← België

Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferent

Kort samengevat

Deze wet regelt de instemming van België met het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen in Genève in 2006, om de rechten en arbeidsomstandigheden van zeevarenden te waarborgen. Het zorgt ervoor dat de bepalingen van dit internationale verdrag volledig van kracht worden in België.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
17 AUGUSTUS 2013. - Wet houdende instemming met het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 94ste zitting (1) (2) FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Art. 2.Het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 94ste zitting, zal volkomen gevolg hebben. Art. 3.De wijzigingen van de Code van het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 94ste zitting, aangenomen zonder dat België zich tegen de aanneming ervan verzet, zullen volkomen gevolg hebben. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 17 augustus 2013. FILIP Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, D. REYNDERS De Vice-Eerste Minister en Minister van de Noordzee, J. VANDE LANOTTE De Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM Voor de Minister van Werk, J. VANDE LANOTTE De Staatssecretaris voor Mobiliteit, M. WATHELET Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM _______ Nota's (1) Zitting 2012-2013 Senaat Documenten.- Ontwerp van wet ingediend op 4 juli 2013, nr. 5-2188/1. Bijlagen, nr. 5 - 2188/2. - Verslag namens de commissie, nr. 5-2188/3. Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 10 juli 2013. - Stemming, vergadering van 10 juli 2013. Kamer van vertegenwoordigers Documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 53-2945/1. - Verslag namens de Commisie, nr. 53-2945/2. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 53-2945/3. Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 17 juli 2013. - Stemming, vergadering van 17 juli 2013. (2) Zie Decreet van de Vlaamse Gemeenschap/het Vlaamse Gewest van 04/05/2012 (Belgisch Staatsblad van 29/05/2012), Decreet van de Franse Gemeenschap van 04/07/2013 (Belgisch Staatsblad van 17/07/2013), Decreet van Duitstalige Gemeenschap van 25/02/2013 (Belgisch Staatsblad van 20/03/2013), Decreet van het Waalse Gewest van 10/07/2013 (Belgisch Staatsblad van 31/07/2013), Decreet van het Waalse Gewest van 10/07/2013 (Belgisch Staatsblad van 01/08/2013), Ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 26/07/2013 (Belgisch Staatsblad van 03/09/2013). VERDRAG BETREFFENDE MARITIEME ARBEID, 2006 Preambule De algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar vierennegentigste zitting op 7 februari 2006, en Geleid door de wens een enkel, samenhangend instrument te creëren waarin voor zover mogelijk alle actuele normen van bestaande verdragen en aanbevelingen inzake internationale maritieme arbeid worden opgenomen, alsmede de grondbeginselen van andere internationale arbeidsverdragen, in het bijzonder : - het Verdrag over de gedwongen arbeid, 1930 (Nr. 29); - het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948 (Nr. 87); - het Verdrag betreffende toepassing van de grondbeginselen van het recht van organisatie en collectief overleg, 1949 (Nr. 98); - het Verdrag betreffende de gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, 1951 (Nr. 100); - het Verdrag over afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (Nr. 105); - het Verdrag betreffende discriminatie in beroep en beroepsuitoefening, 1958 (Nr. 111); - het Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces, 1973 (Nr. 138); - het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid en de onmiddellijke actie met het oog op de afschaffing ervan, 1999 (Nr. 182); en Indachtig het kernmandaat van de Organisatie, dat bestaat uit het bevorderen van goede arbeidsomstandigheden; en In herinnering roepend de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de fundamentele beginselen en het recht op werk, 1998, en Tevens indachtig het feit dat op zeevarenden bepalingen van andere instrumenten van de Internationale Arbeidsorganisatie van toepassing zijn en dat zij andere rechten hebben die worden aangemerkt als fundamentele rechten en vrijheden die op alle personen van toepassing zijn, en Overwegend dat, gezien het mondiale karakter van de scheepvaartbranche, zeevarenden bijzondere bescherming behoeven, en Voorts indachtig de internationale normen inzake de veiligheid van schepen, de beveiliging van mensen en deugdelijk scheepsbeheer vervat in het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, het Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, zoals gewijzigd, en de vereisten voor zeevarenden inzake opleiding en vaardigheden vervat in het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978, zoals gewijzigd, en In herinnering roepend dat het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, een algemeen juridisch kader vormt waarbinnen alle activiteiten op de oceanen en zeeën moeten plaatsvinden en dat dat Verdrag van strategisch belang is als basis voor nationale, regionale en mondiale maatregelen en samenwerking in de mariene sector, en dat de integriteit ervan moet worden gehandhaafd, en In herinnering roepend dat in artikel 94 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, de taken en verplichtingen van een vlaggenstaat zijn vastgelegd met betrekking tot, onder andere, arbeidsomstandigheden, bemannen en sociale aangelegenheden op schepen die de vlag van die Staat voeren, en In herinnering roepend artikel 19, paragraaf 8, van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie dat bepaalt dat het aannemen van een verdrag of een aanbeveling door de Conferentie, of de bekrachtiging van een verdrag door een Lid, in geen geval wordt beschouwd als zijnde van invloed op een wet, uitspraak, gewoonte of overeenkomst die de betrokken werknemers gunstiger voorwaarden biedt dan dat verdrag of die aanbeveling, en Vastbesloten dat dit nieuwe instrument zodanig moet worden geformuleerd dat gewaarborgd wordt dat het zo breed mogelijk wordt aanvaard door regeringen, reders en zeevarenden die de beginselen van behoorlijk werk onderschrijven, dat het gemakkelijk kan worden geactualiseerd en dat het effectief kan worden uitgevoerd en gehandhaafd, en Besloten hebbend tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot het in het leven roepen van een dergelijk instrument, welk onderwerp als enig punt op de agenda van de zitting staat, en Vastgesteld hebbend dat deze voorstellen de vorm dienen te krijgen van een verdrag; Neemt heden, de drieëntwintigste februari van het jaar tweeduizend en zes, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het Verdrag betreffende Maritieme, 2006. ALGEMENE VERPLICHTINGEN Artikel I 1. Elk Lid dat dit Verdrag bekrachtigt, verplicht zich ertoe de bepalingen ervan volledig op de in artikel VI vervatte wijze ten uitvoer te leggen om het recht op behoorlijk werk voor alle zeevarenden te waarborgen.2. De Leden werken met elkaar samen om de effectieve uitvoering en handhaving van dit Verdrag te waarborgen. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN TOEPASSINGSGEBIED Artikel II 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij in specifieke bepalingen anders wordt bepaald, verstaan onder : a) bevoegde overheid : de minister die, het ministerie dat of een andere overheid die bevoegd is voorschriften, reglementen of andere instructies met kracht van wet uit te vaardigen en te handhaven met betrekking tot het onderwerp van de desbetreffende bepaling; b) conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid : de in voorschrift 5.1.3 bedoelde verklaring; c) brutotonnenmaat :de brutotonnenmaat berekend in overeenstemming met de voorschriften voor tonnenmaatmetingen vervat in bijlage I bij het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, of elk volgend verdrag;voor schepen waarop de door de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen voorlopige regeling voor tonnenmaatmetingen van toepassing is, is de brutotonnenmaat hetgeen is opgenomen in de kolom OPMERKINGEN van de internationale meetbrief (1969); d) maritiem arbeidscertificaat : het in voorschrift 5.1.3 bedoelde certificaat; e) vereisten van dit Verdrag : de vereisten in deze artikelen en in de voorschriften en Deel A van de Code van dit Verdrag;f) zeevarende of zeeman :elke persoon die werkzaam is of is gecontracteerd of in enige hoedanigheid werkzaamheden verricht aan boord van een schip waarop dit Verdrag van toepassing is;g) arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst : zowel een tewerkstellingscontract als de rol in de bemanning;h) aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst voor zeevarenden : personen, bedrijven, instellingen, bureaus of andere organisaties in de publieke of private sector, die zich bezighouden met de aanwerving van zeevarenden in opdracht van reders of de plaatsing van zeevarenden bij reders;i) schip : een schip anders dan een schip dat uitsluitend vaart op binnenwateren of wateren binnen, of dicht grenzend aan, beschutte wateren of gebieden waar havenvoorschriften gelden;j) reder : de eigenaar van het schip of een andere organisatie of persoon, zoals de scheepsuitbater, de agent of de rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip van de eigenaar heeft overgenomen en die, bij het aangaan van die verantwoordelijkheid, ermee heeft ingestemd de taken en verantwoordelijkheden die in overeenstemming met dit Verdrag aan reders worden opgelegd, te aanvaarden ongeacht het feit of andere organisaties of personen bepaalde taken of verantwoordelijkheden namens de reder vervullen.2. Behoudens waar uitdrukkelijk anders wordt bepaald, is dit Verdrag van toepassing op alle zeevarenden.3. In geval van twijfel of bepaalde categorieën personen voor de toepassing van dit Verdrag al dan niet moeten worden beschouwd als zeevarenden, doet de bevoegde overheid in elke lidstaat na overleg met de bij deze kwestie betrokken organisaties van reders en zeevarenden uitspraak.4. Behoudens waar uitdrukkelijk anders wordt bepaald, is dit Verdrag van toepassing op alle schepen, die deel uitmaken van openbare instellingen of privé-instellingen, die doorgaans worden gebruikt voor commerciële activiteiten, anders dan schepen die worden gebruikt voor de visvangst of voor soortgelijke doeleinden en op traditioneel gebouwde schepen zoals dhows en jonken.Dit Verdrag is niet van toepassing op oorlogsschepen of marinehulpschepen. 5. Indien twijfel bestaat omtrent de vraag of dit Verdrag van toepassing is op een schip of een specifieke categorie schepen doet de bevoegde overheid in elke lidstaat na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden uitspraak.6. Wanneer de bevoegde overheid bepaalt dat het op dat tijdstip niet praktisch uitvoerbaar of niet redelijk is bepaalde onderdelen van de in artikel VI, paragraaf 1, bedoelde Code toe te passen op een schip of bepaalde categorieën schepen die de vlag van het Lid voeren, zijn de desbetreffende bepalingen van de Code niet van toepassing voor zover het onderwerp in de nationale wet- of regelgeving of in collectieve arbeidsovereenkomsten of via andere maatregelen wordt geregeld.Een dergelijke uitspraak kan uitsluitend worden gedaan in overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden en uitsluitend ten aanzien van schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 200 ton die geen internationale reizen maken. 7. Elke beslissing die door een Lid ingevolge paragraaf 3, 5 of 6 van dit artikel wordt genomen, moet aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau worden medegedeeld, die de Leden van de Organisatie hiervan in kennis stelt.8. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, vormt een verwijzing naar dit Verdrag tegelijkertijd een verwijzing naar de voorschriften en de Code. FUNDAMENTELE RECHTEN EN BEGINSELEN Artikel III Elk Lid vergewist zich ervan dat de bepalingen van zijn wet- of regelgeving, in de context van dit Verdrag, de volgende fundamentele rechten eerbiedigen : a) de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve overleg;b) de uitbanning van alle vormen van gedwongen of verplichte arbeid;c) de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid;en d) de uitbanning van discriminatie ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening. WERKGELEGENHEID- EN SOCIALE RECHTEN VAN ZEEVARENDEN Artikel IV 1. Elke zeevarende heeft recht op een veilige werkplek die aan de veiligheidsnormen voldoet.2. Elke zeevarende heeft recht op eerlijke werkgelegenheidsvoorwaarden.3. Elke zeevarende heeft recht op behoorlijke arbeids- en levensomstandigheden aan boord van een schip.4. Elke zeevarende heeft recht op bescherming op het gebied van gezondheid, medische zorg, welzijnsmaatregelen en andere vormen van sociale bescherming.5. Elk Lid draagt er, binnen de grenzen van zijn rechtsbevoegdheid, zorg voor dat de rechten op het gebied van werkgelegenheid en sociale rechten van zeevarenden als vervat in de voorgaande paragrafen van dit artikel volledig worden geïmplementeerd in overeenstemming met de vereisten van dit Verdrag.Tenzij in het Verdrag anders is bepaald, kan dit worden bewerkstelligd door middel van nationale wet- of regelgeving, via geldende collectieve arbeidsovereenkomsten, via andere maatregelen of in de praktijk. VERANTWOORDELIJKHEDEN OP HET GEBIED VAN UITVOERING EN HANDHAVING Artikel V 1. Elk Lid implementeert en handhaaft wet- of regelgeving of andere maatregelen die het heeft aangenomen ter nakoming van de verplichtingen ingevolge dit Verdrag ten aanzien van schepen en zeevarenden die onder zijn rechtsbevoegdheid vallen.2. Elk Lid oefent daadwerkelijk zijn rechtsbevoegdheid en toezicht uit ten aanzien van schepen die zijn vlag voeren door instelling van een systeem ter waarborging van de naleving van de vereisten van dit Verdrag, met inbegrip van regelmatige inspecties, verslaglegging, monitoring en gerechtelijke procedures ingevolge de geldende wetgeving.3. Elk Lid draagt er zorg voor dat schepen die zijn vlag voeren een maritiem arbeidscertificaat en een conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid aan boord hebben zoals door dit Verdrag vereist.4. Een schip waarop dit Verdrag van toepassing is, kan, in overeenstemming met het internationaal recht, worden geïnspecteerd door een ander Lid dan de vlaggenstaat, wanneer het schip zich in een van zijn havens bevindt, teneinde vast te stellen of het schip voldoet aan de vereisten van dit Verdrag.5. Elk Lid oefent daadwerkelijk zijn rechtsbevoegdheid en toezicht uit ten aanzien van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten, indien deze op zijn grondgebied zijn gevestigd.6. Elk Lid verbiedt schendingen van de vereisten van dit Verdrag en stelt, in overeenstemming met het internationaal recht, sancties op of eist het nemen, ingevolge zijn wetgeving, van corrigerende maatregelen die afdoende zijn om dergelijke schendingen te ontmoedigen.7. Elk Lid komt zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag op zodanige wijze na dat gewaarborgd wordt dat de schepen die de vlag voeren van een Staat die dit Verdrag niet heeft bekrachtigd geen gunstiger behandeling ontvangen dan de schepen die de vlag voeren van een Staat die het Verdrag wel heeft bekrachtigd. VOORSCHRIFTEN EN DELEN A EN B VAN DE CODE Artikel VI 1. De voorschriften en de bepalingen van Deel A van de Code zijn dwingend.De bepalingen van Deel B van de Code zijn niet dwingend. 