{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De nieuwe lidstaten, behoudens Bulgarije, Kroatië en Roemenië, zien erop toe dat grond die op 1 mei 2004 blijvend grasland was, als blijvend grasland wordt gehandhaafd. Bulgarije en Roemenië zien erop toe dat grond die op 1 januari 2007 blijvend grasland was, als blijvend grasland wordt gehandhaafd. Kroatië ziet erop toe dat grond die op 1 juli 2013 blijvend grasland was, als blijvend grasland wordt gehandhaafd. » ; c) artikel 33, lid 1, onder b), punt iv), wordt vervangen door : « iv) krachtens artikel 47, lid 2, artikel 57, punt a), artikel 59, artikel 64, lid 2, derde alinea, artikel 65 en artikel 68, lid 4, punt c).» ; d) in artikel 51, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd : « Kroatië kan besluiten gebruik te maken van de opties waarin artikel 52 en artikel 53, lid 1, van deze verordening voorzien.Dat besluit wordt uiterlijk 15 juli 2013 ter kennis van de Commissie gebracht. » ; e) in artikel 51, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd : « In afwijking van de tweede alinea wordt dit maximum in het geval van Kroatië bepaald op basis van de in artikel 104, lid 4, en artikel 112, lid 5, vastgestelde nationale maxima die van toepassing zijn op de betalingen voor schapenvlees en geitenvlees, respectievelijk rundvlees en kalfsvlees, bedoeld in de artikelen 52 en 53, rekening houdend met de in artikel 121 vastgestelde regeling voor de invoering van rechtstreekse betalingen.» ; f) in artikel 52 wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd : « In afwijking van de eerste alinea mag Kroatië tot 50 % van het bedrag van het in artikel 51, lid 2, derde alinea, van deze verordening bedoelde maximum behouden om jaarlijks een extra betaling aan landbouwers te doen.» ; g) in artikel 53, lid 1, wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd : « In afwijking van de eerste alinea mag Kroatië het bedrag van het in artikel 51, lid 2, derde alinea, van de verordening bedoelde maximum geheel of gedeeltelijk behouden om jaarlijks een extra betaling aan landbouwers te doen.» ; h) de titel van hoofdstuk 3 van Titel III wordt vervangen door : « Uitvoering in de nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast, en in Kroatië »;i) de titel van artikel 55 wordt vervangen door : « Invoering van de bedrijfstoeslagregeling in de lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast, en in Kroatië »;j) in artikel 55, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door : « 1.Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is deze titel van toepassing op de nieuwe lidstaten die de in titel V, hoofdstuk 2, bedoelde regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast, en op Kroatië. »; k) aan artikel 57, lid 1, wordt de volgende zin toegevoegd : « Voor Kroatië bedraagt deze verlaging niet meer dan 20 % van het jaarlijkse maximum zoals aangegeven in tabel 3 van bijlage VIII.» ; l) aan artikel 57, lid 3, wordt de volgende zin toegevoegd : « In het geval van Kroatië moet het gebruik van de nationale reserve door de Commissie worden goedgekeurd, middels een uitvoeringshandeling en zonder de assistentie van het in artikel 141 bedoelde comité.De Commissie gaat in het bijzonder na of er vóór de datum van toetreding een nationale regeling inzake rechtstreekse betalingen van toepassing was en onder welke voorwaarden die regeling in voorkomend geval werd toegepast. » ;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kroatië zal het verzoek tot goedkeuring om de nationale reserve te gebruiken uiterlijk 15 juli 2013 aan de Commissie toezenden. » ; m) het volgende artikel wordt ingevoegd : « Artikel 57bis Speciale nationale reserve voor mijnen ruimen in Kroatië 1.Kroatië legt een speciale nationale reserve voor mijnenruimen aan die wordt gebruikt om gedurende een periode van tien jaar na de toetreding op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, toeslagrechten toe te wijzen aan landbouwers met ontmijnde landbouwgronden welke opnieuw voor landbouwactiviteiten worden gebruikt. 2. Landbouwgrond die in aanmerking komt voor de toewijzing van toeslagrechten op grond van dit artikel, komt niet in aanmerking voor de toewijzing van toeslagrechten op grond van artikel 59 en artikel 61.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van de toeslagrechten die op grond van dit artikel worden vastgesteld, mag niet hoger liggen dan de waarde van de toeslagrechten die op grond van respectievelijk artikel 59 en artikel 61 worden vastgesteld. 4. Het maximumbedrag dat kan worden toegewezen aan de speciale nationale ontmijningsreserve beloopt 9.600.000 EUR en is onderworpen aan de in artikel 121 vastgestelde regeling voor de invoering van de rechtstreekse betalingen. De maximumbedragen per jaar zijn als volgt : (duizend euro) Kroatië 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 Maximumbedrag voor de speciale nationale reserve voor mijnenruimen 2 400 2 880 3 360 3 840 4 800 5 760 6 720 7 680 8 640 9 600 5. Gedurende het eerste jaar van de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling wijst Kroatië aan de landbouwers toeslagrechten toe op basis van de ontmijnde landbouwgrond en door de landbouwers is aangegeven in de steunaanvragen welke gedurende het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling zijn ingediend, en opnieuw voor landbouwactiviteiten in gebruik is genomen tussen 1 januari 2005 en 31 december 2012.6. In de jaren 2013 tot en met 2022, worden aan landbouwers toeslagrechten toegewezen op basis van de ontmijnde landbouwgrond die door de landbouwers in het betrokken jaar wordt aangegeven, op voorwaarde dat die landbouwgrond in de loop van het voorgaande kalenderjaar opnieuw in gebruik is genomen voor landbouwactiviteiten en dat zulks overeenkomstig lid 9 ter kennis van de Commissie is gebracht.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een passend gebruik van middelen van de Unie te waarborgen, wijzigt de Commissie overeenkomstig de procedure in artikel 141, lid 2, het maximum in tabel 3 van bijlage VIII, teneinde daaraan de bedragen van de speciale nationale reserve voor mijnenruimen toe te voegen die per 31 december 2022 zijn toegewezen.8. De landbouwgrond die voor de toepassing van dit artikel wordt aangegeven, moet voldoen aan de definitie van « subsidiabele hectare » in artikel 34, lid 2.9. Kroatië brengt de Commissie uiterlijk 15 juli 2013 ter kennis welke landbouwgronden op grond van lid 5 in aanmerking komen, en geeft daarbij aan welke gronden in aanmerking komen voor de in artikel 59 bepaalde steunniveaus, en welke gronden in aanmerking komen voor de in artikel 61 bepaalde steunniveaus.Die kennisgeving bevat tevens informatie over de daarmee samenhangende begrotingsmiddelen en de niet-gebruikte bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 2014 wordt telkens uiterlijk op 31 januari aan de Commissie een soortgelijke kennisgeving toegezonden met informatie over de grond die gedurende het afgelopen kalenderjaar opnieuw voor landbouwactiviteiten in gebruik is genomen en over de daarmee samenhangende begrotingsmiddelen. 10. Uiterlijk op 31 december 2012 moet alle bemijnde en ontmijnde grond waarvoor landbouwers toeslagrechten van de speciale nationale reserve voor mijnenruimen kunnen ontvangen, geïdentificeerd zijn in het geïntegreerd beheers- en controlesysteem dat krachtens hoofdstuk 4 van titel II is opgezet.» ; n) aan artikel 59 wordt het volgende lid toegevoegd : « 4.Met het oog op een efficiënt beheer van de toeslagrechten door de lidstaten, neemt de Commissie overeenkomstig de procedure in artikel 141, lid 2, voorschriften aan betreffende de initiële toewijzing van toeslagrechten in Kroatië. » ; o) in artikel 61 onderstaande alinea toegevoegd : « Voor Kroatië geldt in plaats van de in de punten a) en b) van de eerste alinea bedoelde data telkens 30 juni 2011.» ; p) aan artikel 69, lid 1, eerste alinea, wordt de volgende volzin toegevoegd : « Kroatië kan op de datum van toetreding besluiten om met ingang van het eerste toepassingsjaar van de bedrijfstoeslagregeling als bedoeld in artikel 59, lid 2, tot 10 % van zijn in artikel 40 bedoelde en in tabel 3 van bijlage VIII vermelde nationale maximum te gebruiken.» ; q) aan artikel 69, lid 9, eerste alinea, wordt het volgende punt ingevoegd na punt a) : « aa) voor het jaar 2022 in het geval van Kroatië.»; r) artikel 104, lid 4, wordt vervangen door : « 4.De volgende nationale maxima zijn van toepassing :</p>\n<p class=\"lf-p\">Lidstaat Nationale maxima Bulgarije 2 058 483 Tsjechië 66 733 Denemarken 104 000 Estland 48 000 Spanje 19 580 000 Frankrijk 7 842 000 Kroatië 542 651 Cyprus 472 401 Letland 18 437 Litouwen 17 304 Hongarije 1 146 000 Polen 335 880 Portugal 2 690 000 Roemenië 5 880 620 Slovenië 84 909 Slowakije 305 756 Finland 80 000 Totaal 41 273 174</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">s)</span>in artikel 112, lid 5, wordt het volgende ingevoegd na de tekst voor Frankrijk :</div>\n<p class=\"lf-p\">Kroatië 105 270</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">t)</span>artikel 121 wordt vervangen door : « Artikel 121 Invoering van rechtstreekse betalingen In de nieuwe lidstaten, behoudens Bulgarije, Kroatië en Roemenië, worden de rechtstreekse betalingen ingevoerd overeenkomstig de volgende regeling inzake toename, uitgedrukt als percentage van het dan geldende niveau van deze betalingen in andere dan de nieuwe lidstaten : - 60 % in 2009, - 70 % in 2010, - 80 % in 2011, - 90 % in 2012, - 100 % vanaf 2013. In Bulgarije en Roemenië worden de rechtstreekse betalingen ingevoerd overeenkomstig de volgende regeling inzake toename, uitgedrukt als percentage van het dan geldende niveau van deze betalingen in andere dan de nieuwe lidstaten : - 35 % in 2009, - 40 % in 2010, - 50 % in 2011, - 60 % in 2012, - 70 % in 2013, - 80 % in 2014, - 90 % in 2015, - 100 % vanaf 2016.</div>\n<p class=\"lf-p\">In Kroatië worden de rechtstreekse betalingen ingevoerd overeenkomstig de volgende regeling inzake toename, uitgedrukt als percentage van het dan geldende niveau van deze betalingen in andere dan de nieuwe lidstaten : - 25 % in 2013, - 30 % in 2014, - 35 % in 2015, - 40 % in 2016, - 50 % in 2017, - 60 % in 2018, - 70 % in 2019, - 80 % in 2020, - 90 % in 2021, - 100 % vanaf 2022. »; u) in artikel 132, lid 2, wordt de volgende alinea ingevoegd na de tweede alinea : « in afwijking van de punten a) en b) van de eerste alinea, kan Kroatië rechtstreekse betalingen aanvullen tot 100 % van het niveau dat geldt in andere dan de nieuwe lidstaten.» ; v) in bijlage VII wordt het volgende ingevoegd na de tekst voor Frankrijk :</p>\n<p class=\"lf-p\">Kroatië 100 1</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">w)</span>aan bijlage VIII wordt de volgende tabel toegevoegd : « Tabel 3 (*) Lidstaat 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 Kroatië 93 250 111 900 130 550 149 200 186 500 223 800 261 100 298 400 335 700 373 000 (*) De maxima zijn berekend met inachtneming van de in artikel 121 vastgestelde toenameregeling.5. VISSERIJ 1.32002 R 2371 : Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visserijbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59).</div>\n<p class=\"lf-p\">Aan bijlage I worden de volgende punten toegevoegd : « 11. KROATISCHE KUSTWATEREN Geografisch gebied Lidstaat Soort Hoeveelheid of bijzondere bepalingen 12 mijl beperkt tot het zeegebied onder de soevereiniteit van Kroatië benoorden 45° 10' NB langs de westkust van Istrië, van de buitengrens van de territoriale zee van Kroatië, waar deze breedtelijn de westkust van Istrië raakt (kaap Grgatov rt Funtana) Slovenië Demersale en kleine pelagische soorten, inclusief sardine en ansjovis 100 ton voor ten hoogste 25 vissersvaartuigen, daaronder begrepen 5 met trawlnetten uitgeruste vaartuigen * Deze regeling is van toepassing vanaf het moment dat de arbitrale uitspraak die voortvloeit uit de op 4 november 2009 in Stockholm ondertekende arbitrageovereenkomst tussen de regering van de Republiek Slovenië en de regering van de Republiek Kroatië, volledig ten uitvoer is gelegd. 12. SLOVEENSE KUSTWATEREN * Geografisch gebied Lidstaat Soort Hoeveelheid of bijzondere bepalingen 12 mijl beperkt tot het zeegebied onder de soevereiniteit van Slovenië benoorden 45° 10' NB langs de westkust van Istrië, van de buitengrens van de territoriale zee van Kroatië, waar deze breedtelijn de westkust van Istrië raakt (kaap Grgatov rt Funtana) Kroatië Demersale en kleine pelagische soorten, inclusief sardine en ansjovis 100 ton voor ten hoogste 25 vissersvaartuigen, daaronder begrepen 5 met trawlnetten uitgeruste vaartuigen * Deze regeling is van toepassing vanaf het moment dat de arbitrale uitspraak die voortvloeit uit de op 4 november 2009 in Stockholm ondertekende arbitrageovereenkomst tussen de regering van de Republiek Slovenië en en de regering van de Republiek Kroatië, volledig ten uitvoer is gelegd.» . 2. 32006 R 1198 : Verordening (EG) nr.1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1) a) aan artikel 27 wordt het volgende lid toegevoegd : « 5.Het EVF kan bijdragen aan de financiering van een regeling van individuele premies voor vissers die gebruik zullen kunnen maken van de toegangsregeling die is vastgesteld in punt 11 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2371/2002, zoals gewijzigd door de Toetredingsakte van Kroatië.