Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
Kort samengevat
Dit besluit van de Vlaamse Regering geeft verdere uitvoering aan de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, met als doel de Vlaamse fiscale regelgeving transparanter, eenvormiger en eenvoudiger te maken. Het bundelt en codificeert bestaande regels voor diverse belastingen die door de Vlaamse Belastingdienst worden geïnd.
Wat het reguleert
- De uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF).
- De procedurele aspecten van de inning van bepaalde Vlaamse belastingen.
- De codificatie en opheffing van verschillende bestaande fiscale regelgevingen.
- De toepassing van de VCF op specifieke belastingen in een eerste fase.
Wie het aanbelangt
- Iedereen die te maken heeft met de Vlaamse belastingen die door de Vlaamse Belastingdienst worden geïnd.
- De "bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie" die belastingen int.
Kernpunten
- Het besluit is een aanvulling op de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
- In de eerste fase is het besluit van toepassing op de onroerende voorheffing, de (jaarlijkse) verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling (BIV), het eurovignet, de verkrottingsheffing woningen en gebouwen, en de leegstandsheffing bedrijfsruimten.
- Uitvoeringsbepalingen van de planbatenheffing maken geen deel uit van dit besluit, maar blijven in de VCRO.
- Het besluit voorziet in de codificatie en opheffing van diverse koninklijke en ministeriële besluiten en besluiten van de Vlaamse Regering, daterend van 1970 tot 2010.
Wettekst
LAG AAN DE VLAAMSE REGERING I. ALGEMENE TOELICHTING De gefaseerde uitbreiding van de regionale fiscale bevoegdheden heeft ertoe geleid dat het Vlaamse landschap inzake fiscale regelgeving een amalgaam
en toekomstig gebruik, vereenvoudiging, transparantie), dan worden enkel de aangebrachte wijzigingen geduid, zonder aanhaling van het huidige artikel; - is het artikel uit het BVCF gebaseerd op één of meerdere bestaande artikelen, maar worden er grondige wijzigingen doorgevoerd, dan wordt het huidige artikel, respectievelijk worden de huidige artikelen, expliciet geciteerd (cursief) en wordt verder in de toelichting geduid welke wijzigingen worden voorgesteld. In titel 3 werden ook stelselmatig volgende bewoordingen uit de huidige teksten vervangen : - het woord "ambtenaar" door het woord "personeelslid"; - de woorden "de ambtenaar daartoe door de Vlaamse Regering gemachtigd" door de woorden "het bevoegde personeelslid"; - de woorden "de Vlaamse Belastingdienst" door de woorden "de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie". Dit wordt bij de artikelsgewijze bespreking bijgevolg niet telkens herhaald. Volgens de Raad van State verdient het aanbeveling om ter wille van de rechtszekerheid voor elke belasting die door het ontworpen besluit geregeld wordt aan te geven welke de bevoegde entiteit is, namelijk de Vlaamse Belastingdienst. Die informatie zou bijvoorbeeld in een bijlage kunnen opgenomen worden. De decreetgever oordeelde eerder dat de VCF niet het geëigende instrument is om de taakverdeling binnen de administratie uit te werken. Net als de VCF is de BVCF hiervoor niet het geëigende instrument. Die taakverdeling wordt immers geregeld door de diverse oprichtingsbesluiten van de Vlaamse entiteiten en in die zin is de ontworpen bepaling dan ook sluitend. Aangezien voormelde oprichtingsbesluiten besluiten van de Vlaamse Regering zijn zou het toevoegen van een bijlage aan het BVCF met vermelding van de bevoegde entiteiten er op neerkomen dat de Vlaamse Regering opnieuw gaat beslissen wat ze in het verleden al beslist heeft. Bovendien zou het risico op tegenstrijdigheden in de regelgeving bij eventuele toekomstige herstructureringen de Vlaamse Overheid alleen maar verhogen. Tot slot dient er op gewezen te worden dat wanneer het er op aan komt de burger concreet te informeren bij welke dienst hij terecht moet ook de vermeldingen op de aanslagbiljetten, de briefwisseling en de website voldoende informatie verstrekken hieromtrent. Titel 4 bevat wijzigingsbepalingen. Titel 5 bevat opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen. Titel 6 regelt de citeertitel van het besluit. Titel 7 bevat de bepalingen rond de inwerkingtreding. De artikelstructuur van het besluit bestaat uit 5 posities. Dit heeft zijn redenen, en is voor een fiscaal instrumentarium - waaraan in functie van de globale beleidsvoering, of de gewijzigde economische context, toch bij regelmaat wijzigingen aan door te voeren zijn - bijna een noodzaak. Welke zijn die redenen? - Het is volledig transparant : men ziet meteen in welke onderafdeling men zit. - Het laat toe binnen een onderafdeling nadien onbeperkt artikelen toe te voegen, zonder te sleutelen aan de structuur of te werken met bis-artikelen.... - Het sluit zo volledig aan bij de VCF zelf, zodat door samenlezing van de artikelen uit de betrokken afdeling van zowel VCF als BVCF de volledige rechtsregeling kan gevat worden. Het heeft anderzijds een neveneffect, namelijk dat de tekst artikelen kan bevatten die voorbehouden zijn voor later gebruik. Maar ook deze techniek is niet nieuw, en wordt frequent gebruikt in regelgeving in de Verenigde Staten van Amerika (men gebruikt daar de termen "reserved" of "reserved for later use"). De Raad van State merkt in zijn advies op dat de BVCF dezelfde structuur heeft en op dezelfde - onorthodoxe - wijze is genummerd als de Codex. Doch anders dan de Codex die slechts een tiental "blanco artikelen" bevat - daarmee zijn artikelen bedoeld waarbij slechts de vermelding "Voorbehouden voor toekomstig gebruik" voorkomt - (zie de artikelen 2.3.5.0.1, 2.4.5.0.1, 2.4.6.0.1, enzovoort), komt die vermelding veel voor in het ontwerp, wat, aldus de Raad van State, verwarrend is voor de lezer en de vlotte raadpleging van de tekst aanzienlijk bemoeilijkt. De redenen voor deze structuur werden hierboven reeds aangehaald, maar een volledige symmetrie is niet mogelijk omdat momenteel niet altijd corresponderende uitvoeringsbepalingen voorhanden of nodig zijn. Met het oog op de verlaging van de administratieve lasten ten aanzien van de burger worden de opgelegde formaliteiten zoveel mogelijk afgebouwd. Zo wordt bijvoorbeeld in artikel 2.1.6.0.2 niet langer een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister gevraagd als bewijs van bewoning. De bewoningsvereiste kan immers door de administratie zelf nagekeken worden. Blijvende aandacht voor de kwaliteitsverbetering van formulieren is noodzakelijk, maar de opname van een formulier in regelgeving bemoeilijkt de kwaliteitsverbetering van het formulier. Om het formulier te wijzigen, moet immers ook de regelgeving aangepast worden en dat is een tijdrovend proces. Daarom zijn formulieren hier maximaal losgekoppeld van de betrokken regelgeving. Overeenkomstig artikel 13 van het decreet van 18 juli 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten1 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer met het oog op de toepassing van de regeling in kwestie werd de omschrijving van de te verstrekken gegevens opgenomen in de regelgeving. Het streven naar kwaliteitsverbetering vertaalt zich ook in het anticiperen op en remediëren aan interpretatieproblemen. Zo bestaat ingevolge het burgerlijk recht de mogelijkheid om via lastgeving op te treden. Aangezien het niet de bedoeling is hier van het gemeen recht af te wijken, werden alle verwijzingen naar het begrip gemachtigde geschrapt. Zo kunnen er geen interpretatieproblemen ontstaan. Het opstellen van een lijst met artikelen of onderdelen ervan uit het KB/WIB 92, zoals de Raad van State suggereert, lijkt niet zinvol. De door de Raad van State voorgestelde werkwijze zou de zaken nodeloos compliceren. Met de huidige bepaling is het voor de burger duidelijk dat hij niet meer dient te kijken naar het KB/WIB
- Dit KB wordt vervangen door de BVCF. De door de Raad van State gesuggereerde werkwijze lost de eventuele onduidelijkheid ook niet op rond bepalingen uit het KB/WIB 92, waarvan men zou kunnen twijfelen of deze van toepassing zijn op de onroerende voorheffing als ze niet opgeheven worden. Indien immers alle op te heffen bepalingen zouden opgesomd worden, zou de burger, bij een artikel dat in die opsomming niet voorkomt, nog niet weten of het hier een bepaling is die moet blijven bestaan voor de onroerende voorheffing of een bepaling die eigenlijk geen betrekking had op de onroerende voorheffing (en daarom ook niet kan worden opgeheven). In dat opzicht is de werkwijze zoals voorgesteld door de Vlaamse Regering veel duidelijker : de burger vindt alle uitvoeringsbepalingen inzake onroerende voorheffing voortaan in de BVCF. Een gelijkaardige werkwijze werd trouwens ook door de decreetgever gevolgd bij de VCF. II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING TITEL
- - Inleidende bepalingen HOOFDSTUK
- - Algemene bepalingen en definities Het spreekt voor zich dat de begrippen, gehanteerd in dit uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering, moeten begrepen worden zoals ze gedefinieerd of gebruikt worden in de VCF zelf. Vandaar dat in dit besluit geen verdere nood bestaat aan een definitie-artikel. Art. 1.1.0.0.
