Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferent
Kort samengevat
Deze wet regelt de instemming van België met het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen in Genève in 2006, om de rechten en arbeidsomstandigheden van zeevarenden te waarborgen. Het zorgt ervoor dat de bepalingen van dit internationale verdrag volledig van kracht worden in België.
Wat het reguleert
- De volledige inwerkingtreding van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006.
- De volledige inwerkingtreding van wijzigingen aan de Code van dit Verdrag, mits België zich niet verzet tegen de aanname ervan.
- De waarborging van het recht op behoorlijk werk voor alle zeevarenden.
- De samenwerking tussen landen voor de effectieve uitvoering en handhaving van het Verdrag.
Wie het aanbelangt
- Zeevarenden: elke persoon die werkzaam is of is gecontracteerd of in enige hoedanigheid werkzaamheden verricht aan boord van een schip waarop dit Verdrag van toepassing is.
- Reders: de eigenaar van het schip of een andere organisatie of persoon die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft overgenomen.
- Lidstaten die het Verdrag bekrachtigen, waaronder België.
Kernpunten
- Het Verdrag is van toepassing op alle zeevarenden, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.
- Het Verdrag is van toepassing op alle schepen die doorgaans worden gebruikt voor commerciële activiteiten, met uitzondering van vissersschepen, traditioneel gebouwde schepen zoals dhows en jonken, oorlogsschepen of marinehulpschepen.
- Fundamentele rechten zoals vrijheid van vereniging, afschaffing van gedwongen arbeid, afschaffing van kinderarbeid en uitbanning van discriminatie moeten worden gerespecteerd.
- Zeevarenden hebben recht op een veilige werkplek, eerlijke werkgelegenheidsvoorwaarden, behoorlijke arbeids- en levensomstandigheden aan boord, en bescherming op het gebied van gezondheid, medische zorg en sociale bescherming.
Wettekst
Wettekst
17 AUGUSTUS 2013. - Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 94ste zitting
(1)
(2)FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Art. 2.Het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 94ste zitting, zal volkomen gevolg hebben. Art. 3.De wijzigingen van de Code van het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 94ste zitting, aangenomen zonder dat België zich tegen de aanneming ervan verzet, zullen volkomen gevolg hebben. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 17 augustus 2013. FILIP Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, D. REYNDERS De Vice-Eerste Minister en Minister van de Noordzee, J. VANDE LANOTTE De Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM Voor de Minister van Werk, J. VANDE LANOTTE De Staatssecretaris voor Mobiliteit, M. WATHELET Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM _______ Nota's
(1)Zitting 2012-2013 Senaat Documenten.- Ontwerp van wet ingediend op 4 juli 2013, nr. 5-2188/
- Bijlagen, nr. 5 - 2188/
- - Verslag namens de commissie, nr. 5-2188/
- Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 10 juli
- - Stemming, vergadering van 10 juli
- Kamer van vertegenwoordigers Documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 53-2945/
- - Verslag namens de Commisie, nr. 53-2945/
- - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 53-2945/
- Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 17 juli
- - Stemming, vergadering van 17 juli 2013.
(2)Zie Decreet van de Vlaamse Gemeenschap/het Vlaamse Gewest van 04/05/2012 (Belgisch Staatsblad van 29/05/2012), Decreet van de Franse Gemeenschap van 04/07/2013 (Belgisch Staatsblad van 17/07/2013), Decreet van Duitstalige Gemeenschap van 25/02/2013 (Belgisch Staatsblad van 20/03/2013), Decreet van het Waalse Gewest van 10/07/2013 (Belgisch Staatsblad van 31/07/2013), Decreet van het Waalse Gewest van 10/07/2013 (Belgisch Staatsblad van 01/08/2013), Ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 26/07/2013 (Belgisch Staatsblad van 03/09/2013). VERDRAG BETREFFENDE MARITIEME ARBEID, 2006 Preambule De algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar vierennegentigste zitting op 7 februari 2006, en Geleid door de wens een enkel, samenhangend instrument te creëren waarin voor zover mogelijk alle actuele normen van bestaande verdragen en aanbevelingen inzake internationale maritieme arbeid worden opgenomen, alsmede de grondbeginselen van andere internationale arbeidsverdragen, in het bijzonder : - het Verdrag over de gedwongen arbeid, 1930 (Nr. 29); - het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948 (Nr. 87); - het Verdrag betreffende toepassing van de grondbeginselen van het recht van organisatie en collectief overleg, 1949 (Nr. 98); - het Verdrag betreffende de gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, 1951 (Nr. 100); - het Verdrag over afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (Nr. 105); - het Verdrag betreffende discriminatie in beroep en beroepsuitoefening, 1958 (Nr. 111); - het Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces, 1973 (Nr. 138); - het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid en de onmiddellijke actie met het oog op de afschaffing ervan, 1999 (Nr. 182); en Indachtig het kernmandaat van de Organisatie, dat bestaat uit het bevorderen van goede arbeidsomstandigheden; en In herinnering roepend de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de fundamentele beginselen en het recht op werk, 1998, en Tevens indachtig het feit dat op zeevarenden bepalingen van andere instrumenten van de Internationale Arbeidsorganisatie van toepassing zijn en dat zij andere rechten hebben die worden aangemerkt als fundamentele rechten en vrijheden die op alle personen van toepassing zijn, en Overwegend dat, gezien het mondiale karakter van de scheepvaartbranche, zeevarenden bijzondere bescherming behoeven, en Voorts indachtig de internationale normen inzake de veiligheid van schepen, de beveiliging van mensen en deugdelijk scheepsbeheer vervat in het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, het Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, zoals gewijzigd, en de vereisten voor zeevarenden inzake opleiding en vaardigheden vervat in het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978, zoals gewijzigd, en In herinnering roepend dat het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, een algemeen juridisch kader vormt waarbinnen alle activiteiten op de oceanen en zeeën moeten plaatsvinden en dat dat Verdrag van strategisch belang is als basis voor nationale, regionale en mondiale maatregelen en samenwerking in de mariene sector, en dat de integriteit ervan moet worden gehandhaafd, en In herinnering roepend dat in artikel 94 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, de taken en verplichtingen van een vlaggenstaat zijn vastgelegd met betrekking tot, onder andere, arbeidsomstandigheden, bemannen en sociale aangelegenheden op schepen die de vlag van die Staat voeren, en In herinnering roepend artikel 19, paragraaf 8, van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie dat bepaalt dat het aannemen van een verdrag of een aanbeveling door de Conferentie, of de bekrachtiging van een verdrag door een Lid, in geen geval wordt beschouwd als zijnde van invloed op een wet, uitspraak, gewoonte of overeenkomst die de betrokken werknemers gunstiger voorwaarden biedt dan dat verdrag of die aanbeveling, en Vastbesloten dat dit nieuwe instrument zodanig moet worden geformuleerd dat gewaarborgd wordt dat het zo breed mogelijk wordt aanvaard door regeringen, reders en zeevarenden die de beginselen van behoorlijk werk onderschrijven, dat het gemakkelijk kan worden geactualiseerd en dat het effectief kan worden uitgevoerd en gehandhaafd, en Besloten hebbend tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot het in het leven roepen van een dergelijk instrument, welk onderwerp als enig punt op de agenda van de zitting staat, en Vastgesteld hebbend dat deze voorstellen de vorm dienen te krijgen van een verdrag; Neemt heden, de drieëntwintigste februari van het jaar tweeduizend en zes, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het Verdrag betreffende Maritieme, 2006. ALGEMENE VERPLICHTINGEN Artikel I 1. Elk Lid dat dit Verdrag bekrachtigt, verplicht zich ertoe de bepalingen ervan volledig op de in artikel VI vervatte wijze ten uitvoer te leggen om het recht op behoorlijk werk voor alle zeevarenden te waarborgen.2. De Leden werken met elkaar samen om de effectieve uitvoering en handhaving van dit Verdrag te waarborgen. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN TOEPASSINGSGEBIED Artikel II 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij in specifieke bepalingen anders wordt bepaald, verstaan onder : a) bevoegde overheid : de minister die, het ministerie dat of een andere overheid die bevoegd is voorschriften, reglementen of andere instructies met kracht van wet uit te vaardigen en te handhaven met betrekking tot het onderwerp van de desbetreffende bepaling; b) conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid : de in voorschrift 5.1.3 bedoelde verklaring; c) brutotonnenmaat :de brutotonnenmaat berekend in overeenstemming met de voorschriften voor tonnenmaatmetingen vervat in bijlage I bij het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, of elk volgend verdrag;voor schepen waarop de door de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen voorlopige regeling voor tonnenmaatmetingen van toepassing is, is de brutotonnenmaat hetgeen is opgenomen in de kolom OPMERKINGEN van de internationale meetbrief
(1969);
- d)maritiem arbeidscertificaat : het in voorschrift 5.1.3 bedoelde certificaat;
- e)vereisten van dit Verdrag : de vereisten in deze artikelen en in de voorschriften en Deel A van de Code van dit Verdrag;
- f)zeevarende of zeeman :elke persoon die werkzaam is of is gecontracteerd of in enige hoedanigheid werkzaamheden verricht aan boord van een schip waarop dit Verdrag van toepassing is;
- g)arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst : zowel een tewerkstellingscontract als de rol in de bemanning;
- h)aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst voor zeevarenden : personen, bedrijven, instellingen, bureaus of andere organisaties in de publieke of private sector, die zich bezighouden met de aanwerving van zeevarenden in opdracht van reders of de plaatsing van zeevarenden bij reders;
- i)schip : een schip anders dan een schip dat uitsluitend vaart op binnenwateren of wateren binnen, of dicht grenzend aan, beschutte wateren of gebieden waar havenvoorschriften gelden;
- j)reder : de eigenaar van het schip of een andere organisatie of persoon, zoals de scheepsuitbater, de agent of de rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip van de eigenaar heeft overgenomen en die, bij het aangaan van die verantwoordelijkheid, ermee heeft ingestemd de taken en verantwoordelijkheden die in overeenstemming met dit Verdrag aan reders worden opgelegd, te aanvaarden ongeacht het feit of andere organisaties of personen bepaalde taken of verantwoordelijkheden namens de reder vervullen.2. Behoudens waar uitdrukkelijk anders wordt bepaald, is dit Verdrag van toepassing op alle zeevarenden.3. In geval van twijfel of bepaalde categorieën personen voor de toepassing van dit Verdrag al dan niet moeten worden beschouwd als zeevarenden, doet de bevoegde overheid in elke lidstaat na overleg met de bij deze kwestie betrokken organisaties van reders en zeevarenden uitspraak.4. Behoudens waar uitdrukkelijk anders wordt bepaald, is dit Verdrag van toepassing op alle schepen, die deel uitmaken van openbare instellingen of privé-instellingen, die doorgaans worden gebruikt voor commerciële activiteiten, anders dan schepen die worden gebruikt voor de visvangst of voor soortgelijke doeleinden en op traditioneel gebouwde schepen zoals dhows en jonken.Dit Verdrag is niet van toepassing op oorlogsschepen of marinehulpschepen. 5. Indien twijfel bestaat omtrent de vraag of dit Verdrag van toepassing is op een schip of een specifieke categorie schepen doet de bevoegde overheid in elke lidstaat na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden uitspraak.6. Wanneer de bevoegde overheid bepaalt dat het op dat tijdstip niet praktisch uitvoerbaar of niet redelijk is bepaalde onderdelen van de in artikel VI, paragraaf 1, bedoelde Code toe te passen op een schip of bepaalde categorieën schepen die de vlag van het Lid voeren, zijn de desbetreffende bepalingen van de Code niet van toepassing voor zover het onderwerp in de nationale wet- of regelgeving of in collectieve arbeidsovereenkomsten of via andere maatregelen wordt geregeld.Een dergelijke uitspraak kan uitsluitend worden gedaan in overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden en uitsluitend ten aanzien van schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 200 ton die geen internationale reizen maken. 7. Elke beslissing die door een Lid ingevolge paragraaf 3, 5 of 6 van dit artikel wordt genomen, moet aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau worden medegedeeld, die de Leden van de Organisatie hiervan in kennis stelt.8. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, vormt een verwijzing naar dit Verdrag tegelijkertijd een verwijzing naar de voorschriften en de Code. FUNDAMENTELE RECHTEN EN BEGINSELEN Artikel III Elk Lid vergewist zich ervan dat de bepalingen van zijn wet- of regelgeving, in de context van dit Verdrag, de volgende fundamentele rechten eerbiedigen :
- a)de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve overleg;
- b)de uitbanning van alle vormen van gedwongen of verplichte arbeid;
- c)de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid;en
