{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Dergelijke regelingen kunnen een omslagregeling bevatten voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom. § 3 - De Mediaraad is bevoegd om na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen, verplichtingen op te leggen voor het gedeeld gebruik van bekabeling in gebouwen of tot aan het eerste punt van samenkomst of distributie als dit zich buiten het gebouw bevindt, aan de exploitanten van elektronischecommunicatienetwerken en/of aan de eigenaar van de bekabeling, als dit gerechtvaardigd is omwille van het feit dat duplicatie van dergelijke infrastructuur economisch inefficiënt of fysiek onuitvoerbaar zou zijn. Dergelijke regelingen kunnen een omslagregeling voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom bevatten, waar nodig aangepast aan de risico's.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Mediaraad, in voorkomend geval met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit een relevante marktanalyse, concludeert dat de overeenkomstig het eerste lid opgelegde verplichtingen onvoldoende de hoge en niet-tijdelijke economische of fysieke drempels voor replicatie aanpakken die ten grondslag liggen aan een bestaande of opkomende marktsituatie die de concurrentie-uitkomsten voor eindgebruikers in aanzienlijke mate beperkt, kan hij, onder billijke en redelijke voorwaarden de toegangsverplichtingen uitbreiden voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie, zodat een punt wordt bereikt dat volgens hem het dichtst bij eindgebruikers ligt, dat in staat is een toereikend aantal eindgebruikersverbindingen te bereiken om commercieel haalbaar te zijn voor efficiënte toegangsverzoekers. Bij het bepalen hoe ver voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie die uitbreiding moet gaan, houdt de Mediaraad zoveel mogelijk rekening met de betrokken BEREC-richtsnoeren. Als gerechtvaardigd in technisch of economisch opzicht kan de Mediaraad actieve of virtuele toegangsverplichtingen opleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad legt geen verplichtingen overeenkomstig het tweede lid op aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken als hij constateert dat: 1° de aanbieder de in artikel 94, eerste lid, genoemde kenmerken bezit en in een haalbare en vergelijkbare alternatieve manier voorziet om eindgebruikers te bereiken door aan ondernemingen onder billijke, niet-discriminerende en redelijke voorwaarden toegang tot een netwerk met zeer hoge capaciteit aan te bieden. De Mediaraad kan die vrijstelling uitbreiden tot andere ondernemingen die onder billijke, niet-discriminerende en redelijke voorwaarden toegang tot een netwerk met zeer hoge capaciteit aanbieden; of dat 2° het opleggen van verplichtingen de economische of financiële levensvatbaarheid van de uitrol van een nieuw netwerk, met name door kleine lokale projecten, in het gedrang zou brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het derde lid, 1°, kan de Mediaraad verplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken die voldoen aan de criteria vermeld in de bepaling onder 1°, als het betrokken netwerk uit openbare middelen wordt gefinancierd. § 4 - De Mediaraad kan van ondernemingen verlangen dat ze de nodige informatie verstrekken, zodat hij, samen met de andere nationale regelgevende instanties, een gedetailleerd overzicht van de aard, de beschikbaarheid en de geografische locatie van de in paragraaf 1 bedoelde faciliteiten kan opstellen en dit overzicht ter beschikking kan stellen van de belanghebbende partijen. § 5 - De maatregelen die de Mediaraad in overeenstemming met dit artikel heeft genomen, zijn objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo nodig worden deze maatregelen in overleg met plaatselijke instanties uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 3. - Marktregulering Afdeling 1.- Marktdefinitie en marktanalyse Art. 72 - Marktdefinitie § 1 - Zoveel mogelijk rekening houdend met de Aanbeveling van de Europese Commissie inzake relevante markten voor producten en diensten en met de AMM-richtsnoeren, definieert de Mediaraad de relevante markten in het Duitse taalgebied, in het bijzonder de geografische markten. § 2 - De Mediaraad kan overwegen een relevante markt te definiëren die verschilt van de markten die in de Aanbeveling zijn gedefinieerd. Hij moet dan zijn ontwerp voorleggen voor openbare raadpleging, volgens de nadere regels van artikel 116 en daarvan kennisgeven aan de Europese Commissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 73</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Marktanalyseprocedure § 1 - De Mediaraad onderzoekt of de relevante markt, gedefinieerd overeenkomstig artikel 72, beantwoordt aan alle volgende voorwaarden: 1° er zijn hoge en niet-tijdelijke toegangsbelemmeringen van structurele, wettelijke of regelgevende aard aanwezig;2° er is geen vooruitzicht op daadwerkelijke mededinging binnen de relevante periode, gezien de toestand van de op infrastructuur gebaseerde en andere mededinging die aan de toegangsbelemmeringen ten grondslag ligt;3° het mededingingsrecht alleen is niet voldoende om het vastgestelde marktfalen op adequate wijze aan te pakken. De relevante markten die in de Aanbeveling zijn vermeld, worden geacht te voldoen aan de in het eerste lid beoogde voorwaarden, tenzij de Mediaraad vaststelt dat niet is voldaan aan een van die voorwaarden voor de betreffende geografische markt. § 2 - Bij het krachtens paragraaf 1 beoogde onderzoek beoordeelt de Mediaraad ontwikkelingen vanuit een toekomstgericht perspectief als er geen vooraf bestaande regelgeving is, rekening houdend met elk van de volgende elementen: 1° marktontwikkelingen die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de relevante markt naar daadwerkelijke mededinging neigt;2° elke vorm van concurrentiedruk, op wholesaleniveau en op retailniveau, ongeacht de vraag of de bronnen van die druk worden beschouwd als elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten of andere types diensten of toepassingen die vanuit het oogpunt van de eindgebruiker vergelijkbaar zijn, en ongeacht de vraag of die druk deel uitmaakt van de relevante markt;3° andere soorten opgelegde regelgeving of maatregelen waardoor de relevante markt dan wel verwante retailmarkt(en) gedurende de desbetreffende periode wordt of worden beïnvloed;4° regelgeving die op andere relevante markten is opgelegd. § 3 - Wanneer de Mediaraad na afloop van het in paragraaf 1 beoogde onderzoek van oordeel is dat de daarin bedoelde voorwaarden zijn vervuld, identificeert hij de onderneming of ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht op de relevante markt Een onderneming wordt geacht aanmerkelijke marktmacht te hebben wanneer zij, alleen of samen met andere, een aan machtspositie gelijkwaardige positie, namelijk een economische kracht bezit die haar in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van haar concurrenten, klanten en consumenten te gedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderneming die aanmerkelijke marktmacht op een specifieke markt bezit, kan ook worden aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht op een nauw verwante markt als de koppelingen tussen beide markten van dien aard zijn dat de marktmacht op de specifieke markt op de nauw verwante markt zo kan worden gebruikt dat de marktmacht van de onderneming wordt vergroot. Er kunnen correctiemaatregelen op grond van de artikelen 84 tot 86 en 89 worden genomen op de nauw verwante markt om een dergelijk gebruik te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van gemeenschapsoverschrijdende geografische en productmarkten, die zowel onder de federale en gemeenschapsbevoegdheid vallen, gaat de Mediaraad, overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franstalige Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap betreffende het wederzijds consulteren bij het opstellen van regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken, het uitwisselen van informatie en de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken door de regulerende instanties bevoegd voor telecommunicatie of radio-omroep en televisie, samen met de andere regelgevende instanties die bevoegd zijn voor deze markten, onderzoeken of er sprake is van aanmerkelijke marktmacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van door de Europese Commissie omschreven transnationale markten, gaat de Mediaraad, samen met de nationale regelgevende instanties van de lidstaten waarin deze markten zich bevinden, na of er al dan niet van aanmerkelijke marktmacht sprake is. De raadplegingsprocedure bedoeld in artikel 116 geldt mutatis mutandis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke van transnationale markten, kan de Mediaraad eveneens met de nationale regelgevende instanties van andere lidstaten gezamenlijk aan de Commissie kennis geven van hun ontwerpmaatregelen betreffende de marktanalyse en van eventuele wettelijke verplichtingen als zij van mening zijn dat de marktvoorwaarden in hun respectieve rechtsgebieden voldoende homogeen zijn. § 4 - De Mediaraad legt ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht op een relevante markt één of meer van de volgende verplichtingen op: 1° de in artikel 84 genoemde transparantieverplichtingen;2° de in artikel 85 genoemde non-discriminatieverplichtingen;3° de in artikel 86 genoemde verplichtingen een gescheiden boekhouding te houden;4° de in artikel 87 genoemde toegang tot civieltechnische voorzieningen;5° de in artikel 88 genoemde toegang tot en gebruik van bepaalde netwerkonderdelen en bijbehorende faciliteiten;6° de in artikel 89 genoemde verplichtingen inzake prijscontrole en kostentoerekening;7° het bindend verklaren van toezeggingen voor mede-investering als bedoeld in artikel 90;8° het bindend verklaren van toezeggingen als bedoeld in artikel 93;9° de in artikel 94 genoemde verplichtingen inzake billijke en redelijke prijzen;10° het bepalen van voorwaarden voor de buitenbedrijfstelling van netwerkonderdelen of de vervanging ervan door nieuwe infrastructuur als bedoeld in artikel 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overeenkomstig het eerste lid opgelegde verplichtingen moeten: 1° worden gebaseerd op de aard van het geconstateerde probleem;2° proportioneel zijn, indien mogelijk rekening houdend met de kosten en baten;3° gerechtvaardigd zijn in het licht van de doelstellingen vervat in artikel 5;en 4°opgelegd worden na de raadpleging waarvan sprake in artikel 116, § § 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad legt de in het eerste lid vermelde verplichtingen alleen op aan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, onverminderd: 1° de noodzaak aan internationale afspraken te voldoen;2° de maatregelen genomen door de Mediaraad of het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie om een passende toegang en interconnectie, alsook de interoperabiliteit van de diensten te waarborgen, overeenkomstig artikel 77;3° de bepalingen inzake persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie waarbij verplichtingen worden opgelegd aan andere ondernemingen dan diegene die aangewezen zijn als ondernemingen met een aanmerkelijke marktmacht;4° de verplichtingen inzake collocatie en gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten;5° de verplichtingen inzake gescheiden boekhouding voor operatoren die beschikken over uitsluitende of bijzondere rechten in andere sectoren dan die van de elektronische communicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de noodzaak aan internationale afspraken te voldoen zoals bedoeld in het derde lid, 1°, geeft de Mediaraad de Europese Commissie kennis van besluiten om voor ondernemingen geldende verplichtingen op te leggen, te wijzigen of op te heffen, volgens de procedure van artikel 116. § 5 - In uitzonderlijke omstandigheden kan de Mediaraad, met de toestemming van de Europese Commissie aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht andere verplichtingen met betrekking tot toegang of interconnectie opleggen dan die vermeld in de artikelen 84 tot 90 en in het artikel 94. § 6 - De Mediaraad mag verplichtingen maar aan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht op een retailmarkt opleggen overeenkomstig § 3, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° hij stelt overeenkomstig paragraaf 1 vast dat er op een overeenkomstig artikel 72 gedefineerde markt niet genoeg mededinging is;alsmede 2° hij concludeert dat de krachtens de artikelen 84 tot 89 opgelegde verplichtingen niet zouden leiden tot de verwezenlijking van de in artikel 5 beschreven doelstellingen. § 7 - Wanneer de Mediaraad na afloop van het in paragraaf 1 beoogde onderzoek van oordeel is dat de daarin bedoelde voorwaarden niet zijn vervuld, legt het geen enkele van de in de artikelen 84 tot 95 genoemde verplichtingen op en handhaaft het die evenmin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad staat een passende opzeggingstermijn toe aan de partijen waarop een dergelijke intrekking van verplichtingen van invloed is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van een dergelijke opzeggingstermijn kan de Mediaraad in verband met bestaande overeenkomsten inzake toegang specifieke voorwaarden en opzeggingstermijnen vaststellen. § 8 - De Mediaraad neemt de in de paragrafen 4 tot 7 bedoelde besluiten: 1° binnen vijf jaar na de aanneming van een vorig besluit;2° binnen drie jaar na goedkeuring van een aanbeveling, voor de markten waarvoor nog niet eerder kennisgeving is gedaan bij de Europese Commissie, overeenkomstig artikel 116, § 2. Uiterlijk vier maanden voordat de in het eerste lid, 1°, bedoelde periode verstrijkt, kan de Mediaraad bij de Europese Commissie een gemotiveerd voorstel indienen om die periode met maximaal één jaar te verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijnen bedoeld in het eerste lid worden met zes maanden verlengd, als de Mediaraad de bijstand van BEREC vraagt bij de voltooiing van de analyse van de markt en de verplichtingen die moeten worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De marktanalyse en de overeenkomstig de paragrafen 4 tot 7 opgelegde verplichtingen blijven van kracht tot de inwerkingtreding van de volgende marktanalyse. § 9 - De Mediaraad raadpleegt de Belgische Mededingingsautoriteit in verband met de ontwerpbesluiten die artikel 72, § 1, en de paragrafen 1, eerste lid, 3, eerste lid, 4, 6 en 7 van onderhavig artikel betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad kan de Belgische Mededingingsautoriteit ook raadplegen over andere onderwerpen met betrekking tot het mededingingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Belgische Mededingingsautoriteit moet het in het eerste en tweede lid bedoelde advies verstrekken binnen een termijn van hoogstens dertig dagen. Als er binnen de gestelde termijn geen advies uitgebracht werd, mag aan deze formaliteit worden voorbijgegaan. § 10 - De Mediaraad onderzoekt de impact van de nieuwe marktontwikkelingen, met name inzake handelsakkoorden, met inbegrip van akkoorden inzake co-investeren, die invloed uitoefenen op de concurrentiedynamiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als deze ontwikkelingen niet belangrijk genoeg zijn om tot een nieuwe marktanalyse te nopen, beoordeelt de Mediaraad onverwijld of het nodig is de verplichtingen te herzien die opgelegd zijn aan de ondernemingen die aangewezen zijn als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht en alle vorige besluiten te wijzigen, met inbegrip van het intrekken van de verplichtingen of het opleggen van nieuwe verplichtingen, om te garanderen dat deze verplichtingen