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling geldt enkel gedurende de periode 2014 tot en met 2015 of, indien dit eerder gebeurt, tot de datum waarop de arbitrale uitspraak die voortvloeit uit de op 4 november 2009 in Stockholm ondertekende arbitrageovereenkomst tussen de regering van de Republiek Slovenië en de regering van de Republiek Kroatië, volledig ten uitvoer is gelegd. » ; b) artikel 29, lid 3, wordt vervangen door : « 3.In afwijking van lid 2 kan in de ultraperifere regio's en op de perifere Griekse eilanden, alsook op de Kroatische eilanden Dugi Otok, Vis, Mljet en Lastovo de steun aan alle ondernemingen worden toegekend. » ; c) artikel 35, lid 4, wordt vervangen door : « 4.In afwijking van lid 3 kan in de ultraperifere regio's en op de perifere Griekse eilanden, alsook op de Kroatische eilanden Dugi Otok, Vis, Mljet en Lastovo de steun aan alle ondernemingen worden toegekend. »; d) in artikel 53, lid 9, wordt de eerste alinea vervangen door : « 9.Met betrekking tot uit het EVF gefinancierde concrete acties op de perifere Griekse eilanden waarvan de afgelegenheid een belemmering vormt en in de ultraperifere regio's, alsook op de Kroatische eilanden Dugi Otok, Vis, Mljet en Lastovo wordt het maximumbedrag van de bijdrage uit het EVF per prioritair zwaartepunt verhoogd met maximaal 10 procentpunten in de regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen en met maximaal 35 procentpunten in de regio's die niet onder de convergentiedoelstelling vallen. » ; e) in bijlage II, onder a), wordt de tabel vervangen door :</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep 1 Groep 2 Groep 3 Groep 4 Regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen, Griekse perifere eilanden en de Kroatische eilanden Dugi Otok, Vis, Mljet en Lastovo A = 100 % B = 0 % A = 40 % B = 60 % (*) (**) A = 80 % B = 20 % A = 60 % B = 40 % (***) Regio's die niet onder de convergentiedoelstelling vallen A = 100 % B = 0 % A = 40 % B = 60 % (*) (**) A = 60 % B = 40 % A = 40 % B = 60 % (***) Ultraperifere regio's A = 100 % B = 0 % A = 50 % B = 50 % (*) (**) A = 80 % B = 20 % A = 75 % B = 25 % (*) Voor concrete acties waarin wordt voorzien door artikel 25, lid 3, wordt B in groep 2 met 20 % vermeerderd.A wordt dienovereenkomstig verminderd. (**) Voor concrete acties waarin wordt voorzien door artikel 26, lid 2 (investeringen in de zin van artikel 25 aan boord van kleinschalige kustvissersvaartuigen), kan B in groep 2 met 20 % worden verminderd. A wordt dienovereenkomstig vermeerderd. (***) In het geval van concrete acties als bedoeld in de artikelen 29 en 35, die worden uitgevoerd door ondernemingen die niet vallen onder de definitie van artikel 3, onder f), en die minder dan 750 werknemers of een omzet van minder dan 200 miljoen EUR hebben, wordt B met 30 procentpunten vermeerderd in de regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen, met uitzondering van de perifere Griekse eilanden en de Kroatische eilanden Dugi Otok, Vis, Mljet en Lastovo, en met 20 procentpunten in de regio's die niet onder de convergentiedoelstelling vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">A wordt dienovereenkomstig verminderd. » ; f) in bijlage II, onder a), wordt onder subtitel « Groep 2 » de tweede alinea vervangen door : « Overeenkomstig de toepassing van (*) en (**) is - wanneer het EVF ten behoeve van kleinschalige kustvissersvaartuigen acties financiert als bedoeld in artikel 25, lid 3 - B in groep 2 : - voor de regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen, de perifere Griekse eilanden, de Kroatische eilanden Dugi Otok, Vis, Mljet en Lastovo en de regio's die niet onder de convergentiedoelstelling vallen, gelijk aan of groter dan 60 procentpunten (B = 60 % ); en - voor de ultraperifere gebieden, gelijk aan of meer dan 50 procentpunten (B = 50 % ). » . 6. BELASTINGEN 1.32006 L 0112 : Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 287 wordt het volgende punt toegevoegd : « 19) Kroatië : 35 000 EUR. » . 2. 32008 L 0118 : Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12) Artikel 46, lid 3, wordt vervangen door : « 3. Onverminderd artikel 32 kunnen de niet in artikel 2, lid 2, derde en vierde alinea, van Richtlijn 92/79/EEG genoemde lidstaten vanaf 1 januari 2014 een maximum van ten minste 300 sigaretten opleggen ten aanzien van sigaretten die zonder verdere betaling van accijns hun grondgebied mogen worden binnengebracht vanuit een lidstaat welke overeenkomstig artikel 2, lid 2, derde en vierde alinea, van die richtlijn lagere accijnzen toepast dan die welke voortvloeien uit artikel 2, lid 2, eerste alinea, van die richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2, lid 2, derde en vierde alinea, van Richtlijn 92/79/EEG genoemde lidstaten die ongeacht de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs een accijns van ten minste 77 EUR per 1000 sigaretten heffen, kunnen vanaf 1 januari 2014 een maximum van ten minste 300 sigaretten opleggen ten aanzien van sigaretten die zonder verdere betaling van accijns hun grondgebied worden binnengebracht vanuit een lidstaat welke overeenkomstig artikel 2, lid 2, derde alinea, van die richtlijn een lagere accijns toepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lidstaten die overeenkomstig de eerste en de tweede alinea van dit lid een maximum opleggen, stellen de Commissie daarvan in kennis. Zij kunnen de nodige controles verrichten mits deze de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen. » . 7. REGIONAAL BELEID EN COÖRDINATIE VAN STRUCTUURINSTRUMENTEN 1.32006 R 1083 : Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25) : a) in artikel 15, lid 4, wordt de onderstaande zin toegevoegd na de tweede alinea : « Voor Kroatië is de datum van deze verificatie 31 december 2017.» ; b) in artikel 18, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door : « 1.Voor vastlegging ten laste van de Fondsen is voor de periode 2007 tot en met 2013 een bedrag van 308.417.037.817 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2004, beschikbaar, dat over de betrokken jaren wordt verdeeld overeenkomstig bijlage 1. »; c) artikel 19 wordt vervangen door : « Artikel 19 Middelen voor de convergentiedoelstelling De totale middelen voor de convergentiedoelstelling bedragen 81,56 % van de in artikel 18, lid 1, genoemde middelen (dat wil zeggen in totaal 251.529.800.379 EUR) en worden als volgt over de verschillende onderdelen verdeeld : a) 70,50 % (dat wil zeggen in totaal 177.324.921.223 EUR) voor de in artikel 5, lid 1, bedoelde financiering, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van de volgende criteria : de in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart, de nationale welvaart en het werkloosheidspercentage; b) 4,98 % (dat wil zeggen in totaal 12.521.289.405 EUR) voor de in artikel 8, lid 1, bedoelde specifieke overgangssteun, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van de volgende criteria : de in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart, de nationale welvaart en het werkloosheidspercentage; c) 23,23 % (dat wil zeggen in totaal 58.433.589.750 EUR) voor de in artikel 5, lid 2, bedoelde financiering, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van de volgende criteria : de bevolking, de nationale welvaart en de oppervlakte; d) 1,29 % (dat wil zeggen in totaal 3.250.000.000 EUR) voor de in artikel 8, lid 3, bedoelde specifieke overgangssteun. » ; d) in artikel 20, eerste alinea, wordt de inleidende zin vervangen door : « De totale middelen voor de doelstelling « Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid » bedragen 15,93 % van de in artikel 18, lid 1, genoemde middelen (dat wil zeggen in totaal 49.127.784.318 EUR) en worden als volgt over de verschillende onderdelen verdeeld. » ; e) in artikel 21 worden de leden 1 en 2 vervangen door : « 1.De totale middelen voor de doelstelling « Europese territoriale samenwerking » bedragen 2,52 % van de in artikel 18, lid 1, genoemde middelen (zijnde 7.759.453.120 EUR).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze middelen, met uitsluiting van het in punt 22 van bijlage II genoemde bedrag, worden als volgt over de verschillende onderdelen verdeeld : a) 73,86 % (zijnde 5.583.386.893 EUR) voor de financiering van de in artikel 7, lid 1, bedoelde grensoverschrijdende samenwerking, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van het criterium van de in aanmerking komende bevolking; b) 20,95 % (zijnde 1.583.594.654 EUR) voor de financiering van de in artikel 7, lid 2, bedoelde transnationale samenwerking, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van het criterium van de in aanmerking komende bevolking; c) 5,19 % (zijnde 392.471.574 EUR) voor de financiering van interregionale samenwerking, de samenwerkingsnetwerken en de uitwisseling van ervaringen als bedoeld in artikel 7, lid 3. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijdrage van het EFRO aan de grensoverschrijdende programma's en de zeebekkenprogramma's uit hoofde van het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument en de grensoverschrijdende programma's uit hoofde van het pretoetredingsinstrument voor bijstand overeenkomstig Verordening (EG) nr.1085/2006, beloopt 817.691.234 EUR, gezien de opgaven van elke betrokken lidstaat, en wordt in mindering gebracht op hun bijdragen in lid 1, onder a). Deze EFRO-bijdragen worden niet tussen de betrokken lidstaten herverdeeld. » ; f) aan artikel 22 wordt de volgende alinea toegevoegd : « In afwijking van de eerste alinea kan Kroatië zijn financiële toewijzing uit hoofde van de doelstelling « Europese territoriale samenwerking » verdelen onder de drie onderdelen die genoemd worden in artikel 21, lid 1, onder a), b) en c), met het oog op efficiëntie en vereenvoudiging.» ; g) artikel 23 wordt vervangen door : « Artikel 23 Middelen voor de prestatiereserve 3,0 % van de in artikel 19, lid 1, onder a) en b), en in artikel 20 bedoelde middelen kan overeenkomstig artikel 50 worden toegewezen door de lidstaten, met uitzondering van Kroatië.» ; h) artikel 28 wordt als volgt gewijzigd : i) in lid 1 wordt de volgende alinea ingevoegd na de tweede alinea : « Het nationaal strategisch referentiekader van Kroatië betreft de periode tussen de datum van toetreding en 31 december 2013.» ; ii) in lid 2 wordt de volgende alinea ingevoegd na de eerste alinea : « Kroatië zendt zijn nationale strategische referentiekader binnen drie maanden vanaf de datum van toetreding naar de Commissie. » ; i) aan artikel 29 wordt het volgende lid toegevoegd : « 5.De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op Kroatië. » ; j) aan lid 3 van artikel 32 wordt een alinea toegevoegd : « De Commissie neemt voor Kroatië uiterlijk 31 december 2013 het besluit aan ter goedkeuring van een operationeel programma dat moet worden gefinancierd tijdens de programmeringsperiode 2007-2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kroatie verwerkt in dit operationele programma de door de Commissie gemaakte opmerkingen en zij dient het binnen drie maanden vanaf de datum van toetreding in bij de Commissie. » ; k) in artikel 33, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd : « In het geval van Kroatië kunnen operationele programma's die voor de datum van toetreding zijn vastgesteld, worden herzien met als enig doel ze beter af te stemmen op deze verordening.» ; l) aan artikel 49, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd : « De ex post-evaluatie van de operationele programma's van Kroatië wordt uiterlijk 31 december 2016 afgerond.»; m) het volgende artikel wordt ingevoegd : « Artikel 51bis De artikelen 50 en 51 zijn niet van toepassing op Kroatië.» ; n) artikel 53, lid 3, wordt vervangen door : « 3.Voor operationele programma's in het kader van de doelstelling « Europese territoriale samenwerking » waarbij ten minste één deelnemer aan het operationele programma behoort tot de lidstaten waarvan het BBP per hoofd van de bevolking voor de periode van 2001 tot en met 2003 lager was dan 85 % van het gemiddelde van de EU-25 tijdens dezelfde periode, of voor dergelijke programma's waaraan Kroatië deelneemt, mag de bijdrage uit het EFRO niet hoger zijn dan 85 % van de subsidiabele uitgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle andere operationele programma's mag de bijdrage uit het EFRO niet hoger zijn dan 75 % van de door het EFRO gecofinancierde subsidiabele uitgaven. »; o) aan artikel 56, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd : « De uitgaven van Kroatië komen in aanmerking voor een bijdrage uit de fondsen tussen de begindatum van de subsidiabiliteit van de uitgaven overeenkomstig de uit hoofde van Verordening (EG) nr.1085/2006 vastgestelde instrumenten op 31 december 2016. Voor operationele programma's die na de toetreding zijn vastgesteld, komen de uitgaven echter vanaf de toetredingsdatum in aanmerking voor een bijdrage uit de fondsen, tenzij in het besluit over het betreffende operationele programma een andere datum is genoemd. » ; p) aan artikel 56, lid 3, is de volgende alinea toegevoegd : « Ongeacht de specifieke bepalingen inzake subsidiabiliteit zoals neergelegd in artikel 105bis, gelden de door het Comité van toezicht op de operationele programma's van Kroatië vastgestelde criteria niet voor activiteiten waarvan het goedkeuringsbesluit vóór de datum van toetreding is vastgesteld en die onderdeel zijn van de op grond van Verordening (EG) nr.1085/2006 vastgestelde instrumenten. » ; q) artikel 62, lid 1, wordt vervangen door : i) onder c) wordt de volgende alinea ingevoegd na de eerste alinea : « In het geval van Kroatië legt de auditautoriteit van een operationeel programma, binnen drie maanden na toetreding, de Commissie een bijgewerkt jaarlijks controlewerkplan voor als bedoeld in artikel 29, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr.718/2007 van de Commissie van 12 juni 2007 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA) *. * PB L 170 van 29.6.2007, blz. 1. » ; ii) onder d), punt i), wordt de volgende alinea toegevoegd : « Voor Kroatië wordt het eerste jaarlijkse controleverslag, dat de periode van 1 oktober 2012 tot en met 30 juni 2013 bestrijkt, ingediend uiterlijk op 31 december 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">De daaropvolgende verslagen, die de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014, van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015, en van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 bestrijken, worden bij de Commissie ingediend uiterlijk op respectievelijk 31 december 2014, 31 december 2015 en 31 december 2016. De informatie over de na 1 juli 2016 verrichte audits wordt opgenomen in het laatste controleverslag dat bij de onder e) bedoelde verklaring van afsluiting gaat;»; iii) aan punt e) wordt de volgende alinea toegevoegd : « Voor Kroatië wordt uiterlijk 31 maart 2018 een verklaring van afsluiting aan de Commissie overgelegd, tezamen met het laatste controleverslag. » ; r) aan artikel 67, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd : « Voor Kroatië dient de beheersautoriteit uiterlijk op 31 maart 2018 een eindverslag over de uitvoering van het operationele programma in. » ; s) artikel 71 wordt als volgt gewijzigd : i) het volgende lid wordt ingevoegd : « 1bis.Onverminderd lid 1 dient Kroatië zo spoedig mogelijk na de datum van toetreding, of uiterlijk voordat er door de Commissie een betaling wordt gedaan, bij de Commissie een beschrijving van de systemen in, die betrekking heeft op de in lid 1, onder a) en b), genoemde elementen. » ; ii) het volgende lid wordt ingevoegd : « 2bis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op Kroatië. Het in de eerste alinea van lid 2 bedoelde verslag wordt geacht aanvaard te zijn onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de