← België

Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering geeft verdere uitvoering aan de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, met als doel de Vlaamse fiscale regelgeving transparanter, eenvormiger en eenvoudiger te maken. Het bundelt en codificeert bestaande regels voor diverse belastingen die door de Vlaamse Belastingdienst worden geïnd.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
VLAAMSE OVERHEID 20 DECEMBER 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING I. ALGEMENE TOELICHTING De gefaseerde uitbreiding van de regionale fiscale bevoegdheden heeft ertoe geleid dat het Vlaamse landschap inzake fiscale regelgeving een amalgaam van naast mekaar bestaande teksten is geworden. Naast de zogenaamde oneigenlijke gewestbelastingen, zoals opgesomd in artikel 3 van de Bijzonder Financierings wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/1989 pub. 06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten (waarvan de meest gekende de onroerende voorheffing, de registratie- en successierechten en de groep van verkeersbelastingen zijn), heeft de decreetgever immers ook van zijn autonome fiscale bevoegdheden (artikel 170, § 2, van de Grondwet) gebruik gemaakt om eigen belastingen of heffingen in te voeren. De meest gekende hiervan zijn de belasting op de afvalstoffen, de belasting ter bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, de heffing op leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten en de heffing ter bestrijding van de verkrotting van gebouwen en woningen. En hoewel elke belasting zijn eigen finaliteit en toepassingsgebied heeft, kan niet ontkend worden dat in steeds meer regelgevende teksten moet gezocht worden om iemands "Vlaamse fiscale positie" te kennen. En als men die al in kaart heeft kunnen brengen, moet men vaststellen dat die diverse belastingen dan nog eens volgens een gelijkaardige, maar net niet of zelfs helemaal niet gelijklopende procedure worden geïnd. De roep naar transparantie, eenvormigheid en vereenvoudiging van de Vlaamse fiscale regelgeving is met de loop der jaren dan ook groter geworden. De Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (VCF) heeft invulling gegeven aan deze nood en verwachtingen. De VCF kan evenwel maar volledig uitwerking krijgen door een besluit van de Vlaamse Regering dat verdere uitvoering geeft aan de uitgangspunten zoals opgenomen in die VCF. Het voorliggend ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (kortweg BVCF) is hiertoe de aanzet. Samen met de VCF zelf, geeft dit besluit uitvoering aan punt 2.1.3. van de beleidsnota Financiën en Begroting 2009-2014, en aan de beleidsbrief Financiën en Begroting 2012-2013 (p. 32 en p. 34). De overwegingen om tot een gemaakte regelgeving te komen, werden reeds uitvoerig besproken bij de goedkeuring van het ontwerp van decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Deze blijven onverminderd gelden op het niveau van het uitvoeringsbesluit. Het BVCF zal in een eerste fase, net zoals de VCF, van toepassing zijn voor volgende door de Vlaamse Belastingdienst op dit ogenblik geïnde belastingen : - De onroerende voorheffing; - De (jaarlijkse) verkeersbelasting (zogeheten geautomatiseerde en niet-geautomatiseerde voertuigen); - De belasting op de inverkeerstelling (BIV); - Het eurovignet; - De verkrottingsheffing woningen en gebouwen; - De leegstandsheffing bedrijfsruimten. In overeenstemming met de benadering inzake de VCF, maken de uitvoeringsbepalingen van de planbatenheffing geen deel uit van het BVCF. Met het oog op de cohesie tussen de rechtsregels omtrent de planschade enerzijds en de planbatenheffing anderzijds, werd er namelijk voor geopteerd om de fiscale bepalingen inzake de planbatenheffing in de VCRO te laten. In een later stadium kan het BVCF uitgebreid worden met de regelgeving inzake successie- en registratierechten, en inzake de milieu gerelateerde belastingen. Het is zelfs aan te bevelen deze regelgeving in dezelfde teksten te verwerken. Om hierop te anticiperen werd in de voorliggende ontwerptekst ook niet gesproken van een welbepaalde dienst (zoals bijvoorbeeld de Vlaamse Belastingdienst), maar werd de