2. Elk Lid verplicht zich ertoe de in de voorschriften vervatte rechten en beginselen te eerbiedigen en elk voorschrift te implementeren op de in de overeenkomstige bepalingen van Deel A van de Code genoemde wijze.Bovendien moet het Lid bij de nakoming van zijn verplichtingen de nodige aandacht schenken aan de manier die wordt geboden in Deel B van de Code. 3. Een Lid dat niet in staat is de rechten en beginselen op de in Deel A van de Code vervatte wijze te implementeren, kan, tenzij in dit Verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald, Deel A implementeren door middel van bepalingen in zijn wet- of regelgeving of andere maatregelen die wezenlijk gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van Deel A.4. Voor het enkele doel van paragraaf 3 van dit artikel worden alle wetten, regelgevingen, collectieve overeenkomsten of andere uitvoeringsmaatregelen, in de context van dit Verdrag, aangemerkt als wezenlijk gelijkwaardig, indien het Lid ervan overtuigd is dat : a) deze bevorderlijk zijn voor het volledig realiseren van het algemene doel van de bepaling of bepalingen van Deel A van de desbetreffende Code;en b) hiermee uitvoering wordt gegeven aan de bepaling of bepalingen van Deel A van de desbetreffende Code. OVERLEG MET ORGANISATIES VAN REDERS EN ZEEVARENDEN Artikel VII Ten aanzien van afwijkingen, uitzonderingen of andere flexibele toepassingen van dit Verdrag waarvoor het Verdrag overleg eist met organisaties van reders en zeevarenden mag, in de gevallen waarin binnen een Lid geen representatieve organisaties van reders of van zeevarenden bestaan, door dat Lid uitsluitend een besluit worden genomen door middel van overleg met het in artikel XIII bedoelde Comité. INWERKINGTREDING Artikel VIII 1. De formele bekrachtigingen van dit Verdrag worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau ten behoeve van registratie.2. Dit Verdrag is alleen verbindend voor de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie waarvan de bekrachtigingen door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zijn geregistreerd.3. Het Verdrag treedt in werking 12 maanden na de datum waarop de bekrachtigingen zijn geregistreerd van ten minste 30 Leden die tezamen een aandeel vertegenwoordigen van 33 % in de brutotonnenmaat van de wereldhandelsvloot.4. Vervolgens treedt dit Verdrag voor elk Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging is geregistreerd. OPZEGGING Artikel IX 1. Een Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na afloop van een termijn van tien jaar na de datum waarop het Verdrag voor het eerst in werking is getreden, door middel van een aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau gerichte akte ten behoeve van registratie.Deze opzegging wordt eerst van kracht een jaar na de datum waarop zij is geregistreerd. 2. Elk Lid dat niet binnen een jaar na afloop van de termijn van tien jaar bedoeld in de eerste paragraaf van dit artikel, gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging voorzien in dit artikel, is voor een nieuwe termijn van tien jaar gebonden en kan daarna dit Verdrag opzeggen na het verstrijken van elke nieuwe termijn van tien jaar onder de voorwaarden voorzien in dit artikel. GEVOLGEN VAN DE INWERKINGTREDING Artikel X Dit Verdrag herziet de volgende Verdragen : Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1920 (Nr. 7) Verdrag betreffende vergoeding wegens werkloosheid (vergaan of stranden), 1920 (Nr. 8) Verdrag betreffende betreffende de bezorging van werk aan zeelieden, 1920 (Nr. 9) Verdrag betreffende het geneeskundig onderzoek der jongelieden (arbeid op zee), 1921 (Nr. 16) Verdrag betreffende het wervingscontract der zeelieden, 1926 (Nr. 22) Verdrag betreffende repatriëring van zeelieden, 1926 (Nr. 23) Verdrag betreffende de bewijzen van bekwaamheid van officieren, 1936 (Nr. 53) Verdrag betreffende betaalde verlofdagen der zeelieden, 1936 (Nr. 54) Verdrag betreffende verplichtingen van den reeder in geval van ziekte of ongeval overkomen aan zeelieden, 1936 (Nr. 55) Verdrag betreffende ziekteverzekering van zeelieden, 1936 (Nr. 56) Verdrag betreffende den arbeidsduur aan boord van schepen en de bemanning, 1936 (Nr. 57) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee) (herzien), 1936 (Nr. 58) Verdrag betreffende de voeding en verzorging (bemanning van schepen), 1946 (Nr. 68) Verdrag betreffende het bekwaamheidsdiploma van scheepskoks, 1946 (Nr. 69) Verdrag betreffende de sociale zekerheid van zeelieden, 1946 (Nr. 70) Verdrag betreffende vakantie met behoud van loon van zeelieden, 1946 (Nr. 72) Verdrag betreffende het geneeskundig onderzoek van zeelieden, 1946 (Nr. 73) Verdrag betreffende bewijzen van bekwaamheid van volmatroos, 1946 (Nr. 74) Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen, 1946 (Nr. 75) Verdrag betreffende de gages, de arbeidsduur aan boord en de bemanningssterkte, 1946 (Nr. 76) Verdrag betreffende de vakantie met behoud van loon van zeelieden (herzien), 1949 (Nr. 91) Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (herzien), 1949 (Nr. 92) Verdrag betreffende de gages, de arbeidsduur aan boord en de bemanningssterkte (herzien), 1949 (Nr. 93) Verdrag betreffende de gages, de arbeidsduur aan boord en de bemanningssterkte (herzien), 1958 (Nr. 109) Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (aanvullende bepalingen), 1970 (Nr. 133) Verdrag betreffende het voorkomen van arbeidsongevallen (zeevarenden), 1970 (Nr. 134) Verdrag betreffende de continuering van werkgelegenheid (zeevarenden), 1976 (Nr. 145) Verdrag betreffende jaarlijks verlof met behoud van loon (zeevarenden), 1976 (Nr. 146) Verdrag betreffende de koopvaardijschepen (minimumnormen), 1976 (Nr. 147) Protocol van 1996 met betrekking tot het verdrag betreffende de koopvaardijschepen (minimumnormen), 1976 (Nr. 147) Verdrag betreffende het welzijn van zeevarenden, 1987 (Nr. 163) Verdrag betreffende de gezondheidsbescherming en de medische zorg (zeevarenden), 1987 (Nr. 164) Verdrag betreffende de sociale zekerheid van zeevarenden (herzien), 1987 (Nr. 165) Verdrag betreffende de repatriëring van zeevarenden (herzien), 1987 (Nr. 166) Verdrag betreffende de arbeidsinspectie (zeevarenden), 1996 (Nr. 178) Verdrag betreffende de aanwerving van en arbeidsbemiddeling voor zeevarenden, 1996 (Nr. 179) Verdrag betreffende de arbeidsduur van zeevarenden en de bemanning van schepen, 1996 (Nr. 180). TAKEN VAN DEPOSITARIS Artikel XI 1. De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau stelt alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie in kennis van de registratie van alle bekrachtigingen, aanvaardingen en opzeggingen ingevolge dit Verdrag.2. Wanneer de in het artikel VIII, paragraaf 3, bedoelde voorwaarden zijn vervuld, vestigt de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden van de Organisatie op de datum waarop het Verdrag in werking treedt. Artikel XII De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau doet aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties mededeling, ten behoeve van registratie in overeenstemming met artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties, van alle bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen, aanvaardingen en opzeggingen die ingevolge dit Verdrag worden geregistreerd. BIJZONDER TRIPARTIET COMITE Artikel XIII 1. De Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau zorgt voor permanente toetsing van de werking van dit Verdrag door middel van een door hem ingesteld comité met bijzondere bevoegdheden op het gebied van maritieme arbeidsnormen.2. Voor aangelegenheden die in overeenstemming met dit Verdrag worden behandeld, is het Comité samengesteld uit twee vertegenwoordigers benoemd door de regering van elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, en uit de door de Raad van Beheer, na overleg met de Gemengde Maritieme Commissie, benoemde vertegenwoordigers van reders en zeevarenden.3. De regeringsvertegenwoordigers van Leden die dit Verdrag nog niet hebben bekrachtigd, mogen in het Comité zitting hebben, maar hebben geen stemrecht ten aanzien van aangelegenheden die in overeenstemming met dit Verdrag worden behandeld.De Raad van Beheer kan andere organisaties of instellingen uitnodigen zich in het Comité door waarnemers te laten vertegenwoordigen. 4. De stemmen van elke vertegenwoordiger van reders en zeevarenden in het Comité worden zodanig gewogen dat gewaarborgd wordt dat de redersgroep en de zeevarendengroep elk de helft van het aantal stemmen bezitten van alle regeringen die op de betrokken vergadering vertegenwoordigd zijn en stemrecht hebben. WIJZIGING VAN DIT VERDRAG Artikel XIV 1. Wijzigingen van de bepalingen van dit Verdrag kunnen door de algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie worden aangenomen in het kader van artikel 19 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie en het reglement van orde van de Organisatie voor het aannemen van verdragen.Wijzigingen van de Code kunnen ook worden aangenomen volgens de procedures van artikel XV. 2. Aan Leden wier bekrachtigingen van dit Verdrag werden geregistreerd voorafgaand aan het aannemen van de wijziging, wordt de tekst van de wijziging ten behoeve van bekrachtiging aan hen toegezonden.3. Aan de andere Leden van de Organisatie wordt de tekst van het Verdrag als gewijzigd toegezonden ten behoeve van bekrachtiging in overeenstemming met artikel 19 van het Statuut.4. Een wijziging wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop geregistreerde bekrachtigingen, van de wijziging of van het Verdrag als gewijzigd, naar gelang van het geval, zijn ontvangen van ten minste 30 Leden die een gezamenlijk aandeel in de brutotonnenmaat van de wereldhandelsvloot vertegenwoordigen van ten minste 33 %.5. Een wijziging die is aangenomen in het kader van artikel 19 van het Statuut is uitsluitend verbindend voor de Leden van de Organisatie wier bekrachtigingen zijn geregistreerd door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.6. Ten aanzien van elk in paragraaf 2 van dit artikel genoemde Lid wordt een wijziging van kracht 12 maanden na de datum van de in paragraaf 4 van dit artikel bedoelde aanvaarding of 12 maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging van de wijziging is geregistreerd, naar gelang van welke datum later valt.7. Onverminderd paragraaf 9 van dit artikel treedt het Verdrag als gewijzigd, ten aanzien van de in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde Leden, in werking 12 maanden na de datum van aanvaarding bedoeld in paragraaf 4 van dit artikel of 12 maanden na de datum waarop hun bekrachtigingen van het Verdrag zijn geregistreerd, naar gelang van welke datum later valt.8. Ten aanzien van de Leden wier bekrachtiging van dit Verdrag werd geregistreerd voorafgaand aan het aannemen van een wijziging, maar die de wijziging niet hebben bekrachtigd, blijft dit Verdrag van kracht zonder de desbetreffende wijziging.9. Elk Lid waarvan de bekrachtiging van dit Verdrag is geregistreerd na het aannemen van de wijziging, doch voor de in paragraaf 4 van dit artikel bedoelde datum, kan - in een verklaring bij de akte van bekrachtiging - aangeven dat zijn bekrachtiging betrekking heeft op het Verdrag zonder de betrokken wijziging.Indien sprake is van een bekrachtiging zonder een dergelijke verklaring, treedt het Verdrag ten aanzien van het betrokken Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop de bekrachtiging werd geregistreerd. Wanneer een akte van bekrachtiging niet vergezeld gaat van een dergelijke verklaring, of wanneer de bekrachtiging wordt geregistreerd op of na de in paragraaf 4 bedoelde datum, treedt het Verdrag ten aanzien van het betrokken Lid in werking 12 maanden na de datum waarop de bekrachtiging werd geregistreerd en is de wijziging, zodra deze van kracht wordt in overeenstemming met paragraaf 7 van dit artikel, verbindend voor het betrokken Lid tenzij in de wijziging anders wordt bepaald. WIJZIGINGEN VAN DE CODE Artikel XV 1. De Code kan worden gewijzigd door hetzij de procedure vervat in artikel XIV of, tenzij uitdrukkelijk anders is voorzien, in overeenstemming met de in dit artikel vervatte procedure.2. Een wijziging van de Code kan worden voorgesteld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau door de regering van elk Lid van de Organisatie of door de groep van vertegenwoordigers van reders of de groep van vertegenwoordigers van zeevarenden die in het in artikel XIII bedoelde Comité zijn benoemd. Een wijziging die door een regering is voorgesteld, moet zijn voorgesteld door of worden ondersteund door ten minste vijf regeringen van Leden die het Verdrag hebben bekrachtigd of door de in deze paragraaf bedoelde groep van vertegenwoordigers van reders of zeevarenden. 3. Nadat de Directeur-Generaal heeft geverifieerd of het voorstel tot wijziging voldoet aan de vereisten van paragraaf 2 van dit artikel, zendt hij het voorstel, voorzien van de nodig geachte commentaren of suggesties, onverwijld toe aan alle Leden van de Organisatie, met het verzoek aan hen om toezending van hun opmerkingen of suggesties betreffende het voorstel binnen een termijn van zes maanden of binnen een andere door de Raad van Beheer voorgeschreven termijn (die niet minder dan drie maanden en niet meer dan negen maanden mag bedragen).4. Na verloop van de in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde termijn wordt het voorstel, voorzien van een samenvatting van eventuele opmerkingen of suggesties ingevolge die paragraaf, aan het Comité verzonden ten behoeve van behandeling tijdens een vergadering.Een wijziging wordt geacht door het Comité te zijn aanvaard indien : a) ten minste de helft van de regeringen van de Leden die dit Verdrag hebben bekrachtigd zijn vertegenwoordigd in de vergadering waarin het voorstel wordt behandeld;en b) een meerderheid van ten minste twee derde van de leden van het Comité voor de wijziging stemmen;en c) deze meerderheid van de stemmen voor omvat ten minste de helft van het aantal stemmen van de regeringen, de helft van het aantal stemmen van de reders en de helft van het aantal stemmen van de zeevarenden van de leden van het Comité die bij de vergadering zijn geregistreerd wanneer het voorstel ter stemming wordt gebracht.5. Wijzigingen aangenomen in overeenstemming met paragraaf 4 van dit artikel worden bij de volgende zitting van de Conferentie ter goedkeuring voorgelegd.Voor een dergelijke goedkeuring is een meerderheid vereist van twee derde van de stemmen die worden uitgebracht door de aanwezige afgevaardigden. Indien een dergelijke meerderheid niet wordt verkregen, wordt de voorgestelde wijziging voor hernieuwde behandeling naar het Comité terugverwezen, indien het Comité zulks wenselijk acht. 6. Van door de Conferentie goedgekeurde wijzigingen wordt door de Directeur-Generaal kennisgeving gedaan aan elk van de Leden wier bekrachtigingen van dit Verdrag werden geregistreerd voor de datum van de genoemde goedkeuring door de Conferentie.Deze Leden worden hieronder « de bekrachtigende Leden » genoemd. De kennisgeving omvat een verwijzing naar dit artikel en vermeldt de termijn voor de inzending van eventuele formele afwijzingen. Deze termijn bedraagt twee jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving, tenzij de Conferentie op het tijdstip van goedkeuring een andere termijn heeft vastgesteld, die ten minste een jaar bedraagt. Een kopie van de kennisgeving wordt aan de andere Leden van de Organisatie ter informatie toegezonden. 