- d)de uitbanning van discriminatie ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening. WERKGELEGENHEID- EN SOCIALE RECHTEN VAN ZEEVARENDEN Artikel IV 1. Elke zeevarende heeft recht op een veilige werkplek die aan de veiligheidsnormen voldoet.2. Elke zeevarende heeft recht op eerlijke werkgelegenheidsvoorwaarden.3. Elke zeevarende heeft recht op behoorlijke arbeids- en levensomstandigheden aan boord van een schip.4. Elke zeevarende heeft recht op bescherming op het gebied van gezondheid, medische zorg, welzijnsmaatregelen en andere vormen van sociale bescherming.5. Elk Lid draagt er, binnen de grenzen van zijn rechtsbevoegdheid, zorg voor dat de rechten op het gebied van werkgelegenheid en sociale rechten van zeevarenden als vervat in de voorgaande paragrafen van dit artikel volledig worden geïmplementeerd in overeenstemming met de vereisten van dit Verdrag.Tenzij in het Verdrag anders is bepaald, kan dit worden bewerkstelligd door middel van nationale wet- of regelgeving, via geldende collectieve arbeidsovereenkomsten, via andere maatregelen of in de praktijk. VERANTWOORDELIJKHEDEN OP HET GEBIED VAN UITVOERING EN HANDHAVING Artikel V 1. Elk Lid implementeert en handhaaft wet- of regelgeving of andere maatregelen die het heeft aangenomen ter nakoming van de verplichtingen ingevolge dit Verdrag ten aanzien van schepen en zeevarenden die onder zijn rechtsbevoegdheid vallen.2. Elk Lid oefent daadwerkelijk zijn rechtsbevoegdheid en toezicht uit ten aanzien van schepen die zijn vlag voeren door instelling van een systeem ter waarborging van de naleving van de vereisten van dit Verdrag, met inbegrip van regelmatige inspecties, verslaglegging, monitoring en gerechtelijke procedures ingevolge de geldende wetgeving.3. Elk Lid draagt er zorg voor dat schepen die zijn vlag voeren een maritiem arbeidscertificaat en een conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid aan boord hebben zoals door dit Verdrag vereist.4. Een schip waarop dit Verdrag van toepassing is, kan, in overeenstemming met het internationaal recht, worden geïnspecteerd door een ander Lid dan de vlaggenstaat, wanneer het schip zich in een van zijn havens bevindt, teneinde vast te stellen of het schip voldoet aan de vereisten van dit Verdrag.5. Elk Lid oefent daadwerkelijk zijn rechtsbevoegdheid en toezicht uit ten aanzien van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten, indien deze op zijn grondgebied zijn gevestigd.6. Elk Lid verbiedt schendingen van de vereisten van dit Verdrag en stelt, in overeenstemming met het internationaal recht, sancties op of eist het nemen, ingevolge zijn wetgeving, van corrigerende maatregelen die afdoende zijn om dergelijke schendingen te ontmoedigen.7. Elk Lid komt zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag op zodanige wijze na dat gewaarborgd wordt dat de schepen die de vlag voeren van een Staat die dit Verdrag niet heeft bekrachtigd geen gunstiger behandeling ontvangen dan de schepen die de vlag voeren van een Staat die het Verdrag wel heeft bekrachtigd. VOORSCHRIFTEN EN DELEN A EN B VAN DE CODE Artikel VI 1. De voorschriften en de bepalingen van Deel A van de Code zijn dwingend.De bepalingen van Deel B van de Code zijn niet dwingend. 2. Elk Lid verplicht zich ertoe de in de voorschriften vervatte rechten en beginselen te eerbiedigen en elk voorschrift te implementeren op de in de overeenkomstige bepalingen van Deel A van de Code genoemde wijze.Bovendien moet het Lid bij de nakoming van zijn verplichtingen de nodige aandacht schenken aan de manier die wordt geboden in Deel B van de Code. 3. Een Lid dat niet in staat is de rechten en beginselen op de in Deel A van de Code vervatte wijze te implementeren, kan, tenzij in dit Verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald, Deel A implementeren door middel van bepalingen in zijn wet- of regelgeving of andere maatregelen die wezenlijk gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van Deel A.4. Voor het enkele doel van paragraaf 3 van dit artikel worden alle wetten, regelgevingen, collectieve overeenkomsten of andere uitvoeringsmaatregelen, in de context van dit Verdrag, aangemerkt als wezenlijk gelijkwaardig, indien het Lid ervan overtuigd is dat :
- a)deze bevorderlijk zijn voor het volledig realiseren van het algemene doel van de bepaling of bepalingen van Deel A van de desbetreffende Code;en
- b)hiermee uitvoering wordt gegeven aan de bepaling of bepalingen van Deel A van de desbetreffende Code. OVERLEG MET ORGANISATIES VAN REDERS EN ZEEVARENDEN Artikel VII Ten aanzien van afwijkingen, uitzonderingen of andere flexibele toepassingen van dit Verdrag waarvoor het Verdrag overleg eist met organisaties van reders en zeevarenden mag, in de gevallen waarin binnen een Lid geen representatieve organisaties van reders of van zeevarenden bestaan, door dat Lid uitsluitend een besluit worden genomen door middel van overleg met het in artikel XIII bedoelde Comité. INWERKINGTREDING Artikel VIII 1. De formele bekrachtigingen van dit Verdrag worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau ten behoeve van registratie.2. Dit Verdrag is alleen verbindend voor de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie waarvan de bekrachtigingen door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zijn geregistreerd.3. Het Verdrag treedt in werking 12 maanden na de datum waarop de bekrachtigingen zijn geregistreerd van ten minste 30 Leden die tezamen een aandeel vertegenwoordigen van 33 % in de brutotonnenmaat van de wereldhandelsvloot.4. Vervolgens treedt dit Verdrag voor elk Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging is geregistreerd. OPZEGGING Artikel IX 1. Een Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na afloop van een termijn van tien jaar na de datum waarop het Verdrag voor het eerst in werking is getreden, door middel van een aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau gerichte akte ten behoeve van registratie.Deze opzegging wordt eerst van kracht een jaar na de datum waarop zij is geregistreerd. 2. Elk Lid dat niet binnen een jaar na afloop van de termijn van tien jaar bedoeld in de eerste paragraaf van dit artikel, gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging voorzien in dit artikel, is voor een nieuwe termijn van tien jaar gebonden en kan daarna dit Verdrag opzeggen na het verstrijken van elke nieuwe termijn van tien jaar onder de voorwaarden voorzien in dit artikel. GEVOLGEN VAN DE INWERKINGTREDING Artikel X Dit Verdrag herziet de volgende Verdragen : Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1920 (Nr. 7) Verdrag betreffende vergoeding wegens werkloosheid (vergaan of stranden), 1920 (Nr. 8) Verdrag betreffende betreffende de bezorging van werk aan zeelieden, 1920 (Nr. 9) Verdrag betreffende het geneeskundig onderzoek der jongelieden (arbeid op zee), 1921 (Nr. 16) Verdrag betreffende het wervingscontract der zeelieden, 1926 (Nr. 22) Verdrag betreffende repatriëring van zeelieden, 1926 (Nr. 23) Verdrag betreffende de bewijzen van bekwaamheid van officieren, 1936 (Nr. 53) Verdrag betreffende betaalde verlofdagen der zeelieden, 1936 (Nr. 54) Verdrag betreffende verplichtingen van den reeder in geval van ziekte of ongeval overkomen aan zeelieden, 1936 (Nr. 55) Verdrag betreffende ziekteverzekering van zeelieden, 1936 (Nr. 56) Verdrag betreffende den arbeidsduur aan boord van schepen en de bemanning, 1936 (Nr. 57) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee) (herzien), 1936 (Nr. 58) Verdrag betreffende de voeding en verzorging (bemanning van schepen), 1946 (Nr. 68) Verdrag betreffende het bekwaamheidsdiploma van scheepskoks, 1946 (Nr. 69) Verdrag betreffende de sociale zekerheid van zeelieden, 1946 (Nr. 70) Verdrag betreffende vakantie met behoud van loon van zeelieden, 1946 (Nr. 72) Verdrag betreffende het geneeskundig onderzoek van zeelieden, 1946 (Nr. 73) Verdrag betreffende bewijzen van bekwaamheid van volmatroos, 1946 (Nr. 74) Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen, 1946 (Nr. 75) Verdrag betreffende de gages, de arbeidsduur aan boord en de bemanningssterkte, 1946 (Nr. 76) Verdrag betreffende de vakantie met behoud van loon van zeelieden (herzien), 1949 (Nr. 91) Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (herzien), 1949 (Nr. 92) Verdrag betreffende de gages, de arbeidsduur aan boord en de bemanningssterkte (herzien), 1949 (Nr. 93) Verdrag betreffende de gages, de arbeidsduur aan boord en de bemanningssterkte (herzien), 1958 (Nr. 109) Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (aanvullende bepalingen), 1970 (Nr. 133) Verdrag betreffende het voorkomen van arbeidsongevallen (zeevarenden), 1970 (Nr. 134) Verdrag betreffende de continuering van werkgelegenheid (zeevarenden), 1976 (Nr. 145) Verdrag betreffende jaarlijks verlof met behoud van loon (zeevarenden), 1976 (Nr. 146) Verdrag betreffende de koopvaardijschepen (minimumnormen), 1976 (Nr. 147) Protocol van 1996 met betrekking tot het verdrag betreffende de koopvaardijschepen (minimumnormen), 1976 (Nr. 147) Verdrag betreffende het welzijn van zeevarenden, 1987 (Nr. 163) Verdrag betreffende de gezondheidsbescherming en de medische zorg (zeevarenden), 1987 (Nr. 164) Verdrag betreffende de sociale zekerheid van zeevarenden (herzien), 1987 (Nr. 165) Verdrag betreffende de repatriëring van zeevarenden (herzien), 1987 (Nr. 166) Verdrag betreffende de arbeidsinspectie (zeevarenden), 1996 (Nr. 178) Verdrag betreffende de aanwerving van en arbeidsbemiddeling voor zeevarenden, 1996 (Nr. 179) Verdrag betreffende de arbeidsduur van zeevarenden en de bemanning van schepen, 1996 (Nr. 180). TAKEN VAN DEPOSITARIS Artikel XI 1. De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau stelt alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie in kennis van de registratie van alle bekrachtigingen, aanvaardingen en opzeggingen ingevolge dit Verdrag.2. Wanneer de in het artikel VIII, paragraaf 3, bedoelde voorwaarden zijn vervuld, vestigt de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden van de Organisatie op de datum waarop het Verdrag in werking treedt. Artikel XII De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau doet aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties mededeling, ten behoeve van registratie in overeenstemming met artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties, van alle bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen, aanvaardingen en opzeggingen die ingevolge dit Verdrag worden geregistreerd. BIJZONDER TRIPARTIET COMITE Artikel XIII 1. De Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau zorgt voor permanente toetsing van de werking van dit Verdrag door middel van een door hem ingesteld comité met bijzondere bevoegdheden op het gebied van maritieme arbeidsnormen.2. Voor aangelegenheden die in overeenstemming met dit Verdrag worden behandeld, is het Comité samengesteld uit twee vertegenwoordigers benoemd door de regering van elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, en uit de door de Raad van Beheer, na overleg met de Gemengde Maritieme Commissie, benoemde vertegenwoordigers van reders en zeevarenden.3. De regeringsvertegenwoordigers van Leden die dit Verdrag nog niet hebben bekrachtigd, mogen in het Comité zitting hebben, maar hebben geen stemrecht ten aanzien van aangelegenheden die in overeenstemming met dit Verdrag worden behandeld.De Raad van Beheer kan andere organisaties of instellingen uitnodigen zich in het Comité door waarnemers te laten vertegenwoordigen. 4. De stemmen van elke vertegenwoordiger van reders en zeevarenden in het Comité worden zodanig gewogen dat gewaarborgd wordt dat de redersgroep en de zeevarendengroep elk de helft van het aantal stemmen bezitten van alle regeringen die op de betrokken vergadering vertegenwoordigd zijn en stemrecht hebben. WIJZIGING VAN DIT VERDRAG Artikel XIV 1. Wijzigingen van de bepalingen van dit Verdrag kunnen door de algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie worden aangenomen in het kader van artikel 19 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie en het reglement van orde van de Organisatie voor het aannemen van verdragen.Wijzigingen van de Code kunnen ook worden aangenomen volgens de procedures van artikel XV. 2. Aan Leden wier bekrachtigingen van dit Verdrag werden geregistreerd voorafgaand aan het aannemen van de wijziging, wordt de tekst van de wijziging ten behoeve van bekrachtiging aan hen toegezonden.3. Aan de andere Leden van de Organisatie wordt de tekst van het Verdrag als gewijzigd toegezonden ten behoeve van bekrachtiging in overeenstemming met artikel 19 van het Statuut.4. Een wijziging wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop geregistreerde bekrachtigingen, van de wijziging of van het Verdrag als gewijzigd, naar gelang van het geval, zijn ontvangen van ten minste 30 Leden die een gezamenlijk aandeel in de brutotonnenmaat van de wereldhandelsvloot vertegenwoordigen van ten minste 33 %.5. Een wijziging die is aangenomen in het kader van artikel 19 van het Statuut is uitsluitend verbindend voor de Leden van de Organisatie wier bekrachtigingen zijn geregistreerd door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.6. Ten aanzien van elk in paragraaf 2 van dit artikel genoemde Lid wordt een wijziging van kracht 12 maanden na de datum van de in paragraaf 4 van dit artikel bedoelde aanvaarding of 12 maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging van de wijziging is geregistreerd, naar gelang van welke datum later valt.7. Onverminderd paragraaf 9 van dit artikel treedt het Verdrag als gewijzigd, ten aanzien van de in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde Leden, in werking 12 maanden na de datum van aanvaarding bedoeld in paragraaf 4 van dit artikel of 12 maanden na de datum waarop hun bekrachtigingen van het Verdrag zijn geregistreerd, naar gelang van welke datum later valt.8. Ten aanzien van de Leden wier bekrachtiging van dit Verdrag werd geregistreerd voorafgaand aan het aannemen van een wijziging, maar die de wijziging niet hebben bekrachtigd, blijft dit Verdrag van kracht zonder de desbetreffende wijziging.9. Elk Lid waarvan de bekrachtiging van dit Verdrag is geregistreerd na het aannemen van de wijziging, doch voor de in paragraaf 4 van dit artikel bedoelde datum, kan - in een verklaring bij de akte van bekrachtiging - aangeven dat zijn bekrachtiging betrekking heeft op het Verdrag zonder de betrokken wijziging.Indien sprake is van een bekrachtiging zonder een dergelijke verklaring, treedt het Verdrag ten aanzien van het betrokken Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop de bekrachtiging werd geregistreerd. Wanneer een akte van bekrachtiging niet vergezeld gaat van een dergelijke verklaring, of wanneer de bekrachtiging wordt geregistreerd op of na de in paragraaf 4 bedoelde datum, treedt het Verdrag ten aanzien van het betrokken Lid in werking 12 maanden na de datum waarop de bekrachtiging werd geregistreerd en is de wijziging, zodra deze van kracht wordt in overeenstemming met paragraaf 7 van dit artikel, verbindend voor het betrokken Lid tenzij in de wijziging anders wordt bepaald. WIJZIGINGEN VAN DE CODE Artikel XV 1. De Code kan worden gewijzigd door hetzij de procedure vervat in artikel XIV of, tenzij uitdrukkelijk anders is voorzien, in overeenstemming met de in dit artikel vervatte procedure.2. Een wijziging van de Code kan worden voorgesteld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau door de regering van elk Lid van de Organisatie of door de groep van vertegenwoordigers van reders of de groep van vertegenwoordigers van zeevarenden die in het in artikel XIII bedoelde Comité zijn benoemd. Een wijziging die door een regering is voorgesteld, moet zijn voorgesteld door of worden ondersteund door ten minste vijf regeringen van Leden die het Verdrag hebben bekrachtigd of door de in deze paragraaf bedoelde groep van vertegenwoordigers van reders of zeevarenden. 3. Nadat de Directeur-Generaal heeft geverifieerd of het voorstel tot wijziging voldoet aan de vereisten van paragraaf 2 van dit artikel, zendt hij het voorstel, voorzien van de nodig geachte commentaren of suggesties, onverwijld toe aan alle Leden van de Organisatie, met het verzoek aan hen om toezending van hun opmerkingen of suggesties betreffende het voorstel binnen een termijn van zes maanden of binnen een andere door de Raad van Beheer voorgeschreven termijn (die niet minder dan drie maanden en niet meer dan negen maanden mag bedragen).4. Na verloop van de in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde termijn wordt het voorstel, voorzien van een samenvatting van eventuele opmerkingen of suggesties ingevolge die paragraaf, aan het Comité verzonden ten behoeve van behandeling tijdens een vergadering.Een wijziging wordt geacht door het Comité te zijn aanvaard indien :