tweede alinea van lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die aanvaarding is echter een randvoorwaarde voor de in artikel 82 bedoelde voorfinanciering. » ; t) aan artikel 75 wordt het volgende lid toegevoegd : « 1bis.Voor Kroatië worden de respectieve vastleggingen uit het EFRO, het Cohesiefonds en het ESF voor 2013 verricht op basis van het in artikel 28, lid 3, bedoelde besluit, zolang de Commissie geen besluit over de herziening van een vastgesteld operationeel programma heeft genomen. Voor vastleggingen ten behoeve van Kroatië vormt het in artikel 28, lid 3, bedoelde besluit een financieringsbesluit in de zin van artikel 75 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002. » ; u) aan artikel 78, lid 2, onder c), wordt de volgende zin toegevoegd : « Wat Kroatië betreft, moeten zij worden gebruikt voor de uitgaven van de begunstigden voor de uitvoering van het project en moeten zij binnen drie jaar na het jaar waarin het voorschot is betaald en uiterlijk op 31 december 2016 worden verantwoord door gekwiteerde rekeningen of boekhoudkundige stukken met gelijkwaardige bewijskracht; zo niet moet de volgende uitgavenstaat dienovereenkomstig worden gecorrigeerd. » ; v) in artikel 82 wordt het volgende lid 1bis toegevoegd : « 1bis.Voor Kroatië wordt na de aanvaarding van het verslag bedoeld in artikel 71, lid 2bis, en na de respectieve vastleggingen bedoeld in artikel 75, lidbis, één voorfinanciering voor de rest van de periode 2007-2013 in één keer uitgekeerd, ten belope van 30 % van de bijdrage uit het structuurfonds en 40 % van de bijdrage uit het Cohesiefonds aan het operationeel programma. » ; w) aan artikel 89, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd : « Kroatië zendt uiterlijk op 31 maart 2018 een betalingsaanvraag toe, die de in punt a), i) tot en met iii), genoemde documenten bevat.» ; x) in artikel 93 wordt het volgende lid ingevoegd : « 3bis.In afwijking van de leden 1 tot en met 3, past de Commissie voor Kroatië de in lid 1 omschreven doorhalingsregeling als volgt toe : i) de termijn voor openstaande gedeelten van de vastlegging voor 2010 is 31 december 2013; ii) de termijn voor openstaande gedeelten van de vastlegging voor 2011 is 31 december 2014; iii) de termijn voor openstaande gedeelten van de vastlegging voor 2012 is 31 december 2015; iv) gedeelten van de vastlegging die op 31 december 2016 nog openstaan, worden ambtshalve doorgehaald indien de Commissie daarvoor uiterlijk 31 maart 2018 geen ontvankelijke betalingsaanvraag heeft ontvangen. » ; y) in artikel 95 wordt na de tweede alinea de volgende alinea ingevoegd : « In afwijking van de eerste en tweede alinea, worden voor Kroatië de in artikel 93, lid 3bis, bedoelde termijnen onder de in de eerste alinea van dit artikel omschreven voorwaarden geschorst voor het bedrag dat met de betrokken concrete acties overeenkomt.» ; z) aan artikel 98, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd : « Kroatië mag de aldus vrijgekomen middelen uit de fondsen tot en met 31 december 2016 opnieuw gebruiken.»; za) het volgende artikel wordt ingevoegd : « Artikel 105bis Specifieke bepalingen naar aanleiding van de toetreding van Kroatië 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Programma's en grote projecten die op de datum van toetreding van Kroatië zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr.1085/2006 en die op die datum nog niet volledig zijn uitgevoerd, worden geacht door de Commissie te zijn goedgekeurd uit hoofde van onderhavige verordening, met uitzondering van de programma's die zijn goedgekeurd uit hoofde van de in artikel 3, lid 1, onder a) en e), van Verordening nr. 1085/2006 genoemde afdelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de volgende tot de in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1085/2006 genoemde afdeling behorende programma's geldt eveneens een uitzondering : a) het « grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma van het IPA voor de Adriatische Zee »;b) het grensoverschrijdende programma « Kroatië - Bosnië en Herzegovina »;c) het grensoverschrijdende programma « Kroatië - Montenegro »;d) het grensoverschrijdende programma « Kroatië - Servië ». Onverminderd de leden 2 tot en met 7, zijn de bepalingen met betrekking tot de uitvoering van activiteiten en grote projecten die uit hoofde van onderhavige verordening zijn goedgekeurd, op die activiteiten en grote projecten van toepassing. 2. Elke aanbestedingsprocedure in verband met activiteiten in het kader van de programma's, of in verband met grote projecten als bedoeld in lid 1, waarvoor op de datum van toetreding al een uitnodiging tot inschrijving is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, wordt uitgevoerd overeenkomstig de in die uitnodiging tot inschrijving vastgestelde voorschriften.Artikel 165 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 is niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke aanbestedingsprocedure in verband met activiteiten in het kader van de programma's, of in verband met grote projecten als bedoeld in lid 1, waarvoor op de datum van toetreding nog geen uitnodiging tot inschrijving is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, wordt uitgevoerd in overeenstemming met de Verdragen of de op basis daarvan vastgestelde besluiten, en artikel 9 van onderhavige verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere operaties dan die bedoeld in de eerste en tweede alinea, waarvoor uitnodigingen tot inschrijving zijn verzonden overeenkomstig artikel 158 van Verordening (EG) nr. 718/2007 of waarvoor inschrijvingen bij de bevoegde autoriteiten zijn binnengekomen vóór de datum van toetreding, en waarvoor de contracten pas na die datum konden worden afgerond, worden uitgevoerd volgens de voorwaarden en subsidiabiliteitsregels die in de betreffende uitnodiging tot inschrijving zijn opgenomen of vooraf aan potentiële begunstigden zijn meegedeeld. 3. De betalingen die door de Commissie worden verricht in het kader van de in lid 1 bedoelde programma's, worden beschouwd als een bijdrage uit de fondsen uit hoofde van onderhavige verordening, en worden gekoppeld aan de vroegste openstaande betalingsverplichting die IPA-betalingsverplichtingen omvat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op gedeelten van vastleggingen die door de Commissie zijn verricht in het kader van de in lid 1 bedoelde programma's en nog openstaan op de datum van toetreding, is deze verordening van toepassing vanaf de datum van toetreding. 4. Voor de activiteiten waarvoor uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1085/2006 goedkeuring is verleend, of waarvoor vóór de datum van toetreding respectieve financieringsovereenkomsten met de eindbegunstigden zijn ondertekend, blijven de regels inzake de subsidiabiliteit van de uitgaven overeenkomstig of krachtens Verordening (EG) nr. 718/2007 van de Commissie van toepassing, behalve in behoorlijk gemotiveerde gevallen waarover de Commissie op verzoek van Kroatië een besluit moet nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de eerste alinea vastgestelde subsidiabiliteitsregel is ook van toepassing op grote projecten als bedoeld in lid 1 ten aanzien waarvan vóór de datum van toetreding bilaterale projectovereenkomsten zijn ondertekend. 5. Wat Kroatië betreft, wordt elke verwijzing naar de fondsen als omschreven in artikel 1, tweede alinea, tevens als een verwijzing naar het bij Verordening (EG) nr.1085/2006 van de Raad vastgestelde instrument voor pretoetredingssteun beschouwd. 6. Specifieke termijnen die gelden voor Kroatië, gelden ook voor de volgende grensoverschrijdende programma's uit hoofde van de in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr.1085/2006 genoemde afdeling, waaraan Kroatië deelneemt : a) het grensoverschrijdende programma « Hongarije - Kroatië » en b) het grensoverschrijdende programma « Slovenië - Kroatië ». Specifieke termijnen die uit hoofde van deze verordening gelden voor Kroatië, zijn niet van toepassing op operationele programma's uit hoofde van de transnationale en interregionale afdelingen van de doelstelling « Europese territoriale samenwerking », waaraan Kroatië deelneemt. 7. De Commissie neemt zo nodig de vereiste maatregelen om de overgang van Kroatië van de pretoetredingsregeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van dit artikel te vergemakkelijken.» ; zb) bijlage I wordt vervangen door : « BIJLAGE I Jaarlijkse verdeling van de vastleggingskredieten 2007-2013 (bedoeld in artikel 18) (EUR - prijzen van 2004) 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 42 863 000 000 43 318 000 000 43 862 000 000 43 860 000 000 44 073 000 000 44 723 000 000 45 718 037 817</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">zc)</span>bijlage II wordt als volgt gewijzigd : i) in punt 5, worden de volgende punten toegevoegd : « c) voor Kroatië bedragen de middelen voor de financiering van de grensoverschrijdende samenwerking 7.028.744 EUR tegen prijzen van 2004; d) voor Kroatië bedragen de middelen voor de financiering van de transnationale samenwerking 1.874.332 EUR tegen prijzen van 2004; »; ii) het volgende punt wordt ingevoegd : « 7bis. Voor Kroatië bedraagt het plafond voor overdrachten uit de fondsen 3,5240 % van het BBP. » ; iii) het volgende punt wordt ingevoegd : « 9bis. Voor Kroatië worden de berekeningen van het BBP door de Commissie gebaseerd op de statistieken en ramingen die in mei 2011 zijn gepubliceerd. » ; zd) bijlage III wordt vervangen door : « BIJLAGE III Voor de medefinancieringspercentages geldende maxima (bedoeld in artikel 53) Criteria Lidstaat EFRO en ESF Percentage van subsidiabele uitgaven Cohesiefonds Percentage van subsidiabele uitgaven 1. Lidstaten waarvan het BBP over de periode 2001-2003 lager was dan 85 % van het gemiddelde van de EU-25 over dezelfde periode Bulgarije, Tsjechië, Estland, Griekenland, Spanje, Kroatië, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië en Slowakije. 85 % voor de convergentiedoelstelling en voor de doelstelling « Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid »</div>\n<p class=\"lf-p\">85 % 2. Andere dan de in punt 1 genoemde lidstaten die op 1 januari 2007 in aanmerking komen voor de overgangsregeling van het Cohesiefonds. Spanje 80 % voor regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen alsmede voor infaseringsregio's in het kader van de doelstelling « Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid » 50 % voor de doelstelling « Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid » buiten infaseringsregio's 85 % 3. Andere dan de in de punten 1 en 2 genoemde lidstaten België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk 75 % voor de convergentiedoelstelling 4.Andere dan de in de punten 1 en 2 genoemde lidstaten België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk 50 % voor de doelstelling « Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid »</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Ultraperifere regio's als bedoeld in artikel 349 van het VWEU uit de aanvullende toewijzing voor de ultraperifere regio's als bedoeld in punt 20 van bijlage II Spanje, Frankrijk en Portugal 50 % 6.Ultraperifere regio's als bedoeld in artikel 349 VWEU Spanje, Frankrijk en Portugal 85 % voor de convergentiedoelstelling en voor de doelstelling « Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid »</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>32006 R 1084 : Verordening (EG) nr.1084/2006 van de Raad van 11 juli 2006 tot oprichting van het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1164/94 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 79).</div>\n<p class=\"lf-p\">Het volgende artikel wordt ingevoegd : « Artikel 5bis Specifieke bepalingen naar aanleiding van de toetreding van Kroatië 1. Maatregelen waarvoor op de dag van toetreding van Kroatië een besluit van de Commissie inzake bijstand uit hoofde van Verordening (EG) nr.1267/1999 van 21 juni 1999 tot instelling van een pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid * van toepassing is, en die op die datum nog niet volledig zijn uitgevoerd, worden geacht door de Commissie te zijn goedgekeurd uit hoofde van onderhavige verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de leden 2, 3, 4 en 5, zijn de bepalingen betreffende de uitvoering van maatregelen die uit hoofde van onderhavige verordening en Verordening (EG) nr. 1083/2006 zijn goedgekeurd, op de in de eerste alinea van dit lid bedoelde maatregelen van toepassing. 2. Elke aanbestedingsprocedure in verband met een in lid 1 bedoelde maatregel waarvoor op de datum van toetreding al een uitnodiging tot inschrijving is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, wordt uitgevoerd overeenkomstig de in die uitnodiging tot inschrijving vastgestelde voorschriften.Artikel 165 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van 25 juni 2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen ** is niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke aanbestedingsprocedure in verband met een in lid 1 bedoelde maatregel waarvoor op de datum van toetreding nog geen uitnodiging tot inschrijving is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, wordt uitgevoerd in overeenstemming met de Verdragen of de op basis daarvan vastgestelde besluiten, en artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1083/2006. 3. De betalingen die door de Commissie worden verricht uit hoofde van een in lid 1 bedoelde maatregel, worden beschouwd als een bijdrage uit het fonds op grond van onderhavige verordening. De betalingen die door de Commissie worden verricht uit hoofde van een in lid 1 bedoelde maatregel, worden gekoppeld aan de vroegste openstaande betalingsverplichting die in eerste instantie is uitgevoerd krachtens Verordening (EG) nr. 1267/1999 en vervolgens krachtens onderhavige verordening en Verordening (EG) nr. 1083/2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden voor de tussentijdse betalingen en de betaling van het eindsaldo zijn opgenomen in Verordening (EG) nr. 1164/94, bijlage II, artikel D, lid 2, onder b), c) en d), en leden 3, 4 en 5. 4. Voor de in lid 1 bedoelde maatregelen blijven de regels inzake de subsidiabiliteit van de uitgaven die zijn vervat in Verordening (EG) nr.1267/1999 of die specifiek zijn vastgesteld in de desbetreffende financieringsovereenkomsten, van toepassing, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen waarover de Commissie op verzoek van Kroatië een besluit moet nemen. 