blijven voldoen aan de voorwaarden waarvan sprake in § 4, tweede lid. Dergelijke gewijzigde verplichtingen mogen pas worden opgelegd na de raadplegingen gedaan overeenkomstig artikel 116, § § 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2. - Verplichtingen die aan ondernemingen opgelegd kunnen worden, ongeacht hun aanmerkelijke marktmacht Art. 74 - Verplichtingen met betrekking tot toegang en interconnectie De Mediaraad kan, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van één van de partijen, na ze gehoord te hebben, ingrijpen ter bevordering en, waar nodig, ter waarborging, van een passende toegang of interoperabiliteit van diensten overeenkomstig artikel 77 en het bepaalde in dit hoofdstuk en ter waarborging van de basisdoelstellingen bepaald in artikel 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Mediaraad overeenkomstig het eerste lid ingrijpt, kan hij onder meer: 1° termijnen opleggen waarbinnen onderhandelingen inzake toegang of het realiseren van interoperabiliteit van diensten afgerond moeten worden;2° richtinggevende principes inzake toegang of interoperabiliteit van diensten bepalen, waarover overeenstemming moet worden bereikt;3° als er geen overeenstemming kan worden bereikt tussen de partijen, de voorwaarden inzake de te verstrekken toegang of te realiseren interoperabiliteit bepalen, die hij passend acht. De Mediaraad biedt richtsnoeren en stelt de procedures inzake het verkrijgen van toegang en interconnectie voor het publiek beschikbaar teneinde te waarborgen dat kleine en middelgrote ondernemingen en operatoren met een beperkt geografisch bereik kunnen profiteren van de opgelegde verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 75</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vertrouwelijkheid van informatie Informatie die door ondernemingen in het kader van onderhandelingen over toegangen of interconnecties werd verkregen, mag uitsluitend worden gebruikt voor het doel waarvoor zij werd verstrekt. Informatie mag niet aan derden, in het bijzonder andere afdelingen, dochterondernemingen of partners, worden doorgegeven die door die informatie concurrentievoordeel zouden kunnen behalen De Mediaraad kan bepalen dat onderhandelingen moeten worden gevoerd via neutrale tussenpersonen als de concurrentievoorwaarden dit vereisen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 76</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behoud van de netwerkintegriteit Levert een exploitant het bewijs aan dat de prestatie het behoud van de netwerkintegriteit of de veiligheid van de netwerkwerking zou kunnen bedreigen, dan legt de Mediaraad de desbetreffende toegangsverplichting niet op of legt ze deze verplichting op een andere wijze op. Het behoud van de netwerkintegriteit en de veiligheid van de netwerkwerking moeten worden beoordeeld volgens objectieve maatstaven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen voor ondernemingen die de toegang tot de eindgebruikers controleren Onverminderd de maatregelen ten aanzien van exploitanten met een aanmerkelijke marktmacht kan de Mediaraad exploitanten van openbare communicatienetwerken die de toegang tot de eindgebruikers controleren, in gegronde gevallen en op dienovereenkomstig verzoek ertoe verplichten voor de interconnectie van hun netwerken met die van exploitanten van andere openbare communicatienetwerken te zorgen voorzover het noodzakelijk is om eind-tot-eindverbindingen van diensten te waarborgen. Te dien einde kan de Mediaraad daarenboven deze exploitanten andere toegangsverplichtingen en verplichtingen om hun diensten interoperabel te maken opleggen De raadplegingsprocedure bedoeld in artikel 116 geldt mutatis mutandis. Verplichtingen en voorwaarden die overeenkomstig het eerste lid worden opgelegd, zijn objectief, transparant, evenredig en niet-discriminerend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 78</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elektronische programmagids en applicatieprogramma-interface Om de toegang van eindgebruikers tot door de Regering gespecificeerde lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten te waarborgen, kan de Mediaraad de exploitanten van openbare communicatiediensten ertoe verplichten, toegang tot de elektronische programmagidsen en applicatieprogramma-interfaces op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden aan te bieden De raadplegingsprocedure bedoeld in artikel 116 geldt mutatis mutandis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 79</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Controle-overdracht Aanbieders van audiovisuele mediadiensten die aan hun eindgebruikers digitaletelevisieapparatuur verstrekken, moeten hen bij de beëindiging van hun contract de mogelijkheid geven om de digitaletelevisieapparatuur via een kosteloze en gemakkelijke procedure terug te geven, tenzij de aanbieder aantoont dat de digitaletelevisieapparatuur volledig interoperabel is met de audiovisuele mediadiensten van andere aanbieders, onder wie ook de aanbieder naar wie de eindgebruiker is overgestapt Digitaletelevisieapparatuur die voldoet aan de geharmoniseerde normen waarvan de kenmerken zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, of aan delen daarvan, wordt geacht overeen te komen met de in het eerste lid bedoelde vereiste van interoperabiliteit, waarop die normen of delen daarvan betrekking hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen ten aanzien van aanbieders van diensten voor voorwaardelijke toegang De aanbieders van lineaire audiovisuele mediadiensten met systemen voor voorwaardelijke toegang die diensten met het oog op de toegang tot de digitale televisie- en radiodiensten aanbieden waarvan de omroeporganisaties afhangen, bieden op verzoek van elke omroeporganisatie op eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden de technische diensten aan waarmee hun lineaire audiovisuele mediadiensten door de ertoe gerechtigde kijkers of luisteraars kunnen worden ontvangen middels decoders beheerd door de aanbieders Wanneer de aanbieder andere activiteiten uitoefent, voert hij een gescheiden boekhouding voor de in het eerste lid bedoelde activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen inzake licentieverlening Houders van industriële eigendomsrechten inzake voorwaardelijke toegangssystemen en -producten moeten op eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden licenties verlenen aan fabrikanten van voor het grote publiek bestemde apparatuur De houders van rechten mogen het verlenen van licenties, waarbij rekening wordt gehouden met technische en commerciële factoren, niet doen afhangen van voorwaarden waardoor het verboden, ontraden of onaantrekkelijk gemaakt wordt om in het betrokken product: 1° hetzij een gemeenschappelijke interface in te bouwen die een verbinding met andere toegangssystemen mogelijk maakt;2° hetzij tot een ander toegangssysteem behorende middelen in te bouwen, als de licentiehouder zicht houdt aan de redelijke en passende voorwaarden inzake de beveiliging van de transacties van de aanbieders van systemen voor voorwaardelijke toegang. Art. 82 - Interoperabiliteit van autoradio-ontvangers Elk bedrijf dat in het Duitstalige gebied nieuwe voertuigen van categorie M met audioradio-ontvanger op de markt aanbiedt voor verkoop of verhuur, moet ervoor zorgen dat er in de voertuigen een autoradio-ontvanger is ingebouwd, die ten minste radiodiensten kan ontvangen en reproduceren die via digitale terrestrische radio-uitzendingen worden uitgezonden. Ontvangers die voldoen aan geharmoniseerde normen waarvan de kenmerken zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, of die voldoen aan delen daarvan, worden geacht te voldoen aan die vereiste waarop die normen of delen daarvan betrekking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3. - Verplichtingen die aan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht kunnen worden opgelegd Art. 83 - Wijziging van reeds gesloten toegangsovereenkomsten Om de verplichtingen te doen naleven die krachtens artikel 73, § 3, worden opgelegd, kan de Mediaraad een wijziging van de reeds gesloten toegangsovereenkomsten opleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Transparantieverplichting § 1 - De Mediaraad kan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht verplichtingen inzake transparantie met betrekking tot interconnectie of toegang opleggen op grond waarvan ondernemingen nader genoemde informatie openbaar moeten maken, zoals boekhoudkundige informatie, tarieven, technische specificaties, netwerkkenmerken en verwachte ontwikkelingen daarvan, alsook eisen en voorwaarden voor levering en gebruik, met inbegrip van voorwaarden tot wijziging van de toegang tot of het gebruik van diensten en toepassingen, met name wat betreft migratie van legacy-infrastructuur, als dergelijke voorwaarden door de lidstaten zijn toegestaan in overeenstemming met het Europese Unierecht. § 2 - In het bijzonder wanneer voor een onderneming verplichtingen inzake non-discriminatie gelden, kan de Mediaraad van die onderneming eisen dat zij een referentieaanbod publiceert dat voldoende gespecificeerd is om te garanderen dat de ondernemingen niet behoeven te betalen voor faciliteiten die voor de gewenste dienst niet nodig zijn. Dit referentieaanbod bevat een beschrijving van de betrokken offertes, uitgesplitst in diverse elementen naargelang van de marktbehoeften, en van de daaraan verbonden eisen en voorwaarden, met inbegrip van de tarieven Elk nieuw referentieaanbod wordt, voordat het gepubliceerd wordt, door de Mediaraad goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad kan onder meer eisen dat een referentieaanbod wordt gewijzigd om uitvoering te geven aan de uit hoofde van dit decreet opgelegde verplichtingen. § 3 - De Mediaraad kan preciseren welke informatie in welke vorm beschikbaar moet worden gesteld en hoe gedetailleerd ze moet zijn. § 4 - Onverminderd § 3, als een onderneming uit hoofde van de artikelen 88 en 89 verplichtingen heeft aangaande wholesaletoegang tot netwerkinfrastructuur, zorgt de Mediaraad ongeacht § 2, derde lid, ervoor dat een referentieaanbod wordt gepubliceerd, zoveel mogelijk rekening houdend met de richtsnoeren van BEREC wat betreft de minimumcriteria voor een referentieaanbod, zorgt het ervoor dat, in voorkomend geval, kernprestatie-indicatoren worden vastgesteld, alsmede de bijbehorende dienstverleningsniveaus en ziet het toe op de naleving ervan. Daarnaast legt de Mediaraad zo nodig bij voorbaat de daarmee verbonden boetebedragen vast overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 85</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen inzake non-discriminatie De Mediaraad kan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht verplichtingen inzake non-discriminatie met betrekking tot interconnectie of toegang opleggen Verplichtingen inzake non-discriminatie moeten in het bijzonder waarborgen dat de onderneming ten aanzien van andere aanbieders van gelijkwaardige diensten onder gelijkwaardige omstandigheden gelijkwaardige voorwaarden toepast, en aan anderen diensten en informatie aanbiedt onder dezelfde voorwaarden en van dezelfde kwaliteit als die welke zij voor haar eigen diensten of diensten van haar dochterondernemingen of partners biedt. De Mediaraad kan aan die onderneming verplichtingen opleggen inzake de levering van toegangsproducten en -diensten aan alle ondernemingen, inclusief aan zichzelf, binnen dezelfde tijdspanne, en tegen dezelfde voorwaarden, met inbegrip van de prijs en diensten en door middel van dezelfde systemen en processen, teneinde gelijkwaardigheid op het gebied van toegang te waarborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 86</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichting tot het voeren van gescheiden boekhoudingen § 1 - De Mediaraad kan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht het voeren van gescheiden boekhoudingen voorschrijven met betrekking tot bepaalde met interconnectie of toegang verband houdende activiteiten De Mediaraad bepaalt welk boekhoudkundig model en welke boekhoudkundige methode door de in het eerste lid bedoelde onderneming gehanteerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad kan onder meer van een verticaal geïntegreerde onderneming eisen dat deze opening van zaken geeft over haar interne groothandelsprijzen en verrekenprijzen, onder andere om ervoor te zorgen dat van de non-discriminatievoorschriften als bedoeld in artikel 85 nageleefd worden of om, zo nodig, onrechtmatige kruissubsidiëring te voorkomen. De Mediaraazd kan bepalen welk formaat en welke boekhoudkundige methode moet worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een erkende bedrijfsrevisor, aangeduid door de onderneming, ziet op kosten van de onderneming toe op de naleving van de besluiten die in de vorige leden worden vermeld. Volgend op het rapport van die erkende bedrijfsrevisor, kan de Mediaraad ieder jaar een verklaring betreffende de inachtneming van de verplichting tot het voeren van gescheiden boekhoudingen en van de hierbij horende nadere regels publiceren. § 2 - Onverminderd de artikelen 118, 119, 120 en 121 kan de Mediaraad, om het toezicht op de naleving van verplichtingen inzake transparantie en non-discriminatie te vergemakkelijken, eisen dat boekhouddocumenten, met inbegrip van gegevens over van derden ontvangen inkomsten, op verzoek worden overgelegd. De Mediaraad bepaalt binnen welke termijn documenten ter beschikking moeten worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad mag die informatie publiceren en kan de onderneming aan wie het een verplichting tot het voeren van gescheiden boekhoudingen heeft opgelegd, verplichten die informatie eveneens te publiceren wanneer zij bijdraagt tot een open en concurrentiële markt, met inachtneming van de regels inzake vertrouwelijkheid van de bedrijfsgegevens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 87</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toegang tot civieltechnische voorzieningen § 1 - De Mediaraad kan aan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht verplichtingen opleggen om in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van civieltechnische voorzieningen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, gebouwen of toegangen tot gebouwen, kabels in gebouwen inclusief bedrading, antennes, torens en andere ondersteuningsgebouwen, palen, masten, kabelgaten, leidingen, inspectieputten, mangaten en straatkasten, wanneer de Mediaraad op basis van de marktanalyse concludeert dat het weigeren van toegang of verlening van toegang onder onredelijke voorwaarden met eenzelfde effect de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte markt zou belemmeren en niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn. § 2 - De Mediaraad mag aan een onderneming verplichtingen opleggen om toegang te verlenen overeenkomstig dit artikel, ongeacht of de activa die door de verplichtingen worden beïnvloed deel uitmaken van de betrokken markt in overeenstemming met de marktanalyse, mits de verplichting noodzakelijk en evenredig is met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 5</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen inzake toegang tot en gebruik van specifieke netwerkfaciliteiten § 1 - De Mediaraad kan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht de verplichting opleggen in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van specifieke netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten Aan ondernemingen kan onder meer worden opgelegd dat zij: 1° derden toegang verlenen tot, en hun het gebruik toestaan van specifieke fysieke netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten, in voorkomend geval met inbegrip van ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk en subnetwerk;2° derden toegang verlenen tot specifieke actieve of virtuele netwerkelementen en -diensten;3° te goeder trouw onderhandelen met ondernemingen die verzoeken om toegang;4° reeds verleende toegang tot faciliteiten niet intrekken;5° op wholesalebasis specifieke diensten aanbieden voor doorverkoop door derden;6° open toegang verlenen tot technische interfaces, protocollen of andere kerntechnologieën die onmisbaar zijn voor de interoperabiliteit van diensten of virtuele netwerkdiensten;7° colocatie of andere vormen van gedeeld gebruik van bijbehorende faciliteiten aanbieden;8° specifieke diensten aanbieden die nodig zijn voor de interoperabiliteit van de aan gebruikers geleverde eind-tot-eind-diensten, of roaming binnen mobiele netwerken;9° toegang verlenen tot operationele ondersteuningssystemen of vergelijkbare softwaresystemen die nodig zijn om billijke concurrentie bij het aanbieden van diensten te waarborgen;10° zorgen voor interconnectie van netwerken of netwerkfaciliteiten;11° toegang verschaffen aan verwante diensten zoals identiteits-, locatie- en presentieinformatiediensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad kan die verplichtingen aan voorwaarden aangaande billijkheid, redelijkheid en opportuniteit onderwerpen. § 2 - Wanneer de Mediaraad onderzoekt of de verplichtingen uit hoofde van paragraaf 1 moeten worden opgelegd, met name bij de beoordeling of deze verplichitngen in verhouding staan tot de doelstellingen van artikel 5, onderzoekt de Mediaraad of andere vormen van toegang tot bepaalde wholesale-inputs, hetzij op dezelfde, hetzij op een verwante wholesalemarkt, voldoende zijn om het geconstateerde probleem met betrekking tot de belangen van de eindgebruikers op te lossen. Die beoordeling omvat ook commerciële aanbiedingen inzake toegang, gereguleerde toegang op grond van artikel 74 of bestaande dan wel geplande gereguleerde toegang tot andere wholesale-inputs op grond van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad betrekt met name de volgende factoren in zijn overwegingen: 1° de technische en economische levensvatbaarheid van het gebruik of de installatie van concurrerende faciliteiten, in het licht van het tempo van de marktontwikkeling, rekening houdend met de aard van en het soort interconnectie of toegang, inclusief de levensvatbaarheid van andere toeleveringsproducten zoals toegang tot kabelgoten;2° de verwachte technologische ontwikkeling die van invloed is op het ontwerp en beheer van netwerken;3° de noodzaak om technologieneutraliteit te waarborgen teneinde de partijen in staat te stellen hun eigen netwerken te ontwerpen en te beheren;4° de haalbaarheid van de aangeboden toegangsverlening, rekening houdend met de beschikbare capaciteit;5° de door de eigenaar van de faciliteit verrichte initiële investering, rekening houdend met de verrichte overheidsinvesteringen en de aan de investering verbonden risico's, in het bijzonder rekening houdend met investeringen in en risiconiveaus betreffende netwerken met zeer hoge capaciteit;6° de noodzaak om op de lange termijn de concurrentie in stand te houden, met speciale aandacht voor economisch doeltreffende concurrentie op basis van de infrastructuur en innovatieve bedrijfsmodellen die bevorderlijk zijn voor duurzame concurrentie, zoals de modellen op basis van mede-investeringen in netwerken;7° in voorkomend geval, de intellectuele-eigendomsrechten;8° het verlenen van pan-Europese diensten. § 3 - Als een onderneming in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel de verplichting wordt opgelegd toegang te verlenen, kan de Mediaraad technische of operationele voorwaarden opleggen aan de aanbieder of de gebruikers van die toegang, wanneer dat nodig is om de normale werking van het netwerk te garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen om specifieke technische normen of specificaties te volgen, zijn in overeenstemming met de door de Europese Commissie vastgestelde normen en specificaties. § 4 - Als de Mediaraad overeenkomstig artikel 73 de oplegging van verplichtingen op grond van artikel 87 of van dit artikel in overweging neemt, onderzoekt hij of de loutere oplegging van verplichtingen overeenkomstig artikel 87 een evenredig middel is om de concurrentie en de belangen van de eindgebruiker te bevorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 89</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen inzake prijscontrole en kostentoerekening § 1 - De Mediaraad kan overeenkomstig artikel 73, § § 3 en 5, verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole opleggen, inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen, voor het verlenen van specifieke interconnectie- en/of toegangtypes, wanneer uit een marktanalyse blijkt dat een onderneming met aanmerkelijke marktmacht de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers Wanneer de Mediaraad beslist of verplichtingen inzake prijscontrole passend zouden zijn, houdt hij rekening met de noodzaak om de mededinging te bevorderen en met de belangen van de eindgebruikers op de lange termijn op het gebied van de implementatie en toepassing van nieuwegeneratienetwerken, en met name van netwerken met zeer hoge capaciteit. In het bijzonder om investeringen door de onderneming, ook in nieuwegeneratienetwerken, aan te moedigen, houdt de Mediaraad rekening met de door de onderneming gedane investeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Mediaraad van mening is dat verplichtingen inzake prijscontrole passend zijn, laat hij toe dat de onderneming een redelijke opbrengst krijgt uit haar kapitaalinbreng, waarbij het de specifieke risico's van een bepaald nieuw netwerkproject waarin wordt geïnvesteerd in aanmerking neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad neemt in overweging om geen verplichtingen op grond van dit artikel op te leggen of in stand te houden wanneer hij vaststelt dat er sprake is van een aantoonbare retailprijsbeperking en dat een overeenkomstig de artikelen 84 tot 88 opgelegde verplichting, inclusief met name een overeenkomstig artikel 85 opgelegde economische-repliceerbaarheidstoets, voor effectieve en niet-discriminerende toegang zorgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Mediaraad het passend acht verplichtingen inzake prijscontrole op te leggen betreffende toegang tot bestaande netwerkelementen, houdt hij ook rekening met de voordelen van voorspelbare en stabiele wholesaleprijzen ten aanzien van het waarborgen van efficiënte markttoegang en afdoende stimulansen die erop gericht zijn dat alle ondernemingen nieuwe en verbeterde netwerken uitrollen. § 2 - De Mediaraad ziet erop toe dat regelingen voor het terugverdienen van kosten en tariferingsmethoden die worden opgelegd, erop gericht zijn de uitrol van nieuwe en verbeterde netwerken alsmede de efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de eindgebruiker maximaal en op duurzame wijze voordeel te bieden. In dat verband kan de Mediaraad ook rekening houden met beschikbare prijzen van vergelijkbare concurrerende markten. § 3 - Als voor een onderneming een verplichting inzake kostenoriëntering van haar tarieven geldt, is het aan haar om aan te tonen dat de tarieven worden bepaald op basis van de kosten, verhoogd met een redelijk investeringsrendement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de kosten verbonden aan efficiënte dienstverlening, kan de Mediaraad boekhoudkundige kostenberekeningsmethoden gebruiken die los staan van de door de onderneming gebruikte methoden. De Mediaraad kan van een onderneming verlangen dat zij volledige verantwoording aflegt over haar tarieven en indien nodig dat deze worden aangepast. § 4 - De Mediaraad zorgt ervoor dat, wanneer de invoering van een kostentoerekeningssysteem verplicht wordt gesteld met het oog op prijscontrole, een beschrijving van dit systeem voor het publiek beschikbaar wordt gesteld waarin ten minste de hoofdcategorieën waarin de kosten worden ingedeeld en de voor de toerekening van de kosten toegepaste regels worden vermeld. De inachtneming van het kostentoerekeningssysteem wordt op kosten van de onderneming geverifieerd door een erkend revisor, die elk jaar een verklaring van overeenstemming opstelt, welke door de Mediaraad wordt gepubliceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 90</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Regelgeving inzake nieuwe elementen van netwerken met zeer hoge capaciteit § 1 - Ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht kunnen overeenkomstig de in artikel 93 beschreven procedure en onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden, afspraken aanbieden om de uitrol van een nieuw netwerk met zeer hoge capaciteit dat tot aan de gebouwen van de eindgebruiker of het basisstation uit optische-vezelcomponenten bestaat, open te stellen voor mede-investeringen - bijvoorbeeld door het aanbieden van medeeigendom of langetermijnrisicodeling aan de hand van medefinanciering of van koopovereenkomsten die specifieke rechten van structurele aard meebrengen - door andere aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten Wanneer de Mediaraad die afspraken evalueert, gaat het met name na of het aanbod van mede-investeringen voldoet aan elk van de volgende voorwaarden: 1° het aanbod geldt op elk moment van de levensduur van het netwerk voor alle aanbieders van elektronische- communicatienetwerken of - diensten;2° het aanbod biedt andere mede-investeerders die aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten zijn, de mogelijkheid om daadwerkelijk en duurzaam te concurreren in downstreammarkten waarop de als onderneming met aanmerkelijke marktmacht aangewezen onderneming actief is, onder voorwaarden die onder meer het volgende omvatten: a) billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden die toegang bieden tot de volledige capaciteit van het netwerk voor zover de mede-investering ervoor geldt;b) flexibiliteit wat betreft de waarde en looptijd van de deelname van elke mede-investeerder;c) de mogelijkheid om die deelname in de toekomst uit te breiden;en d) wederzijdse rechten die door de mede-investeerders worden verleend na de uitrol van infrastructuur die is medegefinancierd;3° de onderneming maakt het aanbod tijdig bekend en, als de onderneming niet beschikt over de in artikel 94, § 1, vermelde kenmerken, ten minste zes maanden voor de uitrol van het nieuwe netwerk;die periode kan op grond van de omstandigheden worden verlengd; 4° toegangvragende partijen die niet deelnemen aan de mede-investering, kunnen van de aanvang af profiteren van dezelfde kwaliteit, snelheid en voorwaarden en hetzelfde eindgebruikersbereik als beschikbaar vóór de uitrol, samen met een mechanisme van aanpassing in de tijd dat door de Mediaraad wordt bevestigd in het licht van de ontwikkelingen op de relevante retailmarkten, en dat de prikkels voor het deelnemen aan de mede-investeringen in stand houdt; dat mechanisme zorgt ervoor dat toegangvragende partijen toegang krijgen tot de elementen met zeer hoge capaciteit van het netwerk, zulks op een tijdstip en op basis van transparante en niet-discriminerende voorwaarden die passen bij de risiconiveaus waaraan de diverse mede-investeerders in verschillende stadia van de uitrol zijn blootgesteld en met inachtneming van de mededingingscontext op de retailmarkten; 5° het aanbod voldoet ten minste aan de in paragraaf 5 vervatte criteria en is te goeder trouw gedaan. § 2 - Als de Mediaraad, rekening houdend met de resultaten van de overeenkomstig artikel 93, § 2, uitgevoerde markttoets, constateert dat de aangeboden mede-investeringsafspraak voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 1 van dit artikel, maakt hij die afspraak bindend op grond van artikel 93, § 3, en legt hij met betrekking tot de onder de afspraken vallende elementen van het nieuwe netwerk met zeer hoge capaciteit geen extra verplichtingen op grond van artikel 73, § 4, op, op voorwaarde dat ten minste één potentiële mede-investeerder een mede-investeringsovereenkomst met de als onderneming met aanmerkelijke marktmacht aangewezen onderneming heeft gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid doet geen afbreuk aan de regelgeving betreffende omstandigheden die niet voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, rekening houdend met de resultaten van eventueel overeenkomstig artikel 93, § 2, uitgevoerde markttoetsen, maar die de mededinging beïnvloeden en in aanmerking worden genomen voor de toepassing van de artikelen 72 en 73.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid zorgt de Mediaraad in naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden, met het oog op de in artikel 5 opgesomde doelstellingen en ter uitvoering van artikel 102, overeenkomstig de artikelen 73 en 84 tot 89 voor oplossingen met betrekking tot nieuwe netwerken met zeer hoge capaciteit, teneinde significante problemen met de mededinging op specifieke markten aan te pakken als de Mediaraad constateert dat die problemen met de mededinging, gelet op de bijzondere eigenschappen van die markten, anders niet zouden worden aangepakt. § 3 - De Mediaraad monitort voortdurend de naleving van de voorwaarden van paragraaf 1 en kan de onderneming die is aangewezen als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht, ertoe verplichten jaarlijkse nalevingsverklaringen in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Mediaraad om besluiten te nemen overeenkomstig artikel 113, § 1, van dit decreet, als zich een geschil voordoet tussen ondernemingen in verband met een overeenkomst inzake mede-investeringen die volgens de Mediaraad aan de in paragraaf 1 beschreven voorwaarden voldoet. § 4 - Bij de toepassing van dit artikel houdt de Mediaraad rekening met de richtsnoeren van BEREC ter bevordering van de consistente toepassing door de nationale regelgevende instanties van de voorwaarden van paragraaf 1 en de criteria van paragraaf 5. § 5 - Wanneer de Mediaraad een aanbieding betreffende mede-investeringen op grond van paragraaf 1, beoordeelt, controleert hij of ten minste aan de volgende criteria is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad kan overwegen aanvullende criteria te bepalen voor zover deze noodzakelijk zijn om te zorgen voor toegankelijkheid van potentiële investeerders tot de mede-investering, in het licht van specifieke plaatselijke omstandigheden en van de marktstructuur: 1° de aanbieding betreffende mede-investeringen staat op niet-discriminerende basis gedurende de levensduur van het door middel van een aanbieding betreffende mede-investeringen aangelegde netwerk open voor alle ondernemingen.De onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht kan in de aanbieding redelijke voorwaarden betreffende de financiële capaciteit van ondernemingen opnemen, zoals bijvoorbeeld de voorwaarde dat potentiële mede-investeerders moeten aantonen dat zij in staat zijn gefaseerde betalingen te doen op basis waarvan de implementatie wordt gepland, de aanvaarding van een strategisch plan op basis waarvan implementatieplannen voor de middellange termijn worden uitgestippeld, enzovoort; 2° de aanbieding betreffende mede-investeringen is transparant: a) de aanbieding is beschikbaar en gemakkelijk te vinden op de website van de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht;b) de volledige voorwaarden, inclusief alle bijzonderheden, worden ter beschikking gesteld van alle potentiële bieders die belangstelling voor de aanbieding hebben, met inbegrip van de rechtsvorm van de overeenkomst betreffende