{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De bevoegde overheid schenkt bijzondere aandacht aan het garanderen van de implementatie van de vereisten van dit Verdrag die betrekking hebben op : a) de grootte van de bemanningsverblijven en andere ruimten voor huisvesting;b) verwarming en ventilatie;c) geluid en trillingen en andere omgevingsfactoren;d) sanitaire voorzieningen;e) verlichting;en f. ziekenverblijven.5. De bevoegde overheid van elk Lid ziet erop toe dat schepen die zijn vlag voeren voldoen aan de minimumnormen voor huisvesting en ontspanningsvoorzieningen aan boord als vervat in paragraaf 6 tot en met 17 van deze norm.6. Ten aanzien van algemene vereisten voor huisvesting : a) moet er in alle verblijven voor de zeevarenden voldoende stahoogte zijn;de minimaal toegestane stahoogte voor alle verblijven, mag niet minder zijn dan 203 cm; de bevoegde overheid kan echter in bepaalde gevallen vermindering van deze hoogte voor bepaalde ruimten of gedeelten van ruimten toestaan wanneer zij ervan overtuigd is dat een dergelijke vermindering : i. redelijk is;en ii. het comfort voor de zeevarenden niet schaadt; b) moeten de verblijven naar behoren zijn geïsoleerd;c) moeten slaapplaatsen op andere schepen dan passagiersschepen, als omschreven in de onderdelen e) en f) van voorschrift 2 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd (het « SOLAS-Verdrag »), boven de waterlijn midscheeps of achteruit zijn gelegen, met dien verstande dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer de grootte, het type of de beoogde dienst van het schip een andere ligging praktisch onmogelijk maakt, slaapplaatsen vooruit mogen zijn gelegen, maar nooit vóór het aanvaringsschot;d) mag de bevoegde overheid op passagiersschepen, en op speciale schepen gebouwd in overeenstemming met de IMO Veiligheidscode voor schepen voor bijzondere doeleinden, 1983, en de volgende versies (hierna te noemen « schepen voor bijzondere doeleinden »), op voorwaarde dat voldoende voorzieningen voor verlichting en ventilatie zijn getroffen, toestaan dat slaapplaatsen onder de waterlijn;doch in geen geval onmiddellijk onder werkgangen zijn gelegen; e) mogen er vanuit laadruimen en machinekamers of vanuit kombuizen, opslagruimten, droogkamers of gemeenschappelijke sanitaire gedeelten geen directe openingen naar slaapplaatsen zijn;het gedeelte van een schot dat dergelijke ruimten van slaapplaatsen scheidt alsmede de buitenwanden dienen doelmatig te zijn vervaardigd van staal of van ander goedgekeurd materiaal en water- en gasdicht te zijn; f) moeten de materialen die worden gebruikt voor de vervaardiging van de schotten in de verblijven, en de panelen en beplating, vloeren en aansluitingen voor hun doel geschikt zijn en bijdragen aan de waarborging van een gezonde omgeving;g) moet worden gezorgd voor deugdelijke verlichting en voldoende middelen voor het afvoeren van water;en h) moeten de verblijven en de ontspannings- en cateringvoorzieningen voldoen aan de vereisten van voorschrift 4.3, en aan de daaraan gerelateerde bepalingen in de Code, inzake de bescherming van de gezondheid en veiligheid en de voorkoming van ongevallen, wat betreft de voorkoming van het risico van blootstelling aan gevaarlijke niveaus van geluid en trillingen en andere omgevingsfactoren en chemische stoffen aan boord van schepen, en de verschaffing van een aanvaardbare woon- en werkomgeving voor zeevarenden aan boord van schepen. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vereisten met betrekking tot ventilatie en verwarming : a) moeten slaap- en eetverblijven doeltreffend worden geventileerd;b) moeten schepen, met uitzondering van die welke regelmatig worden ingezet op een vaart waarbij gematigde klimatologische omstandigheden zulks niet vereisen, zijn uitgerust met luchtkoelsysteem voor de verblijven van zeevarenden, voor elke gescheiden radiokamer en voor elke centrale controlekamer voor machines;c) moeten alle sanitaire ruimten over voorzieningen beschikken voor ventilatie naar de open lucht, onafhankelijk van elk ander deel van het verblijf;en d) moet, behoudens op schepen die uitsluitend varen in de tropen, worden gezorgd voor doelmatige verwarming door middel van een deugdelijk verwarmingssysteem.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de vereisten qua verlichting moeten slaap- en eetverblijven, onder voorbehoud van bijzondere regelingen die op passagiersschepen kunnen zijn toegestaan, met daglicht verlicht zijn en met voldoende kunstlicht kunnen worden verlicht.9. Wanneer slaapplaatsen aan boord van schepen vereist zijn, gelden de volgende vereisten voor slaapplaatsen : a) op schepen anders dan passagiersschepen moet worden voorzien in een individueel slaapplaats voor elke zeevarende;in het geval van schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 3 000 ton of schepen voor bijzondere doeleinden, kunnen voor dit vereiste ontheffingen worden verleend door de bevoegde overheid, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden; b) voor mannen en vrouwen moeten afzonderlijke slaapplaatsen worden verschaft;c) de slaapplaatsen moeten voldoende groot zijn en naar behoren zijn uitgerust om een redelijk comfort te waarborgen en de netheid te bevorderen;d) elke zeevarende moet onder alle omstandigheden over een eigen bed kunnen beschikken;e) de minimumafmetingen van een bed moeten binnenwerks ten minste 198 bij 80 cm bedragen;f) het vloeroppervlak in de slaapplaatsen voor zeevarenden met één bed mag niet minder zijn dan : i.4,5 vierkante meter op schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 3000 ton; ii. 5,5 vierkante meter op schepen met een brutotonnenmaat van 3 000 ton of meer, doch minder dan 10 000 ton; iii. 7 vierkante meter op schepen met een brutotonnenmaat van 10 000 ton of meer; g) echter, teneinde te voorzien in slaapplaatsen met één enkel bed op schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 3 000 ton, op passagiersschepen en op schepen voor bijzondere doeleinden, mag de bevoegde overheid een geringer vloeroppervlak toestaan;h) op schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 3 000 ton, anders dan passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden, mogen de slaapplaatsen worden gebruikt door ten hoogste twee zeevarenden;het vloeroppervlak van deze slaapplaatsen mag niet minder bedragen dan 7 vierkante meter; i) op passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden mag het vloeroppervlak van de slaapplaatsen voor zeevarenden die geen taken als scheepsofficier verrichten, niet minder zijn dan : i.7,5 vierkante meter in vertrekken waar twee personen verblijven; ii. 11,5 vierkante meter in vertrekken waar drie personen verblijven; iii. 14,5 vierkante meter in vertrekken waar vier personen verblijven; j) op schepen voor bijzondere doeleinden mogen in slaapplaatsen meer dan vier personen verblijven;het vloeroppervlak van deze slaapplaatsen mag niet minder bedragen dan 3,6 vierkante meter per persoon; k) op schepen anders dan passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden mag het vloeroppervlak van de slaapplaatsen voor zeevarenden die taken als scheepsofficier verrichten, wanneer geen privé zit- of dagverblijf aanwezig is, per persoon niet minder bedragen dan : i.7,5 vierkante meter op schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 3 000 ton; ii. 8,5 vierkante meter op schepen met een brutotonnenmaat van 3 000 ton of meer, doch minder dan 10 000 ton; iii. 10 vierkante meter op schepen met een brutotonnenmaat van 10 000 ton of meer; l) op passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden mag het vloeroppervlak voor zeevarenden die taken als scheepsofficier verrichten, wanneer geen privé zit- of dagverblijf aanwezig is, per persoon voor onderofficieren niet minder bedragen dan 7,5 vierkante meter en voor officieren niet minder dan 8,5 vierkante meter;junior officieren worden geacht op operationeel niveau te fungeren, en senior officieren op managementniveau; m) de kapitein, de hoofdwerktuigkundige en de eerste stuurman hebben, naast hun slaapplaatsen, een aangrenzend zitverblijf, een dagverblijf of een gelijkwaardige aanvullende ruimte;schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 3 000 ton kunnen door de bevoegde overheid van dit vereiste worden vrijgesteld, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden; n) voor elke gebruiker moet het meubilair een ruime kledingkast omvatten (ten minste 475 liter) en een lade of gelijkwaardige ruimte van ten minste 56 liter;indien de lade in de kledingkast is geïntegreerd, moet het totale volume van de kledingkast ten minste 500 liter bedragen; de kledingkast moet zijn voorzien van een plank en moet door de gebruiker kunnen worden afgesloten teneinde de privacy te waarborgen; o) elk slaapplaats moet zijn voorzien van een tafel of bureau van een vast, uitklapbaar of uitschuifbaar type, zo nodig voorzien van een comfortabele zitplaats.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de vereisten voor eetverblijven : a) moeten eetverblijven gescheiden van de slaapplaatsen zijn geplaatst en zo dicht bij de kombuis als praktisch gezien mogelijk is;schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 3 000 ton mogen door de bevoegde overheid van deze vereiste worden vrijgesteld, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden; en b) moeten eetverblijven voldoende groot en comfortabel zijn en deugdelijk zijn gemeubileerd en uitgerust (met inbegrip van doorlopend beschikbare restauratievoorzieningen), gebaseerd op het aantal zeevarenden dat er waarschijnlijk gelijktijdig gebruik van zal maken; naar gelang van het geval moet worden voorzien in gescheiden of gezamenlijke eetverblijven. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de vereisten voor sanitaire voorzieningen : a) moeten alle zeevarenden eenvoudig toegang hebben tot de sanitaire voorzieningen op het schip, die moeten voldoen aan de minimumnormen voor gezondheid en hygiëne en aan redelijke normen qua comfort, met afzonderlijke sanitaire voorzieningen voor mannen en vrouwen;b) moeten er vanaf de navigatiebrug en de machinekamer of in de nabijheid van de controlekamer en de machinekamer gemakkelijk toegankelijke sanitaire voorzieningen zijn;schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 3 000 ton mogen door de bevoegde overheid van dit vereiste worden vrijgesteld na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden; c) moet op alle schepen op een geschikte plaats zijn voorzien in ten minste één wc, een wastafel en een bad en/of douche per zes personen of minder, die niet beschikken over eigen voorzieningen;d) moet, met uitzondering van passagiersschepen, in elk slaapplaats een wastafel met warm en koud stromend zoetwater zijn aangebracht, behoudens wanneer een dergelijke wastafel zich in de aanwezige privé badkamer bevindt;e) mag de bevoegde overheid ten aanzien passagiersschepen die in de regel reizen van ten hoogste vier uur maken, bijzondere voorzieningen of beperking van het aantal benodigde voorzieningen in overweging nemen;en f) moet in alle wasgelegenheden warm en koud stromend zoetwater beschikbaar zijn.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vereisten voor ziekenverblijven moet aan boord van schepen met 15 of meer zeevarenden aan boord die reizen maken van langer dan drie dagen een afzonderlijk ziekenverblijf aanwezig zijn, dat uitsluitend voor medische doeleinden mag worden gebruikt;de bevoegde overheid kan dit vereiste versoepelen voor schepen in de kustvaart; bij de goedkeuring van ziekenverblijven aan boord moet de bevoegde overheid erop toezien dat de verblijven, onder alle weersomstandigheden, gemakkelijk toegankelijk zijn, een comfortabel onderkomen aan de patiënten bieden, en bevorderlijk zijn voor het vlot verlenen van de nodige zorg aan de patiënten. 13. Er moeten gunstig geplaatste en naar behoren uitgeruste wasvoorzieningen aanwezig zijn.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle schepen moeten op het open dek één of meerdere ruimten hebben die toegankelijk zijn voor de zeevarenden die geen dienst hebben;deze ruimten moeten gelet op de grootte van het schip en het aantal zeevarenden aan boord voldoende oppervlak hebben. 15. Alle schepen moeten zijn uitgerust met afzonderlijke bureaus of een gemeenschappelijk bureau voor gebruik door het dek- en machinekamerpersoneel;schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 3 000 ton mogen door de bevoegde overheid van deze vereiste worden vrijgesteld na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden. 16. Schepen die regelmatig op door muggen geteisterde havens varen, moeten zijn uitgerust met de daartoe door de bevoegde overheid vereiste voorzieningen. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van alle zeevarenden moet aan boord geschikte ontspanningsvoorzieningen en diensten voor zeevarenden beschikbaar zijn, teneinde tegemoet te komen aan de bijzondere behoeften van zeevarenden die op schepen moeten wonen en werken, met inachtneming van voorschrift 4.3 en de daarmee verband houdende bepalingen van de overeenstemmende Code met betrekking tot de bescherming van de gezondheid en veiligheid en ongevallenpreventie. 18. De bevoegde overheid vereist dat er aan boord van schepen frequent inspecties worden verricht door of onder gezag van de kapitein, om te waarborgen dat de huisvesting van zeevarenden proper en fatsoenlijk bewoonbaar is en in een goede staat van onderhoud wordt gehouden.Het resultaat van elke inspectie moet worden opgetekend en ter inzage beschikbaar zijn. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van schepen waar men - zonder dat zulks tot discriminatie leidt - rekening moet houden met de belangen van zeevarenden met uiteenlopende gewoonten van godsdienstige en sociale aard, kan de bevoegde overheid - na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden - billijk geachte alternatieve toepassingen toestaan van het bepaalde in deze norm, op voorwaarde dat er geen toepassingen ontstaan die uiteindelijk minder gunstig zijn dan de situatie die het gevolg zou zijn van de toepassing van deze norm.20. Elk Lid kan, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, wanneer dit redelijk is, schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 200 ton - met inachtneming van de grootte van het schip en het aantal personen aan boord - vrijstellen van de vereisten van de volgende bepalingen van deze norm : a) paragrafen 7, b), 11, d), en 13;en b) paragrafen 9, f) en h) tot en met l), uitsluitend ten aanzien van vloeroppervlakte.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele uitzonderingen met betrekking tot de vereisten van deze norm mogen uitsluitend worden gemaakt wanneer deze in deze norm uitdrukkelijk zijn toegestaan en uitsluitend voor bijzondere omstandigheden waarbij dergelijke vrijstellingen duidelijk kunnen worden gerechtvaardigd op basis van gegronde gronden en onverminderd de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de zeevarenden. Richtlijn B3.1 - Huisvesting en ontspanningsvoorzieningen Richtlijn B3.1.1 - Ontwerp en bouw 1. Buitenwanden van slaap- en eetverblijven zouden voldoende moeten zijn geïsoleerd.Alle machinekamerschachten en alle eindschotten van kombuizen en andere ruimten waarin warmte wordt opgewekt, zouden voldoende moeten zijn geïsoleerd, wanneer de mogelijkheid bestaat dat warmte uitstraling naar de aangrenzende verblijven of gangen kan ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zouden maatregelen moeten worden getroffen om te zorgen voor bescherming tegen warmte uitstraling van stoom en/of heet water dienstleidingen. 