5. De Commissie neemt zo nodig de vereiste maatregelen om de overgang van Kroatië van de pretoetredingsregeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van dit artikel te vergemakkelijken. * PB L 161 van 26.6.1999, blz. 73. ** PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. » . 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">MILIEU 1.32003 L 0087 : Richtl?n 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot w?ziging van Richtl?n 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32). a) In artikel 9 wordt aan de eerste alinea de volgende zin toegevoegd : « De hoeveelheid emissierechten voor de hele Gemeenschap wordt ten gevolge van de toetreding van Kroatië alleen verhoogd met de hoeveelheid emissierechten die Kroatië overeenkomstig artikel 10, lid 1, veilt.» ; b) in bijlage IIbis wordt het volgende ingevoegd na de tekst voor Spanje : « Kroatië 26 % ».2. 32009 D 0406 : Beschikking nr.406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136) : In bijlage IIbis wordt het volgende ingevoegd na de tekst voor Frankrijk : « Kroatië 11 % ».</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE IV Lijst bedoeld in artikel 16 van de Toetredingsakte : andere permanente bepalingen 1. RECHT INZAKE INTELLECTUELE EIGENDOM Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Derde deel, Titel II, Het vrije verkeer van goederen SPECIFIEK MECHANISME Wat Kroatië betreft, kan de houder, of de begunstigde van de houder, van een octrooi of een aanvullend beschermingscertificaat (ABC) voor een geneesmiddel waarvoor in een lidstaat een aanvraag werd ingediend toen een dergelijke bescherming voor dat product in Kroatië niet kon worden verkregen, zich beroepen op de bij dat octrooi of ABC verleende rechten om de invoer en het in de handel brengen van dat product in de lidstaat of lidstaten waar het product octrooi- of ABC-bescherming geniet, te voorkomen, zelfs indien dat product door de houder of met instemming van de houder voor het eerst in Kroatië in de handel is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedereen die een geneesmiddel waarop de bovenstaande alinea van toepassing is, wil invoeren of in de handel brengen in een lidstaat waar een octrooi of een ABC-bescherming voor dat geneesmiddel geldt, moet ten genoegen van de bevoegde autoriteiten in de aanvraag aantonen dat de houder of begunstigde van die bescherming een maand tevoren daarvan in kennis is gesteld. 2. MEDEDINGINGSBELEID Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Derde deel, Titel VII, Hoofdstuk 1, Regels betreffende de mededinging 1.Bij de toetreding worden de volgende steunregelingen en individuele steun die in Kroatië vóór de toetredingsdatum ten uitvoer zijn gebracht en na die datum nog steeds van toepassing zijn, als bestaande steun in de zin van artikel 108, lid 1, VWEU aangemerkt : a) vóór 1 maart 2002 ten uitvoer gebrachte steunmaatregelen;b) in het aanhangsel bij deze bijlage opgenomen steunmaatregelen;c) steunmaatregelen die vóór de toetredingsdatum door de Kroatische mededingingsautoriteit zijn beoordeeld en verenigbaar met het acquis van de Unie zijn bevonden, waartegen de Commissie geen bezwaar heeft aangetekend vanwege ernstige twijfel aan de verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt overeenkomstig de procedure van punt 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle na de datum van toetreding nog toepasselijke maatregelen die overheidssteun vormen en niet aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoen, worden voor de toepassing van artikel 108, lid 3, VWEU bij de toetreding als nieuwe steun aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande is niet van toepassing op steun voor activiteiten die verband houden met de productie, de behandeling of het op de markt brengen van de in bijlage I bij het VEU en het VWEU opgenomen producten. 2. Indien Kroatië wenst dat de Commissie een steunmaatregel onderzoekt volgens de procedure van punt 1, onder c), verstrekt hij de Commissie regelmatig : a) een lijst van bestaande steunmaatregelen die door de Kroatische mededingingsautoriteit zijn beoordeeld en door die autoriteit verenigbaar met het acquis van de Unie zijn bevonden;en b) alle overige informatie die essentieel is om te beoordelen of de te onderzoeken steunmaatregel verenigbaar is, overeenkomstig de door de Commissie voor gegevensverstrekking voorgeschreven concrete vorm. Indien de Commissie binnen de drie maanden na ontvangst van de volledige informatie over de bestaande steunmaatregel, of na ontvangst van de verklaring van Kroatië waarin het de Commissie meedeelt dat het de verstrekte gegevens als volledig beschouwt omdat de gevraagde extra informatie niet beschikbaar is of reeds is verstrekt, geen bezwaar aantekent tegen die maatregel vanwege ernstige twijfel aan de verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt, wordt zij geacht geen bezwaar te hebben aangetekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op alle volgens de in punt 1, onder c), vóór de datum van toetreding aan de Commissie voorgelegde steunmaatregelen is de bovengenoemde procedure van toepassing, ongeacht het feit dat Kroatië in de onderzoeksperiode al lid van de Unie is geworden. 3. Een besluit van de Commissie om bezwaar aan te tekenen tegen een maatregel in de zin van punt 1, onder c), wordt aangemerkt als een besluit tot het inleiden van de formele onderzoeksprocedure in de zin van Verordening (EG) nr.659/1999 (19) van 22 maart 1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (nu artikel 108 VWEU).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien zulk een besluit vóór de toetredingsdatum wordt genomen, wordt het pas op de datum van toetreding van kracht. 3. LANDBOUW a) Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Derde deel, Titel III, Landbouw en visserij De op de datum van toetreding in Kroatië bestaande openbare voorraden die het gevolg zijn van het marktondersteuningsbeleid van Kroatië, worden door de Unie overgenomen tegen de waarde die voortvloeit uit de toepassing van artikel 4, lid 1, onder d), en bijlage VIII van Verordening (EG) nr.884/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de financiering van de maatregelen voor interventie in de vorm van openbare opslag door het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF .) en de boeking van de verrichtingen in verband met openbare opslag door de betaalorganen van de lidstaten (20).</p>\n<p class=\"lf-p\">Die voorraden worden alleen overgenomen op voorwaarde dat in de Unie een openbare interventie plaatsvindt voor de desbetreffende producten en dat de voorraden voldoen aan de interventievoorschriften van de Unie. 2. Voor alle voorraden, zowel particuliere als openbare, die zich op de datum van toetreding in Kroatië in het vrije verkeer bevinden en die het niveau overschrijden van wat als normale overdrachthoeveelheden kan worden beschouwd, moet Kroatië een betaling aan de algemene begroting van de Europese Unie verrichten. Het bedrag van die betaling wordt vastgesteld op een niveau dat overeenstemt met de kosten die voortvloeien uit het effect van de overschotvoorraad op de markten voor landbouwproducten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor ieder product dient het niveau van de overschotvoorraad te worden vastgesteld rekening houdend met zijn kenmerken en de betrokken markten en de toepasselijke wetgeving van de Unie. 3. De in lid 1 bedoelde voorraden worden in mindering gebracht op de hoeveelheid die de normale overdrachtshoeveelheid overschrijdt.4. De Commissie voert in de leden 1 t/m 3 omschreven regelingen uit en past deze toe volgens de procedure van artikel 41, lid 2, van Verordening (EG) nr.1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (21), of, waar passend, volgens de procedure van artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007, of de desbetreffende comitologieprocedure zoals die is vastgesteld in de toepasselijke wetgeving. b) Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Derde deel, Titel VII, Hoofdstuk 1, Regels betreffende de mededinging Onverminderd de procedures betreffende bestaande steunmaatregelen waarin artikel 108 van het VWEU voorziet, worden steunregelingen en individuele steunmaatregelen voor activiteiten in verband met de productie van of de handel in de in bijlage I bij het VEU en het VWEU vermelde producten, met uitzondering van visserijproducten en daarvan afgeleide producten, die in Kroatië in werking treden vóór de datum van toetreding en na die datum van toepassing blijven, onder de onderstaande voorwaarde beschouwd als bestaande steunmaatregelen in de zin van artikel 108, lid 1, van het VWEU : - van de steunmaatregelen wordt binnen een periode van vier maanden vanaf de datum van toetreding kennis gegeven aan de Commissie.Die kennisgeving omvat ook informatie over de rechtsgrondslag van elke maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen, welke vóór de datum van toetreding ter kennis van de Commissie zijn gebracht, worden beschouwd als steunmaatregelen en plannen waarvan op de datum van toetreding kennis is gegeven. De Commissie maakt de lijst van die steunmaatregelen bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze steunmaatregelen worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van toetreding beschouwd als bestaande steun in de zin van artikel 108, lid 1, van het VWEU. Kroatië wijzigt waar nodig die steunmaatregelen, om zich binnen een periode van drie jaar vanaf de datum van toetreding te conformeren aan de door de Commissie toegepaste richtsnoeren. Nadien worden steunmaatregelen die onverenigbaar blijken te zijn met deze richtsnoeren als nieuwe steunmaatregelen aangemerkt. 4. VISSERIJ Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Derde deel, Titel VII, Hoofdstuk 1, Regels betreffende de mededinging Onverminderd de procedures betreffende bestaande steunmaatregelen waarin artikel 108 van het VWEU voorziet, worden steunregelingen en individuele steunmaatregelen voor activiteiten in verband met de productie van en de handel in visserijproducten en daarvan afgeleide producten als vermeld in bijlage I bij het VEU en het VWEU, die in Kroatië in werking treden vóór de datum van toetreding en na die datum van toepassing blijven, onder de onderstaande voorwaarden beschouwd als bestaande steunmaatregelen in de zin van artikel 108, lid 1, van het VWEU : - van de steunmaatregelen wordt binnen een periode van vier maanden vanaf de datum van toetreding kennis gegeven aan de Commissie.Die kennisgeving omvat ook informatie over de rechtsgrondslag van elke maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen, welke vóór de datum van toetreding ter kennis van de Commissie zijn gebracht, worden beschouwd als steunmaatregelen en plannen waarvan op de datum van toetreding kennis is gegeven. De Commissie maakt de lijst van die steunmaatregelen bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze steunmaatregelen worden voor een periode van drie jaar vanaf de datum van toetreding beschouwd als bestaande steun in de zin van artikel 108, lid 1, van het VWEU. Kroatië wijzigt waar nodig deze steunmaatregelen, om zich binnen een periode van drie jaar vanaf de datum van toetreding te conformeren aan de door de Commissie toegepaste richtsnoeren. Na die termijn worden steunmaatregelen die onverenigbaar blijken te zijn met die richtsnoeren als nieuwe steunmaatregelen aangemerkt. 5. DOUANE-UNIE Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Derde deel, Titel II, Het vrije verkeer van goederen, Hoofdstuk I, De douane-unie 31992 R 2913 : Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1). 31993 R 2454 : Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/93 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie zijn in Kroatië van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden : BEWIJS VAN DE UNIESTATUS (HANDEL IN DE UITGEBREIDE UNIE) 1. Niettegenstaande artikel 20 van Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad zijn goederen die op de datum van toetreding zich in tijdelijke opslag bevinden of vallen onder één van de hieronder in artikel 4, punt 15, onder b), en punt 16, onder b) tot en met h), van die verordening vermelde douaneregelingen en -procedures in de uitgebreide Unie, dan wel in de uitgebreide Unie worden vervoerd na aan uitvoerformaliteiten te zijn onderworpen, vrijgesteld van douanerechten en andere douanemaatregelen wanneer zij voor het vrije verkeer in de uitgebreide Unie worden aangegeven, mits de volgende bewijzen zijn geleverd : a) bewijs van preferentiële oorsprong dat naar behoren vóór de datum van toetreding is afgegeven of opgesteld overeenkomstig de stabilisatie- en associatieovereenkomst;b) een van de bewijzen van uniestatus, bedoeld in artikel 314quater van Verordening (EEG) nr.2454/93; c) een carnet ATA dat vóór de datum van toetreding in een huidige lidstaat of in Kroatië is afgegeven.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de afgifte van de in punt 1, onder b), bedoelde bewijzen met betrekking tot de situatie op de datum van toetreding en in aanvulling op het bepaalde in artikel 4, lid 7, van Verordening (EEG) nr.2913/92 wordt onder « communautaire goederen » verstaan : - goederen die op het grondgebied van Kroatië zijn verkregen onder voorwaarden die identiek zijn aan die van artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad en waarin geen goederen zijn verwerkt die uit andere landen of gebieden zijn ingevoerd; of - goederen die zijn ingevoerd uit andere landen of gebieden dan Kroatië, en die in dat land in het vrije verkeer zijn gebracht; of - goederen die in Kroatië zijn vervaardigd, hetzij uitsluitend uit de in het tweede streepje bedoelde goederen, hetzij uit de in het eerste en tweede streepje bedoelde goederen. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de controle van de in punt 1, onder a), hierboven bedoelde bewijzen zijn de bepalingen betreffende de definitie van « producten van oorsprong » en methoden van administratieve samenwerking uit hoofde van de stabilisatie- en associatieovereenkomst van toepassing. Verzoeken om controle achteraf van bewijzen van oorsprong worden door de bevoegde douaneautoriteiten van de huidige lidstaten en Kroatië aanvaard gedurende een periode van drie jaar na de afgifte of opstelling van het betrokken bewijs van oorsprong en kunnen door die autoriteiten nog worden gedaan tijdens een periode van drie jaar vanaf de aanvaarding van het bewijs van oorsprong ter rechtvaardiging van een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">BEWIJS VAN PREFERENTIELE OORSPRONG (HANDEL MET DERDE LANDEN, WAARONDER TURKIJE, IN HET KADER VAN DE PREFERENTIELE OVEREENKOMSTEN BETREFFENDE LANDBOUWPRODUCTEN EN KOLEN- EN STAALPRODUCTEN) 4. Onverminderd de toepassing van eventuele maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek worden bewijzen van oorsprong die door derde landen naar behoren zijn afgegeven of opgesteld in het kader van door Kroatië met die derde landen gesloten preferentiële overeenkomsten in Kroatië aanvaard mits : a) de verkrijging van die oorsprong aanleiding geeft tot een preferentiële tariefbehandeling op grond van de preferentiële tariefmaatregelen vervat in overeenkomsten of regelingen die de Unie heeft gesloten met of getroffen ten aanzien van die derde landen of groepen van derde landen, als bedoeld in artikel 20, lid 3, onder d) en e), van Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad; b) het bewijs van oorsprong en de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag voor de toetreding zijn afgegeven of opgesteld;en c) het bewijs van oorsprong binnen vier maanden vanaf de datum van toetreding bij de douaneautoriteiten is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien goederen vóór de datum van toetreding voor het vrije verkeer in Kroatië zijn aangegeven, kunnen bewijzen van oorsprong die a posteriori zijn afgegeven of opgesteld uit hoofde van preferentiële regelingen die in Kroatië golden op het tijdstip van het aangeven voor het vrije verkeer, ook in Kroatië worden aanvaard, op voorwaarde dat de bewijzen van oorsprong binnen vier maanden vanaf de datum van toetreding aan de douaneautoriteiten worden voorgelegd. 5. Kroatië mag de vergunningen waarmee de status van « toegelaten exporteur » in het kader van met derde landen gesloten overeenkomsten is toegekend, behouden op voorwaarde dat : a) een dergelijke bepaling ook is opgenomen in de overeenkomsten of regelingen die de Unie vóór de toetredingsdatum met de Unie met die derde landen of groepen van derde landen heeft gesloten of ten aanzien van hen heeft vastgesteld;en b) de toegelaten exporteurs de regels van oorsprong toepassen waarin die overeenkomsten of regelingen voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vergunningen worden door Kroatië uiterlijk één jaar na de toetreding vervangen door nieuwe, overeenkomstig de voorwaarden van de wetgeving van de Unie afgegeven vergunningen. 6. Voor de controle van de in punt 4 bedoelde bewijzen zijn de bepalingen betreffende de definitie van « producten van oorsprong » en methoden van administratieve samenwerking uit hoofde van de relevante overeenkomsten of regelingen van toepassing.Verzoeken om controle achteraf van bewijzen van oorsprong worden door de bevoegde douaneautoriteiten van de huidige lidstaten en Kroatië aanvaard gedurende een periode van drie jaar na de afgifte of opstelling van het betrokken bewijs van oorsprong en kunnen door die autoriteiten nog worden gedaan tijdens een periode van drie jaar vanaf de aanvaarding van het bewijs van oorsprong ter rechtvaardiging van een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de toepassing van eventuele maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek worden bewijzen van oorsprong die door derde landen a posteriori zijn afgegeven of opgesteld in het kader van preferentiële overeenkomsten of regelingen die de Unie heeft gesloten met, of vastgesteld met betrekking tot die landen, in Kroatië aanvaard voor de aangifte voor het vrije verkeer van goederen die op de datum van toetreding vervoerd worden of zich in tijdelijke opslag, in een douane-entrepot of in een vrije zone in een van die derde landen of in Kroatië bevinden, mits in Kroatië op het tijdstip waarop de vervoersdocumenten werden afgegeven voor de betrokken producten geen vrijhandelsovereenkomst met het derde land gold en mits : a) de verkrijging van die oorsprong aanleiding geeft tot een preferentiële tariefbehandeling op grond van de preferentiële tariefmaatregelen vervat in overeenkomsten of regelingen die de Unie heeft gesloten met of getroffen ten aanzien van derde landen of groepen van landen, als bedoeld in artikel 20, lid 3, onder d) en e), van Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad; b) de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag vóór de toetreding zijn afgegeven;en c) het a posteriori afgegeven of opgestelde bewijs van oorsprong binnen een periode van 4 maanden vanaf de datum van toetreding bij de douaneautoriteiten is ingediend.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de controle van de in punt 7 bedoelde bewijzen zijn de bepalingen betreffende de definitie van « producten van oorsprong » en de methoden van administratieve samenwerking uit hoofde van de relevante overeenkomsten of regelingen van toepassing. BEWIJS VAN STATUS OVEREENKOMSTIG DE BEPALINGEN INZAKE VRIJ VERKEER VAN INDUSTRIEPRODUCTEN BINNEN DE DOUANE-UNIE EU-TURKIJE 9. Bewijzen van oorsprong die door Turkije of Kroatië op de juiste wijze zijn afgegeven of zijn opgesteld in het kader van tussen die landen toegepaste preferentiële handelsovereenkomsten en die een verbod van « drawback » of vrijstelling van douanerechten op de betrokken goederen bevatten, worden in de respectieve landen aanvaard als bewijs van status overeenkomstig de bepalingen inzake vrij verkeer van industrieproducten van Besluit nr.1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (22) (« Besluit nr. 1/95 »), mits : a) het bewijs van oorsprong en de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag voor de toetreding zijn afgegeven of opgesteld;en b) het bewijs van oorsprong binnen een periode van vier maanden vanaf de datum van toetreding bij de douaneautoriteiten is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien goederen in Turkije of in Kroatië vóór de datum van toetreding voor het vrije verkeer zijn aangegeven in het kader van de in de eerste alinea genoemde preferentiële handelsovereenkomsten, kunnen bewijzen van oorsprong die a posteriori zijn afgegeven of opgesteld uit hoofde van die overeenkomsten ook worden aanvaard, op voorwaarde dat zij binnen vier maanden vanaf de datum van toetreding aan de douaneautoriteiten worden voorgelegd. 10. Voor de controle van de in punt 9 bedoelde bewijzen zijn de bepalingen betreffende de definitie van « producten van oorsprong » en methoden van administratieve samenwerking uit hoofde van de relevante preferentiële overeenkomsten van toepassing.Verzoeken om controle achteraf van bewijzen van oorsprong worden door de bevoegde douaneautoriteiten van de huidige lidstaten en Kroatië aanvaard gedurende een periode van drie jaar na de afgifte of opstelling van het betrokken bewijs van oorsprong en kunnen door die autoriteiten nog worden gedaan tijdens een periode van drie jaar vanaf de aanvaarding van het bewijs van oorsprong ter rechtvaardiging van een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de toepassing van eventuele maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt een certificaat inzake goederenverkeer A.TR. dat is afgegeven overeenkomstig de bepalingen inzake vrij verkeer van industrieproducten van Besluit nr. 1/95 in Kroatië aanvaard voor de aangifte voor het vrije verkeer van goederen die op de datum van toetreding worden vervoerd na aan uitvoerformaliteiten te zijn onderworpen binnen de Unie of in Turkije, of zich in tijdelijke opslag bevinden of vallen onder één van de in artikel 4, punt 16, onder b) tot en met h), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad vermelde douaneprocedures in Turkije of in Kroatië, mits : a) geen bewijs van oorsprong als bedoeld in punt 9 voor de betrokken goederen wordt voorgelegd;b) de goederen voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen inzake het vrij verkeer van industrieproducten;c) de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag vóór de toetreding zijn afgegeven;en d) het certificaat inzake goederenverkeer A.TR. binnen vier maanden na de toetreding bij de douaneautoriteiten is ingediend. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de controle van het in punt 11 bedoelde certificaat inzake goederenverkeer A.TR. zijn de bepalingen betreffende de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer A.TR. en de methoden van administratieve samenwerking van Besluit nr. 1/2006 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije van 26 juli 2006 houdende wijziging van Besluit nr. 1/96 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije (23) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">DOUANEPROCEDURES 13. De tijdelijke opslag en de in artikel 4, punt 16, onder b) tot en met h), van Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad bedoelde douaneprocedures waarmee vóór de toetreding een aanvang is gemaakt, worden beëindigd of afgewikkeld onder de voorwaarden van de wetgeving van de Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de beëindiging of afwikkeling aanleiding geeft tot een douaneschuld, is het te betalen bedrag aan invoerrechten het bedrag dat van kracht is op het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat overeenkomstig het gemeenschappelijk douanetarief; het betaalde bedrag wordt beschouwd als eigen middelen van de Unie. 14. De procedures betreffende de regeling douane-entrepot van de artikelen 84 tot en met 90 en 98 tot en met 113 van Verordening (EEG) nr.2913/92 en de artikelen 496 tot en met 535 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie zijn in Kroatië van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden : - indien het bedrag van een douaneschuld wordt bepaald op basis van de aard van de ingevoerde goederen en de aangifte tot plaatsing onder de regeling was aanvaard vóór de datum van toetreding, worden de tariefindeling, de hoeveelheid, de douanewaarde en de oorsprong van de ingevoerde goederen op het tijdstip van de plaatsing onder de regeling, bepaald aan de hand van de wetgeving die op de datum van de aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten van toepassing was in Kroatië. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedures betreffende de regeling actieve veredeling van de artikelen 84 tot en met 90 en 114 tot en met 129 van Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad en de artikelen 496 tot en met 523 en 536 tot en met 550 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie zijn in Kroatië van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden : - indien het bedrag van een douaneschuld wordt bepaald op basis van de aard van de ingevoerde goederen en de aangifte tot plaatsing onder de regeling was aanvaard vóór de datum van toetreding, worden de tariefindeling, de hoeveelheid, de douanewaarde en de oorsprong van de ingevoerde goederen op het tijdstip van de plaatsing onder de regeling, bepaald aan de hand van de wetgeving die op de datum van de aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten van toepassing was in Kroatië; - om, ingeval de afwikkeling leidt tot een douaneschuld, de gelijkheid van de in de huidige lidstaten en in Kroatië gevestigde vergunninghouders te waarborgen, moet met ingang van de toetredingsdatum compensatierente worden betaald over de krachtens de wetgeving van de Unie toepasselijke invoerrechten; - indien de aangifte tot actieve veredeling aanvaard is in het kader van een teruggavenregeling, vindt teruggave plaats onder de voorwaarden van de wetgeving van de Unie, door en op kosten van Kroatië, waar de douaneschuld in verband waarmee teruggave wordt gevraagd, vóór de toetreding was ontstaan. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedures betreffende de regeling tijdelijke invoer van de artikelen 84 tot en met 90 en 137 tot en met 144 van Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad en de artikelen 496 tot en met 523 en 553 tot en met 584 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie zijn in Kroatië van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden : - indien het bedrag van een douaneschuld wordt bepaald op basis van de aard van de ingevoerde goederen en de aangifte tot plaatsing onder de regeling was aanvaard vóór de datum van toetreding, worden de tariefindeling, de hoeveelheid, de douanewaarde en de oorsprong van de ingevoerde goederen op het tijdstip van de plaatsing onder de regeling, bepaald aan de hand van de wetgeving die op de datum van de aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten van toepassing was in Kroatië; - om, ingeval de afwikkeling leidt tot een douaneschuld, de gelijkheid van de in de huidige lidstaten en in Kroatië gevestigde vergunninghouders te waarborgen, moet met ingang van de toetredingsdatum compensatierente worden betaald over de krachtens de wetgeving van de Unie toepasselijke invoerrechten. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedures betreffende de regeling passieve veredeling van de artikelen 84 tot en met 90 en 145 tot en met 160 van Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad en de artikelen 496 tot en met 523 en 585 tot en met 592 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie zijn in Kroatië van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden : - artikel 591, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie is mutatis mutandis van toepassing op tijdelijk uitgevoerde goederen die vóór de datum van toetreding tijdelijk uit Kroatië waren uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">OVERIGE BEPALINGEN 18. Vergunningen voor de in artikel 4, punt 16, onder d), e) en g), van Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad bedoelde douaneregelingen of een status van geautoriseerde marktdeelnemer als bedoeld in artikel 5bis, lid 2, van genoemde verordening, die door Kroatië verleend zijn vóór de datum van toetreding, zijn geldig tot het einde van hun geldigheidsduur, maar uiterlijk tot één jaar na de datum van toetreding. 19. De procedures betreffende het ontstaan van een douaneschuld, de boeking van de bedragen van de rechten en navordering van de rechten van de artikelen 201 tot en met 232 van Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad en de artikelen 859 tot en met 876bis van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie zijn in Kroatië van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden : - de navordering geschiedt onder de voorwaarden van de wetgeving van de Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de douaneschuld echter vóór de toetredingsdatum is ontstaan, geschiedt de navordering door en ten bate van Kroatië onder de daar vóór de toetreding geldende voorwaarden. 