{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Die instanties en gemeenten versturen hun advies binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de datum van hun aanhangigmaking bij de ambtenaar van de ondergrond. Als de adviezen niet binnen de voorgeschreven termijn worden doorgestuurd, wordt de procedure voortgezet. § 6. Indien de aanvraag of het voorgenomen besluit tot aanvulling of wijziging van de bijzondere voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, het voorwerp uitmaakt van een milieueffectrapport, is het dossier onderworpen aan een openbaar onderzoek overeenkomstig de bepalingen van Boek 1 van het Milieuwetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na afsluiting van die openbaar onderzoek, stuurt de gemeente het dossier binnen acht dagen aan de ambtenaar voor de ondergrond. § 7. Binnen dertig dagen na ontvangst van de adviezen en, indien van toepassing, de opmerkingen van het openbaar onderzoek stuurt de ambtenaar voor de ondergrond zijn samenvattend verslag samen met een voorstel voor een beslissing naar de Regering. Deze periode kan eenmaal met maximaal dertig dagen worden verlengd. § 8. De Regering neemt binnen dertig dagen na ontvangst van het samenvattend verslag een beslissing over het verzoek of het voorstel voor een beslissing tot aanvulling of wijziging van de bijzondere voorwaarden, bedoeld in paragraaf 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing gaat vergezeld van een milieuverklaring die een samenvatting is van de manier waarop de milieuoverwegingen werden opgenomen in de beslissing en waarop de milieueffectenbeoordeling en de adviezen in overweging werden genomen, rekening houdende met de andere geplande redelijke oplossingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van de Regering, bij uittreksel, en de milieuverklaring worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. § 9. De modaliteiten voor de toepassing van dit artikel kunnen nader bepaald worden door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 7. - Zakelijke rechten, gebruik van andermans grond, erfdienstbaarheden en verwerving van onroerende goederen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van ondergrondse rijkdommen TITEL 1. - Beginselen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 1. - Ondergrondse activiteiten en installaties tot een diepte van twintig meter onder exclusieve vergunningen voor de exploratie en exploitatie van ondergrondse rijkdommen Art. D.VII.1. De houder van een exclusieve vergunning voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen moet beschikken over zakelijke rechten op de gronden die ondergrondse activiteiten en installaties omvatten die nodig zijn voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen tot en met een diepte van twintig meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van lid 1 moet de houder van een exclusieve vergunning voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen met betrekking tot een dagbouwmijn hetzij een zakelijk recht, hetzij een door de houder van zakelijke rechten verleend genotsrecht hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 2. - Bovengrondse en ondergrondse activiteiten en installaties of bouwwerken op een diepte tussen twintig en honderd meter als onderdeel van de uitvoering van exclusieve vergunningen voor de exploratie en exploitatie van ondergrondse rijkdommen Art. D.VII.2. § 1. Voor oppervlakteactiviteiten en installaties of werken en ondergrondse activiteiten en installaties of werken tussen twintig meter en honderd meter diepte, zowel binnen als buiten de omtrek bepaald door de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning, alsook voor communicatieroutes en private leidingen voor vloeistoffen of energietransport, kan de Regering, na een openbaar onderzoek overeenkomstig Boek 1 van het Milieuwetboek, beslissen dat het in het openbaar belang is om deze installaties of werken op te richten en deze activiteiten uit te voeren onder, op of boven private gronden of private eigendommen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze verklaring van algemeen nut mag de netbeheerder in het belang van wie ze wordt gedaan, dergelijke installaties onder, op of boven deze private gronden oprichten, erop toezicht houden en de voor hun werking en onderhoud nodige werken uitvoeren onder de in voornoemde verklaring bepaalde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de werkzaamheden mag niet eerder worden begonnen dan twee maanden na de datum van kennisgeving per aangetekende post aan de belanghebbende houders van zakelijke rechten en huurders. § 2. De begunstigde van de in paragraaf 1 bedoelde erfdienstbaarheid moet een vergoeding betalen ten gunste van de eigenaar van het met deze erfdienstbaarheid bezwaarde fonds of van de houders van aan dit fonds gebonden zakelijke rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt in één keer uitbetaald en geldt als forfaitaire vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van onverdeeldheid tussen de houders van zakelijke rechten op de met de erfdienstbaarheid bezwaarde grond wordt het bedrag van de forfaitaire vergoeding onder hen verdeeld naar rato van hun respectieve quotiteiten in de onverdeeldheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van verdeling van het eigendomsrecht i.v.m de met die erfdienstbaarheid bezwaarde grond wordt het bedrag van de forfaitaire vergoeding uitbetaald aan de houder van het zakelijk genotsrecht op bedoeld gebouw, onverminderd het eventuele beroep van de blote eigenaar, de erfpachter of de grondeigenaar tegen deze houder van het zakelijk recht op grond van de regels van het burgerlijk recht die hun relaties regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een bezette grond met een contractuele of wettelijke erfdienstbaarheid bezwaard is, wordt de forfaitaire vergoeding volledig uitbetaald aan de eigenaar van het bezwaarde erf, onverminderd het eventuele beroep van de begunstigde van de bestaande erfdienstbaarheid tegen deze eigenaar op grond van de regels van burgerlijk recht die hun relaties regelen. § 3. De Regering bepaalt: 1° de voor de in § 1 bedoelde verklaring van algemeen nut te volgen procedure, met name de vorm van de aanvraag, de documenten die erbij moeten worden gevoegd, de behandeling van het dossier en de termijnen waarin de bevoegde overheid moet beslissen en haar beslissing mededelen aan de aanvrager;2° het bedrag van de vergoeding bedoeld in paragraaf 2, berekend volgens de volgende formule : I = M x S, waarbij : I is de waarde van de vergoeding in euro's; M is het referentiebedrag in euro's/m2, berekend op basis van waarden die bij verordening zijn vastgesteld met betrekking tot het type installatie in kwestie, de provincie in kwestie en het gebruik van de gebruikte grond;</p>\n<p class=\"lf-p\">S is de oppervlakte in m2 begrensd door verticale vlakken op 1,50 meter van de buitengrenzen van de installaties of structuren waarop de verklaring van openbaar belang betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het referentiebedrag M wordt elk jaar op 1 januari geïndexeerd op basis van het gezondheidsindexcijfer voor de voorgaande maand oktober.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze worden gekoppeld aan de basisindex van de maand oktober 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.3. De gedeeltelijke bezetting van privégrond of privébezit respecteert het gebruik ervan. Het houdt geen onteigening in, maar is een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke handeling verbiedt die de installaties of hun exploitatie kan schaden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt de verbodsbepalingen en voorschriften die in acht moeten worden genomen door eenieder die handelingen en werken uitvoert, heeft uitgevoerd of van plan is uit te voeren in de nabijheid van de installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overtreding van de in of krachtens dit artikel voorziene verbodsbepalingen en voorschriften heeft de begunstigde van de bestaande erfdienstbaarheid het recht om de opgerichte bebouwing en beplanting af te breken en de plaatsen in hun vroegere staat te herstellen, alsook elke noodzakelijk geachte bewarende maatregel te nemen, het geheel op kosten van de overtreder, onverminderd de schadevergoeding waartoe de overtreding aanleiding zou kunnen geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de overtreding een dringend noodzakelijke interventie op de installaties die de erfdienstbaarheid genieten niet belet, moet de beheerder de overtreder evenwel eerst aanmanen onmiddellijk een einde aan de overtreding te maken en de plaats in haar vroegere staat te herstellen. Daartoe geeft hij de overtreder een termijn van minstens dertig dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.4. De eigenaar van de grond waarop de erfdienstbaarheid rust, kan binnen een door de Regering vastgestelde termijn de Regering ervan in kennis stellen dat hij de begunstigde van de erfdienstbaarheid verzoekt de grond waarop de erfdienstbaarheid rust, geheel of gedeeltelijk te kopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt als de uitgevoerde werkzaamheden slechts tijdelijk zijn, als het gebruik van de grond de eigenaar langer dan een jaar het genot van het inkomen ontneemt of als de grond na de werkzaamheden niet langer geschikt is voor normaal gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen minnelijke verkoopovereenkomst wordt bereikt tussen de eigenaar van de bezwaarde grond en de begunstigde van de erfdienstbaarheid, is artikel D.VII.7 van toepassing. Als de houder van de exclusieve vergunning op aanvraag van de eigenaar het geheel of een deel van de grond die laatstgenoemde bezet, aankoopt of onteigent, maakt de forfaitaire vergoeding die geïnd is ter compensatie van de erfdienstbaarheid van algemeen nut die bedoelde grond bezwaart, deel uit van een voorschot op de koopprijs of onteigeningsvergoeding die onderling wordt overeengekomen of die, in voorkomend geval, door de rechter wordt bepaald in het kader van de onteigeningsprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze prijs of onteigeningsvergoeding vast te leggen wordt geen rekening gehouden met de minderwaarde voortvloeiend uit de verplichtingen i.v.m. de bezetting van de grond door de installaties van de houder van de exclusieve vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval wordt het positieve saldo tussen de koopprijs of onteigeningsvergoeding en het ontvangen voorschot met een rente verhoogd die berekend wordt tegen de geldende wettelijke rentevoet over de periode die ingaat op de begindatum van de effectieve bezetting van de grond door de houder van de exclusieve vergunning en eindigt op de datum van het eerste onderlinge koopaanbod dat de houder van de exclusieve vergunning aan de eigenaar richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.5. § 1. De installaties worden verplaatst en, indien nodig, verwijderd op verzoek van de eigenaar van de bezwaarde grond of van de persoon die het recht heeft om er gebouwen op te richten, als zij dit recht willen uitoefenen. De Regering kan de begunstigde van de erfdienstbaarheid extra tijd geven om de vergunningen te verkrijgen die nodig zijn voor de verplaatsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de belanghebbenden gebruik maken van dat recht zonder de verplaatsing of de verwijdering van de installaties te eisen, behoudt de begunstigde van de erfdienstbaarheid het recht om toezicht op de installaties uit te oefenen en om de werken uit te voeren die nodig zijn voor de werking, het onderhoud of het herstel ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de verplaatsing of de verwijdering van de installaties zijn ten laste van de begunstigde van de erfdienstbaarheid; de in lid 1 bedoelde personen moeten de voorgenomen werkzaamheden echter ten minste zes maanden van tevoren schriftelijk aankondigen. Als binnen twee jaar na de kennisgeving niet aanzienlijk met de werkzaamheden wordt begonnen, moeten de kosten voor het verplaatsen van de installaties op verzoek van de begunstigde van de erfdienstbaarheid aan hem worden terugbetaald. § 2. Niettegenstaande paragraaf 1kan de begunstigde van de erfdienstbaarheid, om de verplaatsing van de installaties te vermijden, aanbieden de bezette grond van de eigenaar te kopen. Daar licht hij de Regering over in. Als er geen minnelijke verkoopovereenkomst wordt bereikt tussen de eigenaar van de bezwaarde grond en de beheerder van de installaties, is artikel D.VII.7 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.6. De houder van de exclusieve vergunning is aansprakelijk voor alle schade die wordt veroorzaakt door werkzaamheden die worden uitgevoerd tijdens de vestiging of exploitatie van zijn installaties, evenals voor de vergoeding van schade die aan derden wordt toegebracht, hetzij als gevolg van zijn werkzaamheden, hetzij als gevolg van het gebruik van de grond waarop de erfdienstbaarheid rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele veroorzaakte schade wordt volledig vergoed door de houder van de exclusieve vergunning. Ze moeten worden betaald aan degenen die schade lijden; het bedrag wordt minnelijk of door de rechtbank vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.7. De houder van een exclusieve vergunning ten gunste waarvan een besluit van de Regering is uitgevaardigd dat het algemeen belang dient, kan, op zijn verzoek en binnen de grenzen van dit besluit, door de Regering gemachtigd worden om op haar kosten de nodige onteigeningen uit te voeren, in naam van het Waals Gewest of in eigen naam indien hij krachtens een decreetbepaling bevoegd is om te onteigenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.8. Op het gedeelte van het tracé van de leiding in een privé domein, mogen bovenop de aansluitingen geen bouwwerken opgetrokken of ingegraven worden, noch struiken aangeplant worden op de oppervlakte die zich aan weerskanten van de as van de leiding uitstrekt tot op anderhalve meter vanaf die as.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 3. - Ondergrondse activiteiten, installaties en bouwwerken dieper dan honderd meter onder exclusieve vergunningen voor de exploratie en exploitatie van ondergrondse rijkdommen Art. D.VII.9. De plaatsing van ondergrondse installaties of bouwwerken die nodig zijn voor de exploitatie van ondergrondse rijkdommen dieper dan honderd meter en de uitvoering van daarmee verband houdende werkzaamheden vormen een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut, waarbij de houder van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning verantwoordelijk is voor het toezicht daarop en voor de uitvoering van de werkzaamheden die nodig zijn voor de werking en het onderhoud ervan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4. - Andere zaken die de verwerving van zakelijke rechten vereisen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.10. De Regering kan andere gevallen bepalen waarin de uitvoering van de exclusieve vergunning en de aanvraag van stedenbouwkundige en milieuvergunningen met betrekking tot de activiteiten en installaties voor de exploitatie van de ondergrondse rijkdommen bedoeld in artikel D.I.1, § 2, eerste lid, 1° tot 4°, afhankelijk zijn van de verwerving van zakelijke rechten door de vergunninghouder op het goed waarop de exploitatie betrekking heeft.