7. Een door de Conferentie goedgekeurde wijziging wordt geacht te zijn aanvaard, tenzij aan het einde van de voorgeschreven termijn formele afwijzingen door de Directeur-Generaal zijn ontvangen van meer dan 40 % van de Leden die het Verdrag hebben bekrachtigd en die ten minste 40 % vormen van de bruto scheepstonnenmaat van de Leden die het Verdrag hebben bekrachtigd.8. Een wijziging die wordt geacht te zijn aanvaard, wordt zes maanden na afloop van de voorgeschreven termijn van kracht voor alle bekrachtigende Leden, behoudens voor die welke in overeenstemming met paragraaf 7 van dit artikel formeel kennis hebben gegeven van hun afwijzing en deze afwijzing niet hebben ingetrokken overeenkomstig paragraaf 11.Niettemin : a) kan elk bekrachtigend Lid, voor het verstrijken van de voorgeschreven termijn, de Directeur-Generaal ervan in kennis stellen dat hij eerst door de wijziging wordt gebonden na een volgende uitdrukkelijke kennisgeving van zijn aanvaarding;en b) kan elk bekrachtigend Lid, voor de datum van het van kracht worden van de wijziging, de Directeur-Generaal ervan in kennis stellen dat hij die wijziging gedurende een aangegeven termijn niet uitvoert.9. Een wijziging waarvoor een in paragraaf 8 (a), van dit artikel bedoelde kennisgeving vereist is, wordt ten aanzien van het Lid dat deze kennisgeving doet van kracht zes maanden nadat het Lid aan de Directeur-Generaal kennis heeft gegeven van zijn aanvaarding van de wijziging of op de datum waarop de wijziging voor het eerst van kracht wordt, naar gelang van welke datum later valt.10. De in paragraaf 8 (b), van dit artikel bedoelde termijn bedraagt ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de datum van het van kracht worden van de wijziging of een langere termijn die op het tijdstip van goedkeuring van de wijziging door de Conferentie is vastgesteld.11. Een Lid dat formeel kennis heeft gegeven van zijn afwijzing van een wijziging, kan zijn afwijzing te allen tijde intrekken.Indien de kennisgeving van deze intrekking door de Directeur-Generaal wordt ontvangen nadat de wijziging van kracht is geworden, wordt de wijziging voor dat Lid van kracht zes maanden na de datum waarop de kennisgeving werd geregistreerd. 12. Na het van kracht worden van een wijziging kan het Verdrag uitsluitend worden bekrachtigd in de gewijzigde vorm.13. Voor zover een maritiem arbeidscertificaat betrekking heeft op aangelegenheden die worden geregeld in een wijziging van het Verdrag die van kracht is geworden : a) is een Lid dat de wijziging heeft aanvaard niet verplicht het Verdrag toe te passen ten aanzien van maritieme arbeidscertificaten afgegeven aan schepen die de vlag voeren van een ander Lid dat : i.ingevolge paragraaf 7 van dit artikel formeel kennisgeving heeft gedaan van zijn afwijzing van de wijziging en een dergelijke afwijzing niet heeft ingetrokken; of ii. ingevolge paragraaf 8(a), van dit artikel kennis heeft gegeven van het feit dat zijn aanvaarding afhankelijk is van een latere uitdrukkelijke kennisgeving en de wijziging niet heeft aanvaard; en b) past een Lid dat de wijziging heeft aanvaard het Verdrag toe op de maritieme arbeidscertificaten afgegeven aan schepen die de vlag voeren van een ander Lid dat, ingevolge paragraaf 8(b), van dit artikel kennis heeft gegeven van het feit dat het die wijziging niet uitvoert gedurende de termijn die is vastgesteld in overeenstemming met paragraaf 10 van dit artikel. GEZAGHEBBENDE TALEN Artikel XVI De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk gezaghebbend. TOELICHTING BIJ DE VOORSCHRIFTEN EN DE CODE VAN HET VERDRAG BETREFFENDE MARITIEME ARBEID 1. Deze toelichting, die geen deel uitmaakt van het Verdrag betreffende Maritieme Arbeid, is bedoeld als algemene richtlijn voor het Verdrag.2. Het Verdrag omvat drie verschillende maar aan elkaar gerelateerde delen : de Artikelen, de Voorschriften en de Code.3. De Artikelen en Voorschriften bevatten de basisrechten, - beginselen en - verplichtingen van de Leden die het Verdrag bekrachtigen.De Artikelen en Voorschriften kunnen uitsluitend worden gewijzigd door de Conferentie in het kader van artikel 19 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie (zie artikel XIV van het Verdrag). 4. De Code bevat de nadere invulling van de uitvoering van de Voorschriften.De Code bestaat uit Deel A (dwingende normen) en Deel B (niet-dwingende richtlijnen). De Code kan worden gewijzigd door middel van de vereenvoudigde procedure vervat in artikel XV van het Verdrag. Aangezien de Code betrekking heeft op de nadere invulling van de uitvoering mogen wijzigingen hiervan het algemene toepassingsgebied van de artikelen en voorschriften niet te buiten gaan. 5. De Voorschriften en de Code zijn onderverdeeld in algemene gebieden onder vijf titels : Titel 1 : Minimumvereisten voor zeevarenden om op een schip te mogen werken Titel 2 : Arbeidsomstandigheden Titel 3 : Huisvesting, ontspanningsvoorzieningen, voeding en catering Titel 4 : Bescherming van de gezondheid, medische zorg, welzijn en sociale zekerheidsbescherming Titel 5 : Naleving en handhaving 6.Elke titel bevat groepen bepalingen die betrekking hebben op een bepaald recht of beginsel (of handhavingsmaatregel in titel 5), met bijbehorende nummering. De eerste groep in titel 1 bestaat bijvoorbeeld uit voorschrift 1.1, norm A1.1 en richtlijn B1.1 met betrekking tot de minimumleeftijd. 7. Het Verdrag heeft drie onderliggende doelen : a) het neerleggen in de Artikelen en Voorschriften van een gedegen reeks rechten en beginselen;b) het, door middel van de Code, voorzien in een grote mate van flexibiliteit in de wijze waarop Leden die rechten en beginselen implementeren;en c) waarborgen, door middel van titel 5, dat de rechten en beginselen naar behoren worden nageleefd en gehandhaafd.8. De flexibiliteit ten aanzien van de uitvoering biedt twee mogelijkheden : de ene mogelijkheid is dat een Lid, waar nodig (zie artikel VI, paragraaf 3), de gedetailleerde vereisten van Deel A van de Code uitvoert door middel van wezenlijke gelijkwaardigheid (zoals omschreven in artikel VI, paragraaf 4).9. De tweede mogelijkheid voor flexibiliteit bij de uitvoering behelst de formulering van de verplichte vereisten van tal van bepalingen in Deel A op een meer algemene wijze, waardoor meer ruimte overblijft voor de invulling van de precieze maatregelen die op nationaal niveau moeten worden genomen.In dergelijke gevallen wordt een richtlijn voor de uitvoering gegeven in het niet-dwingende Deel B van de Code. Op deze wijze kunnen de Leden die dit Verdrag hebben bekrachtigd zich vergewissen van het type maatregelen dat van hen kan worden verwacht uit hoofde van de overeenkomstige algemene verplichting in Deel A, alsmede welke maatregelen niet noodzakelijkerwijs vereist zijn. Norm A4.1 eist bijvoorbeeld dat er op alle schepen directe toegang moet zijn tot de benodigde geneesmiddelen voor medische zorg aan boord (paragraaf 1(b)) en dat er een scheepsapotheek aanwezig is (paragraaf 4(a)). De vervulling te goeder trouw van deze laatste verplichting houdt duidelijk meer in dan het eenvoudigweg op elk schip aan boord hebben van een scheepsapotheek. In de overeenkomstige richtlijn B4.1.1 (paragraaf 4) wordt nader aangegeven wat nodig is om ervoor zorg te dragen dat de inhoud van de apotheek naar behoren wordt bewaard, gebruikt en bijgehouden. 