2. Slaap- en eetverblijven, ontspanningsruimten en gangen die deel uitmaken van de huisvesting zouden voldoende moeten zijn geïsoleerd teneinde condensatie of te hoge temperaturen te voorkomen.3. De wanden en plafonds zouden vervaardigd moeten zijn van materiaal waarvan het oppervlak gemakkelijk kan worden schoongehouden. Constructies waarin zich gemakkelijk ongedierte kan nestelen, zouden niet moeten worden gebruikt. 4. De wanden en plafonds van slaap- en eetverblijven zouden gemakkelijk moeten kunnen worden schoongehouden en licht van kleur te zijn met een duurzame niet-giftige afwerklaag.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vloeren en plafonds in alle verblijven voor zeevarenden zouden van goedgekeurd materiaal moeten zijn en op een goedgekeurde wijze zijn vervaardigd en een slin plaats vanrij oppervlak hebben dat ondoordringbaar is voor vocht en gemakkelijk schoon te houden is.6. Wanneer de vloeren van composietmateriaal zijn vervaardigd, zouden de verbindingen met de wanden afgerond moeten zijn teneinde spleten te voorkomen. Richtlijn B3.1.2 - Ventilatie 1. Het ventilatiesysteem voor slaap- en eetvertrekken zou zodanig moeten worden geregeld dat de luchtkwaliteit voldoende blijft en voldoende luchtbeweging onder alle weers- en klimaatomstandigheden wordt gewaarborgd.2. Luchtkoelsysteem, ongeacht of deze van het centrale of individuele type zijn, zouden zodanig moeten zijn ontworpen dat : a) de lucht ten opzichte van de luchtcondities buiten op een goede temperatuur en relatieve luchtvochtigheid wordt gehouden, voldoende luchtverversing wordt gewaarborgd in alle van luchtkoelsysteem voorziene ruimten, rekening wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van activiteiten op zee en geen buitensporige geluiden of trillingen worden geproduceerd;en b) de apparatuur gemakkelijk kan worden gereinigd en gedesinfecteerd om de verspreiding van ziekten te voorkomen of te beheersen.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer zeevarenden aan boord wonen of werken en de omstandigheden zulks vereisen, zou er te allen tijde elektriciteit voor het luchtkoelsysteem en andere hulpmiddelen voor ventilatie als vereist in de voorgaande paragraaf van deze richtlijn aanwezig moeten te zijn. Deze elektriciteit behoeft evenwel niet afkomstig te zijn van een noodvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B3.1.3 - Verwarming 1. Het verwarmingssysteem van de verblijven van zeevarenden zou te allen tijde in werking moeten zijn wanneer zeevarenden aan boord wonen of werken en de omstandigheden het gebruik ervan vereisen.2. Aan boord van alle schepen waar een verwarmingssysteem vereist is, zou de verwarming door middel van heet water, warme lucht, elektriciteit, stoom of soortgelijk middel moeten geschieden.In de verblijven zou evenwel geen stoom mogen worden gebruikt als middel voor warmteoverdracht. Het verwarmingssysteem zou de temperatuur in de verblijven van de zeevarenden bij normale weers- en klimaatomstandigheden zoals deze te verwachten zijn op de vaart die het schip uitvoert, op een bevredigende hoogte dienen te kunnen houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde overheid zou de desbetreffende normen moeten voorschrijven. 3. Radiatoren en overige verwarmingsapparaten zouden zodanig geplaatst en, waar nodig, afgeschermd moeten zijn, dat brandgevaar en gevaar of ongemak voor de gebruikers van het verblijf wordt vermeden. Richtlijn B3.1.4 - Verlichting 1. Aan boord van alle schepen zou in de verblijven voor zeevarenden elektrische verlichting moeten zijn aangebracht.Wanneer er geen twee onafhankelijke elektriciteitsbronnen voor verlichting aanwezig zijn, zouden doeltreffend geconstrueerde lampen of andere verlichtingsmiddelen voor noodgevallen moeten zijn aangebracht. 2. In de slaapplaatsen zou aan het hoofdeinde van elk bed een elektrische leeslamp moeten zijn aangebracht.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde overheid zou passende normen voor daglicht en kunstmatige verlichting moeten vaststellen. Richtlijn B3.1.5 - Slaapplaatsen 1. Aan boord zouden geschikte bedden aanwezig moeten zijn, die het de zeevarende en een eventuele partner die de zeevarende vergezelt zo comfortabel mogelijk maken.2. Wanneer de grootte van het schip, de activiteit waarvoor het wordt ingezet en de inrichting ervan zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar maken, zouden slaapplaatsen zodanig moeten worden ontworpen en uitgerust met een privé badkamer, inclusief wc, dat zij de gebruikers een redelijke mate van comfort bieden en de netheid wordt bevorderd.3. Voor zover praktisch uitvoerbaar zouden de slaapplaatsen van zeevarenden zodanig moeten zijn ingericht dat de wachten afgescheiden zijn en de zeevarenden die overdag werken geen verblijf delen met zeevarenden die de wacht lopen.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van zeevarenden die taken als onderofficier verrichten zouden er niet meer dan twee personen in een slaapplaats mogen worden ondergebracht. 5. Overwogen zou moeten worden om de in paragraaf 9 (m) van norm A3.1. bedoelde voorziening, indien praktisch uitvoerbaar, ook voor de tweede werktuigkundige uit te breiden. 6. De ruimte die wordt ingenomen door slaapplaatsen en kastjes, ladekasten en zitplaatsen zou in de maten van het vloeroppervlak moeten zijn inbegrepen.Kleine of onregelmatig gevormde ruimten die niet daadwerkelijk iets toevoegen aan de voor vrije beweging beschikbare ruimte en die niet kunnen worden gebruikt voor het installeren van meubilair zouden buiten beschouwing moeten worden gelaten. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zouden niet meer dan twee bedden boven elkaar mogen worden opgesteld;indien bedden langs de boord van het schip worden geplaatst, zou er slechts een enkele rij moeten zijn wanneer een patrijspoort zich boven een bed bevindt. 8. Het onderste bed zou, wanneer de bedden twee hoog zijn opgesteld, ten minste 30 cm boven de vloer moeten liggen;de bovenste bed zou ongeveer in het midden tussen de onderzijde van het onderste bed en de onderzijde van de dekbalken moeten zijn geplaatst. 9. Het bedstel en eventueel de zijwanden zouden moeten zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal, dat hard en glad moet zijn, niet snel mag roesten en waarin zich geen ongedierte kan nestelen.10. Indien voor de bedstellen buizen worden gebruikt, zouden deze geheel gesloten moeten zijn en geen openingen te hebben waardoor ongedierte naar binnen zou kunnen komen.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke slaapplaats zou moeten zijn voorzien van een comfortabel matras met ondermatras of een gecombineerd matras, met inbegrip van een spiraalbodem of springverenmatras.Het matras en de gebruikte vulling zouden van goedgekeurde materialen moeten zijn vervaardigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialen waarin zich gemakkelijk ongedierte kan nestelen zouden niet als vulling mogen worden gebruikt. 12. Wanneer een bed boven een ander is gelegen, zou een bodem, die geen stof doorlaat, onder het ondermatras of de spiraalbodem van het bovenste bed moeten worden aangebracht.13. De meubels zouden van glad, hard materiaal moeten zijn vervaardigd dat niet kan vervormen of roesten.14. De slaapplaatsen zouden moeten zijn voorzien van gordijnen of een vergelijkbare voorziening voor de patrijspoorten.15. Slaapplaatsen zouden met een spiegel, kleine bergplaatsen voor toiletbenodigdheden, een boekenrek en een voldoende aantal kledinghaken moeten zijn uitgerust. Richtlijn B3.1.6 - Eetverblijven 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eetverblijven kunnen gemeenschappelijk of gescheiden zijn.Het besluit hierover zou moeten worden genomen na overleg met de vertegenwoordigers van zeevarenden en reders en onder voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde overheid. Rekening zou moeten worden gehouden met factoren als de grootte van het schip en de uiteenlopende culturele, godsdienstige en sociale behoeften van de zeevarenden. 2. Wanneer er afzonderlijke eetverblijven moeten zijn voor zeevarenden, zouden er afzonderlijke eetverblijven moeten zijn voor : a) de kapitein en de officieren;en b) de onderofficieren en overige zeevarenden.3. Op schepen andere dan passagiersschepen zou het vloeroppervlak van de eetverblijven voor zeevarenden niet minder mogen zijn dan 1,5 m2 per persoon van de geplande zitplaatsen.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op alle schepen zouden de eetverblijven moeten zijn voorzien van tafels en goedgekeurde zitplaatsen, vastgezet of verplaatsbaar, voldoende voor het grootste aantal zeevarenden dat er mogelijkerwijs gelijktijdig gebruik van zal maken.5. Wanneer zeevarenden aan boord zijn, zou het volgende te allen tijde beschikbaar moeten zijn : a) een koelkast, die zich op een gemakkelijk toegankelijke plaats dient te bevinden en groot genoeg is voor het aantal personen dat van het eetverblijf of de eetverblijven gebruik maakt;b) voorzieningen voor het serveren van warme dranken;en c) voorzieningen voor het serveren van gekoeld water.6. Indien de eventueel aanwezige bijkeukens niet in verbinding staan met de eetverblijven, zou voldoende kastruimte aanwezig moeten zijn voor het opbergen van eetgerei alsmede een geschikte gelegenheid voor het reinigen daarvan.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bovenzijde van de tafels en stoelen zouden van vochtwerend materiaal moeten zijn. Richtlijn B3.1.7 - Sanitaire ruimten 1. Wastafels en baden zouden van voldoende afmetingen moeten zijn en vervaardigd te zijn van goedgekeurd materiaal met een glad oppervlak dat niet onderhevig is aan scheuren, afbladeren of roesten.2. Alle wc's zouden van een goedgekeurd model moeten zijn, met een krachtige doorspoelvoorziening of een ander geschikt middel voor doorspoelen, zoals lucht, dat of die steeds beschikbaar moet zijn en voor elke wc afzonderlijk moet kunnen worden gebruikt.3. Sanitaire ruimten bestemd voor meer dan één persoon zouden moeten voldoen aan de volgende eisen : a) de vloeren zouden van goedgekeurd duurzaam, vochtwerend materiaal moeten zijn en te zijn voorzien van een behoorlijke waterafvoer;b) schotten zouden van staal of ander goedgekeurd materiaal en waterdicht tot ten minste 23 cm boven het dekniveau moeten zijn;c) de ruimte dient voldoende verlicht, verwarmd en geventileerd te zijn;d) de wc's zouden op een gemakkelijk bereikbare plaats, doch afgescheiden van slaapplaatsen en wasgelegenheden moeten zijn gelegen, zonder directe toegang uit de slaapplaatsen of uit de gang tussen de slaapplaatsen en toiletten, waarnaar geen andere toegang voert, met dien verstande dat dit geen betrekking heeft op wc's in ruimtes tussen twee slaapplaatsen, die tezamen voor ten hoogste vier zeevarenden bestemd zijn;en e) indien meer dan een wc in dezelfde ruimte aanwezig is, zouden deze voldoende moeten zijn afgeschermd teneinde de privacy te waarborgen.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ten behoeve van de zeevarenden aangebrachte wasvoorzieningen zouden het volgende moeten omvatten : a) wasmachines;b) wasdrogers of deugdelijk verwarmde en geventileerde droogkamers;en c) strijkijzers en strijkplanken of gelijkwaardige voorzieningen. Richtlijn B3.1.8 - Ziekenverblijven 1. De ziekenverblijven zouden zodanig moeten zijn ontworpen dat overleg en het verlenen van eerste hulp worden vergemakkelijkt en het verspreiden van besmettelijke ziekten wordt voorkomen.2. De toegang, de bedden, de verlichting, de ventilatie, de verwarming en de watervoorziening zouden zo moeten zijn ingericht dat zij het comfort van degenen die er zijn ondergebracht waarborgen en hun behandeling makkelijk maken.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vereiste aantal bedden in het ziekenverblijf zou moeten worden voorgeschreven door de bevoegde overheid.4. Sanitaire voorzieningen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door degenen die in het ziekenverblijf zijn opgenomen, zouden deel uit moeten maken van het ziekenverblijf of in de onmiddellijke nabijheid ervan gelegen te zijn.Deze sanitaire voorzieningen zouden ten minste moeten bestaan uit een wc, een wastafel en een bad of douche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B3.1.9 - Overige voorzieningen 1. Wanneer voorzien is in afzonderlijke kleedruimtes voor personeel dat in machinekamers werkzaam is, zouden deze : a) geplaatst moeten zijn buiten de machinekamer, maar gemakkelijk toegankelijk zijn;en b) uitgerust moeten zijn met individuele kledingkastjes alsmede met baden en/of douches en wastafels met warm en koud stromend zoetwater. Richtlijn B3.1.10 - Beddengoed, eetgerei en diverse bepalingen 1. Elk Lid zou moeten overwegen de volgende beginselen toe te passen : a) schoon beddengoed en eetgerei zouden door de reder aan alle zeevarenden moeten worden verstrekt voor gebruik aan boord gedurende de dienst op het schip, en deze zeevarenden zouden verantwoordelijk moeten zijn voor de teruggave ervan op de door de kapitein aangegeven tijdstippen en na beëindiging van de dienst op het schip;b) beddengoed zou van goede kwaliteit moeten zijn en borden, bekers en ander eetgerei zouden van een goedgekeurd materiaal moeten zijn dat gemakkelijk kan worden gereinigd;en c) de reder zou moeten zorgen voor handdoeken, zeep en toiletpapier voor alle zeevarenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B3.1.11 - Ontspanningsvoorzieningen en regelingen voor post en bezoek aan boord 1. De ontspanningsvoorzieningen en -diensten zouden regelmatig moeten worden geïnspecteerd om te waarborgen dat ze blijven voldoen aan de veranderende behoeften van de zeevarenden ten gevolge van ontwikkelingen in de techniek en de exploitatie en andere ontwikkelingen in de scheepvaart.2. Meubilair voor ontspanningsvoorzieningen zou ten minste moeten bestaan uit een boekenkast en voorzieningen voor lezen, schrijven en, indien praktisch uitvoerbaar, gezelschapsspellen.3. Bij de planning van ontspanningsvoorzieningen zou de bevoegde overheid de plaatsing van een kantine moeten overwegen.4. Ook zou overwogen moeten worden de zeevarenden kosteloos, waar praktisch uitvoerbaar, van de volgende voorzieningen te voorzien : a) een rookkamer;b) de mogelijkheid om televisie te kijken en radio-uitzendingen te beluisteren;c) de vertoning van films, waarvan er voor de duur van de reis voldoende aanwezig zouden moeten zijn en, die zo nodig, met redelijke tussenpozen worden vervangen;d) sportvoorzieningen met inbegrip van materiaal voor lichamelijke oefeningen, tafelspelen en dekspelen;e) waar mogelijk, gelegenheid tot zwemmen;f) een bibliotheek met vakliteratuur en andere boeken, waarvan er voldoende zouden moeten zijn voor de duur van de reis en die met redelijke tussenpozen worden vervangen;g) faciliteiten voor creatieve bezigheden ter ontspanning;h) elektronische apparatuur zoals radio, televisie, videorecorders, DVD/CD-speler, personal computer en software en cassetterecorder/-speler;i) indien van toepassing, bars aan boord voor zeevarenden, tenzij dit in strijd is met nationale, godsdienstige of sociale gebruiken;en j) redelijke toegang tot een telefoonverbinding tussen schip en vasteland, en e-mail- en internetfaciliteiten, waar aanwezig, en de daaraan verbonden gebruikskosten moeten redelijk zijn.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al het mogelijke zou moeten worden gedaan om het versturen van post voor zeevarenden zo betrouwbaar en snel mogelijk te doen geschieden. Voorts zou getracht moeten worden te vermijden dat zeevarenden strafport moeten betalen wanneer de post door omstandigheden buiten hun schuld moet worden doorgezonden. 