mede-investering en, indien relevant, de belangrijkste governancevoorschriften van het mede-investeringsvehikel;en c) het proces, waaronder het stappenplan voor de oprichting en ontwikkeling van het mede-investeringsproject, wordt van tevoren vastgesteld, wordt op duidelijke wijze schriftelijk aan alle potentiële mede-investeerders uiteengezet, en alle significante mijlpalen worden op niet-discriminerende wijze aan alle ondernemingen meegedeeld.3° de aanbieding betreffende mede-investeringen omvat voorwaarden voor potentiële investeerders op basis waarvan duurzame mededinging op de lange termijn wordt bevorderd, met name: a) aan alle ondernemingen worden billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden aangeboden voor de deelname aan een overeenkomst betreffende de mede-investering naargelang van het tijdstip waarop zij partij worden, onder meer wat betreft een verplichte financiële bijdrage voor de verwerving van specifieke rechten, wat betreft de bescherming van de mede-investeerders op grond van die rechten, zowel tijdens de aanlegfase als tijdens de exploitatiefase, bijvoorbeeld door het verlenen van onvervreemdbare gebruiksrechten voor de verwachte levensduur van het netwerk waarin mede-investering plaatsvindt, en wat betreft de voorwaarden voor de deelname aan en eventuele opzegging van de overeenkomst betreffende mede-investering.Niet-discriminerende voorwaarden houden in dit verband niet in dat aan alle potentiële mede-investeerders precies dezelfde voorwaarden, met inbegrip van financiële voorwaarden, worden aangeboden, maar dat alle varianten van de aangeboden voorwaarden gerechtvaardigd zijn op basis van dezelfde objectieve, transparante, niet-discriminerende en voorspelbare criteria, zoals het aantal vastgelegde eindgebruikerslijnen; b) de aanbieding voorziet in flexibiliteit wat betreft de waarde en looptijd van de verbintenissen die door elke mede-investeerder worden aangegaan, bijvoorbeeld door middel van een overeengekomen en potentieel toenemend percentage van de totale eindgebruikerslijnen in een bepaald gebied, waartoe de mede-investeerders zich geleidelijk kunnen verbinden en dat wordt vastgesteld op een niveau per eenheid dat kleinere mede-investeerders met beperkte middelen de mogelijkheid biedt in te stappen in de mede-investering op wat redelijkerwijs een minimum niveau mag worden genoemd en daarna hun deelname geleidelijk te verhogen, terwijl een adequaat niveau van de oorspronkelijke verbintenissen wordt gewaarborgd.Bij de vaststelling van de door elke mede-investeerder te leveren financiële bijdrage wordt rekening gehouden met het feit dat vroege investeerders grotere risico's lopen en eerder kapitaal inbrengen; c) een geleidelijk toenemende premie wordt als gerechtvaardigd beschouwd voor verbintenissen die in een later stadium worden aangegaan en voor nieuwe mede-investeerders die instappen in de mede-investering nadat het project van start is gegaan, zodat rekening wordt gehouden met afnemende risico's en wordt voorkomen dat er prikkels van uitgaan om kapitaal niet in een vroeg stadium in te brengen;d) de overeenkomst betreffende de mede-investering staat toe dat mede-investeerders verkregen rechten overdragen aan andere mede-investeerders of aan derden die bereid zijn partij te worden bij de overeenkomst betreffende de mede-investering, mits de overnemende partij verplicht wordt om alle in het kader van de overeenkomst betreffende de mede-investering aan de overdragende partij opgelegde oorspronkelijke verplichtingen na te leven;e) de mede-investeerders verlenen elkaar onder billijke en redelijke voorwaarden wederzijdse rechten betreffende toegang tot infrastructuur waarop de mede-investering betrekking heeft, met als doel het downstream aanbieden van diensten, onder meer aan eindgebruikers, overeenkomstig transparante voorwaarden die duidelijk zijn vastgelegd in de aanbieding betreffende mede-investeringen en de daaropvolgende overeenkomst, met name als de mede-investeerders individueel en afzonderlijk verantwoordelijk zijn voor de implementatie van specifieke onderdelen van het netwerk.Als een mede-investeringsvehikel wordt gecreëerd, voorziet dit, direct of indirect, in toegang tot het netwerk voor alle mede-investeerders, op basis van de gelijkwaardigheid van inputs en onder billijke en redelijke voorwaarden, met inbegrip van financiële voorwaarden waarin rekening is gehouden met de verschillende risiconiveaus die de afzonderlijke mede-investeerders aanvaarden; 4° met de aanbieding betreffende mede-investeringen wordt een duurzame investering gewaarborgd waarmee waarschijnlijk tegemoet wordt gekomen aan toekomstige behoeften, doordat nieuwe netwerkelementen worden geïmplementeerd die aanzienlijk bijdragen tot de implementatie van netwerken met een zeer hoge capaciteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 91</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Functionele scheiding § 1 - Als de Mediaraad besluit dat de passende verplichtingen die zijn opgelegd krachtens de artikelen 84 tot 89 er niet in geslaagd zijn daadwerkelijke concurrentie tot stand te brengen en dat er belangrijke en blijvende concurrentieproblemen en/of markttekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot het aanbod op wholesaleniveau op bepaalde markten voor toegangsproducten, kan hij uitzonderlijk, in overeenstemming met artikel 73, § 5, een verplichting opleggen aan verticaal geïntegreerde ondernemingen om activiteiten die verband houden met het aanbieden van de desbetreffende toegangsproducten op wholesaleniveau in een onafhankelijk opererende bedrijfseenheid te plaatsen Die bedrijfseenheid moet toegangsproducten en -diensten leveren aan alle ondernemingen, met inbegrip van andere bedrijfseenheden binnen de moedermaatschappij, binnen dezelfde tijdspanne en tegen dezelfde voorwaarden, met inbegrip van de prijs en kwaliteit van dienstverlening, en door middel van dezelfde systemen en processen. § 2 - Als de Mediaraad voornemens is functionele scheiding verplicht te stellen, dient hij hiertoe een voorstel in bij de Europese Commissie met: 1° het bewijs dat het in paragraaf 1 bedoelde besluit van de Mediaraad gerechtvaardigd is;2° een gemotiveerde evaluatie die besluit dat er binnen een redelijke termijn weinig of geen kans is op daadwerkelijke en duurzame op infrastructuur gegronde concurrentie;3° een analyse van de verwachte impact op de Mediaraad, op de onderneming, met name op de werknemers van de gescheiden bedrijfseenheid, op de elektronische-communicatiesector als geheel, op de stimuli om daarin te investeren, met name in verband met de noodzaak te zorgen voor sociale en territoriale cohesie, en op andere belanghebbenden, met name de verwachte impact op de mededinging op het gebied van infrastructuur en eventuele daaruit voortvloeiende gevolgen voor de consument;4° een analyse van de redenen waarom die verplichting het efficiëntste middel zou zijn om mededingingsproblemen op te lossen of correctiemaatregelen te doen toepassen die erop gericht zijn de geïdentificeerde mededingingsproblemen of problemen in verband met markttekortkomingen op te lossen. § 3 - De ontwerpmaatregel omvat de volgende elementen: 1° de exacte aard en het niveau van scheiding, waarbij met name de rechtsstatus van de afzonderlijke bedrijfseenheid wordt vermeld;2° de lijst van de activa van de afzonderlijke bedrijfseenheid alsook van de producten of diensten die door deze eenheid moeten worden geleverd;3° de bestuursregelingen om te zorgen voor de onafhankelijkheid van het personeel dat in dienst is bij de afzonderlijke bedrijfseenheid, en de overeenkomstige stimulerende maatregelen;4° voorschriften om te zorgen voor de naleving van de verplichtingen;5° voorschriften om te zorgen voor transparantie van de operationele procedures, met name naar de belanghebbenden toe;6° een toezichtprogramma om te zorgen voor naleving, met inbegrip van de publicatie van een jaarverslag. § 4 - Naar aanleiding van het besluit van de Europese Commissie inzake die ontwerpmaatregel, voert de Mediaraad een gecoördineerde analyse uit van de verschillende markten die verbonden zijn met het toegangsnetwerk overeenkomstig de in artikel 73 beschreven procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van die analyse moet de Mediaraad, overeenkomstig artikel 116, § 2, verplichtingen opleggen, handhaven of intrekken. § 5 - Een onderneming die functionele scheiding kreeg opgelegd, kan worden onderworpen aan alle in de artikelen 72 tot 89 en 95 bedoelde verplichtingen op elke specifieke markt wanneer is vastgesteld dat het een onderneming betreft die overeenkomstig artikel 73 is aangewezen als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht, of andere verplichtingen die door de Europese Commissie zijn goedgekeurd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwillige scheiding door een verticaal geïntegreerde onderneming § 1 - Ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht stellen de Mediaraad ten minste drie maanden vooraf in kennis van hun voornemen hun plaatselijke toegangsnetwerkactiva of een belangrijk deel ervan over te dragen aan een afzonderlijke rechtseenheid met een verschillende eigenaar, of een afzonderlijke bedrijfseenheid op te richten om aan alle retailers, met inbegrip van de eigen retailafdelingen, volledige equivalente toegangsproducten te verstrekken, zodat de Mediaraad de impact van de geplande transactie kan beoordelen Die ondernemingen stellen de Mediaraad tevens in kennis van eventuele veranderingen van dat voornemen, alsmede van het eindresultaat van het scheidingsproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke ondernemingen kunnen ook afspraken inzake toegangsvoorwaarden aanbieden die van toepassing zullen zijn op hun netwerk tijdens een implementatieperiode nadat de voorgestelde vorm van de scheiding is geïmplementeerd, teneinde effectieve en niet-discriminerende toegang door derden te waarborgen. Het aanbod van afspraken is voldoende gedetailleerd, onder meer wat betreft het tijdschema voor de implementatie en de looptijd opdat de Mediaraad zijn taken overeenkomstig paragraaf 2 kan uitvoeren. Dergelijke afspraken kunnen een langere periode bestrijken dan de maximale periode voor marktbeoordelingen die in artikel 73, § 8, is vastgesteld. § 2 - De Mediaraad onderzoekt welk effect de voorgenomen transactie, indien van toepassing in combinatie met de aangeboden afspraken, zal hebben op de bestaande regelgevende verplichtingen op grond van dit decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiertoe voert de Mediaraad een analyse uit van de verschillende markten die verbonden zijn aan het toegangsnetwerk in overeenstemming met de in artikel 73 beschreven procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van die analyse moet de Mediaraad verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken, overeenkomstig de in artikel 116, § 1, omschreven procedure, waarbij in voorkomend geval artikel 94 wordt toegepast. De Mediaraad kan in zijn besluit bepalen dat de afspraken in hun geheel of gedeeltelijk bindend zijn. In afwijking van artikel 73, § 8, kan de Mediaraad bepalen dat de afspraken in hun geheel of gedeeltelijk bindend zijn voor de gehele periode waarvoor zij worden aangeboden. § 3 - De juridisch of operationeel gescheiden bedrijfseenheid waarvan overeenkomstig artikel 73, is vastgesteld dat zij op een specifieke markt aanmerkelijke marktmacht heeft, kan in voorkomend geval worden onderworpen aan alle in de artikelen 84 tot 89 en 95 bedoelde verplichtingen, of andere verplichtingen die de Europese Commissie op grond van artikel 73, § 5, heeft toegestaan, als de aangeboden afspraken niet afdoende zijn om de doelstellingen vermeld in artikel 5 te verwezenlijken. § 4 - De Mediaraad houdt toezicht op de implementatie van de door de ondernemingen aangeboden afspraken die hij overeenkomstig paragraaf 2 bindend heeft gemaakt, en neemt de verlenging ervan in overweging wanneer de looptijd waarvoor deze oorspronkelijk werden aangeboden, is verstreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 93</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afspraakprocedure § 1 - Ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht kunnen aan de Mediaraad afspraken aanbieden in verband met de voor hun netwerken geldende voorwaarden voor toegang of mede-investeringen, of beide, met betrekking tot onder meer: 1° samenwerkingsregelingen inzake de beoordeling van passende en evenredige verplichtingen op grond van artikel 73;2° mede-investeringen in netwerken met zeer hoge capaciteit op grond van artikel 90;of 3° doeltreffende en niet-discriminerende toegang voor derde partijen op grond van artikel 92, zowel tijdens een implementatieperiode van vrijwillige scheiding door een verticaal geïntegreerde onderneming als nadat de voorgestelde vorm van scheiding is geïmplementeerd Het aanbod voor afspraken is voldoende gedetailleerd, onder meer wat betreft het tijdstip en de reikwijdte van de implementatie ervan en de duur ervan, teneinde de Mediaraad in staat te stellen zijn beoordeling op grond van paragraaf 2 uit te voeren. Die afspraken kunnen een langere periode bestrijken dan de in artikel 73, § 8, bepaalde maximumperiode voor marktanalyse. § 2 - Teneinde op grond van paragraaf 1 door een onderneming aangeboden afspraken te beoordelen, verricht de Mediaraad, tenzij die afspraken duidelijk niet aan één of meerdere desbetreffende voorwaarden of criteria voldoen, een markttoets, met name betreffende de aangeboden voorwaarden, door het organiseren van een raadpleging van belanghebbende partijen, met name derde partijen die rechtstreekse gevolgen ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijke mede-investeerders of toegangvragende partijen kunnen zich uitspreken over de conformiteit van de aangeboden afspraken met de voorwaarden van artikel 73, 90 of 92, naargelang van toepassing, en kunnen veranderingen voorstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de krachtens dit artikel aangeboden afspraken houdt de Mediaraad bij het beoordelen van verplichtingen op grond van artikel 73, § 4, tweede lid, in het bijzonder rekening met: 1° bewijsmateriaal inzake de billijke en redelijke aard van de aangeboden afspraken;2° het openstaan van de afspraken voor alle marktdeelnemers;3° de tijdige beschikbaarheid van toegang onder billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, onder meer tot netwerken met zeer hoge capaciteit, voordat aanverwante retaildiensten worden aangeboden; en 4° de algemene mate waarin de aangeboden afspraken duurzame mededinging op downstreammarkten mogelijk maken en de uitrol en ingebruikneming van netwerken met zeer hoge capaciteit in samenwerkingsverband faciliteren ten behoeve van eindgebruikers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad deelt, rekening houdend met alle tijdens de raadpleging geuite standpunten en met de mate waarin die standpunten representatief zijn voor de verschillende belanghebbenden, aan de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht zijn voorlopige conclusies mee over de vraag of de aangeboden afspraken voldoen aan de doelstellingen, criteria en procedures in dit artikel en artikel 73, 90 of 93, naargelang toepasselijk, alsmede onder welke voorwaarden het in overweging zou kunnen nemen de afspraken bindend te maken. De onderneming kan haar initiële aanbod herzien om rekening te houden met de conclusies van de Mediaraad en met het oog op het voldoen aan de criteria in dit artikel en, naargelang toepasselijk, in artikel 73, 90 of 92. § 3 - Onverminderd artikel 90, § 2, eerste lid, kan de Mediaraad een besluit nemen om de afspraken geheel of gedeeltelijk bindend