- Sommige begrippen gebruikt voor de heffing van de verkrottingsheffing woningen en gebouwen en voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten worden gedefinieerd in de respectievelijke uitvoeringsbesluiten waaruit de fiscale bepalingen worden gelicht naar aanleiding van deze codificatie. In dit verband is het belangrijk te benadrukken dat de begrippen gehanteerd voor de heffing van voormelde belastingen moeten worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van de respectievelijke besluiten van de Vlaamse Regering. TITEL
- - Belastingheffing De materieelrechtelijke uitvoeringsbepalingen worden samengebracht onder titel
- Deze bepalingen hebben dezelfde draagwijdte als de draagwijdte gegeven aan de overeenkomstige bepalingen opgeheven naar aanleiding van deze codificatie (zie concordantietabel). De stroomlijning van het woordgebruik en taalgebruik van deze bepalingen beoogt niet de draagwijdte van de bepalingen te wijzigen. HOOFDSTUK
- - Onroerende voorheffing Art. 2.1.6.0.
- Zoals vermeld in het advies van de Raad van State, moet in artikel 2.1.6.0.1, derde lid, BVCF daadwerkelijk de belastingschuldige vermeld worden, omdat hier (zoals in art. 2.1.6.0.2 VCF) wordt verwezen naar diegene bij wie de belasting wordt ingevorderd. HOOFDSTUK
- - Verkeersbelasting Afdeling
- - Vrijstellingen Art. 2.2.6.0.
- Deze bepaling is de overname van de derde paragraaf van artikel 15 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. De eerste en de tweede paragraaf van deze bepaling van het Koninklijk Besluit van 8 juli 1970 zijn opgenomen in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, meer bepaald in de artikelen 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3° ; 2.2.6.0.1, § 1, tweede lid; 2.2.6.0.1, § 1, tweede lid en 2.2.6.0.1, § 1, derde lid. Artikel 2.2.6.0.
- In het advies van de Raad van State wordt gevraagd naar de toegevoegde waarde van artikel 2.2.6.0.2 in het licht van artikel 3.13.1.1.1 van de VCF. De toegevoegde waarde van artikel 2.2.6.0.2 van de VCF bestaat erin dat het zorgt voor een meer concrete en daarmee meer rechtszekere invulling van de plichten van de bestuurder. De bestuurder moet op verzoek van het bevoegde personeelslid namelijk alle inlichtingen over het gebruik van het voertuig verstrekken. Art. 2.2.6.0.
- Deze bepaling is de overname van artikel 30 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Het artikel voorziet in verdere details betreffende de terugbetalingsregeling, vermeld in artikel 2.2.6.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december
- In de eerste paragraaf van deze bepaling wordt nu de overeenstemming verzekerd van de verwijzingen in dit besluit met de hernummering van de bepalingen van het WIGB bij de hervorming door de Wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/01/1999 pub. 19/02/1999 numac 1999003046 bron ministerie van financien Wet houdende wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen overeenkomstig de richtlijn nr. 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen sluiten. Zo wordt nu in de inleidende zin bij punt 1 en 2 van paragraaf 1 correct verwezen naar artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december
- De tweede paragraaf voorziet niet langer dat voor de aanvraag van terugbetaling het nodig is gebruik te maken van een formulier. De beweegreden hiertoe werd reeds toegelicht in de algemene toelichting. Het tweede lid geeft aan welke gegevens de belastingplichtige dient te verstrekken om een terugbetaling te kunnen bekomen. Zo moet Vlaamse Belastingdienst niet telkens een vraag om bijkomende inlichtingen stellen aan de belastingplichtige en kan die laatste ook volstaan met één schriftelijk contact met de Vlaamse Belastingdienst. Op die manier kunnen aanvragen tot terugbetaling efficiënter behandeld worden, hetgeen zowel tot voordeel strekt van overheid als burger. HOOFDSTUK
- - Eurovignet Afdeling
- - Wijze van heffing Artikel 2.4.7.0.
- Overeenkomstig de bevoegdheidstechnische opmerkingen van de Raad van State wordt dit artikel aangepast. Dit gebeurt concreet door in artikel 2.4.7.0.1 onmiddellijk te verwijzen naar de bijlage bij het Koninklijk besluit van 8 september 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 21/10/1997 numac 1997014204 bron ministerie van verkeer en infrastructuur en ministerie van financien Koninklijk besluit tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 07/10/1997 numac 1997016246 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 tot vaststelling van de extra betalingen van de zoogkoeienpremie en de speciale premie voor producenten van rundvlees type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 07/10/1997 numac 1997016248 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouwdieren, ten aanzien van bepaalde stoffen of residu's daarvan met farmacologische werking type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 12/12/1997 numac 1997000715 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de gemeenten bepaalde financiële hulp van de Staat kunnen krijgen op het vlak van de veiligheid en de inbraakpreventie type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014207 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de aanleg en de exploitatie van het MOB2-mobilofoonnet type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997000576 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 16 april 1996 houdende vaststelling van het formulier voor de aanvraag van de erkenning door beoefenaars van de verpleegkunde tot het dragen van een bijzondere beroepstitel of om zich op een bijzondere beroepsbekwaming te beroepen type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 15/10/1997 numac 1997000680 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 juli 1989 houdende de normen betreffende de bescherming van de toeschouwers tegen brand en paniek bij manifestaties in stadions type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 15/10/1997 numac 1997011342 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van het personeel van de Controledienst voor de Verzekeringen sluiten tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is. Door die aanpassing kan artikel 2.4.7.0.2 van het ontwerp worden opgeheven. Ook de concordantietabel wordt overeenkomstig aangepast. HOOFDSTUK
- - Leegstandheffing bedrijfsruimten Afdeling
- - Wijze van heffing In het besluit van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (hierna BVR leegstandsheffing bedrijfsruimten) worden meermaals de begrippen "het goed" en "onroerend goed" gebruikt, terwijl in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten enkel de begrippen "bedrijfsruimte" en "bedrijfsgebouw" worden gedefinieerd. Uniformisering dringt zich dan ook op. De begrippen "het goed" en "onroerende goederen" worden respectievelijk vervangen door de begrippen "bedrijfsruimte" en "bedrijfsruimten". Art. 2.6.7.0.
- In artikel 19, § 2, van voormeld besluit wordt verwezen naar het begrip "bedrijfsgebouw". Hoewel dat begrip gedefinieerd is in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing, wordt ervoor geopteerd om hier het begrip te vervangen door het begrip "bedrijfsruimte". Het is immers de bedrijfsruimte die wordt opgenomen in de inventaris en de opschortingen gelden voor de opgenomen bedrijfsruimte. Bovendien wordt zo ook uniformiteit nagestreefd met de terminologie gehanteerd in de VCF op dit punt. TITEL
- - Inning en invordering HOOFDSTUK
- - Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen Art. 3.1.0.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 14 van het BVR leegstandheffing bedrijfsruimten. Naar analogie met de verkrottingsheffing woningen en gebouwen, wordt nu ook voor de leegstandheffing bedrijfsruimten expliciet bepaald dat bij gehele of gedeeltelijke ontheffingen het te veel uitbetaalde bedrag aan onkostenvergoedingen verrekend wordt op de eerstvolgende uit te keren onkostenvergoeding en opcentiemen. Het huidige artikel 16 van het BVR leegstandheffing bedrijfsruimten bepaalt dat het bedrag van de administratieve onkostenvergoeding door de Vlaamse Belastingdienst op rekening van de gemeenten zal worden gestort voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarop de verschuldigde heffing dient te worden voldaan, en dit voor zover deze heffing is geïnd en definitief is verworven. Deze werkwijze is al geregeld in de Vlaamse Codex Fiscaliteit zelf (zie artikel 3.1.0.0.4, paragraaf 3 en 4), zodat dit artikel niet moet overgenomen worden. Art. 3.1.0.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 19 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen. Onder de geïnde heffingen worden ook de ingevorderde heffingen begrepen. Er wordt daarom niet langer uitdrukkelijk vermeld dat de onkostenvergoeding wordt berekend op de geïnde en ingevorderde heffingen. Het woord "verrekend" wordt vervangen door het woord "berekend", aangezien dit tot verwarring kan aanleiding geven; wel degelijk is bedoeld dat de percentages berekend worden op de bedragen die geïnd zijn (en niet bijvoorbeeld op de ingekohierde bedragen). Art. 3.1.0.0.3, 3.1.0.0.4 en 3.1.0.0.
- Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 1, 2 en 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen. Wel werden de verwijzingen rechtgezet. HOOFDSTUK
- - Inkohiering Afdeling
- -
Art. 3.2.1.0.1.
Dit artikel is gebaseerd op het artikel 128 van het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 27/07/2015 numac 2015000371 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
- - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel I type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 19/11/2015 numac 2015000628 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
- - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel II type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 04/03/2016 numac 2016000121 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
- - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel III sluiten tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (verder : KB/WIB) en de eerste alinea van het artikel 2 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (verder : KB/WIGB). Art. 3.2.1.0.
- Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 129 en 130 KB/WIB en op artikel 2 en artikel 3 KB/WIGB. De voorwaarde van jaarlijkse uitvoerbaarverklaring, opgenomen in het huidige artikel 2 KB/WIGB wordt niet langer opgenomen. Dit maakt de procedure nodeloos ingewikkeld. Uitvoerbaarverklaringen voor toekomstige aanslagjaren gebeuren bovendien niet, zodat deze bepaling overbodig wordt. De niet fiscale bepaling uit artikel 130 KB/WIB en artikel 3 KB/WIGB (de koppeling van een kohier aan een begrotingsjaar) wordt geschrapt, gezien deze problematiek geregeld wordt in het rekendecreet ( Decreet van 8 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten2 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof) en haar uitvoeringsbesluiten. Inzake op te heffen bepalingen : De huidige bepaling van artikel 131 KB/WIB en artikel 4 KB/WIGB wordt niet overgenomen, aangezien deze bepaling onnodige beperkingen oplegt aan de wijze van inkohiering. Bovendien verwijst deze bepaling naar de organisatie-opzet van de FOD Financiën (indeling per ontvangkantoor). De huidige bepaling van artikel 132 KB/WIB en artikel 4 KB/WIGB heeft geen toegevoegde waarde, en wordt bijgevolg evenmin overgenomen. De inkohieringstermijn is immers decretaal bepaald en binnen deze termijn dient het bevoegde personeelslid de inkohiering te voltooien. Artikel 10, § 1, 1e en 2e lid, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen kan geschrapt worden. Er zijn geen bijzondere kohieren, en het spreekt voor zich dat aanslagen binnen de decretaal voorziene termijn aangemaakt worden op basis van de gegevens over de belastbare grondslag. Anderzijds zijn deze bepalingen reeds opgenomen in de VCF (artikel 3.2.1.0.1). Artikel 10, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient evenmin overgenomen te worden : - het eerste lid is geïntegreerd in de VCF (artikel 3.1.0.0.1, § 2); - het tweede lid heeft geen rechtsgrond meer : dit lid verwijst immers naar artikel 3, § 3 van hetzelfde BVR dat zelf geen decretale basis meer heeft (verwees naar artikel 38, 2e lid van het decreet, dat zelf werd opgeheven bij decreet van 24 december 2005). - het derde lid heeft geen toegevoegde waarde. Artikel 11, derde lid, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen kan geschrapt worden. Dit lid verwijst immers ook naar artikel 3, § 3, van hetzelfde BVR dat zelf geen decretale basis meer heeft. Art. 3.2.1.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 133, § 1, KB/WIB. Daarbij werd de terminologie gemoderniseerd. Afdeling
- - Overledenen en onverdeeldheden Art. 3.2.3.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 133, § 2 en § 3, van het KB/WIB. Het nieuwe artikel geldt voor alle belastingen. Artikel 5 KB/WIGB dat nog gelijkaardig was aan het oude artikel 133 KB/WIB dient dus niet behouden te blijven. Afdeling
- - Berekening en afrondingswijze Art. 3.2.5.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 135 KB/WIB en op artikel 12, § 1, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen. HOOFDSTUK
- - Aanslagprocedure Afdeling
- -
Art. 3.3.1.0.1.
Dit artikel is gebaseerd op artikel 25 KB/WIGB. Art. 3.3.1.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 26 KB/WIGB. Afdeling
- - Aanslagbiljet Art. 3.3.4.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 136 KB/WIB, artikel 7 KB/WIGB en op artikel 11, eerste lid van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen, doch het toepassingsgebied wordt uitgebreid naar alle belastingen. Dat het tweede lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen niet dient behouden te blijven werd reeds in de memorie van Toelichting bij de VCF (artikel 3.3.5.0.2) uitvoerig toegelicht. Het derde lid, de laatste zin van het vierde lid, het vijfde en achtste lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen hebben geen rechtsgrond meer (zie infra) en kunnen bijgevolg opgeheven worden. De eerste zin van het vierde lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient niet te worden overgenomen aangezien de vermeldingen die moeten worden voorzien op het aanslagbiljet reeds in de codex zijn vastgelegd. De tweede zin van het vierde lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient niet te worden overgenomen. Welke entiteit bevoegd is voor de invordering van belastingen blijkt immers uit de regels i.v.m. beter bestuurlijk beleid (waaronder de oprichtingsbesluiten van de diverse agentschappen en departementen). Het zesde en zevende lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen werden reeds geregeld in de VCF zelf (artikel 3.1.0.0.1), en kunnen bijgevolg eveneens opgeheven worden. HOOFDSTUK
- - Betalingen Afdeling
- -
Art. 3.4.1.0.1.
Het eerste lid van dit artikel is gebaseerd op artikel 137 en 141 KB/WIB. De verwijzing in artikel 137 KB/WIB naar artikel 177 KB/WIB dient niet te worden overgenomen : Artikel 177 KB/WIB heeft betrekking op de vestiging en invordering, van de belasting van niet-inwoners op meerwaarden op onroerende goederen. Het tweede lid van dit artikel is gebaseerd op artikel 138 KB/WIB. Omwille van het eurovignet waar gewerkt wordt met uitnodigingen tot betaling dient de verwijzing naar het concept `aangifte' behouden te blijven. Omdat kantooruren eenvoudig moeten kunnen worden aangepast wordt artikel 144 KB/WIB niet opgenomen in dit besluit. Afdeling
- - Wijze van betaling Art. 3.4.3.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 139, § 1, KB/WIB
- Dit artikel bepaalt dat het bevoegde personeelslid, in bijzondere omstandigheden, andere wijzen van betaling kan toestaan. Hierbij kan dan worden gedacht aan de betaling in contanten of betaling via kredietkaart bij de controles ter plaatse. Het is evenwel niet wenselijk deze betalingsmogelijkheden als algemene regel in te voeren, doch in bepaalde situaties of wanneer de nodige terminals ter beschikking kunnen gesteld worden kan het wel wenselijk zijn dergelijke betalingswijzen te aanvaarden. Art. 3.4.3.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 141 KB/WIB
- Afdeling
- - Vermeldingen op het betaalformulier Art. 3.4.4.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 139, § 2, KB/WIB
- Deze bepaling maakt tevens de overname van artikel 11 KB/WIGB overbodig.Dat artikel luidt momenteel als volgt : "Als de belastingschuldige een aanslagbiljet ontvangt van de belastingen, vermeld in artikel 3 of 94 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, moet hij de erbij gevoegde richtlijnen volgen en gebruik maken van het overschrijvingsformulier." Afdeling
- - Bewijs van betaling Art. 3.4.5.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 139 § 3 KB/WIB
- Afdeling
- - Datum van uitwerking van betaling Art. 3.4.6.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 142, § 1, KB/WIB. Paragraaf 2 werd niet langer behouden gezien hier het gemeen recht (burgerlijk wetboek) kan gelden. Afdeling
- - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering Art. 3.4.7.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van het Koninklijk besluit van 19 december 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 29/12/2001 numac 2001003656 bron ministerie van financien Koninklijk besluit ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 28/12/2001 numac 2001001327 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot invoering van een zomertijd vanaf het jaar 2002 sluiten ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober
- - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober
- Artikel 4 van dit KB wordt niet overgenomen gelet op het feit dat dit verwijst naar het inmiddels opgeheven artikel 3 van hetzelfde KB, en enkel een overgangsmaatregel betrof in het kader van de invoering van de euro. Gevolg gevend aan de bemerking van de Raad van State wordt de verwijzing naar artikel 3.4.7.0.5 van de VCF in zijn geheel, vervangen door een verwijzing naar paragraaf 1 van dat artikel. Afdeling
- - Betalingsfaciliteiten Art. 3.4.8.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 december 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 29/12/2001 numac 2001003656 bron ministerie van financien Koninklijk besluit ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 28/12/2001 numac 2001001327 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot invoering van een zomertijd vanaf het jaar 2002 sluiten ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober
- - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober
- Het artikel werd aangepast op het vlak van de verwijzing, en verder enkel terminologisch. Het geeft uitvoering aan artikel 3.4.8.0.1, § 2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december
- HOOFDSTUK
- - Invordering Afdeling
- - Vervolging Onderafdeling
- -
Art. 3.10.3.1.1.
Op basis van het eerste lid van dit artikel kan de Vlaamse Belastingdienst of een andere bevoegde entiteit overgaan tot invordering van de heffingen die niet betaald werden binnen de uiterste betaaltermijn. Dit artikel is gebaseerd op het huidige artikel 146 KB/WIB en artikel 13 KB/WIGB, zij het dat er voor werd geopteerd de bewoording van de tekst te vereenvoudigen. Het tweede lid voorziet in de twee klassieke wijzen van invordering : rechtstreeks bij de belastingschuldigen of onrechtstreeks bij derden. Deze bepaling is geïnspireerd op het huidige artikel 147 KB/WIB. Bij de rechtstreekse vervolging geeft de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van persoonlijke of gemeenschappelijke dwangschriften opdracht aan een gerechtsdeurwaarder om deze vervolging in te stellen. Bij de onrechtstreekse vervolgingen wordt niet altijd beroep gedaan op een gerechtsdeurwaarder. Het vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag waarbij uitvoerend beslag onder derden wordt gelegd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gebeurt via aangetekende brieven (cfr. artikel 3.10.3.3.1 BVCF). Bijgevolg wordt bij deze onrechtstreekse vervolging geen dwangschrift uitgevaardigd. Enkel in het geval het uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd, overeenkomstig artikel 3.10.3.3.2 BVCF en artikel 1539 tot en met 1544 Ger.W., wordt een persoonlijk of gemeenschappelijk dwangschrift overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder. De Raad van State merkt op dat het bevestigen bij besluit van de Vlaamse Regering van een federale wettelijke norm vanuit bevoegdheidsrechtelijk oogpunt niet kan worden aanvaard. Daarom worden in artikel 3.10.3.1.1 de woorden "krachtens het bij de wet toegestane verhaal" geschrapt. Gelet op voormeld standpunt van de Raad van State dient bovendien artikel 3.10.3.1.2 uit het ontwerp volledig te worden geschrapt. Onderafdeling
- - Rechtstreekse vervolging Art. 3.10.3.2.