6. Maatregelen zouden moeten worden overwogen om te waarborgen dat, onder voorbehoud van eventuele van toepassing zijnde nationale of internationale wet- of regelgeving, aan zeevarenden telkens wanneer dit mogelijk en redelijk is, snel toestemming wordt verleend om hun partners, familieleden en vrienden aan boord te ontvangen wanneer hun schip in de haven ligt.Bij dergelijke maatregelen zou rekening moeten worden gehouden met eventueel vereisten op gebied van beveiliging. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer dat mogelijk en redelijk is, zou overwogen moeten worden zeevarenden toe te staan zich tijdens reizen af en toe te laten vergezellen door hun partners.De partner zou voldoende verzekerd moeten zijn tegen ongevallen en ziekte; de reder zou de zeevarende alle mogelijke medewerking moeten geven bij het sluiten van een dergelijke verzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B3.1.12 - Voorkoming van geluid en trillingen 1. De verblijven voor huisvesting en de voorzieningen voor ontspanning, voeding en catering zouden zo ver als praktisch mogelijk verwijderd moeten zijn van de motoren, stuurmachinekamers, deklieren, ventilatie-, verwarmings- en luchtkoelsysteemapparatuur en andere machines en apparaten die veel geluid produceren.2. Bij de bouw en afwerking van wanden, plafonds en dekken binnen de ruimten waarin geluid wordt geproduceerd, zouden geluidsisolerende of andere geschikte geluidsabsorberende materialen moeten worden gebruikt, alsmede zelfsluitende en geluidsisolerende deuren voor machinekamers.3. Machinekamers en andere machineruimten zouden, overal waar praktisch uitvoerbaar, moeten worden voorzien van geluidsdichte centrale controlekamers voor het machinekamerpersoneel.Werkruimten, zoals de machinewerkplaats, zouden voor zover praktisch uitvoerbaar moeten worden geïsoleerd van de algemene geluiden van de machinekamer en er zouden maatregelen moeten worden getroffen om de geluidsniveaus tijdens het draaien van de machines te verlagen. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De limieten voor geluidsniveaus voor werk- en woonruimtes zouden in overeenstemming moeten zijn met de internationale richtlijnen inzake blootstellingsniveaus van de Internationale Arbeidsorganisatie, met inbegrip van die vervat in de Omgevingsfactoren op de werkplaats, 2001, en, waar van toepassing de specifieke bescherming als aanbevolen door de Internationale Maritieme Organisatie, en met eventuele latere instrumenten tot wijziging en aanvulling voor aanvaardbare geluidsniveaus aan boord van schepen.Een afschrift van de desbetreffende akten in het Engels of in de werktalen van het schip zou aan boord aanwezig en voor de zeevarenden toegankelijk moeten zijn. 5. De voorzieningen voor huisvesting, ontspanning of catering zouden niet aan extreme trillingen mogen blootstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 3.2 - Voeding en catering Doel : Waarborgen dat zeevarenden toegang hebben tot voeding en drinkwater van goede kwaliteit en verstrekt onder gereguleerde hygiënische omstandigheden 1. Elk Lid moet erop toezien dat de schepen die zijn vlag voeren levensmiddelen en drinkwater aan boord hebben en serveren waarvan de kwaliteit, voedingswaarde en hoeveelheid voldoende zijn voor de behoeften op het schip en dat hierbij rekening wordt gehouden met uiteenlopende culturele en godsdienstige achtergronden.2. Tijdens het dienstverband wordt aan zeevarenden aan boord van een schip kosteloos voeding verstrekt.3. Zeevarenden die als scheepskok zijn aangesteld en verantwoordelijk zijn voor de bereiding van levensmiddelen moeten voor hun functie aan boord de nodige opleiding en kwalificaties hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm A3.2 - Voeding en catering 1. Elk Lid neemt wet- of regelgeving of andere maatregelen aan teneinde minimumnormen vast te stellen voor de hoeveelheid en kwaliteit van voeding en drinkwater en voor de normen voor maaltijden die aan zeevarenden worden verstrekt op schepen die zijn vlag voeren, en ontplooit voorlichtingsactiviteiten ter bevordering van de bewustwording en de uitvoering van de in deze paragraaf genoemde normen.2. Elk Lid ziet erop toe dat schepen die zijn vlag voeren aan de volgende minimumnormen voldoen : a) de voorraden levensmiddelen en water die, gelet op het aantal zeevarenden aan boord, hun godsdienstige voorschriften en culturele gebruiken ten aanzien van voeding en de duur en de aard van de reis, qua hoeveelheid, voedingswaarde, kwaliteit en variatie betreft, voldoende zijn;b) de organisatie en uitrusting van de cateringafdeling moeten zodanig zijn dat aan de zeevarenden goede, gevarieerde en voedzame maaltijden kunnen worden verstrekt die onder hygiënische omstandigheden worden bereid en geserveerd;en c) het cateringpersoneel moet naar behoren voor zijn functies zijn opgeleid of instructies hebben ontvangen.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reders moeten waarborgen dat zeevarenden die worden aangesteld als scheepskok voor hun functie opgeleid, gekwalificeerd en de nodige vakbekwaamheid bezitten in overeenstemming met de vereisten in de wet- of regelgeving van het betrokken Lid zijn.4. De vereisten ingevolge paragraaf 3 van deze norm omvatten de voltooiing van een door de bevoegde overheid goedgekeurde of erkende opleiding, die betrekking heeft op praktische kookvaardigheden, voeding en persoonlijke hygiëne, opslag van levensmiddelen, voorraadcontrole, milieubescherming en gezondheids- en veiligheidsvoorschriften voor catering.5. Op schepen die worden geëxploiteerd met een voorgeschreven bemanning van minder dan tien, ten aanzien waarvan de bevoegde overheid uit hoofde van de bemanning of het soort vaart, niet eist dat deze een volledig gediplomeerde kok aan boord hebben, moet eenieder die in de kombuis levensmiddelen verwerkt een opleiding hebben genoten of instructies hebben gekregen op het gebied van voeding en persoonlijke hygiëne alsmede de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen van uitzonderlijke noodzaak kan de bevoegde overheid een dispensatie verlenen op grond waarvan een niet volledig gekwalificeerde kok op een specifiek schip gedurende een specifiek tijdvak werkzaam mag zijn, tot de volgende geschikte aanloophaven of voor een tijdvak van ten hoogste een maand, mits de persoon ten aanzien van wie de dispensatie is verleend, een opleiding heeft genoten of instructies heeft gekregen op het gebied van voeding en persoonlijke hygiëne, alsmede de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen.7. In overeenstemming met de procedures ten behoeve van permanente naleving ingevolge titel 5 moet de bevoegde overheid eisen dat aan boord van schepen door of onder het gezag van de kapitein frequent gedocumenteerde inspecties worden verricht met betrekking tot : a) voorraden, levensmiddelen en drinkwater;b) alle ruimten en apparatuur gebruikt voor de opslag en behandeling van levensmiddelen en drinkwater;en c) kombuis- en andere apparatuur voor het bereiden en het serveren van maaltijden.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen enkele zeevarende onder de leeftijd van 18 jaar mag worden aangesteld of werkzaam zijn als scheepskok. Richtlijn B3.2 - Voeding en catering Richtlijn B3.2.1 - Inspectie, voorlichting, onderzoek en publicatie 1. De bevoegde overheid zou, in samenwerking met andere aangewezen instanties en organisaties, actuele informatie moeten verzamelen op het gebied van voeding en methoden voor het inkopen, opslaan, bewaren, bereiden en serveren van levensmiddelen, met bijzondere aandacht voor de vereisten van catering aan boord van schepen.Deze informatie zou kosteloos of tegen redelijke kosten ter beschikking moeten worden gesteld aan fabrikanten van en handelaren in scheepsvoeding en apparatuur, kapiteins, stewards en koks, en aan de betrokken organisaties van reders en zeevarenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiertoe zouden geschikte vormen van publiciteit moeten worden gebruikt, zoals handboeken, brochures, posters, lijsten of advertenties in vakbladen. 2. De bevoegde overheid zou aanbevelingen moeten doen ter voorkoming van voedselverspilling, ter vergemakkelijking van het handhaven van goede normen op het gebied van hygiëne, en zorgen voor een zo optimaal mogelijk gebruik van de voorzieningen.3. De bevoegde overheid zou met de aangewezen instanties en organisaties moeten samenwerken bij de ontwikkeling van voorlichtingsmateriaal en informatie aan boord op het gebied van methoden ter waarborging van een deugdelijke bevoorrading met levensmiddelen en goede cateringdiensten.4. De bevoegde overheid zou bij vraagstukken over voeding en gezondheid nauw moeten samenwerken met de desbetreffende organisaties van reders en zeevarenden en met nationale of lokale overheden, en kan waar nodig gebruikmaken van de diensten van deze overheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B3.2.2 - Scheepskoks 1. Zeevarenden zouden uitsluitend als scheepskok mogen worden gekwalificeerd indien zij : a) op zee dienst hebben gedaan gedurende een door de bevoegde overheid vast te stellen minimumtijdvak dat gelet op de reeds behaalde relevante kwalificaties of opgedane ervaring kan variëren;b) met goed gevolg een door de bevoegde overheid voorgeschreven examen of een gelijkwaardig examen in het kader van een erkende koksopleiding hebben afgelegd.2. Het voorgeschreven examen mag worden afgenomen en de kwalificaties mogen worden uitgereikt hetzij rechtstreeks door de bevoegde overheid of, onder haar toezicht, door een erkende koksopleiding.3. De bevoegde overheid zou zorg moeten dragen voor de erkenning, waar passend, van kwalificaties voor scheepskok afgegeven door andere Leden die dit Verdrag of het Internationaal Verdrag betreffende het bekwaamheidsdiploma van scheepskoks, 1946 (Nr.69), hebben bekrachtigd, of door een ander erkend orgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 4. BESCHERMING VAN DE GEZONDHEID, MEDISCHE ZORGEN, WELZIJN EN SOCIALE ZEKERHEIDSBESCHERMING Voorschrift 4.1 - Medische zorg aan boord van het schip en aan land Doel : Het beschermen van de gezondheid van zeevarenden en het garanderen van onmiddellijke toegang tot medische zorgen aan boord van het schip en aan land 1. Elk Lid moet waarborgen dat op alle zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren maatregelen van toepassing zijn ter bescherming van hun gezondheid en dat zij toegang hebben tot onmiddellijke en adequate medische zorgen terwijl zij aan boord werkzaam zijn.2. De in paragraaf 1 van dit voorschrift bedoelde bescherming en zorg moeten, in beginsel, kosteloos aan de zeevarenden worden verleend.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk Lid moet ervoor zorg dragen dat zeevarenden aan boord van schepen binnen zijn grondgebied die onmiddellijk medische zorgen nodig hebben toegang krijgen tot de medische voorzieningen van het Lid aan land.4. De in de Code vervatte vereisten voor de bescherming van de gezondheid en medische zorgen aan boord behelzen normen voor maatregelen die erop gericht zijn de gezondheid van zeevarenden te beschermen en hen medische zorgen te bieden op een wijze die zo veel mogelijk vergelijkbaar is met de bescherming en zorg die in het algemeen voor werknemers aan wal beschikbaar zijn. Norm A4.1 - Medische zorgen aan boord van het schip en aan wal 1. Elk Lid moet ervoor zorg dragen dat ten behoeve van de zeevarenden die werkzaam zijn aan boord van een schip dat zijn vlag voert maatregelen worden getroffen voor de bescherming van de gezondheid en medische zorgen, waaronder noodzakelijke tandverzorging, die : a) waarborgen dat op zeevarenden alle algemene bepalingen betreffende de bescherming van de gezondheid op het werk en medische zorgen die van belang is voor hun taken, alsmede alle bijzondere bepalingen over werken aan boord van schepen, van toepassing zijn;b) waarborgen dat de gezondheid van zeevarenden wordt beschermd en hen medische zorgen wordt verleend op een wijze die zo veel mogelijk vergelijkbaar is met hetgeen in het algemeen voor werknemers aan wal beschikbaar is, met inbegrip van onmiddellijke toegang tot de noodzakelijke geneesmiddelen, medische apparatuur en voorzieningen voor diagnose en behandeling en tot medische informatie en expertise;c) zeevarenden het recht geven, wanneer dit mogelijk is, onverwijld een gekwalificeerde arts of tandarts te raadplegen in aanloophavens;d) waarborgen dat, voor zover in overeenstemming met het nationale recht en de gebruiken van het Lid, de diensten op het gebied van medische zorgen en bescherming van de gezondheid kosteloos aan de zeevarende worden verleend terwijl een zeevarende zich aan boord van het schip bevindt of in een buitenlandse haven is gedebarkeerd;en e) niet beperkt zijn tot de behandeling van zieke of gewonde zeevarenden, maar mede maatregelen omvatten van preventieve aard, zoals op het gebied van gezondheidsbevordering en -vorming.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde overheid neemt een standaardformulier voor medische rapportage aan dat moet worden gebruikt door de kapitein van het schip en door het desbetreffende medisch personeel aan boord en aan wal. Wanneer het formulier is ingevuld, moeten het rapport en de inhoud ervan vertrouwelijk worden behandeld en uitsluitend worden gebruikt ter bevordering van de behandeling van zeevarenden. 