- a)ten minste de helft van de regeringen van de Leden die dit Verdrag hebben bekrachtigd zijn vertegenwoordigd in de vergadering waarin het voorstel wordt behandeld;en
- b)een meerderheid van ten minste twee derde van de leden van het Comité voor de wijziging stemmen;en
- c)deze meerderheid van de stemmen voor omvat ten minste de helft van het aantal stemmen van de regeringen, de helft van het aantal stemmen van de reders en de helft van het aantal stemmen van de zeevarenden van de leden van het Comité die bij de vergadering zijn geregistreerd wanneer het voorstel ter stemming wordt gebracht.5. Wijzigingen aangenomen in overeenstemming met paragraaf 4 van dit artikel worden bij de volgende zitting van de Conferentie ter goedkeuring voorgelegd.Voor een dergelijke goedkeuring is een meerderheid vereist van twee derde van de stemmen die worden uitgebracht door de aanwezige afgevaardigden. Indien een dergelijke meerderheid niet wordt verkregen, wordt de voorgestelde wijziging voor hernieuwde behandeling naar het Comité terugverwezen, indien het Comité zulks wenselijk acht. 6. Van door de Conferentie goedgekeurde wijzigingen wordt door de Directeur-Generaal kennisgeving gedaan aan elk van de Leden wier bekrachtigingen van dit Verdrag werden geregistreerd voor de datum van de genoemde goedkeuring door de Conferentie.Deze Leden worden hieronder « de bekrachtigende Leden » genoemd. De kennisgeving omvat een verwijzing naar dit artikel en vermeldt de termijn voor de inzending van eventuele formele afwijzingen. Deze termijn bedraagt twee jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving, tenzij de Conferentie op het tijdstip van goedkeuring een andere termijn heeft vastgesteld, die ten minste een jaar bedraagt. Een kopie van de kennisgeving wordt aan de andere Leden van de Organisatie ter informatie toegezonden. 7. Een door de Conferentie goedgekeurde wijziging wordt geacht te zijn aanvaard, tenzij aan het einde van de voorgeschreven termijn formele afwijzingen door de Directeur-Generaal zijn ontvangen van meer dan 40 % van de Leden die het Verdrag hebben bekrachtigd en die ten minste 40 % vormen van de bruto scheepstonnenmaat van de Leden die het Verdrag hebben bekrachtigd.8. Een wijziging die wordt geacht te zijn aanvaard, wordt zes maanden na afloop van de voorgeschreven termijn van kracht voor alle bekrachtigende Leden, behoudens voor die welke in overeenstemming met paragraaf 7 van dit artikel formeel kennis hebben gegeven van hun afwijzing en deze afwijzing niet hebben ingetrokken overeenkomstig paragraaf 11.Niettemin :
- a)kan elk bekrachtigend Lid, voor het verstrijken van de voorgeschreven termijn, de Directeur-Generaal ervan in kennis stellen dat hij eerst door de wijziging wordt gebonden na een volgende uitdrukkelijke kennisgeving van zijn aanvaarding;en
- b)kan elk bekrachtigend Lid, voor de datum van het van kracht worden van de wijziging, de Directeur-Generaal ervan in kennis stellen dat hij die wijziging gedurende een aangegeven termijn niet uitvoert.9. Een wijziging waarvoor een in paragraaf 8 (a), van dit artikel bedoelde kennisgeving vereist is, wordt ten aanzien van het Lid dat deze kennisgeving doet van kracht zes maanden nadat het Lid aan de Directeur-Generaal kennis heeft gegeven van zijn aanvaarding van de wijziging of op de datum waarop de wijziging voor het eerst van kracht wordt, naar gelang van welke datum later valt.10. De in paragraaf 8 (b), van dit artikel bedoelde termijn bedraagt ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de datum van het van kracht worden van de wijziging of een langere termijn die op het tijdstip van goedkeuring van de wijziging door de Conferentie is vastgesteld.11. Een Lid dat formeel kennis heeft gegeven van zijn afwijzing van een wijziging, kan zijn afwijzing te allen tijde intrekken.Indien de kennisgeving van deze intrekking door de Directeur-Generaal wordt ontvangen nadat de wijziging van kracht is geworden, wordt de wijziging voor dat Lid van kracht zes maanden na de datum waarop de kennisgeving werd geregistreerd. 12. Na het van kracht worden van een wijziging kan het Verdrag uitsluitend worden bekrachtigd in de gewijzigde vorm.13. Voor zover een maritiem arbeidscertificaat betrekking heeft op aangelegenheden die worden geregeld in een wijziging van het Verdrag die van kracht is geworden :
- a)is een Lid dat de wijziging heeft aanvaard niet verplicht het Verdrag toe te passen ten aanzien van maritieme arbeidscertificaten afgegeven aan schepen die de vlag voeren van een ander Lid dat : i.ingevolge paragraaf 7 van dit artikel formeel kennisgeving heeft gedaan van zijn afwijzing van de wijziging en een dergelijke afwijzing niet heeft ingetrokken; of ii. ingevolge paragraaf 8(a), van dit artikel kennis heeft gegeven van het feit dat zijn aanvaarding afhankelijk is van een latere uitdrukkelijke kennisgeving en de wijziging niet heeft aanvaard; en
- b)past een Lid dat de wijziging heeft aanvaard het Verdrag toe op de maritieme arbeidscertificaten afgegeven aan schepen die de vlag voeren van een ander Lid dat, ingevolge paragraaf 8(b), van dit artikel kennis heeft gegeven van het feit dat het die wijziging niet uitvoert gedurende de termijn die is vastgesteld in overeenstemming met paragraaf 10 van dit artikel. GEZAGHEBBENDE TALEN Artikel XVI De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk gezaghebbend. TOELICHTING BIJ DE VOORSCHRIFTEN EN DE CODE VAN HET VERDRAG BETREFFENDE MARITIEME ARBEID 1. Deze toelichting, die geen deel uitmaakt van het Verdrag betreffende Maritieme Arbeid, is bedoeld als algemene richtlijn voor het Verdrag.2. Het Verdrag omvat drie verschillende maar aan elkaar gerelateerde delen : de Artikelen, de Voorschriften en de Code.3. De Artikelen en Voorschriften bevatten de basisrechten, - beginselen en - verplichtingen van de Leden die het Verdrag bekrachtigen.De Artikelen en Voorschriften kunnen uitsluitend worden gewijzigd door de Conferentie in het kader van artikel 19 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie (zie artikel XIV van het Verdrag). 4. De Code bevat de nadere invulling van de uitvoering van de Voorschriften.De Code bestaat uit Deel A (dwingende normen) en Deel B (niet-dwingende richtlijnen). De Code kan worden gewijzigd door middel van de vereenvoudigde procedure vervat in artikel XV van het Verdrag. Aangezien de Code betrekking heeft op de nadere invulling van de uitvoering mogen wijzigingen hiervan het algemene toepassingsgebied van de artikelen en voorschriften niet te buiten gaan. 5. De Voorschriften en de Code zijn onderverdeeld in algemene gebieden onder vijf titels : Titel 1 : Minimumvereisten voor zeevarenden om op een schip te mogen werken Titel 2 : Arbeidsomstandigheden Titel 3 : Huisvesting, ontspanningsvoorzieningen, voeding en catering Titel 4 : Bescherming van de gezondheid, medische zorg, welzijn en sociale zekerheidsbescherming Titel 5 : Naleving en handhaving 6.Elke titel bevat groepen bepalingen die betrekking hebben op een bepaald recht of beginsel (of handhavingsmaatregel in titel 5), met bijbehorende nummering. De eerste groep in titel 1 bestaat bijvoorbeeld uit voorschrift 1.1, norm A1.1 en richtlijn B1.1 met betrekking tot de minimumleeftijd. 7. Het Verdrag heeft drie onderliggende doelen :
- a)het neerleggen in de Artikelen en Voorschriften van een gedegen reeks rechten en beginselen;
- b)het, door middel van de Code, voorzien in een grote mate van flexibiliteit in de wijze waarop Leden die rechten en beginselen implementeren;en
- c)waarborgen, door middel van titel 5, dat de rechten en beginselen naar behoren worden nageleefd en gehandhaafd.8. De flexibiliteit ten aanzien van de uitvoering biedt twee mogelijkheden : de ene mogelijkheid is dat een Lid, waar nodig (zie artikel VI, paragraaf 3), de gedetailleerde vereisten van Deel A van de Code uitvoert door middel van wezenlijke gelijkwaardigheid (zoals omschreven in artikel VI, paragraaf 4).9. De tweede mogelijkheid voor flexibiliteit bij de uitvoering behelst de formulering van de verplichte vereisten van tal van bepalingen in Deel A op een meer algemene wijze, waardoor meer ruimte overblijft voor de invulling van de precieze maatregelen die op nationaal niveau moeten worden genomen.In dergelijke gevallen wordt een richtlijn voor de uitvoering gegeven in het niet-dwingende Deel B van de Code. Op deze wijze kunnen de Leden die dit Verdrag hebben bekrachtigd zich vergewissen van het type maatregelen dat van hen kan worden verwacht uit hoofde van de overeenkomstige algemene verplichting in Deel A, alsmede welke maatregelen niet noodzakelijkerwijs vereist zijn. Norm A4.1 eist bijvoorbeeld dat er op alle schepen directe toegang moet zijn tot de benodigde geneesmiddelen voor medische zorg aan boord (paragraaf 1(b)) en dat er een scheepsapotheek aanwezig is (paragraaf 4(a)). De vervulling te goeder trouw van deze laatste verplichting houdt duidelijk meer in dan het eenvoudigweg op elk schip aan boord hebben van een scheepsapotheek. In de overeenkomstige richtlijn B4.1.1 (paragraaf 4) wordt nader aangegeven wat nodig is om ervoor zorg te dragen dat de inhoud van de apotheek naar behoren wordt bewaard, gebruikt en bijgehouden. 10. De Leden die dit Verdrag hebben bekrachtigd, zijn niet gebonden aan de desbetreffende richtlijn en, zoals aangegeven in de bepalingen in titel 5 inzake controle door de havenstaat, hebben inspecties uitsluitend betrekking op de desbetreffende vereisten van dit Verdrag (artikelen, voorschriften en de normen in Deel A).Van de Leden wordt evenwel uit hoofde van artikel VI, paragraaf 2, geëist dat zij zich voldoende vergewissen van de nakoming van hun verantwoordelijkheden ingevolge Deel A van de Code op de in Deel B voorziene wijze. Indien een Lid, na zorgvuldige bestudering van de desbetreffende richtlijnen, besluit te voorzien in andere regelingen om te waarborgen dat de inhoud van de scheepsapotheek - om het hierboven gegeven voorbeeld te volgen - naar behoren wordt bewaard, gebruikt en bijgehouden als vereist door de norm in Deel A, is dat aanvaardbaar. Door de aanwijzingen in Deel B te volgen kunnen het betrokken Lid alsmede de instanties van de Internationale Arbeidsorganisatie die verantwoordelijk zijn voor de toetsing van de uitvoering van internationale arbeidsverdragen er aan de andere kant zonder meer zeker van zijn dat de regelingen waarin het Lid heeft voorzien volstaan voor de nakoming van de verplichtingen ingevolge Deel A waarop de richtlijn betrekking heeft. DE VOORSCHRIFTEN EN DE CODE TITEL 1. MINIMUMVEREISTEN VOOR ZEEVARENDEN OM OP EEN SCHIP TE MOGEN WERKEN Voorschrift 1.1 - Minimumleeftijd Doel : Waarborgen dat er geen personen onder de minimumleeftijd op een schip werkzaam zijn 1. Niemand onder de minimumleeftijd mag worden tewerkgesteld, in dienst worden genomen of werkzaam zijn op een schip.2. De minimumleeftijd op het tijdstip van de initiële inwerkingtreding van dit Verdrag is 16 jaar.3. Onder de in de Code vermelde omstandigheden is een hogere minimumleeftijd vereist. Norm A1.1 - Minimumleeftijd 1. Het is verboden personen onder de leeftijd van 16 jaar op een schip te werk te stellen, in dienst te nemen of werkzaamheden te laten verrichten.2. Nachtarbeid van zeevarenden onder de 18 jaar is verboden.Voor de toepassing van deze norm wordt « nacht » omschreven in overeenstemming met de nationale wetten en gebruiken. De nacht bestrijkt een tijdvak van ten minste negen uur, dat uiterlijk aanvangt om middernacht en niet vroeger eindigt dan om 5 uur 's ochtends. 3. Op de strikte naleving van de beperking ten aanzien van nachtarbeid kan door de bevoegde overheid een uitzondering worden gemaakt wanneer :
- a)de feitelijke opleiding van de betrokken zeevarenden, in overeenstemming met vastgestelde programma's en regelingen, in het geding zou komen;of
- b)de specifieke aard van de taak of een erkend opleidingsprogramma met zich meebrengt dat de zeevarenden waarop de uitzondering van toepassing is 's nachts taken verrichten en de overheid, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, bepaalt dat de werkzaamheden niet nadelig voor hun gezondheid of welzijn zullen zijn.4. Het is verboden zeevarenden onder de leeftijd van 18 jaar te werk te stellen, in dienst te nemen of werkzaamheden te laten verrichten wanneer de werkzaamheden hun gezondheid of veiligheid mogelijk in gevaar brengen.De in dit verband beoogde soorten werkzaamheden worden, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, in overeenstemming met de desbetreffende internationale normen in de nationale wet- of regelgeving of door de bevoegde overheden vastgesteld. Richtlijn B1.1 - Minimumleeftijd 1. Bij de regulering van de werk- en levensomstandigheden zouden de Leden bijzondere aandacht moeten schenken aan de behoeften van jongeren onder de achttien jaar. Voorschrift 1.2 - Medisch getuigschrift Doel : Waarborgen dat alle zeevarenden medisch gezien in staat zijn hun taken op zee te vervullen 1. Zeevarenden mogen niet op een schip werkzaam zijn, tenzij zij een medisch getuigschrift voor de uitoefening van hun taken hebben.2. Uitzonderingen kunnen uitsluitend worden toegestaan voor zover omschreven in de Code. Norm A1.2 - Medisch getuigschrift 1. De bevoegde overheid eist dat zeevarenden, voorafgaand aan de aanvang van hun werkzaamheden op een schip, een geldig medisch getuigschrift bezitten waaruit blijkt dat zij medisch gezien in staat zijn de aan hen opgedragen taken op zee te vervullen.2. Teneinde te waarborgen dat medische getuigschriften een juiste weergave geven van de gezondheidstoestand van zeevarenden in het licht van de taken die zij moeten vervullen, schrijft de bevoegde overheid, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, en met behoorlijke inachtneming van de toepasselijke internationale richtlijnen bedoeld in Deel B van deze Code, de aard van het medisch onderzoek en het medisch getuigschrift voor.3. Deze norm laat onverlet het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (« STCW-Verdrag ») van 1978, zoals gewijzigd.Een in overeenstemming met de vereisten van het STCW-Verdrag afgegeven medisch getuigschrift wordt voor de toepassing van voorschrift 1.2 door de bevoegde overheid aanvaard. Wanneer het STCW-Verdrag op zeevarenden niet van toepassing is, wordt een medisch getuigschrift dat qua inhoud voldoet aan die vereisten eveneens aanvaard. 4. Het medisch getuigschrift wordt afgegeven door een bevoegde geneeskundige of, in het geval van een getuigschrift dat uitsluitend op het gezichtsvermogen betrekking heeft, door een medisch specialist die door de bevoegde overheid wordt erkend zijnde bevoegd tot afgifte van een dergelijk getuigschrift.Geneeskundigen en medisch specialisten moeten bij hun beroepsuitoefening volledig onafhankelijk zijn wat betreft hun medisch oordeel bij het verrichten van medische onderzoeksprocedures. 5. Zeevarenden aan wie een getuigschrift is geweigerd of aan wie een beperking is opgelegd met betrekking tot hun arbeidsgeschiktheid, in het bijzonder ten aanzien van tijd, soort werk of vaargebied, worden in de gelegenheid gesteld zich nader te laten onderzoeken door een andere onafhankelijke geneeskundige of door een onafhankelijke als arbiter aangewezen medisch specialist.6. In elk medisch getuigschrift moet met name worden vermeld dat :