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 5. - Vermeldingen in de akten van overdracht</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.11. In elke akte onder de levenden, ongeacht of hij onderhands of authentiek is, in elke akte van overdracht, ongeacht of hij een akte van aanwijzing, oprichting of overdracht is van een zakelijk recht of van een persoonlijk genotsrecht van meer dan negen jaar, van erfpacht of van oppervlakte van het geheel of een deel van de grond, met betrekking tot een gebouwd of onbebouwd onroerend goed, met inbegrip van akten waarbij een pachtovereenkomst wordt vastgelegd, moet melding worden gemaakt: 1° van het bestaan en de duur van een exclusieve vergunning om ondergrondse rijkdommen te exploreren of te exploiteren;2° van het bestaan van een mijnopsporingsvergunning of mijnbouwconcessie; 3° van het bestaan ven een exclusieve vergunning voor het opsporen en het ontginnen van bitumineuze gesteenten, petroleum en brandbare gassen bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr.83 van 28 november 1939 betreffende het opsporen en het ontginnen van bitumineuze gesteenten, van petroleum en van brandbare gassen; 4° van het bestaan van de erfdienstbaarheid bedoeld in artikel D.VII.2. 5° de aanwezigheid van een mijnschacht of mijnuitgang van een bestaande of ingetrokken concessie die beveiligd is of ter plaatse bekend is. Titel 2. - Aankoop van gronden Art. D.VII.12. De Regering kan beslissen dat het in het openbaar belang is alle goederen te onteigenen die nodig zijn voor de exploratie en exploitatie van de ondergrondse rijkdommen bedoeld in artikel D.I.1, § 2, eerste lid, 1°, 3°, 4° en 6°, voor de aanleg van hun toegangswegen of voor bijkomende infrastructuurwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.13. § 1. De overeenkomstig de artikelen D.VII.12 aangekochte gronden worden ter beschikking van de gebruikers gesteld door verhuring, verpachting, erfpacht of verkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">De akte van terbeschikkingstelling moet een clausule bevatten die de economische activiteit specificeert die op het terrein zal worden uitgevoerd, evenals de andere modaliteiten van het gebruik ervan en in het bijzonder de datum waarop de activiteit moet beginnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verkoop moet de akte eveneens een clausule bevatten volgens welke het Gewest of de geïnteresseerde publiekrechtelijke persoon de mogelijkheid heeft het terrein over te kopen als de gebruiker de vermelde economische activiteit staakt of als hij de nadere gebruiksregels niet in acht neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die hypothese, en bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen, wordt de prijs van de overname van de gronden bepaald door de aankoopcomités van de Administratie die handelen in het kader van de onteigeningsprocedure Anderzijds worden het materieel en de werktuigen, de sinds de overdracht door het Gewest of een publiekrechtelijke persoon opgetrokken gebouwen en gevestigde infrastructuur bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen bij de overname van de grond tegen hun koopwaarde betaald. Die waarde wordt door de aankoopcomités bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verkoop mag de gebruiker het goed enkel wederverkopen mits instemming van het Gewest of van de verkopende publiekrechtelijke persoon; de clausules bedoeld in de leden 2 en 3 moeten in de wederverkoopsakte opgenomen worden. § 2. De Aankoopcomités voor onroerende goederen alsmede de Ontvangers van de Domeinen zijn bevoegd, ongeacht de belanghebbende publiekrechtelijke persoon, om, zonder speciale formaliteiten en volgens de in de paragrafen 1 en 2 bepaalde modaliteiten, over te gaan tot de onderhandse verkoop of tot de verhuring onderhands, voor een periode die negen en negentig jaar niet overschrijdt, van de krachtens dit decreet verworven of onteigende onroerende goederen of van de domaniale onroerende goederen, waarvoor de Regering tot een bestemming, voorzien door dit decreet, zou beslissen. Van de in dit lid bedoelde akten kunnen grossen worden afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende publiekrechtelijke personen kunnen zelf overgaan tot de verkoop, de verhuring of de verbetering van de door hun krachtens dit decreet verworven of onteigende onroerende goederen. Wanneer de publiekrechtelijke persoon geen beroep doet op het comité of de ontvanger, moet zij de ontwerp-akte van verkoop, verhuur of verbetering aan het visum van één van hogergenoemden voorleggen. Het comité of de ontvanger moet zijn visum of de weigering om te viseren binnen een termijn van één maand te rekenen van de ontvangst van het dossier mededelen. In geval van noodzaak kan die termijn met één maand verlengd worden op verzoek van het comité of de ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij weigering om te viseren bepaalt het comité of de ontvanger met motivering ervan de voorwaarden die hij eist om zijn visum te verlenen. Het visum wordt verleend geacht wanneer het comité of de ontvanger de in lid 2 bedoelde termijn laat aflopen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 3. - Recht om andermans land te gebruiken voor de exploitatie van dagbouwmijnen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.14. Bij gebreke van toestemming van de eigenaar kan de regering het recht verlenen aan iedere onderneming die daarom verzoekt, om andermans land in gebruik te nemen en te exploiteren met het oog op de bevoorrading van een dagbouwmijn waar dezelfde stoffen sedert ten minste vijf jaar zijn gewonnen, mits dit land is ingesloten in of uitsteekt in het exploitatiegebied en de economische en rationele exploitatie van de afzetting belemmert, en mits de afzettingsreserves waarop het recht betrekking heeft, niet noodzakelijk zijn voor de voortzetting van de industriële activiteit of voor de bevredigende afschrijving van de installaties van een soortgelijke naburige onderneming die deze reserves bezat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure voor het verkrijgen van dergelijke rechten is vastgelegd door de Regering en omvat een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten bepaald in Boek I van het Milieuwetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begunstigde van het recht om andermans grond in gebruik te nemen en te gebruiken, betaalt de eigenaar een schadeloosstelling die, bij gebreke van een onderlinge overeenkomst tussen de partijen, wordt vastgesteld volgens de procedure voor onteigening in het algemeen belang.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 4. - Pacht voor gronden waarvoor een milieuvergunning is verleend voor een dagbouwmijn en aanhorigheden ervan</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.15. In het geval van een pacht met betrekking tot gronden waarvoor een milieuvergunning is verleend voor een dagbouwmijn en de aanhorigheden daarvan, en bij ontstentenis van een overeenkomst tussen de partijen, mag de exploitant de gronden waarvoor een milieuvergunning is verleend, niet eerder van de hand doen dan na de oogst van de producten die groeien op het tijdstip waarop de vergunning is verleend. De aan de overnemer verschuldigde vergoedingen zijn die welke zijn bepaald in de artikelen 45 en 46 van het Burgerlijk Wetboek, Boek 3, Titel 8, Hoofdstuk 2, afdeling 3 : Regels betreffende de pacht in het bijzonder.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 5. - Opheffing of herziening van beperkingen opgelegd aan de sluiting van mijnschachten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.VII.16. De ambtenaar van de ondergrond kan op verzoek van de eigenaar van de oppervlakte of naar aanleiding van aanvragen voor stedenbouwkundige of bebouwingsvergunningen in de zin van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling of gelijkwaardige vergunningen wat de Duitstalige Gemeenschap betreft, de vaststellingen in de besluiten van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad bedoeld in artikel 16 van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 30 april 1992tot vaststelling van de procedure en de voorwaarden betreffende de intrekking van een mijnvergunning, of die krachtens vroegere wetgeving zijn gedaan, opheffen of herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 8. - Bepalingen met betrekking tot het na-beheer van exclusieve vergunningen voor de exploratie en exploitatie van ondergrondse rijkdommen TITEL 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D. VIII.1. § 1. De rechten die verbonden zijn aan een exclusieve vergunning om rijkdommen van de ondergrond te exploreren of te exploiteren, vervallen bij het verstrijken van de exclusieve vergunning of door intrekking of verzaking door de vergunninghouder. § 2. Het verstrijken, intrekken of afzien van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning laat de bepalingen met betrekking tot het nabeheer volledig van kracht totdat de ambtenaar van de ondergrond heeft vastgesteld dat volledig is voldaan aan de nabeheersverplichtingen en heeft ingestemd met de vrijgave van de bijbehorende zekerheid. § 3. Uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning moet de houder van de exclusieve vergunning ofwel : 1° een aanvraag indienen voor verlenging van de exclusieve vergunning of, in voorkomend geval, een nieuwe aanvraag indienen;2° de initiële herstelwerken uitvoeren waarin de milieuvergunning voorziet, alsook de werken na het beheer. Art. D. VIII.2. Ontbonden maatschappijen mogen hun liquidatie niet beëindigen voordat de ambtenaar van de ondergrond heeft vastgesteld dat volledig is voldaan aan de door de exclusieve vergunning opgelegde verplichtingen na het beheer en toestemming heeft gegeven voor het vrijgeven van de bijbehorende zekerheid of automatisch aan de verplichtingen heeft voldaan en de zekerheid heeft geactiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D. VIII.3. § 1. Binnen zestig dagen na de afstand, het verstrijken van de in artikel D. VIII.1 bedoelde termijn of de intrekking kan de Regering besluiten de nakoming van de verplichtingen na het beheer op te schorten indien het Waalse Gewest besluit de exploitatie of exploratie zelf ter hand te nemen of over te gaan tot een oproep tot mededinging als bedoeld in artikel D.VI.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een dergelijk geval moet de houder van de exclusieve vergunning gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing van de Regering de ondergrondse werken en installaties, met inbegrip van open putten, onderhouden die noodzakelijk zijn voor hun instandhouding. Indien de exploratie of exploitatie daadwerkelijk wordt hervat, kan de Regering de periode van drie jaar verkorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beslissing schort de herstelverplichtingen op. § 2. Afstand door de houder van de exclusieve exploitatievergunning brengt automatisch de in § 1 bedoelde onderhoudsverplichting met zich mee, tenzij de ambtenaar van de ondergrond de houder van deze verplichting ontheft bij een beslissing waarin wordt verklaard dat de afzetting is uitgeput of niet langer economisch exploiteerbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D. VIII.4. Als de houder van de exclusieve vergunning zijn verplichtingen na beheer of onderhoud niet nakomt, mag de ambtenaar van de ondergrond actie ondernemen op kosten van de houder van de exclusieve vergunning nadat deze daartoe formeel is aangemaand. In noodgevallen kan de ambtenaar van de ondergrond het werk ook zonder deze formaliteit laten uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze acties van ambtswege uit te voeren, doet de ambtenaar voor de ondergrond een beroep op de veiligheidsdiensten. Als het bedrag ontoereikend is, verhaalt zij de extra gemaakte kosten op de houder van de exclusieve vergunning.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 2. - Nabeheersplannen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D. VIII.5. § 1. Het nabeheersplan dat in voorkomend geval aangepast wordt overeenkomstig artikel D.VI.47, § 1, bepaalt de doelstellingen en het algemene kader op schaal van de omtrek van de exclusieve vergunning: 1° van de re-integratie van exploratie- en exploitatiegebieden en gebieden die door deze activiteiten worden getroffen in hun omgeving;2° van het toezicht na herstel;3° of van de acties om blijvende negatieve gevolgen te verlichten, zoals ontwatering. § 2. Het nabeheersplan bevat ten minste de operationele bepalingen met betrekking tot : 1° de effecten van de verzakking;2° geotechnische risico's van ondergrondse constructies;3° grondwater en oppervlaktewater 4° geïnduceerde seismiciteit;5° opstijgende gassen en radioactieve elementen;6° het behoud, de creatie of de verwijdering van natuurlijke habitats en/of soorten;7° de ontwatering. De regering kan de minimuminhoud van het plan aanvullen en specificeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 9. - Vergoeding van schade veroorzaakt in het kader van exclusieve vergunningen voor de exploratie en exploitatie van ondergrondse rijkdommen TITEL 1. - - Algemene bepalingen Art. D.IX.1. § 1. De houder van een exclusieve vergunning voor de exploratie of exploitatie van ondergrondse rijkdommen vergoedt automatisch alle schade die wordt veroorzaakt door de exploratie of de exploitatie van ondergrondse rijkdommen, met inbegrip van milieuschade in de zin van deel VII van Boek 1 van het Milieuwetboek en alle andere ecologische schade. § 2. Onverminderd zijn bijdrage aan het Gemeenschappelijk Waarborgfonds voor het herstel van de schade als bedoeld in artikel D.IX.4, stelt de houder van de exploratie- of exploitatievergunning op verzoek van de ambtenaar voor de ondergrond een waarborg indien het werk op korte termijn specifieke schade dreigt te veroorzaken en indien het risico bestaat dat zijn middelen ontoereikend zullen zijn om aan zijn eventuele aansprakelijkheid te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar voor de ondergrond bepaalt de aard en het bedrag van de in lid 1 bedoelde waarborg. § 3. Bij overdracht of overgang van de door een exploratie- of exploitatievergunning verleende rechten is de voormalige en de nieuwe houder van de exclusieve vergunning hoofdelijk aansprakelijk voor schade voortvloeiend uit werken die op het tijdstip van de overdracht of overgang reeds zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.IX.2. De houder van een exclusieve vergunning voor de exploratie of exploitatie van ondergrondse rijkdommen, die is vervallen, ingetrokken of waarvan afstand is gedaan, vergoedt alle schade veroorzaakt als bedoeld in artikel D.IX.1, § 1, door zijn werken, met inbegrip van putten, galerijen en andere ondergrondse werken die permanent zijn gevestigd, tot het besluit van de ambtenaar van de ondergrond die verklaart dat zijn verplichtingen na het beheer volledig zijn nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.IX.3 § 1. Op verzoek van een van de partijen wordt elk verzoek tot schadevergoeding van een eigenaar die schade heeft geleden door handelingen en werken met betrekking tot de exploitatie van rijkdommen van de ondergrond, met het oog op bemiddeling eerst voorgelegd aan de rechtbank die bevoegd is om in eerste aanleg van de zaak kennis te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aansprakelijkheid wordt betwist, moet de houder van de exclusieve vergunning dit tijdens de bemiddelingszitting verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zijn aansprakelijkheid niet wordt betwist, doet de houder van de exclusieve vergunning de eiser binnen zes maanden na het verzoek een onherroepelijk aanbod tot schikking. In dringende gevallen stelt de bevoegde rechter een kortere termijn vast. Indien een akkoord tot stand komt, worden de bewoordingen in een proces-verbaal vastgelegd en wordt de uitgifte in uitvoerbaar verklaard. § 2. Deskundigen worden geselecteerd uit personen met een diploma burgerlijk mijningenieur of van burgerlijk ingenieur en geoloog, of uit personen met een erkende reputatie en ervaring in de mijnbouw en aanverwante activiteiten of in de exploitatie van gas of geothermische bronnen, naargelang het geval. § 3. Geen enkel plan wordt toegelaten als bewijs in een geschil tenzij het is opgemeten of geverifieerd door een persoon die in het bezit is van een diploma burgerlijk mijningenieur of van burgerlijk ingenieur en geoloog. Het controleren van de plannen is altijd gratis. § 4. De Waalse Overheidsdienst Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu vraagt een vergoeding voor alle ecologische schade die niet onder milieuschade valt in de zin van Deel VII van Boek 1 van het Milieuwetboek, overeenkomstig de door de Regering bepaalde modaliteiten TITEL 2. - Gemeenschappelijk waarborgfonds voor het herstel van schade ten gevolge van de exploitatie van ondergrondse rijkdommen Art. D.IX.4. § 1. Er wordt een gemeenschappelijk waarborgfonds opgericht voor het herstel van schade die voortvloeit uit de exploitatie van ondergrondse rijkdommen binnen het toepassingsgebied van dit Wetboek. § 2. Het Fonds wordt gefinancierd door: 1° de houders van exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen voor ondergrondse rijkdommen, als volgt: a) een vast deel van de bijdrage wordt betaald voordat de vergunning wordt afgegeven.De effectieve betaling van de bijdrage is een voorwaarde voor de uitvoerbaarheid van de vergunning; b) een deel van de bijdrage wordt jaarlijks betaald op basis van de voortgang van exploratie- en productiewerken;2° een forfaitaire bijdrage van de houders van mijnbouwconcessies en exclusieve vergunningen voor de exploratie en exploitatie van aardolie en aardgas, ten bedrage van dertig euro per put die binnen de omtrek van de concessie of exclusieve vergunning wordt geïdentificeerd. De Regering bepaalt het bedrag van het forfaitair gedeelte van de bijdrage bedoeld in lid 1, 1°, a). § 3. De jaarlijkse bijdrage aan het Fonds voor houders van exclusieve vergunningen als bedoeld in paragraaf 2, met uitzondering van exclusieve vergunningen met betrekking tot locaties voor de geologische opslag van energie, warmte of koude en exclusieve vergunningen met betrekking tot diepe geothermische lagen met het oog op energieproductie, staat in verhouding tot het jaarlijks geëxploiteerde volume.