3. Elk Lid moet wet- of regelgeving aannemen waarin de eisen worden vastgelegd ten aanzien van de voorzieningen, opleiding en apparatuur voor het ziekenverblijf en medische zorgen aan boord van schepen die zijn vlag voeren.4. De nationale wet- of regelgeving moeten ten minste de volgende vereisten bevatten : a) alle schepen moeten zijn uitgerust met een scheepsapotheek, medische uitrusting en een medisch handboek, waarvan de bijzonderheden moeten worden voorgeschreven en die regelmatig moeten worden geïnspecteerd door de bevoegde overheid;in de nationale vereisten moet rekening worden gehouden met het type schip, het aantal personen aan boord en de aard, bestemming en duur van de reizen en de desbetreffende nationale en internationale aanbevolen medische normen; b) op schepen die meer dan 100 personen vervoeren en die normaal gesproken internationale reizen van langer dan drie dagen maken, moet een bevoegde arts aanwezig zijn die verantwoordelijk is voor het verschaffen van medische zorgen;de nationale wet- of regelgeving moet ook vermelden op welke andere schepen een arts aan boord moet zijn, onder andere gelet op factoren als de duur, aard en omstandigheden van de reis en het aantal zeevarenden aan boord; c) schepen die geen arts aan boord hebben, moeten hetzij ten minste een zeevarende aan boord hebben die belast is met de medische zorgen en toediening van medicijnen als onderdeel van zijn reguliere taken hetzij ten minste een zeevarende aan boord hebben die bevoegd is om eerste hulp te verlenen;personen belast met de medische zorgen aan boord die geen arts zijn, moeten naar behoren een medische opleiding hebben afgerond die voldoet aan de vereisten van het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978, zoals gewijzigd (« STCW-Verdrag »); zeevarenden die zijn aangewezen voor het verlenen van eerste hulp moeten een naar behoren afgeronde opleiding op het gebied van eerstehulpverlening hebben die voldoet aan de vereisten van het STCW-Verdrag; in de nationale wet- of regelgeving moet het vereiste niveau van de goedgekeurde opleiding worden vermeld, met inachtneming van onder andere factoren als de duur, aard en omstandigheden van de reis en het aantal zeevarenden aan boord; en d) de bevoegde overheid moet er door middel van een vooraf opgezet systeem voor zorgen dat medisch advies per radio of satelliet aan schepen op zee, met inbegrip van advies van specialisten 24 uur per dag beschikbaar is;medische adviezen, waaronder begrepen de overdracht per radio of satelliet van medische boodschappen tussen een schip en personen aan wal die adviseren, moeten gratis beschikbaar zijn voor alle schepen, ongeacht onder welke vlag zij varen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.1 - Medische zorgen aan boord van het schip en aan land Richtlijn B4.1.1 - Verlening van medische zorgen 1. Bij de vaststelling van het niveau van de medische opleiding die voorhanden moet zijn aan boord van schepen waarop geen arts aanwezig hoeft te zijn, zou de bevoegde overheid moeten vereisen dat : a) schepen die normaal gesproken in staat zijn binnen acht uur gekwalificeerde medische zorgen en medische voorzieningen te bereiken, ten minste één aangewezen zeevarende aan boord hebben die de in het STCW-Verdrag vereiste goedgekeurde opleiding in eerste hulp heeft afgerond, zodat deze bij ongevallen of ziekten die zich aan boord van een schip kunnen voordoen onmiddellijk maatregelen kan nemen en het per radio of satelliet ontvangen medisch advies kan uitvoeren;en b) alle overige schepen ten minste één aangewezen zeevarende aan boord hebben die de in het STCW-Verdrag vereiste goedgekeurde opleiding voor het verlenen van medische zorgen heeft afgerond, met inbegrip van een praktische trainingen opleiding in levensreddende technieken, zoals intraveneuze toediening, waardoor deze in staat is een doeltreffende bijdrage te leveren aan het gecoördineerde systeem van medische bijstand aan schepen op zee, en de zieken of gewonden een behoorlijk niveau van medische zorgen te bieden gedurende de tijd dat zij waarschijnlijk aan boord zullen blijven.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opleiding waarnaar in paragraaf 1 van deze richtlijn wordt verwezen zou gebaseerd moeten zijn op de inhoud van de meest recente uitgaven van de Internationale Medische Gids voor Schepen, de Handleiding voor medische eerste hulp bij ongevallen met gevaarlijke stoffen, het Document als leidraad - Internationale Gids voor Maritieme Opleidingen uitgegeven door de Internationale Maritieme Organisatie, en van het medisch gedeelte van het Internationaal Seinboek alsmede van soortgelijke nationale handleidingen.3. De personen waarnaar in paragraaf 1 van deze richtlijn wordt verwezen, alsmede andere zeevarenden die door de bevoegde overheid daartoe nodig worden geacht zouden ongeveer om de vijf jaar herhalingscursussen moeten volgen om hen in staat te stellen hun kennis en vaardigheden op peil te houden en te vergroten en op de hoogte te blijven van nieuwe ontwikkelingen.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De scheepsapotheek, de inhoud daarvan, alsook de medische uitrusting en medisch handboek aan boord zouden naar behoren moeten worden onderhouden en met regelmatige tussenpozen van ten hoogste 12 maanden worden geïnspecteerd door de verantwoordelijke personen, die daarvoor door de bevoegde overheid zijn aangewezen en er op toezien dat de controle van de etikettering, uiterste gebruiksdata en de opslag van alle geneesmiddelen en de gebruiksaanwijzing ervan plaatsvindt en dat alle apparatuur deugdelijk functioneert.Bij het aannemen of herzien van het nationaal gehanteerde medische handboek voor schepen, en bij de vaststelling van de inhoud van de scheepsapotheek en medische uitrusting, dient de bevoegde overheid rekening te houden met internationale aanbevelingen op dit gebied, met inbegrip van de laatste uitgave van de Internationale Medische Gids voor Schepen, en andere in paragraaf 2 van deze richtlijn genoemde handleidingen. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een lading die als gevaarlijk wordt aangemerkt niet is opgenomen in de meest recente uitgave van de Handleiding voor medische eerste hulp bij ongevallen met gevaarlijke stoffen, zou de nodige informatie over de aard van de stoffen, over de risico's, de nodige voorzieningen voor persoonlijke bescherming, de relevante medische procedures en specifieke tegengiffen voor zeevarenden toegankelijk moeten zijn.De specifieke tegengiffen en persoonlijke beschermingsmiddelen moeten aan boord aanwezig zijn wanneer gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Deze informatie zou moeten zijn opgenomen in de beleidsregels en in de programma's van het schip betreffende veiligheid en gezondheid op het werk als beschreven in voorschrift 4.3 en in de daaraan gerelateerde bepalingen in de Code. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op alle schepen zou een volledige en actuele lijst van radiostations aanwezig moeten zijn via welke medisch advies kan worden verkregen; indien het schip met een satellietcommunicatiesysteem is uitgerust, moet bovendien een actuele en volledige lijst aan boord zijn van kust-grondstations via welke medisch advies kan worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeevarenden die verantwoordelijk zijn voor de medische zorgen of eerste hulp aan boord moeten instructies hebben ontvangen in het gebruik van het medisch handboek van het schip en het medisch gedeelte van de meest recente uitgave van het Internationaal Seinboek teneinde hen in staat te stellen te begrijpen welke informatie de adviserende arts nodig heeft alsmede te begrijpen wat dit advies inhoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.1.2 - Formulier medisch rapportage 1. Het standaardformulier voor medische rapportage als vereist ingevolge Deel A van deze Code zou zodanig moeten zijn ontworpen dat de uitwisseling van medische en daaraan gerelateerde informatie betreffende individuele zeevarenden tussen het schip en de wal in geval van ziekte of ongeval wordt vergemakkelijkt. Richtlijn B4.1.3 - Medische zorgen aan land 1. De medische voorzieningen aan land voor de behandeling van zeevarenden zouden voor het doel geschikt moeten zijn.De artsen, tandartsen en het overige medisch personeel zouden naar behoren gekwalificeerd moeten zijn. 2. Maatregelen zouden moeten worden genomen om zeevarenden, wanneer zij in de haven zijn, de toegang te bieden tot : a) een poliklinische behandeling bij ziekte of ongeval;b) ziekenhuisopname indien nodig;en c) tandheelkundige behandeling, vooral in noodgevallen.3. Passende maatregelen zouden moeten worden getroffen om de behandeling van zeevarenden die aan een kwaal lijden te vergemakkelijken.In het bijzonder moeten zeevarenden onverwijld en zonder problemen worden toegelaten tot klinieken en ziekenhuizen aan land, ongeacht hun nationaliteit of godsdienst, en waar mogelijk moeten - indien nodig - regelingen worden getroffen om voortzetting van de behandeling ter aanvulling op de medische voorzieningen die hen ter beschikking staan, te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.1.4 - Medische bijstand aan andere schepen en internationale samenwerking 1. Elk Lid zou de nodige aandacht moeten geven aan deelname aan internationale samenwerking op het gebied van bijstand, programma's en onderzoek op het gebied van gezondheidsbescherming en medische zorgen. Een dergelijke samenwerking zou betrekking kunnen hebben op : a) het ontwikkelen en coördineren van opsporings- en reddingsacties en het organiseren van snelle medische hulp en evacuatie op zee in geval van ernstige ziekte of bij een ernstig ongeval aan boord van een schip, door middel van systemen voor periodieke melding van de scheepspositie, coördinatiecentra voor reddingsoperaties en de inzet van helikopters bij noodgevallen, zulks in overeenstemming met het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee, 1979, als gewijzigd, en het IMO-handboek betreffende internationale aëronautische en maritieme zoek- en reddingsoperaties (IAMSAR);b) het optimaal gebruik maken van alle schepen die een arts aan boord hebben en van op zee gestationeerde schepen die hospitaal- en reddingsfaciliteiten kunnen verschaffen;c) het opstellen en bijhouden van een internationale lijst van artsen en medische instellingen die over de hele wereld beschikbaar zijn voor het verlenen van spoedeisende medische hulp aan zeevarenden;d) het debarkeren van zeevarenden voor spoedeisende hulp;e) het repatriëren, zodra dit mogelijk is, van zeevarenden die in het buitenland in een ziekenhuis zijn opgenomen overeenkomstig het medisch advies van de behandelende artsen en rekening houdend met de wensen en de behoeften van de zeevarende;f) het zorgen voor persoonlijke bijstand aan zeevarenden tijdens de repatriëring overeenkomstig het medisch advies van de behandelende artsen en rekening houdend met de wensen en de behoeften van de zeevarende;g) het streven naar de oprichting van gezondheidscentra voor zeevarenden teneinde : i.onderzoek te doen naar de gezondheidstoestand, de medische behandeling en de preventieve gezondheidszorg voor zeevarenden; en ii. medici en personeel in de gezondheidszorg op te leiden in de maritieme geneeskunde; h) het verzamelen en evalueren van statistische gegevens inzake arbeidsongevallen, beroepsziekten en sterfgevallen van zeevarenden en het opnemen van de statistieken in een nationaal systeem van statistieken dat de arbeidsongevallen en beroepsziekten van andere categorieën werknemers omvat en ze daarmee in overeenstemming brengen;i) het organiseren van internationale uitwisselingen van technische informatie, lesmateriaal en docenten, alsmede het organiseren van internationale cursussen, seminars en werkgroepen;j) het verschaffen van speciale, zowel curatieve als preventieve gezondheidszorg- en medische diensten aan alle zeevarenden in de havens of het hen ter beschikking stellen van algemene gezondheids- en revalidatiediensten;en k) het regelen van de repatriëring, zodra dit mogelijk is, van het stoffelijk overschot of van de as van overleden zeevarenden overeenkomstig de wensen van hun naaste familie.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De internationale samenwerking op het gebied van gezondheidsbescherming en medische zorgen voor zeevarenden zou gebaseerd moeten zijn op bilaterale of multilaterale overeenkomsten of op overleg tussen Leden. Richtlijn B4.1.5 - Gezinsleden van zeevarenden 1. Elk Lid zou maatregelen moeten nemen ter waarborging van behoorlijke en voldoende medische zorgen voor de gezinsleden van zeevarenden die van hen afhankelijk zijn die op zijn grondgebied woonachtig zijn, hangende de ontwikkeling van een medische dienst voor werknemers en hun gezinsleden indien dergelijke diensten niet bestaan, en moet het Internationaal Arbeidsbureau op de hoogte brengen van de voor dit doel getroffen maatregelen. Voorschrift 4.2 - Aansprakelijkheid van de reder Doel : Waarborgen dat zeevarenden worden beschermd tegen de financiële gevolgen van ziekte, ongeval of overlijden die voortvloeien uit hun werkzaamheden 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk Lid dient te waarborgen dat er, in overeenstemming met de Code, op schepen die zijn vlag voeren maatregelen zijn getroffen om zeevarenden die op de schepen werkzaam zijn recht geven op materiële bijstand en ondersteuning door de reder ter zake van de financiële gevolgen van ziekte, ongeval of overlijden terwijl zij werkzaam zijn uit hoofde van een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst of voortvloeiend uit hun tewerkstelling ingevolge een dergelijke overeenkomst.2. Dit voorschrift doet geen afbreuk aan andere rechtsmiddelen die een zeevarende zou kunnen aanwenden. Norm A4.2 - Aansprakelijkheid van de reder 1. Elk Lid neemt wet- of regelgeving aan waarin wordt vereist dat reders van schepen die zijn vlag voeren, verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de gezondheid en medische zorgen van alle zeevarenden die aan boord van de schepen werken, in overeenstemming met de volgende minimumnormen : a) reders zijn aansprakelijk voor de kosten gemaakt door op hun schepen werkzame zeevarenden met betrekking tot ziekte en ongevallen van de zeevarenden die zich voordoen tussen de datum van de aanvang van de dienst en de datum waarop zij worden geacht naar behoren te zijn gerepatrieerd, of voortvloeiend uit hun tewerkstelling tussen die data;b) reders moeten financiële zekerheid stellen ten behoeve van compensatie in het geval van overlijden of langdurige ongeschiktheid van zeevarenden als gevolg van een arbeidsongeval, beroepsziekte of bedrijfsrisico, als vervat in de nationale wetgeving, de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst of collectieve arbeidsovereenkomst;c) reders zijn aansprakelijk voor de vergoeding van kosten van medische zorgen, met inbegrip van medische behandeling en de verstrekking van de benodigde geneesmiddelen en overige therapeutische middelen en kost en inwoning buiten zijn woonplaats totdat de zieke of gewonde zeevarende is hersteld, of verklaard is dat de ziekte of arbeidsongeschiktheid van blijvende aard is;en d) reders zijn aansprakelijk voor de betaling van de uitvaartkosten in geval van overlijden aan boord van het schip of aan land gedurende de periode van aanstelling.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nationale wet- of regelgeving kan de aansprakelijkheid van de reder voor de vergoeding van de kosten van medische zorgen, onderhoud en verblijf beperken tot een tijdvak van ten minste 16 weken, te rekenen vanaf de datum van het ongeval of van de aanvang van de ziekte.3. Wanneer de ziekte of het letsel leidt tot arbeidsongeschiktheid is de reder aansprakelijk : a) voor de betaling van het volledige loon zolang de zieke of gewonde zeevarenden aan boord blijven of totdat de zeevarenden in overeenstemming met dit Verdrag zijn gerepatrieerd;en b) voor de gehele of gedeeltelijke betaling van de lonen als voorgeschreven door de nationale wet- of regelgeving of als voorzien in collectieve arbeidsovereenkomsten, vanaf het tijdstip waarop de zeevarenden worden gerepatrieerd of afgemonsterd totdat zij zijn hersteld of, eerder indien die datum eerder valt, totdat zij recht hebben op een uitkering ingevolge de wetgeving van het betrokken Lid.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nationale wet- of regelgeving kan de aansprakelijkheid van de reder voor de betaling van het gehele of gedeeltelijke loon van een zeevarende die niet langer aan boord is, beperken tot een tijdvak van ten minste 16 weken, te rekenen vanaf de datum van het ongeval of van de aanvang van de ziekte.5. De nationale wet- of regelgeving kan aansprakelijkheid van de reder uitsluiten ten aanzien van : a) letsel ontstaan anders dan tijdens de dienst op het schip;b) letsel of ongeval als gevolg van opzettelijk onjuist handelen van de zieke, gewonde of overleden zeevarende;en c) opzettelijk verzwegen ziekte of aandoening bij het aangaan van het dienstverband.6. De nationale wet- of regelgeving mag aansprakelijkheid van de reder uitsluiten voor de betaling van kosten van medische zorgen en onderhoud en huisvesting- en begrafeniskosten voor zover deze aansprakelijkheid door de overheid wordt overgenomen.