- a)het gehoor en het gezichtsvermogen van de betrokken zeevarende, en het vermogen kleuren te onderscheiden in het geval van een zeevarende die belast wordt met taken waarbij de te verrichten werkzaamheden nadelig kunnen worden beïnvloed door verminderd kleurenonderscheidingsvermogen, toereikend zijn;en
- b)de betrokken zeevarende niet lijdt aan een medische aandoening die mogelijk wordt verergerd door werkzaamheden op zee of deze ongeschikt maakt voor dergelijke werkzaamheden of de gezondheid van andere opvarenden in gevaar kan brengen.7. Tenzij een kort tijdvak vereist is uit hoofde van de specifieke taken die door de betrokken zeevarende moeten worden vervuld of uit hoofde van het STCW-Verdrag :
- a)is een medisch getuigschrift voor een tijdvak van ten hoogste twee jaar geldig, tenzij de zeevarende jonger is dan 18 jaar, in welk geval de geldigheidsduur ten hoogste een jaar bedraagt;
- b)is een getuigschrift betreffende het kleurenonderscheidingsvermogen voor een tijdvak van ten hoogste zes jaar geldig.8. In spoedeisende gevallen mag de bevoegde overheid een zeevarende toestaan zonder een geldig medisch getuigschrift werkzaamheden te verrichten tot aan de volgende aanloophaven waar de zeevarende een medisch getuigschrift kan verkrijgen van een geneeskundige of medisch specialist, mits :
- a)een dergelijke toestemming ten hoogste drie maanden geldt;en
- b)de betrokken zeevarende in het bezit is van een verlopen medisch getuigschrift van recente datum.9. Indien de geldigheidstermijn van een getuigschrift gedurende een reis verstrijkt, blijft het getuigschrift van kracht tot aan de volgende aanloophaven waar de zeevarende een medisch getuigschrift kan verkrijgen van een bevoegde arts, mits die termijn ten hoogste drie maanden bedraagt.10. De medisch getuigschriften voor zeevarenden die werkzaam zijn op schepen die als regel internationale reizen maken, moeten ten minste in het Engels worden opgesteld. Richtlijn B1.2 - Medisch getuigschrift Richtlijn B1.2.1 - Internationale richtlijnen 1. De bevoegde overheid, geneeskundigen en medisch specialisten, onderzoekers, reders, vertegenwoordigers van zeevarenden en alle andere personen die betrokken zijn bij de uitvoering van onderzoeken naar de medische geschiktheid van kandidaat-zeevarenden en van actieve zeevarenden zouden rekening moeten houden met de richtlijnen betreffende het toezicht op medische geschiktheidsonderzoeken vóór de inscheping en periodieke medische onderzoeken van zeevarenden van de Internationale Arbeidsorganisatie/Wereldgezondheidsorganisatie, alsmede aan alle latere versies hiervan, en aan alle andere van toepassing zijnde internationale richtlijnen die worden gepubliceerd door de Internationale Arbeidsorganisatie, de Internationale Maritieme Organisatie of de Wereldgezondheidsorganisatie. Voorschrift 1.3 - Opleiding en kwalificaties Doel : Waarborgen dat zeevarenden opgeleid of gekwalificeerd zijn om hun taken aan boord te verrichten 1. Zeevarenden mogen uitsluitend op een schip werkzaam zijn, indien zij hiertoe zijn opgeleid of gecertificeerd of anderszins bekwaam zijn verklaard om hun taken te vervullen.2. Zeevarenden mogen uitsluitend op een schip werkzaam zijn, indien zij met succes een opleiding hebben voltooid voor persoonlijke veiligheid aan boord.3. Opleiding en afgifte van een bevoegdheidsbewijs in overeenstemming met de door de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen bindende instrumenten worden beschouwd als toereikend voor de vereisten van paragraaf 1 en 2 van dit voorschrift.4. Elk Lid dat, op het tijdstip van zijn bekrachtiging van dit Verdrag, gebonden was door het Verdrag betreffende bewijzen van bekwaamheid van volmatroos, 1946 (Nr.74), blijft de verplichtingen ingevolge dat Verdrag vervullen tenzij en tot het moment waarop bindende bepalingen die op de in dat Verdrag behandelde onderwerpen betrekking hebben, zijn aangenomen door de Internationale Maritieme Organisatie en van kracht zijn geworden, of na afloop van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met paragraaf 3 van artikel VIII, naar gelang van welke datum eerder valt. Voorschrift 1.4 - Aanwerving en arbeidsbemiddeling Doel : Waarborgen dat zeevarenden toegang hebben tot een doeltreffend en goed gereguleerd aanwervings- en arbeidsbemiddelingssysteem voor zeevarenden 1. Alle zeevarenden moeten kosteloos toegang hebben tot een doeltreffend, adequaat en transparant systeem voor het vinden van werk aan boord van schepen.2. Aanwerving- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden die actief zijn op het grondgebied van een Lid moeten voldoen aan de in de Code vervatte normen.3. Elk Lid eist, ten aanzien van zeevarenden die werkzaam zijn op schepen die zijn vlag voeren, dat reders die van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten gebruikmaken die gevestigd zijn in landen of grondgebieden waar dit Verdrag niet van toepassing is, erop toezien dat die diensten voldoen aan de in de Code vervatte vereisten. Norm A1.4 - Aanwerving en arbeidsbemiddeling 1. Elk Lid dat een publieke aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst voor zeevarenden exploiteert, ziet erop toe dat die dienst op ordelijke wijze wordt geëxploiteerd, zodanig dat de rechten inzake werkgelegenheid van zeevarenden zoals in dit Verdrag voorzien worden beschermd en bevorderd.2. Wanneer op het grondgebied van een Lid private aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden actief zijn met als primair doel de aanwerving en plaatsing van zeevarenden of die een aanzienlijk aantal zeevarenden werven en plaatsen, mogen deze uitsluitend worden geëxploiteerd in overeenstemming met een gestandaardiseerd systeem van vergunningen of certificering of andere vorm van regulering.Dit systeem mag alleen worden ingesteld, aangepast of gewijzigd na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden. Indien twijfel bestaat omtrent de vraag of dit Verdrag van toepassing is op een private aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst doet de bevoegde overheid van elk Lid na overleg met de betrokken organisaties en van reders en zeevarenden uitspraak in deze kwestie. Excessieve groei van het aantal private aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten moet niet worden aangemoedigd. 3. De bepalingen van paragraaf 2 van deze norm zijn - voor zover deze worden vastgesteld door de bevoegde overheden, in overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden - eveneens van toepassing in het geval van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten die worden geëxploiteerd door een organisatie van zeevarenden op het grondgebied van een Lid voor het aanbod van zeevarenden die ingezetene zijn van dat Lid voor schepen die zijn vlag voeren.Deze paragraaf heeft betrekking op diensten die aan de volgende voorwaarden voldoen :
- a)de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst wordt geëxploiteerd ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst tussen die organisatie en een reder;
- b)zowel de organisatie van zeevarenden als de reder zijn gevestigd op het grondgebied van het Lid;
- c)het Lid heeft nationale wet- of regelgeving of een procedure voor toestemming voor of vastlegging van de collectieve arbeidsovereenkomst waarmee de exploitatie van de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst mogelijk wordt gemaakt;en
- d)de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst wordt op ordelijke wijze geleid en teneinde de rechten inzake werkgelegenheid van zeevarenden te beschermen en te bevorderen zijn maatregelen genomen die vergelijkbaar zijn met de in paragraaf 5 van deze norm genoemde maatregelen. 4. Niets in deze norm of in voorschrift 1.4 wordt geacht :
- a)een Lid ervan te weerhouden een kosteloze publieke aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst voor zeevarenden in stand te houden in het kader van beleid gericht op het tegemoetkomen aan de behoeften van zeevarenden en reders, ongeacht of deze dienst deel uitmaakt van een publieke werkgelegenheidsinstantie voor alle werknemers en werkgevers of zijn werkzaamheden daarmee afstemt;of
- b)een Lid de verplichting op te leggen op zijn grondgebied een systeem in te stellen van private aanwervings- of arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden.5. Een Lid dat een systeem als bedoeld in paragraaf 2 van deze norm instelt, is gehouden in zijn wet- of regelgeving of via andere maatregelen, ten minste in het volgende te voorzien :
- a)verbieden dat aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden middelen, procedures of lijsten gebruiken die zijn bedoeld om zeevarenden te verhinderen of te ontmoedigen werk te vinden waarvoor zij gekwalificeerd zijn;
- b)eisen dat er voor de aanwerving en plaatsing van of het bieden van werk aan zeevarenden direct of indirect, geheel of ten dele, door de zeevarende geen honoraria of andere lasten verschuldigd zijn, behoudens de kosten die de zeevarende maakt voor het verkrijgen van een officieel nationaal medisch getuigschrift, het nationale zeemansboek en een paspoort of vergelijkbare persoonlijke reisdocumenten, evenwel afgezien van de kosten van visa, die door de reder worden gedragen;en
- c)waarborgen dat aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden op zijn grondgebied : i.ten behoeve van inspectie door de bevoegde overheid een actueel register wordt bijgehouden van alle zeevarenden die via hen zijn geworven of geplaatst; ii. ervoor zorgen dat zeevarenden vóór of bij het aangaan van hun verplichtingen op de hoogte worden gebracht van hun rechten en plichten uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst en dat voor zeevarenden deugdelijke regelingen worden getroffen zodat zij hun arbeidsovereenkomst voor en na ondertekening kunnen bestuderen en er een kopie van ontvangen; iii. verifiëren of zeevarenden die door hen worden geworven of geplaatst gekwalificeerd zijn en de benodigde documenten voor de desbetreffende betrekking bezitten, en dat de arbeidsovereenkomsten van de zeevarenden in overeenstemming zijn met de geldende wet- of regelgeving en met eventuele collectieve arbeidsovereenkomsten die deel uitmaken van de arbeidsovereenkomst; iv. ervoor zorgen, voor zover realiseerbaar, dat de reder de middelen heeft om te voorkomen dat zeevarenden in een buitenlandse haven worden achtergelaten; v. eventuele klachten betreffende hun activiteiten in behandeling nemen en hierop reageren en de bevoegde overheid van niet-afgehandelde klachten op de hoogte brengen; vi. een beschermingssysteem instellen, in de vorm van een verzekering of een gelijkwaardige passende maatregel, ter compensatie van financiële verliezen door zeevarenden als gevolg van eventuele nalatigheid door een aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst of de desbetreffende reder ingevolge de arbeidsovereenkomst van de zeevarende, van de verplichtingen ten aanzien van hen. 6. De bevoegde overheid houdt nauwgezet toezicht op en controleert alle aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden die op het grondgebied van het betrokken Lid actief zijn.Alle vergunningen of certificaten of soortgelijke machtigingen voor de exploitatie van private diensten op het grondgebied worden uitsluitend verstrekt, verleend of verlengd zodra geverifieerd is of de betrokken aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst voor zeevarenden voldoet aan de vereisten van de nationale wet- of regelgeving. 7. De bevoegde overheid moet ervoor zorg dragen dat er gepaste mechanismen en procedures bestaan voor onderzoek, indien nodig, naar klachten betreffende de activiteiten van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden, waarbij, naargelang het geval, vertegenwoordigers van reders en zeevarenden worden betrokken.8. Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, moet voor zover mogelijk, zijn onderdanen wijzen op de problemen die zich kunnen voordoen bij het indiensttreding op een schip dat de vlag voert van een Staat die het Verdrag niet heeft bekrachtigd, totdat het zekerheid heeft verkregen dat normen worden toegepast die gelijkwaardig zijn aan de normen die in dit Verdrag zijn vastgelegd.Daartoe strekkende maatregelen van het Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, mogen niet in strijd zijn met het beginsel van het vrije verkeer van werknemers, zoals bepaald in de verdragen waarbij de desbetreffende twee Staten eventueel partij zijn. 9. Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd eist dat reders van schepen die zijn vlag voeren, die van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten gebruikmaken die gevestigd zijn in landen of op grondgebieden waar dit Verdrag niet van toepassing is, erop - voor zover realiseerbaar - toezien dat die diensten voldoen aan de vereisten van deze norm.10. Niets in deze norm mag zodanig worden uitgelegd dat afgedaan wordt aan de verplichtingen en verantwoordelijkheden van reders of van een Lid ten aanzien van schepen die zijn vlag voeren. Richtlijn B1.4 - Aanwerving en arbeidsbemiddeling Richtlijn B1.4.1 - Organisatie- en exploitatierichtlijnen 1. Bij het vervullen van haar verplichtingen ingevolge norm A1.4, paragraaf 1, zou de bevoegde overheid rekening moeten houden met :
- a)het nemen van de nodige maatregelen ter bevordering van daadwerkelijke samenwerking tussen aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden, ongeacht of deze publiek of privaat zijn;
- b)de behoeften van de maritieme industrie, zowel op nationaal als internationaal niveau, bij de ontwikkeling van opleidingsprogramma's voor zeevarenden die deel uitmaken van de bemanning van het schip die verantwoordelijk is voor de veilige vaart van het schip en de voorkoming van verontreiniging, waarbij de reders, zeevarenden en de relevante opleidingsinstellingen betrokken worden;
- c)het maken van passende afspraken voor de samenwerking tussen de representatieve organisaties van reders en zeevarenden bij de organisatie en exploitatie van de publieke aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten, waar deze bestaan;
- d)het vaststellen van de voorwaarden, met zorgvuldige inachtneming van het recht op privacy en met de noodzaak de vertrouwelijkheid te beschermen, waaronder persoonsgegevens van zeevarenden door de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden mogen worden verwerkt, met inbegrip van het verzamelen, opslaan, combineren en doorgeven aan derden van deze gegevens;
- e)de instandhouding van een regeling voor het verzamelen en analyseren van alle relevante informatie op de maritieme arbeidsmarkt, met inbegrip van het huidige en toekomstige aanbod aan zeevarenden die als bemanningsleden werkzaam zijn, gerangschikt naar leeftijd, geslacht, rang en bevoegdheden, en de behoeften van de bedrijfstak, waarbij het verzamelen van gegevens over leeftijd of geslacht uitsluitend is toegestaan voor statistische doeleinden of voor gebruik in het kader van een programma ter voorkoming van discriminatie op grond van leeftijd of geslacht;