10. De Leden die dit Verdrag hebben bekrachtigd, zijn niet gebonden aan de desbetreffende richtlijn en, zoals aangegeven in de bepalingen in titel 5 inzake controle door de havenstaat, hebben inspecties uitsluitend betrekking op de desbetreffende vereisten van dit Verdrag (artikelen, voorschriften en de normen in Deel A).Van de Leden wordt evenwel uit hoofde van artikel VI, paragraaf 2, geëist dat zij zich voldoende vergewissen van de nakoming van hun verantwoordelijkheden ingevolge Deel A van de Code op de in Deel B voorziene wijze. Indien een Lid, na zorgvuldige bestudering van de desbetreffende richtlijnen, besluit te voorzien in andere regelingen om te waarborgen dat de inhoud van de scheepsapotheek - om het hierboven gegeven voorbeeld te volgen - naar behoren wordt bewaard, gebruikt en bijgehouden als vereist door de norm in Deel A, is dat aanvaardbaar. Door de aanwijzingen in Deel B te volgen kunnen het betrokken Lid alsmede de instanties van de Internationale Arbeidsorganisatie die verantwoordelijk zijn voor de toetsing van de uitvoering van internationale arbeidsverdragen er aan de andere kant zonder meer zeker van zijn dat de regelingen waarin het Lid heeft voorzien volstaan voor de nakoming van de verplichtingen ingevolge Deel A waarop de richtlijn betrekking heeft. DE VOORSCHRIFTEN EN DE CODE TITEL 1. MINIMUMVEREISTEN VOOR ZEEVARENDEN OM OP EEN SCHIP TE MOGEN WERKEN Voorschrift 1.1 - Minimumleeftijd Doel : Waarborgen dat er geen personen onder de minimumleeftijd op een schip werkzaam zijn 1. Niemand onder de minimumleeftijd mag worden tewerkgesteld, in dienst worden genomen of werkzaam zijn op een schip.2. De minimumleeftijd op het tijdstip van de initiële inwerkingtreding van dit Verdrag is 16 jaar.3. Onder de in de Code vermelde omstandigheden is een hogere minimumleeftijd vereist. Norm A1.1 - Minimumleeftijd 1. Het is verboden personen onder de leeftijd van 16 jaar op een schip te werk te stellen, in dienst te nemen of werkzaamheden te laten verrichten.2. Nachtarbeid van zeevarenden onder de 18 jaar is verboden.Voor de toepassing van deze norm wordt « nacht » omschreven in overeenstemming met de nationale wetten en gebruiken. De nacht bestrijkt een tijdvak van ten minste negen uur, dat uiterlijk aanvangt om middernacht en niet vroeger eindigt dan om 5 uur 's ochtends. 3. Op de strikte naleving van de beperking ten aanzien van nachtarbeid kan door de bevoegde overheid een uitzondering worden gemaakt wanneer : a) de feitelijke opleiding van de betrokken zeevarenden, in overeenstemming met vastgestelde programma's en regelingen, in het geding zou komen;of b) de specifieke aard van de taak of een erkend opleidingsprogramma met zich meebrengt dat de zeevarenden waarop de uitzondering van toepassing is 's nachts taken verrichten en de overheid, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, bepaalt dat de werkzaamheden niet nadelig voor hun gezondheid of welzijn zullen zijn.4. Het is verboden zeevarenden onder de leeftijd van 18 jaar te werk te stellen, in dienst te nemen of werkzaamheden te laten verrichten wanneer de werkzaamheden hun gezondheid of veiligheid mogelijk in gevaar brengen.De in dit verband beoogde soorten werkzaamheden worden, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, in overeenstemming met de desbetreffende internationale normen in de nationale wet- of regelgeving of door de bevoegde overheden vastgesteld. Richtlijn B1.1 - Minimumleeftijd 1. Bij de regulering van de werk- en levensomstandigheden zouden de Leden bijzondere aandacht moeten schenken aan de behoeften van jongeren onder de achttien jaar. Voorschrift 1.2 - Medisch getuigschrift Doel : Waarborgen dat alle zeevarenden medisch gezien in staat zijn hun taken op zee te vervullen 1. Zeevarenden mogen niet op een schip werkzaam zijn, tenzij zij een medisch getuigschrift voor de uitoefening van hun taken hebben.2. Uitzonderingen kunnen uitsluitend worden toegestaan voor zover omschreven in de Code. Norm A1.2 - Medisch getuigschrift 1. De bevoegde overheid eist dat zeevarenden, voorafgaand aan de aanvang van hun werkzaamheden op een schip, een geldig medisch getuigschrift bezitten waaruit blijkt dat zij medisch gezien in staat zijn de aan hen opgedragen taken op zee te vervullen.2. Teneinde te waarborgen dat medische getuigschriften een juiste weergave geven van de gezondheidstoestand van zeevarenden in het licht van de taken die zij moeten vervullen, schrijft de bevoegde overheid, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, en met behoorlijke inachtneming van de toepasselijke internationale richtlijnen bedoeld in Deel B van deze Code, de aard van het medisch onderzoek en het medisch getuigschrift voor.3. Deze norm laat onverlet het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (« STCW-Verdrag ») van 1978, zoals gewijzigd.Een in overeenstemming met de vereisten van het STCW-Verdrag afgegeven medisch getuigschrift wordt voor de toepassing van voorschrift 1.2 door de bevoegde overheid aanvaard. Wanneer het STCW-Verdrag op zeevarenden niet van toepassing is, wordt een medisch getuigschrift dat qua inhoud voldoet aan die vereisten eveneens aanvaard. 4. Het medisch getuigschrift wordt afgegeven door een bevoegde geneeskundige of, in het geval van een getuigschrift dat uitsluitend op het gezichtsvermogen betrekking heeft, door een medisch specialist die door de bevoegde overheid wordt erkend zijnde bevoegd tot afgifte van een dergelijk getuigschrift.Geneeskundigen en medisch specialisten moeten bij hun beroepsuitoefening volledig onafhankelijk zijn wat betreft hun medisch oordeel bij het verrichten van medische onderzoeksprocedures. 