te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 73, § 8, kan de Mediaraad bepaalde of alle afspraken bindend maken voor een specifieke periode, die de hele periode waarvoor het aanbod geldt kan zijn, en in het geval van mede-investeringsafspraken die op grond van artikel 90, § 2, eerste lid, bindend zijn gemaakt, maakt het deze bindend voor een periode van minimaal zeven jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van artikel 90 laat dit artikel de toepassing van de marktanalyseprocedure en het opleggen van verplichtingen op grond van artikel 73 onverlet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Mediaraad afspraken op grond van dit artikel bindend maakt, onderzoekt hij krachtens artikel 73 de gevolgen van dat besluit voor de marktontwikkeling, alsmede het al dan niet passend zijn van verplichtingen die hij heeft opgelegd of die hij, bij gebrek aan afspraken, overwoog op te leggen op grond van dat artikel of de artikelen 84 tot 89. Wanneer de Mediaraad overeenkomstig artikel 73, § 4, kennis geeft van een ontwerpmaatregel krachtens artikel 116, § 2, voegt hij het besluit tot vaststelling van de afspraak bij de ter kennis gebrachte ontwerpmaatregel. § 4 - De Mediaraad monitort, controleert en waarborgt de naleving van de afspraken die hij overeenkomstig paragraaf 3 bindend heeft gemaakt op dezelfde manier als waarop hij de naleving van krachtens artikel 73, § 4, opgelegde verplichtingen monitort, controleert en waarborgt, en neemt de verlenging van de periode waarvoor zij bindend zijn gemaakt in overweging wanneer de initiële periode verstrijkt. Wanneer de Mediaraad concludeert dat een onderneming niet heeft voldaan aan de overeenkomstig paragraaf 3 bindend gemaakte afspraken, kan hij die onderneming overeenkomstig artikel 139 van dit decreet sancties opleggen. De Mediaraad kan de overeenkomstig artikel 73, § 10, opgelegde verplichtingen opnieuw evalueren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 94</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluitend op wholesalemarkten actieve ondernemingen § 1 - Als de Mediaraad een onderneming die niet actief is op een retailmarkt voor elektronischecommunicatiediensten overeenkomstig artikel 73, § 4, aanwijst als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht op één of meerdere wholesalemarkten, gaat hij na of die onderneming over de volgende kenmerken beschikt: 1° alle bedrijven en bedrijfsonderdelen binnen de onderneming, alle bedrijven waarover dezelfde uiteindelijke eigenaar zeggenschap heeft, maar die niet per se volledig in zijn of hun bezit zijn, en eventuele aandeelhouders die zeggenschap kunnen uitoefenen over de onderneming, ontplooien slechts activiteiten op wholesalemarkten voor elektronischecommunicatiediensten en beogen dat ook in de toekomst te doen, en ontplooien dus geen activiteiten op een retailmarkt voor elektronischcommunicatiediensten die in de Europese Unie aan eindgebruikers worden verstrekt;2° de onderneming is niet gebonden aan een enkele en afzonderlijke downstream actieve onderneming die activiteiten ontplooit op een retailmarkt voor elektronischecommunicatiediensten die aan eindgebruikers worden verstrekt, op grond van een exclusieve overeenkomst of een overeenkomst die feitelijk neerkomt op een exclusieve overeenkomst. § 2 - Als de Mediaraad concludeert dat aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, kan hij aan die onderneming alleen verplichtingen op grond van de artikelen 85 en 88, of verplichtingen met betrekking tot eerlijke en redelijke prijzen, opleggen als dit gerechtvaardigd is op basis van een marktanalyse, inclusief een prospectieve beoordeling van het waarschijnlijke gedrag van de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht. § 3 - De Mediaraad kan de overeenkomstig dit artikel aan de onderneming opgelegde verplichtingen te allen tijde heroverwegen als het concludeert dat niet meer aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden wordt voldaan, en het past voor zover passend de artikelen 72 tot 73 en 84 tot 89 toe De ondernemingen stellen de Mediaraad zonder onnodige vertraging in kennis van elke wijziging in de omstandigheden die relevant zijn voor paragraaf 1. § 4 - De Mediaraad heroverweegt de overeenkomstig dit artikel aan de onderneming opgelegde verplichtingen ook als het op basis van bewijsstukken betreffende de door de onderneming aan haar downstreamklanten aangeboden voorwaarden concludeert dat er concurrentieproblemen zijn ontstaan of dreigen te ontstaan waardoor de eindgebruikers worden benadeeld en het noodzakelijk is één of meer van de in artikel 84, 86, 87 of 89 bedoelde verplichtingen op te leggen of de overeenkomstig paragraaf 2 opgelegde verplichtingen aan te passen. § 5 - Het opleggen van verplichtingen en de heroverweging daarvan wordt uitgevoerd in overeenstemming met de in de artikelen 116 en 117 bedoelde procedures.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 95</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Migratie van legacy-infrastructuur § 1 - Ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht stellen de Mediaraad van tevoren en tijdig in kennis wanneer zij beogen over te gaan tot buitenbedrijfstelling of vervanging door nieuwe infrastructuur van onder verplichtingen op grond van de artikelen 73 en 84 tot 94 vallende delen van het netwerk, met inbegrip van legacy-infrastructuur die nodig is om een kopernetwerk te gebruiken. § 2 - De Mediaraad waarborgt dat het proces van buitenbedrijfstelling of vervanging transparante tijdschema's en voorwaarden omvat, inclusief een passende opzeggingstermijn voor de overgang, en stelt vast dat indien nodig alternatieve producten van ten minste vergelijkbare kwaliteit beschikbaar zijn die toegang verstrekken tot de opgewaardeerde netwerkinfrastructuur die in de plaats komt van de vervangen elementen, teneinde de concurrentie en de rechten van de eindgebruikers zeker te stellen De Mediaraad kan de verplichtingen betreffende activa waarvan buitenbedrijfstelling of vervanging is beoogd, intrekken wanneer het zich ervan heeft vergewist dat de aanbieder van toegang: 1° passende voorwaarden voor de migratie tot stand heeft gebracht, onder meer door een alternatief toegangsproduct van ten minste vergelijkbare kwaliteit beschikbaar te stellen waarmee toegangvragende partijen dezelfde eindgebruikers kunnen bereiken als met de legacy-infrastructuur;en 2° voldoet aan de voorwaarden en het proces waarvan de Mediaraad overeenkomstig dit artikel in kennis is gesteld. Een dergelijke intrekking wordt uitgevoerd overeenkomstig de in de artikelen 116 en 117 bedoelde procedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 4 - Toegang tot specifieke inhouden en diensten Art. 96 - Het recht op verplichte verbreiding voor lineaire audiovisuele mediadiensten § 1 - De Regering kan een aanbieder van audiovisuele mediadiensten het recht op verplichte verbreiding van één of meer van zijn lineaire audiovisuele mediadiensten toekennen. De toekenning van dat recht veronderstelt dat de aanbieder van mediadiensten en de Regering een overeenkomst hebben gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit recht wordt overeenkomstig artikel 97, § 1, 2°, uitgeoefend ten aanzien van de exploitanten van elektronischecommunicatiediensten van wie de diensten door een significant aantal eindgebruikers gebruikt worden als voornaamste middel om lineaire audiovisuele mediadiensten te ontvangen. § 2 - Het recht op verplichte verbreiding wordt bij de Regering per aangetekend schrijven aangevraagd. De Regering bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen dertig dagen na ontvangst ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bezorgt de aanvraag en de ontwerpovereenkomst aan de Mediaraad. De Mediaraad verstrekt binnen zestig dagen advies daarover.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als hij binnen de gestelde termijn geen advies uitbrengt, kan deze formaliteit buiten beschouwing worden gelaten. § 3 - Het recht op verplichte verbreiding van een lineaire audiovisuele mediadienst kan alleen toegekend worden als die dienst aan de volgende minimumvoorwaarden voldoet: 1° bijdragen tot de luister van het erfgoed - inzonderheid het culturele erfgoed - van de Duitstalige Gemeenschap, waarbij die bijdrage verder reikt dan het bepaalde in artikel 24, § 3;2° dagelijks een minimumaantal zenduren aanbieden, waarbij de programma's niet alleen uit heruitzendingen mogen bestaan;3° dagelijks op zijn minst een algemeen journaal aanbieden. § 4 - In de in paragraaf 1 genoemde overeenkomst worden de bijzonderheden van de in paragraaf 3 genoemde verplichtingen vastgelegd. In die overeenkomst kunnen ruimere verplichtingen worden opgenomen als dit wegens het formaat en de aard van de lineaire audiovisuele mediadienst noodzakelijk is. § 5 - De aanbieder van lineaire audiovisuele mediadiensten aan wie een recht op verplichte verbreiding is toegekend, legt in het in artikel 9 genoemde activiteitenverslag uit hoe de verplichtingen die in de overeenkomst worden vermeld, zijn nagekomen. § 6 - De aanbieder van lineaire audiovisuele mediadiensten, aan wie een recht op verplichte verbreiding is toegekend, verbreidt de dienst in kwestie uiterlijk zes maanden na toekenning van het recht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 97</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Doorgifteverplichtingen (must carry) § 1 - Ten einde de opinieverscheidenheid en de culturele diversiteit te bevorderen en rekening houdend met de culturele bijzonderheid van de Duitstalige Gemeenschap als grensregio in een meertalige staat zonder nationale radio- en televisieomroeporganisatie, moeten de aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten waarvan de netwerken en diensten voor een significant aantal eindgebruikers het belangrijkste middel zijn om lineaire audiovisuele en auditive mediadiensten te ontvangen de volgende lineaire audiovisuele mediadiensten, op het ogenblik van hun uitzending en in hun geheel doorgeven: 1° de lineaire audiovisuele en auditive mediadiensten van het BRF alsmede van de handelsmaatschappijen waarmee het BRF een samenwerkingsakkoord heeft gesloten of aan het kapitaal waarvan het rechtstreeks of onrechtstreeks deelneemt;2° de lineaire audivisuele mediadiensten die over een recht zoals bedoeld in artikel 96 beschikken;3° twee lineaire auditieve mediadiensten en de lineaire audiovisuele mediadiensten van de publiekrechtelijke radio-omroeporganisatie van de Franse Gemeenschap;4° twee lineaire auditieve mediadiensten en de lineaire audiovisuele mediadiensten van de publiekrechtelijke radio-omroeporganisatie van de Vlaamse Gemeenschap;5° De in artikel 31 vermelde uitzendingen. § 2 - De Mediaraad kan één of meerdere aanbieders van elektronischecommunicatiediensten waarvan de diensten door een significant aantal eindgebruikers gebruikt worden als voornaamste middel om lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten te ontvangen, ertoe verplichten nog andere audiovisuele mediadiensten aan te bieden De Regering bepaalt de desbetreffende criteria en vermeldt uitdrukkelijk welke doelstellingen van algemeen belang daarmee worden nagestreefd. Voordat hij zijn besluit neemt, verzoekt de Mediaraad de betrokken exploitanten van elektronischecommunicatiediensten en verbruikers via zijn website om binnen een termijn van ten minste zestig dagen hun standpunt omtrent het ontwerpbesluit te kennen te geven. Als binnen die termijn geen standpunt te kennen wordt gegeven, kan de Mediaraad zijn besluit uitvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad kan een kanaal voor verschillende programma's toewijzen met het oog op het gebruik ervan op verschillende tijdstippen of beurtelings. § 3 - De in dit artikel bedoelde verplichtingen worden om de vijf jaar door de Mediaraad geëvalueerd. De resultaten van de evaluatie worden gepubliceerd op de website van de Mediaraad. § 4 - In geval van een geschil tussen aanbieders van elektronischecommunicatiediensten en aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten over de vergoeding, kan elk van de partijen het geschil voorleggen aan de Mediaraad, die beslist over een passende vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beslechting van dergelijke geschillen zorgt de Mediaraad ervoor dat er onder vergelijkbare omstandigheden geen sprake is van discriminatie in de behandeling van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en dat de vergoeding op evenredige en transparante wijze wordt vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 98</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende verplichte diensten De Mediaraad kan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten waarvan de diensten door een significant aantal eindgebruikers gebruikt worden als voornaamste middel om lineaire audiovisuele en auditieve mediadiensten te ontvangen, ertoe verplichten aanvullende diensten aan te bieden, in het bijzonder toegankelijkheidsdiensten om een passende toegang voor eindgebruikers met ondersteuningsbehoefte mogelijk te maken HOOFDSTUK 5. - Technische normen Art. 99 - Interoperabiliteit van digitaletelevisieapparatuur Alle voor de ontvangst van digitaletelevisiesignalen bestemde apparatuur voor consumenten die in het Duitstalige gebied wordt verkocht of verhuurd of anderszins ter beschikking wordt gesteld en waarmee digitaletelevisiesignalen kunnen worden gedecodeerd, moet geschikt zijn om: 1° het decoderen van dergelijke signalen mogelijk te maken overeenkomstig een gemeenschappelijk Europese coderingsalgoritme zoals beheerd door een erkende Europese normalisatieorganisatie;2° signalen weer te geven die ongecodeerd zijn uitgezonden, met dien verstande dat, als dergelijke apparatuur wordt gehuurd, de huurder aan de desbetreffende huurovereenkomst voldoet. Digitaletelevisietoestellen met een integraal scherm waarvan de zichtbare diagonaal groter is dan 30 cm die in het Duitse taalgebied worden verkocht of verhuurd, moeten zijn voorzien van ten minste één open interface contrastekker, die hetzij door een erkende Europese normalisatieorganisatie genormaliseerd is, hetzij voldoet aan een door die instelling vastgestelde norm, hetzij aan een door de industrie algemeen aanvaarde specificatie, waarmee eenvoudige aansluiting van randapparatuur mogelijk is en die alle relevante elementen van een digitaal televisiesignaal doorlaat, met inbegrip van informatie betreffende interactieve en voorwaardelijk toegankelijke diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieders van digitale tv-diensten en -apparatuur werken samen om interoperabele tv-diensten voor eindgebruikers met ondersteuningsbehoefte aan te bieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-100\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 100</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toegankelijkheidsvoorschriften § 1 - Eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties, voor toegang tot audiovisuele mediadiensten die na 28 juni 2025 in de handel worden gebracht, moeten voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften die in bijlage 1, afdelingen I en IV, zijn bepaald. § 2 - Tot audiovisuele mediadiensten toegang verschaffende diensten die na 28 juni 2025 aan consumenten worden geleverd moeten voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften die in bijlage 1, afdeling II en III respectievelijk afdeling IV zijn bepaald Micro-ondernemingen die diensten aanbieden, worden vrijgesteld van de in toegankelijkheidsvoorschriften als bedoeld in het eerste lid en van elke verplichting in verband met de naleving van die voorschriften. § 3 - De in de paragrafen 1 en 2 genoemde