- f)het erop toezien dat het personeel dat verantwoordelijk is voor het toezicht op publieke en private aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden dat zich bezig houdt met bemanningsleden met taken op het gebied van de veilige vaart van het schip en de voorkoming van verontreiniging, een passende opleiding heeft genoten, met inbegrip van aantoonbare ervaring op zee, en de nodige kennis bezit van de maritieme sector, met inbegrip van de desbetreffende maritieme internationale instrumenten inzake opleiding, certificering en arbeidsnormen;
- g)het voorschrijven van operationele normen en gedragscodes en aannemen van ethische normen voor aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden;en
- h)het toezicht op het systeem van vergunningen of certificering op basis van een systeem van kwaliteitsnormen. 2. Bij het instellen van het in norm A1.4, paragraaf 2, bedoelde systeem zou elk Lid moeten overwegen om van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden die op zijn grondgebied gevestigd zijn, te eisen dat deze verifieerbare exploitatiepraktijken ontwikkelen en in stand houden. In deze operationele praktijken voor private aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden en, voor zover van toepassing, voor publieke aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden, zouden de volgende aangelegenheden moeten worden geregeld :
- a)medische keuringen, identiteitsdocumenten voor zeevarenden en alle andere zaken die van zeevarenden kunnen worden geëist bij het verkrijgen van een betrekking;
- b)met zorgvuldige inachtneming van het recht op privacy en van de noodzaak de vertrouwelijkheid te beschermen, het bijhouden van volledige registers van de zeevarenden die onder hun aanwervings- en arbeidsbemiddelingssysteem vallen, waarin ten minste zou dienen te worden vermeld : i.de kwalificaties van de zeevarende; ii. de staat van dienst; iii. de persoonsgegevens die relevant zijn voor de tewerkstelling; en iv. de medische gegevens die relevant zijn voor de tewerkstelling;
- c)het bijhouden van een actuele lijst van de schepen die de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden van zeevarenden voorzien en ervoor zorgdragen dat er een manier is waarop de diensten in geval van nood te allen tijde kunnen worden bereikt;
- d)procedures om te garanderen dat zeevarenden niet worden uitgebuit door de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden of het personeel hiervan met betrekking tot het aanbod van een betrekking op bepaalde schepen of door bepaalde maatschappijen;
- e)procedures om uitbuiting van zeevarenden te voorkomen, die zouden kunnen voorvloeien uit de uitbetaling van voorschotten op het loon of andere financiële transacties tussen de reder en de zeevarenden die tot stand komen door tussenkomst van de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden;
- f)duidelijk aangeven wat de eventuele kosten van het aanwervingsproces zijn die geacht worden door de zeevarende zelf te worden gedragen;
- g)waarborgen dat de zeevarenden op de hoogte worden gebracht van alle bijzondere voorwaarden die gelden voor de functie waarvoor zij worden aangenomen en van de bijzondere regels die door de reders worden gehanteerd met betrekking tot hun tewerkstelling;
- h)procedures voor de behandeling van gevallen van onbekwaamheid of onvoldoende discipline die in overeenstemming zijn met de beginselen van redelijkheid en billijkheid en met de nationale wetten en gebruiken en, indien van toepassing, met collectieve overeenkomsten;
- i)procedures om, voor zover uitvoerbaar, erop toe te zien dat alle verplichte certificaten en documenten die ter verkrijging van een betrekking worden overgelegd, actueel zijn en niet op frauduleuze wijze zijn verkregen en dat de referenties met betrekking tot hun arbeidsverleden worden geverifieerd;
- j)procedures om te waarborgen dat verzoeken om informatie of advies door familieleden van zeevarenden, wanneer de zeevarenden zich op zee bevinden, onverwijld, welwillend en kosteloos in behandeling worden genomen;en
- k)verifiëren of de arbeidsomstandigheden op schepen waarop zeevarenden te werk worden gesteld in overeenstemming zijn met de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten tussen een reder en een representatieve organisatie van zeevarenden en, overeenkomstig hun beleid, uitsluitend zeevarenden aanbieden aan reders die zeevarenden arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden bieden die voldoen aan de toepasselijke wet- of regelgeving of collectieve overeenkomsten.3. Aandacht zou moeten worden besteed aan de bevordering van internationale samenwerking tussen Leden en relevante organisaties, door bijvoorbeeld :
- a)de systematische uitwisseling van informatie betreffende de maritieme sector en de maritieme arbeidsmarkt op bilaterale, regionale en multilaterale basis;
- b)de uitwisseling van informatie betreffende de maritieme arbeidswetgeving;
- c)de harmonisatie van beleid, werkwijzen en wetgeving op het gebied van de aanwerving van en arbeidsbemiddeling voor zeevarenden;
- d)de verbetering van procedures en voorwaarden voor de internationale aanwerving van en arbeidsbemiddeling voor zeevarenden;en
- e)de planning van het arbeidspotentieel, waarbij rekening moet worden gehouden met de vraag naar en het aanbod van zeevarenden en de behoeften van de maritieme sector. TITEL 2. ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN Voorschrift 2.1 - Arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst Doel : Waarborgen dat zeevarenden een rechtvaardige arbeidsovereenkomst hebben 1. De arbeidsomstandigheden van een zeevarende moeten worden vastgelegd of er moet naar worden verwezen in een duidelijke, schriftelijke en rechtens afdwingbare overeenkomst en moeten in overeenstemming zijn met de in de Code vervatte normen.2. Een zeevarende gaat een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan onder omstandigheden die waarborgen dat de zeevarende de gelegenheid heeft de in de overeenkomst genoemde voorwaarden en omstandigheden te bestuderen en hieromtrent advies in te winnen en deze op basis van vrijwilligheid te aanvaarden alvorens tot ondertekening over te gaan.3. Voor zover verenigbaar met het nationale recht en de gebruiken van het Lid wordt aangenomen dat eventuele toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten deel uitmaken van arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst. Norm A2.1 - Arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst 1. Elk Lid neemt wet- of regelgeving aan waarin wordt bepaald dat schepen die zijn vlag voeren aan de volgende vereisten moeten voldoen :
- a)zeevarenden die op schepen werken die zijn vlag voeren, moeten een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst hebben die door zowel de zeevarende als de reder of een vertegenwoordiger van de reder is ondertekend (of, wanneer zij geen werknemer zijn, een bewijs van een overeenkomst of soortgelijke regelingen) die hen de behoorlijke arbeids- en levensomstandigheden aan boord van het schip biedt die door dit Verdrag worden vereist;
- b)zeevarenden die een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst ondertekenen, worden in de gelegenheid gesteld de overeenkomst vóór ondertekening te bestuderen en advies in te winnen, en krijgen alle andere benodigde faciliteiten om te waarborgen dat zij vrijwillig een overeenkomst zijn aangegaan met voldoende besef van hun rechten en verplichtingen;
- c)de betrokken zeevarende en reder moeten ieder een ondertekend origineel exemplaar van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst bezitten;
- d)er moeten maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat zeevarenden, met inbegrip van de kapitein van het schip, aan boord op eenvoudige wijze duidelijke informatie omtrent hun arbeidsomstandigheden kunnen verkrijgen, en dat deze informatie, met inbegrip van een kopie van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, eveneens toegankelijk is voor toetsing door daartoe aangewezen ambtenaren van een bevoegde overheid, met inbegrip van de overheden in de havens die het schip aandoet;en
- e)aan zeevarenden wordt een document uitgereikt dat een overzicht bevat van hun werkzaamheden aan boord van het schip.2. Wanneer een collectieve arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk onderdeel uitmaakt van een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, moet een kopie van deze overeenkomst aan boord beschikbaar zijn. Wanneer de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst en de eventueel toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst niet in het Engels is gesteld, moet het volgende eveneens in het Engels beschikbaar zijn (behoudens voor schepen die uitsluitend nationale reizen maken) :
- a)een kopie van het standaardmodel van de overeenkomst;en
- b)de gedeelten van de collectieve arbeidsovereenkomst die op grond van voorschrift 5.2 aan inspectie door een havenstaat onderworpen zijn. 3. Het in paragraaf 1(e), van deze norm bedoelde document mag geen verklaring bevatten betreffende de kwaliteit van de werkzaamheden van de zeevarenden of betreffende hun loon.De vorm van het document, de vast te leggen gegevens alsmede de wijze waarop deze gegevens moeten worden ingevuld, wordt in de nationale wetgeving vastgesteld. 4. Elk Lid neemt wet- of regelgeving aan waarin de aangelegenheden worden omschreven die moeten worden opgenomen in alle arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst waarop zijn nationale recht van toepassing is.In alle gevallen moeten de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst de volgende gegevens bevatten :
- a)de volledige naam, geboortedatum of leeftijd, en de geboorteplaats van de zeevarende;
- b)de naam en het adres van de reder;
- c)de plaats waar en de datum waarop de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst is gesloten;
- d)de functie waarin de zeevarende wordt tewerkgesteld;
- e)het bedrag van het loon van de zeevarende of, waar van toepassing, de formule die wordt gebruikt voor de berekening ervan;
- f)het bedrag van het tijdens het verlof doorbetaalde loon of, waar van toepassing, de formule die wordt gebruikt voor de berekening ervan;
- g)de beëindiging van de overeenkomst en de voorwaarden daarvan, met inbegrip van : i.indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, de voorwaarden waaronder elke partij bevoegd is de overeenkomst te beëindigen, alsmede de vereiste opzegtermijn, die voor de reder niet korter mag zijn dan voor de zeevarende; ii. indien de overeenkomst voor bepaalde tijd is gesloten, de vastgestelde beëindigingsdatum van de overeenkomst; en iii. indien de overeenkomst is gesloten voor een reis, de haven van bestemming en de tijd die na aankomst moet zijn verstreken voordat de zeevarende van zijn taken moet worden ontheven;
- h)de door de reder aan de zeevarende te verstrekken bijdragen voor ziektekosten- en sociale zekerheidspremies;
- i)de aanspraak van de zeevarende op repatriëring;
- j)verwijzing naar de collectieve arbeidsovereenkomst, indien van toepassing;en
- k)alle overige bijzonderheden die uit hoofde van het nationale recht vereist kunnen zijn.5. Elk Lid neemt wet- of regelgeving aan waarin de minimumopzegtermijnen voor zeevarenden en reders zijn vastgelegd in geval van voortijdige beëindiging van een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst.De duur van deze minimumtermijnen wordt vastgesteld na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, maar bedraagt ten minste zeven dagen. 6. Een kortere opzegtermijn dan de minimumtermijn kan worden gegeven onder omstandigheden die ingevolge de nationale wet- of regelgeving of toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten worden erkend als grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een kortere of zonder opzegtermijn.Bij de vaststelling van die omstandigheden verzekert elk Lid zich ervan dat rekening wordt gehouden met de wens van de zeevarende de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een kortere opzegtermijn of, op humanitaire of andere dringende gronden zonder opzegtermijn en zonder sanctie te kunnen beëindigen. Richtlijn B2.1 - Arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst Richtlijn B2.1.1 - Staat van dienst 1. Bij de vaststelling van de bijzonderheden die in de in voorschrift A2.1.1(
- e)bedoelde staat van dienst moeten worden vastgelegd, zou elk Lid zich ervan moeten waarborgen dat dit document voldoende informatie bevat, met een vertaling in het Engels, om het verkrijgen van een latere betrekking te vergemakkelijken of te voldoen aan de vereisten van dienst op zee voor een hogere rang of promotie. Een zeemansboek van zeevarenden kan tegemoetkomen aan de vereisten van paragraaf 1(e), van die norm. Voorschrift 2.2 - Lonen Doel : Waarborgen dat zeevarenden voor hun diensten worden betaald 1. Alle zeevarenden moeten regelmatig en volledig in overeenstemming met hun arbeidsovereenkomsten voor hun werk worden betaald. Norm A2.2 - Lonen 1. Elk Lid eist dat betalingen verschuldigd aan zeevarenden die werken op schepen die zijn vlag voeren met tussenpozen van ten hoogste een maand en in overeenstemming met iedere toepasselijke collectieve overeenkomst wordt voldaan.2. Aan zeevarenden wordt een maandelijks overzicht verstrekt van de verschuldigde betalingen en de betaalde bedragen, inclusief loon, aanvullende betalingen en de gehanteerde wisselkoers wanneer de betaling heeft plaatsgevonden in een munteenheid of tegen een koers die afwijkt van hetgeen werd overeengekomen.3. Elk Lid eist dat reders maatregelen treffen, zoals vervat in paragraaf 4 van deze norm, om zeevarenden de mogelijkheid te verschaffen hun verdiensten geheel of gedeeltelijk over te maken aan hun familie, van hen afhankelijke personen of rechthebbenden.4. Maatregelen om te waarborgen dat zeevarenden in staat zijn hun verdiensten aan hun familie over te maken omvatten :
- a)een systeem dat zeevarenden in staat stelt om, indien zij dat wensen, op het tijdstip waarop zij hun betrekking aangaan of gedurende de betrekking, met regelmatige tussenpozen een gedeelte van hun loon via bankoverschrijvingen of op soortgelijke wijze naar hun familie over te maken;en
- b)een vereiste dat overmakingen zowel binnen een bepaalde tijd moeten worden uitgevoerd als rechtstreeks aan de daartoe door de zeevarenden aangewezen persoon of personen.5. Eventuele heffingskosten voor de in paragraaf 3 en 4 van deze norm bedoelde diensten moeten redelijk qua hoogte zijn, en de wisselkoers moet, tenzij anderszins bepaald, in overeenstemming met de nationale wet- of regelgeving, de op de markt geldende koers of de officieel gepubliceerde koers zijn en mag niet nadelig zijn voor de zeevarenden.6. Elk Lid dat nationale wet- of regelgeving aanneemt die van toepassing is op de lonen van zeevarenden moet de in Deel B van de Code aangereikte richtlijn naar behoren in acht nemen. Richtlijn B2.2 - Lonen Richtlijn B2.2.1 - Specifieke begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder :
- a)volmatroos, een zeevarende die geacht wordt over de vakbekwaamheid te beschikken om elke taak te vervullen die van een aan dek dienst doende matroos kan worden geëist, anders dan de taken van leidinggevend of specialistisch personeel, of overeenkomstig de nationale wet- of regelgeving of nationale gebruiken, of krachtens een collectieve overeenkomst, als zodanig wordt aangemerkt;