tekst generiek gemaakt, en wordt er gesproken van de "bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie", gezien deze telkens via het instrumentarium van "Beter Bestuurlijk Beleid" eenduidig worden aangeduid in andere regelgeving. Het voorliggend ontwerp voorziet de codificatie en opheffing van volgende regelgevingen, van toepassing binnen het Vlaamse Gewest (chronologisch gerangschikt) : - het koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen; - het koninklijk besluit van 27 augustus 1993Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 27/07/2015 numac 2015000371 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel I type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 19/11/2015 numac 2015000628 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel II type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 04/03/2016 numac 2016000121 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel III sluiten tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op de onroerende voorheffing voor wat betreft het Vlaamse Gewest; - het koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993. - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993; - het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen; - het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten4 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten; - het koninklijk besluit van 19 december 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 29/12/2001 numac 2001003656 bron ministerie van financien Koninklijk besluit ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 28/12/2001 numac 2001001327 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot invoering van een zomertijd vanaf het jaar 2002 sluiten ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993. - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993; - het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten5 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd; - het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten9 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen; - de artikelen van hoofdstuk I van het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen; - het ministerieel besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993. - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993. In de aanhef wordt de verwijzing naar artikel 5 van de bijzondere financieringswet geschrapt aangezien deze volgens de Raad van State geen rechtsgrond biedt voor de bepalingen van het ontwerp. Het voorliggend ontwerp van besluit is opgedeeld in 7 titels, en behoudt zo de structuur van de VCF zelf, zodat ook snel het geheel van de van toepassing zijnde rechtsregels kan teruggevonden worden. Titel 1 bevat inleidende bepalingen. Titel 2 bevat de materieelrechtelijke bepalingen, op uitvoeringsniveau uiteraard. Titel 3 bevat de procedurebepalingen, ook hier op het niveau van de uitvoerende macht. Net zoals op decretaal niveau en om tot een uniforme procedure te komen werd in de voorbereiding van voorliggend ontwerp van besluit gewerkt volgens een vast stramien : per item werd nagegaan welke bepalingen relevant waren, welke bepalingen dienden gemoderniseerd te worden, welke bepalingen gelijkaardig waren bij de diverse belastingen (maar anders geformuleerd) en welke bepalingen echt verschillen opleverden. Vervolgens werd onderzocht of die verschillen konden worden weggewerkt of eigen waren aan de aard van de belasting. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat voor heel wat bepalingen een uniforme tekst kan worden voorgesteld. Door de gebruikte techniek, en voor het verdere goed begrip van de lezer, zal in de artikelsgewijze toelichting gewerkt worden met diverse toelichtingsmethoden : - betreft het een nieuw artikel, dan wordt een omstandige toelichting gegeven; - betreft het de letterlijke overname van een bestaand artikel, dan wordt dit zo vermeld, evenwel zonder dat het huidige artikel geciteerd wordt; - is het artikel uit het BVCF gebaseerd op één of meerdere bestaande artikelen, maar worden er enkel tekstuele aanpassingen doorgevoerd in het licht van de beoogde doelstellingen (algemeen en