- Dit artikel is gebaseerd op de bepalingen zoals voorzien in artikel 148 KB/WIB. Het tweede lid ("Die vervolgingen zijn gerechtelijk en de geldigverklaring behoort tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken.") wordt niet overgenomen. Deze bepaling behoort niet tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest. Bovendien spreekt het voor zich dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn. In dezelfde zin werden evenmin de artikelen 157, 158 en 159 van het KB/WIB overgenomen. Art. 3.10.3.2.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 151 KB/WIB. Deze bepaling luidt als volgt : "Wanneer de termijn van het dwangbevel verstreken is, doet de ontvanger overgaan tot uitvoerend beslag op roerend goed, hetwelk geschiedt op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, behoudens de afwijkingen vastgesteld in de hierna volgende artikelen 152 tot 154." Het laatste luik van dit artikel, waarin verwezen wordt naar het Gerechtelijk Wetboek, werd niet overgenomen. De artikelen 3.10.3.2.3 en 3.10.3.2.4 blijven evenwel behouden als afwijking op het gemeen recht. Artikel 3.10.3.2.4 geeft bovendien uitvoering aan artikel 3.10.3.2.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december
- Art. 3.10.3.2.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 153 KB/WIB. Art. 3.10.3.2.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 154 KB/WIB. Art. 3.10.3.2.
- Art. 161 KB/WIB bepaalt : "Het is de ontvangers en instrumenterende deurwaarders verboden, rechtstreeks of onrechtstreeks enig voorwerp, waarvan zij de verkoop bewerkstelligen, te kopen of voor zich te doen kopen op straffe van nietigheid van de verkoop en van ontzetting voor de deurwaarders van de directe belastingen of toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen voor de gerechtsdeurwaarders." De sanctie van de nietigheid van de verkoop bij aankoop door de gerechtsdeurwaarder is echter geregeld in artikel 1596 van het Burgerlijk Wetboek, de tuchtstraf is voorzien in artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de gerechtsdeurwaarders vormt artikel 161 KB/WIB dus een overbodige herhaling Ten aanzien van de personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie blijft deze bepaling wel relevant en bijgevolg werd deze geactualiseerd. Art. 3.10.3.2.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 162 KB/WIB. Het artikel werd verduidelijkt door de toevoeging van de artikelen uit het Gerechtelijk Wetboek die hier van toepassing zijn. Een aantal bepalingen werden niet overgenomen : Artikel 152 KB/WIB bepaalt : "Vóór de inbeslagneming verzoekt de instrumenterende deurwaarder de belastingschuldige hem de kwitantie te vertonen van de op zijn aanslagen gestorte afkortingen en vermeldt dit verzoek in het proces-verbaal van beslag." Deze bepaling is achterhaald en wordt in de praktijk niet meer toegepast aangezien de gerechtsdeurwaarder steeds bij de administratie het openstaande saldo kan opvragen. Daarom wordt deze bepaling niet in het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Codex Fiscaliteit opgenomen. Art. 155 KB/WIB bepaalt : "Alvorens te verkopen, doet de instrumenterende deurwaarder daarvan aangifte ten kantore van de registratie. Hij vermeldt deze formaliteit in het proces-verbaal van verkoop." Aangezien deze bepaling een herhaling vormt van hetgeen geregeld is in de artikelen 77 en 227 van het Wetboek Registratierechten wordt deze niet terug opgenomen. Art. 156 KB/WIB bepaalt : "Zo geen koper opdaagt, wordt de verkoop verdaagd en worden de voorwerpen, krachtens een toestemming van de beslagrechter, naar de naburige markt of naar een andere, meer geschikte plaats gevoerd. De instrumenterende deurwaarder stelt proces-verbaal van niet-toewijzing op en gaat tot een nieuwe verkoop over." Deze bepaling werd niet overgenomen. Eerst en vooral dient de fiscale wetgeving geen specifieke bepalingen te voorzien die eigenlijk thuis horen in het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien is deze bepaling verouderd. Goederen waarvoor geen koper wordt gevonden worden niet openbaar verkocht, niet opgeladen of vernietigd. Art. 3.10.3.2.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 163 KB/WIB : "De ontvanger rekent de hem gestorte sommen aan volgens de in artikel 143 gestelde regelen; hij geeft aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aldus gedane aanrekeningen en betaalt hem het eventuele overschot terug." De bepaling dat `aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aldus gedane aanrekeningen wordt gedaan' wordt evenwel niet overgenomen. Het is in de praktijk niet haalbaar, en bovendien niet zinvol, om telkens per aangetekende brief een kennisgeving van de aanrekening te doen. Dit gebeurt wel per gewone brief. Verder spreekt het voor zich dat eventuele overschotten worden terugbetaald, ook in geval van invordering via gerechtsdeurwaarder. Evenwel is pas sprake van een overschot indien alle openstaande schulden zijn betaald, dus ook diegene die niet in het dwangbevel werden opgenomen. Onderafdeling
- - Onrechtstreekse vervolging Art. 3.10.3.3.1 en art. 3.10.3.3.
- Deze artikelen betreffen de regeling inzake het zogenaamde vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag. Deze bepalingen zijn gebaseerd op het huidige artikel 164 en 165 KB/WIB (zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest). Er werden slechts enkele technische aanpassingen doorgevoerd : 1° de ambtenaar daartoe door de Vlaamse Regering gemachtigd wordt vervangen door het bevoegde personeelslid;2° de boete wordt vervangen door de administratieve geldboete;3° voorheffingen worden geschrapt wegens niet van toepassing. Onderafdeling
- - Vervolgingskosten Art. 3.10.3.4.
- Dit artikel is de letterlijke overname van artikel 172 KB/WIB. Art. 3.10.3.4.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 173 KB/WIB en artikel 12, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen. Artikel 173 KB/WIB luidt als volgt : "De vervolgingskosten vallen ten laste van de achterstallige belastingschuldigen. Die kosten komen volledig toe aan de instrumenterende deurwaarders die de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder hebben. Ze komen aan de Schatkist toe, voor vervolgingen die door deurwaarders van de directe belastingen zijn gedaan; de Minister van Financiën is evenwel gemachtigd om een gedeelte daarvan aan die deurwaarders toe te kennen. In uitzonderlijke gevallen kan de ontvanger gemachtigd worden aan de instrumenterende deurwaarder de vervolgingskosten voor te schieten." Art. 12, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen luidt als volgt : "De invorderingskosten komen ten laste van de belastingplichtige. De kosten van invordering zijn de vervolgingskosten gemaakt met toepassing van artikel 40, § § 2 en 3 van het decreet." Er werden evenwel een aantal belangrijke aanpassingen doorgevoerd. Er wordt niet langer een onderscheid gemaakt tussen de `instrumenterende deurwaarders die de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder' hebben en `deurwaarders van de directe belastingen' vermits de Vlaamse administratie enkel werkt met gerechtsdeurwaarders (en niet de figuur kennen van deurwaarders bij de directe belastingen). Er is dan ook niet langer voorzien dat de Vlaamse minister bevoegd voor de Financiën een deel van de vervolgingskosten kan toekennen aan de deurwaarder. Bovendien worden aan de gerechtsdeurwaarder geen vervolgingskosten voorgeschoten. Art. 3.10.3.4.
- Dit artikel voorziet dat de door de gerechtsdeurwaarders gemaakte kosten die niet kunnen worden gerecupereerd worden betaald door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Evenwel worden een aantal kosten voorzien die niet worden aanvaard. De opsomming is gebaseerd op deze van artikel 174 KB/WIB. In het licht van de aanbeveling van de Raad van State wordt artikel 3.10.3.4.3 geherformuleerd en onderverdeeld in twee leden. In tegenstelling tot wat de Raad van State suggereert was het in de oorspronkelijk ontworpen bepaling niet alleen de bedoeling om aan te geven welke kosten niet bij de belastingschuldige kunnen worden gerecupereerd maar vooral ook welke kosten niet door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden terugbetaald (in geval van niet-recuperatie bij de belastingschuldige). Dit wordt op aangeven van de Raad van State verduidelijkt. Verder worden op aangeven van de Raad van State de woorden `onder meer' geschrapt. Onderafdeling
- - Met vervolging belaste personen Art. 3.10.3.5.
