheden en instellingen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 4°, in hun betrekkingen met de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie telkens als ze ertoe gehouden zijn inlichtingen te verstrekken over de houder van dat identificatienummer;2° de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die zich bevinden in de toestand, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 5°, en die verplicht zijn gebruik te maken van het identificatienummer van de natuurlijke personen met toepassing van de koninklijke besluiten van 5 december 1986 tot regeling in de sociale sector van het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.1.0.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De gegevens en de documenten die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft ontvangen, opgesteld of verzonden in het kader van de toepassing van de bepalingen van deze codex, met inbegrip van de door de belastingplichtigen ingediende aangiften, alsook de daarbij gevoegde documenten en bewijsstukken, en die fotografisch, optisch, elektronisch of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard of weergegeven, alsook de weergave ervan op een leesbare drager, hebben bewijskracht voor de toepassing van de bepalingen van deze codex</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.1.0.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>§ 1. Als er met toepassing van de bepalingen van deze codex opcentiemen of een opdeciem worden geheven, worden die, samen met de belasting zelf, geïnd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. § 2. Als de provincies, de agglomeraties en de gemeenten ertoe besluiten opcentiemen te heffen met toepassing van de bepalingen van deze codex, stellen de provincieraad, respectievelijk de agglomeratieraad of de gemeenteraad daarvan uiterlijk op 31 januari van het aanslagjaar de opcentiemen voor het aanslagjaar in kwestie vast en delen ze die opcentiemen uiterlijk op 1 maart van hetzelfde jaar per aangetekende brief mee aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. § 3. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie stort aan de provincies, de agglomeraties en de gemeenten de ontvangsten die ze voor hun rekening verwezenlijkt hebben, door in de maand die volgt op de maand van de ontvangsten, verminderd met de ontheffingen van betaalde vorderingen die doorgevoerd zijn tijdens de maand van de inning van die ontvangsten Als de ontheffingen van betaalde vorderingen die in de loop van een maand zijn doorgevoerd ten laste van respectievelijk een provincie, een agglomeratie of een gemeente, meer bedragen dan de ontvangsten die door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gedurende diezelfde maand voor rekening van die overheid zijn geïnd, vormt dat excedent voor de genoemde entiteit van de Vlaamse administratie een schuldvordering die terugvorderbaar is bij respectievelijk de provincie, de agglomeratie of de gemeente.</div>\n<p class=\"lf-p\">De schuldvordering, vermeld in het tweede lid, wordt ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffingen. Als het bedrag van de ontvangsten dat toegekend wordt gedurende de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffing ontoereikend is om het bedrag van de schuldvordering dat overblijft te vrijwaren, wordt dat saldo van de schuldvordering ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de daaropvolgende maand. Die verrekening wordt herhaald tot de schuldvordering is aangezuiverd. § 4. De ontvangsten, vermeld in paragraaf 3, kunnen naast de opcentiemen en de opdeciem ook de bedragen, vermeld in artikel 3.1.0.0.5, bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontvangsten die voortkomen uit interesten, boetes of bij de belastingschuldige gerecupereerde invorderingskosten, worden evenwel nooit doorgestort en komen het Vlaamse Gewest toe. § 5. In afwijking van paragraaf 3 geldt voor de onroerende voorheffing de volgende regeling : 1° de Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd voorschotten toe te staan aan de gemeenten, de agglomeraties en de provincies in het kader van de inning van de opcentiemen op de onroerende voorheffing;2° de voorschotten, vermeld in punt 1°, worden berekend op 95 % van het bedrag van de jaarontvangsten inzake opcentiemen op de onroerende voorheffing die geraamd zijn in hun respectieve goedgekeurde begrotingen, dat de gemeente respectievelijk de agglomeratie of de provincie uiterlijk op 15 mei van het aanslagjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft opgegeven.Bij ontstentenis van een mededeling op de vervaldag wordt de berekening van de voorschotten gebaseerd op de jaarontvangsten inzake opcentiemen op de onroerende voorheffing die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie per gemeente, agglomeratie en provincie voor het aanslagjaar in kwestie geraamd heeft; 3° als de conform paragraaf 2 meegedeelde opcentiemen wijzigen ten opzichte van het voorgaande aanslagjaar, zal de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de geraamde jaarontvangsten aanpassen en meedelen op het ogenblik dat het saldo, vermeld in punt 5°, aan de gemeenten, agglomeraties of provincies wordt meegedeeld;4° de voorschotten, vermeld in punt 1°, worden vanaf het tweede semester van het begrotingsjaar in zes maandelijkse gelijke schijven uitbetaald met valuta op de vijfde bankwerkdag van iedere maand;5° het saldo van alle verworven opcentiemen op de laatste dag van de maand mei van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie, verminderd met de voorschotten die al uitbetaald zijn voor het aanslagjaar in kwestie en verminderd met de bedragen van betaalde vorderingen die voor het aanslagjaar in kwestie en eventueel voor voorgaande aanslagjaren in ontheffing gezet zijn, wordt uiterlijk gestort op de laatste bankwerkdag van de maand juli van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie;6° opcentiemen die worden verworven na de laatste dag van de maand mei van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie, worden na vermindering met de nog niet verrekende bedragen van betaalde vorderingen die in ontheffing gezet zijn, doorgestort uiterlijk op de laatste bankwerkdag van de maand die volgt op de maand van de verwerving;7° als wordt vastgesteld dat het saldo, vermeld in 5° negatief is, wordt het voorschot van het eerstvolgende aanslagjaar, vermeld in 2° en 4°, verminderd met dat negatieve saldo.In voorkomend geval worden de verworven opcentiemen van het eerstvolgende aanslagjaar ook verminderd met hetzelfde negatieve saldo; 8° zowel de orderekeningen als de financiële rekening waarop de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor rekening van de gemeenten, de agglomeraties en de provincies vooraf worden betaald, mogen een negatief saldo vertonen voor het bedrag van de gecumuleerde voorschotten. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na afloop van elk kalenderjaar stuurt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie naar elke provincie, agglomeratie en gemeente die opcentiemen heft, een lijst met vermelding van de totale opbrengst van de opcentiemen die, op basis van de inningen, aan respectievelijk de provincie, de agglomeratie of de gemeente toekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.1.0.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De Vlaamse Regering bepaalt welk percentage van de leegstandsheffing bedrijfsruimten die elk jaar geïnd wordt, en van de verkrottingsheffing woningen en gebouwen die elk jaar geïnd wordt, met uitzondering van de gemeentelijke opcentiemen, de interesten en de administratieve geldboetes, aan de gemeenten wordt doorgestort als vergoeding voor de administratiekosten die ze in het kader van die belastingen moeten maken</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.1.0.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De provincies en de gemeenten die met toepassing van artikel 2.1.4.0.2 opcentiemen op de onroerende voorheffing heffen, en die met toepassing van artikel 2.1.5.0.1, § 2, en artikel 2.1.6.0.1, eerste lid, 4°, die opbrengsten derven, worden daarvoor volledig vergoed door het Vlaamse Gewest</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2. - Inkohiering Afdeling 1. - Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3210\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.2.1.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. § 1. De belastingen worden opgenomen in kohieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kohieren bevatten ten minste de volgende elementen : 1° de identiteit van de belastingplichtige;2° de aanduiding van de belasting;3° het bedrag van de belasting, alsook het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft;4° het nummer van het kohierartikel;5° de datum van uitvoerbaarverklaring. § 2. De opschorting van de belasting belet de inkohiering van de belasting niet. § 3. De geautomatiseerde bestanden van de kohieren hebben dezelfde bewijskracht als de originelen als die bestanden door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of onder haar controle zijn aangemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.2.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanslagen inzake de onroerende voorheffing die betrekking hebben op een kadastraal inkomen van minder dan 15 euro per artikel van de kadastrale legger, worden niet in een kohier opgenomen. Afdeling 2. - Uitvoerbaarverklaring</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3220\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.2.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Van de belastingschuldigen mag alleen een som worden gevorderd krachtens een uitvoerbaar verklaard kohier dat de inningstitel vormt. Dat geldt zowel voor de belastingen zelf, als voor de eventuele administratieve geldboeten en belastingverhogingen, als voor de eventuele opcentiemen of de opdeciem voor de provincies, de agglomeraties en de gemeenten De kohieren worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door het bevoegde personeelslid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het eurovignet kan door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden geïnd zonder toepassing van het eerste lid. Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3230\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.2.3.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de inkohiering ten laste van overledenen en onverdeeldheden. Afdeling 4. - Aanslag voor overnemende of verkrijgende vennootschap</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3240\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.2.4.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Als een vennootschap wordt overgenomen of gesplitst in het kader van een fusie, een aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing als vermeld in artikel 671 tot en met 677 van het Wetboek van Vennootschappen, of een soortgelijke vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht, kan de aanslag die betrekking heeft op belastbare feiten die dateren van vóór de vermelde verrichting, binnen de termijnen, bepaald in dit hoofdstuk, gevestigd worden op naam van de overnemende vennootschap of de verkrijgende vennootschappen, zelfs op een tijdstip waarop de overgenomen of gesplitste vennootschap als rechtspersoon niet langer bestaat. Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3250\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.2.5.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de berekening van de belastingen en de wijze waarop ze afgerond worden</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3. - Aanslagprocedure Afdeling 1. - Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3310\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.3.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De belastingplichtige moet vóór de ingebruikname van het voertuig, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, een aangifte onderschrijven die alle gegevens bevat die nodig zijn om de belasting te berekenen en voor het toezicht erop Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die ingediend is voor een jaar, geldig voor de volgende jaren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Zolang er geen aangifte is gedaan van de verandering betreffende het houden van het voertuig, is de vroegere houder aansprakelijk voor de belasting, behalve in geval van verhaal op de verkrijger.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.3.