- b)standaardbeloning of -loon, de beloning, ongeacht hoe deze is opgebouwd, voor een normale arbeidsduur;hierin zijn niet begrepen betalingen voor overuren, premies, toelagen, betaald verlof of enige andere aanvullende vergoeding;
- c)forfaitair loon, loon waarin de standaardbeloning en andere aan de beloning gerelateerde vergoedingen zijn begrepen;het forfaitair loon kan een vergoeding voor alle gemaakte overuren en alle andere aan de beloning gerelateerde vergoedingen omvatten, of, in geval van een partieel forfaitair loon, alleen bepaalde vergoedingen omvatten;
- d)arbeidsduur, de tijd gedurende welke zeevarenden worden geacht werkzaamheden te verrichten ten behoeve van het schip;
- e)overuren, de arbeidsuren gemaakt boven de normale arbeidsduur. Richtlijn B2.2.2 - Berekening en betaling 1. Voor zeevarenden wier vergoeding een aparte vergoeding voor gewerkte overuren behelst :
- a)zou de normale arbeidsduur op zee en in de haven voor de berekening van het loon niet meer mogen bedragen dan acht uur per dag;
- b)zou voor de berekening van het aantal overuren, de normale arbeidsduur per week waarvoor de standaardbeloning of -loon geldt moeten worden voorgeschreven door de nationale wet- of regelgeving, voor zover dit niet in collectieve overeenkomsten wordt bepaald;de normale arbeidsduur zou evenwel niet meer mogen bedragen dan 48 uur per week en in collectieve overeenkomsten kan worden voorzien in een andere, doch niet minder gunstige behandeling;
- c)zou het tarief of de tarieven voor de vergoeding van overuren, dat niet minder dan 125 % mag bedragen van de standaardbeloning of -loon per uur, moeten worden voorgeschreven door de nationale wet- of regelgeving of door middel van een collectieve overeenkomst, indien van toepassing;en
- d)zouden door de kapitein of door een door hem aangewezen persoon, overzichten van alle gemaakte overuren moeten worden bijgehouden, die met tussenpozen van ten hoogste een maand door de zeevarende moeten worden geparafeerd.2. Voor zeevarenden wier loon geheel of ten dele forfaitair is :
- a)zou in de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst duidelijk, waar van toepassing, het aantal uren arbeid dat van de zeevarende in ruil voor deze vergoeding wordt verwacht, moeten worden aangegeven alsmede eventuele toelagen die in aanvulling op het forfaitair loon verschuldigd zouden kunnen zijn, en onder welke omstandigheden;
- b)zou, wanneer overuren moeten worden uitbetaald voor arbeid verricht boven de uren waarvoor het forfaitair loon geldt, het uurtarief ten minste 125 % moeten bedragen van het basispercentage dat geldt voor het in paragraaf 1 van deze richtlijn omschreven normale arbeidsduur; hetzelfde beginsel zou moeten worden toegepast op overuren die bij het forfaitair loon zijn inbegrepen;
- c)zou de vergoeding voor het deel van het geheel of ten dele forfaitair loon dat het in paragraaf 1(a), van deze richtlijn omschreven normale arbeidsduur betreft, niet lager mogen zijn dan het geldende minimumloon;en
- d)voor zeevarenden wier loon gedeeltelijk forfaitair is, zouden overzichten moeten worden bijgehouden van alle gemaakte overuren en overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 1(d), van deze richtlijn worden geparafeerd.3. In de nationale wet- of regelgeving of collectieve overeenkomsten kan worden bepaald dat overuren of werkzaamheden verricht op de wekelijkse rustdag en op algemene feestdagen kunnen worden gecompenseerd door ten minste een gelijk aantal uren verlof en verlof om van boord te gaan of door aanvullend verlof of door elke andere compensatie waarin kan worden voorzien.4. In de nationale wet- of regelgeving, aangenomen na overleg met de representatieve organisaties van reders en zeevarenden of, indien van toepassing, in de collectieve overeenkomsten, zou rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen :
- a)het principe van gelijke vergoeding voor gelijkwaardig werk zou moeten worden toegepast op alle zeevarenden werkzaam op hetzelfde schip, zonder discriminatie op grond van ras, huidskleur, geslacht, geloofsovertuiging, politieke overtuiging, nationale herkomst of sociale achtergrond;
- b)de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst waarin de toepasselijke lonen of loonschalen worden vermeld, zou aan boord van het schip aanwezig moeten zijn;informatie over de hoogte van de lonen of loonschalen zou aan elke zeevarende ter beschikking moeten worden gesteld, hetzij door overhandiging aan de zeevarende van ten minste een ondertekend kopie van de desbetreffende informatie in een voor hem te begrijpen taal, hetzij door een kopie van de overeenkomst op te hangen op een voor de zeevarenden gemakkelijk toegankelijke plaats of op elke andere passende wijze;
- c)de lonen zouden moeten worden uitbetaald in een wettig betaalmiddel;waar van toepassing, in de vorm van een bankoverschrijving, bank- of girocheque of betalingsopdracht;
- d)bij de beëindiging van de tewerkstelling zouden alle verschuldigde vergoedingen zonder onnodige vertraging moeten worden betaald;
- e)de bevoegde overheid zou adequate sancties of andere passende dwangmiddelen moeten opleggen aan reders die de betaling van alle verschuldigde vergoedingen onnodig vertragen of niet tot de betaling ervan overgaan;
- f)de lonen zouden rechtstreeks moeten worden overgemaakt op de aangewezen bankrekeningen van de zeevarenden, tenzij zij schriftelijk anderszins verzoeken;
- g)onverminderd (
- h)van deze paragraaf zou de reder geen beperkingen mogen opleggen ten aanzien van de vrijheid van zeevarenden om over hun vergoeding te beschikken;
- h)inhoudingen op de vergoeding zouden alleen mogen worden toegestaan indien : i.er in de nationale wet- of regelgeving of een geldende collectieve overeenkomst een uitdrukkelijke bepaling bestaat en de zeevarende, op de door de bevoegde overheden meest geschikt geachte wijze, op de hoogte is gebracht van de voorwaarden voor dergelijke inhoudingen; en ii. het totaal van deze inhoudingen niet de limiet overschrijdt die hiervoor ingevolge de nationale wet- of regelgeving, collectieve overeenkomsten of rechterlijke beslissingen kan zijn vastgesteld;
- i)op de vergoedingen van een zeevarende zouden geen inhoudingen mogen plaatsvinden die verband houden met het verkrijgen of behouden van werk;
- j)geldelijke boetes opgelegd aan zeevarenden anders dan toegestaan door de nationale wet- of regelgeving, collectieve overeenkomsten of andere maatregelen, zouden moeten worden verboden;
- k)de bevoegde overheid dient gemachtigd te zijn om, in het belang van de betrokken zeevarenden, de aan boord aanwezige winkels en diensten te inspecteren om te verifiëren of er eerlijke en redelijke prijzen worden gehanteerd;en
- l)voor zover vorderingen van zeevarenden met betrekking tot hun loon en andere aan hen met betrekking tot hun tewerkstelling verschuldigde bedragen niet worden gegarandeerd overeenkomstig de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake maritieme panden en hypotheken, 1993, dienen deze vorderingen te worden beschermd in overeenstemming met het Verdrag inzake de bescherming van de werknemersvorderingen in geval van betalingsonmacht van hun werkgever, 1992 (Nr.173). 5. Elk Lid zou, na overleg met representatieve organisaties van reders en zeevarenden, procedures moeten instellen om klachten in behandeling te nemen met betrekking tot elke aangelegenheid waarin deze richtlijn voorziet. Richtlijn B2.2.3 - Minimumloon 1. Onverminderd het beginsel van vrije collectieve onderhandelingen zou elk Lid, na overleg met de representatieve organisaties van reders en zeevarenden, procedures moeten instellen voor de vaststelling van de minimumlonen van zeevarenden.Bij de uitvoering van deze procedures zouden representatieve organisaties van reders en zeevarenden moeten worden betrokken. 2. Bij de instelling van deze procedures en bij de vaststelling van de minimumlonen zou zorgvuldig rekening moeten worden gehouden met de internationale arbeidsnormen betreffende de vaststelling van het minimumloon, alsook met de volgende beginselen :
- a)bij de hoogte van de minimumlonen dient rekening te worden gehouden met de aard van de maritieme arbeid, met de bemanning aan boord van de schepen en met de normale arbeidsduur van zeevarenden;en
- b)de hoogte van de minimumlonen zou moeten worden aangepast aan de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud en aan de behoeften van de zeevarenden.3. De bevoegde overheid zou moeten waarborgen :
- a)dat door middel van een stelsel van toezicht en sancties de betaalde lonen niet lager zijn dan de vastgestelde hoogte;en
- b)dat zeevarenden die een lager bedrag ontvangen dan het minimumloon, de hun nog verschuldigde som kunnen invorderen door middel van een snelle, niet-kostbare gerechtelijke of andere procedure. Richtlijn B2.2.4 - Minimum maandelijkse standaardbeloning of -loon voor volmatrozen 1. De standaardbeloning of -loon voor een kalendermaand dienst door een volmatroos zou niet lager mogen zijn dan het periodiek door de Gemengde Maritieme Commissie of een ander hiertoe door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau gemachtigd orgaan vastgestelde bedrag.Naar aanleiding van een besluit hiertoe door de Raad van Beheer, stelt de Directeur-Generaal de Leden van de Organisatie in kennis van elke herziening van het vastgestelde bedrag. 2. Niets in deze richtlijn wordt geacht afbreuk te doen aan regelingen tussen reders of hun organisaties en de organisaties van zeevarenden met betrekking tot de regulering van standaard minimumarbeidsomstandigheden, mits deze voorwaarden door de bevoegde overheid zijn erkend. Voorschrift 2.3 - Arbeids- en rusttijden Doel : Waarborgen dat zeevarenden gereguleerde arbeids- of rusttijden hebben 1. Elk Lid moet ervoor zorg dragen dat de arbeids- of rusttijden voor zeevarenden worden gereguleerd.2. Elk Lid stelt maximale arbeids- of minimumrusttijden voor gegeven tijdvakken in die in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Code. Norm A2.3 - Arbeids- en rusttijden 1. Voor de toepassing van deze norm wordt verstaan onder :
- a)arbeidstijden : de tijd gedurende welke zeevarenden worden geacht werkzaamheden te verrichten ten behoeve van het schip;
- b)rusttijden : de tijd die buiten de arbeidstijd valt;hieronder worden korte pauzes niet begrepen. 2. Elk Lid stelt, binnen de in paragraaf 5 tot en met 8 van deze norm genoemde grenzen, hetzij de maximale arbeidstijden vast die binnen een bepaald tijdvak niet mag worden overschreden, hetzij de minimale rusttijd die binnen een bepaald tijdvak moet worden verschaft.3. Elk Lid erkent dat de norm voor de arbeidstijden voor zeevarenden, evenals voor andere werknemers, acht uur per dag is, met een rustdag per week en rust op algemene feestdagen.Dit belet het Lid echter niet procedures te hebben voor het toestaan of vastleggen van een collectieve overeenkomst waarin de normale arbeidstijden voor zeevarenden worden vastgesteld op een basis die niet minder gunstig is dan deze norm. 4. Bij de vaststelling van de nationale normen houdt elk Lid rekening met het gevaar van vermoeidheid van zeevarenden, in het bijzonder van hen die taken verrichten die betrekking hebben op de veiligheid van de scheepvaart en de veilige bedrijfsvoering op het schip.5. De arbeids- en rusttijden moeten binnen de volgende grenzen worden vastgesteld :
- a)de maximale arbeidstijden mogen niet meer bedragen dan : i.14 uur in ieder tijdvak van 24 uur; en ii. 72 uur in ieder tijdvak van zeven dagen; of
- b)de minimale rusttijden mogen niet minder bedragen dan : i.10 uur in ieder tijdvak van 24 uur; en ii. 77 uur in ieder tijdvak van zeven dagen. 6. Rusttijden mogen worden verdeeld in ten hoogste twee tijdvakken, waarvan er een ten minste zes uur moet bedragen, en het tijdsverloop tussen twee opvolgende rustperioden mag niet meer dan 14 uur bedragen.7. Monsteringen, brandweer- en reddingsoefeningen en oefeningen voorgeschreven door de nationale wet- of regelgeving en internationale instrumenten moeten zodanig worden uitgevoerd dat hierdoor de verstoring van de rustperioden zoveel mogelijk wordt beperkt en geen vermoeidheid wordt veroorzaakt.8. Wanneer een zeevarende op appèl is, bijvoorbeeld wanneer een machinekamer onbemand is, moet de zeevarende een behoorlijke rustperiode ter compensatie krijgen indien de normale rustperiode wordt onderbroken vanwege een oproep tot arbeid.9. Indien er geen collectieve overeenkomsten of arbitraire beslissingen bestaan of indien de bevoegde overheid oordeelt dat het bepaalde in de overeenkomst of beslissing ten aanzien van het in paragraaf 7 of 8 van deze norm gestelde ontoereikend is, moet de bevoegde overheid de nodige bepalingen vaststellen teneinde te waarborgen dat de betrokken zeevarenden voldoende rust genieten.10. Elk Lid moet eisen dat op een gemakkelijk toegankelijke plaats een overzicht wordt opgehangen van de organisatie van de werkzaamheden aan boord, dat voor elke functie ten minste de volgende gegevens moet bevatten :
- a)het rooster voor dienst op zee en dienst in de haven;en
- b)de maximale arbeidstijden of de minimale rusttijden vereist door nationale wet- of regelgeving of geldende collectieve overeenkomsten.11. Het in paragraaf 10 van deze norm bedoelde overzicht moet worden opgesteld in een standaardmodel in de werktaal of -talen van het schip en in het Engels.12. Elk Lid eist dat overzichten worden bijgehouden van de dagelijkse arbeidstijden of dagelijkse rusttijden van zeevarenden om de naleving van paragraaf 5 tot en met 11 van deze norm te controleren.De overzichten moeten gebaseerd zijn op een standaardmodel dat, met inachtneming van de beschikbare richtlijnen van de Internationale Arbeidsorganisatie, is opgesteld door de bevoegde overheid, of op een door de Organisatie opgesteld standaardmodel. Zij moeten zijn gesteld in de in paragraaf 11 van deze norm vereiste talen. De zeevarenden ontvangen een kopie van de op hen betrekking hebbende overzichten, die worden geparafeerd door de kapitein, of door een door de kapitein bevoegd verklaarde persoon, en door de zeevarenden. 13. Niets in paragraaf 5 of 6 van deze norm belet een Lid door middel van nationale wet- of regelgeving of een procedure voor de bevoegde overheid collectieve overeenkomsten goed te keuren of te sluiten die uitzonderingen toelaten op de vastgestelde grenzen.Deze uitzonderingen dienen zo veel mogelijk in overeenstemming te zijn met de bepalingen van deze norm, maar mogen voorzien in frequentere of langere verlofperioden, of in compensatieverlof voor zeevarenden met wachtdienst of zeevarenden werkzaam aan boord van schepen op reizen van korte duur. 14. Niets in deze norm wordt geacht het recht aan te tasten van de kapitein van een schip van een zeevarende te eisen dat hij de nodige uren arbeid verricht ten behoeve van de onmiddellijke veiligheid van het schip, van personen aan boord of van de lading, of voor het verlenen van hulp aan andere op zee in nood verkerende schepen of personen.Op overeenkomstige wijze kan de kapitein de normale arbeids- of rusttijden opschorten en van een zeevarende eisen dat hij de nodige uren arbeid verricht totdat de normale situatie is hersteld. Zodra zulks uitvoerbaar is nadat de normale situatie is hersteld, draagt de kapitein er zorg voor dat de zeevarenden die werkzaamheden hebben verricht tijdens een ingeroosterde rustperiode een passende rustperiode krijgen. Richtlijn B2.3 - Arbeidstijden en rusttijden Richtlijn B2.3.1 - Jonge zeevarenden 1. Op zee en in havens zouden de volgende bepalingen van toepassing moeten zijn op alle jonge zeevarenden onder de 18 jaar :