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reders of hun vertegenwoordigers moeten maatregelen nemen voor het veilig bewaren van eigendommen die aan boord zijn achtergelaten door zieke, gewonde of overleden zeevarenden en voor het teruggeven ervan aan hen of aan hun naaste verwanten. Richtlijn B4.2 - Aansprakelijkheid van reders 1. De volgens paragraaf 3 (a) van norm A4.2 vereiste betaling van het volledige loon kan exclusief premies zijn. 2. De nationale wet- of regelgeving kan erin voorzien dat een reder niet langer aansprakelijk is voor de betaling van de kosten van een zieke of gewonde zeevarende vanaf het tijdstip waarop die zeevarende recht heeft op medische verstrekkingen op grond van een stelsel van verplichte ziekteverzekering of verplichte ongevallenverzekering of op schadeloosstelling bij arbeidsongevallen.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nationale wet- of regelgeving kan erin voorzien dat door de reder betaalde begrafeniskosten door een verzekeringsmaatschappij worden vergoed in gevallen waarin ingevolge de wet- of regelgeving inzake sociale verzekering of schadeloosstelling van werknemers ten gunste van de overleden zeevarende een uitvaartverzekering wordt uitgekeerd. Voorschrift 4.3 - Bescherming van de gezondheid en veiligheid en ongevallenpreventie Doel : Waarborgen dat de werkomgeving van zeevarenden bijdraagt tot hun veiligheid en gezondheid op het werk 1. Elk Lid moet waarborgen dat de gezondheid op het werk van zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren, wordt beschermd en dat zij aan boord van het schip in een veilige en hygiënische omgeving kunnen wonen, werken en worden opgeleid.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk Lid ontwikkelt en publiceert nationale richtlijnen ten behoeve van de veiligheid en gezondheid op het werk aan boord van schepen die zijn vlag voeren, na overleg met de representatieve organisaties van reders en zeevarenden en met inachtneming van de toepasselijke codes, richtlijnen en normen aanbevolen door internationale organisaties, nationale overheden en organisaties in de maritieme sector.3. Elk Lid neemt wet- of regelgeving alsmede andere maatregelen aan ten behoeve van de in de Code genoemde aangelegenheden, met inachtneming van de desbetreffende internationale instrumenten, en stelt normen op voor de veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie op schepen die zijn vlag voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm A4.3 - Bescherming van de gezondheid en veiligheid en ongevallenpreventie 1. De in overeenstemming met paragraaf 3 van voorschrift 4.3 aan te nemen wet- of regelgeving en andere maatregelen moeten de volgende onderwerpen behelzen : a) het aannemen en daadwerkelijk uitvoeren en bevorderen van beleidsmaatregelingen en programma's voor de veiligheid en gezondheid aan boord van schepen die de vlag van het Lid voeren, met inbegrip van risicobeoordeling alsmede opleiding en training van zeevarenden;b) redelijke voorzorgen ter voorkoming van arbeidsongevallen, letsel en ziekten aan boord van schepen, met inbegrip van maatregelen ter vermindering en voorkoming van het risico van blootstelling aan schadelijke niveaus van omgevingsfactoren en chemische stoffen alsmede van het risico van letsel of ziekte voortvloeiend uit het gebruik van uitrusting en machines aan boord van schepen;c) programma's aan boord ter voorkoming van arbeidsongevallen, letsel en ziekten en voor de voortdurende verbetering van de veiligheid en gezondheidsbescherming, met betrokkenheid van de vertegenwoordigers van zeevarenden en alle overige personen die betrokken zijn bij de uitvoering hiervan, met inachtneming van preventieve maatregelen, met inbegrip van toezicht op bouw en ontwerp, vervanging van processen en procedures voor collectieve en individuele taken, en gebruikmaking van persoonlijke beschermende uitrusting;en d) vereisten voor het inspecteren, rapporteren en corrigeren van onveilige omstandigheden en voor het onderzoeken en rapporteren van arbeidsongevallen aan boord.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in paragraaf 1 van deze norm bedoelde bepalingen : a) moet rekening worden gehouden met de van toepassing zijnde internationale instrumenten op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk in het algemeen en met specifieke risico's, en moeten alle aangelegenheden aan bod komen die relevant zijn voor de voorkoming van arbeidsongevallen, letsel en ziekten die van toepassing kunnen zijn op de werkzaamheden van zeevarenden en in het bijzonder die welke eigen zijn aan de arbeid in de zeevaart;b) moeten duidelijk de verplichtingen van reders, zeevarenden en andere betrokkenen worden vermeld met betrekking tot de naleving van de toepasselijke normen, beleidsregels en de programma's aan boord voor de veiligheid en gezondheid, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar de gezondheid en veiligheid van zeevarenden onder de leeftijd van 18 jaar;c) moeten de taken van de kapitein en/of een door de kapitein aangewezen persoon worden vermeld met betrekking tot het nemen van specifieke verantwoordelijkheid voor de uitvoering en naleving van de beleidsregels en de programma's aan boord voor veiligheid en gezondheid op het werk;en d) moet het gezag worden omschreven van de als veiligheidvertegenwoordigers aangewezen of gekozen zeevarenden van het schip die bevoegd zijn deel te nemen aan de vergaderingen van de veiligheidscommissie van het schip.Een dergelijke commissie moet worden ingesteld aan boord van schepen met vijf of meer zeevarenden. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in paragraaf 3 van voorschrift 4.3 bedoelde wet- of regelgeving en andere maatregelen moeten regelmatig in overleg met de vertegenwoordigers van de organisaties van reders en zeevarenden worden getoetst en, indien nodig, worden herzien om rekening te houden met de veranderingen op het gebied van technologie en onderzoek teneinde de voortdurende verbetering van beleid en regelingen op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk te vergemakkelijken en een veilige werkomgeving te bieden aan zeevarenden op schepen die de vlag van het Lid voeren. 4. De naleving van de vereisten van de toepasselijke internationale instrumenten met betrekking tot de aanvaardbare niveaus van blootstelling aan gevaren op de werkplek aan boord van schepen en met betrekking tot de ontwikkeling en uitvoering van beleid en programma's voor de veiligheid en gezondheid op het werk aan boord van schepen wordt geacht toereikend te zijn om aan de vereisten van dit Verdrag te voldoen.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde overheid ziet erop toe dat : a) arbeidsongevallen, letsel en ziekten naar behoren worden gerapporteerd, met inachtneming van de door de Internationale Arbeidsorganisatie verstrekte aanwijzingen met betrekking tot de melding en registratie van arbeidsongevallen en beroepsziekten;b) van dergelijke ongevallen en ziekten uitgebreide statistieken worden bijgehouden, geanalyseerd en gepubliceerd en, waar nodig, aangevuld met onderzoek naar algemene trends en onderkende risico's; en c) arbeidsongevallen worden onderzocht.6. De meldings- en onderzoeksactiviteiten op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk moeten zodanig worden opgezet dat de bescherming van de persoonsgegevens van de zeevarenden wordt gewaarborgd, waarbij rekening moet worden gehouden met de door de Internationale Arbeidsorganisatie op dit gebied verschafte aanwijzingen.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde overheid werkt met de organisaties van reders en zeevarenden samen bij het treffen van maatregelen om informatie betreffende specifieke risico's aan boord van schepen onder de aandacht van alle zeevarenden te brengen, bijvoorbeeld door het aanbrengen van officiële mededelingen met relevante instructies.8. De bevoegde overheid moet eisen dat reders die risico-evaluaties uitvoeren ten behoeve van het beheer van de veiligheid en gezondheid op het werk verwijzen naar de eigen statistische informatie omtrent hun schepen en naar de door de bevoegde overheid verstrekte algemene statistieken. Richtlijn B4.3 - Bescherming van de gezondheid en veiligheid en ongevallenpreventie Richtlijn B4.3.1 - Bepalingen inzake arbeidsongevallen, letsel en ziekten 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de ingevolge norm A4.3 vereiste bepalingen zou rekening moeten worden gehouden met de Gedragscode voor de Preventie van Ongevallen aan boord van een schip op zee en in de haven, 1996 en latere versies en andere daaraan gerelateerde normen van de Internationale Arbeidsorganisatie en overige internationale normen en leidraden en codes met betrekking tot de veiligheid en de gezondheidsbescherming op het werk, met inbegrip van de eventueel hierin vastgestelde blootstellingsniveaus. 2. De bevoegde overheid zou ervoor moeten zorg dragen dat de nationale richtlijnen ten behoeve van het beheer van de veiligheid en gezondheid op het werk gericht zijn op de volgende punten, in het bijzonder : a) algemene en fundamentele bepalingen;b) de constructie van het schip, met inbegrip van toegangsmiddelen en asbestgerelateerde risico's;c) machines;d) de effecten van extreem lage of hoge temperaturen van oppervlakken waarmee zeevarenden in aanraking kunnen komen;e) de effecten van geluid op de werkplek en in de verblijven aan boord;f) de effecten van trillingen op de werkplek en in de verblijven aan boord;g) de effecten van omgevingsfactoren, anders dan in de onderdelen e) en f) bedoelde factoren, op de werkplek en in de verblijven aan boord, met inbegrip van tabaksrook;h) bijzondere veiligheidsmaatregelen boven- en benedendeks;i) laad- en losvoorzieningen;j) het voorkomen en blussen van branden;k) ankers, kettingen en trossen;l) gevaarlijke lading en ballast;m) persoonlijke beschermingsuitrusting voor zeevarenden;n) werken in gesloten ruimten;o) fysieke en mentale effecten van vermoeidheid;p) de effecten van drugs- en alcoholverslaving;q) HIV/aids-bescherming en -preventie;en r) reactie bij noodgevallen en ongevallen.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van risico's en de vermindering van de blootstelling aan hetgeen in paragraaf 2 van deze richtlijn genoemd wordt zou rekening moeten worden gehouden met de fysieke gezondheidseffecten van de beroepsuitoefening, waaronder het tillen van lasten, geluid en trillingen, de chemische en biologische gezondheidseffecten van de beroepsuitoefening, de effecten van de beroepsuitoefening op de mentale gezondheid, de fysieke en mentale effecten van oververmoeidheid en arbeidsongevallen.De nodige maatregelen zouden gebaseerd moeten zijn op het beginsel van preventie, waarbij het aanpakken van de risico's bij de bron, aanpassing van het werk aan de persoon - in het bijzonder wat betreft de inrichting van werkplekken - en het vervangen van gevaarlijk werk door ongevaarlijk of minder gevaarlijk werk, voorrang hebben boven de persoonlijke beschermende uitrusting voor zeevarenden. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zou de bevoegde overheid ervoor zorg moeten dragen dat rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de gezondheid en veiligheid, in het bijzonder op de volgende gebieden : a) reactie bij noodgevallen en ongevallen;b) de effecten van drugs- en alcoholverslaving;en c) HIV/aids-bescherming en -preventie. Richtlijn B4.3.2 - Blootstelling aan geluid 1. De bevoegde overheid zou, samen met de bevoegde internationale organen en met de betrokken vertegenwoordigers van organisaties van reders en zeevarenden, het probleem van geluid aan boord van schepen voortdurend moeten toetsen teneinde de bescherming van zeevarenden, voor zover praktisch uitvoerbaar, tegen de nadelige gevolgen van blootstelling aan geluid te verbeteren.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in paragraaf 1 van deze richtlijn bedoelde toetsing zou rekening moeten worden gehouden met de nadelige gevolgen van blootstelling aan overmatig geluid voor het gehoor, de gezondheid en het welzijn van zeevarenden en met de maatregelen die worden voorgeschreven of aanbevolen om het geluid aan boord van schepen te verminderen teneinde zeevarenden te beschermen.De te overwegen maatregelen zouden het volgende moeten omvatten : a) onderricht aan zeevarenden over de gevaren voor het gehoor en de gezondheid van langdurige blootstelling aan hoge geluidsniveaus en over het juiste gebruik van gehoorbeschermingsmiddelen;b) de verstrekking van goedgekeurde gehoorbeschermingsmiddelen aan zeevarenden, waar nodig;en c) risicobeoordeling en vermindering van blootstellingsniveaus aan geluid in alle verblijven en ontspannings- en eetvoorzieningen, alsmede machinekamers en andere motorruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.3.3 - Blootstelling aan trillingen 1. De bevoegde overheid zou, samen met de bevoegde internationale organisaties en met de betrokken vertegenwoordigers van organisaties van reders en zeevarenden, en waar passend met in achtneming van de relevante internationale normen, het probleem van trillingen aan boord van schepen voortdurend moeten toetsen teneinde de bescherming van zeevarenden, voor zover praktisch uitvoerbaar, tegen de nadelige gevolgen van blootstelling aan trillingen te verbeteren.2. De in paragraaf 1 van deze richtlijn bedoelde toetsing zou rekening moeten houden met de nadelige gevolgen van blootstelling aan overmatige trillingen voor de gezondheid en het welzijn van zeevarenden en met de maatregelen die worden voorgeschreven of aanbevolen om de trillingen aan boord van schepen te verminderen teneinde zeevarenden te beschermen.De te overwegen maatregelen zouden het volgende moeten omvatten : a) onderricht aan zeevarenden over de gevaren voor hun gezondheid van langdurige blootstelling aan trillingen;b) de verstrekking van goedgekeurde persoonlijke beschermende uitrusting aan zeevarenden, waar nodig;en c) risico-evaluatie en vermindering van de blootstelling aan trillingen in alle verblijven en ontspannings- en eetvoorzieningen door het nemen van maatregelen in overeenstemming met de aanwijzingen in de Omgevingsfactoren op de werkplaats, 2001, en eventuele latere herzieningen, met inachtneming van het verschil tussen de blootstelling in die gedeelten en op de werkplek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.3.4 - Verplichtingen van reders 1. Elke verplichting voor de reder om te voorzien in beschermende uitrusting of andere waarborgen voor de voorkoming van ongevallen zou in het algemeen vergezeld moeten gaan van bepalingen waarin wordt vereist dat zeevarenden deze gebruiken en van verplichtingen voor zeevarenden om zich aan de desbetreffende maatregelen voor ongevallenpreventie en de bescherming van de gezondheid te houden.2. Tevens zou rekening moeten worden gehouden met de artikelen 7 en 11 van het Verdrag betreffende de beveiliging van machines, 1963 (Nr. 119), en de overeenkomstige bepalingen van de Aanbeveling betreffende de beveiliging van machines, 1963 (Nr. 118), waarin de werkgever verplicht wordt erop toe te zien dat in gebruik zijnde machines naar behoren worden beveiligd en het gebruik ervan zonder deugdelijke beveiliging wordt voorkomen, terwijl het de werkende verboden wordt de machines te gebruiken zonder dat de beveiliging is aangebracht of de aangebrachte beveiliging buiten werking te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.3.5 - Rapportage en verzameling van statistieken 1. Alle arbeidsongevallen en arbeidsletsels en beroepsziekten zouden moeten worden gerapporteerd zodat deze kunnen worden onderzocht en uitgebreide statistieken kunnen worden bijgehouden, geanalyseerd en gepubliceerd, met inachtneming van de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokken zeevarenden.Rapporten zouden niet beperkt mogen worden tot sterfgevallen of ongelukken waarbij het schip betrokken is. 2. In de in paragraaf 1 van deze richtlijn bedoelde statistieken zouden de aantallen, aard, oorzaken en gevolgen van arbeidsongevallen en -ziekten moeten worden geregistreerd, met, indien van toepassing, een duidelijke vermelding van de afdeling aan boord van het schip, het soort ongeval en of het ongeval zich op zee of in een haven heeft voorgedaan.