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor de toepassing van titel 2, hoofdstuk 2 en 3, kan behalve in geval van wettige redenen de belastingplichtige die zijn voertuig niet inschrijft bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, die niet tijdig inlichtingen verstrekt conform artikel 3.13.1.2.3, die geen aangifte doet of die op de aangifte onjuiste gegevens over het voertuig vermeldt, door het bevoegde personeelslid van ambtswege aangeslagen worden, behoudens zijn recht om bezwaar in te dienen Als de belastingplichtige de gevraagde belastbare elementen niet verstrekt, wordt de ambtshalve aanslag forfaitair vastgesteld op 1.250 euro per aanslagjaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, artikel 2.2.7.0.2, § 3 en § 4, en artikel 3.4.7.0.3 kan bij een ambtshalve gevestigde aanslag voor het desbetreffende aanslagjaar geen terugbetaling meer gedaan worden op basis van een afwijkende aangifte, een inschrijving bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of een kennisgeving van belastbare elementen door de belastingplichtige met betrekking tot hetzelfde voertuig. De afwijkende aangifte, de inschrijving bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of de kennisgeving van belastbare elementen door de belastingplichtige heeft pas uitwerking vanaf het volgende aanslagjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die voor een jaar is ingediend, of de gevestigde ambtshalve aanslag geldig voor de volgende jaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.3.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Met toepassing van titel 2, hoofdstuk 4, moet de belastingplichtige, vooraf bij het bevoegde personeelslid een aangifte onderschrijven die alle gegevens bevat die nodig zijn om de belasting te berekenen en om de belastbare periode vast te stellen Als de belastingplichtige niet uit eigen beweging het eurovignet betaalt, geen aangifte onderschrijft of op de aangifte onjuiste gegevens over het voertuig vermeldt, vestigt het bevoegde personeelslid het eurovignet op grond van de gegevens waarover hij beschikt, behoudens het recht om bezwaar in te dienen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het aldus vastgestelde bedrag van het eurovignet wordt verhoogd met een administratieve boete conform artikel 3.18.0.0.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die voor een jaar is ingediend, of de gevestigde ambtshalve aanslag geldig voor de volgende jaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.3.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Met toepassing van titel 2, hoofdstuk 2 en 4, wordt bij schrapping of wissing uit het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van een trekkend voertuig of van een alleen rijdend voertuig als vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, 1°, en artikel 2.4.1.0.1, door het bevoegde personeelslid ambtshalve overgegaan tot de stopzetting van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.2 en 3.3.1.0.3. Afdeling 2. - Aanslagjaar en belastbaar tijdperk</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3320\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.3.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het aanslagjaar is voor : 1° de onroerende voorheffing het kalenderjaar waarvan de inkomsten de grondslag voor de belasting vormen; 2° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, elk tijdperk van twaalf achtereenvolgende maanden. Het aanslagjaar is het jaar waarin dat tijdperk een aanvang neemt; 3° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, de eerste keer het tijdperk dat gelijk is aan het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik is genomen op de openbare weg, en 31 december van hetzelfde jaar. Vervolgens wordt het aanslagjaar gevormd door een tijdperk van twaalf maanden dat aanvangt op 1 januari van elk volgend kalenderjaar, en het is het jaar waarin de voormelde tijdperken een aanvang nemen; 4° de belasting op de inverkeerstelling het jaar waarin de belasting verschuldigd is.Het begint op de eerste dag van de maand waarin de belasting verschuldigd is; 5° het eurovignet het jaar waarin de belasting verschuldigd is.Het begint op de dag waarop het voertuig, naargelang het geval, op het wegennet, aangeduid door de Koning, of op de openbare weg rijdt; 6° de verkrottingsheffing woningen en gebouwen het jaar waarin de belasting verschuldigd is met toepassing van artikel 2.5.2.0.1, eerste lid; 7° de leegstandsheffing bedrijfsruimten het kalenderjaar dat volgt op elke derde opeenvolgende registratie in de inventaris, waarin de belasting kan worden ingevoerd Het belastbare tijdperk is voor : 1° de toepassing van de onroerende voorheffing gelijk aan het aanslagjaar; 2° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, gelijk aan elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden, waarvan de eerste ingaat de eerste dag van de maand waarin het voertuig in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid is ingeschreven of moet worden ingeschreven; 3° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, voor de eerste keer gelijk aan het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik is genomen op de openbare weg, en 31 december van hetzelfde jaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is het gelijk aan elke periode van twaalf maanden die aanvangt op 1 januari van elk volgend kalenderjaar; 4° het eurovignet voor de voertuigen die in België ingeschreven zijn of ingeschreven moeten zijn, gelijk aan de opeenvolgende tijdvakken van twaalf achtereenvolgende maanden, waarvan het eerste tijdvak ingaat op de dag waarop het voertuig, vermeld in artikel 2.4.1.0.1, op de openbare weg rijdt; 5° de verkrottingsheffing woningen en gebouwen gelijk aan de opeenvolgende periodes van twaalf maanden die volgen op de inventarisatiedatum, vermeld in artikel 24, 7°, van het decreet van 22 december 1995. Afdeling 3. - Aanslagtermijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3330\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.3.3.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>§ 1. Voor de onroerende voorheffing mag de belasting of de aanvullende belasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de belasting is verschuldigd Die termijn wordt met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. § 2. Voor de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet kan de belasting of de aanvullende belasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de eerste dag van het aanslagjaar waarvoor ze verschuldigd is. § 3. Voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten moet de belasting geheven worden vóór 31 december van het aanslagjaar. § 4. Voor de verkrottingsheffing woningen en gebouwen kan de belasting worden geheven vanaf het ogenblik waarop de periode van twaalf maanden, vermeld in artikel 2.5.7.0.1, eerste lid, verstreken is, tot uiterlijk de laatste dag van het kwartaal dat daarop volgt.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het geval, vermeld in artikel 2.5.7.0.1, tweede lid, kan de belasting worden geheven tot uiterlijk de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het verstrijken van de nieuwe periode van twaalf maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er in een aanslagjaar verschillende verjaardagen zijn ten gevolge van opname van het gebouw en/of de woning op verschillende inventarislijsten, kan de belasting worden geheven vanaf de datum van de laatste verjaardag tot uiterlijk de laatste dag van het daaropvolgende kwartaal. § 5. Als de belastingschuldige binnen de termijn of datum, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, conform artikel 3.5.2.0.1, 3.5.2.0.2, 3.5.2.0.4 en 3.5.3.0.1 tot en met 3.5.3.0.3, een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt die termijn of datum verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en de datum van de beslissing van het bevoegde personeelslid, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen. § 6. Met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 3.18.0.0.3, zijn de aanslagtermijnen, vermeld in dit artikel, ook van toepassing op de belastingverhogingen en de administratieve geldboetes.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.3.3.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De belasting en de opcentiemen mogen worden geheven, zelfs nadat de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 1, is verstreken, als bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat de belastingplichtige nagelaten heeft aangifte te doen met toepassing van artikel 473 van het federale WIB 92 In het geval, vermeld in het eerste lid, moeten de belasting en de opcentiemen worden geheven binnen twaalf maanden vanaf de datum waarop de inbreuk, vermeld in het eerste lid, is vastgesteld. Afdeling 4. - Aanslagbiljet</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3340\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.3.4.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het aanslagbiljet vermeldt : 1° de verzendingsdatum;2° de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier;3° het kohierartikel;4° het aanslagjaar;5° de grondslag van de belasting;6° het te betalen bedrag;7° de uiterste betaaldatum;8° de termijn waarin de belastingschuldige bezwaar kan indienen, de benaming en het adres van de entiteit van de Vlaamse administratie die bevoegd is om het bezwaar te ontvangen, en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd. Afdeling 5. - Verzending</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3350\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.3.5.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. De aanslagbiljetten worden in gesloten omslag aan de belastingschuldigen toegezonden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie voor een bepaalde belasting het daarvoor vereiste elektronische platform ter beschikking stelt, kunnen de belastingschuldigen er evenwel voor opteren om de aanslagbiljetten voor die belasting te ontvangen door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt. De aanbieding via een dergelijke procedure geldt als rechtsgeldige kennisgeving van het aanslagbiljet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.3.5.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als artikel 2.5.7.0.2 of 2.5.7.0.3 van toepassing is, moet het aanslagbiljet om geldig te zijn, verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat volgt op de einddatum van de periode van opschorting Het eerste lid geldt voor de aanslagbiljetten die vanaf 5 augustus 2004 verstuurd worden.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4. - Betalingen Afdeling 1. - Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3410\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.1.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. De Vlaamse Regering kan bepalen aan wie de belastingen betaald moeten worden. Afdeling 2. - Betaaltermijn</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3420\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De belasting moet uiterlijk binnen een termijn van twee maanden vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet aan de belastingplichtige, betaald worden op de rekening van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de belastingplichtige is bezorgd, moet de belasting worden betaald binnen twee maanden na de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 3.4.2.0.1 moet het eurovignet uit eigen beweging bij het bevoegde personeelslid worden betaald vóór het begin van ieder belastbaar tijdperk</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het indienen van een bezwaar, een aanvraag tot ambtshalve ontheffing, een vordering in rechte of een verzoek om spreiding van betaling schort de verplichting tot betaling van de belastingen en toebehoren niet op</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van artikel 3.4.2.0.1 moeten alle belastingen en toebehoren onverwijld worden betaald als de rechten van het Vlaamse Gewest in het gedrang komen. Als de belastingschuldige betwist dat de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar verkeren, wordt er over de betwisting uitspraak gedaan, zoals in kort geding, door de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd. Afdeling 3. - Wijze van betaling</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3430\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.3.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de wijze van betaling van de belastingen. Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3440\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.4.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de vermeldingen op het betaalformulier. Afdeling 5. - Bewijs van betaling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3450\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.5.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor het bewijs van betaling. Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3460\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.6.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de datum waarop de betaling uitwerking heeft. Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">aanzuivering Art. 3.4.7.0.1. § 1. De belastingschuldige die een of meer belastingen en toebehoren te betalen heeft, moet bij elke betaling vermelden wat hij wil vereffenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een dergelijke vermelding ontbreekt, worden de betalingen aangerekend naar keuze van het bevoegde personeelslid, met behoud van de toepassing van paragraaf 2. Dat geldt ook als een som wordt aangewend met toepassing van artikel 3.4.7.0.2. § 2. Betalingen, teruggaven en moratoriuminteresten worden per afzonderlijke aanslag in de volgende volgorde aangerekend : 1° op de kosten van alle aard, ook als ze op verschillende aanslagen betrekking hebben;2° op de nalatigheidsinteresten;3° op de administratieve geldboetes en belastingverhogingen;4° op de verschuldigde belasting en de opcentiemen of de opdeciem. Art. 3.4.7.0.2. § 1. De bepalingen van boek III, titel III, hoofdstuk V, afdeling IV, van het Burgerlijk Wetboek zijn inzake de belastingen, vermeld in deze codex, niet van toepassing. § 2. Elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven of betaald, hetzij in het kader van de toepassing van deze codex, hetzij krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan naar keuze en zonder formaliteit door het bevoegde personeelslid worden aangewend ter betaling van de door hem verschuldigde bedragen bij de toepassing van deze codex of ter voldoening van de niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning en invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden verzekerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure. § 3. De aanwending met toepassing van paragraaf 2 kan voor betwiste aanslagen verricht worden als bewarende maatregel als vermeld in artikel 3.10.4.6.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3470\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.7.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Als een voertuig in de loop van een aanslagjaar wordt afgevoerd van het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of een vrijstelling geniet, wordt de betaalde verkeersbelasting teruggegeven in verhouding tot de niet-verstreken maanden of, in dezelfde mate, aangerekend op de belasting die door de belastingschuldige voor een ander voertuig is verschuldigd</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.7.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het eurovignet wordt terugbetaald voor de nog niet aangevangen volledige maanden van het tijdvak waarvoor het eurovignet is betaald, na aftrek van een bedrag van vijfentwintig euro voor administratiekosten In geval van vervanging van een voertuig onder hetzelfde inschrijvingsnummer wordt het eurovignet voor een jaar in mindering gebracht voor de volledige maanden die nog niet aangevangen zijn van de periode waarvoor het eurovignet voor een jaar door de belastingplichtige verschuldigd is voor het vervangende voertuig, na aftrek van een bedrag van vijfentwintig euro voor administratiekosten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.7.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>§ 1. Voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.4.7.0.1, tweede lid, wordt op aanvraag van de belastingschuldige een evenredige teruggave van het eurovignet verleend voor de periodes van inactiviteit van het voertuig tijdens de belastbare periode Het bedrag, vermeld in het eerste lid, is gelijk aan een of twee twaalfde van het jaarbedrag naargelang de periodes van inactiviteit respectievelijk minstens dertig of zestig dagen bedragen. Het terug te geven bedrag wordt verminderd met een bedrag van vijfentwintig euro voor administratiekosten.</div>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag, vermeld in het eerste lid, moet worden ingediend bij het bevoegde personeelslid op zijn vroegst de laatste dag van de belastbare periode en uiterlijk drie maanden na de laatste dag van de belastbare periode op straffe van verval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de inactiviteit van het voertuig, vermeld in het eerste lid, moet worden bewezen bij de aanvraag tot gedeeltelijke teruggave van het jaarbedrag dat verschuldigd is voor het eurovignet. § 2. Als voor het eurovignet een van de verdragsluitende partijen beslist om de belasting van het gebruiksrecht te beëindigen en een tolheffing in te voeren, waardoor het gemeenschappelijke belastbare grondgebied inzake het gebruiksrecht wordt gewijzigd, kunnen de voertuigen, vermeld in artikel 2.4.7.0.1, tweede lid, een evenredige teruggave van het eurovignet verkrijgen voor de periodes van gebruik tijdens de belastbare periode van het wegennet waarop dat tolgeld geheven wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag, vermeld in het eerste lid, moet worden ingediend bij het bevoegde personeelslid op zijn vroegst de laatste dag van de belastbare periode en uiterlijk drie maanden na de laatste dag van de belastbare periode op straffe van verval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag, vermeld in het eerste lid, is gelijk aan een of twee twaalfde van het jaarbedrag naargelang de periodes van gebruik van het voormelde wegennet waarop tolgeld wordt geheven, respectievelijk minstens dertig of zestig dagen bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het terug te geven bedrag wordt verminderd met een bedrag van vijfentwintig euro voor administratiekosten als die maatregel niet cumulatief wordt toegepast met de maatregel, vermeld in paragraaf 1. Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3480\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.4.8.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. § 1. De belastingschuldige kan verzoeken om spreiding van betaling van de belastingen en toebehoren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek tot spreiding van betaling, vermeld in het eerste lid, moet worden gemotiveerd en moet bewijskrachtige elementen bevatten met betrekking tot de financiële toestand van de verzoeker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegde personeelslid kan het verzoek inwilligen. § 2. In afwijking van paragraaf 1 geldt voor het eurovignet de volgende regeling : de belastingschuldigen die er telkens schriftelijk en gemotiveerd om verzoeken vóór de aanvang van het belastbare tijdperk, mogen het jaarbedrag van de belasting betalen in vier stortingen per achtereenvolgende periode van drie opeenvolgende maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de eerste drie stortingen wordt het verschuldigde bedrag berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.4.4.0.1, tweede lid. De vierde storting is gelijk aan het verschil tussen het bedrag dat al betaald is voor het belastbare tijdperk, en het tarief, vermeld in artikel 2.4.4.0.1, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bepaalt de toepassingsvoorwaarden van deze paragraaf in geval van schrapping, wijziging of vervanging van het belastbare voertuig.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. - Bezwaar Afdeling 1. - Ontvangstmelding</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3510\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Aan de indieners van de bezwaarschriften en de aanvragen tot ambtshalve ontheffing wordt een ontvangstmelding bezorgd die de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt. Afdeling 2. - Bezwaartermijn</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3520\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden na de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de belastingplichtige is bezorgd, vangt de termijn aan vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Zolang er geen beslissing is gevallen, mag de belastingschuldige zijn oorspronkelijke bezwaarschrift aanvullen met nieuwe, schriftelijk geformuleerde bezwaren, zelfs als die buiten de termijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, worden ingediend</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Als een aanvullende aanslag voor een bepaald aanslagjaar gevestigd wordt met toepassing van artikel 3.3.3.0.1 en de nieuwe aanslag op naam van dezelfde belastingplichtige voor een of meer aanslagjaren een door de aanvullende belasting veroorzaakte overmatige belasting doet ontstaan, kan de belastingschuldige binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat, een bezwaarschrift indienen tegen de voormelde overmatige belasting In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de belastingplichtige is bezorgd, vangt de termijn aan vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Vanaf het aanslagjaar 2008 kan de termijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, niet verstrijken voor 31 maart van het jaar dat volgt op het aanslagjaar, als met het bezwaarschrift de vermindering met toepassing van artikel 2.1.5.0.2, § 1, 3°, wordt ingeroepen</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De termijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, is voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten ook van toepassing in geval van opschorting van de belasting als vermeld in artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1, 2.6.7.5.1 en 2.6.7.6.1. De persoon op naam van wie de belasting in het kohier is ingeschreven, kan echter alsnog om ontheffing verzoeken op basis van middelen die geen betrekking hebben op de vestiging van de belasting zelf en op basis van feiten die zich hebben afgespeeld gedurende de opschorting van de belasting en waarvan die persoon in het kader van de procedure, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, geen kennis kon hebben Het verzoek, vermeld in het eerste lid, moet op straffe van verval bij het bevoegde personeelslid schriftelijk ingediend worden binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de datum waarop de opschorting vervalt. Afdeling 3. - Natuurlijke personen en rechtspersonen die bezwaar kunnen indienen en de wijze waarop ze bezwaar kunnen indienen Art. 3.5.3.0.1. De belastingschuldige kan tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen en de opdeciem, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar indienen bij de bevoegde personeelsleden.</div>\n<p class=\"lf-p\">De bezwaarindiener voegt bij het bezwaarschrift de nodige bewijskrachtige stukken om zijn bezwaar te staven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3530\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.3.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De belastingschuldige die om om het even welke vrijstelling of vermindering verzoekt, kan er alleen het voordeel van verkrijgen of behouden als hij zijn recht op die vrijstelling of vermindering bewijst</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.3.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De bepalingen van artikel 3.5.2.0.1, 3.5.2.0.2 en 3.5.3.0.1 zijn ook van toepassing op aanvragen tot kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing in de gevallen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1 en 2.1.5.0.2</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.3.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Als de belastingschuldige een bezwaar kon indienen met toepassing van artikel 32 van het decreet van 22 december 1995, of beroep kon aantekenen met toepassing van artikel 34bis van het voormelde decreet, of beroep kon aantekenen met toepassing van artikel 7 van het decreet van 19 april 1995, kan hij bij zijn bezwaar tegen de belasting de opname in de inventaris niet meer betwisten. Afdeling 4. - Onderzoeksbevoegdheden</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3540\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.4.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Om de behandeling van het bezwaarschrift te verzekeren beschikt elk bevoegde personeelslid over de bewijsmiddelen en de bevoegdheden die aan de administratie verleend zijn met toepassing van artikel 3.13.1.1.1, 3.13.1.1.2, 3.13.1.1.3, 3.13.1.2.1 tot en met 3.13.1.2.5, 3.13.1.3.1 tot en met 3.13.1.3.6, 3.13.1.4.1, 3.13.1.4.2, 3.17.0.0.1 en 3.19.0.0.1 Bovendien kan hij, in het kader van dat bezwaarschrift, van de kredietinstellingen die onderworpen zijn aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, alle inlichtingen vorderen waarvan ze kennis hebben en die nuttig kunnen zijn.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.4.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Op verzoek van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie zal er een protocol over de advisering bij de behandeling van ingediende bezwaren worden gesloten met de andere entiteiten van de Vlaamse administratie die bevoegd zijn voor een van de gegevens die noodzakelijk zijn om de belastingen, vermeld in deze codex, te bepalen. Afdeling 5. - Behandeltijd</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3550\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.5.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik. Afdeling 6. - Beslissingswijze voor bezwaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3560\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.6.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het bevoegde personeelslid doet, als administratieve overheid, uitspraak bij een met redenen omklede beslissing over de bezwaren die aangevoerd worden door de belastingschuldige Het is het personeelslid, vermeld in het eerste lid, niet toegelaten bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld. Afdeling 7. - Collectieve beslissing</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3570\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.7.