- a)de arbeidstijden dienen niet meer dan acht uur per dag en 40 uur per week te bedragen en overuren mogen uitsluitend worden gemaakt wanneer dit om veiligheidsredenen onvermijdelijk is;
- b)er dient voldoende tijd te worden gereserveerd voor maaltijden, alsmede een pauze van ten minste een uur voor de hoofdmaaltijd van de dag;en
- c)na twee uur ononderbroken werkzaamheden dient zo snel mogelijk een rustperiode van 15 minuten te worden gegeven.2. In uitzonderlijke gevallen behoeven de bepalingen van paragraaf 1 van deze richtlijn niet te worden toegepast indien :
- a)de bepalingen praktisch onuitvoerbaar zijn voor jonge zeevarenden die op het dek, in de machinekamer of in het cateringgedeelte wachttaken verrichten of in ingeroosterde ploegenarbeid werken;of
- b)de feitelijke opleiding van jonge zeevarenden, in overeenstemming met vastgestelde programma's en regelingen, in het geding zou komen.3. Dergelijke uitzonderlijke situaties dienen, met redenen omkleed, te worden geregistreerd en door de kapitein worden ondertekend. 4. Paragraaf 1 van deze richtlijn ontslaat jonge zeevarenden niet van de algemene verplichting voor alle zeevarenden tijdens een noodsituatie werkzaamheden te verrichten, als bedoeld in paragraaf 14 van norm A2.3. Voorschrift 2.4 - Recht op verlof Doel : Waarborgen dat zeevarenden passend verlof krijgen 1. Elk Lid eist dat zeevarenden die zijn tewerkgesteld op schepen die zijn vlag voeren onder passende voorwaarden jaarlijks betaald verlof krijgen, in overeenstemming met de bepalingen van de Code.2. Aan zeevarenden wordt verlof aan wal verleend ten behoeve van hun gezondheid en welzijn, voor zover verenigbaar met de bij hun functie behorende werkzaamheden op het schip. Norm A2.4 - Recht op verlof 1. Elk Lid neemt wet- of regelgeving aan waarin de minimumnormen worden vastgelegd voor jaarlijks verlof voor zeevarenden die werkzaam zijn op schepen die zijn vlag voeren, daarbij naar behoren rekening houdend met de bijzondere behoeften van zeevarenden met betrekking tot dergelijk verlof.2. Onverminderd eventuele collectieve overeenkomsten of wet- of regelgeving die voorzien in een passende berekeningsmethode waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere behoeften van zeevarenden op dit gebied, moet het jaarlijks betaald verlof worden berekend op basis van een minimum van 2,5 kalenderdagen per maand tewerkstelling.De wijze waarop de duur van het dienstverband wordt berekend, wordt door de bevoegde overheid vastgesteld of via de in elk land daartoe aangewezen organen. Gerechtvaardigde afwezigheden van het werk worden niet aangemerkt als jaarlijks verlof. 3. Elke overeenkomst om afstand te doen van het recht op het minimum jaarlijks betaald verlof als voorgeschreven in deze norm, behoudens in de door de bevoegde overheid bepaalde gevallen, is verboden. Richtlijn B2.4 - Recht op verlof Richtlijn B2.4.1 - Berekening van recht 1. Op voorwaarden vast te stellen door de bevoegde overheid of door de daartoe in elk land aangewezen organen, zou dienst verricht zonder dat is gemonsterd, moeten worden aangemerkt als onderdeel van de diensttijd.2. Op voorwaarden vast te stellen door de bevoegde overheid of in een van toepassing zijnde collectieve overeenkomst zou afwezigheid vanwege het bijwonen van een goedgekeurde maritieme beroepsopleiding of vanwege ziekte, letsel of zwangerschap moeten worden gerekend als deel uitmakend van de diensttijd.3. De hoogte van het loon gedurende het jaarlijks verlof zou overeen moeten komen met het normale vergoedingsniveau van de zeevarende als voorzien in de nationale wet- of regelgeving of in de toepasselijke arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst.Voor zeevarenden die worden tewerkgesteld voor een tijdvak van minder dan een jaar of in het geval van beëindiging van de arbeidsrelatie zou het recht op verlof pro rata moeten worden berekend. 4. Het volgende zou niet moeten worden gerekend als onderdeel van het jaarlijks betaald verlof :
- a)algemene feestdagen en gebruikelijke vakantiedagen als zodanig erkend in de vlaggenstaat, al dan niet vallend tijdens het jaarlijks betaald verlof;
- b)arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte, letsel of zwangerschap, op de voorwaarden vast te stellen door de bevoegde overheid of door de daarvoor in elk land aangewezen organen;
- c)tijdelijk verlof om aan wal te gaan, verleend aan een zeevarende gedurende de looptijd van een arbeidsovereenkomst;en
- d)elke vorm van compensatieverlof, op voorwaarden vast te stellen door de bevoegde overheid of door de daartoe in elk land aangewezen organen. Richtlijn B2.4.2 - Opname van jaarlijks verlof 1. Het tijdstip waarop het verlof moet worden opgenomen zou, tenzij dit is vastgelegd in een voorschrift, collectieve overeenkomst, arbitrageuitspraak of op een andere wijze in overeenstemming met de nationale gebruiken, moeten worden bepaald door de reder na overleg en voor zover mogelijk in overeenstemming met de betrokken zeevarenden of hun vertegenwoordigers.2. Zeevarenden zouden in beginsel het recht moeten hebben jaarlijks verlof op te nemen op de plaats waarmee zij een wezenlijke binding hebben;normaliter is dit dezelfde plaats als die waarnaar zij gerepatrieerd mogen worden. Zeevarenden zouden niet kunnen worden verplicht om zonder hun instemming het hun toekomende jaarlijkse verlof op een andere plaats op te nemen, tenzij op grond van bepalingen in een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst of in de nationale wet- of regelgeving. 3. Indien zeevarenden genoodzaakt zijn hun jaarlijks verlof aan te vangen op een andere plaats dan toegestaan door paragraaf 2 van deze richtlijn, zouden zij recht moeten hebben op kosteloos vervoer naar de plaats waar zij zijn aangemonsterd of werden geworven, naargelang welke plaats het dichtst bij hun woonplaats ligt;verblijfs- en andere rechtstreeks daarmee verbonden kosten zouden voor rekening van de reder moeten komen; de reistijd zou niet mogen worden afgetrokken van het jaarlijks betaald verlof waarop de zeevarende recht heeft. 4. Een zeevarende die zijn jaarlijks verlof geniet, zou slechts in gevallen van uiterste noodzaak mogen worden teruggeroepen, en wel met instemming van de zeevarende. Richtlijn B2.4.3 - Deling en samenvoeging 1. Het in gedeelten opnemen van het jaarlijks betaald verlof of het voegen van jaarlijks verlof over enig jaar bij een latere verlofperiode, kan door de bevoegde overheid of door de daartoe in elk land aangewezen organen worden goedgekeurd.2. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1 van deze richtlijn en tenzij anders bepaald in een overeenkomst die van toepassing is op de betrokken reder en zeevarende, zou het jaarlijks betaald verlof, zoals in deze richtlijn aanbevolen, uit een aaneengesloten tijdvak moeten bestaan. Richtlijn B2.4.4 - Jonge zeevarenden 1. Bijzondere maatregelen zouden moeten worden overwogen ten aanzien van de jonge zeevarenden onder de leeftijd van 18 jaar die zes maanden of een korter tijdvak ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst zonder verlof dienst hebben gedaan op een schip dat buitenlandse reizen maakt en dat in die periode niet is teruggekeerd naar hun land van domicilie, en dat daar de volgende drie maanden van de reis ook niet naar terugkeert. Dergelijke maatregelen zouden kunnen bestaan uit hun - voor hen kosteloze - repatriëring naar de oorspronkelijke plaats van monstering in hun land van domicilie voor het opnemen van verlof dat gedurende de reis is opgebouwd. Voorschrift 2.5 - Repatriëring Doel : Waarborgen dat zeevarenden naar huis kunnen terugkeren 1. Zeevarenden hebben het recht zonder kosten voor henzelf te worden gerepatrieerd onder de in de Code aangegeven omstandigheden en voorwaarden.2. Elk Lid eist dat schepen die zijn vlag voeren financiële zekerheid verschaffen om te waarborgen dat zeevarenden naar behoren worden gerepatrieerd in overeenstemming met de Code. Norm A2.5 - Repatriëring 1. Elk Lid draagt er zorg voor dat zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren recht hebben op repatriëring onder de volgende omstandigheden :
- a)indien hun arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst verloopt terwijl zij zich in het buitenland bevinden;
- b)wanneer hun arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst wordt beëindigd : i.door de reder; of ii. door de zeevarende op grond van geldige redenen; en tevens
- c)wanneer de zeevarenden niet langer in staat zijn hun taken uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst te verrichten of van hen niet kan worden geëist dat zij deze onder de desbetreffende omstandigheden verrichten.2. Elk Lid draagt er zorg voor dat in zijn wet- of regelgeving of andere maatregelen of in collectieve arbeidsovereenkomsten de nodige bepalingen worden opgenomen waarin het volgende wordt geregeld :
- a)de omstandigheden waaronder zeevarenden recht hebben op repatriëring in overeenstemming met paragraaf 1, (
- b)en (c), van deze norm;
- b)de maximumduur van tijdvakken van dienst aan boord waarna een zeevarende recht heeft op repatriëring, waarbij zij aangetekend dat dergelijke tijdvakken ten hoogste 12 maanden mogen bedragen;en
- c)de specifieke prestaties die door de reders ten behoeve van repatriëring moeten worden geleverd, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de repatriëringsbestemmingen, de wijze van vervoer, de te dekken kostenposten en andere regelingen die door reders moeten worden getroffen.3. Elk Lid verbiedt reders van zeevarenden vooruitbetaling te eisen voor de kosten van repatriëring bij aanvang van hun tewerkstelling, en de kosten van repatriëring te verhalen op de lonen of andere aanspraken van de zeevarenden, tenzij vastgesteld is dat een zeevarende, in overeenstemming met nationale wet- of regelgeving of andere maatregelen of toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten, ernstig in gebreke is ten aanzien van de verplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst.4. De nationale wet- of regelgeving laat onverlet het recht van de reder de kosten van repatriëring op grond van contractuele regelingen te verhalen op derden.5. Indien een reder nalaat de repatriëring te regelen voor zeevarenden die daar recht op hebben of de kosten van hun repatriëring te voldoen :
- a)draagt de bevoegde overheid van het Lid onder de vlag waarvan het schip vaart, zorg voor de repatriëring van de betrokken zeevarenden; indien zij dit nalaat, kan de Staat waaruit de zeevarenden moeten worden gerepatrieerd of de Staat waarvan zij onderdaan zijn hun repatriëring regelen en de kosten hiervan verhalen op het Lid onder de vlag waarvan het schip vaart;
- b)kunnen de kosten die bij de repatriëring van zeevarenden worden gemaakt, door het Lid onder de vlag waarvan het schip vaart op de reder worden verhaald;
- c)komen de kosten van repatriëring in geen geval ten laste van de zeevarende, behalve in het geval als voorzien in paragraaf 3 van deze norm.6. Met inachtneming van de van toepassing zijnde internationale instrumenten, met inbegrip van het Internationaal Verdrag inzake het conservatoir beslag op zeeschepen, 1999, kan een Lid dat de kosten van repatriëring ingevolge deze Code heeft betaald, de schepen van de desbetreffende reder aanhouden, of verzoeken om aanhouding hiervan, totdat de vergoeding in overeenstemming met paragraaf 5 van deze norm heeft plaatsgevonden.7. Elk Lid bevordert de repatriëring van zeevarenden die werkzaam zijn op schepen die zijn havens aandoen of door zijn territoriale of binnenwateren varen, alsmede hun hernieuwde plaatsing aan boord.8. In het bijzonder mag een Lid geen enkele zeevarende het recht op repatriëring ontzeggen op grond van de financiële omstandigheden van een reder of omdat de reder niet in staat of niet bereid is een zeevarende te vervangen.9. Elk Lid moet eisen dat schepen die zijn vlag voeren een kopie van de toepasselijke nationale bepalingen betreffende repatriëring in een geschikte taal aan boord hebben en dat dit voor zeevarenden beschikbaar is. Richtlijn B2.5 - Repatriëring Richtlijn B2.5.1 - Recht 1. Zeevarenden zouden recht moeten hebben op repatriëring :
- a)in gevallen waarop paragraaf 1, (a), van norm A2.5 van toepassing is, na het verstrijken van de opzegtermijn in overeenstemming met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst;
- b)in de gevallen voorzien in paragraaf 1, (
- b)en (c), van norm A2.5 : i. in geval van ziekte of ongeval of om een andere reden van medische aard die repatriëring vereist, wanneer is vastgesteld dat de zeevarende medisch gezien in staat is te reizen; ii. in geval van schipbreuk; iii. ingeval de reder niet in staat is de wettelijke of contractuele verplichtingen als werkgever van de zeevarenden na te komen, wegens insolventie, verkoop van het schip, verandering in de registratie van het schip of in verband met een andere soortgelijke reden; iv. ingeval het schip koers zet naar een oorlogsgebied, zoals omschreven in de nationale wet- of regelgeving of arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst, terwijl de zeevarende er niet mee instemt naar dat gebied te gaan; en v. in het geval van beëindiging of onderbreking van het dienstverband van de zeevarende overeenkomstig een arbitraire uitspraak of een collectieve arbeidsovereenkomst of beëindiging van het dienstverband om een andere soortgelijke reden.2. Bij de vaststelling van de maximumduur van tijdvakken van dienst aan boord waarna een zeevarende recht heeft op repatriëring, in overeenstemming met deze Code, dient rekening te worden gehouden met factoren die de werkomgeving van de zeevarende beïnvloeden.Elk Lid dient waar mogelijk de duur van deze tijdvakken te verkorten in het licht van technologische veranderingen en ontwikkelingen en kan zich laten leiden door de aanbevelingen ter zake die door de Gemengde Maritieme Commissie zijn opgesteld. 3. De kosten die een reder voor repatriëring ingevolge norm A2.5 moet dragen, zouden ten minste de volgende moeten omvatten :
- a)de reis naar de plaats van bestemming die is gekozen voor de repatriëring overeenkomstig paragraaf 6 van deze richtlijn;
- b)huisvesting en voeding vanaf het moment dat de zeevarenden het schip verlaten totdat zij de repatriëringsbestemming bereiken;
- c)loon en vergoedingen vanaf het moment dat de zeevarenden het schip verlaten totdat zij de repatriëringsbestemming bereiken, indien dit is voorzien in de nationale wet- of regelgeving of in collectieve arbeidsovereenkomsten;
- d)het vervoer van 30 kilo persoonlijke bagage van de zeevarenden naar de repatriëringsbestemming;en