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk Lid zou eventuele door de Internationale Arbeidsorganisatie ingestelde internationale systemen of modellen voor de registratie van ongevallen met zeevarenden in acht moeten nemen. Richtlijn B4.3.6 - Onderzoeken 1. De bevoegde overheid zou onderzoek moeten verrichten naar de oorzaken en omstandigheden van alle arbeidsongevallen en -ziekten die overlijden of ernstig letsel tot gevolg hebben, en andere gevallen als in de nationale wet- of regelgeving vervat.2. Overwogen zou moeten worden de volgende onderwerpen in onderzoeken op te nemen : a) werkomgeving, zoals werkoppervlakken, configuratie van machines, toegangen, verlichting en werkmethoden;b) frequentie van arbeidsongevallen en -ziekten in verschillende leeftijdsgroepen;c) bijzondere fysiologische of psychologische problemen die door het leefklimaat aan boord worden veroorzaakt;d) problemen veroorzaakt door fysieke stress aan boord, in het bijzonder als gevolg van toegenomen werkdruk;e) problemen met en gevolgen van technische ontwikkelingen en de invloed hiervan op de samenstelling van de bemanning;en f) problemen als gevolg van menselijk falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.3.7 - Nationale beschermings- en preventieprogramma's 1. Teneinde een gezonde basis te bieden voor maatregelen ter bevordering van de veiligheid, de gezondheid op het werk en de preventie van ongevallen, letsel en ziekten die toe te schrijven zijn aan de specifieke risico's van het werken op zee, zou onderzoek moeten worden verricht naar algemene trends en naar de risico's die uit de statistieken blijken.2. De uitvoering van beschermings- en preventieprogramma's ter bevordering van de veiligheid en gezondheid op het werk zou zodanig moeten worden opgezet dat de bevoegde overheid, reders en zeevarenden of hun vertegenwoordigers en andere aangewezen organisaties een actieve rol kunnen vervullen, onder andere door middel van voorlichting en richtlijnen aan boord betreffende maximumniveaus van blootstelling aan mogelijk schadelijke omgevingsfactoren op de werkplek en andere risico's of resultaten van een systematisch risicobeoordelingsproces.In het bijzonder zouden nationale of lokale gezamenlijke commissies voor veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie of ad hoc werkgroepen en commissies aan boord moeten worden ingesteld, waarin de betrokken organisaties van reders en zeevarenden vertegenwoordigd zijn. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer deze activiteiten op bedrijfsniveau plaatsvinden, moet de vertegenwoordiging van zeevarenden van veiligheidscommissies aan boord van schepen in overweging worden genomen. Richtlijn B4.3.8 - Inhoud van beschermings- en preventieprogramma's 1. Overwogen zou moeten worden de volgende punten op te nemen in de taken van de in paragraaf 2 van richtlijn B4.3.7 bedoelde commissies en andere organisaties : a) de opstelling van nationale richtlijnen en beleidsregels op het gebied van systemen voor beheer van de veiligheid en gezondheid op het werk en op het gebied van bepalingen, regels en handboeken voor ongevallenpreventie;b) het organiseren van opleidingen en programma's voor veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie;c) het organiseren van publiciteit op het gebied van veiligheid, gezondheid op het werk en ongevallenpreventie, waaronder films, posters, mededelingen en brochures;en d) het verspreiden van literatuur en voorlichting op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie, zodanig dat hiermee zeevarenden aan boord van schepen worden bereikt.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degenen die teksten opstellen op het gebied van maatregelen of aanbevelingen doen ten behoeve van de veiligheid en bescherming van de gezondheid op het werk en ongevallenpreventie zouden rekening moeten houden met de relevante bepalingen of aanbevelingen die zijn aangenomen door de desbetreffende nationale overheden of organisaties of internationale organisaties.3. Bij de opstelling van programma's voor veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie zou elk Lid naar behoren rekening moeten houden met eventuele door de Internationale Arbeidsorganisatie gepubliceerde gedragscodes betreffende de veiligheid en gezondheid van zeevarenden. Richtlijn B4.3.9 - Onderricht op het gebied van veiligheid, gezondheid op het werk en de preventie van arbeidsongevallen 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het leerplan voor de in paragraaf 1 (a) van norm A4.3 bedoelde opleiding zou periodiek moeten worden herzien en geactualiseerd in het licht van ontwikkelingen in scheepstypen en hun afmeting en uitrusting, alsmede de veranderingen op het gebied van bemannen, nationaliteit, taal en organisatie van de werkzaamheden aan boord. 2. Er zou voortdurend publiciteit moeten zijn voor veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie.Deze publiciteit zou de volgende vormen kunnen aannemen : a) audiovisuele leermiddelen zoals films, te gebruiken in opleidingscentra voor zeevarenden en waar mogelijk voor vertoning aan boord van schepen;b) het ophangen van posters aan boord van schepen;c) artikelen in tijdschriften die door zeevarenden worden gelezen over de risico's van het werken op zee en over maatregelen op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie;en d) speciale campagnes met gebruikmaking van uiteenlopende media om zeevarenden voorlichting te geven, met inbegrip van campagnes voor veilig werken.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in paragraaf 2 van deze richtlijn bedoelde publiciteit moet rekening worden gehouden met de uiteenlopende nationaliteiten, talen en culturen van zeevarenden aan boord van schepen. Richtlijn B4.3.10 - Veiligheids- en gezondheidsopleiding voor jonge zeevarenden 1. Veiligheids- en gezondheidsvoorschriften zouden moeten verwijzen naar algemene bepalingen inzake medisch onderzoek voor en gedurende de periode van tewerkstelling en naar ongevallenpreventie en gezondheid op het werk, die mogelijk op de werkzaamheden van zeevarenden van toepassing zijn.Deze voorschriften zouden maatregelen moeten aangeven die de beroepsrisico's voor jonge zeevarenden bij de uitvoering van hun taken tot een minimum beperken. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens wanneer een jonge zeevarende door de bevoegde overheid voor een bepaalde vaardigheid volledig bekwaam is verklaard, zouden de voorschriften beperkingen moeten aangeven voorjonge zeevarenden die, zonder deugdelijk toezicht en aanwijzingen, bepaalde typen werkzaamheden verrichten die bijzondere risico's van een ongeval of schadelijke gevolgen voor hun gezondheid of lichamelijke ontwikkeling met zich meebrengen, of een bepaalde mate van volwassenheid, ervaring of vaardigheid vereisen.Bij het vaststellen welke typen werkzaamheden door de voorschriften moeten worden beperkt, kan de bevoegde overheid in het bijzonder werkzaamheden in overweging nemen die het volgende omvatten : a) het tillen, verplaatsen of dragen van zware lasten of voorwerpen;b) het binnengaan van ketels, tanks en kofferdammen;c) blootstelling aan schadelijke geluid- en trillingsniveaus;d) het bedienen van hijstoestellen en andere elektrische machines en gereedschappen, of het geven van aanwijzingen aan degenen die deze apparatuur bedienen;e) het gebruik van meer- of sleeptrossen of ankeruitrusting;f) optuigen;g) werk op hoogte of aan dek bij zwaar weer;h) wachtlopen bij nacht;i) onderhoud van elektrische apparatuur;j) blootstelling aan potentieel gevaarlijke materialen, of fysische stoffen zoals gevaarlijke of toxische stoffen en ioniserende straling;k) het reinigen van voedselverwerkende machines;en l) het omgaan met of leiding nemen over de sloepen van het schip.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de bevoegde overheid of via de aangewezen mechanismen zouden praktische maatregelen moeten worden getroffen om informatie betreffende ongevallenpreventie en de bescherming van de gezondheid aan boord van schepen onder de aandacht van jonge zeevarenden te brengen.Deze maatregelen zouden onder andere kunnen bestaan uit adequate voorlichting in de vorm van cursussen, officiële publicaties op het gebied van ongevallenpreventie gericht op jongeren en de verzorging van beroepsopleidingen voor en toezicht op jonge zeevarenden. 4. Scholing en training van jonge zeevarenden zowel aan wal als aan boord van schepen zou voorlichting moeten omvatten over de schadelijke gevolgen voor hun gezondheid en welzijn van alcohol- en drugsmisbruik en andere potentieel schadelijke stoffen, en de risico's en zorgen met betrekking tot HIV/AIDS of andere activiteiten die een risico voor de gezondheid met zich meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.3.11 - Internationale samenwerking 1. De Leden zouden ernaar moeten streven om, eventueel met de hulp van intergouvernementele en andere internationale organisaties, samen te werken aan het bereiken van de grootst mogelijke eenheid van optreden ter bevordering van veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie. 2. Bij de ontwikkeling van programma's ter bevordering van veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie ingevolge norm A4.3 zou elk Lid de desbetreffende door de internationale Arbeidsorganisatie gepubliceerde gedragscodes en de desbetreffende normen van internationale organisaties naar behoren in acht moeten nemen. 3. De Leden zouden zich rekenschap moeten geven van de noodzaak van internationale samenwerking voor de permanente bevordering van activiteiten op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie.Deze samenwerking zou de volgende vormen kunnen aannemen : a) bilaterale of multilaterale regelingen voor uniformiteit van de normen en waarborgen op het gebied van veiligheid gezondheid op het werk en ongevallenpreventie;b) uitwisseling van informatie over specifieke risico's voor zeevarenden en over middelen ter bevordering van veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie;c) assistentie bij het testen van uitrusting en inspectie overeenkomstig de nationale voorschriften van de vlaggenstaat;d) samenwerking bij de opstelling en verspreiding van bepalingen, regels of handleidingen op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk en ongevallenpreventie;e) samenwerking bij de vervaardiging en het gebruik van hulpmiddelen voor scholing;en f) gezamenlijke voorzieningen voor, of wederzijdse bijstand bij, de opleiding van zeevarenden op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, ongevallenpreventie en veilig werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 4.4 - Toegang tot welzijnsvoorzieningen aan wal Doel : Waarborgen dat zeevarenden die aan boord van een schip werkzaam zijn toegang hebben tot voorzieningen en diensten aan land ten behoeve van hun gezondheid en welzijn 1. Elk Lid draagt er zorg voor dat welzijnsvoorzieningen aan wal, indien aanwezig, gemakkelijk toegankelijk zijn.Elk Lid moet tevens de ontwikkeling van welzijnsvoorzieningen, zoals in de Code vermeld, in aangewezen havens bevorderen om zeevarenden op schepen die zich in zijn havens bevinden, toegang te verlenen tot geschikte welzijnsvoorzieningen en -diensten. 2. De verantwoordelijkheden van elk Lid met betrekking tot voorzieningen aan wal, zoals voorzieningen op het gebied van welzijn, cultuur, ontspanning en informatie en diensten, zijn vervat in de Code.</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm A4.4 - Toegang tot welzijnsvoorzieningen aan wal 1. Elk Lid vereist, wanneer op zijn grondgebied welzijnsvoorzieningen bestaan, dat deze beschikbaar zijn voor gebruik door alle zeevarenden, ongeacht nationaliteit, ras, huidskleur, geslacht, godsdienst, politieke overtuiging of sociale achtergrond en ongeacht de vlaggenstaat van het schip waarop zij zijn tewerkgesteld, zijn aangesteld of werkzaam zijn.2. Elk Lid moet de ontwikkeling van welzijnsvoorzieningen in daartoe geschikte havens van het land bevorderen en, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, vaststellen welke havens als geschikt moeten worden aangemerkt.3. Elk Lid moet de instelling van welzijnsraden bevorderen die de welzijnsvoorzieningen en -diensten regelmatig doorlichten om te waarborgen dat deze geschikt blijven gelet op de veranderingen in de behoeften van zeevarenden voortvloeiend uit technische, bedrijfsmatige en andere ontwikkelingen in de scheepvaartsector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.4 - Toegang tot welzijnsvoorzieningen aan wal Richtlijn B4.4.1 - Verantwoordelijkheden van Leden 1. Elk Lid zou : a) maatregelen moeten treffen om te garanderen dat voor zeevarenden in aangewezen aanloophavens geschikte welzijnsvoorzieningen en -diensten beschikbaar zijn en dat zeevarenden adequate bescherming wordt geboden bij de uitoefening van hun beroep;en b) bij de uitvoering van deze maatregelen rekening moeten houden met de bijzondere behoeften van zeevarenden wat betreft hun veiligheid, gezondheid en ontspanning, met name in het buitenland en bij het binnenvaren van oorlogsgebieden.2. In de maatregelen voor het toezicht op welzijnsvoorzieningen en -diensten zou deelname van de betrokken representatieve organisaties van reders en van zeevarenden moeten zijn geregeld.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk Lid zou maatregelen moeten treffen gericht op het bespoedigen van de vrije verspreiding tussen schepen, centrale bevoorradingsorganen en welzijnsinstanties van welzijnsmaterialen zoals films, boeken, kranten en sportbenodigdheden voor gebruik door zeevarenden aan boord van hun schepen en in welzijncentra aan land.4. De Leden zouden met elkaar moeten samenwerken om het welzijn van zeevarenden op zee en in de havens te bevorderen.Deze samenwerking zou de volgende maatregelen moeten omvatten : a) overleg tussen de bevoegde overheden gericht op het verschaffen en verbeteren van welzijnsvoorzieningen en -diensten, zowel op zee als in de haven;b) overeenkomsten inzake het gemeenschappelijk gebruik van middelen en het gezamenlijk voorzien in welzijnsvoorzieningen in grote havens teneinde onnodige doublures van voorzieningen te vermijden;c) de organisatie van internationale sportwedstrijden en het aanmoedigen van deelname daaraan door zeevarenden;en d) de organisatie van internationale seminars die betrekking hebben op het welzijn van zeevarenden op zee en in de haven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.4.2 - Welzijnsvoorzieningen en -diensten in havens 1. Elk Lid zou die welzijnsvoorzieningen en -diensten moeten verschaffen, dan wel erop toezien dat zij worden verschaft, die nodig worden geacht in de daarvoor geschikte havens van het land.2. De welzijnsvoorzieningen en -diensten zouden moeten worden verschaft in overeenstemming met de nationale omstandigheden en gebruiken door een of meer van de volgende instellingen : a) overheden;b) betrokken organisaties van reders en zeevarenden krachtens collectieve overeenkomsten of andere overeengekomen regelingen;en c) vrijwilligersorganisaties.3. In de havens zouden de noodzakelijke faciliteiten voor welzijn en ontspanning in het leven moeten worden geroepen of ontwikkeld.Deze zouden het volgende moeten omvatten : a) vergader- en ontspanningsruimten al naargelang de behoefte;b) sportfaciliteiten en andere voorzieningen in de openlucht, inclusief wedstrijdverband;c) educatieve faciliteiten;en d) waar toepasselijk voorzieningen voor godsdienstige plechtigheden en voor het verkrijgen van persoonlijke adviesverlening.