- De bepalingen rond de met vervolging belaste personen worden geactualiseerd. Tot op heden was in de artikelen 168-171 KB/WIB sprake van `deurwaarders van de directe belastingen'. Belastingdeurwaarders bestaan al geruime tijd niet meer. Dat waren ambtenaren uit de schoot van het vroegere ministerie van financiën die als deurwaarder optraden, maar dan specifiek voor de invordering van fiscale schulden. Binnen de Vlaamse Belastingdienst zijn er geen dergelijke deurwaarders. De Vlaamse Belastingdienst doet voor de gedwongen invordering immers beroep op de `gewone' gerechtsdeurwaarders (cf. Gerechtelijk Wetboek, Deel II, Boek IV - gerechtsdeurwaarders). Een en ander betekent dat de artikelen 168-171 KB/WIB eigenlijk niet meer relevant zijn en niet dienen te worden behouden in het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Voor het overige blijft artikel 167 KB/WIB relevant, zij het dat de toepassing ervan wordt beperkt tot de gerechtsdeurwaarders. De Raad van State merkt in zijn advies op dat de tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders een zaak is van de federale wetgever en dat de Vlaamse Regering zich in beginsel niet op dat terrein kan begeven. Daarom moet de zinsnede "en, desnoods, toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen" worden geschrapt. Afdeling
- - Zekerheden Onderafdeling
- - Waarborg Art. 3.10.5.1.
- tot en met 3.10.5.1.
- De tekst van deze artikelen is gebaseerd op art. 211, 213,214, 215, 217, 218 en 219 KB/WIB. In artikel 3.10.5.1.1 werd wel een actualisering doorgevoerd : waar in artikel 211 KB/WIB wordt verwezen naar goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen en die gelegen zijn in België of in een land waarmede België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen wordt nu ook verwezen naar die goederen gelegen in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen. Artikel 212 KB/WIB wordt niet overgenomen want is gericht op inkomstenbelastingen. Artikel 216 KB/WIB wordt evenmin overgenomen. Het eerste lid heeft betrekking op aannemers. Een regeling betreffende het tweede en derde lid behoort niet de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest. HOOFDSTUK
- - Verplichtingen van derden Afdeling
- - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen Artikel 3.12.2.0.1 tot en met artikel 3.12.2.0.
- De artikelen 3.12.2.0.1 tot en met 3.12.2.0.4 bepalen de modaliteiten van de aanvraag van het attest en van het attest, vermeld in artikel 3.12.2.0.
- van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Artikel 3.12.2.0.1 is gebaseerd op artikel 221 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. Er wordt evenwel niet langer vereist dat de aanvraag en het attest worden gesteld op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit. Daarnaast worden de woorden "directeur-generaal van de directe belastingen" vervangen door de woorden "de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie". Artikel 3.12.2.0.2 is gebaseerd op artikel 222 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. Er wordt enkel een legistieke aanpassing doorgevoerd. Artikel 3.12.2.0.3 is gebaseerd op artikel 223 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. In het attest zullen enkel de ingekohierde en vervallen openstaande schulden worden opgenomen. Het begrip "eisbaar" wordt vervangen zodat ondubbelzinnig vaststaat dat enkel de ingekohierde belastingen waarvoor de betalingstermijn verstreken is kunnen worden vermeld in het attest. Daarnaast wordt ook een legistieke aanpassing doorgevoerd en worden de woorden "de in artikel 220 aangewezen ambtenaar" vervangen door de woorden "het bevoegde personeelslid". Artikel 3.12.2.0.4 is gebaseerd op artikel 224 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. In het attest zullen enkel de ingekohierde en vervallen openstaande schulden worden opgenomen. Het begrip "eisbaar" wordt vervangen zodat ondubbelzinnig vaststaat dat enkel de ingekohierde belastingen waarvoor de betalingstermijn verstreken is kunnen worden vermeld in het attest. Er wordt een legistieke aanpassing doorgevoerd, de woorden "de in artikel 220 aangewezen ambtenaar" worden vervangen door de woorden "het bevoegde personeelslid" en de woorden "het bevoegde ontvangkantoor" worden vervangen door de woorden "de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie". De bepaling van artikel 220 KB/WIB is voor de Vlaamse administratie niet relevant, en kan derhalve geschrapt worden. Het bevoegde personeelslid is gedefinieerd in de codex zelf. HOOFDSTUK
- - Onderzoek en controle Afdeling
- - Controle ter plaatse Art. 3.13.2.0.
- Dit artikel verleent de bevoegdheid tot het opsporen van inbreuken en het vaststellen van processen-verbaal. Het artikel is gebaseerd op : 1° Artikel 1 van het Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober
- - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 : "De personeelsleden aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst, zijn bevoegd om over het grondgebied van het Vlaamse Gewest overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, de processen-verbaal over het eurovignet op te stellen, en om het ontdoken bedrag van het eurovignet, verhoogd met de administratieve boete, onmiddellijk te innen." 2° Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten9 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen. Art. 2 : "De controle op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en hun uitvoeringsbesluiten wordt uitgeoefend door ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst die daartoe aangewezen worden door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst. De controleurs beschikken, tijdens opsporing van overtredingen, bij de afwikkeling ervan en bij het opstellen van processen-verbaal, over de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie." Artikel 2, 2e lid van dit laatst genoemde besluit wordt niet mee opgenomen gezien dit reeds werd overgenomen in artikel 3.13.2.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Art. 14/1, § 2 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen : "De personeelsleden, aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst, zijn bevoegd om over het grondgebied van het Vlaamse Gewest de overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, de processen-verbaal over de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen op te stellen. Die processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleggingen van de overtreders worden gevoegd, worden opgesteld ten verzoeke van de Vlaamse minister bevoegd voor de financiën, op vervolging en benaarstiging van het personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst, domicilie kiezend in zijn kantoren, zij zijn vrijgesteld van bevestiging of visum en van betekening. De processen-verbaal worden toegezonden aan de personeelsleden die daartoe door de Vlaamse minister bevoegd voor de financiën zijn aangewezen." Het tweede en derde lid van artikel 14/1, § 2 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt geschrapt. Deze bepaling is niet langer relevant binnen de organisatie van de Vlaamse Belastingdienst, maar is toegespitst op de organisatie van de federale belastingadministratie. De opmaak van de processen-verbaal en de vormvereisten worden bepaald in artikel 3.13.2.0.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Art. 176 KB/WIB'92 "Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke officieren bij de parketten, zijn de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, van de administratie der douane en accijnzen, van de administratie van het kadaster, de beëdigde gemeenteambtenaren, de rijkswacht, de gerechtelijke agenten bij de parketten, de speciale controleurs van de administratie van het vervoer en de leden van het toezichtspersoneel van het Hoog Comité van toezicht bevoegd om overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, processen-verbaal inzake directe belastingen op te stellen. Die processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleg van de overtreders wordt gevoegd, worden opgesteld ten verzoeke van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de directeur van de directe belastingen, domicilie kiezend in zijn kantoren; zij zijn van bevestiging of visum en van betekening vrijgesteld. De processen-verbaal worden toegezonden aan de ambtenaren die daartoe door de Minister van Financiën zijn aangewezen." Het tweede en derde lid van artikel 176 KB/WIB'92 wordt geschrapt. Deze bepaling is niet langer relevant binnen de organisatie van de Vlaamse Belastingdienst, maar is toegespitst op de organisatie van de federale belastingadministratie. De opmaak van de processen-verbaal en de vormvereisten worden bepaald in artikel 3.13.2.0.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. De verwijzing naar de andere categorieën van personen die bevoegd zijn om op enige wijze controle op de naleving van de wetten uit te oefenen zoals aangeduid in het eerste lid, werd behouden. Evenwel werd de verwijzing naar deze categorieën geactualiseerd. Zo spreken we niet meer over rijkswacht of de gerechtelijke agenten bij de parketten, maar wordt verwezen naar `andere officieren of agenten van gerechtelijke politie en aan de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie'. Daarnaast werden de categorieën die niet langer in de praktijk enige controle uitoefenen geschrapt. Het betreft hier de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, de beëdigde gemeenteambtenaren, de speciale controleurs van de administratie van het vervoer en de leden van het toezichtspersoneel van het Hoog Comité van toezicht. Bovenstaande artikelen werden samengevoegd tot één artikel gezien de gelijkaardige inhoud. De bevoegde personen om deze controletaken uit te oefenen worden aangeduid met de term `bevoegde personeelsleden'. Doorheen het WIB'92, het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en de uitvoeringsbesluiten worden verschillende termen door elkaar gebruikt om de persoon aan te duiden die bevoegd is om controle uit te oefenen op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en het eurovignet (vb. verbalisant, controleur, agent van toezicht, personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst). Teneinde dit te uniformiseren wordt voorgesteld om deze personen aan te duiden als zijnde `de bevoegde personeelsleden'. De Raad van State merkt op dat artikel 3.13.2.0.1 van de Codex op grond van de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Vlaamse Regering enkel nader kan worden uitgewerkt in zoverre de ontworpen bepaling betrekking heeft op de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet. De ontworpen bepaling moet volgens de Raad van State daarom uitdrukkelijk worden beperkt tot die belastingen. Uit verder onderzoek is evenwel gebleken dat art. 3.17.0.0.1 VCF eveneens een rechtsgrond biedt aan de ontworpen bepalingen voor de overige belastingen. Teneinde ook op dit punt de nodige uniformiteit te behouden en gelet op het feit dat er in de VCF alsnog een rechtsgrond voor handen is, is het niet aangewezen de ontworpen bepaling te beperken tot de verkeersbelastingen in de ruime zin. Art. 3.13.2.0.