20. De procedures betreffende de terugbetaling en de kwijtschelding van rechten van de artikelen 235 tot en met 242 van Verordening (EEG) nr.2913/92 van de Raad en de artikelen 877 tot en met 912 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie zijn in Kroatië van toepassing onder de volgende specifieke voorwaarden : - terugbetaling en kwijtschelding van rechten geschieden onder de voorwaarden van de wetgeving van de Unie. Indien de rechten waarvan terugbetaling of kwijtschelding wordt gevraagd, betrekking hebben op een douaneschuld die vóór de toetredingsdatum is ontstaan, geschieden de terugbetaling en kwijtschelding van rechten evenwel door en ten laste van Kroatië onder de daar vóór de toetreding geldende voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanhangsel van bijlage IV Lijst van bestaande steunmaatregelen als bedoeld in punt 1, onder b), van het bestaande steunmechanisme zoals vastgesteld in Hoofdstuk 2 (« Mededingingsbeleid ») Noot : De in dit aanhangsel vermelde maatregelen worden, wat de toepassing van de bestaande steunregeling van Hoofdstuk 2 betreft, slechts beschouwd als bestaande steun voor zover zij vallen binnen de werkingssfeer van lid 1 van dat artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Registratienummer Titel (origineel) Datum van goedkeuring door de Kroatische mededingingsautoriteit Looptijd LS Aantal Jaar HR 1 2011 Zakon o slobodnim zonama (NN 44/96, 92/05 i 85/08) 17/06/2008 31/12/2016 HR 3 2011 Zakon o Hrvatskoj radioteleviziji (NN 137/10) 21/10/2010 Onbeperkt HR 4 2011 Odluka o otvorenosti Zraène luke Osijek d.o.o. u razdoblju od 2009. do 2013. godine, od 20.veljaèe 2009. i 24. travnja 2009 25/05/2009 31/12/2013 HR 5 2011 Program financiranja nakladnitva od 2011. do 2013 10/02/2011 31/12/2013 HR 6 2011 Naknadno odobrenje dr avnih potpora poduzetniku Rockwool Adriatic d.o.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/12/2010 31/12/2015 HV 9 2011 Zakon o znanstvenoj djelatnosti i visokom obrazovanju (NN 123/03, 198/03, 105/04, 174/04, 46/07) 01/02/2007 31/12/ 2014 HR 10 2011 Odluka o obvezi otvorenosti Zraène luke Rijeka d.o.o. za javni zraèni promet u razdoblju od 2010. do 2014., od 25. sijeènja 2010. i 3. studenoga 2010 10/03/2011 31/12/ 2014 BIJLAGE V Lijst bedoeld in artikel 18 van de Toetredingsakte : overgangsmaatregelen 1. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN 32001 L 0083 : Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de vereisten inzake kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid in Richtlijn 2001/83/EG, blijven vergunningen voor het in de handel brengen voor geneesmiddelen, die niet vallen onder artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (24) en die op de lijst staan (in aanhangsel bij deze bijlage als vastgesteld door Kroatië) die uit hoofde van de Kroatische wetgeving nog voor de datum van toetreding zijn afgegeven, geldig totdat zij worden vernieuwd overeenkomstig het acquis van de Unie, of tot vier jaar vanaf de datum van toetreding, als laatstgenoemde datum eerder valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vergunningen voor het in de handel brengen die onder deze afwijking vallen, bestaat in de lidstaten geen wederzijdse erkenning zolang voor die producten geen vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2001/83/EG. De vergunningen voor het in de handel brengen die nog voor de toetreding zijn verleend en niet onder deze afwijking vallen en alle nieuwe vergunningen voor het in de handel brengen voldoen met ingang van de datum van toetreding, aan Richtlijn 2001/83/EG. 2. VRIJ VERKEER VAN PERSONEN Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 31996 L 0071 : Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1). 32004 L 0038 : Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77). 32011 R 0492 : Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141 van 27.5.2011,blz. 1). 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG tussen Kroatië enerzijds en elk van de huidige lidstaten anderzijds, zijn artikel 45 en de eerste alinea van artikel 56 VWEU slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 13.2. In afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr.492/2011 zullen de huidige lidstaten tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Kroatië nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Kroatische onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huidige lidstaten mogen dergelijke maatregelen blijven toepassen tot het einde van het vijfde jaar na de datum van toetreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kroatische onderdanen die op de datum van toetreding legaal in een huidige lidstaat werken, en wier toelating tot de arbeidsmarkt van die lidstaat voor een ononderbroken periode van 12 maanden of meer geldt, hebben toegang tot de arbeidsmarkt van die lidstaat, maar niet tot de arbeidsmarkt van andere lidstaten die nationale maatregelen toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kroatische onderdanen die na de toetreding gedurende een ononderbroken periode van 12 maanden of meer tot de arbeidsmarkt van een huidige lidstaat zijn toegelaten, genieten dezelfde rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de tweede en derde alinea bedoelde Kroatische onderdanen verliezen de aldaar bedoelde rechten als zij de arbeidsmarkt van de betrokken huidige lidstaat vrijwillig verlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kroatische onderdanen die op de datum van toetreding of gedurende een periode waarin nationale maatregelen worden toegepast, legaal werkten in een huidige lidstaat, en die voor minder dan 12 maanden tot de arbeidsmarkt van die lidstaat waren toegelaten, genieten de in de tweede en derde alinea bedoelde rechten niet. 3. Binnen een periode van twee jaar vanaf de datum van toetreding wordt het functioneren van de overgangsmaatregelen van punt 2 door de Raad geëvalueerd op basis van een verslag van de Commissie. Na afronding van deze evaluatie en uiterlijk binnen een periode van twee jaar vanaf de datum van toetreding delen de huidige lidstaten de Commissie mee of zij de nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen blijven toepassen, dan wel of zij voortaan de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr. 492/2011 toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke van een dergelijke kennisgeving zijn de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr. 492/2011 van toepassing. 4. Op verzoek van Kroatië kan de evaluatie eenmaal worden herhaald.De in punt 3 bedoelde procedure is van toepassing en wordt binnen zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het verzoek van Kroatië voltooid. 5. Een lidstaat die aan het einde van de in punt 2 bedoelde periode van vijf jaar de nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen handhaaft, mag in geval van ernstige verstoringen van zijn arbeidsmarkt of het dreigen daarvan en na kennisgeving aan de Commissie deze maatregelen tot aan het einde van het zevende jaar na de datum van toetreding blijven toepassen.Bij gebreke van een dergelijke kennisgeving zijn de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr. 492/2011 van toepassing. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lidstaten waar gedurende de periode van zeven jaar na de datum van toetreding, krachtens punt 3, 4 of 5, de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr.492/2011 van toepassing zijn ten aanzien van Kroatische onderdanen en die gedurende deze periode om redenen van toezicht arbeidsvergunningen aan Kroatische onderdanen afgeven, doen zulks automatisch. 7. De lidstaten waar, krachtens de punten 3, 4 of 5, ten aanzien van Kroatische onderdanen de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr.492/2011 van toepassing zijn, mogen tot het einde van het zevende jaar na de datum van toetreding, de in de tweede en derde alinea van dit lid omschreven procedures toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een in de eerste alinea bedoelde lidstaat verstoringen van de arbeidsmarkt ondervindt of voorziet die een serieuze bedreiging kunnen vormen voor de levensstandaard of het werkgelegenheidspeil in een bepaalde regio of binnen een bepaalde beroepsgroep, stelt deze de Commissie en de overige lidstaten daarvan in kennis en verstrekt hun alle relevante gegevens. Op basis van deze informatie kan de lidstaat de Commissie verzoeken te bepalen dat de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr. 492/2011 geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort om in die regio of beroepsgroep de normale toestand te herstellen. Uiterlijk twee weken na de ontvangst van het verzoek neemt de Commissie een besluit over de opschorting en over de duur en de werkingssfeer ervan en stelt zij de Raad in kennis van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen twee weken na de datum van het besluit van de Commissie kan elke lidstaat de Raad verzoeken dat besluit te vernietigen of te wijzigen. Binnen twee weken na dat verzoek neemt de Raad een besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een in de eerste alinea bedoelde lidstaat kan in dringende en uitzonderlijke gevallen de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr. 492/2011 opschorten, waarna een met redenen omklede kennisgeving aan de Commissie wordt gedaan. 8. Zolang de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr.492/2011, krachtens de punten 2 tot en met 5 en punt 7, is opgeschort, blijft artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG van toepassing ten aanzien van onderdanen van de huidige lidstaten in Kroatië en ten aanzien van Kroatische onderdanen in de huidige lidstaten, onder de volgende voorwaarden en in zoverre het gaat om het recht van gezinsleden van werknemers om werk aan te nemen : - de echtgeno(o)t(e) van een werknemer en hun nakomelingen die jonger zijn dan 21 jaar of afhankelijk zijn en op de datum van toetreding met de werknemer legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, hebben vanaf de toetreding onmiddellijk toegang tot de arbeidsmarkt van die lidstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt niet voor de leden van het gezin van een werknemer die legaal tot de arbeidsmarkt van die lidstaat is toegelaten voor een periode van minder dan twaalf maanden; - de echtgeno(o)t(e) van een werknemer en hun nakomelingen die jonger zijn dan 21 jaar of afhankelijk zijn en die vanaf een datum na de datum van toetreding, doch gedurende de periode van toepassing van de boven bepaalde overgangsregelingen, met de werknemer legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, hebben toegang tot de arbeidsmarkt van de betrokken lidstaat nadat zij gedurende ten minste achttien maanden in de betrokken lidstaat hebben verbleven of, indien dit eerder is, vanaf het derde jaar na de datum van toetreding van Kroatië.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepalingen doen geen afbreuk aan gunstiger nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen. 9. Voor zover sommige bepalingen van Richtlijn 2004/38/EG, waarin bepalingen van Richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der lidstaten en van hun familie binnen de Gemeenschap (25) zijn overgenomen, onlosmakelijk verbonden zijn met de bepalingen van Verordening (EU) nr.492/2011 waarvan de toepassing uit hoofde van de punten 2 tot en met 5 en de punten 7 en 8 wordt opgeschort, mogen Kroatië en de huidige lidstaten van eerstgenoemde bepalingen afwijken voor zover zulks voor de toepassing van de punten 2 tot en met 5 en de punten 7 en 8 nodig is. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de huidige lidstaten krachtens de bovenstaande overgangsregelingen nationale maatregelen of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen, mag Kroatië ten aanzien van de onderdanen van de bewuste lidstaat of lidstaten gelijkwaardige maatregelen handhaven.11. Elke huidige lidstaat die overeenkomstig de punten 2 tot en met 5 en de punten 7 tot en met 9 nationale maatregelen toepast, kan krachtens de nationale wetgeving een vrijer verkeer van werknemers invoeren dan op de datum van toetreding het geval is, met inbegrip van volledige toegang tot de arbeidsmarkt.Vanaf het derde jaar na de datum van toetreding kan elke huidige lidstaat die nationale maatregelen toepast, te allen tijde besluiten in de plaats daarvan de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr. 492/2011 toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van dit besluit wordt kennis gegeven aan de Commissie. 12. Teneinde in te spelen op ernstige verstoringen of dreigende verstoringen in specifieke, gevoelige dienstensectoren op de arbeidsmarkten van Duitsland en Oostenrijk, die in bepaalde regio's als gevolg van de in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG bedoelde transnationale dienstverrichtingen zouden kunnen ontstaan, en zolang zij uit hoofde van bovenstaande overgangsregelingen, nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen op het vrij verkeer van Kroatische werknemers toepassen, mogen Duitsland en Oostenrijk na kennisgeving aan de Commissie afwijken van artikel 56, lid 1, VWEU, teneinde in de context van dienstverrichting door in Kroatië gevestigde ondernemingen, het tijdelijk verkeer van werknemers wier recht om in Duitsland en Oostenrijk werk aan te nemen onder nationale maatregelen valt, te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lijst van dienstensectoren die onder deze afwijkende regeling kunnen vallen, is als volgt : - in Duitsland :</p>\n<p class=\"lf-p\">Sector NACE(*)-code, tenzij anders aangegeven Bouwnijverheid en aanverwante activiteiten 45.1 tot en met 4; Activiteiten vermeld in de bijlage bij Richtlijn 96/71/EG Industriële reiniging 74.70 Industriële Reiniging Overige diensten 74.87 Uitsluitend de activiteiten van binnenhuisarchitecten (*) NACE : zie 31990 R 3037 : Verordening (EEG) nr. 3037/90 van de Raad van 9 oktober 1990 betreffende de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (PB L 293 van 24.10.1990, blz. 1); - in Oostenrijk :</p>\n<p class=\"lf-p\">Sector NACE(*)-code, tenzij anders aangegeven Diensten in verband met de tuinbouw 01.41 Houwen, bewerken en afwerken van natuursteen 26.7 Vervaardiging van metalen constructiewerken en delen daarvan 28.11 Bouwnijverheid en aanverwante activiteiten 45.1 tot en met 4; Activiteiten vermeld in de bijlage bij Richtlijn 96/71/EG Beveiligingsdiensten 74.60 Industriële reiniging 74.70 Thuisverpleging 85.14 Maatschappelijke dienstverlening waarbij geen onderdak wordt verschaft 85.32 (*) NACE : zie 31990 R 3037 : Verordening (EEG) nr. 3037/90 van de Raad van 9 oktober 1990 betreffende de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (PB L 293 van 24.10.1990, blz. 