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorzieningen kunnen worden verschaft door het naar behoefte beschikbaar stellen aan zeevarenden van voorzieningen voor meer algemeen gebruik.5. Wanneer een groot aantal zeevarenden van verschillende nationaliteiten in een bepaalde haven behoefte heeft aan voorzieningen zoals hotels, clubs en sportfaciliteiten, zouden de bevoegde overheden of organisaties van de landen van herkomst van de zeevarenden en van de vlaggenstaten alsmede de betrokken internationale verenigingen, overleg moeten plegen en samenwerken, zowel met elkaar als met de bevoegde overheden en instellingen van het land waarin de betreffende haven is gelegen, teneinde hun middelen te bundelen en onnodige doublures te vermijden.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar er behoefte aan is, zouden hotels of tehuizen voor zeevarenden beschikbaar moeten zijn.Deze hotels of tehuizen zouden voorzieningen moeten bieden die gelijk zijn aan die van goede hotels en waar mogelijk in een goede buurt gelegen zijn, buiten de onmiddellijke omgeving van de haven. Dergelijke hotels of tehuizen moeten naar behoren onder toezicht staan, de tarieven zouden moeten redelijk zijn en, waar nodig en mogelijk, zouden regelingen moeten worden getroffen voor het onderbrengen van de gezinnen van zeevarenden. 7. Deze accommodaties zouden toegankelijk moeten zijn voor alle zeevarenden, ongeacht nationaliteit, ras, huidskleur, geslacht, godsdienst, politieke overtuiging of sociale achtergrond en ongeacht de vlaggenstaat van het schip waarop zij aangesteld zijn of werkzaam zijn.Zonder dit beginsel te schenden kan het in sommige havens nodig zijn verschillende soorten voorzieningen te creëren, die kwalitatief vergelijkbaar zijn, maar zijn aangepast aan de gebruiken en behoeften van verschillende groepen zeevarenden. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zouden maatregelen moeten worden genomen om te waarborgen dat er, voor zover nodig, naast eventuele vrijwilligers, vakbekwaam personeel met een volledige dagtaak in dienst wordt genomen voor het beheer van de welzijnsvoorzieningen en -diensten. Richtlijn B4.4.3 - Welzijnscommissies 1. Er zouden welzijnscommissies op haven- op regionaal of op nationaal niveau moeten worden ingesteld.Deze zouden onder andere de volgende functies kunnen hebben : a) zich ervan vergewissen of de bestaande welzijnsvoorzieningen voldoen en te bepalen of het nodig is bijkomende voorzieningen te verschaffen of voorzieningen waarvan te weinig gebruik wordt gemaakt, op te heffen;en b) het bijstaan en adviseren van hen die verantwoordelijk zijn voor de verschaffing van welzijnsvoorzieningen en het waarborgen van samenwerking tussen hen.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de welzijnscommissies zouden vertegenwoordigers vanuit de organisaties van reders en van zeevarenden, de bevoegde overheden en indien van toepassing, vrijwilligersorganisaties en maatschappelijke organisaties deel moeten uitmaken.3. Waar nodig zouden consuls van maritieme staten en plaatselijke vertegenwoordigers van buitenlandse welzijnsorganisaties, in overeenstemming met de nationale wet- of regelgeving, moeten worden betrokken bij het werk van de welzijnscommissies in de haven, de regio of op landelijk niveau. Richtlijn B4.4.4 - Financiering van welzijnsvoorzieningen 1. In overeenstemming met de nationale omstandigheden en de praktijk zou de financiële ondersteuning voor welzijnsvoorzieningen in havens beschikbaar moeten worden gesteld vanuit een van de volgende bronnen : a) overheidssubsidies;b) heffingen of andere te betalen contributies uit scheepvaartkringen;c) vrijwillige bijdragen van reders, van zeevarenden of van hun organisaties;en d) vrijwillige bijdragen uit andere bronnen.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer belastingen, heffingen en speciale contributies voor welzijnsdiensten worden opgelegd, zouden deze uitsluitend moeten worden gebruikt voor het doel waarvoor zij worden geheven. Richtlijn B4.4.5 - Verspreiding van informatie en bevorderende maatregelen 1. Onder zeevarenden zou informatie moeten worden verspreid over alle voor het algemene publiek toegankelijke voorzieningen in de aanleghavens - in het bijzonder wat betreft vervoer, welzijn, amusement, educatie en gebedshuizen - alsook over de speciaal aan zeevarenden ter beschikking gestelde voorzieningen.2. Er zouden tegen billijke prijzen op ieder redelijk tijdstip passende transportmiddelen beschikbaar moeten zijn om de zeevarenden in staat te stellen vanuit geschikte punten in het havengebied een stad te bereiken.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde overheden zouden alle nodige maatregelen moeten treffen om reders en zeevarenden die in een haven aankomen in kennis te stellen van alle bijzondere wetten en gebruiken, die bij schending kunnen leiden tot vrijheidsstraffen.4. De bevoegde overheden zouden de havenzones en de toegangswegen moeten voorzien van voldoende verlichting en bewegwijzering en regelmatige surveillance, ter waarborging van de veiligheid van de zeevarenden. Richtlijn B4.4.6 - Zeevarenden in een buitenlandse haven 1. Met het oog op de bescherming van zeevarenden in buitenlandse havens zouden maatregelen moeten worden genomen ter vereenvoudiging van : a) de toegang tot consuls van de Staat van hun nationaliteit of van de Staat waarin zij woonachtig zijn;en b) efficiënte samenwerking tussen de consuls en de lokale en nationale overheden.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeevarenden die in een buitenlandse haven zijn gedetineerd, zouden zo snel mogelijk moeten worden berecht, met inachtneming van een behoorlijke rechtsgang en met de nodige consulaire bescherming.3. Wanneer een zeevarende op het grondgebied van een Lid gedetineerd is, om welke reden dan ook, zou de bevoegde overheid, indien de zeevarende daarom verzoekt, de vlaggenstaat en de Staat van de nationaliteit van de zeevarende daarvan onverwijld in kennis moeten stellen.De bevoegde overheid moet de zeevarende onverwijld op de hoogte brengen van zijn recht een dergelijk verzoek in te dienen. De Staat van de nationaliteit van de zeevarende moet onverwijld diens naaste familieleden waarschuwen. De bevoegde overheid zou aan de consulaire vertegenwoordigers van deze Staten onmiddellijke toegang tot de zeevarende en daarna regelmatige bezoeken moeten toelaten en dit zolang de zeevarende wordt vastgehouden. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk Lid zou maatregelen moeten nemen om, indien nodig, zeevarenden te beschermen tegen agressie en andere wederrechtelijke gedragingen wanneer schepen zich in hun territoriale wateren bevinden en in het bijzonder in de aanlooproutes tot havens.5. Degenen die hiervoor in de haven en aan boord verantwoordelijk zijn, zouden al het mogelijke in het werk moeten stellen om walverlof voor zeevarenden zo spoedig mogelijk na aankomst van het schip in de haven aan wal willen gaan, te vergemakkelijken. Voorschrift 4.5 - Sociale zekerheid Doel : Waarborgen dat maatregelen worden getroffen om zeevarenden toegang te verschaffen tot sociale zekerheidsbescherming 1. Elk Lid draagt er zorg voor dat alle zeevarenden en, voor zover voorzien in zijn nationale recht, hun gezinsleden toegang hebben tot sociale zekerheidsbescherming in overeenstemming met de Code, zonder evenwel afbreuk te doen aan eventueel gunstiger voorwaarden als bedoeld in artikel 19, paragraaf 8, van de Constitutie.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk Lid verplicht zich ertoe in overeenstemming met zijn nationale omstandigheden, individueel en door middel van internationale samenwerking, maatregelen te treffen om geleidelijk te komen tot volledige sociale zekerheidsbescherming voor zeevarenden.3. Elk Lid waarborgt dat zeevarenden op wie zijn wetgeving inzake sociale zekerheid van toepassing is en, voor zover voorzien in zijn nationale recht, hun gezinsleden, recht hebben op sociale zekerheidsbescherming die niet minder gunstig is dan die welke werknemers aan wal genieten. Norm A4.5 - Sociale zekerheid 1. De takken van sociale zekerheid die met het oog op het geleidelijk bereiken van volledige sociale zekerheidsbescherming ingevolge voorschrift 4.5 in aanmerking moeten worden genomen, zijn : medische zorgen, uitkering bij ziekte, werkloosheidsuitkering, ouderdomsuitkering, uitkering bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, kinderbijslag, moederschapsuitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkering en nabestaandenuitkering, ter aanvulling van de bescherming voorzien in voorschrift 4.1, inzake medische zorgen, en 4.2, inzake aansprakelijkheid van de reder, en ingevolge andere titels van dit Verdrag. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het tijdstip van ratificatie moet de door elk Lid in overeenstemming met paragraaf 1 van voorschrift 4.5 verschafte bescherming ten minste drie van de negen in paragraaf 1 van deze norm genoemde takken omvatten. 3. Elk Lid neemt overeenkomstig zijn nationale omstandigheden stappen om te voorzien in de in paragraaf 1 van deze norm bedoelde aanvullende sociale zekerheidsbescherming voor alle zeevarenden die normaliter op zijn grondgebied woonachtig zijn.Dit kan bijvoorbeeld worden bewerkstelligd door middel van passende bilaterale of multilaterale overeenkomsten of op premie gebaseerde stelsels. De hieruit voortvloeiende bescherming mag niet minder gunstig zijn dan die welke wordt genoten door werknemers aan wal die op hun grondgebied woonachtig zijn. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de toewijzing van verantwoordelijkheden in paragraaf 3 van deze norm, mogen Leden, door middel van bilaterale en multilaterale overeenkomsten en door middel van bepalingen aangenomen in het kader van regionale organisaties voor economische integratie, andere regels aannemen inzake de sociale zekerheidswetgeving die op zeevarenden van toepassing is. 5. De verantwoordelijkheden van elk Lid ten aanzien van zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren omvatten die welke zijn voorzien in de voorschriften 4.1 en 4.2 en de daaraan gerelateerde bepalingen van de Code, alsmede die welke daaraan in zijn algemene verplichtingen ingevolge het internationale recht inherent zijn. 6. Elk Lid bestudeert de verschillende mogelijkheden waarop, in overeenstemming met het nationale recht en de praktijk, vergelijkbare uitkeringen aan zeevarenden worden verschaft in geval van afwezigheid van een passende dekking in de in paragraaf 1 van deze norm genoemde takken. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in paragraaf 1 van norm 4.5 genoemde bescherming kan, naar gelang van het geval, zijn vervat in wet- of regelgeving, in private regelingen of in collectieve arbeidsovereenkomsten of in een combinatie hiervan. 8. Voor zover verenigbaar met hun nationale recht en praktijk werken de Leden, door middel van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of andere regelingen, samen ter waarborging van de instandhouding van sociale zekerheidsrechten, al dan niet verschaft via op premiegebaseerde stelsels, die door alle zeevarenden ongeacht hun woonplaats zijn of worden verworven.9. Elk Lid stelt eerlijke en doeltreffende procedures op voor de regeling van geschillen.10. Elk Lid geeft op het tijdstip van ratificatie aan voor welke onderdelen bescherming wordt verschaft in overeenstemming met paragraaf 2 van deze norm.Daarna doet elk Lid aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau kennisgeving van elke uitbreiding van de sociale zekerheidsbescherming met een of meer andere van de in paragraaf 1 van deze norm genoemde takken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Directeur-Generaal houdt een register van deze informatie bij en stelt dit ter beschikking aan alle geïnteresseerde partijen. 11. De verslagen ten behoeve van het Internationaal Arbeidsbureau ingevolge artikel 22 van het Statuut moeten mede informatie bevatten met betrekking tot de in overeenstemming met paragraaf 2 van voorschrift 4.5 genomen stappen om de bescherming tot andere takken uit te breiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B4.5 - Sociale zekerheid 1. De in overeenstemming met paragraaf 2 van voorschrift A4.5 op het tijdstip van bekrachtiging te verschaffen bescherming zou ten minste de takken medische zorgen, ziekte-uitkering en uitkering bij arbeidsongevallen en beroepsziekten moeten omvatten. 2. Onder de in paragraaf 6 van norm A4.5 bedoelde omstandigheden mogen, met inachtneming van de bepalingen van de desbetreffende collectieve arbeidsovereenkomsten, vergelijkbare uitkeringen worden verschaft door middel van verzekering, bilaterale en multilaterale overeenkomsten of op een andere doeltreffende wijze. Wanneer dergelijke maatregelen worden aangenomen, zouden de zeevarenden op wie deze maatregelen van toepassing zijn op de hoogte moeten worden gebracht van de wijze waarop de uiteenlopende vormen van sociale zekerheidsbescherming worden verschaft. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer op zeevarenden meer dan een nationale sociale zekerheidswetgeving van toepassing is, zouden de betrokken Leden moeten samenwerken om in onderlinge overeenstemming vast te stellen welke wetgeving toepasselijk is, rekening houdend met factoren als het type en niveau van bescherming ingevolge de respectieve wetgevingen dat voor de betrokken zeevarende gunstiger is alsmede met de voorkeur van de zeevarende. 4. De ingevolge paragraaf 9 van norm A4.5 in te stellen procedures zouden zodanig moeten zijn geformuleerd dat alle geschillen met betrekking tot vorderingen van de betrokken zeevarenden worden gedekt, ongeacht de wijze waarop in de dekking wordt voorzien. 5. Elk Lid dat zeevarenden heeft die al dan niet zijn nationaliteit hebben en werkzaam zijn op schepen die zijn vlag voeren, zou de in het Verdrag genoemde toepasselijke sociale zekerheidsbescherming moeten verschaffen en regelmatig de in paragraaf 1 van norm A4.5 genoemde takken van sociale zekerheidsbescherming toetsen, teneinde eventuele voor de betrokken zeevarenden in aanmerking komende aanvullende takken in kaart te brengen. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst zou moeten vermelden in welke vorm de uiteenlopende takken van sociale zekerheidsbescherming door de reder aan de zeevarende worden verschaft, alsmede alle overige relevante informatie waarover de reder beschikt, zoals verplichte inhoudingen op de lonen van de zeevarenden en bijdragen van de reders die ingevolge de relevante nationale verzekeringsstelsels conform de vereisten van erkende instanties zouden kunnen worden toegepast.7. Het Lid waarvan het schip de vlag voert zou zich er bij de uitoefening van zijn rechtsbevoegdheid inzake sociale aangelegenheden van moeten vergewissen of de verantwoordelijkheden van de reders op het gebied van sociale zekerheidsbescherming worden nagekomen, met inbegrip van de betaling van de verschuldigde premie aan de socialezekerheidsstelsels.