5. Zeevarenden aan wie een getuigschrift is geweigerd of aan wie een beperking is opgelegd met betrekking tot hun arbeidsgeschiktheid, in het bijzonder ten aanzien van tijd, soort werk of vaargebied, worden in de gelegenheid gesteld zich nader te laten onderzoeken door een andere onafhankelijke geneeskundige of door een onafhankelijke als arbiter aangewezen medisch specialist.6. In elk medisch getuigschrift moet met name worden vermeld dat : a) het gehoor en het gezichtsvermogen van de betrokken zeevarende, en het vermogen kleuren te onderscheiden in het geval van een zeevarende die belast wordt met taken waarbij de te verrichten werkzaamheden nadelig kunnen worden beïnvloed door verminderd kleurenonderscheidingsvermogen, toereikend zijn;en b) de betrokken zeevarende niet lijdt aan een medische aandoening die mogelijk wordt verergerd door werkzaamheden op zee of deze ongeschikt maakt voor dergelijke werkzaamheden of de gezondheid van andere opvarenden in gevaar kan brengen.7. Tenzij een kort tijdvak vereist is uit hoofde van de specifieke taken die door de betrokken zeevarende moeten worden vervuld of uit hoofde van het STCW-Verdrag : a) is een medisch getuigschrift voor een tijdvak van ten hoogste twee jaar geldig, tenzij de zeevarende jonger is dan 18 jaar, in welk geval de geldigheidsduur ten hoogste een jaar bedraagt;b) is een getuigschrift betreffende het kleurenonderscheidingsvermogen voor een tijdvak van ten hoogste zes jaar geldig.8. In spoedeisende gevallen mag de bevoegde overheid een zeevarende toestaan zonder een geldig medisch getuigschrift werkzaamheden te verrichten tot aan de volgende aanloophaven waar de zeevarende een medisch getuigschrift kan verkrijgen van een geneeskundige of medisch specialist, mits : a) een dergelijke toestemming ten hoogste drie maanden geldt;en b) de betrokken zeevarende in het bezit is van een verlopen medisch getuigschrift van recente datum.9. Indien de geldigheidstermijn van een getuigschrift gedurende een reis verstrijkt, blijft het getuigschrift van kracht tot aan de volgende aanloophaven waar de zeevarende een medisch getuigschrift kan verkrijgen van een bevoegde arts, mits die termijn ten hoogste drie maanden bedraagt.10. De medisch getuigschriften voor zeevarenden die werkzaam zijn op schepen die als regel internationale reizen maken, moeten ten minste in het Engels worden opgesteld. Richtlijn B1.2 - Medisch getuigschrift Richtlijn B1.2.1 - Internationale richtlijnen 1. De bevoegde overheid, geneeskundigen en medisch specialisten, onderzoekers, reders, vertegenwoordigers van zeevarenden en alle andere personen die betrokken zijn bij de uitvoering van onderzoeken naar de medische geschiktheid van kandidaat-zeevarenden en van actieve zeevarenden zouden rekening moeten houden met de richtlijnen betreffende het toezicht op medische geschiktheidsonderzoeken vóór de inscheping en periodieke medische onderzoeken van zeevarenden van de Internationale Arbeidsorganisatie/Wereldgezondheidsorganisatie, alsmede aan alle latere versies hiervan, en aan alle andere van toepassing zijnde internationale richtlijnen die worden gepubliceerd door de Internationale Arbeidsorganisatie, de Internationale Maritieme Organisatie of de Wereldgezondheidsorganisatie. Voorschrift 1.3 - Opleiding en kwalificaties Doel : Waarborgen dat zeevarenden opgeleid of gekwalificeerd zijn om hun taken aan boord te verrichten 1. Zeevarenden mogen uitsluitend op een schip werkzaam zijn, indien zij hiertoe zijn opgeleid of gecertificeerd of anderszins bekwaam zijn verklaard om hun taken te vervullen.2. Zeevarenden mogen uitsluitend op een schip werkzaam zijn, indien zij met succes een opleiding hebben voltooid voor persoonlijke veiligheid aan boord.3. Opleiding en afgifte van een bevoegdheidsbewijs in overeenstemming met de door de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen bindende instrumenten worden beschouwd als toereikend voor de vereisten van paragraaf 1 en 2 van dit voorschrift.4. Elk Lid dat, op het tijdstip van zijn bekrachtiging van dit Verdrag, gebonden was door het Verdrag betreffende bewijzen van bekwaamheid van volmatroos, 1946 (Nr.74), blijft de verplichtingen ingevolge dat Verdrag vervullen tenzij en tot het moment waarop bindende bepalingen die op de in dat Verdrag behandelde onderwerpen betrekking hebben, zijn aangenomen door de Internationale Maritieme Organisatie en van kracht zijn geworden, of na afloop van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met paragraaf 3 van artikel VIII, naar gelang van welke datum eerder valt. Voorschrift 1.4 - Aanwerving en arbeidsbemiddeling Doel : Waarborgen dat zeevarenden toegang hebben tot een doeltreffend en goed gereguleerd aanwervings- en arbeidsbemiddelingssysteem voor zeevarenden 1. Alle zeevarenden moeten kosteloos toegang hebben tot een doeltreffend, adequaat en transparant systeem voor het vinden van werk aan boord van schepen.2. Aanwerving- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden die actief zijn op het grondgebied van een Lid moeten voldoen aan de in de Code vervatte normen.3. Elk Lid eist, ten aanzien van zeevarenden die werkzaam zijn op schepen die zijn vlag voeren, dat reders die van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten gebruikmaken die gevestigd zijn in landen of grondgebieden waar dit Verdrag niet van toepassing is, erop toezien dat die diensten voldoen aan de in de Code vervatte vereisten. Norm A1.4 - Aanwerving en arbeidsbemiddeling 1. Elk Lid dat een publieke aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst voor zeevarenden exploiteert, ziet erop toe dat die dienst op ordelijke wijze wordt geëxploiteerd, zodanig dat de rechten inzake werkgelegenheid van zeevarenden zoals in dit Verdrag voorzien worden beschermd en bevorderd.2. Wanneer op het grondgebied van een Lid private aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden actief zijn met als primair doel de aanwerving en plaatsing van zeevarenden of die een aanzienlijk aantal zeevarenden werven en plaatsen, mogen deze uitsluitend worden geëxploiteerd in overeenstemming met een gestandaardiseerd systeem van vergunningen of certificering of andere vorm van regulering.Dit systeem mag alleen worden ingesteld, aangepast of gewijzigd na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden. Indien twijfel bestaat omtrent de vraag of dit Verdrag van toepassing is op een private aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst doet de bevoegde overheid van elk Lid na overleg met de betrokken organisaties en van reders en zeevarenden uitspraak in deze kwestie. Excessieve groei van het aantal private aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten moet niet worden aangemoedigd. 3. De bepalingen van paragraaf 2 van deze norm zijn - voor zover deze worden vastgesteld door de bevoegde overheden, in overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden - eveneens van toepassing in het geval van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten die worden geëxploiteerd door een organisatie van zeevarenden op het grondgebied van een Lid voor het aanbod van zeevarenden die ingezetene zijn van dat Lid voor schepen die zijn vlag voeren.Deze paragraaf heeft betrekking op diensten die aan de volgende voorwaarden voldoen : a) de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst wordt geëxploiteerd ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst tussen die organisatie en een reder;b) zowel de organisatie van zeevarenden als de reder zijn gevestigd op het grondgebied van het Lid;c) het Lid heeft nationale wet- of regelgeving of een procedure voor toestemming voor of vastlegging van de collectieve arbeidsovereenkomst waarmee de exploitatie van de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst mogelijk wordt gemaakt;en d) de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst wordt op ordelijke wijze geleid en teneinde de rechten inzake werkgelegenheid van zeevarenden te beschermen en te bevorderen zijn maatregelen genomen die vergelijkbaar zijn met de in paragraaf 5 van deze norm genoemde maatregelen. 