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze wordt bepaald op basis van de gebruikte exploitatietechniek door middel van een milieuexploitatiefactor die door de Regering wordt vastgesteld en die milieuvriendelijke technieken begunstigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekening is gebaseerd op de volgende formule: C.F.=fxVxtF waarbij : 1° C.F. de in euro's uitgedrukte jaarlijkse bijdrage aan het fonds is; 2° f de omgevingsfactor van de exploitatie is;3° V het volume is dat tijdens het voorgaande jaar is gewonnen, inclusief bijproducten en afvalgesteente, uitgedrukt in Nm3 voor gasvormige extracten en in m3 voor niet-gasvormige extracten;4° tF is de in euro/Nm3 uitgedrukte bijdrage aan het fonds is. De Regering bepaalt de waarden van het tF-percentage voor elk type stof dat wordt gebruikt. § 4. In afwijking van paragraaf 3 bedraagt de jaarlijkse bijdrage aan het Fonds voor houders van exclusieve vergunningen voor locaties voor de geologische opslag van energie uit warmte of koude en exclusieve vergunningen voor diepe geothermische lagen met het oog op energieproductie vijfduizend euro per jaar per doublet van boorgaten, dat wil zeggen tweeduizend vijfhonderd euro per boorgat, geïndexeerd op 1 januari van elk jaar op basis van de gezondheidsindex van de voorgaande maand oktober. Ze worden gekoppeld aan de basisindex van de maand oktober 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.IX.5. § 1. Het Fonds komt tussenbeide om schade te herstellen aan gebouwde eigendommen, infrastructuur en wegen veroorzaakt door de exploitaties uitgevoerd in het kader van een exclusieve exploratie- of exploitatievergunning of in het kader van een exclusieve olie- en gasexploratie- en exploitatievergunning, wanneer de houder van de vergunning insolvent is of niet meer bestaat, op voorwaarde dat voor het beschadigde goed naar behoren een vergunning is verleend door of krachtens een verklaring of een milieuvergunning of een stedenbouwkundige vergunning of een globale vergunning, of een soortgelijke vergunning in de Duitstalige Gemeenschap, of enige andere vereiste vergunning. § 2. Het Fonds komt tussenbeide om schade te herstellen aan gebouwde eigendommen, infrastructuur en wegen veroorzaakt door de exploitaties uitgevoerd onder een bestaande of ingetrokken mijnbouwconcessie, wanneer de concessiehouder insolvabel is of niet langer bestaat, onder de volgende voorwaarden: 1° de in de wet voorziene procedures voor het vorderen van schadevergoeding zijn eerder door de eiser toegepast en niet tot schadevergoeding hebben kunnen leiden;2° de schade houdt verband met voormalige mijnschachten en -uitgangen of een ondiep galerijgedeelte dat deel uitmaakt van de concessie;3° het beschadigde goed is rechtmatig toegelaten krachtens een milieuvergunning of een stedenbouwkundige vergunning of een globale vergunning, of een gelijkaardige vergunning in de Duitstalige Gemeenschap, of enige andere vereiste vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.IX.6. § 1. Het Fonds komt tussen in de volgende gevallen: 1° voor vorderingen tot schadevergoeding, op basis van een vonnis of een overeenkomst die de in gebreke blijvende houder van de vergunning verplicht tot het betalen van een schadevergoeding; 2° voor veiligheidswerken in opdracht van de burgemeester, de toezichthoudende ambtenaren bedoeld in de artikelen D.146 tot en met D.154 van Boek 1 van het Milieuwetboek of de ambtenaar voor n de ondergrond overeenkomstig de procedures van artikel D.X.3 en artikel D.169 van Boek 1 van het Milieuwetboek, mits deze werken vooraf zijn goedgekeurd door de ambtenaar voor de ondergrond, voor het geheel of een gedeelte van de goed te keuren werken, onverminderd eventuele andere vereiste vergunningen; 3° voor beveiligingswerken die op zijn eigendom moeten worden uitgevoerd door een eigenaar die geen ontwikkelaar van ondergrondse rijkdommen is en op voorwaarde dat deze werken vooraf zijn goedgekeurd door de ambtenaar voor de ondergrond, voor alle of een deel van de goed te keuren werken, onverminderd andere vereiste vergunningen;4° voor de financiering van studies en acties met betrekking tot de preventie van ondergrondse risico's. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering legt de procedure vast voor de voorafgaande goedkeuring van werken en de procedure voor de terugbetaling van de veiligheidswerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedereen die in aanmerking komt voor vergoeding van schade in verband met de exploratie en exploitatie van ondergrondse rijkdommen en die een dergelijke vergoeding aanvraagt, moet het bewijs leveren van het oorzakelijk verband tussen de ondergrondse activiteit en de geleden schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toekenning van een schadevergoeding is, indien van toepassing, afhankelijk van de voorafgaande vaststelling van de oorzaak van de schade, overeenkomstig de instructies van de ambtenaar voor de ondergrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugbetalingsprocedure komt alleen in aanmerking als de schade niet al gedekt is door een ander vergoedingssysteem. § 3. De ambtenaar voor de ondergrond controleert of de werken correct worden uitgevoerd. De tussenkomst is gebaseerd op een factuur van een door Buildwise goedgekeurd bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.IX.7. De Regering stelt de regels vast voor de werking en de tussenkomst van het gemeenschappelijk waarborgfonds voor het herstel van schalde die gebonden zijn aan de exploitatie van de ondergrondse rijkdommen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 10. - Toezicht, administratieve maatregelen, overtredingen en sancties TITEL 1. - Toezicht en administratieve maatregelen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 1. - Toezicht</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.X.1. De ambtenaar voor de ondergrond en de contractuele of statutaire personeelsleden aangesteld door de Regering oefenen politietoezicht uit voor het behoud van de gebouwen en de veiligheid van de bodem. Ze observeren de manier waarop de exploitatie wordt uitgevoerd om de exploitanten te adviseren over eventuele tekortkomingen of hoe de exploitatie kan worden verbeterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.X.2. Onverminderd de bepalingen van Boek 1 van het Milieuwetboek, moeten de houders van exclusieve vergunningen de ambtenaar voor de ondergrond en de door de Regering aangewezen statutaire of contractuele personeelsleden alle middelen ter beschikking stellen om de werken te bezoeken en in het bijzonder om elke plaats te betreden behalve wat een woning is. Zij leggen op verzoek alle documenten over die nodig zijn voor de opdracht. Tijdens ondergrondse bezoeken laten ze zich vergezellen door elke persoon die gemachtigd is om de informatie te verstrekken die ze nodig hebben om hun taken uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.X.3. Onverminderd de bepalingen van Boek 1 van het Milieuwetboek en het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunningen verlenen de eigenaars en bewoners van gronden waarop zich voormalige mijnschachten of constructies bevinden die zijn opgenomen in de databank met betrekking tot de ondergrond bedoeld in artikel D.IV.1 toegang aan de ambtenaar voor de ondergrond, de statutaire of contractuele agenten aangeduid door de Regering en de houders van exclusieve vergunningen of mijnconcessies om de staat en de veiligheid van de constructies te controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar voor de ondergrond heeft het recht het te doorkruisen land te betreden om de in lid 1 bedoelde gronden te bereiken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. - Administratieve maatregelen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.X.4. § 1. De ambtenaar voor de ondergrond is, net zoals de door de Regering aangewezen personeelsleden, bevoegd om de maatregelen te nemen bedoeld in artikel 71 van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunningen, voor de activiteiten, installaties en inrichtingen die krachtens dit deel milieuvergunningsplichtig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevallen waarin krachtens bovengenoemd artikel kan worden opgetreden, worden uitgebreid tot bedreigingen voor het behoud van ondergrondse bouwwerken, voor de deugdelijkheid van ondergronds of bovengronds uitgevoerde werken en voor het behoud van eigendommen. § 2. Werken, met inbegrip van de werken die moeten worden uitgevoerd om de veiligheid van oude mijnschachten binnen de omtrek van de exclusieve mijnbouwvergunning te verzekeren, vallen onder de verantwoordelijkheid van de houder van de exclusieve exploitatievergunning of de exploitant van een inrichting waarvoor een milieuvergunning is verleend, zelfs wanneer dergelijke werken ambtshalve worden uitgevoerd. § 3. De ambtenaar voor de ondergrond en de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren kunnen bij de uitoefening van hun taak een beroep doen op de politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.X.5. Als er geen exploitant meer is of als de exploitant insolvent is, hebben de in artikel D.X.4 bedoelde ambtenaren dezelfde voorrechten ten opzichte van de eigenaren van de betrokken goederen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 2 - - Overtredingen en sancties</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.X.6. § 1. Er wordt een overtreding van tweede categorie in de zin van artikel D.178 van Boek I van het Milieuwetboek begaan door degene die : 1° de ondergrondse rijkdommen bedoeld in artikel D.I.1, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, exploreert of exploiteert zonder de exclusieve vergunning vereist bij de artikelen D.VI.1 en D.VI.3; 2° de bepalingen en voorwaarden overtreedt die zijn opgenomen in exclusieve exploratie- of exploitatievergunningen, mijnconcessieakten en de specificaties van exploratie- en exploitatievergunningen; 3° de algemene en specifieke voorwaarden van exclusieve vergunningen in de artikelen D.VI.45 tot en met D.VI.54 schendt; 4° zich niet houdt aan de bevelen van de ambtenaar voor de ondergrond als bedoeld in artikel D.X.4; 5° een inrichting voor het beveiligen of afsluiten van voormalige mijnschachten of mijnuitgangen beschadigt, verwijdert of de toegang daartoe belemmert;6° mijnbouwwerken betreedt waartoe de toegang verboden is; 7° de taak van de ambtenaar oor de ondergrond belemmert om de afgedankte putten die ingevolge artikel D.IV.1 in de ondergronddatabank zijn opgenomen, te controleren. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een houder van een mijnbouwconcessie die niet voldoet aan de verplichting van artikel D.XII.2 om alle schachten in zijn concessie te beveiligen en binnen drie jaar na de inwerkingtreding van het Wetboek verslag uit te brengen aan de ambtenaar voor de ondergrond, begaat een overtreding van de tweede categorie in de zin van Deel VIII van het decreetgevend deel van Boek 1 van het Milieuwetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.X.7. Er wordt een overtreding van derde categorie in de zin van artikel D.178, deel VIII, van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek begaan door de overtreder van de bepalingen van Titel V of van de voor hun uitvoering genomen uitvoeringsbesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 11. - Bepalingen betreffende de geologische opslag van kooldioxide TITEL 1. - Algemene bepalingen Art. D.XI.1. Dit deel is van toepassing op de exploratie en geologische opslag van CO2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit deel is niet van toepassing op de geologische opslag van CO2 met een geplande opslagcapaciteit van minder dan 100 kt voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden of het beproeven van nieuwe producten en procedés.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.2. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder: 1° geologische opslag van CO2: het injecteren en opslaan van CO2-stromen in ondergrondse geologische formaties;2° 2° opslaglocatie: een gedefinieerd volume binnen een geologische formatie, gebruikt voor de geologische opslag van CO2, en de bijbehorende oppervlakte- en injectie-installaties;3° lekkage: elk vrijkomen van CO2 uit het opslagcomplex;4° opslagcomplex: de opslaglocatie en de omringende geologische gebieden die een weerslag kunnen hebben op de algehele integriteit van de opslag en de veiligheid ervan, namelijk de secundaire insluitingsformaties;5° hydraulische eenheid: de poreuze ruimte die verband houdt met hydraulische activiteit, waarin technisch meetbare drukgeleiding wordt waargenomen en die begrensd wordt door stroombarrières, zoals breuken, zoutkoepels, lithologische barrières of door een verdunning of uitloper van de formatie;6° exploratie: de evaluatie van potentiële opslagcomplexen met het oog op de geologische opslag van CO2 door middel van activiteiten in ondergrondse formaties, zoals boringen om geologische informatie te verkrijgen over de aardlagen in het potentiële opslagcomplex en, waar nodig, het uitvoeren van injectietests om de opslaglocatie te karakteriseren;7° exploratievergunning: de beslissing van de Regering waarbij toestemming voor de exploratie wordt verleend en de voorwaarden waaronder die mag plaatsvinden worden omschreven;8° exploitant: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon uit de publieke of private sector die een opslaglocatie exploiteert of beheert of aan wie beslissende economische macht over de technische exploitatie van de opslaglocatie is gedelegeerd;9° opslagvergunning: de beslissing van de Regering waarbij de exploitant toestemming krijgt om CO2 geologisch op te slaan in een opslaglocatie en waarin de voorwaarden worden gespecificeerd waaronder dit mag gebeuren;10° belangrijke wijziging: elke wijziging waarin de opslagvergunning niet voorziet en die aanzienlijke effecten kan hebben op het milieu of de volksgezondheid;11° stroom van CO2 : een stroom van stoffen die voortkomt uit CO2 afvangprocessen;12° CO2 diffusiezone: het volume waarin CO2 diffundeert in geologische formaties;13° migratie: de beweging van CO2 binnen het opslagcomplex;14° significante onregelmatigheid: elke onregelmatigheid in injectie- of opslagactiviteiten of in de staat van het opslagcomplex zelf, die een risico op lekkage of een risico voor het milieu of de volksgezondheid inhoudt;15° significant risico: de combinatie van de waarschijnlijkheid dat er schade optreedt en de ernst van de schade, die niet kan worden genegeerd zonder de milieuveilige geologische opslag van kooldioxide om de klimaatverandering te helpen bestrijden, voor de betrokken opslaglocatie in gevaar te brengen;16° corrigerende maatregelen: maatregelen om significante onregelmatigheden te corrigeren of lekken te stoppen teneinde het vrijkomen van CO2 uit het opslagcomplex te voorkomen of te stoppen;17° de afsluiting van een opslaglocatie: de definitieve stopzetting van de injectie van CO2 in deze opslaglocatie;18° periode na afsluiting: de periode na de afsluiting van een opslaglocatie, inclusief de periode na de overdracht van de verantwoordelijkheid aan het Waalse Gewest;19° transportnetwerk: het netwerk van pijpleidingen, met inbegrip van de daarvoor benodigde pompstations, voor het transport van CO2 naar de opslaglocatie;20°</p>\n<p class=\"lf-p\">decreet van 10 november 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2004 numac 2004203609 bron ministerie van het waalse gewest Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/2004 numac 2004027248 bron ministerie van het waalse gewest Decreet houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2004 sluiten: het decreet van 10 november 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2004 numac 2004203609 bron ministerie van het waalse gewest Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/2004 numac 2004027248 bron ministerie van het waalse gewest Decreet houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2004 sluiten tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een \"Fonds wallon Kyoto\" (Waals Kyotofonds) en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto;21° Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr.1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (1);</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 2. - Selectie van opslaglocaties</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.3. § 1. De opslaglocaties worden door de Waalse Regering aangewezen na onderzoek naar de opslagcapaciteit op het grondgebied van het Waalse Gewest of in delen ervan. § 2. De beoordeling van de beschikbare opslagcapaciteit wordt uitgevoerd door de houder van een exploratievergunning als bedoeld in artikel D.XI.4, § 1, en in overeenstemming met de karakteriserings- en beoordelingscriteria als uiteengezet in bijlage 1. § 3. Een geologische formatie binnen een bepaalde omtrek wordt uitsluitend als opslaglocatie geselecteerd indien er onder de voorgestelde exploitatievoorwaarden geen significant risico van lekkage bestaat en er geen significante milieu- of gezondheidsrisico's bestaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 3. - Bepalingen betreffende de exploratie- en opslagvergunningen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.4. § 1. De exploratie mag niet ondernomen worden zonder exploratievergunning die volgens de modaliteiten van dit hoofdstuk afgegeven wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geologische opslag van CO2 mag slechts in een overeenkomstig artikel D.XI.3 aangewezen opslaglocatie plaatsvinden en mag niet ondernomen worden zonder een opslagvergunning die volgens de modaliteiten van dit hoofdstuk afgegeven wordt. § 2. De houder van een exploratievergunning is de enige persoon die het recht heeft om het potentiële CO2-opslagcomplex te exploreren. Er kan slechts één exploitant per opslaglocatie zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de geldigheidsduur van een exploratievergunning en gedurende de vergunningsprocedure wordt geen andere activiteit toegelaten of geen conflicterend gebruik van het complex toegestaan krachtens dit deel of overeenkomstig een andere administratieve politie. De exploratievergunning en de opslagvergunning kunnen niet afgegeven worden als de desbetreffende activiteiten onverenigbaar zijn met andere activiteiten of installaties vergund overeenkomstig een andere administratieve politie. § 3. De opslagvergunning voor een bepaalde locatie wordt bij voorrang verleend aan de houder van een exploratievergunning voor die locatie, mits de exploratie van die locatie voltooid is, aan alle voorwaarden van de exploratievergunning is voldaan en de aanvraag voor een opslagvergunning conform artikel D.XI.5, § 3, is ingediend tijdens de geldigheidsduur van de exploratievergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.5. § 1. De vergunningsaanvraag wordt in vijf exemplaren aan de Regering gestuurd. § 2. De aanvraag tot opslagvergunning bevat minstens de volgende gegevens: 1° de naam, voornaam, hoedanigheid, nationaliteit en woonplaats van de aanvrager : a) als de aanvraag namens een vennootschap ingediend wordt, de handelsnaam, rechtsvorm en maatschappelijke zetel ervan, een exemplaar van de gecoördineerde statuten en de rechtvaardiging van de bevoegdheden van de persoon die de aanvraag ondertekend heeft;b) als de aanvraag ingediend wordt door verschillende vennootschappen die gezamenlijk en hoofdelijk handelen, moeten de gegevens betreffende de aanvrager door elk van hen verstrekt worden;2° de ligging en de beschrijving van de installaties en/of activiteiten gepland in het kader van de exploratie;3° de aard, de hoeveelheden en de significante gevolgen van de voorspelbare emissies van de exploratieactiviteit in elk milieu;4° de identificatie van de technieken voorzien om die emissies te voorkomen of, indien het niet mogelijk is, te beperken;5° de beschrijving van de erfdienstbaarheden door `s mensen toedoen en/of de verbintenissen uit overeenkomst betreffende het grondgebruik die zich tegen de exploratie verzetten;6° de duur van de aangevraagde exploratievergunning;7° de geografische grenzen ervan;8° de onderzoeksvergunningen voor mijnen en de mijnconcessies, de exclusieve vergunningen voor onderzoek naar en exploitatie van brandstofolie en -gas, de vergunningen voor exploratie en exploitatie van een geothermische laag, de exploratie- en opslagvergunningen afgegeven overeenkomstig dit decreet en de federale vergunningen voor de exploitatie van een locatie \"reservoirs voor de ondergrondse opslag van aardgas\" die geheel of gedeeltelijk opgenomen is in de gevraagde omtrek, in het bezit van de aanvrager of van derden;9° het algemeen programma en de fasering van de werken die de aanvrager van plan is uit te voeren tijdens de duur van de exploratievergunning;10° de minimale financiële investering die de aanvrager aan onderzoek belooft te besteden;11° de volgende documenten, ter bevestiging van de technische en financiële capaciteiten van de aanvrager om de werken te ondernemen en te leiden, alsook om te voldoen aan de verplichtingen die uit de toekenning van de exploratievergunning voortvloeien: a) de titels, diploma's en beroepsreferenties van de stafleden van het bedrijf die belast zijn met de leiding en de opvolging van de exploratie of exploitatiewerken; b) de lijst van de werken i.v.m. de exploratie of exploitatie van brandstofolie en -gas of van mijnen waaraan het bedrijf heeft deelgenomen in de loop van de laatste drie jaren, vergezeld van een bondige beschrijving van de belangrijkste werkzaamheden; c) een beschrijving van de menselijke en technische middelen voorzien voor de uitvoering van de werken;d) de laatste drie balansen en rekeningen van het bedrijf;e) de vastleggingen buiten balans van het bedrijf, de door hem toegestane garanties en borgtochten, een overzicht van de lopende geschillen en van de financiële risico's die daaruit kunnen voortvloeien voor het bedrijf;f) de garanties en borgtochten die het bedrijf geniet;g) elk ander geschikt document ter bevestiging van zijn financiële capaciteiten;h) alle door de ambtenaar voor de ondergrond gevraagde bijkomende informatie over de gegevens en stukken vermeld in deze paragraaf;12° de volgende cartografische documenten, van het algemene tot het nauwkeurigste, ondertekend door de aanvrager en overgelegd in omstandigheden waarin hun bewaring wordt gewaarborgd : a) een exemplaar van een kaart op kleine schaal 1/100 000 met de ligging van de gevraagde omtrek op een portie van het grondgebied van het Gewest b) een exemplaar van een kaart op grote schaal 1/20 000 met de toppen en grenzen van de gevraagde omtrek, de geografische en geodesische punten waarmee ze gedefinieerd worden en, desgevallend, de perken van de handelingen bedoeld onder punt 8° die geheel of gedeeltelijk opgenomen worden binnen die omtrek;13° een verslag ter bevestiging van de grenzen van die omtrek en ter verstrekking van informatie over de exploratie- of exploitatiewerkzaamheden die al uitgevoerd zijn binnen die omtrek, en de desbetreffende resultaten;14° een elektronisch afschrift van het aanvraagdossier. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot opslagvergunning bevat minstens de volgende gegevens: 1° de gegevens bedoeld in § 2, 1°, 5°, 7°, 8°, 10° en 11° ; 2° de karakterisering van de opslaglocatie en het opslagcomplex en een beoordeling van de verwachte veiligheid van de opslag overeenkomstig artikel D.XI.3, §§ 2 en 3; 3° de totale hoeveelheid CO2 die zal worden geïnjecteerd en opgeslagen, alsmede de toekomstige bronnen en transportmethoden, de samenstelling van de CO2-stromen, de injectiesnelheden en injectiedruk, en de locatie van de injectiefaciliteiten;4° een beschrijving van maatregelen om significante onregelmatigheden te voorkomen; 5° het voorgestelde monitoringsplan overeenkomstig artikel D.XI.23, § 2; 6° het voorgestelde plan met corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel D.XI.26, § 2; 7° een voorlopig plan voor de periode na afsluiting overeenkomstig artikel D.XI.27, § 3; 8° een onderzoek naar de milieueffecten van het project conform de bepalingen van Hoofdstuk III van Deel V van Boek I van het Milieuwetboek; 9° het bewijs dat de financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening als vereist uit hoofde van artikel D.XI.29rechtsgeldig en daadwerkelijk gesteld is voordat de injectie aanvangt 10° een elektronisch afschrift van het aanvraagdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.6. § 1. De aanvraag is onvolledig als gegevens of documenten ontbreken die bij artikel D.XI.5, § 2 of 3, vereist worden, al naar gelang het gaat om een aanvraag tot exploratievergunning of om een aanvraag tot opslagvergunning. § 2. De aanvraag is onontvankelijk als: 1° ze in overtreding van artikel D.XI.5, § 1, is ingediend; 2° ze tweemaal onvolledig bevonden wordt; 3° de aanvrager de aanvullende informatie niet verstrekt binnen de termijn bedoeld in artikel D.XI.7, § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.7. § 1. De Regering beslist over het volledige en ontvankelijke karakter van de aanvraag en stuurt de aanvrager een beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt verklaard binnen dertig dagen na de datum waarop zij de aanvraag ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag onvolledig is, zal de Regering de aanvrager een lijst van de ontbrekende documenten sturen en aangeven dat de procedure zal worden hervat vanaf de datum van ontvangst door de Regering. § 2. De aanvrager stuurt de Regering de gevraagde aanvullende informatie binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek om informatie. Als de aanvrager de gevraagde bijkomende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn heeft ingediend, verklaart de Regering de aanvraag onontvankelijk. De aanvullende informatie wordt verstrekt in evenveel exemplaren als de aanvankelijke vergunningsaanvraag er telt. § 3. Binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvullende informatie stuurt de overheid de aanvrager een beslissing over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Regering de aanvraag een tweede keer onvolledig bevindt, verklaart zij ze onontvankelijk. § 4. Als de aanvraag onontvankelijk is, wordt de aanvrager daarvan op de hoogte gebracht door Regering, onder de voorwaarden en binnen de termijnen bedoeld in de paragrafen 1 en 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.8. In de beslissing waarbij de Regering de aanvraag volledig en ontvankelijk verklaart overeenkomstig artikel D.XI.7, wijst ze de te raadplegen instanties aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.9. Als de Regering de beslissing bedoeld in artikel D.XI.7, § 1, lid 1 of die bedoeld in artikel D.XI.7, § 3, niet aan de aanvrager gestuurd heeft, wordt de aanvraag ontvankelijk bevonden na afloop van de termijnen waarin die bepalingen voorzien. De procedure wordt voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.10. De proceduretermijnen tot de besluitvorming bedoeld in artikel D.XI.15 worden berekend : 1° vanaf de datum van verzending door de Regering of haar afgevaardigde van de beslissing waaruit blijkt dat de aanvraag ontvankelijk is ; 2° zo niet, op de dag volgend op de termijn die haar toegestaan werd om haar beslissing m.b.t. het ontvankelijke karakter van de aanvraag te versturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.11. § 1. Het openbaar onderzoek betreffende de aanvraag tot opslagvergunning verloopt overeenkomstig Titel III, Hoofdstuk 3, van Deel 3 van Boek I van het Milieuwetboek. § 2. De dag waarop de Regering het volledige en ontvankelijke karakter van de aanvraag bevestigt overeenkomstig artikel D.XI.7 of na afloop van de termijn bedoeld in artikel D.XI.9, stuurt zij een afschrift van het aanvraagdossier alsook de eventuele bijkomende gegevens of documenten aan de gemeenten aangewezen overeenkomstig artikel D.29-4 van Boek I van het Milieuwetboek. § 3. Het bericht van openbaar onderzoek bedoeld in artikel D.29-7 van Boek I van het Milieuwetboek wordt aangeplakt binnen vijf dagen na ontvangst van de documenten bedoeld in § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gemeentecollege van elke gemeente waar een openbaar onderzoek is georganiseerd, stuurt binnen tien dagen na afsluiting van het onderzoek aan de Regering de geschreven en mondelinge bezwaren en bemerkingen geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek, met inbegrip van het proces-verbaal bedoeld in artikel D.29-19 van Boek I van het Milieuwetboek. Zij voegt er eventueel haar advies bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.12. De dag waarop de Regering het volledige en ontvankelijke karakter van de aanvraag bevestigt overeenkomstig artikel D.XI.7 of na afloop van de termijn bedoeld in artikel D.XI.9, stuurt zij een afschrift van het aanvraagdossier alsook de eventuele bijkomende gegevens of documenten voor advies aan de instanties die ze overeenkomstig artikel D.XI.8 aanwijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die instanties versturen hun advies binnen een termijn van honderdvijftig dagen, te rekenen van de datum van hun aanhangigmaking bij de Regering of haar afgevaardigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de maand van de dag waarop de Regering de aanvraag tot opslagvergunning volledig en ontvankelijk acht, geeft ze de Europese Commissie kennis van het feit dat die aanvraag te harer beschikking ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.13. § 1. Op basis van de ingewonnen adviezen maakt de Regering binnen een termijn van tweehonderd dagen een syntheseverslag op met de in de loop van de procedure ingewonnen adviezen en een voorstel van besluit waarin, desgevallend, exploitatievoorwaarden opgenomen zijn. Zij deelt dat mede aan de aanvrager. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde termijn kan worden verlengd. De duur van de verlenging mag hoogstens honderd dagen bedragen. Deze beslissing wordt aan de aanvrager gestuurd binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1. § 3. Als de aanvraag de afgifte van een opslagvergunning betreft, stuurt de Regering of de aanvraag tot opslagvergunning, het syntheseverslag en het bij dat verslag gevoegde ontwerp van besluit aan de Europese Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van de datum van die verzending wordt de procedure gedurende vier maanden opgeschort, tenzij de Europese Commissie de Regering kennis heeft gegeven van haar besluit geen advies omtrent het ontwerp uit te brengen. In dit geval eindigt de opschorting zodra dat besluit in ontvangst genomen wordt door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na afloop van de termijn bedoeld in het tweede lid, beslist de Regering of haar afgevaardigde over de aanvraag binnen de termijn bedoeld in artikel D.XI.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.14. Als het syntheseverslag niet binnen de toegestane termijn is opgemaakt, zet de Regering de procedure voort, rekening houdend met, o.a., het effectbeoordelingsdossier en met alle andere informatie waarover ze beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag de afgifte van een opslagvergunning betreft, stuurt de Regering de elementen bedoeld in het eerste lid aan de Europese Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van de datum van de verzending bedoeld in het tweede lid wordt de procedure gedurende vier maanden opgeschort, tenzij de Europese Commissie de Regering kennis heeft gegeven van haar besluit geen advies omtrent het ontwerp uit te brengen. In dit geval eindigt de opschorting zodra het besluit in ontvangst genomen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na afloop van de termijn bedoeld in het derde lid beslist de Regering over de aanvraag binnen de termijn bedoeld in artikel D.XI.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.15. De Regering stuurt haar besluit aan de aanvrager alsook, per gewone post, aan elke geraadpleegde autoriteit of administratie binnen een termijn van tweehonderdvijftig dagen, desnoods verlengd met de termijn bedoeld in artikel D.XI.13, § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het syntheseverslag opgemaakt wordt voor afloop van de termijn bedoeld in artikel D.XI.13, § 1, stuurt de Regering haar besluit aan de aanvrager alsook, per gewone post, aan elke geraadpleegde autoriteit of administratie binnen een termijn van vijftig dagen, te rekenen van de datum waarop dat syntheseverslag is opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Regering afwijkt van het advies van de Europese Commissie, geeft zij de redenen op.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering geeft de Europese Commissie kennis van haar besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.16. De vergunning wordt geacht te zijn geweigerd als het besluit niet is verstuurd binnen de termijn bepaald bij artikel D.XI.15.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen betreffende de exploratievergunning</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.17. § 1. Het besluit tot toekenning van een exploratievergunning bevat ten minste : 1° de naam en het adres van de houder van de vergunning;2° de geldigheidsduur van de vergunning;3° de modaliteiten tot verlenging van de vergunning wanneer blijkt dat de geldigheidsduur ervan niet volstaat om de exploratie tot een goed einde te brengen indien ze overeenkomstig de vergunning is uitgevoerd ;4° de geografische grenzen waarbinnen de exploratie uitgevoerd kan worden ; 5° de modaliteiten volgens welke en de frequentie waaraan de houder van de vergunning de Regering kennisgeeft van de elementen bedoeld in artikel D.XI.24. § 2. De exploratievergunning wordt afgegeven voor een beperkt volume en voor de duur die nodig is voor de exploratie. § 3. De Regering kan bijkomende elementen toevoegen in het besluit tot toekenning van de exploratievergunning.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3. - Bijzondere bepalingen betreffende de opslagvergunning</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.18. De Regering geeft de opslagvergunning pas af als ze zich op basis van de overeenkomstig artikel D.XI.5ingediende aanvraag en van elke andere relevante informatie ervan vergewist heeft dat : 1° alle eisen gesteld bij of krachtens dit deel en de overige relevante wettelijke of reglementaire bepalingen die volgen op eisen van Europees recht vervuld zijn ;2° de exploitant financieel solide en technisch bekwaam en betrouwbaar is om de locatie te exploiteren en te beheren;3° er is gezorgd voor professionele en technische ontwikkeling en training van de exploitant en van alle personeel;4° indien zich in dezelfde hydraulische eenheid meer dan één opslaglocatie bevindt, de potentiële drukinteracties zodanig zijn dat beide locaties tegelijk aan de eisen van dit deel kunnen voldoen. De Regering neemt elk overeenkomstig de artikelen D.XI.13, § 3, en D.XI.14 uitgebracht advies van de Europese Commissie over het ontwerp-opslagvergunning in overweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.19. § 1. Het besluit tot toekenning van een opslagvergunning bevat ten minste : 1° de naam en het adres van de exploitant;2° de nauwkeurige ligging en begrenzing van de opslaglocatie en het opslagcomplex, en informatie betreffende de hydraulische eenheid;3° de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor de opslagoperatie, de totale hoeveelheid CO2 waarvoor geologische opslag is toegestaan, de reservoirdrukgrenzen en de maximale injectiesnelheden en -drukken; 4° de voorschriften voor de samenstelling van de CO2-stroom en de CO2-stroomaanvaardingsprocedure overeenkomstig artikel D.XI.22, en, wanneer nodig, verdere voorschriften voor injectie en opslag, met name om significante onregelmatigheden te voorkomen; 5° het goedgekeurde monitoringsplan, de verplichting om dit plan ten uitvoer te leggen en eisen voor de actualisering ervan overeenkomstig artikel D.XI.23, alsmede de rapporteringsverplichtingen overeenkomstig artikel D.XI.24; 6° de eis om de Regering in kennis te stellen wanneer zich lekkages of significante onregelmatigheden voordoen, het goedgekeurde plan met corrigerende maatregelen en de verplichting om dit plan overeenkomstig artikel D.XI.26 ten uitvoer te leggen wanneer zich lekkages of significante onregelmatigheden voordoen; 7° de voorwaarden voor afsluiting en het goedgekeurde voorlopige plan voor de periode na afsluiting als bedoeld in artikel D.XI.27; 8° alle bepalingen betreffende wijziging, evaluatie, actualisering en intrekking van de opslagvergunning overeenkomstig artikel D.XI.20; 9° de eis om de financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening te stellen en aan te houden overeenkomstig artikel D.XI.29. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering kan bijkomende elementen toevoegen in het besluit tot toekenning van de opslagvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.20. § 1. De exploitant informeert de Regering over alle geplande wijzigingen van de exploitatie van een opslaglocatie, met inbegrip van wijzigingen in verband met de exploitant. Indien nodig actualiseert de Regering de opslagvergunning of de vergunningsvoorwaarden. § 2. Er mag geen belangrijke wijziging ten uitvoer worden gelegd zonder dat een nieuwe of geactualiseerde opslagvergunning bij of krachtens dit deel wordt verleend. § 3. De Regering evalueert en, waar nodig, actualiseert de opslagvergunning, of trekt deze in : 1° wanneer zij overeenkomstig artikel D.XI.26, § 1, in kennis is gesteld of op de hoogte is gebracht van lekkages of significante onregelmatigheden; 2° wanneer uit de overeenkomstig artikel D.XI.24 ingediende verslagen of de overeenkomstig artikel D.XI.25 uitgevoerde milieu-inspecties blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd of dat er risico is op lekkages of significante onregelmatigheden; 3° wanneer zij op de hoogte is van andere inbreuken van de exploitant op de vergunningsvoorwaarden;4° indien dit noodzakelijk blijkt op basis van de recentste wetenschappelijke bevindingen en technologische vooruitgang;5° onverminderd het bepaalde in punten 1° tot 4°, vijf jaar na het verlenen van de vergunning en vervolgens om de tien jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Regering overweegt een opslagvergunning te actualiseren of in te trekken, verwittigt ze de exploitant, behoudens speciaal gemotiveerde dringende noodzakelijkheid. De exploitant beschikt over een termijn van dertig dagen om zijn opmerkingen schriftelijk aan de Regering te sturen alsook om aan te geven dat hij wenst gehoord te worden. De Regering zal de exploitant onmiddellijk op de hoogte brengen van de datum en plaats van de hoorzitting, die binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek om een hoorzitting zal plaatsvinden. § 4. Nadat een opslagvergunning is ingetrokken overeenkomstig § 3, verleent de Regering een nieuwe opslagvergunning of sluit zij de opslaglocatie af overeenkomstig artikel D.XI.27, § 1, 3°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totdat een nieuwe opslagvergunning is verleend, neemt de Regering tijdelijk alle wettelijke verplichtingen op zich betreffende 1° de aanvaardingscriteria indien zij besluit de CO2-injecties voort te zetten;2° de monitoring en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de voorschriften van dit deel;3° het inleveren van rechten in geval van lekkage overeenkomstig het decreet van 10 november 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2004 numac 2004203609 bron ministerie van het waalse gewest Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/2004 numac 2004027248 bron ministerie van het waalse gewest Decreet houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2004 sluiten; 4° preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig de artikelen D.112, eerste lid, en D.113, eerste lid, van Boek I van het Milieuwetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering verhaalt alle kosten op de vorige exploitant, onder meer door de financiële zekerheid bedoeld in artikel D.XI.29 aan te spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de opslaglocatie wordt afgesloten overeenkomstig artikel D.XI.27, § 1, 3°, is artikel D.XI.27, § 4, van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 4. - Gebruikmaking van gronden</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.21. § 1. De houder van een exploratie- of opslagvergunning kan, binnen het door de vergunning afgebakende gebied en onder de hieronder opgesomde voorwaarden, gronden in bezit nemen om er alle nodige gebouwen en bovengrondse installaties op te richten en de werkzaamheden uit te voeren die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de activiteiten waarop de vergunning betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebruikmaking van gronden waarop gebouwen opgericht zijn wordt dwingend onderworpen aan de toestemming van alle rechthebbenden op de grondoppervlakte en de gebouwen die erop staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het tweede lid, zijn de rechthebbenden op de grondoppervlakte ertoe verplicht de houder van een krachtens dit deel verleende exploratie- of opslagvergunning toestemming te geven om er handelingen inzake exploratie of geologische opslag van kooldioxide uit te voeren, overeenkomstig de regels waaraan die activiteiten onderworpen zijn, als ze plaatsvinden op een diepte van minstens 800 meter onder de grondoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verplichting doet geen afbreuk aan het recht op vergoeding van de rechthebbenden voor de schade toegebracht aan de grondoppervlakte en aan de gebouwen die erop staan, noch aan de voorafgaande vergoeding wegens verlies van genot ten gevolge van de gebruikmaking van hun gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebruikmaking van andere gronden dan die bedoeld in het tweede lid is pas mogelijk na betaling van een jaarlijkse vergoeding aan alle houders van een zakelijk recht op bedoelde grondoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de artikelen 45 en 46 van de pachtwet wordt een vergoeding betaald aan de pachters van wie de lopende pachtovereenkomst ontbonden wordt op basis van artikel 6, § 3, van de pachtwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan overeenkomst wordt het bedrag van de vergoeding van de houders van een zakelijk recht op verzoek van de meest gerede partij bepaald door de vrederechter, die, desnoods, een beroep op deskundigen terzake kan doen. De vergoeding is gelijk aan minstens anderhalve keer het bedrag van de inkomsten die de gronden aan de houder van het zakelijk recht opgebracht zouden hebben als ze niet gebruikt zouden zijn geweest. § 2. De gebouwen en installaties opgericht door de houder van de vergunning blijven eigendom van de oorspronkelijke eigenaar, in afwijking van artikel 546 van het oud Burgerlijk wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 555 van het oud Burgerlijk wetboek is niet van toepassing op laatstgenoemde, noch op de houder van de vergunning. § 3. De gebruikmaking van gronden door de houder van de vergunning is een precair recht dat in ieder geval en uiterlijk vervalt op de uiterste geldigheidsdatum van de vergunning. De houder van de vergunning is ertoe verplicht de op die gronden door zijn toedoen opgerichte gebouwen en installaties te verwijderen binnen zes maanden na afloop van de vergunning of de stopzetting van de vergunde activiteiten. § 4. De eigenaar van de gronden of gebouwen kan de vrederechter erom verzoeken de houder van de vergunning te veroordelen tot de terugkoop ervan. De vrederechter willigt dat verzoek in als na afloop van de activiteiten waarop de vergunning betrekking heeft de gronden of de gebouwen die er opgericht zijn niet meer geschikt zijn of zullen zijn voor het gebruik dat ervan gemaakt werd voor de inbezitneming of als de duur van de inbezitneming tot gevolg heeft dat de eigenaar bovenmaats uit zijn ongestoord genot ontzet wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan overeenkomst wordt de verkoopprijs op verzoek van de meest gerede partij bepaald door de vrederechter, die, desnoods, een beroep op deskundigen terzake kan doen. De verkoopprijs is in ieder geval gelijk aan anderhalve keer de waarde van die gronden of de gebouwen voor de gebruikmaking ervan. De vergoedingen die al betaald werden aan de eigenaar in het kader van paragraaf 1 worden in aanmerking genomen bij de bepaling van de verkoopprijs. § 5. De rechthebbenden op de grondoppervlakte ter hoogte van de opslaginstallaties waarvoor de verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel D.XI.28 is overgedragen aan het Waals Gewest, zijn ertoe verplicht altijd vrije toegang tot die installaties te verlenen voor inspectie-, toezichts- en onderhoudshandelingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 5. - Verplichtingen voor exploitatie, afsluiting en periode na afsluiting</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.22. § 1. Een CO2-stroom moet voor het overgrote gedeelte bestaan uit kooldioxide. Om dat te waarborgen, mag geen afval of ander materiaal worden toegevoegd met het doel zich van dat afval of ander materiaal te ontdoen. Een CO2-stroom kan echter stoffen bevatten die per ongeluk zijn gecombineerd bij de bron of tijdens afvang- of injectieactiviteiten, en er kunnen spoorstoffen worden toegevoegd om CO2-migratie te helpen controleren en beheersen. De concentraties van