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 5. NALEVING EN HANDHAVING 1. De voorschriften van deze titel omschrijven de verantwoordelijkheid van elk Lid voor het volledig effectueren en handhaven van de beginselen en rechten vervat in de artikelen van dit Verdrag alsmede de bijzondere verplichtingen voorzien in de titels 1, 2, 3 en 4 volledig na te leven en te handhaven.2. Paragraaf 3 en 4 van artikel VI die de implementatie van Deel A van de Code toestaan door middel van wezenlijk gelijkwaardige bepalingen, zijn in deze titel niet van toepassing op Deel A van de Code.3. In overeenstemming met artikel VI, paragraaf 2, moet elk Lid zijn verantwoordelijkheden ingevolge de voorschriften effectueren op de wijze vermeld in de desbetreffende normen van Deel A van de Code, daarbij naar behoren de desbetreffende richtlijnen in Deel B van de Code in acht nemend.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van deze titel moeten worden geëffectueerd indachtig het beginsel dat zeevarenden en reders, evenals alle overige personen, voor de wet gelijk zijn en recht hebben op gelijke bescherming door de wet en niet mogen worden gediscrimineerd bij hun toegang tot de rechter, hoven of andere organen voor de regeling van geschillen.De bepalingen van deze titel zijn niet beslissend ten aanzien van de rechtsbevoegdheid of de bevoegde rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 5.1 - Verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat Doel : Waarborgen dat elk Lid zijn verantwoordelijkheden ingevolge dit Verdrag implementeert ten aanzien van schepen die zijn vlag voeren Voorschrift 5.1.1 - Algemene beginselen 1. Elk Lid is verantwoordelijk voor de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag op schepen die zijn vlag voeren. 2. Elk Lid stelt een doeltreffend systeem in voor inspectie en certificering van maritieme arbeidsomstandigheden, in overeenstemming met de voorschriften 5.1.3 en 5.1.4 en staat ervoor in dat de arbeids- en levensomstandigheden van zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren, voldoen aan de normen van dit Verdrag en hieraan blijven voldoen. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de instelling van een doeltreffend systeem voor de inspectie en certificering van maritieme arbeidsomstandigheden kan een Lid, waar passend, publieke instanties of andere organisaties (met inbegrip van die van een ander Lid, indien deze hiermee instemt) die het als bevoegd en onafhankelijk erkent, toestemming geven inspecties uit te voeren en/of certificaten af te geven.In alle gevallen blijft het Lid volledig verantwoordelijk voor de inspectie en certificering van de arbeids- en levensomstandigheden van de betrokken zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren. 4. Een maritiem arbeidscertificaat aangevuld met een conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid vormt prima facie bewijs dat het schip naar behoren is geïnspecteerd door het Lid waarvan het de vlag voert en dat aan de vereisten van dit Verdrag met betrekking tot de arbeids- en levensomstandigheden van de zeevarenden overeenkomstig de certificering is voldaan.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie met betrekking tot het in paragraaf 2 van dit voorschrift bedoelde systeem, met inbegrip van de gehanteerde methode voor de beoordeling van de doeltreffendheid ervan, moet worden opgenomen in de verslagen van het Lid aan het Internationaal Arbeidsbureau ingevolge artikel 22 van het Statuut. Norm A5.1.1 - Algemene beginselen 1. Elk Lid stelt duidelijke doelen en normen vast die betrekking hebben op de administratie van zijn inspectie- en certificeringssystemen, alsmede geschikte algemene procedures voor de beoordeling van de mate waarin die doelen en normen worden gehaald.2. Elk Lid moet eisen dat op alle schepen die zijn vlag voeren een exemplaar van dit Verdrag aan boord aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B5.1.1 - Algemene beginselen 1. De bevoegde overheid zou de nodige regelingen moeten treffen ter bevordering van effectieve samenwerking tussen de in de voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 bedoelde publieke instanties en andere organisaties die zich bezig houden met de arbeids- en levensomstandigheden van zeevarenden aan boord van schepen. 2. Teneinde de samenwerking tussen inspecteurs en reders, zeevarenden en hun organisaties beter te waarborgen en de arbeids- en levensomstandigheden van zeevarenden in stand te houden of te verbeteren, zou de bevoegde overheid regelmatig overleg moeten plegen met de vertegenwoordigers van deze organisaties zoveel als nodig is om genoemde doelen te verwezenlijken.De wijze waarop dit overleg plaatsvindt, zou moeten worden vastgesteld door de bevoegde overheid, na overleg met de organisaties van reders en zeevarenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 5.1.2 - Machtiging van erkende organisaties 1. De in paragraaf 3 van voorschrift 5.1.1 bedoelde publieke instanties of andere organisaties (« erkende organisaties ») moeten door de bevoegde overheid zijn erkend als te hebben voldaan aan de in de Code vervatte vereisten met betrekking tot bekwaamheid en onafhankelijkheid. De inspectie- of certificeringstaken waarvoor de erkende organisaties mogen worden gemachtigd, moeten vallen binnen de activiteiten waarvan uitdrukkelijk in de Code wordt vermeld dat deze door de bevoegde overheid of een erkende organisatie worden vervuld. 2. De in paragraaf 5 van voorschrift 5.1.1 bedoelde verslagen moeten informatie bevatten ten aanzien van alle erkende organisaties, het toepassingsgebied van de machtigingen en de regelingen die het Lid heeft getroffen om te waarborgen dat de toegestane activiteiten volledig en doeltreffend worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm A5.1.2 - Machtiging van erkende organisaties 1. Ten behoeve van de erkenning in overeenstemming met paragraaf 1 van voorschrift 5.1.2, toetst de bevoegde overheid de bekwaamheid en onafhankelijkheid van de betrokken organisatie en stelt zij vast of deze organisatie, in de mate vereist voor het verrichten van de activiteiten waarop de verleende erkenning van toepassing is, heeft aangetoond dat deze : a) de nodige expertise bezit op het gebied van de relevante aspecten van dit Verdrag alsmede de nodige kennis van de exploitatie van schepen, met inbegrip van de minimumvereisten voor zeevarenden om op een schip te werken, arbeidsomstandigheden, accommodatie, recreatieve voorzieningen, voeding en catering, ongevallenpreventie, bescherming van de gezondheid, medische zorg, welzijn en sociale zekerheidsbescherming;b) in staat is de deskundigheid van haar personeel op peil te houden en te actualiseren;c) de nodige kennis heeft van de vereisten van dit Verdrag alsmede van de toepasselijke nationale wet- of regelgeving en relevante internationale instrumenten;en d) de juiste omvang, structuur, ervaring en capaciteit bezit die beantwoorden aan het type en het niveau van de machtiging.2) Machtigingen die ten aanzien van inspecties worden verleend, moeten de erkende organisaties minimaal in staat stellen te eisen dat vastgestelde tekortkomingen op het gebied van de arbeids- en levensomstandigheden van zeevarenden worden gecorrigeerd en in dit verband uit te voeren op verzoek van een havenstaat.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk Lid zorgt voor de instelling van : a) een stelsel dat borg staat voor de adequaatheid van de door erkende organisaties verrichte werkzaamheden, dat informatie omvat met betrekking tot alle toepasselijke nationale wet- of regelgeving en relevante internationale instrumenten;en b) procedures voor communicatie met en toezicht op dergelijke organisaties.4. Elk Lid verstrekt het Internationaal Arbeidsbureau een actuele lijst van alle erkende organisaties die bevoegd zijn om namens hem op te treden en blijft deze lijst actualiseren.Op deze lijst wordt vermeld voor welke taken de erkende organisaties zijn gemachtigd. Het Bureau maakt de lijst openbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn B5.1.2 - Machtiging van erkende organisaties 1. De om erkenning verzoekende organisatie zou moeten aantonen over de technische, administratieve en managementbekwaamheid en -capaciteiten te beschikken om tijdig diensten van behoorlijke kwaliteit te leveren.2. Bij de beoordeling van de capaciteiten van een organisatie zou de bevoegde overheid moeten vaststellen of de organisatie : a) beschikt over afdoende technisch, management- en ondersteunend personeel;b) over voldoende gekwalificeerd personeel beschikt voor het verlenen van de vereiste dienst, met een afdoende geografische dekking;c) heeft aangetoond in staat te zijn tijdig diensten van behoorlijke kwaliteit te leveren;en d) qua bedrijfsvoering onafhankelijk is en verantwoording kan afleggen.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde overheid zou een schriftelijke overeenkomst moeten sluiten met elke organisatie die zij ten behoeve van een machtiging erkent.Deze overeenkomst zou de volgende onderdelen moeten omvatten : a) toepassingsgebied;b) doel;c) algemene voorwaarden;d) de uitvoering van taken uit hoofde van de machtiging;e) de juridische basis van de taken uit hoofde van de machtiging;f) rapportage aan de bevoegde overheid;g) specificatie van de machtiging van de bevoegde overheid aan de erkende organisatie;en h) het toezicht van de bevoegde overheid over de activiteiten die aan de erkende organisatie zijn gedelegeerd.4. Elk Lid zou van de erkende organisaties moeten eisen dat zij een systeem ontwikkelen voor de kwalificering van door hen als inspecteur tewerkgesteld personeel om te waarborgen dat zij hun kennis en expertise tijdig actualiseren.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk Lid zou van de erkende organisaties moeten eisen dat zij de door hen verrichte diensten registreren, zodat zij kunnen aantonen dat zij voldoen aan de vereiste normen op de onderdelen die door de diensten worden bestreken. 6. Bij het instellen van de in paragraaf 3 (b), van norm A5.1.2 bedoelde toezichtprocedures zou elk Lid rekening moeten houden met de richtlijnen voor de machtiging van organisaties die namens de administratie optreden, aangenomen in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 5.1.3 - Maritiem arbeidscertificaat en Conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid 1. Dit voorschrift is van toepassing op schepen : a) met een brutotonnenmaat van 500 of meer die internationale reizen maken;en b) met een brutotonnenmaat van 500 ton of meer, die de vlag voeren van een Lid en werkzaam zijn vanuit een haven, of tussen havens, in een ander land.Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder « internationale reis », een reis van een land naar een haven buiten dat land. 2. Op verzoek van de reder aan het desbetreffende Lid is dit voorschrift eveneens van toepassing op alle schepen die de vlag voeren van een Lid waarop paragraaf 1 van dit voorschrift niet van toepassing is.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk Lid eist dat schepen die zijn vlag voeren een maritiem arbeidscertificaat aan boord hebben en bijhouden waarin wordt verklaard dat de arbeids- en levensomstandigheden van zeevarenden op het schip, met inbegrip van maatregelen ten behoeve van continue naleving die moeten worden opgenomen in de in paragraaf 4 van dit voorschrift bedoelde conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid, zijn geïnspecteerd en voldoen aan de vereisten van de nationale wet- of regelgeving of andere maatregelen ter uitvoering van dit Verdrag.4. Elk Lid eist dat schepen die zijn vlag voeren een conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid aan boord hebben en bijhouden waarin de nationale vereisten ter uitvoering van dit Verdrag worden vermeld voor de arbeids- en levensomstandigheden voor zeevarenden en waarin de door de reder aangenomen maatregelen ter waarborging van de naleving van de vereisten op het betreffende schip of de betreffende schepen worden vermeld.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maritiem arbeidscertificaat en de conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid moeten overeenstemmen met het in de Code voorgeschreven model.6. Wanneer de bevoegde overheid van het Lid of een voor dat doel naar behoren gemachtigde erkende organisatie via inspectie heeft vastgesteld dat een schip dat de vlag van het Lid voert, voldoet of nog steeds voldoet aan de normen van dit Verdrag, geeft het daartoe een maritiem arbeidscertificaat af of verlengt dit en houdt daarvan een publiekelijk toegankelijk register bij.7. De gedetailleerde vereisten ten behoeve van het maritiem arbeidscertificaat en de conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid, met inbegrip van een lijst van hetgeen moet worden geïnspecteerd en goedgekeurd, zijn vervat in Deel A van de Code.</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm A5.1.3 - Maritiem arbeidscertificaat en conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid 1. Het maritiem arbeidscertificaat wordt aan het schip afgegeven door de bevoegde overheid, of door een voor dit doel naar behoren gemachtigde erkende organisatie, voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar.In Bijlage A5-I is een lijst opgenomen van zaken die moeten worden geïnspecteerd en moeten voldoen aan de nationale wet- of regelgeving of andere maatregelen ter uitvoering van de vereisten van dit Verdrag betreffende de arbeids- en levensomstandigheden van zeevarenden aan boord voordat een maritiem arbeidscertificaat kan worden afgegeven. 2. De geldigheid van het maritiem arbeidscertificaat wordt onderworpen aan een tussentijdse inspectie door de bevoegde overheid, of door een daartoe naar behoren gemachtigde erkende organisatie, teneinde continue naleving van de nationale vereisten ter uitvoering van dit Verdrag te waarborgen.Indien slechts een tussentijdse inspectie wordt uitgevoerd en het tijdvak van geldigheid van het certificaat vijf jaar bedraagt, moet deze inspectie plaatsvinden tussen de tweede en derde verjaardag van het certificaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verjaardag wordt verstaan de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de vervaldatum van het maritiem arbeidscertificaat. De reikwijdte en intensiteit van de tussentijdse inspectie zijn gelijk aan een inspectie voor de verlenging van het certificaat. Na een naar tevredenheid verlopen tussentijdse inspectie wordt het certificaat geviseerd. 3. Onverminderd paragraaf 1 van deze norm, indien de verlengingsinspectie wordt afgerond binnen drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande maritiem arbeidscertificaat, is het nieuwe maritiem arbeidscertificaat geldig vanaf de datum waarop de verlenginginspectie is afgerond voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar gerekend vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de verlengingsinspectie meer dan drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande maritiem arbeidscertificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe maritiem arbeidscertificaat geldig voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van voltooiing van de inspectie in het kader van de verlenging.5. Een tijdelijk maritiem arbeidscertificaat kan worden afgegeven : a) aan nieuwe schepen wanneer deze worden opgeleverd;b) wanneer een schip van vlag wisselt;of c) wanneer een reder de verantwoordelijkheid aanvaardt voor de exploitatie van een schip dat voor die reder nieuw is.6. Een maritiem arbeidscertificaat ten voorlopige titel kan voor een tijdvak van ten hoogste zes maanden worden afgegeven, door de bevoegde overheid of door een voor dit doel naar behoren gemachtigde erkende organisatie.7.</p></div>", "next": 238795}