toegankelijkheidsvoorschriften zijn uitsluitend van toepassing voor zover de naleving ervan: 1° geen ingrijpende wijziging van een product of dienst vereist, resulterend in een fundamentele wijziging van de wezenlijke aard ervan, en 2° geen onevenredige last voor de betrokken marktdeelnemers oplevert. Marktdeelnemers voeren een beoordeling uit om te kunnen bepalen of het naleven van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde toegankelijkheidsvoorschriften tot een fundamentele wijziging leidt of, overeenkomstig de desbetreffende criteria in bijlage 2, een onevenredige last als bedoeld in het eerste lid oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Marktdeelnemers documenteren hun beoordeling. Marktdeelnemers bewaren alle relevante resultaten gedurende een periode van vijf jaar nadat, naargelang van het geval, een product voor het laatst op de markt is aangeboden of een dienst voor het laatst op de markt is verleend. De marktdeelnemers verstrekken, naargelang van het geval, aan de Mediaraad of aan de voor het controleren van de conformiteit van diensten verantwoordelijke autoriteiten, op hun verzoek, een exemplaar van deze beoordeling. § 4 - Indien een marktdeelnemer uit andere bronnen dan zijn eigen middelen financiering ontvangt ter verbetering van de toegankelijkheid, ongeacht of het om publieke of particuliere financiering gaat, kan hij geen beroep doen op § 3, 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 4. - Mediaraad en adviesraad voor mediadiensten van de Duitstalige Gemeenschap HOOFDSTUK 1. - Mediaraad van de Duitstalige Gemeenschap Afdeling 1. - Rechtsvorm en doelstellingen Art. 101 - Rechtsvorm, zittingen § 1- De Mediaraad heeft rechtspersoonlijkheid. Het is een regelgevende instantie die zijn bevoegdheden onpartijdig, transparant en binnen een redelijke termijn uitoefent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij stelt zijn huishoudelijk reglement op dat in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt. § 2 - De Mediaraad bestaat uit minstens drie en hoogstens vier leden, evenals de overeenkomstig paragraaf 4 ter beschikking gestelde personeelsleden. De Regering wijst de leden en de voorzitter van de Mediaraad aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter vertegenwoordigt de Mediaraad bij elke gerechtelijke en buitengerechtelijke handeling, hij regelt de lopende zaken en voert de beslissingen van de Mediaraad uit. Besluiten op grond van artikel 112, § 1, worden genomen door de Mediaraad, voor zover in het huishoudelijk reglement niets anders wordt bepaald wat de volmachten aan de voorzitter betreft. Dit kan overeenkomstig het huishoudelijk reglement via een schriftelijke procedure of op grond van een volmacht verleend door een lid aan een ander lid. De Mediaraad treedt op als collegiaal orgaan en beraadslaagt bij consensus. De Mediaraad neemt besluiten bij consensus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeel dat onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van de Mediaraad valt, bereidt de beslissingen van de Mediaraad voor. Het personeel vraagt noch ontvangt instructies van andere instanties. De Mediaraad en zijn personeel kunnen zich tot andere overheidsdiensten of deskundigen wenden om hen bij de uitoefening van hun taken te ondersteunen. § 3 - De Mediaraad wijst onder zijn leden en/of het ter beschikking gestelde personeel één of meerdere auditeurs aan voor een verlengbaar mandaat van een jaar. De voorzitter kan niet worden aangewezen voor de functie van auditeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij klachten aan de Mediaraad over de toepassing van dit decreet of de uitvoeringsbepalingen ervan, met uitzondering van de klachten tegen besluiten van de Mediaraad, en in geval van vermoede inbreuken op dit decreet, wijst de voorzitter per geval een van deze auditeurs aan om deze zaken te onderzoeken. Bij de behandeling van aan hen toevertrouwde klachten en ex-officioprocedures, zijn de auditeurs niet aan instructies gebonden. Zij nemen niet deel aan de beraadslaging van de Mediaraad over een zaak waarin zij het onderzoek hebben uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de uitoefening van de hem toevertrouwde taken kan de auditeur: 1° van op afstand of ter plaatse bij de overheidsinstanties, de aanvragers, de aangemelde aanbieders van mediadiensten, de exploitanten van elektronische-communicatenetwerken en -diensten alle nodige inlichtingen inwinnen om te kunnen vaststellen of de verplichtingen die uit dit decreet voortvloeien of op grond van dit decreet gelden, worden nageleefd;2° overeenkomstig de door de Regering vastgelegde bepalingen, onderzoek instellen bij de personen genoemd in 1°. § 4 - De Regering stelt de Mediaraad voldoende technische, financiële en menselijke middelen ter beschikking om ervoor te zorgen dat die raad de hem toegewezen taken kan vervullen. § 5 - De voorzitter roept de Mediaraad bijeen wanneer het nodig is, maar tenminste zes keer per jaar. De gewone zittingen geschieden met gesloten deuren. Adviseurs en deskundigen kunnen de vergaderingen van de Mediaraad bijwonen, met het recht om hun standpunt te kennen te geven over de onderwerpen die om advies zijn voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een auditeur mag geen vergaderingen bijwonen waarin zaken besproken worden, waarvan hij het onderzoek verricht heeft of waaraan hij rechtstreeks of onrechtstreeks deelgenomen heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 102</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Regelgevingsbeginselen § 1 - De Mediaraad heeft tot taak, door alle maatregelen bepaald bij dit decreet, de doelstellingen vermeld in artikel 5 te bereiken. § 2 - De Mediaraad past bij het nastreven van de in artikel 5 vastgelegde doelstellingen objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige principes in de regelgeving toe, onder meer op de volgende wijze: 1° hij bevordert de voorspelbaarheid van de regelgeving door middel van een consistente aanpak van de regelgeving tijdens geschikte herzieningsperioden en door samen te werken met andere regelgevende instanties, met BEREC, met de Beleidsgroep Radiospectrum en met de Commissie;2° hij waarborgt dat er bij gelijke omstandigheden geen discriminatie plaatsvindt bij de behandeling van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten;3° hij past het Unierecht toe op technologisch neutrale wijze, voor zover dat in overeenstemming is met de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 5;4° indien toepasselijk, beschermt hij de concurrentie in het belang van de consument en bevordert waar nodig een op infrastructuur gebaseerde concurrentie;5° hij bevordert efficiënte investeringen en innovatie in nieuwe en betere infrastructuur, onder meer door ervoor te zorgen dat er in de toegangsverplichtingen voldoende rekening wordt gehouden met de risico's die de investerende ondernemingen lopen, en door samenwerkingsafspraken toe te staan tussen investeerders en partijen die toegang willen hebben teneinde het investeringsrisico te spreiden, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de mededinging op de markt en het non-discriminatiebeginsel niet in het gedrang komen;6° hij houdt naar behoren rekening met de uiteenlopende omstandigheden betreffende infrastructuur, mededinging, de omstandigheden van eindgebruikers en met name van consumenten die in de verschillende geografische gebieden binnen een lidstaat bestaan, inclusief lokale infrastructuur die door natuurlijke personen zonder winstoogmerk wordt beheerd;7° hij legt voorafgaande regelgevende verplichtingen uitsluitend op voor zover dit noodzakelijk is om, in het belang van de eindgebruiker, effectieve en duurzame mededinging te waarborgen, en zij verlichten die verplichtingen of heffen ze op zodra er aan die voorwaarde is voldaan.8° bij de aanneming van hun beslissingen houdt hij zeer zorgvuldig rekening met door BEREC aangenomen richtsnoeren, adviezen, aanbevelingen, gemeenschappelijke standpunten, beste praktijken en methodologieën.Bij de uitoefening van zijn taken houdt de Mediaraad eveneens zoveel mogelijk rekening houden met de toepasselijke aanbevelingen van de Europese Commissie</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij stelt de Europese Commissie in kennis van met redenen omklede afwijkingen. Er wordt geen afbreuk gedaan aan artikel 116. 9° hij voldoet ten volle aan zijn verplichting tot behoorlijk bestuur en waarborgt het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak, overeenkomstig artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 103</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerking met andere overheden § 1 - De Mediaraad werkt samen met: 1° de in artikel 73, § 9, vermelde Belgische mededingingsautoriteit;2° de regelgevende instanties van andere economische sectoren;3° de Europese Commissie, inzonderheid overeenkomstig artikel 120;4° een andere regelgevende instantie van België - in het bijzonder in het kader van samenwerkingsakkoorden inzake media en elektronische communicatie - of van een andere lidstaat van de Europese Unie, inzonderheid overeenkomstig artikel 121 en 122;5° het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC), in het bijzonder overeenkomstig artikel 123;6° de Europese Groep van regulerende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA), door zich in voorkomend geval met de regulerende instanties van de andere gemeenschappen te coördineren;en 7° de instellingen die belast zijn met de bescherming van de consument De Mediaraad wisselt in het bijzonder inlichtingen met de andere regelgevende instanties en mededingingsautorititeiten uit. Er wordt geen afbreuk gedaan aan artikel 124. § 2 - Voor zover het noodzakelijk is voor de vervulling van de hem toegewezen opdrachten kan de Mediaraad overeenkomsten en samenwerkingsakkoorden sluiten met andere Belgische of buitenlandse overheden. De Mediaraad kan een beroep doen op deskundigen ten einde zijn beslissingen voor te bereiden of om vragen in verband met de regulering te beoordelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 104</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Activiteitenverslag Jaarlijks stelt de Mediaraad een activiteitenverslag op en dient het bij de Regering van de Duitstalige Gemeenschap en bij het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap in. Dit verslag bevat onder meer informatie over de toestand van de markt voor elektronische communicatie, over de genomen besluiten, over zijn personele en financiële middelen en hoe die middelen worden toegewezen, en over toekomstige plannen. Die verslagen worden gepubliceerd op de website van de Mediaraad Afdeling 2. - De leden van de Mediaraad Art. 105 - Samenstelling, eedaflegging De Regering wijst naast de voorzitter, een plaatsvervangende voorzitter aan onder de leden van de Mediaraad. De plaatsvervangende voorzitter vertegenwoordigt de voorzitter als deze verhinderd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de mandaten van de leden van de Mediaraad wordt een openbare oproep tot de gegadigden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de Mediaraad leggen ten overstaan van de minister die bevoegd is voor Media de eed af bepaald in het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1831 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 106</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtstermijn De duur van het mandaat van de leden van de Mediaraad bedraagt vier jaar. Het mandaat gaat in op de eerste vergadering van de Mediaraad</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na afloop van het mandaat leidt de Mediaraad de zaken verder, totdat de nieuw gekozen Mediaraad als gesteld lichaam bijeenkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het mandaat van de leden en van de voorzitter kan worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 107</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijke voorwaarden en onverenigbaarheden De leden van de Mediaraad moeten verdiensten, competenties, kennis en beroepservaring hebben op het gebied van media, recht, economie of technologie, deskundigen zijn op het gebied van de elektronische communicatie of het ambt van magistraat van het openbaar ministerie, van gewoon rechter of van staatsraad uitoefenen resp. uitgeoefend hebben. Ze moeten de burgerlijke en politieke rechten bezitten en meerderjarig zijn Mogen geen lid zijn van de Mediaraad: 1° de volksvertegenwoordigers, senatoren, leden van een Gewest- of Gemeenschapsparlement, van het Europees Parlement of van de Provincieraad, gemeenteraadsleden, leden van de federale Regering, van een Gewest- of Gemeenschapsregering, leden van de bestendige deputatie, van een gemeentecollege of van een ministerieel kabinet;2° een provinciegouverneur, arrondissementscommissaris of burgemeester;3° de leden van de adviesraad, met uitzondering van de voorzitter;4° personeelsleden en leden van de raad van beheer of van de leiding van het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap, van een aanbieder van mediadiensten of van een onderneming die elektronischecommunicatienetwerken, -apparaten of -diensten aanbiedt;5° personen die functies uitoefenen in of aandelen hebben in een vennootschap of in een ander orgaan dat in het Duitse taalgebied inhoudelijk en/of technisch werkzaam is in de sector van de auditieve of audiovisuele media of elektronischecommunicatienetwerken, -apparaten of -diensten aanbiedt. Als bij een lid van de Mediaraad een belangenconflict bestaat omtrent een aangelegenheid waarover de Mediaraad een beslissing moet nemen, mag dat lid niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming binnen de Mediaraad. Die procedure wordt vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de Mediaraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 108</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Redenen van uittreding Een lid treedt uit de Mediaraad om volgende redenen: 1° per jaar is het zonder verontschuldiging op meer dan de helft der zittingen afwezig;2° het wordt overeenkomstig artikel 109 door de Regering afgezet. Treedt een lid van de Mediaraad voortijdig terug, dan dient op grond van de voorschriften inzake benoeming een navolger te worden benoemd om het mandaat te voltooien</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 109</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag Als een lid van de Mediaraad niet meer aan de voorwaarden van artikel 107 voldoet of artikel 124 overtreedt, dan wordt hij door de Regering uit zijn functie ontheven Het besluit tot afzetting van leden van de Mediaraad wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op het ogenblik dat dit besluit wordt genomen. De afgezette leden ontvangen vooraf een toereikende motivering en hebben het recht om de publicatie van die motivering te verzoeken, als zulks anders niet zou geschieden. In dat geval wordt de motivering openbaar gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergoeding De leden van de Mediaraad verkrijgen een passend presentiegeld evenals de vergoeding van reiskosten en andere kosten overeenkomstig de door de Regering vastgestelde bepalingen Adviseurs en deskundigen die overeenkomstig artikel 101, § 5, en zonder andere vergoeding aan vergaderingen van de Mediaraad deelnemen, hebben recht op presentiegeld en reiskostenvergoedingen overeenkomstig de door de Regering vastgestelde bepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 111</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onafhankelijkheid De leden van de Mediaraad zijn niet aan instructies gebonden. De Regering kan de Mediaraad echter op maatregelen of nalatingen wijzen die inbreuk doen op dit decreet of op de wetten in het algemeen Op verzoek van de Regering dient de Mediaraad de m.b.t. het waarnemen van het toezicht noodzakelijke inlichtingen te geven en overeenkomstige documenten voor te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3. - Verantwoordelijkheden van de Mediaraad Art. 112 - Taken § 1 - Overeenkomstig dit decreet en met inachtneming van de doelstellingen vermeld in artikel 5 heeft de Mediaraad inzonderheid de volgende taken: 1° hij stelt een bijgewerkte lijst op van aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten en van videoplatforms overeenkomstig artikel 3, § § 2 en 3, resp.