alle stoffen die per ongeluk zijn geassocieerd of toegevoegd, liggen onder de niveaus die waarschijnlijk : 1° de integriteit van de opslaglocatie of van de relevante transportinfrastructuur in het gedrang brengen;2° een significant risico voor het milieu of de volksgezondheid vormen, of ;3° in strijd zijn met de voorschriften van de toepasselijke wetgeving. § 2. Voor het vervullen van de criteria bedoeld in § 1 houdt de exploitant zich aan de richtsnoeren vastgesteld door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 12, § 2, van richtlijn 2009/31/EG. § 3. De exploitant aanvaardt alleen CO2-stromen en injecteert deze alleen indien een analyse van hun samenstelling, met inbegrip van corrosieve stoffen, en een risicobeoordeling zijn uitgevoerd, en indien de risicobeoordeling heeft uitgewezen dat de verontreinigingsniveaus voldoen aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij houdt voor elke injectielocatie een register bij van de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde en geïnjecteerde CO2-stromen, met inbegrip van hun samenstelling. § 4. De Regering kan de niveaus bepalen die de integriteit van de opslaglocatie of van de relevante transportinfrastructuur in het gedrang brengen, een significant risico voor het milieu of de volksgezondheid vormen of in strijd zijn met de voorschriften van de toepasselijke wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze kan ook de methodes voor de berekening van die niveaus bepalen, desgevallend met inachtneming van door de Europese Commissie vast te stellen richtsnoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.23. § 1. De exploitant monitort de injectiefaciliteiten, het opslagcomplex inclusief waar mogelijk de CO2 -verspreidingszone, en, in voorkomend geval, het omliggende milieu, met als doel: 1° het vergelijken van het feitelijk en het gemodelleerd gedrag van het CO2- en het formatiewater in de opslaglocatie;2° het detecteren van significante onregelmatigheden;3° het detecteren van CO2-migratie;4° het detecteren van CO2-lekkage;5° het detecteren van significante negatieve effecten voor het omliggende milieu en voor met name het drinkwater, de omwonende bevolking of de gebruikers van de biosfeer in de omgeving; 6° het evalueren van de doeltreffendheid van eventuele overeenkomstig artikel D.XI.26 getroffen corrigerende maatregelen; 7° het actualiseren van de veiligheids- en integriteitsbeoordeling van het opslagcomplex op korte en lange termijn, met inbegrip van de beoordeling van de vraag of het opgeslagen CO2 volledig en permanent is ingesloten. § 2. De monitoring bedoeld in § 1 gebeurt op basis van een monitoringsplan dat door de exploitant is uitgewerkt overeenkomstig de eisen van bijlage 2, met inbegrip van de monitoringsspecificaties overeenkomstig de voorschriften van het besluit van de Waalse Regering van 13 december 2012Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/07/1973 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/08/2010 numac 2010000473 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie sluiten8 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de bedrijven die een activiteit met CO2-emissies uitoefenen en de richtsnoeren vastgelegd krachtens artikel 14 en artikel 23, § 2, van richtlijn 2003/87/EG van het Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit plan wordt geactualiseerd overeenkomstig het bepaalde in bijlage 2 en zulks in ieder geval om de vijf jaar, teneinde rekening te houden met de wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico, de wijzigingen in de beoordeelde risico's voor het milieu en de volksgezondheid, nieuwe wetenschappelijk kennis en verbeteringen inzake de best beschikbare techniek Geactualiseerde plannen worden opnieuw ter goedkeuring bij de Regering ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.24. Met een door de Regering te bepalen frequentie en in ieder geval ten minste om één keer per jaar dient de exploitant bij haar de volgende gegevens in: 1° alle resultaten van de monitoring overeenkomstig artikel D.XI.23 tijdens de verslagperiode, met inbegrip van de informatie over de gebruikte monitoringstechnologie; 2° de hoeveelheden en kenmerken van de tijdens de verslagperiode geleverde en geïnjecteerde CO2-stromen, met inbegrip van de samenstelling van deze stromen, als geregistreerd overeenkomstig artikel D.XI.22, § 3, tweede lid; 3° het bewijs dat een financiële zekerheid is gesteld en aangehouden wordt overeenkomstig artikel D.XI.29 en artikel D.XI.19, § 1, 9° ; 4° alle andere informatie die de Regering als relevant beschouwt voor het beoordelen van de naleving van de opslagvergunningsvoorwaarden en het vergroten van de kennis van het CO2-gedrag in de opslaglocatie. TITEL 6. - Monitoring en administratieve maatregelen Art. D.XI.25. § 1. De Regering zet een systeem van routinematige en niet-routinematige inspecties van alle binnen de werkingssfeer van dit deel vallende opslagcomplexen op met het doel de naleving van de eisen van dit deel te controleren en te bevorderen en de effecten op het milieu en de volksgezondheid te monitoren. § 2. Inspecties bestaan uit activiteiten zoals het bezoeken van de bovengrondse installaties, inclusief de injectiefaciliteiten, het beoordelen van de injectie- en monitoringswerkzaamheden van de exploitant en het controleren van alle relevante door de exploitant bijgehouden gegevens. § 3. Routine-inspecties worden ten minste jaarlijks uitgevoerd, tot drie jaar na de afsluiting, en vijfjaarlijks totdat de verantwoordelijkheid aan het Waalse Gewest is overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij worden de relevante injectie- en monitoringsfaciliteiten onderzocht, alsmede alle relevante gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid van het opslagcomplex. § 4. Er worden niet-routinematige inspecties uitgevoerd : 1° wanneer de Regering overeenkomstig artikel D.XI.26, § 1, in kennis is gesteld of op de hoogte is gebracht van lekkages of significante onregelmatigheden; 2° wanneer uit de verslagen overeenkomstig artikel D.XI.24 blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet voldoende worden nageleefd ; 3° om ernstige klachten betreffende het milieu of de volksgezondheid te onderzoeken;4° in alle situaties waarin de Regering of haar afgevaardigde dergelijke inspecties passend acht. § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering stelt een verslag op met de inspectieresultaten. In dit verslag wordt naleving van de eisen van dit deel geëvalueerd en wordt aangegeven of verdere actie al dan niet vereist is. Het verslag wordt binnen een periode van twee maanden na de inspectie ter kennis gebracht van de betrokken exploitant en voor het publiek beschikbaar gesteld. § 6. De Regering kan een beroep doen op de diensten van een deskundige bij het nemen van de monitoringmaatregelen bedoeld in dit artikel. § 7. De Regering kan bijkomende inspectie- en monitoringmaatregelen bepalen overeenkomstig dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.26. § 1. Bij lekkages of significante onregelmatigheden verwittigt de exploitant onmiddellijk de Regering alsook de betrokken burgemeester en provinciegouverneur. Hij treft de nodige corrigerende maatregelen, waaronder maatregelen betreffende de bescherming van de volksgezondheid. In geval van lekkages en significante onregelmatigheden die een lekkagerisico inhouden, stelt de exploitant ook de in artikel 10, § 1, eerste lid, van het decreet van 10 november 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2004 numac 2004203609 bron ministerie van het waalse gewest Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/2004 numac 2004027248 bron ministerie van het waalse gewest Decreet houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2004 sluiten bedoelde autoriteit daarvan in kennis. § 2. De in § 1 bedoelde corrigerende maatregelen worden getroffen met als minimumbasis het plan met corrigerende maatregelen dat overeenkomstig artikel D.XI.5, § 3, 6°, en artikel D.XI.19, § 1, 6°, bij de Regering is ingediend. § 3. De Regering kan van de exploitant op elk moment eisen de nodige corrigerende maatregelen te treffen, alsmede maatregelen betreffende de bescherming van de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze kunnen een aanvulling zijn op of verschillen van die welke in het plan met corrigerende maatregelen zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering kan ook altijd zelf corrigerende maatregelen treffen. § 4. Wanneer de exploitant nalaat de nodige corrigerende maatregelen te treffen, neemt de Regering de vereiste corrigerende maatregelen zelf. § 5. De staat van de kosten gemaakt in het kader van de maatregelen bedoeld in de §§ 3 en 4 heeft uitvoerende kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering verhaalt die kosten op de exploitant, met inbegrip van het aanspreken van de financiële zekerheid bepaald bij artikel D.XI.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.27. § 1. Een opslaglocatie wordt afgesloten : 1° als de in de vergunning vervatte relevante voorwaarden zijn vervuld;2° op met bewijsmateriaal gestaafd verzoek van de exploitant, na instemming van de Regering; 3° als de Regering daartoe het besluit treft na intrekking van een opslagvergunning overeenkomstig artikel D.XI.20, § 3. § 2. Nadat een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig § 1, 1° of 2°, blijft de exploitant verantwoordelijk voor de monitoring, de rapportering en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de eisen van dit deel, en blijft hij verantwoordelijk voor alle verplichtingen inzake het inleveren van rechten in geval van lekkage overeenkomstig het decreet van 10 november 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2004 numac 2004203609 bron ministerie van het waalse gewest Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/2004 numac 2004027248 bron ministerie van het waalse gewest Decreet houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2004 sluiten, en preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig de artikelen D.112 tot D.129 van Boek 1 van het Milieuwetboek, totdat de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie wordt overgedragen aan het Waals Gewest overeenkomstig artikel D.XI.28, §§ 1 tot 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant is ook verantwoordelijk voor de afdichting van de opslaglocatie en de verwijdering van de injectiefaciliteiten. § 3. Aan de in lid 2 bedoelde verplichtingen wordt voldaan op basis van een door de exploitant opgesteld plan voor de periode na afsluiting dat in overeenstemming is met de beste praktijken en de voorschriften van bijlage 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorlopig plan voor de periode na afsluiting wordt ingediend bij en goedgekeurd door de Regering of haar afgevaardigde overeenkomstig artikel D.XI.5, § 3, 7°, en artikel D.XI.19, § 1, 7°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een opslaglocatie wordt afgesloten overeenkomstig § 1, 1° of 2°, wordt het voorlopige plan voor de periode na afsluiting: 1° naargelang nodig geactualiseerd op basis van de uit te voeren risicoanalyse, van de beste praktijken en technologische verbeteringen;2° ter goedkeuring voorgelegd aan de Regering;3° door de Regering goedgekeurd als definitief plan voor de periode na afsluiting. § 4. Nadat een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig § 1, 3°, is het Waalse Gewest verantwoordelijk voor de monitoring en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de eisen van dit deel, alsook voor alle verplichtingen inzake het inleveren van rechten in geval van lekkages overeenkomstig het decreet van 10 november 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2004 numac 2004203609 bron ministerie van het waalse gewest Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/2004 numac 2004027248 bron ministerie van het waalse gewest Decreet houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2004 sluiten en de preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig de artikelen D.112, eerste lid, en D.113, eerste lid, van Boek I van het Milieuwetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan bij dit deel vastgestelde voorschriften voor de periode na afsluiting wordt door het Waalse Gewest voldaan op basis van het voorlopige en eventueel geactualiseerde plan voor de periode na afsluiting als bedoeld in § 3. § 5. De staat van de kosten gemaakt in het kader van de maatregelen bedoeld in § 4 wordt opgemaakt en goedgekeurd door de Regering. Die staat heeft uitvoerende kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering verhaalt die kosten op de exploitant, met inbegrip van het aanspreken van de financiële zekerheid bepaald bij artikel D.XI.29.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 7. - Overdracht van verantwoordelijkheid</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.28. § 1. Wanneer een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel D.XI.27 worden alle wettelijke verplichtingen betreffende de monitoring en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de eisen van dit decreet, het inleveren van rechten in geval van lekkages overeenkomstig het decreet van 10 november 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2004 numac 2004203609 bron ministerie van het waalse gewest Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/2004 numac 2004027248 bron ministerie van het waalse gewest Decreet houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2004 sluiten en de preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig de artikelen D.112, eerste lid, en D.113, eerste lid, van Boek I van het Milieuwetboek overgedragen aan het Waalse Gewest op initiatief van de Regering of haar afgevaardigde of op verzoek van de exploitant, als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° alle beschikbare gegevens tonen aan dat het opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft;2° een door de Regering te bepalen minimumperiode is verstreken.Deze minimumperiode bedraagt ten minste twintig jaar, tenzij de Regering of haar afgevaardigde ervan overtuigd is dat vóór het verstrijken van die periode aan het onder 1° bedoelde criterium is voldaan; 3° de financiële verplichtingen bedoeld in artikel D.XI.30 zijn nagekomen; 4° de locatie is met zorg afgedicht en de injectiefaciliteiten zijn verwijderd. § 2. De exploitant maakt een verslag op waarin wordt aangetoond dat aan de voorwaarde van § 1, 1°, is voldaan en dient dit bij de Regering of haar afgevaardigde in opdat deze laatste de overdracht van verantwoordelijkheid kan goedkeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verslag toont ten minste aan dat: 1° het feitelijke gedrag van het geïnjecteerde CO2 in overeenstemming is met het gemodelleerde gedrag ;2° er geen detecteerbare lekken zijn ;3° de opslaglocatie evolueert naar een toestand van langetermijnstabiliteit. De Regering kan de modaliteiten vastleggen voor de beoordeling van de gegevens bedoeld in het tweede lid, waarin eventuele implicaties belicht worden voor de technische criteria betreffende de bepaling van de in § 1, 2°, bedoelde minimumperiodes, rekening houdend met de richtsnoeren aangenomen door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 18, § 8, van Richtlijn 2009/31/EG. § 3. Wanneer de Regering zich ervan heeft vergewist dat de voorwaarden bedoeld in § 1, 1° en 2°, zijn vervuld, stelt zij een ontwerp-besluit ter goedkeuring van de overdracht van de verantwoordelijkheid op. Het ontwerp-besluit legt de wijze vast waarop wordt vastgesteld dat aan de voorwaarden bedoeld in § 1, 4°, is voldaan, en bevat ook geactualiseerde voorschriften voor het afdichten van de opslaglocatie en het verwijderen van de injectiefaciliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de Regering van oordeel is dat de voorwaarden bedoeld in § 1, 1° en 2°, niet werden vervuld, brengt zij de exploitant van haar motieven op de hoogte. § 4. De Regering stelt de in § 2 bedoelde verslagen binnen een maand na ontvangst ter beschikking van de Commissie. Zij verstrekt ook alle andere relevante documentatie die ze in overweging neemt bij het opstellen van een ontwerp van goedkeuringsbesluit over de overdracht van verantwoordelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij stuurt de Commissie overeenkomstig § 3 opgestelde ontwerp-besluiten ter goedkeuring van de overdracht, inclusief de overige documentatie die voor de vaststelling van haar besluit relevant wordt geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering schort haar beslissing op gedurende een termijn van vier maanden, te rekenen van de datum van die verzending, tenzij de Europese Commissie aangeeft dat ze besluit geen advies uit te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval wordt de procedure slechts voor de duur van één maand opgeschort, te rekenen van de datum van verzending van het ontwerp-besluit ter goedkeuring. § 5. Als de Regering zich ervan heeft vergewist dat de voorwaarden bedoeld in § 1, 1° tot 4°, zijn vervuld, neemt zij een definitief besluit dat zij aan de exploitant stuurt. De Regering stuurt ook het definitief besluit naar de Commissie, met opgave van redenen als ze afwijkt van het advies van de Commissie. § 6. Na de overdracht van de verantwoordelijkheid worden de routine-inspecties bedoeld in artikel D.XI.25, § 3, stopgezet en kan de monitoring worden beperkt tot het niveau waarop lekkages of significante onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Wanneer echter lekkages of significante onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt de monitoring geïntensiveerd teneinde de omvang van het probleem en de doeltreffendheid van de corrigerende maatregelen te beoordelen. § 7. In het geval van een fout van de exploitant, waaronder onvoldoende gegevens, verzwijgen van relevante informatie, nalatigheid, opzettelijke misleiding of gebrek aan zorgvuldigheid, zal de Regering alle kosten die worden gemaakt na de overdracht van de verantwoordelijkheid verhalen op de voormalige exploitant.