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik. Afdeling 8. - Hoorzitting</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3580\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.8.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Als de bezwaarindiener dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal hij worden uitgenodigd om gehoord te worden voor de bezwaarbeslissing wordt genomen. Afdeling 9. - Kennisgeving</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3590\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.9.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld en ze vermeldt de wijze waarop ertegen in rechte kan worden getreden. De beslissing is onherroepelijk als geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de termijn, vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek Hoofdstuk 6. - Ambtshalve ontheffing Art. 3.6.0.0.1. Het bevoegde personeelslid verleent ambtshalve ontheffing van de overmatige belastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsook van die welke blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen en op voorwaarde dat : 1° die overmatige belastingen door de administratie zijn vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie zijn bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd;2° de aanslag nog niet het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing over de grond. Een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van jurisprudentie wordt niet beschouwd als nieuw gegeven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegde personeelslid verleent ook ambtshalve ontheffing van de verminderingen en vrijstellingen met toepassing van artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 1° en 2°, en artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1° tot en met 3°, en § 2, eerste lid, 1° tot en met 3°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 1°, 2° en 4°, als het feit dat aanleiding geeft tot die verminderingen of vrijstellingen, door de administratie is vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie is bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarop die verminderingen moeten worden verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3600\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.6.0.0</span><span class=\"lf-art-t\">2. Het bevoegde personeelslid doet bij met redenen omklede beslissing uitspraak over het verzoek dat ingediend is door de belastingschuldige</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.6.0.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld en ze vermeldt de wijze waarop ertegen in rechte kan worden getreden. De beslissing is onherroepelijk als geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de termijn, vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek Hoofdstuk 7. - Nietigverklaring Art. 3.7.0.0.1. Een aanslag kan door het bevoegde personeelslid nietig verklaard worden omdat hij niet is gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd. Die termijn is niet van toepassing als de aanslag nietig is verklaard vanwege een regel over de verjaring.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3700\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.7.0.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>§ 1. Als een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet is gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel over de verjaring, kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, zelfs als de termijn om de aanslag te vestigen al verlopen is, op naam van dezelfde belastingplichtige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van het bevoegde personeelslid niet meer voor de rechter kan worden gebracht. § 2. Als tegen een beslissing van het bevoegde personeelslid een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, blijft de zaak gedurende een termijn van zes maanden vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van dezelfde belastingelementen als in de initiële aanslag of op grond van een deel van die belastingelementen Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie binnen de termijn van zes maanden een subsidiaire aanslag aan de rechter voorlegt, beginnen, in afwijking van het eerste lid, de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen, te lopen vanaf de betekening van de rechterlijke beslissing over de subsidiaire aanslag.</div>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiaire aanslag is alleen invorderbaar of terugbetaalbaar ter uitvoering van de rechterlijke beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidiaire aanslag gevestigd wordt voor een met toepassing van paragraaf 3 gelijkgestelde belastingplichtige, wordt die aanslag aan de rechter onderworpen door een aan de gelijkgestelde belastingschuldige betekend verzoekschrift met dagvaarding om te verschijnen. § 3. De volgende personen worden gelijkgesteld met dezelfde belastingplichtige : 1° de erfgenamen van de belastingplichtige;2° zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende en de huwgemeenschap;3° de overnemende of de verkrijgende vennootschappen, naargelang het geval. Hoofdstuk 8. - Gerechtelijk beroep Art. 3.8.0.0.1. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsook het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3800\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.8.0.0</span><span class=\"lf-art-t\">2. Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.8.0.0</span><span class=\"lf-art-t\">3. Inzake de geschillen over de toepassing van deze codex kan het bevoegde personeelslid in naam van het Vlaamse Gewest verschijnen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9. - Interesten Afdeling 1. - Nalatigheidsinteresten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3910\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.9.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>§ 1. Bij wanbetaling binnen de termijnen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Vlaamse Gewest, voor de duur van het verwijl, een interest van 7 % op jaarbasis op, berekend per kalendermaand Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt.</div>\n<p class=\"lf-p\">De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd als hij geen vijf euro per maand bedraagt. § 2. Als de kennisgeving van de beslissing, vermeld in artikel 3.5.6.0.1, eerste lid, niet plaatsvindt binnen zes maanden na de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift, is de nalatigheidsinterest, vermeld in paragraaf 1, niet verschuldigd voor het betwiste gedeelte van de aanslag gedurende het tijdperk dat begint op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de termijn van zes maanden verstrijkt en dat afloopt op het einde van de maand waarin een vordering conform artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld en, bij ontstentenis van een dergelijke vordering, op het einde van de maand waarin de voormelde beslissing is meegedeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.9.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In bijzondere gevallen mag het bevoegde personeelslid, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of voor een deel ervan. Afdeling 2. - Moratoriuminteresten</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3920\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.9.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten wordt moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet van 7 % op jaarbasis, berekend per kalendermaand Die interest wordt per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro. De maand waarin de betaling is uitgevoerd, wordt niet meegerekend, maar de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som ter beschikking is, wordt voor een hele maand geteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen moratoriuminterest toegekend : 1° als de moratoriuminterest minder dan vijf euro per maand bedraagt;2° als de terugbetaling voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een administratieve geldboete of een belastingverhoging die toegekend is als genademaatregel. Hoofdstuk 10. - Invordering Afdeling 1. - Herinnering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31010\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.1.0</span><span class=\"lf-art-t\">1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik. Afdeling 2. - Laatste herinnering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31020\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het bevoegde personeelslid moet een herinneringsbrief sturen ten minste één maand voor de gerechtsdeurwaarder een bevel tot betaling opstelt, behalve als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar zijn. Afdeling 3. - Vervolging Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 3.10.3.1.1. § 1. De belasting die wordt ingekohierd op naam van één natuurlijke persoon of rechtspersoon, kan ten laste van die persoon worden ingevorderd. § 2. De onroerende voorheffing die wordt ingekohierd op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen kan, behalve in geval van andersluidende wetsbepalingen, slechts ten laste van elk van hen worden ingevorderd voor het gedeelte dat verband houdt met hun aandeel in het onroerend goed. Het kohier is uitvoerbaar tegen elk van hen in de mate dat de aanslag ten laste van die natuurlijke personen of rechtspersonen kan worden ingevorderd op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.</div>\n<p class=\"lf-p\">De verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling, het eurovignet, de leegstandsheffing bedrijfsruimten, de verkrottingsheffing woningen en gebouwen of de heffing vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, die ingekohierd is op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen, kan, behalve in geval van andersluidende bepalingen in deze codex, ten laste van elk van hen worden ingevorderd. De belastingschuldigen zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting. § 3. Het kohier is uitvoerbaar tegen de personen die er niet in zijn opgenomen als ze gehouden zijn tot de betaling van de belastingschuld op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging Art. 3.10.3.2.1. Als de belastingen en toebehoren niet voldaan worden, kunnen de bevoegde personeelsleden een dwangschrift uitvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van dat dwangschrift kan via gerechtsdeurwaardersexploot een dwangbevel betekend worden tot betaling binnen vierentwintig uur, op straffe van tenuitvoerlegging door beslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het dwangbevel wordt verwezen naar het dwangschrift en het kohieruittreksel die samen met het dwangbevel worden betekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve in geval van andersluidende bepalingen zijn op het dwangbevel de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeeltelijke betalingen die verricht zijn ingevolge de betekening van een dwangbevel, verhinderen de voortzetting van de vervolgingen niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de belastingschuldige bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de rechtstreekse vervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging Art. 3.10.3.3.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de onrechtstreekse vervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten Art. 3.10.3.4.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de vervolgingskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen Art. 3.10.3.5.1. De Vlaamse Regering kan bepalen welke personen belast zijn met vervolging en welke regels ze moeten naleven. Afdeling 4. - Bijzondere gevallen Onderafdeling 1. - Invordering bij echtgenoten of ex-echtgenoten en bij wettelijk samenwonenden of ex-wettelijksamenwonenden Art. 3.10.4.1.1. Met behoud van de toepassing van artikel 3.10.4.1.2, mag de invordering van een belasting die is ingekohierd op naam van de ene echtgenoot of wettelijk samenwonende, worden vervolgd ten laste van de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende op voorwaarde dat aan de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende een exemplaar van het aanslagbiljet is toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verzending van het aanslagbiljet begint voor de geadresseerde de termijn voor bezwaar, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2, te lopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31041\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.4.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>§ 1. De belasting mag, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel of ongeacht de notariële overeenkomst waarin de wettelijke samenwoning is geregeld, op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten of op al de eigen en de onverdeelde goederen van beide wettelijk samenwonenden worden verhaald De belasting die verschuldigd is door de ene echtgenoot of wettelijk samenwonende, mag evenwel niet op de eigen goederen van de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende worden verhaald als die laatste een van de volgende feiten aantoont : 1° hij bezat die goederen vóór het huwelijk of vóór het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning;2° de goederen komen voort van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende;3° hij heeft die goederen verkregen door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;4° het gaat om inkomsten die hem krachtens het burgerlijk recht eigen zijn of om goederen die hij met die inkomsten heeft verworven. § 2.