§ § 4 tot 7, van dit decreet waarvoor hij bevoegd is, met vermelding van de criteria waarop zijn bevoegdheid is gebaseerd; 2° overeenkomstig de doelstellingen van artikel 5 stelt hij informatie ter beschikking om de digitale kloof te verkleinen;3° overeenkomstig artikel 8 ontvangt hij de aanmeldingen;4° overeenkomstig artikel 9 ontvangt hij de activiteitsverslagen;5° overeenkomstig artikel 16, § 2, legt hij voorlopige schorsing en verbod op doorgifte van mediadiensten op;6° overeenkomstig artikel 16, § 3, neemt hij maatregelen tegen bepaalde audiovisuele mediadiensten;7° overeenkomstig artikel 16, § 4, wordt hij op de hoogte gebracht van de audiovisuele mediadiensten die door exploitanten worden uitgezonden;8° hij brengt uiterlijk op 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar, verslag uit aan de Europese Commissie over de maatregelen van de aanbieders van audiovisuele mediadiensten overeenkomstig artikel 21 om hun diensten stap voor stap toegankelijker te maken voor personen met ondersteuningsbehoefte.Voor zover mogelijk en proportioneel publiceert de Mediaraad dit verslag op zijn website in een toegankelijk formaat; 9° overeenkomstig artikel 30 stelt hij om de twee jaar een verslag op over de bevordering van de vervaardiging van en de toegang tot Europese producties in de niet-lineaire audiovisuele mediadiensten;10° het beoordelen van de geschiktheid van de maatregelen genomen door aanbieders van videoplatforms overeenkomstig artikel 32;11° overeenkomstig artikel 33, eerste lid, 4°, deelt hij de RDS-PI-code mee;12° overeenkomstig artikel 46, § 1, ontvangt hij de aanmeldingen betreffende het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten;13° overeenkomstig artikel 46, § 2, houdt hij een register van de exploitanten van elektronische-communicatienetwerken en van de aanbieders van elektronische-communicatiediensten bij en publiceert hij dat register;14° hij overhandigt de in artikel 48 genoemde registratieverklaring;15° overeenkomstig de artikelen 51 en 63 wijst hij radiospectrum toe;16° overeenkomstig artikel 52 maakt hij de informatie over de beschikbaarheid van radiospectrum bekend;17° overeenkomstig artikel 59, 1°, houdt hij toezicht op de afspraken over de levering van programmaonderdelen;18° overeenkomstig artikel 60 ontvangt hij de mededelingen;19° overeenkomstig artikel 67, § 1, trekt hij toegewezen radiospectrum in;20° overeenkomstig artikel 67, § 2, ontvangt hij de verklaringen dat afstand wordt gedaan van een toewijzing;21° hij neemt de maatregelen overeenkomstig artikel 71;22° overeenkomstig hoofdstuk 3 van titel 3 zorgt hij voor de marktregulering, maakt hij de marktanalyse overeenkomstig artikel 73 en neemt hij regulerende maatregelen;23° hij zorgt voor de naleving van de voorwaarden voor de algemene machtiging of het gebruik van radiospectrum, alsook van de bijzondere verplichtingen opgelegd krachtens artikel 73, § 4;24° hij zorgt voor de naleving van de in artikel 82 beschreven verplichting ten aanzien van ontvangers van lineaire auditieve mediadiensten die via terrestrische radio-uitzendingen worden uitgezonden;25° hij brengt advies uit over aanvragen en ontwerpovereenkomsten betreffende het recht op verplichte verbreiding die overeenkomstig artikel 96 bij hem zijn ingediend;26° overeenkomstig de artikelen 97 en 98 legt hij verplichtingen op en houdt hij toezicht op de naleving van die verplichtingen;27° hij stelt één of meerdere auditeurs aan overeenkomstig artikel 101, § 3;28° hij neemt de in de artikelen 113 en 114 genoemde maatregelen om geschillen te beslechten;29° overeenkomstig artikel 115 verzoekt hij om inlichtingen;30° overeenkomstig artikel 116 wint hij advies in;31° hij volgt de procedure beschreven in artikel 117;32° overeenkomstig artikel 118 hoort hij belanghebbenden;33° overeenkomstig artikel 119 publiceert hij informatie;34° overeenkomstig de artikelen 120 en 121 verstrekt hij informatie;35° overeenkomstig de artikelen 121 en 122 werkt hij samen met andere instanties;36° hij stelt namen voor van eventuele vertegenwoordigers in de adviesraad van aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten via het internet en van videoplatformdiensten op het internet overeenkomstig artikel 127, § 2;37° hij doet voorstellen overeenkomstig artikel 137;38° overeenkomstig titel 6, hoofdstuk 1, legt hij administratieve sancties op;39° hij staat het Belgisch Instituut voor Post- en Telecommunicatie bij met betrekking tot het toezicht, overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) 2015/2120, op de door de exploitanten van internettoegangsdiensten genomen maatregelen inzake transparantie en de bevordering van de voortdurende beschikbaarheid van niet-discriminerende internettoegangsdiensten op kwaliteitsniveaus die stroken met de stand van de techniek.Daartoe kan de Mediaraad voorschriften inzake technische kenmerken, minimale vereisten inzake de kwaliteit van de dienstverlening en andere passende en noodzakelijke maatregelen opleggen aan een of meer aanbieders van elektronische communicatie aan het publiek, met inbegrip van aanbieders van internettoegangsdiensten, met inachtname van de richtsnoeren van BEREC voor de uitvoering van de verplichtingen van de nationale regelgevende instanties uit hoofde van Verordening (EU) 2015/2120; 40° hij controleert de naleving van de bepalingen betreffende de publiekrechtelijke opdracht van het BRF die voortvloeien uit het decreet van 27 juni 1986 betreffende het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap en keurt in het bijzonder het nieuwe niet-lineair aanbod van het BRF goed, overeenkomstig artikel 1.8 van dat decreet; 41° hij past de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EG) nr.1/2003 van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de Europese Unie met betrekking tot inbreuken die de mededinging merkbaar kunnen verhinderen, beperken of vervalsen in markten van de auditieve en audiovisuele sectoren op het grondgebied van de Duitstalige Gemeenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure bepaalt in boek IV, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2, van het Wetboek van economisch recht geldt mutatis mutandis. De Regering bepaalt de nadere regels voor die procedure. § 2 - De Mediaraad is verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens die zijn verzameld bij de uitvoering van deze taken in de zin van Verordening (EU)2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 113</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Buitenrechtelijke beslechting van geschillen Onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechtbanken kunnen geschillen tussen consumenten en ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken of -diensten aanbieden, met betrekking tot de voorwaarden en/of de uitvoering van de overeenkomsten over het aanbieden van zulke netwerken en/of diensten, aan de Mediaraad worden voorgelegd overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2013/11/EU. De consument behoudt de rechtsbescherming die hij op grond van andere rechtsbepalingen geniet Aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten zijn ertoe verplicht aan een dergelijke procedure mede te werken en alle inlichtingen te leveren alsmede alle documenten voor te leggen die noodzakelijk zijn om de aangelegenheid te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad dient een consensuele oplossing te vinden of zijn mening betreffende de aangelegenheid aan de partijen mede te delen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 114</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beslechting van geschillen tussen ondernemingen § 1 - Wanneer geschillen in verband met verplichtingen voortvloeiend uit titel 3 tussen ondernemingen ontstaan die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden of tussen die ondernemingen en andere ondernemingen in de lidstaten waaraan toegangs- en/of interconnectieverplichtingen ten goede komen, dan mag de Mediaraad op verzoek van één der partijen, een bindende met redenen omklede beslissing nemen binnen vier maanden, behoudens in uitzonderlijke gevallen. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de bevoegdheid van de gewone gerechten De beslissing van de Mediaraad wordt genomen met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen vermeld in artikel 5. De verplichtingen die de Mediaraad aan een onderneming oplegt in het kader van het oplossen van een geschil voldoen aan dit decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 124 wordt de beslissing overeenkomstig artikel 119 openbaar gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad verstrekt aan de betrokken partijen een volledig verslag van de redenen waarop de beslissing is gebaseerd. § 2 - Onverminderd de bevoegdheid van de gewone gerechten kan bij geschillen betreffende de toepassing van titel 3 die tussen partijen in verschillende lidstaten ontstaan en onder de bevoegdheid van nationale regelgevende instanties van op zijn minst twee lidstaten ressorteren, elke partij het geschil bij de bevoegde instanties aanhangig maken. De instanties coördineren hun maatregelen om het geschil te beslechten. Als het geschil gevolgen heeft voor de handel tussen lidstaten, wordt het door de Mediaraad, binnen twee weken na de voorlegging van het geschil, ter kennis van BEREC gebracht om er een consistente beslechting van het geschil voor te vinden, voor zover de nationale regelgevende instantie(s) van de andere lidstaat BEREC nog niet informeerde(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad moet zoveel mogelijk rekening houden met het door BEREC gegeven advies, waarin deze laatste de nationale regelgevende instantie of instanties verzoekt specifieke maatregelen te nemen om het geschil te beslechten of om geen maatregelen te nemen. De Mediaraad en/of de andere betrokken nationale regelgevende instantie of instanties moeten op zo kort mogelijke termijn en in elk geval binnen een maand nadat dit advies werd uitgebracht, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, de maatregelen nemen om het geschil te beslechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderlijke omstandigheden kan de Mediaraad, als er een dringende noodzaak is om te handelen teneinde de mededinging of de belangen van eindgebruikers te beschermen, hetzij op verzoek van de partijen, hetzij op eigen initiatief, voorlopige maatregelen vaststellen, zonder het advies van BEREC af te wachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen die de nationale regelgevende instanties aan ondernemingen opleggen in het kader van de beslechting van een geschil zijn in overeenstemming met titel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde nationale regelgevende instanties kunnen gezamenlijk besluiten een geschil niet te beslechten wanneer er andere mechanismen bestaan, met inbegrip van bemiddeling, die beter zouden kunnen bijdragen tot het tijdig beslechten van het geschil overeenkomstig artikel 5. De Mediaraad stelt de partijen onverwijld daarvan in kennis. Wanneer het geschil binnen vier maanden niet is beslecht, als het geschil niet voor de rechter is gebracht en als een van beide partijen daarom verzoekt, coördineren de nationale regelgevende instanties hun werkzaamheden om een oplossing voor het geschil te vinden, overeenkomstig artikel 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 4. - Procedure Art. 115 - Verzoek om informatie Onverminderd andere informatie- en rapportageverplichtingen zijn de exploitanten van openbare elektronischecommunicatienetwerken, de aanbieders van elektronischecommunicatiediensten, de aanbieders van bijhorende faciliteiten, de houders van spectrumgebruiksrechten, andere mediadienstenaanbieders alsmede alle andere belanghebenden in het kader van de in dit decreet vastgelegde rechten en verplichtingen ertoe verplicht op verzoek van de Mediaraad inlichtingen te verstrekken die voor de uitvoering van het decreet en van de relevante internationale voorschriften evenredig en objectief gerechtvaardigd zijn. Daaronder worden met name de inlichtingen verstaan die nodig zijn om: 1° hetzij systematisch, hetzij per geval, de naleving te verifiëren van de verplichtingen betreffende: a) de betaling van administratieve vergoedingen;b) het effectief en efficiënt gebruik van radiospectrum;c) specifieke verplichtingen opgelegd aan ondernemingen met een aanmerkelijke macht;d) de toegankelijkheidsvoorschriften;e) de interoperabiliteit van autoradio-ontvangers en voor de verbruiker bestemde radio-ontvangers en digitale televisieapparatuur;2° per geval, de naleving van de voorwaarden en verplichtingen die voortvloeien uit de algemene machtiging en de bijzondere verplichtingen opgelegd overeenkomstig artikel 83, § 4, en de aanvragen om toekenning van gebruiksrechten voor radiospectrum te kunnen controleren;3° het uitvoeren van procedures voor en de evaluatie van aanvragen om verlening van gebruiksrechten;4° het publiceren van vergelijkende overzichten van kwaliteit en prijs van diensten ten behoeve van de consumenten;5° het verzamelen van duidelijk omschreven statistieken, verslagen of onderzoeken;6° het verrichten van marktonderzoeken voor de toepassing van deze richtlijn, met inbegrip van gegevens over de downstream- of retailmarkten die verband houden met of verbonden zijn aan de markten waarop het marktonderzoek betrekking heeft;7° het waarborgen van efficiënt gebruik en efficiënt beheer van radiospectrum;8° het evalueren van toekomstige ontwikkelingen van het netwerk of de diensten die gevolgen zouden kunnen hebben voor de wholesalediensten die beschikbaar zijn gesteld aan concurrenten;9° het uitvoeren van geografische onderzoeken voor de uitbouw van het netwerk;10° het beantwoorden van met redenen omklede verzoeken om informatie van BEREC.</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatie vermeld in het eerste lid, met uitzondering van die vermeld in 3°, mag niet worden vereist vóór of als voorwaarde voor de toegang tot de markt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondernemingen verstrekken dergelijke informatie op verzoek onverwijld, binnen de termijnen die de Mediaraad vaststelt en zo gedetailleerd als de Mediaraad verlangt. De Mediaraad noemt de redenen voor zijn verzoek om informatie en behandelt de informatie overeenkomstig artikel 124.