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover Duitsland en Oostenrijk in overeenstemming met de eerste en de tweede alinea van dit lid afwijken van artikel 56, lid 1, van het VWEU, mag Kroatië, na kennisgeving hiervan aan de Commissie, gelijkwaardige maatregelen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van deze alinea mag niet leiden tot strengere voorwaarden voor het tijdelijk verkeer van werknemers in de context van transnationale dienstverrichtingen tussen Duitsland of Oostenrijk en Kroatië dan de op de datum van ondertekening van het toetredingsverdrag geldende voorwaarden. 13. De toepassing van de punten 2 tot en met 5 en 7 tot en met 11 mag niet leiden tot strengere voorwaarden voor de toegang van Kroatische onderdanen tot de arbeidsmarkten van de huidige lidstaten dan de op de datum van ondertekening van het toetredingsverdrag geldende voorwaarden. Niettegenstaande de toepassing van het bepaalde in de punten 1 tot en met 12 geven de huidige lidstaten, wat de toegang tot hun arbeidsmarkt betreft, gedurende eender welke periode tijdens welke nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen worden toegepast, voorrang aan werknemers die onderdaan van de lidstaten zijn boven werknemers die onderdaan van een derde land zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legaal in een andere lidstaat verblijvende en werkende Kroatische migrerende werknemers en hun gezinnen, en legaal in Kroatië verblijvende en werkende migrerende werknemers van andere lidstaten en hun gezinnen worden niet restrictiever behandeld dan in de betrokken lidstaat, respectievelijk Kroatië verblijvende en werkende migrerende werknemers en hun gezinnen uit derde landen. Voorts mogen in Kroatië verblijvende en werkende migrerende werknemers uit derde landen uit hoofde van het beginsel van de Unie-preferentie geen gunstiger behandeling krijgen dan Kroatische onderdanen. 3. VRIJ VERKEER VAN KAPITAAL Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, kan Kroatië de op de datum van ondertekening van het Toetredingsverdrag krachtens zijn Wet op landbouwgrond (Staatsblad 152/08) geldende beperkingen inzake het verwerven van landbouwgrond door onderdanen van een andere lidstaat, door onderdanen van staten die partij zijn bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte (EER) en door rechtspersonen die overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat of een EER-staat zijn opgericht, handhaven gedurende een periode van zeven jaar te rekenen vanaf de datum van de toetreding. Onder geen beding mag een onderdaan van een lidstaat of een rechtspersoon die overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat is opgericht, bij het verwerven van landbouwgrond minder gunstig worden behandeld dan een dergelijke onderdaan of rechtspersoon op de datum van ondertekening van het Toetredingsverdrag zou zijn behandeld, of restrictiever worden behandeld dan een onderdaan of rechtspersoon van een derde land.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfstandige landbouwers die onderdaan zijn van een andere lidstaat en die zich in Kroatië wensen te vestigen en er wensen te wonen, vallen niet onder het bepaalde in de eerste alinea en worden niet onderworpen aan andere voorschriften of procedures dan die welke gelden voor de onderdanen van Kroatië.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het eind van het derde jaar na de datum van toetreding vindt er een algemene evaluatie van deze overgangsmaatregel plaats. De Commissie brengt daartoe verslag uit bij de Raad. De Raad kan op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen besluiten om de in de eerste alinea vermelde overgangsperiode in te korten of te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er voldoende aanwijzingen zijn dat er na het verstrijken van de overgangsperiode ernstige verstoringen zullen optreden of dreigen te zullen optreden op de Kroatische markt voor landbouwgrond, zal de Commissie op verzoek van Kroatië besluiten de overgangsperiode met drie jaar te verlengen. Deze verlenging kan worden beperkt tot bepaalde geografische gebieden die in het bijzonder worden getroffen. 4. LANDBOUW I.OVERGANGSMAATREGELEN VOOR KROATIE 1. 32001 LO 113 : Richtlijn 2001/113/EG van de Raad van 20 december 2001 inzake voor menselijke voeding bestemde vruchtenjam of -confituur, -gelei en -marmelade, alsmede kastanjepasta (PB L 10 van 12.1.2002, blz. 67) : « In afwijking van de bij artikel 8 opgelegde verplichting is het in de handel brengen van producten onder de benamingen « doma[fs]a marmelada » en « ekstra doma[fs]a marmelada » op de Kroatische markt toegestaan tot de op de datum van toetreding bestaande voorraad is opgebruikt. » . 2. 32006 R 0510 : Verordening (EG) nr.510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12 en PB L 335 M van 13.12.2008, blz. 213) : a) in artikel 5, lid 8, wordt de tweede alinea vervangen door : « Bulgarije, Kroatië en Roemenië doen deze wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen uiterlijk één jaar na de datum van hun toetreding in werking treden.» ; b) artikel 5, lid 11, wordt de eerste alinea vervangen door : « 11.In het geval van Bulgarije, Kroatië en Roemenië mag de nationale bescherming van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen die op de datum van hun toetreding bestaan, worden verlengd tot twaalf maanden na de datum van hun toetreding. » . 3. 32007 R 1234 : Verordening (EG) nr.1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1). a) aan artikel 118quaterdecies wordt het volgende lid toegevoegd : « 5.In afwijking van de leden 1 tot en met 4, mag Kroatië wijnen met de benaming « Mlado vino portugizac » in de handel brengen in Kroatië of uitvoeren naar derde landen tot de voorraden die op de datum van toetreding beschikbaar waren, zijn opgebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kroatië zal een geautomatiseerde gegevensbank opzetten met informatie over de voorraden die op de datum van toetreding bestaan, en zal erop toezien dat deze voorraden worden gecontroleerd en bij de Commissie worden aangegeven. » ; b) aan artikel 118 vicies wordt het volgende lid toegevoegd : « 5.Wat betreft Kroatië worden de wijnnamen die zijn bekendgemaakt in PB C 116 van 14 april 2011 beschermd uit hoofde van deze verordening, onder voorbehoud van een gunstig resultaat van de bezwaarprocedure. De Commissie neemt deze namen op in het in artikel 118 quindecies bedoelde register.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden 2 tot en met 4 van dit artikel zijn van toepassing, onder de volgende voorbehouden : de in lid 3 bedoelde termijn beloopt een jaar na de datum van toetreding van Kroatië; de in lid 4 bedoelde termijn beloopt vier jaar na de datum van toetreding van Kroatië. » . 4. 32009 R 0073 : Verordening (EG) nr.73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16). a) In afwijking van de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bepaalde verplichting om de in bijlage II van die verordening genoemde uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen, voldoen landbouwers in Kroatië die rechtstreekse betalingen ontvangen, in het kader van de randvoorwaarden, aan de in de punten A, B en C van bijlage II bepaalde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, volgens het hiernavolgende tijdschema : met ingang van 1 januari 2014 wat betreft punt A, met ingang van 1 januari 2016 wat betreft punt B, en met ingang van 1 januari 2018 wat betreft punt C. b) Na hoofdstuk 1 in titel V van Verordening (EG) nr.73/2009 worden een Hoofdstuktitel en artikel ingevoegd : « HOOFDSTUK 1bis Bedrijfstoeslagregeling Artikel 121bis Bedrijfstoeslagregeling in Kroatië Voor Kroatië is de toepassing van de artikelen 4, 5, 23, 24 en 25 facultatief tot en met 31 december 2013, voor zover deze bepalingen verband houden met uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 1 januari 2014 moet een landbouwer die in Kroatië betalingen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling ontvangt, aan de in bijlage II bedoelde uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen voldoen overeenkomstig het volgende tijdschema : a) de in bijlage II, punt A, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2014;b) de in bijlage II, punt B, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2016;c) de in bijlage II, punt C, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2018.» .</p>\n<p class=\"lf-p\">II. OVERGANGSREGELING MET TARIEFCONTINGENTEN VOOR RUWE RIETSUIKER VOOR RAFFINAGE Voor Kroatië wordt een jaarlijks autonoom erga omnes invoerquota van 40.000 ton ruwe rietsuiker voor raffinage gereserveerd voor een periode van ten hoogste drie verkoopseizoenen na toetreding, tegen een invoerheffing van EUR 98,00 per ton. Als de onderhandelingen met andere WTO-leden overeenkomstig artikel XXIV.6 van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) over compenserende aanpassing na de toetreding van Kroatië leiden tot het openen van compenserende suikerquota voor het eind van de overgangsperiode, zal het aan Kroatië toegekende quotum van 40.000 ton geheel of gedeeltelijk worden beëindigd op het moment van opening van de compenserende suikerquota. De Commissie neemt de nodige uitvoeringsmaatregelen aan volgens de procedure van artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007, in samenhang met artikel 13, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 182/2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">III. TIJDELIJKE AANVULLENDE MAATREGELEN INZAKE RECHTSTREEKSE BETALINGEN VOOR KROATIE Voorwaarde voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers voor het jaar 2013 is dat Kroatië voor de toetreding dezelfde regels toepast als de regels voor rechtstreekse betalingen van Verordening (EG) nr. 73/2009 en van de Verordeningen (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (26), Verordening (EG) nr. 1121/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en V van die verordening ingestelde steunregelingen (27) en Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (28). 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">VOEDSELVEILIGHEID, VETERINAIR EN FYTOSANITAIR BELEID I.LEGHENNEN 31999 L 0074 : Richtlijn 1999/74/EEG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van legkippen (PB L 203 van 3.8.1999, blz. 31).</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 6 van Richtlijn 1999/74/EG van de Raad mogen, waar het Kroatie betreft, legkippen die op de datum van de toetreding van Kroatië aan de leg zijn, worden gehouden in kooien die niet overeenstemmen met de structurele voorschriften van artikel 6. Kroatië zorgt ervoor dat het gebruik van die kooien uiterlijk 12 maanden na toetreding ophoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eieren uit deze niet-aangepaste kooien mogen alleen in Kroatië in de handel worden gebracht. De eieren en de verpakkingen moeten duidelijk onderscheiden worden met een speciaal merkteken zodat de nodige controles kunnen worden uitgevoerd. Uiterlijk een jaar voor de datum van toetreding moet de Commissie een duidelijke beschrijving van dit merkteken ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. INRICHTINGEN (VLEES, MELK EN VIS EN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN) 32004 R 0852 : Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1). 32004 R 0853 : Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55) 32009 R 1069 :Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz.1). 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De structurele voorschriften in : a) Verordening (EG) nr.852/2004 van het Europees Parlement en de Raad : - bijlage II, hoofdstuk II; b) in Verordening (EG) nr.853/2004 van het Europees Parlement en de Raad : - bijlage III, afdeling I, hoofdstukken II en III, - bijlage III, afdeling II, hoofdstukken II en III, - bijlage III, afdeling V, hoofdstuk I; c) Verordening (EU) nr.142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (29) : - bijlage IV, hoofdstuk I, - bijlage IX, hoofdstukken I, II en III, - bijlage X, hoofdstukken I en II, en - bijlage XIII; gelden in Kroatië tot en met 31 december 2015 niet voor bepaalde inrichtingen in de sectoren vlees, melk, vis en dierlijke bijproducten, op onderstaande voorwaarden. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang punt a) van toepassing is op de in dat punt bedoelde inrichtingen, worden producten afkomstig van die inrichtingen uitsluitend op de nationale markt in Kroatië in de handel gebracht of op markten in derde landen overeenkomstig wetgeving van de Unie ter zake, of gebruikt voor verdere verwerking in inrichtingen in Kroatië waarvoor punt a) eveneens geldt, ongeacht de datum waarop zij in de handel worden gebracht.3. Levensmiddelen uit inrichtingen bedoeld onder a) dragen een gezondheids- of identificatiemerk dat verschilt van het merk dat in artikel 5 van Verordening (EG) nr.853/2004 is voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk een jaar voor de datum van toetreding moet de Commissie een duidelijke beschrijving van de verschillende gezondheids- of identificatiemerken ontvangen. 4. De punten b) en c) gelden ook voor alle producten die afkomstig zijn uit geïntegreerde vleesinrichtingen waarvan een gedeelte onder punt a) valt.5. Kroatië volgt de uitvoering van het nationaal programma voor de verbetering van de inrichtingen voortdurend en legt de Commissie in dit verband een jaarlijks voortgangsplan voor.Kroatië ziet erop toe dat er voor ieder van de betrokken inrichtingen een verbeteringsplan wordt opgesteld met een tijdschema voor de aanpassing aan de structurele voorschriften en stelt deze plannen op verzoek ter beschikking van de Commissie. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie stelt ruim voor de datum van toetreding een lijst op van de onder a) bedoelde inrichtingen.De lijst wordt bekendgemaakt en omvat de naam en het adres van elke inrichting. 7. Kroatië zorgt ervoor dat inrichtingen die bij de toetreding niet volledig voldoen aan het acquis van de Unie op het gebied van de voedselveiligheid, hun activiteiten stopzetten, behalve wanneer zij onder de bepalingen van deze overgangsmaatregel vallen.8. Overeenkomstig respectievelijk artikel 12, lid 2, en artikel 9, lid 2, kunnen er uitvoeringsvoorschriften worden vastgesteld voor een soepele werking van de overgangsregeling met betrekking tot de Verordeningen (EG) nr.852/2004 en nr. 853/2004. 