</div>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van paragraaf 1 kunnen, in geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten of wettelijk samenwonenden, de belastingen die ontstaan zijn meer dan twee jaar na de datum van de feitelijke scheiding, niet meer worden ingevorderd op het inkomen van de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende of op de goederen die de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende met dat inkomen heeft verworven. § 3. Na de ontbinding van het huwelijk of de beëindiging van de wettelijke samenwoning, vermeld in artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen de belastingen die ontstaan zijn vóór die ontbinding of beëindiging, worden ingevorderd op de goederen van de beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden, op de wijze, vermeld in paragraaf 1 en 2. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 is niet van toepassing op belastingen die ontstaan zijn vóór het huwelijk en vóór het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning. § 5. Voor de onroerende voorheffing, de leegstandsheffing bedrijfsruimten, de verkrottingsheffing woningen en gebouwen en de heffing vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, die betrekking hebben op een goed in de gemeenschap, is alleen paragraaf 1, eerste lid, van toepassing. § 6. Gelet op de hoofdelijkheid overeenkomstig artikel 3.10.3.1.1, § 2, tweede lid, is dit artikel niet van toepassing op de leegstandsheffing bedrijfsruimten, de verkrottingsheffing woningen en gebouwen en de heffing vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, als die belasting ingekohierd is op naam van beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden en het belaste goed geen deel uitmaakt van de gemeenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Invordering bij vennootschappen Art. 3.10.4.2.1. De invordering van de belasting die gevestigd is op naam van de vennoten of leden van de burgerlijke vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, kan rechtstreeks ten laste van de burgerlijke vennootschap of vereniging worden vervolgd als die belasting proportioneel overeenstemt met het aandeel van de vennoten of leden in de niet-uitgekeerde winst of baten van die vennootschappen of verenigingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31042\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.4.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De invordering van de belasting van een met toepassing van artikel 673 tot en met 675 van het Wetboek van vennootschappen of van een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht gesplitste vennootschap die gevestigd is op naam van de verkrijgende vennootschappen, kan, behalve in geval van afwijkende vermeldingen in de akte die de verrichting vaststelt, worden verricht op naam van iedere verkrijgende vennootschap. Elke verkrijgende vennootschap is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting Onderafdeling 3. - Invordering bij erfgenamen Art. 3.10.4.3.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Invordering bij andere personen die gehouden zijn tot betaling van de schuld Art. 3.10.4.4.1. De administratie of de instelling die belast is met het beheer van een goed van de staat, van een gemeenschap of van een gewest, is verantwoordelijk voor de betaling van de belastingen die op dat goed betrekking hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31044\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.4.4</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Zolang een eigendom niet is overgeschreven in de stukken van het kadaster, zijn de vroegere eigenaar of zijn erfgenamen, tenzij ze bewijzen dat de belastbare goederen op een andere eigenaar zijn overgegaan en dat ze de identiteit en het volledige adres van de nieuwe eigenaar laten kennen, aansprakelijk voor de betaling van de onroerende voorheffing, behoudens hun verhaal op de nieuwe eigenaar In geval van overlegging van het bewijsstuk, vermeld in het eerste lid, mag de invordering van de onroerende voorheffing, ingekohierd op naam van de vroegere eigenaar van een onroerend goed dat van titularis is veranderd, krachtens hetzelfde kohier worden voortgezet ten laste van de werkelijke schuldenaar van de belasting. De belastingschuldige ontvangt een nieuw exemplaar van het aanslagbiljet met de vermelding dat het krachtens deze bepaling is uitgereikt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 5. - Invordering van het eurovignet bij andere belastingschuldigen dan de eigenaar Art. 3.10.4.5.1. In geval van niet-betaling door de eigenaar zijn de ondernemer, de houder of de bestuurder van het voertuig hoofdelijk gehouden tot betaling van het eurovignet, onder voorbehoud van hun verhaal tegen de eigenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 6. - Invordering van betwiste belastingen Art. 3.10.4.6.1. In geval van bezwaar, van een aanvraag tot ontheffing als vermeld in artikel 3.6.0.0.1 of in geval van een vordering in rechte, kan de gedwongen invordering van de betwiste belastingen en toebehoren opgeschort worden totdat de beroepstermijn tegen de administratieve beslissing verstreken is of de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van bezwaar, van een aanvraag tot ontheffing als vermeld in artikel 3.6.0.0.1, of in geval van een vordering in rechte kunnen de betwiste belastingen en toebehoren voor het geheel het voorwerp zijn van bewarende beslagen of van alle andere maatregelen die ertoe strekken de invordering te waarborgen. Afdeling 5. - Zekerheden Onderafdeling 1. - Waarborg Art. 3.10.5.1.1. § 1. Het bevoegde personeelslid kan een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling eisen van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die onderworpen is aan een van de belastingen, vermeld in titel 2, als de venale waarde van zijn goederen in België die het pand van het Vlaamse Gewest vormen, na aftrek van de schulden en lasten die ze bezwaren, ontoereikend is om het bedrag te dekken dat vermoedelijk voor één jaar verschuldigd zal zijn krachtens deze codex.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bepaalt de gegevens die als grondslag dienen voor de bepaling van de bedragen van de zakelijke zekerheid en van de verbintenis van de persoonlijke borg, alsook de voorwaarden en de procedure van vaststelling. § 2. Binnen een maand na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, kan de belastingschuldige een verhaal inleiden voor de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtspleging verloopt zoals in kort geding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31051\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.5.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het stellen van een zakelijke zekerheid of van een persoonlijke borg als vermeld in artikel 3.10.5.1.1, § 1, moet gebeuren binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing van het bevoegde personeelslid of na de datum waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan Onderafdeling 2. - Voorrecht Art. 3.10.5.2.1. Voor de invordering van de belastingen en toebehoren heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige, met uitzondering van schepen en vaartuigen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het voorrecht bezwaart ook de inkomsten en de roerende goederen van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende in de mate dat de invordering van de aanslagen kan worden vervolgd op de bewuste inkomsten en goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31052\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.5.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het voorrecht, vermeld in artikel 3.10.5.2.1, neemt de rang in onmiddellijk na het voorrecht, vermeld in artikel 19, 5°, van de Hypotheekwet van 16 december 1851 De aanwending bij voorrang, vermeld in artikel 19 in fine van de Hypotheekwet van 16 december 1851, is van toepassing op de belastingen, vermeld in deze codex.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Wettelijke hypotheek Art. 3.10.5.3.1. De belastingen en toebehoren zijn gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op al de goederen in België die toebehoren aan de belastingschuldige en die vatbaar zijn daarvoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hypotheek bezwaart ook de goederen van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende in de mate dat de invordering van de aanslagen op de vermelde goederen vervolgd mag worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31053\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">2. De wettelijke hypotheek schaadt geenszins de vorige voorrechten en hypotheken. Ze neemt pas rang in vanaf haar inschrijving</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">3. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van het bevoegde personeelslid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behalve als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar verkeren en met behoud van de toepassing van artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.10, mag de inschrijving pas gevorderd worden vanaf de vervaldag van de gewaarborgde belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 19 van de Faillissements wet van 8 augustus 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/08/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/02/1998 numac 1997015266 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag en de andere Staten die toetreden tot het Partnerschap voor de Vrede inzake het statuut van hun strijdkrachten en met het Protocol, gedaan te Brussel op 19 juni 1995 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/08/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/02/2003 numac 1999015194 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Democratische Volksrepubliek Algerije tot het vermijden van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse bijstand inzake belastingen naar het inkomen en het vermogen, ondertekend te Algiers op 15 december 1991 (2) sluiten is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek voor de belastingen die opgenomen zijn in kohieren die vóór het vonnis van faillietverklaring uitvoerbaar zijn verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.5.3</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De inschrijving vindt plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een door het bevoegde personeelslid voor echt verklaard afschrift van het aanslagbiljet houdende vermelding van de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.5.3</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Met behoud van de toepassing van artikel 87 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 kan de inschrijving worden gevorderd voor een door het bevoegde personeelslid in het borderel te bepalen bedrag dat al de nalatigheidsinteresten en kosten vertegenwoordigt die voor de vereffening van de belasting verschuldigd zouden kunnen zijn</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.5.3</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Het bevoegde personeelslid verleent handlichting in de administratieve vorm zonder dat hij, tegenover de hypotheekbewaarder, ertoe gehouden is verantwoording van de betaling van de verschuldigde sommen te verstrekken</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.5.3</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Als de betrokkenen, voor ze de bedragen betaald hebben die door de wettelijke hypotheek gewaarborgd zijn, alle bezwaarde goederen of een deel ervan willen vrijmaken van de hypotheek, dienen ze daarvoor een verzoek in bij het bevoegde personeelslid. Dat verzoek wordt ingewilligd als het Vlaamse Gewest al voldoende zekerheid bezit, of als die eraan wordt gegeven, voor het bedrag dat verschuldigd is aan het Vlaamse Gewest</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.10.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">8. De kosten van de hypothecaire formaliteiten voor de wettelijke hypotheek zijn ten laste van de belastingschuldige</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 11. - Wederzijdse internationale bijstand Art. 3.11.