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering maakt een staat van de in die context gemaakte kosten op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die staat heeft uitvoerende kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel D.XI.30 worden geen verdere kosten verhaald na de overdracht van de verantwoordelijkheid. § 8. Wanneer een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel D.XI.27, § 1, 3°, wordt de overdracht van verantwoordelijkheid geacht plaats te vinden wanneer en op voorwaarde dat uit alle beschikbare gegevens blijkt dat het opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft en nadat de locatie is afgedicht en de injectiefaciliteiten zijn verwijderd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 8.- Financiële bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.29. § 1. De potentiële exploitant levert als onderdeel van zijn aanvraag voor een opslagvergunning het bewijs dat passende regelingen kunnen worden getroffen, in de vorm van een financiële zekerheid of een andere gelijkwaardige regeling, om te waarborgen dat wordt voldaan aan alle verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomstig dit deel verleende vergunning, met inbegrip van de voorschriften voor afsluiting en de periode na afsluiting en de preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig de artikelen D.112, eerste lid, en D.113, eerste lid, van Boek 1 van het Milieuwetboek, alsmede aan de verplichtingen die voortvloeien uit het opnemen van de opslaglocatie in de werkingssfeer van het besluit van 10 november 2004, eerste lid, en D.113, eerste lid, van Boek 1 van het Milieuwetboek, alsmede de verplichtingen die voortvloeien uit het opnemen van de opslaglocatie in de werkingssfeer van het besluit van 10 november 2004, worden nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze financiële zekerheid is rechtsgeldig en daadwerkelijk gesteld voordat de injectie aanvangt. § 2. De financiële zekerheid wordt periodiek bijgesteld teneinde rekening te houden met wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico en de geraamde kosten van alle verplichtingen uit hoofde van een overeenkomstig dit decreet verleende vergunning alsmede van alle verplichtingen ten gevolge van de opname van de opslaglocatie in de werkingssfeer van het decreet van 10 november 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2004 numac 2004203609 bron ministerie van het waalse gewest Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1) type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/11/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/2004 numac 2004027248 bron ministerie van het waalse gewest Decreet houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2004 sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële zekerheid wordt slechts met de schriftelijke en uitdrukkelijke instemming van de Regering, die de nieuwe overeenkomst of het aanhangsel moet viseren, rechtsgeldig aangenomen. § 3. De in § 1 bedoelde financiële zekerheid of gelijkwaardige voorziening blijft rechtsgeldig en daadwerkelijk gesteld: 1° nadat een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel D.XI.27, § 1, 1° of 2°, totdat de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie is overgedragen aan de Regering overeenkomstig artikel D.XI.28, §§ 1 tot 5; 2° na de intrekking van een opslagvergunning overeenkomstig artikel D.XI.20, § 3 : a) totdat een nieuwe opslagvergunning is uitgereikt; b) wanneer de locatie is afgesloten overeenkomstig artikel D.XI.27, § 1, 3°, totdat de overdracht van de verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 29, § 8, op voorwaarde dat is voldaan aan de in artikel 31 bedoelde financiële verplichtingen. § 4. De Regering kan bepalen volgens welke modaliteiten de financiële zekerheid gesteld moet worden en bevrijd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.30. § 1. De exploitant stelt een financiële bijdrage beschikbaar aan de Regering, voordat de overdracht van de verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel D.XI.28 heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bijdrage van de exploitant wordt rekening gehouden met de in bijlage 1 bedoelde parameters en elementen inzake de voorgeschiedenis van de CO2-opslag die relevant zijn voor het bepalen van de verplichtingen die na de overdracht gelden; de bijdrage dient ten minste de geraamde monitoringkosten voor een periode van dertig jaar te dekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze financiële bijdrage kunnen de door de Regering na de overdracht van de verantwoordelijkheid gemaakte kosten worden gedekt om ervoor te zorgen dat het CO2 volledig en permanent in de geologische opslaglocaties ingesloten is. § 2. De Regering kan aanvullende voorwaarden met betrekking tot de in lid 1 bedoelde financiële bijdrage vaststellen, rekening houdend met de door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 20, § 2 van Richtlijn 2009/31/EG vastgestelde richtsnoeren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 9. - Toegang door derden</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.31. § 1. Potentiële gebruikers krijgen overeenkomstig dit artikel toegang tot de transportnetwerken en tot opslaglocaties met het oog op de geologische opslag van geproduceerd en afgevangen CO2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant van het transportnetwerk verleent de toegang bedoeld in het eerste lid op een transparante en niet-discriminerende manier en onder door de hem vastgestelde modaliteiten die door de Regering goedgekeurd worden, rekening houdend met de volgende elementen: 1° de opslagcapaciteit die beschikbaar is of redelijkerwijs beschikbaar kan worden gesteld, alsmede de transportcapaciteit die beschikbaar is of redelijkerwijs beschikbaar kan worden gesteld;2° het gedeelte van de CO2-emissiereductieverplichtingen van het Gewest dat het wil nakomen door CO2 af te vangen en geologisch op te slaan;3° de noodzaak toegang te weigeren wanneer er sprake is van onverenigbaarheid van technische specificaties die redelijkerwijs niet kan worden overwonnen 4° de noodzaak van inachtneming van de gegronde en redelijke behoeften van de eigenaar of exploitant van de opslaglocatie of het transportnetwerk evenals van de belangen van alle andere gebruikers van de opslaglocatie of het transportnetwerk of de relevante behandelingsfaciliteiten. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Exploitanten van transportnetwerken en exploitanten van opslaglocaties kunnen toegang weigeren op grond van een gebrek aan capaciteit. Dergelijke weigeringen worden steeds naar behoren gemotiveerd. § 3. Een exploitant die toegang weigert op grond van een gebrek aan capaciteit of verbindingsmogelijkheden voert de nodige capaciteitverhogende werkzaamheden uit voor zover dit economisch verantwoord is of wanneer de potentiële klant bereid is daarvoor te betalen, op voorwaarde dat dit geen negatief effect heeft op de milieuveiligheid van het transport en de geologische opslag van CO2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.32. In het geval van grensoverschrijdende geschillen worden de geschillenbeslechtingsprocedures toegepast van de lidstaat met jurisdictie over het transportnetwerk of de opslaglocatie waartoe toegang is geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer, bij grensoverschrijdende geschillen, meer dan één lidstaat jurisdictie heeft over het betrokken transportnetwerk of de betrokken opslaglocatie, plegen de betrokken lidstaten overleg teneinde te waarborgen dat de bepalingen van de richtlijn 2009/31/EG op samenhangende wijze worden toegepast TITEL 10. - Registers Art. D.XI.33. § 1. De Regering zet de volgende registers op en houdt ze bij : 1° een register van de verleende opslagvergunningen 2° een permanent register van alle afgesloten opslaglocaties en omliggende opslagcomplexen, inclusief kaarten en dwarsdoorsneden van hun ruimtelijke omvang, alsmede van de beschikbare toepasselijke informatie om te beoordelen of het opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten zal zijn, alsook het geheel van de technische archieven betreffende die locatie. § 2. Elke bevoegde autoriteit houdt rekening met de in lid 1 bedoelde registers in de relevante planningsprocedures en bij het verlenen van vergunningen voor activiteiten die de geologische opslag van CO2 in geregistreerde opslaglocaties kunnen beïnvloeden of erdoor kunnen worden beïnvloed, voor het administratieve beleid dat haar aanbelangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.34. De milieu-informatie die betrekking heeft op de geologische opslag van CO2 wordt ter beschikking van het publiek gesteld overeenkomstig Boek I van het Milieuwetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sectie 11. - Schadevergoeding Art. D.XI.35. De houder van een exploratie- of opslagvergunning is van rechtswege verplicht tot het herstel van alle schade veroorzaakt hetzij door onderzoek, hetzij door de exploitatie van de opslaglocatie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 12.- Strafsancties</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XI.36. Er wordt een overtreding van tweede categorie in de zin van artikel D.178, § 2, van Boek van het Milieuwetboek begaan door de overtreder van de bepalingen van dit deel of van de overeenkomstig dit decreet genomen uitvoeringsbesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt echter een overtreding van derde categorie in de zin van artikel D.178 van Boek I van het Milieuwetboek begaan door degene die artikel D.XI.20, § 1 overtreedt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 12. - Overgangsbepalingen TITEL 1. - Algemene bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.1. § 1. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Wetboek moeten houders van mijnopsporingsvergunningen en houders van mijnconcessies die voldoen aan de verklaringseisen van artikel 71, lid 1, lid 1, lid 1 en lid 2, van het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen, binnen de in artikel 71, lid 2, van hetzelfde decreet gestelde termijnen of die zijn afgegeven na de inwerkingtreding van het mijnbouwbesluit van 7 juli 1988 een aanvraag om een milieuvergunning indienen voor de installaties en activiteiten die noodzakelijk of nuttig zijn voor de exploratie en exploitatie van de ondergrondse rijkdommen van de stoffen waarop de mijnbouwconcessie of exclusieve vergunning betrekking heeft, met inbegrip van installaties voor het beheer van winningsafval, schachten, galerijen, ondergrondse verbindingen en winningsputten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere voorwaarden en specificaties die in deze vergunningen en concessies zijn vastgesteld, blijven van toepassing, niettegenstaande de toepassing van de algemene verplichtingen van de houders van exclusieve vergunningen waarnaar in Titel 7 van deel 6 wordt verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van tegenstrijdigheid tussen de bijzondere voorwaarden en de algemene voorwaarden, prevaleren de algemene voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de wijziging van de bijzondere voorwaarden van exclusieve vergunningen in artikel D.VI.54 zijn van toepassing op de bijzondere voorwaarden en specificaties in deze vergunningen en concessies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in lid 1 bedoelde aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijn wordt ingediend, komen de betrokken vergunningen te vervallen, behalve wat de herstel- en nabeheerverplichtingen betreft, en worden de vergunninghouders geacht afstand te hebben gedaan van hun vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concessiehouders moeten binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Wetboek overeenkomstig de artikelen D.XII.6 en D.XII.7 een aanvraag voor afstand indienen met het oog op de intrekking van hun concessie. § 2. Mijnbouwconcessies waarvan de concessiehouder niet heeft voldaan aan de aangifteverplichtingen, vermeld in artikel 71, lid 1, eerste en tweede streepje, van het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen, binnen de termijnen, vermeld in artikel 71, lid 2, van hetzelfde decreet, vervallen op de datum van inwerkingtreding van dit Wetboek, behalve wat betreft de verplichtingen tot regeneratie en nabeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concessiehouders moeten binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Wetboek overeenkomstig de artikelen D.XII.6 en D.XII.7 een aanvraag voor afstand indienen met het oog op de intrekking van hun concessie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid behouden de in het eerste lid bedoelde concessiehouders die een verzakingsdossier hebben ingediend overeenkomstig de bepalingen van artikel 48 van het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen en de besluiten en verordeningen ter uitvoering daarvan, het voordeel van hun aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concessies worden ingetrokken volgens de procedure van artikel D.XII.