- Dit artikel betreft een uitvoeringsbepaling in toepassing van artikel 120 van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Dit artikel wordt verder uitgewerkt in het besluit van de administrateur-generaal van 24 november 2010 tot uitvoering van de oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen. Het toepassingsgebied van deze bepaling wordt uitgebreid naar alle belastingen gezien de bevoegde personeelsleden die specifieke controletaken uitoefenen steeds dienen te beschikken over de vereiste legitimatiekaart en dit ongeacht de aard van de belasting. Art. 3.13.2.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten9 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen. De term `controleur' wordt vervangen door `het bevoegd personeelslid'. Doorheen het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en de uitvoeringsbesluiten worden verschillende termen door elkaar gebruikt om de persoon aan te duiden die bevoegd is om controle uit te oefenen op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en het eurovignet (vb. verbalisant, controleur, agent van toezicht, personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst). Teneinde dit te uniformiseren wordt voorgesteld om deze personen aan te duiden als zijnde `bevoegd personeelslid'. Daarnaast wordt de term `of diens aangestelde' uit de tekst geschrapt gezien de delegatie van bevoegdheden wordt geregeld bij een afzonderlijk delegatiebesluit. Ook het tweede lid van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten9 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen wordt geschrapt. Een uitdrukkelijke verwijzing naar het delegatiebesluit is overbodig. Artikel 3.13.2.0.
- betreft een uitvoeringsbepaling in toepassing van artikel 120 van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Dit artikel wordt verder uitgewerkt in het besluit van de administrateur-generaal van 24 november 2010 tot uitvoering van de oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen. Deze bepaling wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. De bevoegde personeelsleden die een bepaalde controletaak uitoefenen dienen steeds over een legitimatiekaart te beschikken en deze in de voorgeschreven gevallen onmiddellijk terug te bezorgen. Art. 3.13.2.0.
- Dit artikel is gebaseerd op artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten9 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen. De term `controleurs' wordt vervangen door `bevoegde personeelsleden'. Doorheen het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en de uitvoeringsbesluiten worden verschillende termen door elkaar gebruikt om de persoon aan te duiden die bevoegd is om controle uit te oefenen op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en het eurovignet (vb. verbalisant, controleur, agent van toezicht, personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst). Teneinde dit te uniformiseren wordt voorgesteld om deze personen aan te duiden als zijnde `de bevoegde personeelsleden'. Ook de term `het intern verzelfstandigd agentschap de Vlaamse Belastingdienst' wordt vervangen door de term `de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie' teneinde doorheen de codex steeds dezelfde term te gebruiken om de belastingadministratie aan te duiden. Artikel 3.13.2.0.
- betreft een uitvoeringsbepaling in toepassing van artikel 120 van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Dit artikel wordt verder uitgewerkt in het besluit van de administrateur-generaal van 24 november 2010 tot uitvoering van de oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen. HOOFDSTUK
- - Belastingverhogingen en administratieve geldboetes Art. 3.18.0.0.
- Dit artikel is gebaseerd op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet. De verwijzing naar de bepalingen van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen werd vervangen door de overeenstemmende verwijzing naar de codex. Er werd echter nog een categorie D. toegevoegd. Daarbij wordt een boete opgelegd voor die gevallen waarbij het eurovignet minder dan een maand te laat wordt betaald. Zie infra bij de toelichting over de bijlage. Artikel 13 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt niet overgenomen gezien artikel 40, § 1 van het decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen evenmin wordt overgenomen. Zodoende heeft het artikel niet langer rechtsgrond. TITEL
- - Wijzigingsbepalingen Art. 4.1.0.0.1 tot en met 4.1.0.0.
- Het betreft de opheffing van de bepalingen uit het KB/WIGB die betrekking hebben op de inning van de verkeersbelasting en de belasting op de inverkeerstelling. Deze werden immers in dit besluit geïntegreerd. Op de suggestie van de Raad van State om de opheffing in te perken met de woorden "zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling wat betreft het Vlaamse Gewest" wordt ingegaan. Artikel 14/1 van het KB/WIGB bepaalt de bevoegdheden inzake de controle op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Daarnaast regelt artikel 14 van het KB/WIGB op welke wijze deze bevoegdheden buiten het grondgebied van het Vlaamse Gewest worden uitgeoefend. Dit heeft als gevolg dat een persoon die in Vlaanderen woont en die zich buiten het Vlaamse Gewest op het Belgisch grondgebied begeeft onderworpen kan worden aan een controle door de bevoegde instanties zoals opgesomd in artikel 14 van het KB/WIGB. Het Vlaamse Gewest heeft niet de bevoegdheid om de regels inzake de controle buiten haar grondgebied te regelen. Het betreft een federale bevoegdheid. Vandaar dat artikel 14 van het KB/WIGB dient behouden te blijven. Art. 4.2.0.0.1 tot en met 4.2.0.0.
- De definities uit artikel 1 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen blijven in dit BVR behouden, mits aanpassing van een kruisverwijzing naar de VCF. Ook artikel 2, 4, 5, 5bis, 6, 6bis, 7, 8, 9, 9bis, 9ter, 10, § 1, derde lid, 19bis en 20 blijven in het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen behouden omdat het niet-fiscale bepalingen betreft. Hetzelfde geldt voor de bijlagen van dat besluit. De problematiek, behandeld in artikel 3, § 1, § 2 en § 4, 12, § 3, 16, 18 eerste zin van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen, werd geïntegreerd in de VCF, zodat deze bepalingen niet langer in dit besluit moeten worden opgenomen. Artikel 3, § 3 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt ook opgeheven omdat de rechtsgrond niet langer aanwezig is. Artikel 38 tweede lid van het oorspronkelijke leegstandsdecreet luidde als volgt : "De Vlaamse Regering, kan op aanvraag van de gemeente, de gemeenteontvanger en de gewestelijke ontvanger machtigen om, namens het Vlaamse Gewest, de heffing en de gemeentelijke opcentiemen te innen met betrekking tot de gebouwen en/of woningen die op het grondgebied van de gemeente zijn gelegen. In voorkomend geval dient de gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger het bedrag van de heffing door te storten op de rekening van het Vlaamse Gewest ten laatste op het einde van de maand die volgt op de maand van de inning." Bij decreet van 24 december houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005 (artikel 43) werd het tweede lid van artikel 38 evenwel opgeheven. Hierdoor zijn ook een aantal uitvoeringsbepalingen zonder voorwerp komen te vallen. Artikel 14 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt niet overgenomen. De eerste zin van paragraaf 1 is decretaal geregeld; de tweede zin heeft geen toegevoegde waarde, want dit is een evidente mogelijkheid. Ook het eerste lid van paragraaf 2 kent reeds een decretale regeling en het tweede lid heeft geen rechtsgrond meer. Artikel 15 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt opgeheven omdat deze bepaling integraal in dit besluit werd opgenomen. Artikel 18, tweede zin, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt opgeheven en niet overgenomen. De schorsing van de verjaringstermijn voor de duur van de opschorting van de heffing is niet zinvol omdat de betalingstermijn niet start wanneer een heffing is opgeschort, en bijgevolg ook niet de verjaring. De artikelen 19ter en 20 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen worden evenmin overgenomen. Artikel 19ter geeft uitvoering aan artikel 44bis van het decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen, maar gezien dit artikel 44bis vernietigd werd door het Arbitragehof (bij arrest Arbitragehof nr. 180/2005, 7 december 2005 (B.S., 19 december 2005)), behoeft het geen uitvoering meer. Artikel 20 betrof een overgangsmaatregel en sloeg op een termijn die inmiddels reeds vele jaren voorbij is. Art. 4.3.0.0.1 en 4.3.0.0.
- Het betreft de opheffing van de in dit besluit geïntegreerde uitvoeringsbepalingen betreffende de leegstandheffing bedrijfsruimten. Artikel 1 t.e.m. 13 en 20 t.e.m. 31 blijven in het BVR leegstandsheffing bedrijfsruimten behouden omdat het niet-fiscale bepalingen betreft. Hetzelfde geldt voor de opheffings- en overgangsbepalingen. De problematiek, behandeld in artikel 15 van het BVR leegstandsheffing bedrijfsruimten, werd geïntegreerd in de VCF, zodat deze bepalingen niet in dit besluit moeten worden opgenomen. Artikel 18, 18bis, 18ter en 19 van dit besluit worden opgeheven omdat deze bepalingen integraal in dit besluit werden opgenomen. In artikel 31, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten4 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, dient een verwijzing aangepast te worden aan de bepalingen van de VCF. Art. 4.4.0.0.
- Deze bepaling beoogt een oplossing te bieden voor kruisverwijzingen naar opgeheven bepalingen. Concordantietabel 1 van bijlage 2 geeft in deze gevallen aan op welke manier de opgeheven bepaling moet worden gelezen. Bepalingen uit vroegere regelgeving waarvoor geen corresponderende bepalingen bestaan in dit besluit worden niet in de concordantietabel vermeld. Hetzelfde geldt voor bepalingen in het besluit die geen corresponderende bepalingen kennen in de vroegere regelgeving. TITEL
- - Inwerkingtredings- en uitvoeringsbepalingen Art. 7.0.0.0.