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 12. - Verplichtingen van derden Afdeling 1. - Notificatieverplichtingen van derden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31210\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De notarissen die een akte moeten opmaken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed, van een schip of een vaartuig tot voorwerp heeft, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en toebehoren die aanleiding kunnen geven tot een hypothecaire inschrijving, als ze de volgende persoon of instantie niet op de hoogte brengen : 1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;2° het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van wie de eigenaar of de vruchtgebruiker van het goed zijn woonplaats of zijn hoofdinrichting heeft en daarenboven, als het om een onroerend goed gaat, het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van wie dat goed ligt, als het bericht niet meegedeeld kan worden op de wijze, vermeld in 1°.In dat geval moet het bericht met een aangetekende brief worden verzonden Als die akte niet verleden wordt binnen drie maanden na de verzending van het bericht, wordt ze als niet bestaand beschouwd. Als het bericht meegedeeld is op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als hetzelfde bericht achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 1°.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag die volgt op de verzending van het bericht, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, wordt door het bevoegde personeelslid aan de notaris kennisgegeven van het bedrag van de belastingen en toebehoren die aanleiding kunnen geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van het Vlaamse Gewest op de goederen die het voorwerp van de akte zijn, op een van de volgende wijzen : 1° door gebruikmaking van informaticatechnieken;2° met een aangetekende brief. Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, is de datum van die kennisgeving de datum van verzending ervan Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 1°.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>§ 1. Als de akte, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, verleden is, geldt de kennisgeving, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, en als verzet tegen de prijs als vermeld in artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek, in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden conform artikel 1639 tot en met 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen Met behoud van de rechten van derden is de notaris ertoe gehouden, als de akte, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, verleden is, behalve in geval van de toepassing van artikel 1639 tot en met 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie te betalen voor het bedrag van de belastingen en toebehoren die hem ter uitvoering van artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en toebehoren niet betwist worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen, verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, moet de notaris daarenboven, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, inlichtingen daarover verstrekken aan : 1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden; 2° het bevoegde personeelslid met een aangetekende brief, als de inlichtingen niet kunnen worden verstrekt op de wijze, vermeld in 1°, of als de notaris voorafgaandelijk het bericht, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, met een aangetekende brief heeft verstuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum van de inlichting is, naargelang het geval, de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, of de datum waarop de aangetekende brief neergelegd wordt bij de post. § 2. Als dezelfde inlichting achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, zal de inlichting, opgesteld conform paragraaf 1, derde lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de inlichting, opgesteld conform paragraaf 1, derde lid, 1°. § 3. Met behoud van de rechten van derden kan de overschrijving of de inschrijving van de akte niet tegen het Vlaamse Gewest ingeroepen worden als de inschrijving van de wettelijke hypotheek plaatsvindt binnen acht werkdagen na de datum van de inlichting, vermeld in paragraaf 1, vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor pas na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, derde lid, beslag wordt gelegd of verzet wordt aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en toebehoren, die ter uitvoering van artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De inschrijvingen, genomen na de termijn, vermeld in artikel 3.12.1.0.3, § 3, eerste lid, of tot zekerheid van belastingen die niet overeenkomstig artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gegeven, kunnen niet worden ingeroepen tegen de hypothecaire schuldeisers, noch tegen de verkrijger die handlichting ervan zal kunnen vorderen</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De aansprakelijkheid door de notaris, opgelopen met toepassing van artikel 3.12.1.0.1 en 3.12.1.0.3, gaat, naargelang het geval, de waarde van het vervreemde goed of het bedrag van de hypothecaire inschrijving, na aftrek van de sommen en waarden waarop in zijn handen beslag onder derden werd gelegd, niet te boven</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>§ 1. De Vlaamse Regering kan voor de berichten en inlichtingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.1 en 3.12.1.0.3, de modellen vaststellen. § 2. De informatie in de berichten, kennisgevingen en inlichtingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.3, is dezelfde, ongeacht of ze worden meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, of met een aangetekende brief Bij de verzending van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in het eerste lid, gericht tot of afkomstig van het bevoegde personeelslid of de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer, vermeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom.</div>\n<p class=\"lf-p\">16/01/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/02/2003 numac 2003011027 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen sluiten tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, als het gaat om een rechtspersoon, en het rijksregisternummer als het gaat om een natuurlijke persoon en van het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. § 3. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.3, moeten, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden verzekerd met aangepaste beveiligingstechnieken. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opdat de kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, op geldige wijze als beslag onder derden zouden gelden als ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een elektronische handtekening dragen, die met een van de volgende technieken wordt aangebracht : 1° creatie van een elektronische handtekening met behulp van een Belgische elektronische identiteitskaart;2° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan een bevoegde personeelslid, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan dat personeelslid, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen; 3° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan die entiteit, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen; 4° creatie van een geavanceerde elektronische handtekening als vermeld in artikel 2, 2°, van de wet van 9 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten sluiten houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten. Ongeacht de toegepaste techniek wordt er gegarandeerd dat alleen de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending, correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld. Die gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.6 zijn van toepassing op elke persoon die bevoegd is om de authenticiteit te verlenen aan de akten, vermeld in artikel 3.12.1.0.1</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de banken, onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de ondernemingen, onderworpen aan het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen, en de hypotheekondernemingen, onderworpen aan de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, gemachtigd het bericht, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, toe te sturen en in staat om de kennisgeving, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, te ontvangen De afgifte door die instellingen van een attest aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg dat daaraan gegeven wordt door de bevoegde personeelsleden, stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de plaats van die van de notaris.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Geen akte die in het buitenland verleden is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed, een schip of een vaartuig tot voorwerp heeft, wordt in België tot overschrijving of inschrijving in de registers van een hypotheekbewaarder toegelaten, als er niet een attest bij gevoegd is van het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van wie het onroerend goed ligt en, in voorkomend geval, van het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van wie de betrokkene zijn woonplaats of zijn hoofdinrichting heeft Het attest, vermeld in het eerste lid, geeft er blijk van dat de eigenaar of de vruchtgebruiker geen belastingen schuldig is of dat de wettelijke hypotheek die de verschuldigde belastingen waarborgt, ingeschreven is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Openbare ambtenaren of ministeriële officieren, belast met de openbare verkoping van roerende goederen waarvan de waarde ten minste 250 euro bedraagt, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en toebehoren die de eigenaar op het ogenblik van de verkoping schuldig is, als ze niet ten minste acht werkdagen vooraf de volgende instanties of personen verwittigen op de volgende wijze : 1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;2° het bevoegde personeelslid van de woonplaats of van de hoofdinrichting van de eigenaar met een aangetekende brief als het bericht niet meegedeeld kan worden op de wijze, vermeld in 1°. Als het bericht meegedeeld is conform het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie Als hetzelfde bericht achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 1°.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Als de verkoping heeft plaatsgevonden, geldt de kennisgeving van het bedrag van de verschuldigde bedragen, die uiterlijk daags vóór de verkoping uitgevoerd wordt door de entiteit, vermeld in artikel 3.12.1.0.10, eerste lid, 1°, of door het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.12.1.0.10, eerste lid, 2°, als beslag onder derden in handen van de openbare ambtenaren of ministeriële officieren als vermeld in artikel 3.12.1.0.10, eerste lid. De kennisgeving gebeurt : 1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt;2° met een aangetekende brief, als de kennisgeving niet op de wijze, vermeld in 1°, kan worden verzonden. Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden conform het eerste lid, 1°, is de datum van de kennisgeving de datum van verzending ervan Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 1°.</div>\n<p class=\"lf-p\">Met behoud van de rechten van derden en behalve in geval van de toepassing van artikel 1627 tot en met 1638 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de openbare ambtenaren of ministeriële officieren gehouden de bedragen en waarden die ze onder zich houden, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op de verkoping, te betalen aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ten bedrage van de belastingen en toebehoren die de openbare ambtenaar of de ministeriële officier ter uitvoering van het eerste lid ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en toebehoren niet betwist worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>De aansprakelijkheid door de openbare ambtenaren en ministeriële officieren, opgelopen met toepassing van artikel 3.12.1.0.10 en 3.12.1.0.11, gaat, naargelang het geval, de waarde van de verkochte goederen, na aftrek van de sommen en waarden waarop in hun handen beslag onder derden werd gelegd, niet te boven</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>§ 1. De Vlaamse Regering kan voor de berichten en inlichtingen, vermeld in het artikel 3.12.1.0.10, de modellen vaststellen. § 2. De informatie in de berichten, kennisgevingen en inlichtingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.10 en 3.12.1.0.11, is dezelfde, ongeacht of ze worden meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, of met een aangetekende brief Bij de verzending van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in het eerste lid, gericht tot of afkomstig van het bevoegde personeelslid of de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer, vermeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom.</div>\n<p class=\"lf-p\">16/01/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/02/2003 numac 2003011027 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen sluiten tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, als het gaat om een rechtspersoon, en aan de hand van het rijksregisternummer als het gaat om een natuurlijke persoon, en aan de hand van het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. § 3. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.10 en 3.12.1.0.11, moeten, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden verzekerd met aangepaste beveiligingstechnieken. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opdat de kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.11, op geldige wijze als beslag onder derden zouden gelden als ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een elektronische handtekening dragen, die met een van de volgende technieken wordt aangebracht : 1° creatie van een elektronische handtekening met behulp van een Belgische elektronische identiteitskaart;2° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan een bevoegde personeelslid, waarbij een certificaat is gevoegd dat uitgereikt is aan dat personeelslid, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen; 3° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, vermeld in artikel 3.12.1.0.11, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan die entiteit, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen; 4° creatie van een geavanceerde elektronische handtekening als vermeld in artikel 2, 2°, van de wet van 9 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten sluiten houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten. Ongeacht de toegepaste techniek wordt er gegarandeerd dat alleen de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending, correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.8 is de overdracht in eigendom of in vruchtgebruik van een geheel van goederen, samengesteld uit onder meer elementen die het behoud van de clientèle mogelijk maken, die voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt of post of een industrieel, handels- of landbouwbedrijf worden aangewend, alsook de vestiging van een vruchtgebruik op dezelfde goederen, pas tegenstelbaar aan de bevoegde personeelsleden na verloop van de maand die volgt op de maand waarin een eensluidend verklaard afschrift van de akte tot overdracht of vestiging ter kennis is gebracht van het bevoegde personeelslid van de woonplaats of van de maatschappelijke zetel van de overdrager. § 2. De overnemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden, verschuldigd door de overdrager na verloop van de termijn, vermeld in paragraaf 1, voor het bedrag dat al door hem is betaald of verstrekt, of voor een bedrag dat overeenstemt met de nominale waarde van de aandelen die in ruil voor de overdracht zijn toegekend vóór de afloop van de voormelde termijn. § 3. Paragraaf 1 en 2 zijn niet van toepassing als de overdrager bij de akte van overdracht een certificaat voegt dat uitsluitend met dat doel is opgemaakt door het personeelslid, vermeld in paragraaf 1, binnen dertig dagen die voorafgaan aan de kennisgeving van de overeenkomst De uitreiking van dat certificaat is afhankelijk van een aanvraag die de overdrager in tweevoud heeft ingediend bij het bevoegde personeelslid van de belastingen van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van de overdrager.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het certificaat wordt geweigerd door het bevoegde personeelslid als de overdrager bedragen verschuldigd blijft als belastingen en toebehoren op de dag van de aanvraag of als de aanvraag is ingediend na de aankondiging van of tijdens een belastingonderzoek of na het verzenden van een verzoek om inlichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het certificaat wordt ofwel uitgereikt ofwel geweigerd binnen een termijn van dertig dagen na de indiening van de vraag van de overdrager. § 4. De overdrachten die worden uitgevoerd door een curator, een gerechtsmandataris, belast met het organiseren en realiseren van een overdracht onder gerechtelijk gezag met toepassing van artikel 60 van de wet van 31 januari 2009Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/01/2009 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/02/2009 numac 2009009047 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/01/2009 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/02/2009 numac 2009015014 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Besluit van de Raad van de Europese Unie van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen sluiten betreffende de continuïteit van de ondernemingen of in geval van fusie, splitsing, inbreng van de algemeenheid van goederen of van een tak van werkzaamheid, verricht overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van dit artikel. § 5. De Vlaamse Regering kan modellen vaststellen voor de aanvraag en het certificaat, vermeld in dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.1.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>Iedere rechtspersoon of natuurlijke persoon die, al dan niet samen met zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende of zijn descendenten, ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad, onrechtstreeks of onmiddellijk minstens 33 % bezit van de aandelen in een binnenlandse vennootschap en die aandelen, of een gedeelte daarvan, voor minstens 75 % overdraagt uiterlijk in een tijdspanne van één jaar, is van rechtswege hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden en toebehoren als het actief van de vennootschap uiterlijk op de dag van de betaling van de prijs van de aandelen voor ten minste 75 % bestaat uit vorderingen, financiële vaste activa, geldbeleggingen of liquide middelen De hoofdelijke aansprakelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen voor de belastingschulden en toebehoren die betrekking hebben op : 1° het aanslagjaar waarin de overdracht van de aandelen plaatsvindt;2° de drie aanslagjaren voorafgaand aan de aanslagjaren waarin de overdracht van de aandelen plaatsvindt. Het eerste lid is niet van toepassing op de overgedragen aandelen van een genoteerde vennootschap of van een onderneming die onder het toezicht staat van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten. Afdeling 2. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31220\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.12.2.0</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Als openbare of private kredietinstellingen of -inrichtingen kredieten, leningen of voorschotten toekennen waarvoor een voordeel is verleend in het kader van de regelgeving inzake economische expansie of waarvoor een dergelijk voordeel is aangevraagd aan de bevoegde overheid, mogen ze de fondsen noch geheel noch gedeeltelijk vrijgeven, tenzij nadat de genieter of aanvrager hun een attest heeft overgelegd dat is uitgereikt door het bevoegde personeelslid en waaruit een van de volgende feiten blijkt : 1° er zijn geen ingekohierde belastingen of toebehoren waarvoor de betalingstermijn verstreken is;2° er is een bepaald bedrag aan ingekohierde belastingen of toebehoren verschuldigd waarvoor de betalingstermijn verstreken is, in welk geval de betaling van de verschuldigde bedragen, in de vorm en binnen de termijnen, bepaald in het attest, het voorwerp moet uitmaken van een bijzonder beding in de beslissing tot toekenning van het voordeel. Hoofdstuk 13. - Onderzoek en controle Afdeling 1. - Administratieve controle Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 3.13.1.1.1. Elk bevoegde personeelslid, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een belasting, vermeld in deze codex, bij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, is van rechtswege gemachtigd alle inlichtingen op te zoeken of in te winnen die de juiste heffing van alle belastingen, vermeld in deze codex, die door deze persoon verschuldigd zijn, kunnen verzekeren.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31311\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Elke inlichting, elk stuk, elk proces-verbaal of elke akte, door een bevoegde personeelslid ontdekt of verkregen bij de uitoefening van zijn functie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een van de diensten, besturen of inrichtingen, vermeld in artikel 3.13.1.4.1, kan door het Vlaamse Gewest worden ingeroepen om elke som op te sporen die met toepassing van de bepalingen van deze codex verschuldigd is</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Met behoud van de toepassing van de bevoegdheden, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de onderzoekingen, vermeld in dit hoofdstuk, verrichten, zelfs als de desbetreffende belastingen al betaald zijn De onderzoekingen, vermeld in het eerste lid, mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht tot uiterlijk het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1.</div>\n<p class=\"lf-p\">De onderzoekingen, vermeld in het eerste lid, mogen bovendien voor de onroerende voorheffing worden verricht gedurende de aanvullende termijn van vier jaar, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 1, op voorwaarde dat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze heeft kennisgegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die voor hem bestaan voor het bedoelde tijdperk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die voorafgaande kennisgeving, vermeld in het derde lid, is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>§ 1. In de gevallen, vermeld in artikel 3.13.1.3.1, § 2, en 3.13.1.4.1, § 3, tweede lid, stelt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de belastingschuldige in kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief, gelijktijdig met het verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen. § 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgt de Vlaamse minister van Financiën eenmaal per jaar een verslag dat onder meer volgende informatie bevat : 1° het aantal keren dat in overeenstemming met artikel 3.13.1.2.5, tweede lid, een onderzoek is gevoerd bij financiële instellingen en gegevens zijn gebruikt met het oog op het belasten van hun cliënten; 2° het aantal keren dat in overeenstemming met artikel 3.13.1.3.1, § 2, en 3.13.1.4.1, § 3, tweede lid, een onderzoek is gevoerd en gegevens zijn opgevraagd bij financiële instellingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit verslag wordt openbaar gemaakt door de Vlaamse minister van Financiën en overgezonden aan het Vlaamse Parlement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Plichten van de belastingplichtige Art. 3.13.1.2.1. Eenieder die onderhevig is aan de belastingen, vermeld in deze codex, is verplicht de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, op haar verzoek, en zonder dat de belastingschuldige zich moet verplaatsen naar de kantoren van de administratie, met het oog op de controle ervan, alle documenten voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn verschuldigde belastingen te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve als ze door het gerecht in beslag genomen zijn, of behalve bij een afwijking, toegestaan door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, moeten de documenten aan de hand waarvan het bedrag van de verschuldigde belastingen kan worden vastgesteld, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden bewaard in het kantoor, agentschap, bijhuis of elk ander beroeps- of privélokaal van de belastingplichtige waar die documenten zijn gehouden, opgesteld of toegezonden, tot het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31312\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De natuurlijke personen en rechtspersonen die een beroep doen op een computersysteem om de documenten waarvan de voorlegging is voorgeschreven met toepassing van artikel 3.13.1.2.1, geheel of ten dele, te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren, zijn ook verplicht, op verzoek van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, ter plaatse, de dossiers over de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook de informatiedragers en alle gegevens die ze bevatten, ter inzage voor te leggen De gegevens die geplaatst zijn op de informatiedragers, moeten in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage worden voorgelegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie hen erom verzoekt, zijn de personen, vermeld in het eerste lid, verplicht met hun materiaal en in het bijzijn van de personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kopieën te maken van het geheel of een deel van de voormelde gegevens in de vorm die de personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie vragen, alsook om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig zijn om het bedrag van de belastingen te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van artikel 3.13.1.2.1, tweede lid, zijn van toepassing op de bewaring van de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook van de gegevens die ze bevatten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Met behoud van het recht van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie tot het vragen van mondelinge inlichtingen is eenieder die onderhevig is aan de belastingen, vermeld in deze codex, verplicht de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, op haar verzoek, binnen een maand vanaf de derde werkdag die volgt op de verzending van de aanvraag, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand. De termijn kan om wettige redenen worden verlengd</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De verificaties en vragen om inlichtingen, vermeld in artikel 3.13.1.2.1, eerste lid, artikel 3.13.1.2.2, eerste tot en met derde lid, en artikel 3.13.1.2.3, mogen slaan op alle verrichtingen waaraan de belastingplichtige heeft deelgenomen. De aldus ingewonnen inlichtingen kunnen ook worden ingeroepen met het oog op het belasten van derden</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>In afwijking van artikel 3.13.1.2.4, en met behoud van de toepassing van artikel 3.13.1.2.1 tot en met 3.13.1.2.3, is de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie niet gemachtigd om in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten Als het onderzoek dat uitgevoerd is met toepassing van artikel 3.13.1.2.1 tot en met 3.13.1.2.3, evenwel concrete elementen aan het licht brengt die het bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden, kan een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, een personeelslid met minstens de graad van directeur ermee belasten uit de rekeningen, boeken en documenten van de instelling inlichtingen putten die het mogelijk maken het onderzoek te voltooien en de belastingen te bepalen die door de cliënt verschuldigd zijn.