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.2. § 1. Houders van mijnbouwconcessies zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van de putten in hun concessies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit Wetboek stellen zij een rapport op over deze zekerheid en zenden dit toe aan de ambtenaar voor de ondergrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat verslag bevat minstens : 1° de gekende of vermoedelijke locatie van de put of mijnuitgang;2° de datum van de laatste inspectie;3° een beschrijving van de veiligheidstoestand van de put;4° een fotografisch verslag over de toestand van de veiligheid;5° een geschiedenis van de toestand van de put of mijnuitgang sinds de sluiting;6° in geval van niet-beveiliging, een analyse die een aanvaardbaar instortingsrisico aantoont. De Regering kan de inhoud van het rapport, bedoeld in het eerste lid, uitbreiden en de modaliteiten voor het opstellen en verzenden ervan vaststellen, alsmede de modaliteiten voor het controleren of putten veilig zijn gemaakt door de ambtenaar van de ondergrond. § 2. De overdracht van mijnbouwconcessies in welke vorm dan ook, met inbegrip van de overdracht of fusie van ondernemingen of de overdracht van aandelen of activa, alsook het leasen van mijnbouwconcessies is verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.3. § 1. De bepalingen van Deel VI, titels V en VII, en de delen VIII, IX en X zijn van toepassing op mijnopsporingsvergunningen, mijnbouwconcessies, exclusieve exploratievergunningen voor olie en gas en exclusieve exploitatievergunningen voor olie en gas. § 2. De houder van een mijnbouwvergunning die om welke reden dan ook wordt ingetrokken, moet alle schade vergoeden die is veroorzaakt door zijn werken, met inbegrip van putten, galerijen en andere ondergrondse werken die permanent zijn aangelegd. Als de mijnbouwvergunning wordt ingetrokken op basis van een aanvaarde afstand, geldt deze verplichting tot de beslissing van de Regering waarin zij verklaart dat haar verplichtingen na het beheer volledig zijn nagekomen. § 3. De bepalingen van Hoofdstuk 2 van Deel VII van Titel 1zijn alleen van toepassing op installaties en activiteiten die aan de oppervlakte worden geplaatst of verricht krachtens de vergunningen en concessies bedoeld in lid 1 na de inwerkingtreding van dit Wetboek, en niet tussen twintig en honderd meter onder de oppervlakte. § 4. De Regering kan nadere regels vaststellen voor de toepassing van de in bepalingen bedoeld in de paragrafen 1 tot 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.4. § 1. Exclusieve vergunningen voor de exploratie en exploitatie van aardolie en brandbare gassen die zijn afgegeven vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek blijven geldig voor de in de vergunning vastgestelde duur, onverminderd de bepalingen van artikel D.XII.3, § 1er, en worden gelijkgesteld met exclusieve vergunningen in de zin van dit Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van D.XII.3, § 1, zijn van toepassing vanaf 1 januari van het derde jaar na de inwerkingtreding van dit Wetboek. § 2. De vóór de datum van inwerkingtreding van dit Wetboek ingediende vergunningsaanvragen alsmede de desbetreffende administratieve beroepen worden behandeld volgens de regels van kracht op de datum van indiening van de aanvraag. § 3. Er wordt afgezien van de in artikel D.VI.12 vermelde concurrentie voor aanvragen voor exclusieve vergunningen die worden ingediend door een houder van een exclusieve vergunning voor de exploratie en exploitatie van aardolie en brandstofgassen voor dezelfde stoffen in een aangrenzend gebied, op voorwaarde dat het aangevraagde gebied niet groter is dan een derde van het gebied van de oorspronkelijke vergunning, met een maximum van driehonderd hectare. Deze optie is slechts eenmaal geldig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.5. De indeling van sloophopen zoals vastgelegd in het Besluit van de Waalse Regering van 16 maart 1995 tot vaststelling van de classificatie van de steenbergen blijft van kracht tot de inwerkingtreding van de indeling van historische steenbergen volgens hun bestemming zoals vastgelegd in artikel D.VI.8.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 2.- Afstand van mijnbouwconcessies</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.6. Twee exemplaren van de aanvraag voor het geheel of gedeeltelijk afstaan van een mijnbouwconcessie moeten per aangetekende post met ontvangstbevestiging naar de ambtenaar voor de ondergrond worden verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.7. § 1. De aanvraag vermeldt: 1° de naam, voornaam, hoedanigheid, nationaliteit en woonplaats van de aanvrager, en indien de aanvrager een vennootschap is, haar naam, rechtsvorm en maatschappelijke zetel;2° de mijnbouwvergunningen met betrekking tot de betrokken stoffen die in het bezit zijn van de aanvrager, met vermelding van de mijnbouwvergunningen die geheel of gedeeltelijk behoren tot het gebied waarvan afstand wordt gevraagd. Met betrekking tot het eerste lid, 1°, geldt dat indien de aanvraag wordt ingediend door meerdere ondernemingen die gezamenlijk en hoofdelijk optreden, de informatie over de aanvrager door elk van hen wordt verstrekt. § 2. De volgende documenten zijn bij de aanvraag tot afstand gevoegd: 1° alle documenten die de rechten van de aanvrager bewijzen en, in voorkomend geval, de bevoegdheden van de persoon die de aanvraag ondertekent.Als de concessie gezamenlijk door meerdere houders wordt gehouden, wordt de informatie over de aanvrager door elk van hen verstrekt 2° de volgende cartografische documenten, van het algemene tot het nauwkeurigste, ondertekend door de aanvrager en overgelegd in omstandigheden waarin hun bewaring wordt gewaarborgd: a) een kopie van de kaart op schaal 1/100.000 met de omtrek van de betrokken provincies waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd; b) een kopie van de kaart op schaal 1/20.000 waarop de punten en grenzen zijn aangegeven van het gebied waarvoor afstand wordt gedaan, de geografische of geodetische punten die zijn gebruikt om deze punten te definiëren en, in voorkomend geval, de volgende gegevens de grenzen van mijnbouwconcessies en exploratievergunningen van welke aard dan ook die geheel of gedeeltelijk binnen dit gebied vallen, de namen van naburige concessies, de grenzen van gebieden die zijn ontgonnen krachtens de concessie waarvoor afstand wordt gedaan, de grenzen van gebieden die zijn geëxploiteerd; 3° in het geval van een aanvraag tot gedeeltelijke afstand die een wijziging van de grenzen van de concessie inhoudt, op de in 2° bedoelde plannen de nieuwe grenzen zijn aangegeven;4° een certificaat van de hypotheekbewaarder waarbij vastgesteld wordt dat er geen hypothecaire inschrijving op de concessie bestaat of, in het tegenovergestelde geval, een staat van de eventueel reeds genomen hypothecaire inschrijvingen, met bijvoeging van de opheffing van deze inschrijvingen;5° een exhaustieve lijst van de mijnen en mijnuitgangen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een bevel tot stopzetting door de Bestendige Deputatie van de Provincieraad bedoeld in artikel 16 van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 30 april 1992 tot vaststelling van de procedure en de voorwaarden betreffende de intrekking van een mijnvergunning.of genomen krachtens een vroegere wetgeving, met de referenties van dit besluit; 6° een volledige lijst en een kaart 1/10 000 met de ligging van de al dan niet aan de oppervlakte ontdekte doch door de plannen gekende putten en mijnuitgangen die het voorwerp van geen enkel opzeggingsbesluit zijn geweest;7° een door de houder(s) ondertekende verklaring op erewoord waarbij bevestigd wordt dat de onder punt 5° bedoelde putten en uitgangen voldoen aan de voorwaarden van de opzeggingsbesluiten;8° een risicoanalyse waarvan de inhoud door de Regering wordt vastgelegd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dit niet het geval is, delen de houders mee binnen welke termijn zij de situatie denken recht te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.8. § 1. De ambtenaar voor de ondergrond controleert binnen een jaar of de aanvrager al dan niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Als de aanvrager niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, stelt de ambtenaar voor de ondergrond de termijnen vast waarbinnen de aanvrager de voorgeschreven veiligheidswerkzaamheden in overeenstemming met de wet- en regelgeving moet uitvoeren en alle opschriften op de mijn moet laten vrijgeven. § 2. Na het verstrijken van de in § 1 genoemde termijnen stuurt de aanvrager de ambtenaar voor de ondergrond een attest van de hypotheekbewaarder waarin staat dat de mijn vrij is van alle inschrijvingen en deelt hij hem mee dat de voorgeschreven werkzaamheden zijn uitgevoerd. § 3. Binnen zestig dagen na ontvangst van het in § 2 bedoelde document stuurt de ambtenaar de Regering een verslag met een voorstel voor een besluit. § 4. Binnen zestig dagen na ontvangst van het rapport van de ambtenaar voor de ondergrond beslist de Regering over de aanvraag tot afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een gedeeltelijke afstand kan het besluit de concessiehouder nieuwe verplichtingen en specificaties opleggen. § 5. Het regeringsbesluit dat de gehele of gedeeltelijke intrekking van de concessie uitspreekt op grond van afstand, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en ter kennis gebracht van de aanvrager.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 3.- Ambtshalve intrekking van mijnbouwconcessies</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.9. § 1. De Regering kan automatisch mijnbouwconcessies intrekken in de volgende gevallen : 1° wanneer de concessiehouder niet meer bestaat of niet kan worden gevonden; 2° na ingebrekestelling, indien de concessiehouder nog steeds niet voldoet aan zijn verplichtingen om afstand te vragen overeenkomstig de artikelen D.XII.6 tot en met D.XII.8 of artikel 48 van het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen en de besluiten en verordeningen ter uitvoering ervan; 3° na ingebrekestelling van de concessiehouder, in geval van niet-naleving van het in het bestek opgenomen werkprogramma of van de algemene verplichtingen van de concessiehouder. § 2. De ambtenaar voor de ondergrond zal een rapport opstellen over de ambtshalve intrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure bedoeld in artikel D.XII.8, § 4 en § 5, is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het regeringsbesluit dat de ambtshalve intrekking van de exploratieconcessie of -vergunning beveelt, wordt overgeschreven in het hypotheekregister.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 4. - Aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van het Wetboek</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.10. Aanvragen voor een vergunning tot ontsluiting van steenbergen bedoeld in artikel 2 van het decreet van 9 mei 1985 betreffende de ontsluiting van de steenbergen waarvoor een ontvangstbewijs werd ontvangen vóór de datum van inwerkingtreding van het Wetboek blijven behandeld overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 9 mei 1985 betreffende de ontsluiting van de steenbergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.11. Aanvragen voor milieuvergunningen en globale vergunningen met betrekking tot projecten voor diepe geothermie en/of geologische warmte- of koudeopslag, waarvan de ontvangstbevestiging dateert van voor de datum van inwerkingtreding van het Wetboek, zullen verder behandeld worden overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 5. - Nieuwe activiteiten waarvoor exclusieve vergunningen gelden</h3>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.12. Voor de in artikel D.I.1, § 2, bedoelde exploratieactiviteiten naar hulpbronnen die regelmatig worden uitgevoerd op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek en waarvoor een nieuwe exclusieve vergunning vereist is, moet de in artikel D.VI.12, § 1, lid 2, bedoelde aanvraag binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het Wetboek worden ingediend door de houder van de vergunning die deze activiteit toestaat of de persoon die deze activiteit uitvoert waarvoor geen vergunning vereist is, en binnen zes maanden worden gevolgd door de indiening van een aanvraag voor een exclusieve vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in lid 1 bedoelde houder deze verplichtingen niet nakomt, kan de houder van de vergunning of de persoon die de activiteit verricht geen aanspraak maken op een exclusiviteitsgarantie om de exploratieactiviteiten op de betrokken locatie voort te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering publiceert de kennisgeving bedoeld in artikel D.VI.12, § 1, binnen 60 dagen na ontvangst van het verzoek ingediend door de houder bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de exclusieve vergunning niet wordt verleend aan de in lid 1 bedoelde houder moet deze zijn activiteiten staken binnen zes maanden na ontvangst van het besluit tot weigering bedoeld in D.VI.25, § 1, of van de kennisgeving bedoeld in artikel D.VI.26, lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van een beslissing als bedoeld in D.VI.25, § 1, moet de in lid 1bedoelde houder, indien hij de in artikel D.VI.25, § 4 bedoelde aanmaning niet heeft verzonden, zijn activiteiten staken binnen zes maanden na het verstrijken van de in artikel D.VI.25, § 4, tweede lid, bedoelde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van een beslissing van de Regering na de aanmaningsbrief bedoeld in artikel D.VI.24, § 4, tweede lid, moet de houder zijn activiteiten staken binnen zes maanden na de beslissing tot stilzwijgende weigering bedoeld in artikel D.VI.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. D.XII.13. § 1. Voor activiteiten die de exploitatie inhouden van een diepe geothermische neerslag en/of een geologisch reservoir voor de opslag van warmte en koude, toegelaten krachtens een milieuvergunning of een stedenbouwkundige vergunning of een globale vergunning, of een gelijkaardige vergunning in de Duitstalige Gemeenschap, of een andere vereiste vergunning dan de exclusieve vergunningen waarnaar in dit Wetboek wordt verwezen, of die daadwerkelijk worden uitgeoefend op de datum van inwerkingtreding van dit Wetboek zonder over voornoemde vergunningen te moeten beschikken, dient de exploitant binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit Wetboek bij de Administratie een vereenvoudigde aanvraag voor een exclusieve vergunning in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in lid 1 bedoelde houder deze verplichtingen niet nakomt, kan de houder van de vergunning of de persoon die de activiteit verricht geen aanspraak maken op een exclusiviteitsgarantie om de exploratieactiviteiten op de betrokken locatie voort te zetten. § 2. De regering legt de modaliteiten vast voor het indienen van een vereenvoudigde aanvraag voor een exclusieve vergunning. § 3. In afwijking van de artikelen D.VI.12 en D.VI.13 verleent de Regering een exclusieve vergunning voor een periode van 3 jaar, met een cirkelvormige omtrek en een straal van 1,5 km, gecentreerd rond elk boorput dat actief is op de datum van inwerkingtreding van dit Wetboek. § 4. De exploitant heeft een periode van 3 jaar vanaf de datum van afgifte van de vergunning om te voldoen aan de bepalingen van Titels V en VII van Deel VI, en Delen VIII, IX en X. Indien de exploitant de in lid 1 bedoelde bepalingen niet naleeft, kan de vergunninghouder of de persoon die de activiteit verricht geen aanspraak maken op een garantie van exclusieve rechten om de activiteiten op de betrokken locatie voort te zetten..</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 - Criteria voor het karakteriseren en beoordelen van het potentiële kooldioxideopslagcomplex en het omliggende gebied De karakterisering en beoordeling van het potentiële opslagcomplex en het omliggende gebied wordt overeenkomstig de op het moment van de beoordeling bestaande beste praktijken en met gebruikmaking van de volgende criteria uitgevoerd in drie fasen. Afwijkingen van één of meerdere van die criteria kunnen door de Regering worden toegestaan op voorwaarde dat de exploitant heeft aangetoond dat niet wordt geraakt aan het vermogen van de karakterisering en beoordeling.</p></div>", "next": 239541}