- Dit artikel regelt de inwerkingtreding, en is afgestemd op de inwerkingtreding van de VCF zelf. De Raad van State merkt op dat de inwerkingtreding van het te nemen besluit dient te worden afgestemd op de inwerkingtreding van de Codex. De inwerkingtredingsbepaling werd in die zin aangepast. Bijlage 1 - belastingverhogingen van toepassing inzake inbreuken tegen titel 2, hoofdstuk 4 met betrekking tot het eurovignet. De schaal van de belastingverhogingen is gebaseerd op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet. Evenwel werden enkele wijzigingen aangebracht : Boetecategorie A Schrapping van de soort overtreding `vervanging van een voertuig (onder een andere nummerplaat) zonder regularisatie van het eurovignet' onder boetecategorie A. Er wordt niet langer voorzien in deze specifieke overtreding. Deze bepaling kende amper toepassing omwille van de vele interpretatieproblemen. Zo is het voor een belastingplichtige met een groot wagenpark moeilijk om aan te tonen wanneer er sprake is van vervanging van een voertuig. Daarnaast is het ook niet te verantwoorden dat enkel in de gevallen van vervanging van een voertuig A door B waarbij een andere nummerplaat verkregen wordt een boete van eenmaal het niet betaalde bedrag wordt opgelegd wegens het niet hebben van een eurovignet. In geval van aankoop van een nieuw voertuig dat geen oud voertuig vervangt of in geval van vervanging van een voertuig waarbij eenzelfde nummerplaat behouden blijft wordt een boete van tweemaal het niet betaalde bedrag opgelegd wegens het niet hebben van een eurovignet. Dit verschil in behandeling wordt rechtgezet en er wordt een eenvormig systeem opgezet waarbij in alle bovenstaande situaties een boete wordt opgelegd wegens het niet hebben van een eurovignet. Invoeging van boetecategorie D - Eerste lid : Het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet voorziet niet in een boete voor de gevallen waarin een persoon minder dan een maand te laat heeft betaald. Voor de invoering van het besluit van de Vlaamse Regering voorzag artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 19 december 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 29/12/2001 numac 2001003656 bron ministerie van financien Koninklijk besluit ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 28/12/2001 numac 2001001327 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot invoering van een zomertijd vanaf het jaar 2002 sluiten ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober
- - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 in een boete van 250 euro wegens `andere inbreuken'. Deze boete werd toegepast indien een belastingplichtige zijn eurovignet minder dan een maand te laat had betaald (indien meer dan een maand te laat betaald werd in een zwaardere boete voorzien). Bij de invoering van het besluit van de Vlaamse Regering oordeelde de Raad van State dat de term `andere inbreuken' te
was en niet mocht worden opgenomen in het boetebesluit van de Vlaamse Regering. Hierdoor is ongewild de bestraffing van de personen die minder dan een maand te laat hun eurovignet hebben betaald weggevallen. Via dit ontwerp van besluit wordt er aan de tabel tot vaststelling van de boeteschalen een categorie D. toegevoegd waarbij ten aanzien van belastingplichtigen wiens eurovignet minder dan een maand is vervallen een boete van 250 euro wordt opgelegd. - Tweede lid : In geval van diefstal, verlies of vervanging van een kentekenplaat zal de inschrijving in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid (hierna DIV) verbonden aan deze kentekenplaat worden geschrapt. Indien met betrekking tot datzelfde voertuig voor dezelfde belastingplichtige een nieuwe kentekenplaat wordt afgeleverd door de DIV, dan is de lopende aangifte eurovignet met betrekking tot de vorige kentekenplaat niet langer geldig. De belastingplichtige dient een nieuwe aangifte eurovignet te doen. Indien de belastingplichtige dit niet deed zal normaliter een boete worden opgelegd van categorie B wegens het niet hebben van een eurovignet. Gelet evenwel op de specifieke situatie (zoals bijvoorbeeld diefstal, verlies of vervanging van een kentekenplaat) zal een minder zware boete worden opgelegd mits de drie in het besluit opgesomde voorwaarden cumulatief zijn voldaan : - het gaat enkel om de gevallen waarbij de overtreding werd vastgesteld binnen de twee maanden volgend op de schrapping bij de DIV van de oude kentekenplaat. Ingevolge een schrapping van een kentekenplaat zal het eurovignet automatisch worden stopgezet. De belastingplichtige krijgt hiervan melding zodat hij weet dat zijn oude eurovignet niet langer geldig is en dat een nieuwe aangifte vereist is. De administratieve verwerking van de schrapping van het eurovignet naar aanleiding van de schrapping bij de DIV kan tot twee maanden in beslag nemen. In die tussentijd zal een mildere boete worden gehandhaafd. - deze boete wordt opgelegd voor zover de belastingplichtige ten tijde van de schrapping van de vorige kentekenplaat over een geldig eurovignet beschikte. - daarnaast is wel vereist dat de belastingplichtige zijn aangifte eurovignet binnen de 30 dagen volgend op de vaststelling van de overtreding op basis van de nieuwe kentekenplaat in orde brengt. RAAD VAN STATE Afdeling Wetgeving Advies 54.433/3 van 16 december 2013 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit' Op 6 november 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 16 december 2013, een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit'. Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 3 december 2013. De kamer was samengesteld uit Jo BAERT, kamervoorzitter, Jan SMETS en Jeroen VAN NIEUWENHOVE staatsraden, Lieven DENYS en Johan PUT, assessoren, en Marleen VERSCHRAEGHEN, toegevoegd griffier. Het verslag is uitgebracht door Kristine Bams, eerste auditeur. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 16 december 2013. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan
- Zoals de Codex is ook het voorliggende ontwerp opgedeeld in zeven titels.De eerste titel bevat de inleidende bepalingen, terwijl in titel 2 ("Belastingheffing") de materieelrechtelijke bepalingen zijn ondergebracht en in titel 3 ("Inning en invordering") de procedurebepalingen. De titels 4 en 5 groeperen respectievelijk de wijzigingsbepalingen en de opheffings- en overgangsbepalingen. Titel 6 legt de citeertitel van het uitvoeringsbesluit vast en titel 7 regelt de inwerkingtreding (titel 2 : vanaf het aanslagjaar 2014; de overige titels vanaf 1 januari 2014) en bevat de uitvoeringsbepaling. DRAAGWIJDTE VAN HET ONDERZOEK DOOR DE AFDELING WETGEVING
- Behoudens in geval van wijziging van de juridische context verleent de Raad van State, afdeling Wetgeving, in de regel geen nieuw advies over bepalingen die reeds eerder werden onderzocht of die zijn gewijzigd ten gevolge van in vroegere adviezen gemaakte opmerkingen. Met betrekking tot de desbetreffende bepalingen van het ontwerp waarvoor de context niet is gewijzigd, wordt in hoofdzaak verwezen naar de vroegere adviezen. Vooral de bepalingen die volledig nieuw zijn of die wijzigingen hebben ondergaan die niet het gevolg zijn van eerdere adviezen van de Raad van State, afdeling Wetgeving, zijn derhalve onderzocht en maken in de eerste plaats het voorwerp uit van dit advies.
- De concordantietabellen die als bijlage 2 bij het ontwerp zijn gevoegd, bevatten geen lijst van de bepalingen die niet in het uitvoeringsbesluit zijn opgenomen, zoals de wijzigingsbepalingen en de overgangsbepalingen die geen nut meer hebben, en evenmin worden de bepalingen opgelijst die geen pendant hebben in de huidige regelgeving.Dit maakt het zeer moeilijk om een volledig zicht te krijgen op alle rechtsgevolgen die het aannemen van het besluit zal hebben. ALGEMENE OPMERKINGEN
- Het ontwerp heeft dezelfde structuur en is op dezelfde - onorthodoxe - wijze genummerd als de Codex.Doch anders dan de Codex die slechts een tiental "blanco artikelen" bevat - daarmee zijn artikelen bedoeld waarbij slechts de vermelding "Voorbehouden voor toekomstig gebruik" voorkomt - (zie de artikelen 2.3.5.0.1, 2.4.5.0.1, 2.4.6.0.1, enzovoort), komt die vermelding veel voor in het ontwerp, wat verwarrend is voor de lezer en de vlotte raadpleging van de tekst aanzienlijk bemoeilijkt.
- In artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 8°, van de Codex wordt "entiteit van de Vlaamse administratie" omschreven als "een intern of extern verzelfstandigd agentschap of een departement als vermeld in het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003 en in de in uitvoering van dat decreet goedgekeurde oprichtingsbesluiten". Die definitie geldt automatisch ook voor het uitvoeringsbesluit. Het gegeven dat in het ontwerp telkens gewag wordt gemaakt van "de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie" (zie bv. het artikel 2.1.6.0.1, eerste lid, van het ontwerp), en niet wordt aangegeven om welke entiteit het precies gaat, komt de transparantie van de regelgeving niet ten goede. In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt daarover gezegd dat de tekst bewust generiek is gemaakt met het oog op de uitbreiding van de ontworpen regeling met de regels inzake andere belastingen en dat "deze telkens via het instrumentarium van `Beter Bestuurlijk Beleid' eenduidig worden aangeduid in andere regelgeving". Het verdient echter aanbeveling om ter wille van de rechtszekerheid - de belastingplichtigen moeten bijvoorbeeld duidelijk weten welke ambtenaar of dienst bevoegdheid heeft om onderzoeksverrichtingen uit te voeren - voor elke belasting die door het ontworpen besluit geregeld wordt aan te geven welke de bevoegde entiteit is, namelijk de Vlaamse Belastingdienst. Die informatie zou bijvoorbeeld in een bijlage kunnen opgenomen worden.