9. Overeenkomstig artikel 52, lid 4, kunnen er uitvoeringsvoorschriften worden vastgesteld voor een soepele werking van de overgangsregeling met betrekking tot Verordening (EG) nr. 1069/2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">III. IN DE HANDEL BRENGEN VAN ZADEN 32002 L 0053 : Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1). 32002 L 0055 : Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 33).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kroatië mag tot en met 31 december 2014 de toepassing van de artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2002/53/EG en artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2002/55/EG uitstellen met betrekking tot het op zijn grondgebied in de handel brengen van zaadrassen die voorkomen op zijn nationale rassenlijsten van landbouwgewassen, respectievelijk groentegewassen die niet officieel zijn aanvaard overeenkomstig die richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende die periode mag dergelijk zaad niet in de handel worden gebracht op het grondgebied van andere lidstaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">IV. NEUM 31997 L 0078 : Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9) :</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 wordt vervangen door : « Artikel 1 1. De lidstaten verrichten de veterinaire controles voor producten uit derde landen die op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden worden binnengebracht, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en in Verordening (EG) nr.882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn*. 2. Bij wijze van afwijking van lid 1 mogen zendingen producten afkomstig van het grondgebied van Kroatië die in Neum (de corridor van Neum) over het grondgebied van Bosnië en Herzegovina worden vervoerd, voordat zij bij de toegangspunten Klek of Zaton weer het grondgebied van Kroatië worden binnengebracht, worden vrijgesteld van veterinaire controles, op onderstaande voorwaarden : a) Kroatië heeft vanaf de dag van toetreding of eerder aan de noord- en aan de zuidkant van de corridor van Neum toegangspunten die zijn uitgerust en bemand en voorbereid zijn op het doen naleven van de voorschriften van dit lid;b) Kroatië zorgt ervoor dat : i) er voor het vervoer van de zendingen uitsluitend gesloten voertuigen worden gebruikt; ii) de voertuigen die de zendingen vervoeren met genummerde zegels worden verzegeld voordat zij door de corridor van Neum reizen; iii) er een register wordt opgesteld waarin staat welk zegelnummer aan welk voertuig zit, zodat de noodzakelijke controles kunnen worden uitgevoerd; iv) de datum en het tijdstip waarop de voertuigen die de zendingen vervoeren het grondgebied van Kroatië verlaten of er weer binnenkomen, worden vastgelegd zodat kan worden berekend hoelang de gehele doorreis duurt. c) Kroatië zorgt ervoor dat een zending niet opnieuw op het grondgebied van Kroatië wordt toegelaten als : i) de verzegeling van het voertuig tijdens de doorreis door de corridor van Neum is verbroken of vervangen;en/of ii) de totale duur van de doorreis de aanvaardbare totale duur van de doorreis verre overschrijdt, gelet op de totale lengte van de doorreis tenzij de bevoegde autoriteit een evaluatie heeft gemaakt van de risico's voor de gezondheid van mens en dier en op basis van deze evaluatie doeltreffende, evenredige en gerichte maatregelen heeft genomen. d) Kroatië moet de Commissie regelmatig en wanneer dat nodig is op de hoogte brengen van niet-naleving van de voorschriften onder b) en van de overeenkomstig c) getroffen maatregelen;e) Zo nodig wordt overeenkomstig de procedure van artikel 29 een besluit vastgesteld om de afwijking van lid 1 op te schorten of in te trekken.f) Waar nodig worden uitvoeringsbepalingen voor dit lid vastgesteld volgens de procedure van artikel 29. * PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1. » . 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">VISSERIJ 32006 R 1967 : Verordening (EG) nr.1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11), (Gerectificeerde versie in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6) : a) In afwijking van artikel 13, leden 1 en 2, is het voor vaartuigen die uitsluitend geregistreerd en actief zijn in het gebied ten westen van Istrië, tot en met 30 juni 2014 toegestaan bodemtrawls te gebruiken op een diepte van minder dan 50 meter op een minimumafstand van 1,5 zeemijl uit de kust. Deze afwijking is van toepassing op het deel dat « gebied ten westen van Istrië » wordt genoemd en dat wordt afgebakend vanaf het punt met de geografische coördinaten ö=44,52135 en ë=14,29244, volgens een lijn pal naar het noorden en een lijn pal naar het westen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor schepen met een lengte over alles van minder dan 15 meter is het Kroatië tot en met 30 juni 2014 toegestaan op een diepte van meer dan 50 meter bodemtrawls te gebruiken mits een minimumafstand van 1 zeemijl uit de kust in acht wordt genomen en alle andere beperkingen in ruimte en tijd die op de datum van toetreding worden toegepast, worden nageleefd. b) In afwijking van artikel 17, lid 1, is het een beperkt aantal en niet meer dan 2 000 vaartuigen in de specifieke categorie van niet-beroepsmatige visserijactiviteiten, genaamd « kleinschalige ambachtelijke visserij voor persoonlijke behoeften », tot en met 31 december 2014 toegestaan ten hoogste 200 meter kieuwnet te gebruiken, op voorwaarde dat alle andere op de datum van toetreding geldende beperkingen van toepassing blijven.Kroatië legt uiterlijk op de datum van toetreding de lijst van onder deze overgangsperiode vallende vaartuigen voor aan de Commissie, onder opgaaf van hun kenmerken en hun, in GT en kW uitgedrukte, vermogen. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">VERVOERBELEID 1.31992 R 3577 : Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) (PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7) Aan artikel 6 worden de volgende leden toegevoegd : « 4. In afwijking van artikel 4, lid 1, tweede alinea, kunnen openbaredienstcontracten die vóór de toetreding van Kroatië tot de EU zijn gesloten, tot en met 31 december 2016 worden toegepast. 5. In afwijking van artikel 1, lid 1, worden cruisediensten die tussen Kroatische havens worden verricht door schepen van minder dan 650 bruto ton, tot en met 31 december 2014 voorbehouden voor in Kroatië geregistreerde en onder Kroatische vlag varende schepen die worden geëxploiteerd door scheepvaartmaatschappijen die overeenkomstig het Kroatische recht zijn opgericht en waarvan het hoofdkantoor zich bevindt in Kroatië en waarvan de daadwerkelijke controle wordt uitgeoefend in Kroatië.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1, lid 1, kan de Commissie gedurende de overgangsperiode tot en met 31 december 2014 op grond van een gemotiveerd verzoek van een lidstaat, binnen 30 werkdagen na ontvangst van het verzoek in kwestie, besluiten dat schepen die in aanmerking komen voor de in lid 5 bedoelde afwijking, geen cruisediensten verrichten tussen havens van bepaalde zones van andere lidstaten dan Kroatië, indien wordt aangetoond dat deze diensten de binnenlandse vervoersmarkt in die zones ernstig verstoren of dreigen te verstoren. Indien de Commissie na 30 werkdagen geen besluit heeft genomen, heeft de betrokken lidstaat het recht vrijwaringsmaatregelen toe te passen totdat de Commissie haar besluit heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In noodgevallen kunnen de lidstaten unilateraal passende voorlopige maatregelen nemen, die niet langer dan drie maanden van kracht mogen blijven. Die lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk op de hoogte. De Commissie mag de maatregelen afschaffen of bevestigen totdat zij haar uiteindelijk besluit neemt. De lidstaten worden op de hoogte gehouden. » . 2. 32009 R 1072 : Verordening (EG) nr.1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (herschikking) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72) : In afwijking van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1072/2009 geldt het volgende : gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van toetreding van Kroatië mogen in Kroatië gevestigde ondernemingen geen cabotagevervoer verrichten in de andere lidstaten; gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van toetreding van Kroatië kunnen de andere lidstaten de Commissie ervan in kennis stellen dat zij voornemens zijn de in het eerste streepje bedoelde overgangsperiode met maximaal twee jaar te verlengen, dan wel artikel 8 met betrekking tot in Kroatië gevestigde ondernemingen toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontbreken van een dergelijke kennisgeving is artikel 8 van toepassing; elk van de huidige lidstaten kan de Commissie gedurende een periode van twee jaar vanaf de toetreding van Kroatië te allen tijde in kennis stellen van zijn voornemen artikel 8 met betrekking tot in Kroatië gevestigde ondernemingen toe te passen; alleen vervoerders die gevestigd zijn in lidstaten waar artikel 8 op in Kroatië gevestigde ondernemingen van toepassing is, kunnen in Kroatië cabotage verrichten; gedurende een periode van vier jaar vanaf de datum van toetreding van Kroatië kan elke lidstaat die artikel 8 toepast, bij een ernstige verstoring van de nationale markt of delen daarvan die wordt veroorzaakt of verergerd door cabotage, zoals een ernstig overaanbod of een bedreiging van de financiële stabiliteit of het voortbestaan van een aanzienlijk aantal ondernemingen in het goederenvervoer, de Commissie verzoeken de toepassing van artikel 8 met betrekking tot in Kroatië gevestigde ondernemingen geheel of gedeeltelijk op te schorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval is artikel 10 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lidstaten die de in het eerste en het tweede streepje van lid 1 bedoelde overgangsmaatregel toepassen, kunnen op basis van bilaterale overeenkomsten met Kroatië geleidelijk cabotagevergunningen uitwisselen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in lid 1 en lid 2 bedoelde overgangsregelingen mogen niet leiden tot een toegang voor Kroatische vervoerders tot de nationale cabotagemarkten die beperkter is dan ten tijde van de ondertekening van het toetredingsverdrag. 8. BELASTING 1.31992 L 0079 : Richtlijn 92/79/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op sigaretten (PB L 316 van 31.10.1992, blz. 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2, lid 2, is de volgende alinea toegevoegd : « Aan Kroatië wordt een overgangsperiode tot en met 31 december 2017 toegestaan om te voldoen aan de voorschriften van de eerste en tweede alinea van dit lid. Vanaf 1 januari 2014 bedraagt de accijns echter niet minder dan 77 EUR per 1.000 sigaretten, ongeacht de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs. » . 2. 32006 L 0112 : Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1). a) Artikel 13, lid 2, wordt vervangen door : « 2.De lidstaten kunnen werkzaamheden van publiekrechtelijke lichamen die uit hoofde van de artikelen 132, 135, 136 en 371, de artikelen 374 tot en met 377, artikel 378, lid 2, artikel 379, lid 2, en de artikelen 380 tot en met 390quater zijn vrijgesteld, als werkzaamheden van de overheid beschouwen. » b) Artikel 80, lid 1, onder b), wordt vervangen door : « b) wanneer de tegenprestatie lager is dan de normale waarde, degene die de handeling verricht geen volledig recht op aftrek uit hoofde van de artikelen 167 tot en met 171 en 173 tot en met 177 heeft en de handeling uit hoofde van de artikelen 132, 135, 136, 371, 375, 376 en 377, artikel 378, lid 2, artikel 379, lid 2, en de artikelen 380 tot en met 390quater, is vrijgesteld;» c) Artikel 136, onder a), wordt vervangen door : « a) leveringen van goederen die uitsluitend zijn gebruikt voor een activiteit die krachtens de artikelen 132, 135, 371, 375, 376 en 377, artikel 378, lid 2, artikel 379, lid 2, en de artikelen 380 tot en met 390quater is vrijgesteld, wanneer voor deze goederen geen recht op aftrek is genoten;» d) Artikel 221, lid 3, wordt vervangen door : « 3.De lidstaten kunnen de belastingplichtige van de in artikel 220 of in artikel 220 a vastgestelde factureringsplicht ontheffen voor de op hun grondgebied verrichte goederenleveringen of diensten die, al dan niet met recht op aftrek van voorbelasting, overeenkomstig de artikelen 110 en 111, artikel 125, lid 1, artikel 127, artikel 128, lid 1, de artikelen 132, punten h) tot en met l), artikel 135, lid 1, de artikelen 136, 371, 375, 376 en 377, artikel 378, lid 2, en artikel 379, lid 2, en de artikelen 380 tot en met 390quater vrijgesteld zijn. » e) het volgende artikel wordt ingevoegd : « Artikel 390quater Kroatië mag, onder de voorwaarden die in deze lidstaat op de datum van zijn toetreding bestonden, vrijstelling blijven verlenen voor de volgende handelingen : a) de levering van bebouwde of onbebouwde bouwterreinen als omschreven in artikel 135, lid 1, punt j), en bijlage X, deel B, punt 9, tot en met 31 december 2014, niet verlengbaar;b) internationaal personenvervoer omschreven in bijlage X, deel B, punt 10, zolang dezelfde vrijstelling wordt toegepast in één van de lidstaten die voor de toetreding van Kroatië lid van de Unie waren.» ; f) artikel 391 wordt vervangen door : « Artikel 391 De lidstaten die vrijstelling verlenen voor de in de artikelen 371, 375, 376 en 377, artikel 378, lid 2, artikel 379, lid 2, en de artikelen 380 tot en met 390quater bedoelde handelingen, mogen de belastingplichtigen het recht verlenen voor belastingheffing ter zake van deze handelingen te kiezen.» g) De titel van bijlage X wordt (ook in de inhoudstafel) vervangen door : « LIJST VAN HANDELINGEN WAARVOOR DE IN DE ARTIKELEN 370 EN 371 EN DE ARTIKELEN 375 TOT EN MET 390 QUATER BEDOELDE AFWIJKINGEN GELDEN ».9.</p>\n<p class=\"lf-p\">VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT 32006 R 0562 : Verordening (EG) nr.562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volgende artikel wordt ingevoegd : « Artikel 19bis In afwijking van de bepalingen van deze verordening aangaande de instelling van grensdoorlaatposten mag Kroatië, tot de inwerkingtreding van een besluit van de Raad over de volledige toepassing van het Schengenacquis in Kroatië overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte of tot de invoeging in deze verordening van bepalingen inzake het toezicht aan gemeenschappelijke grensdoorlaatposten, indien dat eerder is, de gemeenschappelijke grensdoorlaatposten met Bosnië en Herzegovina handhaven. Bij deze gemeenschappelijke grensdoorlaatposten kunnen grenswachters van de ene partij in- of uitreiscontroles uitvoeren op het grondgebied van de andere partij.</p></div>", "next": 235976}