4. Niets in deze norm of in voorschrift 1.4 wordt geacht : a) een Lid ervan te weerhouden een kosteloze publieke aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst voor zeevarenden in stand te houden in het kader van beleid gericht op het tegemoetkomen aan de behoeften van zeevarenden en reders, ongeacht of deze dienst deel uitmaakt van een publieke werkgelegenheidsinstantie voor alle werknemers en werkgevers of zijn werkzaamheden daarmee afstemt;of b) een Lid de verplichting op te leggen op zijn grondgebied een systeem in te stellen van private aanwervings- of arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden.5. Een Lid dat een systeem als bedoeld in paragraaf 2 van deze norm instelt, is gehouden in zijn wet- of regelgeving of via andere maatregelen, ten minste in het volgende te voorzien : a) verbieden dat aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden middelen, procedures of lijsten gebruiken die zijn bedoeld om zeevarenden te verhinderen of te ontmoedigen werk te vinden waarvoor zij gekwalificeerd zijn;b) eisen dat er voor de aanwerving en plaatsing van of het bieden van werk aan zeevarenden direct of indirect, geheel of ten dele, door de zeevarende geen honoraria of andere lasten verschuldigd zijn, behoudens de kosten die de zeevarende maakt voor het verkrijgen van een officieel nationaal medisch getuigschrift, het nationale zeemansboek en een paspoort of vergelijkbare persoonlijke reisdocumenten, evenwel afgezien van de kosten van visa, die door de reder worden gedragen;en c) waarborgen dat aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden op zijn grondgebied : i.ten behoeve van inspectie door de bevoegde overheid een actueel register wordt bijgehouden van alle zeevarenden die via hen zijn geworven of geplaatst; ii. ervoor zorgen dat zeevarenden vóór of bij het aangaan van hun verplichtingen op de hoogte worden gebracht van hun rechten en plichten uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst en dat voor zeevarenden deugdelijke regelingen worden getroffen zodat zij hun arbeidsovereenkomst voor en na ondertekening kunnen bestuderen en er een kopie van ontvangen; iii. verifiëren of zeevarenden die door hen worden geworven of geplaatst gekwalificeerd zijn en de benodigde documenten voor de desbetreffende betrekking bezitten, en dat de arbeidsovereenkomsten van de zeevarenden in overeenstemming zijn met de geldende wet- of regelgeving en met eventuele collectieve arbeidsovereenkomsten die deel uitmaken van de arbeidsovereenkomst; iv. ervoor zorgen, voor zover realiseerbaar, dat de reder de middelen heeft om te voorkomen dat zeevarenden in een buitenlandse haven worden achtergelaten; v. eventuele klachten betreffende hun activiteiten in behandeling nemen en hierop reageren en de bevoegde overheid van niet-afgehandelde klachten op de hoogte brengen; vi. een beschermingssysteem instellen, in de vorm van een verzekering of een gelijkwaardige passende maatregel, ter compensatie van financiële verliezen door zeevarenden als gevolg van eventuele nalatigheid door een aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst of de desbetreffende reder ingevolge de arbeidsovereenkomst van de zeevarende, van de verplichtingen ten aanzien van hen. 6. De bevoegde overheid houdt nauwgezet toezicht op en controleert alle aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden die op het grondgebied van het betrokken Lid actief zijn.Alle vergunningen of certificaten of soortgelijke machtigingen voor de exploitatie van private diensten op het grondgebied worden uitsluitend verstrekt, verleend of verlengd zodra geverifieerd is of de betrokken aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdienst voor zeevarenden voldoet aan de vereisten van de nationale wet- of regelgeving. 7. De bevoegde overheid moet ervoor zorg dragen dat er gepaste mechanismen en procedures bestaan voor onderzoek, indien nodig, naar klachten betreffende de activiteiten van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden, waarbij, naargelang het geval, vertegenwoordigers van reders en zeevarenden worden betrokken.8. Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, moet voor zover mogelijk, zijn onderdanen wijzen op de problemen die zich kunnen voordoen bij het indiensttreding op een schip dat de vlag voert van een Staat die het Verdrag niet heeft bekrachtigd, totdat het zekerheid heeft verkregen dat normen worden toegepast die gelijkwaardig zijn aan de normen die in dit Verdrag zijn vastgelegd.Daartoe strekkende maatregelen van het Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, mogen niet in strijd zijn met het beginsel van het vrije verkeer van werknemers, zoals bepaald in de verdragen waarbij de desbetreffende twee Staten eventueel partij zijn. 9. Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd eist dat reders van schepen die zijn vlag voeren, die van aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten gebruikmaken die gevestigd zijn in landen of op grondgebieden waar dit Verdrag niet van toepassing is, erop - voor zover realiseerbaar - toezien dat die diensten voldoen aan de vereisten van deze norm.10. Niets in deze norm mag zodanig worden uitgelegd dat afgedaan wordt aan de verplichtingen en verantwoordelijkheden van reders of van een Lid ten aanzien van schepen die zijn vlag voeren. Richtlijn B1.4 - Aanwerving en arbeidsbemiddeling Richtlijn B1.4.1 - Organisatie- en exploitatierichtlijnen 1. Bij het vervullen van haar verplichtingen ingevolge norm A1.4, paragraaf 1, zou de bevoegde overheid rekening moeten houden met : a) het nemen van de nodige maatregelen ter bevordering van daadwerkelijke samenwerking tussen aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden, ongeacht of deze publiek of privaat zijn;b) de behoeften van de maritieme industrie, zowel op nationaal als internationaal niveau, bij de ontwikkeling van opleidingsprogramma's voor zeevarenden die deel uitmaken van de bemanning van het schip die verantwoordelijk is voor de veilige vaart van het schip en de voorkoming van verontreiniging, waarbij de reders, zeevarenden en de relevante opleidingsinstellingen betrokken worden;c) het maken van passende afspraken voor de samenwerking tussen de representatieve organisaties van reders en zeevarenden bij de organisatie en exploitatie van de publieke aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten, waar deze bestaan;d) het vaststellen van de voorwaarden, met zorgvuldige inachtneming van het recht op privacy en met de noodzaak de vertrouwelijkheid te beschermen, waaronder persoonsgegevens van zeevarenden door de aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden mogen worden verwerkt, met inbegrip van het verzamelen, opslaan, combineren en doorgeven aan derden van deze gegevens;e) de instandhouding van een regeling voor het verzamelen en analyseren van alle relevante informatie op de maritieme arbeidsmarkt, met inbegrip van het huidige en toekomstige aanbod aan zeevarenden die als bemanningsleden werkzaam zijn, gerangschikt naar leeftijd, geslacht, rang en bevoegdheden, en de behoeften van de bedrijfstak, waarbij het verzamelen van gegevens over leeftijd of geslacht uitsluitend is toegestaan voor statistische doeleinden of voor gebruik in het kader van een programma ter voorkoming van discriminatie op grond van leeftijd of geslacht;f) het erop toezien dat het personeel dat verantwoordelijk is voor het toezicht op publieke en private aanwervings- en arbeidsbemiddelingsdiensten voor zeevarenden dat zich bezig houdt met bemanningsleden met taken op het gebied van de veilige vaart van het schip en de voorkoming van verontreiniging, een passende opleiding …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.