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Natuurlijke personen of rechtspersonen zijn gehouden aan de bevoegde personeelsleden, voorzien van hun legitimatiebewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek over de toepassing van de belastingen, vermeld in deze codex, tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen of de lokalen waar rechtspersonen hun werkzaamheden uitoefenen, zoals kantoren, fabrieken, werkplaatsen, werkhuizen, magazijnen, bergplaatsen, garages of tot hun terreinen die als werkplaats, werkhuis of opslagplaats van voorraden dienst doen, om aan die personeelsleden de mogelijkheid te verschaffen het bedrag van de verschuldigde belastingen vast te stellen De bevoegde personeelsleden, voorzien van hun legitimatiebewijs, mogen, als ze met dezelfde taak belast zijn, vrije toegang eisen tot alle andere lokalen, gebouwen, werkplaatsen of terreinen die niet bedoeld zijn in het eerste lid, maar waar werkzaamheden verricht of vermoedelijk verricht worden. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben ze evenwel alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en met machtiging van de rechter in de politierechtbank.</div>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden, vermeld in het eerste en het tweede lid, mogen door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de personen, vermeld in artikel 3.13.1.2.2, eerste lid, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door inzonderheid de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de gegevens die op informatiedragers geplaatst zijn, om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De personeelsleden die belast zijn met de invordering, beschikken over alle onderzoeksbevoegdheden, vermeld in deze codex, om de vermogenssituatie van de schuldenaar te bepalen met het oog op de invordering van de belastingen en toebehoren De bevoegdheden van de personeelsleden, belast met de invordering, vermeld in het eerste lid, worden ook uitgeoefend zonder de beperkingen ten aanzien van de instellingen, vermeld in artikel 3.13.1.2.5, 3.13.1.3.1, § 2 tot en met § 5, en artikel 3.13.1.4.1.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Plichten van derden Art. 3.13.1.3.1. § 1. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie mag, wat een bepaalde belastingschuldige betreft, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, die om wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke personen of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen die ze nodig acht om de juiste vestiging en inning van de belasting te verzekeren. § 2. Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bij het onderzoek over een of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, wordt een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling als een derde beschouwd waarop de bepalingen van paragraaf 1 van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval kan een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, een personeelslid met minstens de graad van directeur ermee belasten om bij een bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling elke inlichting op te vragen die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten van de belastingplichtige te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd mag de machtiging pas verlenen : 1° nadat het personeelslid dat het onderzoek voert, de inlichtingen en gegevens over de rekeningen tijdens het onderzoek met een verzoek om inlichtingen als vermeld in artikel 3.13.1.2.3, heeft gevraagd en bij die vraag duidelijk heeft aangegeven dat hij de toepassing van paragraaf 2 van dit artikel kan vragen als de belastingplichtige de gevraagde gegevens verborgen houdt of weigert te verschaffen. De opdracht, vermeld in het tweede lid, kan pas aanvangen als de termijn, vermeld in artikel 3.13.1.2.3, is verlopen; 2° nadat hij heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek een of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd en dat er vermoedens zijn dat de belastingplichtige gegevens daarover bij een instelling als vermeld in het tweede lid, verborgen houdt of dat de belastingplichtige weigert om die gegevens zelf te verschaffen. § 3. Als het personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek, vermeld in paragraaf 2, een of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd, kan hij de beschikbare gegevens over die belastingplichtige opvragen bij het centrale aanspreekpunt, vermeld in artikel 322 van het federale WIB 92. § 4. Paragraaf 2 en 3 zijn ook van toepassing als een inlichting wordt gevraagd door een buitenlandse staat in een van de volgende gevallen : 1° in het geval, vermeld in artikel 9 van het decreet van 21 juni 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1999 numac 1999003346 bron ministerie van financien Wet houdende vierde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/1999 numac 1999003333 bron ministerie van financien Wet houdende tweede aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1999 - Sectie 23 « Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid » en Sectie 26 - « Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu » sluiten5 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen;2° overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen in een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting die van toepassing is, of in een andere internationale overeenkomst in het kader waarvan de wederkerigheid is gewaarborgd. De vraag van de buitenlandse staat wordt gelijkgesteld met een aanwijzing van belastingontduiking als vermeld in paragraaf 2. In dat geval verleent het personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, in afwijking van paragraaf 2, de machtiging op basis van de vraag, gesteld door de buitenlandse staat. § 5. De inlichtingen waarover de administratie uit hoofde van dit artikel beschikt, vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming met betrekking tot soortgelijke inlichtingen, vermeld in artikel 3.19.0.0.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31313\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.3</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie mag van natuurlijke personen of rechtspersonen alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, binnen de door haar bepaalde termijn, voor alle of voor een deel van hun verrichtingen of activiteiten de overlegging vorderen van inlichtingen over elke persoon of groep van personen, zelfs als ze niet met naam zijn aangeduid, met wie ze rechtstreeks of onrechtstreeks contact hebben gehad uit hoofde van die verrichtingen of activiteiten. De termijn kan wegens wettige redenen worden verlengd</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.3</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De bepalingen van artikel 3.13.1.2.2 zijn van toepassing op verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alsook op derden op wie een beroep wordt gedaan om de documenten, waarvan de voorlegging is voorgeschreven door artikel 3.13.1.2.1, geheel of gedeeltelijk te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren door middel van computersystemen</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">4. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie mag de juistheid nagaan van de inlichtingen, vermeld in artikel 3.13.1.3.1, 3.13.1.3.2 en 3.13.1.3.3</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">5. De belastingschuldige wordt met een aangetekende brief opgeroepen om het getuigenverhoor bij te wonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen over alle daden en feiten waarvan ze kennis hebben en waarvan de vaststelling nuttig kan zijn voor de toepassing van de belastingwetten op de feiten waarover een geschil bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor ze getuigen, leggen ze de eed af, vermeld in artikel 934 van het Gerechtelijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tegenbewijs is rechtens toegelaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.13.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">6. Van de verklaringen van de getuigen en, als de belastingschuldige dat verlangt, van zijn eigen verklaringen wordt een proces-verbaal opgemaakt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na voorlezing wordt het proces-verbaal door de getuigen en de belastingschuldigen ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand geschreven woorden \"Gelezen en goedgekeurd\". Als een van de betrokkenen weigert te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt aan de belastingschuldige betekend binnen acht dagen na zijn dagtekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Plichten van openbare instellingen Art. 3.13.1.4.1. § 1. De bestuursdiensten van de staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de besturen van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook de openbare instellingen en inrichtingen, zijn gehouden, als ze daarvoor worden aangezocht door een personeelslid, belast met de vestiging of de invordering van de belastingen, hem alle inlichtingen die ze in hun bezit hebben, te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, in alle akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden die ze in hun bezit hebben, inzage te verlenen, en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen die het bedoelde personeelslid nodig acht voor de vestiging of de invordering van de belastingen, vermeld in deze codex.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen over de rechtspleging mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijk verlof van de federale procureur, de procureur-generaal of de auditeur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De originelen van de ontvangstbewijzen-getuigschriften voor verstrekte hulp, uitgereikt door de geneesheren, de tandheelkundigen en de paramedische medewerkers, mogen echter niet worden meegedeeld zonder dat de nationale raad van de Orde van Geneesheren of de provinciale geneeskundige commissies de gelegenheid hebben gehad zich ervan te vergewissen dat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie daardoor geen inlichtingen krijgt over de identiteit van de zieken en van de verzekerden. § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (ADSEI) wat de individueel verkregen inlichtingen betreft. § 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de naamloze vennootschap van publiek recht bpost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 blijft evenwel van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 3.13.1.2.5, tweede lid, en artikel 3.13.1.3.1, § 2 tot en met § 5. § 4. De Kansspelcommissie, vermeld in artikel 9 van de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1999 numac 1999003346 bron ministerie van financien Wet houdende vierde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/09/1999 numac 1999003333 bron ministerie van financien Wet houdende tweede aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1999 - Sectie 23 « Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid » en Sectie 26 - « Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu » sluiten op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, moet de Vlaamse Regering er onverwijld van op de hoogte brengen dat ze bij een orgaan dat ze controleert, concrete elementen heeft vastgesteld die vermoedelijk wijzen op het bestaan of op de voorbereiding van een mechanisme, gericht op fiscale fraude. § 5. Onder openbare instellingen of inrichtingen als vermeld in paragraaf 1 wordt verstaan : de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten die de staat, een gemeenschap of een gewest mee beheert, waaraan de staat, een gemeenschap of een gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de staat, een gemeenschap of een gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de Federale Regering of een gemeenschaps- of gewestregering, op haar voordracht of met haar goedkeuring.</p></div>", "next": 239036}