- De gemachtigde heeft een aantal wijzigingen van de Codex aangekondigd.Enerzijds gaat het om een amendement op het programmadecreet 2014, neergelegd in de commissie voor
Beleid, Financiën en Begroting van het Vlaams Parlement, en anderzijds om een ontwerpdecreet
- De rechtsgrond voor het ontworpen besluit wordt in hoofdzaak gevormd door tal van bepalingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Daarnaast wordt in de aanhef ook melding gemaakt van de algemene uitvoeringsbevoegdheid (artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten `tot hervorming der instellingen') en van artikel 5 van de bijzondere wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten `betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten' (hierna : bijzondere financieringswet). 11.
- In artikel 5 van de bijzondere financieringswet kan geen rechtsgrond worden gevonden voor bepalingen van het ontwerp. 11.
- Voor een aantal bepalingen van het ontwerp dient inderdaad een beroep te worden gedaan op artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, gelezen in samenhang met bepalingen van de Codex. Dat is het geval voor de artikelen 2.5.6.0.1, 3.3.1.0.2 en 3.13.2.0.2 en voor nog tal van andere bepalingen van het ontwerp.
- Voor artikel 3.13.2.0.1 van het ontwerp verwijst de gemachtigde naar de artikelen 3.13.2.0.1 en 3.1.0.0.1 van de Codex als rechtsgrond. Gelet op de redactie ervan kan artikel 3.13.2.0.1 van de Codex op grond van de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Vlaamse Regering evenwel enkel nader worden uitgewerkt in zoverre de ontworpen bepaling betrekking heeft op de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet. De gemachtigde heeft bevestigd dat in het artikel van het ontwerp enkel de verkeersbelastingen in de ruime zin van het woord zijn beoogd. Om dit tot uitdrukking te brengen wordt de ontworpen bepaling het best uitdrukkelijk beperkt tot die belastingen. ONDERZOEK VAN DE TEKST AANHEF
- Gelet op wat sub 11.1 is opgemerkt, dient het tweede lid van de aanhef te worden geschrapt. Artikel 2.1.6.0.1
- Op de vraag waarom hier "de belastingplichtige" wordt vermeld, terwijl in artikel 2.1.6.0.2 van de Codex gewag wordt gemaakt van "de belastingschuldige", antwoordde de gemachtigde het volgende : "In artikel 2.1.6.0.1, tweede lid van het BVCF wordt verwezen naar de identificatie van de `belastingplichtige' omdat dat diegene is op wiens naam de belasting is ingekohierd. In artikel 2.1.6.0.1, derde lid, BVCF moet daadwerkelijk de belastingschuldige vermeld worden, omdat hier (zoals in art. 2.1.6.0.2 VCF) wordt verwezen naar diegene bij wie de belasting wordt ingevorderd. In het derde lid moet de materiële vergissing dus worden rechtgezet." Artikel 2.2.6.0.2
- In het licht van artikel 3.13.1.1.1 van de Codex, is niet duidelijk wat de toegevoegde waarde is van het bepaalde in artikel 2.2.6.0.2 van het ontwerp. Artikel 3.4.7.0.1
- Op de vraag of in artikel 3.4.7.0.1 van het ontwerp wordt verwezen naar artikel 3.4.7.0.5 van de Codex in zijn geheel, dan wel enkel naar paragraaf 1 ervan, antwoordde de gemachtigde het volgende : "Aangezien de op te heffen bepaling (art. 2 van het Koninklijk Besluit van 19 december 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 29/12/2001 numac 2001003656 bron ministerie van financien Koninklijk besluit ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 28/12/2001 numac 2001001327 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot invoering van een zomertijd vanaf het jaar 2002 sluiten) verwijst naar artikel 12, § 2, van de EUV wet wordt hier enkel 3.4.7.0.5, § 1, bedoeld. Dit moet dan ook in die zin aangepast worden." Artikel 3.10.3.4.3
- In artikel 3.10.3.4.3 van het ontwerp wordt bepaald dat de vervolgingskosten die niet bij de belastingschuldigen kunnen worden gerecupereerd, gedragen worden door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie (lees : de Vlaamse Belastingdienst). Voorts bevat het artikel een opsomming van een aantal ("onder meer") kosten die "niet aanvaard" worden. De rechtszekerheid is niet gediend met het gebruik van de woorden "onder meer". Wellicht is het de bedoeling om eerst de algemene regel te formuleren (wat niet bij de belastingschuldigen gerecupereerd kan worden, wordt gedragen door de Vlaamse Belastingdienst) en in tweede instantie aan te geven welke kosten niet bij de belastingplichtigen gerecupereerd mogen worden. Indien dat effectief de bedoeling is, zou dit beter tot uiting moeten worden gebracht. Het verdient overigens aanbeveling om het artikel in twee leden onder te verdelen. Artikel 3.10.5.1.1
- Aan de gemachtigde is gevraagd of artikel 3.10.5.1.1 van het ontwerp in overeenstemming is met artikel 3.10.5.1.1 van de Codex, vermits in die bepaling van de Codex slechts melding wordt gemaakt van "goederen in België die het pand van het Vlaamse Gewest vormen", terwijl in de betrokken bepaling van het ontwerp in verband met de goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen de voorwaarde voorkomt dat het moet gaan om goederen "die liggen in België of in een land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen of in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU". Daarover om toelichting verzocht, antwoordde de gemachtigde wat volgt : "Ons inziens is geen sprake van een tegenstrijdigheid. Eerst en vooral dient er op gewezen te worden dat ook in het huidige artikel 211 KB WIB (cf. art 3.10.5.1.1) goederen worden geviseerd die in het buitenland gelegen zijn, met name in landen waarmede België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen. Aangezien er naast bilaterale verdragen nu ook een Europese Richtlijn is zou het onlogisch zijn daar niet naar te verwijzen. De mogelijkheid om een waarborg te nemen (WANNEER) hangt af van de venale waarde van de in België gelegen onroerende goederen die reeds het pand vormen van het Vlaamse Gewest (cf. art. 3.10.5.1.1 VCF). Bij de berekening van de waarborg (3.10.5.1.1 BVCF) (GROOTTE) dient wel rekening gehouden te worden met de nettoverkoopwaarde van de goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen en die liggen in België of in een land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen of (in de ontworpen bepaling) in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU. Art. 3.10.5.1.3 BVCF bepaalt WELKE onroerende goederen als waarborg mogen worden gegeven. De onroerende goederen die als hypothecaire waarborg worden aangeboden, moeten in België liggen. Dat laatste sluit evenwel niet uit dat via de overeenkomst tot regeling van de wederzijdse bijstand of via de intussen omgezette Richtlijn 2010/24/EU wel reeds bv. een wettelijke hypotheek werd genomen in het buitenland." Met die zienswijze kan worden ingestemd. Artikelen 4.1.0.0.1 en 4.1.0.0.2
- Aan de gemachtigde is gevraagd voor welke belastingen de in de artikelen 4.1.0.0.1 en 4.1.0.0.2 van het ontwerp opgesomde bepalingen uit titel I ("Aan de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen gemene bepalingen") van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 worden opgeheven, gelet op het gegeven dat artikel 5.0.0.0.1, 2°, van de Codex enkel de opheffing van het Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen betreft "zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling wat betreft het Vlaamse Gewest". De gemachtigde antwoordde dat enkel de verkeersbelasting en de belasting op inverkeerstelling worden beoogd. Dat zou tot uiting moeten worden gebracht in de ontworpen opheffingsbepaling. Artikel 5.0.0.0.1
- Artikel 5.0.0.0.1, 1°, van het ontwerp strekt tot de opheffing van het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 27/07/2015 numac 2015000371 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
- - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel I type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 19/11/2015 numac 2015000628 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
- - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel II type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 04/03/2016 numac 2016000121 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
- - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel III sluiten `tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992', "zoals van toepassing op de onroerende voorheffing voor wat betreft het Vlaamse Gewest". De artikelen of onderdelen ervan die worden opgeheven, zullen expliciet moeten worden opgesomd. Voor de burger is het, zeker in deze materie, immers moeilijk uit te maken voor welke van de bepalingen het Vlaamse Gewest bevoegd is en welke bepalingen dus worden opgeheven. Artikel 7.0.0.0.1
- De inwerkingtreding van het te nemen besluit dient te worden afgestemd op de inwerkingtreding van de Codex.Beide regelingen stemmen grotendeels overeen, maar er is geen rekening gehouden met de uitzonderingsregeling voor artikel 5.0.0.0.1, 2° en 3°, van de Codex die immers niet op 1 januari 2014 in werking treden. Bijlage 2
- De tweede bijlage die bij het ontwerp is gevoegd bevat twee concordantietabellen.Concordantietabel 1 geeft voor elk artikel van de oorspronkelijke teksten het daarmee overeenstemmende artikel van het ontwerp aan, terwijl in concordantietabel 2 kan worden nagekeken wat voor de verschillende artikels van het ontwerp het daarmee overeenstemmende artikel van de oorspronkelijke teksten is. In de concordantietabellen komen echter ook tabellen voor (namelijk de tabellen 1, 5, 8, 13, 15 in respectievelijk concordantietabel 1 en concordantietabel 2) waarin melding wordt gemaakt van wettelijke of decretale bepalingen. Het is niet duidelijk wat de bedoeling en het nut daarvan is. DE GRIFFIER M. VERSCHRAEGHEN. DE VOORZITTER, J. BAERT. _______ Nota's