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad verzoekt niet nogmaals om informatie waar BEREC reeds op grond van artikel 40 van Verordening (EU) 2018/1971 om heeft verzocht, als BEREC de ontvangen informatie ter beschikking van de Mediaraad heeft gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 116</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Raadplegingsprocedure § 1 - Behalve in de gevallen die onder paragraaf 3 of artikel 114 vallen, stelt de Mediaraad belanghebbenden in staat binnen een redelijke termijn rekening houdend met de complexiteit van de materie, en in elk geval niet binnen een periode van minder dan dertig dagen, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, hun zienswijzen te geven op ontwerpmaatregelen die ze krachtens dit decreet voornemens is te nemen of waarmee ze voornemens is beperkingen vast te stellen en die aanzienlijke gevolgen voor de relevante markt hebben. De hoorzittingen en de resultaten ervan worden door de Mediaraad openbaar gemaakt Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan het beschermen van de bedrijfs- en handelsgeheimen van de belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 124. Te dien einde richt de Mediaraad een centraal informatiepunt op waar een lijst met alle lopende hoorzittingen wordt bewaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op besluiten die tot doel hebben een geschil tussen ondernemingen te beslechten en voor beslissingen genomen op grond van paragraaf 3. § 2 - Bovendien stelt de Mediaraad de Europese Commissie, BEREC, alsook de nationale regelgevende instanties van de andere lidstaten in kennis van de maatregelen ontworpen overeenkomstig dit decreet, voor zover deze onder artikelen 72, 73 of 77 vallen en invloed zouden hebben op de handel tussen de lidstaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad houdt zoveel mogelijk rekening met de opmerkingen die de Europese Commissie, BEREC en de regelgevende instanties van de andere lidstaten binnen een bepaalde termijn maken. Ze zendt het eruit voortvloeiende ontwerp aan de Europese Commissie toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een ontwerp betrekking heeft op de vaststelling van een relevante markt die verschilt van de markten die in de aanbeveling inzake relevante markten voor producten en diensten, in hun respectievelijke versie gedefinieerd zijn, of als één of meerdere ondernemingen aanzienlijke marktmacht bezitten, waarbij die beslissing van invloed zou zijn op de handel tussen de lidstaten, en de Europese Commissie binnen de termijn bedoeld in de eerste zin van het eerste lid verklaart dat het ontwerp een belemmering voor de interne markt opwerpt of dat zij ernstige twijfels heeft omtrent de verenigbaarheid van het ontwerp met het recht van de Europese Unie en inzonderheid met de in artikel 5 genoemde doelstellingen, dan wordt de beslissing omtrent de ontworpen maatregel door de Mediaraad met nog eens twee maanden uitgesteld. Als de Europese Commissie binnen deze termijn beslist van de Mediaraad de intrekking van zijn ontwerp te verlangen, dan is de Mediaraad aan deze beslissing gebonden. Wenst de Mediaraad de door de Europese Commissie voorgestelde wijzigingen te volgen, dan wijzigt hij het ontwerp rekening houdend met de beslissing van de Europese Commissie binnen zes maanden na de datum van de beslissing van de Commissie, houdt hij overeenkomstig paragraaf 1 een hoorzitting en bezorgt hij het gewijzigde ontwerp aan de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad houdt zoveel mogelijk rekening met opmerkingen van andere nationale regelgevende instanties, van BEREC en van de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad deelt de Commissie en BEREC alle aangenomen definitieve maatregelen mee die onder het derde lid vallen. § 3 - Als de Mediaraad in uitzonderlijke omstandigheden van oordeel is dat dringend gehandeld moet worden teneinde de concurrentie te waarborgen en de belangen van de gebruikers te beschermen en dat daarbij geen rekening kan worden gehouden met de procedure vervat in de § § 1 en 2, eerste tot derde lid, dan kan hij onmiddellijk passende voorlopige maatregelen vaststellen. Hij deelt die maatregelen onverwijld met volledige redenen omkleed mee aan de Europese Commissie, aan de andere nationale regelgevende instanties en aan BEREC. Een besluit van de Mediaraad om die maatregelen duurzaam te verankeren of de looptijd ervan te verlengen, valt onder de bepalingen van § § 1 en 2, eerste tot vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 117</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Procedure voor de consequente toepassing van bepaalde maatregelen Als de Europese Commissie de Mediaraad binnen de termijn vastgelegd in artikel 116, § 1, eerste lid, meedeelt waarom ze van oordeel is dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne markt opwerpt of waarom ze ernstige twijfels heeft omtrent de verenigbaarheid van het ontwerp met het Unierecht, kan de ontwerpmaatregel binnen een periode van nog eens drie maanden na de kennisgeving van de Europese Commissie niet aangenomen worden. Bij uitblijven van een dergelijke kennisgeving kan de Mediaraad de ontwerpmaatregel vaststellen, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de opmerkingen van de Commissie, BEREC of andere nationale regelgevende instanties Binnen de periode van drie maanden vermeld in het eerste lid werken de Europese Commissie, BEREC en de Mediaraad nauw samen om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen in het licht van de doeleinden van artikel 5, waarbij rekening wordt gehouden met de standpunten van marktdeelnemers en de noodzaak om te zorgen voor de ontwikkeling van een consequente regelgevingspraktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vóór het einde van de in het eerste lid bedoelde periode van drie maanden kan de Mediaraad: 1° de ontwerpmaatregel wijzigen of intrekken, rekening houdend met de in het eerste lid bedoelde kennisgeving van de Europese Commissie en het advies en de aanbeveling van BEREC;2° de ontwerpmaatregel handhaven. Met betrekking tot ontwerpmaatregelen die onder artikel 90, § 3, vallen en waarover BEREC de ernstige twijfels van de Europese Commissie deelt, mag de Europese Commissie een besluit nemen waarbij zij van de Mediaraad verlangt dat hij de ontwerpmaatregel intrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad deelt de vastgestelde definitieve maatregel aan de Europese Commissie en aan BEREC mee binnen een maand na de aanbeveling van de Europese Commissie overeenkomstig artikel 32, lid 5, onder a) van het Europees wetboek voor elektronische communicatie of de intrekking van haar voorbehouden overeenkomstig lid 5, onder b). Deze periode kan worden verlengd om de Mediaraad in staat te stellen overeenkomstig artikel 116, § 1, een openbare raadpleging te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Mediaraad besluit de ontwerpmaatregel niet te wijzigen of in te trekken op basis van de aanbeveling die overeenkomstig artikel 32, lid 5, onder a), van het Europees wetboek voor elektronische communicatie is gedaan, dient hij dit met redenen te omkleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mediaraad kan de voorgestelde ontwerpmaatregel op elk moment tijdens de procedure intrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 118</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor van belanghebbenden In alle aangelegenheden betreffende eindgebruikers- en consumentenrechten m.b.t. openbare elektronischecommunicatiediensten raadpleegt de Mediaraad de adviesraad om rekening te kunnen houden met de standpunten van eindgebruikers en consumenten, voor zover het zinvol is, inzonderheid wanneer die aangelegenheden een belangrijke impact hebben op de markt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 119</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Publicatie van informatie Onverminderd artikel 124 publiceert de Mediaraad op zijn website informatie over rechten, voorwaarden, procedures, administratieve bijdragen en beslissingen betreffende algemene machtigingen, gebruiksrechten, rechten om faciliteiten te installeren en marktregulering. Hij zorgt ervoor dat de informatie voortdurend geactualiseerd wordt. Als de informatie bij andere Belgische organismen of regelgevende instanties beschikbaar is, dan zorgt de Mediaraad voor een gebruikersvriendelijk overzicht van al deze inlichtingen De Mediaraad zendt, rechtstreeks of via de Conferentie van Regulatoren voor de elektronische Communicatiesector, de Europese Commissie en Berec een afschrift van alle door hem vastgestelde definitieve maatregelen inzake marktregulering toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-120\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 120</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Informatieplicht ten opzichte van de Europese Commissie Onverminderd artikel 124 verstrekt de Mediaraad de Europese Commissie, op met redenen omkleed verzoek, de informatie die zij nodig heeft om haar taken te vervullen. Wanneer de aan de Europese Commissie te verschaffen informatie betrekking heeft op informatie verstrekt door exploitanten van elektronischecommunicatienetwerken en aanbieders van elektronischecommunicatiediensten, stelt de Mediaraad dit mee aan de betrokkenen De Mediaraad kan bij die informatieverstrekking aan de Europese Commissie een met redenen omkleed bezwaar voegen tegen het verstrekken van die informatie aan een andere instantie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 121</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Informatieplicht ten opzichte van een andere Belgische overheid of ten opzichte van een overheid van een andere lidstaat van de EU Onverminderd artikel 124 verstrekt de Mediaraad, op met redenen omkleed verzoek van een andere Belgische bevoegde instantie of van een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie, de informatie die de bedoelde overheid nodig heeft om haar verplichtingen uit hoofde van het Unierecht te kunnen vervullen Onverminderd andere wettelijke bepalingen behandelt de Mediaraad de inlichtingen die hij van andere bevoegde instanties gekregen heeft met minstens dezelfde vertrouwelijkheid als de instantie die ze bezorgd heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 122</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerking in het raam van de richtlijn audiovisuele mediadiensten De Mediaraad resp. de Regering verstrekt aan de Europese Commissie en de bevoegde instanties van de andere lidstaten de informatie die ze nodig hebben voor de toepassing van de Richtlijn 2010/13/EU. Daarbij gaat het om inlichtingen over: 1° de toepassing van artikel 3, § 3, respectievelijk § § 4 tot 7, en de toepassing van artikel 16, met name het verstrekken van de lijst, met inbegrip van actualiseringen ervan, aan de Europese Commissie met de in het Duitse taalgebied gevestigde aanbieders van audiovisuele mediadiensten en aanbieders van videoplatformdiensten, met vermelding op welke van de in artikel 3, § 3, respectievelijk § § 4 tot 6, bedoelde criteria zijn bevoegdheid is gebaseerd en, in voorkomend geval, de vermelding dat er geen overeenstemming kon worden bereikt met de regulerende instanties of organen van andere betrokken deelgebieden of lidstaten;2° maatregelen overeenkomstig artikel 25 naar aanleiding van nationale en niet-nationale gebeurtenissen die van grote maatschappelijke betekenis zijn en daarom niet via een uitsluitingsbasis mogen worden verspreid, waarbij een groot deel van het publiek de gebeurtenis niet via onmiddellijke of latere berichtgeving via een vrij toegankelijke televisie-uitzending zou kunnen volgen;3° de toepassing van de artikelen 24 en 30 over Europese werken;4° rechtsvoorschriften die eventueel uitvoeriger of strenger zijn dan de voorschriften van de Richtlijn 2010/13/EU en die in het bijzonder op basis van artikel 11 worden genomen;en 5° gegevens die overeenkomstig artikel 16 noodzakelijk zijn om bij optredende moeilijkheden een voor beide partijen tevredenstellende oplossing te vinden, als een aanbieder van audiovisuele mediadiensten die onder de bevoegdheid valt van een andere lidstaat of van een staat die ondertekende partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, televisieprogramma's aanbiedt die volledig of hoofdzakelijk op het Duitse taalgebied zijn gericht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 123</span><span class=\"lf-art-t\">BEREC De Mediaraad ondersteunt actief de doelstellingen van BEREC ter bevordering van de coördinatie van de regelgeving en ter bevordering van de coherentie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 124</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling van vertrouwelijke bedrijfs- en handelsgeheimen De leden, plaatsvervangende leden, adviseurs, deskundigen en personeelsleden van de Mediaraad moeten de hun ter kennis gegeven bedrijfs- en handelsgeheimen vertrouwelijk behandelen Afdeling 5. - Onkosten Art. 125 - Financiering § 1 - De ontvangsten van de Mediaraad bestaan uit: 1° alle ontvangsten i.v.m. de activiteiten van de Mediaraad; 2° toevallige inkomsten;3° schenkingen en legaten;4° de door de Duitstalige Gemeenschap toegekende jaarlijkse dotatie waarvan de uitbetalingsregels van artikel 103, eerste lid, van het decreet van 25 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/05/2009 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/07/2009 numac 2009203077 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap sluiten houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap kunnen afwijken. Ter dekking van de administratiekosten kan de Mediaraad administratieve bijdragen opleggen aan de ondernemingen die een netwerk of een dienst aanbieden of waaraan een gebruiksrecht is toegekend. Als de Mediaraad administratieve bijdragen heft, publiceert hij een jaarlijks overzicht van zijn administratiekosten en van de bijdragen die in totaal zijn geïnd. Overeenkomstig het verschil tussen het totaal van de bijdragen en de administratiekosten worden rechtzettingen doorgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering legt de nadere regels vast. § 2 - De Regering zorgt ervoor dat de Mediaraad beschikt over voldoende financiële middelen om onder meer in staat te zijn een bijdrage te leveren aan BEREC en bij te dragen aan de werkzaamheden van ERGA. Daartoe beschikt de Mediaraad over een eigen jaarlijkse begroting. Hij beschikt autonoom over de toegewezen begrotingsmiddelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Transparantieverplichtingen De Mediaraad maakt jaarlijks een jaarrekening en een eigen begroting op. Die documenten worden aan de Regering bezorgd en gepubliceerd op de website van de Mediaraad HOOFDSTUK 2. - AdviesRAAD voor DE mediadiensten van de duitstalige gemeenschap Art. 127 - Oprichting en samenstelling § 1 - Er wordt een adviesraad voor de mediadiensten van de Duitstalige Gemeenschap opgericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviesraad is samengesteld uit de groepen van de aanbieders van mediadiensten, van de mediagebruikers, met inbegrip van personen met ondersteuningsbehoefte, en van de vertegenwoordigers van de in het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap verkozen mandatarissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering zorgt ervoor dat de notulen van de vergaderingen worden opgesteld en verzorgt het secretariaat van de adviesraad. § 2 - De volgende stemgerechtigde leden behoren tot de groep van de aanbieders van mediadiensten: 1° één lid op de voordracht van de raad van bestuur van het BRF;2° één lid per private aanbieder van lineaire audiovisuele mediadiensten overeenkomstig artikel 53, § 2, 6°, op voordracht van de betrokken aanbieder;3° één lid op de voordracht van de lokale radio's;4° één lid per regionale radio, op voordracht van de betrokken radio's;5° één lid per zendernet, op voordracht van de betrokken zenders;6° één lid per geregistreerde exploitant van elektronischecommunicatienetwerken of aanbieder van elektronischecommunicatiediensten, op de voordracht van de exploitant of aanbieder;7° één lid op de voordracht van het bestuur van de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België;8° drie vertegenwoordigers van de aanbieders van audiovisuele en auditieve mediadiensten via internet en van videoplatformdiensten via internet, op voordracht van de Mediaraad.</p></div>", "next": 239586}