- e)medische behandeling, indien nodig, tot de gezondheidstoestand van de zeevarenden het toelaat naar de repatriëringsbestemming te reizen.4. De tijd doorgebracht in afwachting van de repatriëring en de reisduur zou niet in mindering mogen worden gebracht op betaald verlof dat de zeevarenden hebben opgebouwd.5. Van reders zou moeten worden geëist dat zij de kosten van repatriëring blijven dekken totdat de betrokken zeevarenden aan wal zijn op een bestemming als in deze Code voorgeschreven of een geschikte betrekking krijgen aangeboden aan boord van een schip dat naar een van die bestemmingen vaart.6. Elk Lid zou moeten eisen dat de reders door middel van geschikte en snelle middelen voor repatriëringsmogelijkheden zorgen.De gebruikelijke wijze van vervoer dient per vliegtuig te zijn. Het Lid dient de bestemmingen voor te schrijven waarnaar zeevarenden kunnen worden gerepatrieerd. De bestemmingen dienen de landen te omvatten waarmee zeevarenden geacht kunnen worden een wezenlijke binding te hebben, waaronder :
- a)de plaats waar de zeevarende instemde met de overeenkomst;
- b)de plaats die in de collectieve arbeidsovereenkomst is bepaald;
- c)het land waarin de zeevarende zijn domicilie heeft;of
- d)iedere andere plaats die gezamenlijk is overeengekomen bij het sluiten van de overeenkomst.7. Zeevarenden zouden het recht moeten hebben uit de voorgeschreven bestemmingen de plaats te kiezen waarheen zij wensen te worden gerepatrieerd.8. Het recht op repatriëring kan vervallen indien de betrokken zeevarenden daar binnen een redelijke termijn die moet worden vastgesteld in de nationale wet- of regelgeving of in collectieve arbeidsovereenkomsten geen aanspraak op maken. Richtlijn B2.5.2 - Uitvoering door Leden 1. Aan gestrande zeevarenden, die in afwachting van hun repatriëring in een buitenlandse haven zijn achtergelaten, zou alle mogelijke praktische hulp moeten worden verleend en indien de repatriëring van een zeevarende vertraging ondervindt, zou de bevoegde overheid van de buitenlandse haven ervoor moeten zorgen dat de consulaire vertegenwoordiger of de lokale vertegenwoordiger van de vlaggenstaat alsmede de Staat waarvan de zeevarende de nationaliteit heeft of waar hij zijn domicilie heeft, naar gelang van het geval, daarvan onmiddellijk op de hoogte worden gesteld.2. Elk Lid zou erop moeten letten of een behoorlijke regeling is getroffen :
- a)voor de terugkeer van zeevarenden die tewerkgesteld zijn op een schip dat de vlag voert van een vreemd land en die in een buitenlandse haven aan wal worden gezet op grond van redenen waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn : i.naar de haven waar de betrokken zeevarende in dienst werd genomen; of ii. naar een haven in het eigen land van de zeevarende waartoe de zeevarende behoort; of iii. naar een andere tussen de zeevarende en de kapitein of reder overeengekomen haven, met de goedkeuring van de bevoegde overheid of met andere passende waarborgen;
- b)voor medische zorg en nazorg voor zeevarenden tewerkgesteld op een schip dat de vlag van een vreemd land voert die in een buitenlandse haven aan wal worden gezet als gevolg van een ziekte of letsel tijdens de dienst op het schip hetgeen niet te wijten is aan hun eigen opzettelijk onjuist handelen.3. Indien het, nadat jonge zeevarenden onder de leeftijd van 18 jaar gedurende ten minste vier maanden tijdens hun eerste buitenlandse reis op een schip hebben gediend, duidelijk wordt dat zij ongeschikt zijn voor het leven op zee, zouden zij in de gelegenheid moeten worden gesteld kosteloos te worden gerepatrieerd vanuit de eerste geschikte aanloophaven waar zich consulaire diensten bevinden van de vlaggenstaat, van de Staat waarvan de jonge zeevarende de nationaliteit heeft of waar hij zijn domicilie heeft.Elke zodanige repatriëring zou, met redenen omkleed, moeten worden medegedeeld aan de overheid die de papieren heeft afgegeven die de betrokken jonge zeevarende in staat stelden op zee te werk te worden gesteld. Voorschrift 2.6 - Schadeloosstelling voor zeevarenden in geval van verlies of zinken van het schip Doel : Waarborgen dat zeevarenden worden vergoed wanneer een schip verloren is gegaan of is gezonken 1. Zeevarenden hebben recht op een passende schadeloosstelling ingeval van letsel, verlies of werkloosheid als gevolg van verlies of zinken van het schip. Norm A2.6 - Vergoeding voor zeevarenden bij verlies of zinken van het schip 1. Elk Lid stelt regels op die waarborgen dat, in alle gevallen waarin het schip verloren gaat of zinkt, de reder aan elke zeevarende aan boord een schadeloosstelling betaalt wegens werkloosheid die uit verlies of zinken van het schip voortvloeit.2. De in paragraaf 1 van deze norm bedoelde regels doen geen afbreuk aan eventuele andere rechten die een zeevarende kan hebben ingevolge het nationale recht van het betrokken Lid ingevolge verlies of letsel als gevolg van verlies of zinken van het schip. Richtlijn B2.6 - Vergoeding voor zeevarenden bij verlies of zinken van het schip Richtlijn B2.6.1 - Berekening van de schadeloosstelling voor werkloosheid 1. De uitkering voor werkloosheid die voortvloeit uit verlies of zinken van het schip zou moeten worden betaald voor de dagen gedurende welke de zeevarende daadwerkelijk werkloos blijft tot een bedrag gelijk aan het loon uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, maar de totaal aan een zeevarende uit te keren schadeloosstelling mag echter beperkt blijven tot twee maandlonen.2. Elk Lid zou ervoor moeten zorgdragen dat zeevarenden dezelfde rechtsmiddelen voor de aanspraak op deze schadeloosstellingen hebben als zij hebben voor de aanspraak op achterstallig loon die gedurende het dienstverband is verdiend. Voorschrift 2.7 - Bemanning Doel : Waarborgen dat zeevarenden werken aan boord van schepen met voldoende personeel voor de veilige, efficiënte en betrouwbare exploitatie van het schip 1. Elk Lid moet eisen dat alle schepen die zijn vlag voeren aan boord een voldoende aantal zeevarenden in dienst hebben om te waarborgen dat de schepen op veilige, efficiënte wijze en onder alle omstandigheden met voldoende zorg voor de beveiliging worden geëxploiteerd, met de nodige aandacht voor vermoeidheid van zeevarenden en de specifieke aard en omstandigheden van de reis. Norm A2.7 - Bemanning 1. Elk Lid moet eisen dat alle schepen die zijn vlag voeren een voldoende aantal zeevarenden aan boord hebben om te waarborgen dat de schepen een veilige en efficiënte wijze en met de nodige aandacht voor de beveiliging worden geëxploiteerd.Elk schip moet zijn voorzien van een voldoende aantal gekwalificeerde bemanningsleden om, onder alle omstandigheden, de veiligheid en de beveiliging van het schip en het personeel te waarborgen, in overeenstemming met het document inzake de minimum veiligheidsbemanning of een door de bevoegde overheid afgegeven gelijkwaardig document, en moet aan de normen van dit Verdrag voldoen. 2. Bij de vaststelling, goedkeuring of herziening van de bemanning moet de bevoegde overheid rekening houden met de noodzaak om buitensporige arbeidstijden te vermijden of tot een minimum te beperken, zorg te dragen voor voldoende rust en vermoeidheid te beperken, alsmede met de beginselen in de toepasselijke internationale instrumenten, in het bijzonder die van de Internationale Maritieme Organisatie, inzake de bemanning. 3. Bij de vaststelling van de bemanning moet de bevoegde overheid rekening houden met alle vereisten van voorschrift 3.2 en norm A3.2 die betrekking hebben op de voeding en catering. Richtlijn B2.7 - Bemanning Richtlijn B2.7.1 - Regeling van geschillen 1. Elk Lid zou doeltreffende systemen in stand moeten houden voor het onderzoeken en regelen van klachten of geschillen betreffende de bemanning op een schip, of zich ervan vergewissen dat dergelijke systemen in stand worden gehouden.2. Vertegenwoordigers van organisaties van reders en zeevarenden zouden, al dan niet tezamen met andere personen of overheden, deel moeten nemen aan het functioneren van deze systemen. Voorschrift 2.8 - Loopbaanontwikkeling en ontwikkeling van beroepsbekwaamheid en werkgelegenheidsperspectieven voor zeevarenden Doel : Het bevorderen van loopbaanontwikkeling en ontwikkeling van beroepsbekwaamheid en van werkgelegenheidsperspectieven voor zeevarenden 1. Elk Lid moet nationaal beleid hebben ter bevordering van de werkgelegenheid in de maritieme sector en ter bevordering van loopbaanontwikkeling en ontwikkeling van beroepsbekwaamheid en ten behoeve van meer werkgelegenheidsperspectieven voor zeevarenden die op zijn grondgebied woonachtig zijn. Norm 2.8 - Loopbaanontwikkeling en ontwikkeling van beroepsbekwaamheid en werkgelegenheidsperspectieven voor zeevarenden 1. Elk Lid moet nationaal beleid hebben dat de loopbaanontwikkeling en ontwikkeling van beroepsbekwaamheid en werkgelegenheidskansen voor zeevarenden bevordert, teneinde de maritieme sector te kunnen voorzien van voldoende en vakbekwame arbeidskrachten.2. Het doel van het in paragraaf 1 van deze norm bedoelde beleid is zeevarenden te helpen hun vaardigheden, kwalificaties en werkgelegenheidskansen te vergroten.3. Elk Lid stelt, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden duidelijke doelen op voor beroepskeuzevoorlichting, scholing en opleiding van zeevarenden wier taken aan boord hoofdzakelijk betrekking hebben op de veilige exploitatie en navigatie van het schip, met inbegrip van permanente scholing. Richtlijn B2.8 - Loopbaanontwikkeling en ontwikkeling van vaardigheden en werkgelegenheid voor zeevarenden Richtlijn B2.8.1 - Maatregelen ter bevordering van loopbaanontwikkeling en ontwikkeling van beroepsbekwaamheid en werkgelegenheidsperspectieven voor zeevarenden 1. De in norm A2.8 vermelde doelen zouden onder meer kunnen worden bereikt door middel van een van de volgende maatregelen :
- a)overeenkomsten met een reder of organisatie van reders, die voorzien in loopbaanontwikkeling en training van vaardigheden;of
- b)regelingen ter bevordering van de werkgelegenheid door het opstellen en bijhouden van registers of lijsten, naar categorie, van gediplomeerde zeevarenden;of
- c)het bevorderen van kansen, zowel aan boord als aan wal, voor verdere opleiding en scholing van zeevarenden ten behoeve van de ontwikkeling van vaardigheden en elders inzetbare bekwaamheden om te zorgen voor blijvend behoorlijk werk, de verbetering van de individuele werkgelegenheidskansen en te kunnen te blijven meegaan met de veranderende technologie en arbeidsmarktomstandigheden in de maritieme sector. Richtlijn B2.8.2 - Register van zeevarenden 1. Wanneer voor de tewerkstelling van zeevarenden registers of lijsten worden gebruikt, zouden deze registers of lijsten alle beroepscategorieën zeevarenden moeten bevatten op een wijze vastgesteld door de nationale wetgeving of gebruiken of door collectieve arbeidsovereenkomsten.2. Zeevarenden die in een dergelijk register of op een dergelijke lijst voorkomen, zouden voorrang moeten krijgen bij de tewerkstelling als zeevarende.3. Van zeevarenden in een dergelijk register of op een dergelijke lijst zou moeten worden geëist dat zij beschikbaar zijn voor werkzaamheden op een wijze vastgesteld door de nationale wetgeving of gebruiken of door collectieve arbeidsovereenkomsten.4. Voor zover de nationale wet- of regelgeving zulks toestaat, zou het aantal zeevarenden in dergelijke registers of op dergelijke lijsten periodiek moeten worden getoetst teneinde niveaus te bereiken die aansluiten op de behoeften van de maritieme sector.5. Wanneer verlaging van het aantal zeevarenden in een dergelijk register of op een dergelijke lijst noodzakelijk wordt, zouden alle passende maatregelen moeten worden getroffen om nadelige effecten voor zeevarenden te voorkomen of tot een minimum te beperken, met inachtneming van de economische en sociale situatie van het desbetreffende land. TITEL 3. HUISVESTING, ONTSPANNINGSVOORZIENINGEN, VOEDING EN CATERING Voorschrift 3.1 - Huisvesting en ontspanningsvoorzieningen Doel : Waarborgen dat zeevarenden behoorlijke huisvesting en ontspanningsvoorzieningen aan boord hebben 1. Elk Lid draagt er zorg voor dat voor zeevarenden die aan boord werken en/of wonen, van schepen die zijn vlag voeren behoorlijke huisvesting en ontspanningsvoorzieningen aanwezig zijn en in stand worden gehouden, op zodanige wijze dat de gezondheid en het welzijn van de zeevarenden bevorderd worden.2. De vereisten in de Code ter uitvoering van deze norm die op de bouw en uitrusting van schepen betrekking hebben, zijn uitsluitend van toepassing op schepen gebouwd op of na de datum waarop dit Verdrag voor het desbetreffende Lid in werking treedt.Ten aanzien van schepen gebouwd vóór die datum blijven de vereisten met betrekking tot de bouw en uitrusting van schepen als vervat in het Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (herzien), 1949 (Nr. 92), en het Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (aanvullende bepalingen), 1970 (Nr. 133), van toepassing voor zover deze, voorafgaand aan die datum, van toepassing waren ingevolge de wet of gebruiken van het desbetreffende Lid. Een schip wordt geacht te zijn gebouwd op de datum waarop de kiel is gelegd of waarop de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. 3. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, is elk vereiste ingevolge een wijziging van de Code met betrekking tot het verschaffen van huisvesting en ontspanningsvoorzieningen uitsluitend van toepassing op schepen die zijn gebouwd op of na de datum van kracht wording van de wijziging voor het desbetreffende Lid. Norm A3.1 - Huisvesting en ontspanningsvoorzieningen 1. Elk Lid moet wet- of regelgeving aannemen waarin wordt geëist dat schepen die zijn vlag voeren :
- a)voldoen aan de minimumnormen om te waarborgen dat de huisvesting voor zeevarenden die aan boord werken en/of wonen, veilig, fatsoenlijk en in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van deze norm is;en
- b)worden geïnspecteerd om te waarborgen dat die normen van meet af aan permanent worden nageleefd. 2. Bij de ontwikkeling en toepassing van de wet- of regelgeving ter uitvoering van deze norm is de bevoegde overheid, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, verplicht :
- a)rekening te houden met voorschrift 4.3 en de bijbehorende bepalingen van de Code die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid en veiligheid en ongevallenpreventie, in het licht van de specifieke behoeften van zeevarenden die aan boord van schepen wonen en werken; en
- b)voldoende aandacht te schenken aan de in Deel B van deze Code vervatte aanwijzingen. 3. De ingevolge voorschrift 5.1.4 vereiste inspecties moeten worden uitgevoerd wanneer :
- a)een schip wordt geregistreerd of opnieuw wordt geregistreerd;of
- b)de huisvesting voor zeevarenden op een schip ingrijpend is gewijzigd.4. De bevoegde overheid schenkt bijzondere aandacht aan het garanderen van de implementatie van de vereisten van dit Verdrag die betrekking hebben op :
- a)de grootte van de bemanningsverblijven en andere ruimten voor huisvesting;
- b)verwarming en ventilatie;
- c)geluid en trillingen en andere omgevingsfactoren;
- d)sanitaire voorzieningen;
- e)verlichting;en f. ziekenverblijven.5. De bevoegde overheid van elk Lid ziet erop toe dat schepen die zijn vlag voeren voldoen aan de minimumnormen voor huisvesting en ontspanningsvoorzieningen aan boord als vervat in paragraaf