toekomstig gebruik, vereenvoudiging, transparantie), dan worden enkel de aangebrachte wijzigingen geduid, zonder aanhaling van het huidige artikel; - is het artikel uit het BVCF gebaseerd op één of meerdere bestaande artikelen, maar worden er grondige wijzigingen doorgevoerd, dan wordt het huidige artikel, respectievelijk worden de huidige artikelen, expliciet geciteerd (cursief) en wordt verder in de toelichting geduid welke wijzigingen worden voorgesteld. In titel 3 werden ook stelselmatig volgende bewoordingen uit de huidige teksten vervangen : - het woord "ambtenaar" door het woord "personeelslid"; - de woorden "de ambtenaar daartoe door de Vlaamse Regering gemachtigd" door de woorden "het bevoegde personeelslid"; - de woorden "de Vlaamse Belastingdienst" door de woorden "de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie". Dit wordt bij de artikelsgewijze bespreking bijgevolg niet telkens herhaald. Volgens de Raad van State verdient het aanbeveling om ter wille van de rechtszekerheid voor elke belasting die door het ontworpen besluit geregeld wordt aan te geven welke de bevoegde entiteit is, namelijk de Vlaamse Belastingdienst. Die informatie zou bijvoorbeeld in een bijlage kunnen opgenomen worden. De decreetgever oordeelde eerder dat de VCF niet het geëigende instrument is om de taakverdeling binnen de administratie uit te werken. Net als de VCF is de BVCF hiervoor niet het geëigende instrument. Die taakverdeling wordt immers geregeld door de diverse oprichtingsbesluiten van de Vlaamse entiteiten en in die zin is de ontworpen bepaling dan ook sluitend. Aangezien voormelde oprichtingsbesluiten besluiten van de Vlaamse Regering zijn zou het toevoegen van een bijlage aan het BVCF met vermelding van de bevoegde entiteiten er op neerkomen dat de Vlaamse Regering opnieuw gaat beslissen wat ze in het verleden al beslist heeft. Bovendien zou het risico op tegenstrijdigheden in de regelgeving bij eventuele toekomstige herstructureringen de Vlaamse Overheid alleen maar verhogen. Tot slot dient er op gewezen te worden dat wanneer het er op aan komt de burger concreet te informeren bij welke dienst hij terecht moet ook de vermeldingen op de aanslagbiljetten, de briefwisseling en de website voldoende informatie verstrekken hieromtrent. Titel 4 bevat wijzigingsbepalingen. Titel 5 bevat opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen. Titel 6 regelt de citeertitel van het besluit. Titel 7 bevat de bepalingen rond de inwerkingtreding. De artikelstructuur van het besluit bestaat uit 5 posities. Dit heeft zijn redenen, en is voor een fiscaal instrumentarium - waaraan in functie van de globale beleidsvoering, of de gewijzigde economische context, toch bij regelmaat wijzigingen aan door te voeren zijn - bijna een noodzaak. Welke zijn die redenen? - Het is volledig transparant : men ziet meteen in welke onderafdeling men zit. - Het laat toe binnen een onderafdeling nadien onbeperkt artikelen toe te voegen, zonder te sleutelen aan de structuur of te werken met bis-artikelen.... - Het sluit zo volledig aan bij de VCF zelf, zodat door samenlezing van de artikelen uit de betrokken afdeling van zowel VCF als BVCF de volledige rechtsregeling kan gevat worden. Het heeft anderzijds een neveneffect, namelijk dat de tekst artikelen kan bevatten die voorbehouden zijn voor later gebruik. Maar ook deze techniek is niet nieuw, en wordt frequent gebruikt in regelgeving in de Verenigde Staten van Amerika (men gebruikt daar de termen "reserved" of "reserved for later use"). De Raad van State merkt in zijn advies op dat de BVCF dezelfde structuur heeft en op dezelfde - onorthodoxe - wijze is genummerd als de Codex. Doch anders dan de Codex die slechts een tiental "blanco artikelen" bevat - daarmee zijn artikelen bedoeld waarbij slechts de vermelding "Voorbehouden voor toekomstig gebruik" voorkomt - (zie de artikelen 2.3.5.0.1, 2.4.5.0.1, 2.4.6.0.1, enzovoort), komt die vermelding veel voor in het ontwerp, wat, aldus de Raad van State, verwarrend is voor de lezer en de vlotte raadpleging van de tekst aanzienlijk bemoeilijkt. De redenen voor deze structuur werden hierboven reeds aangehaald, maar een volledige symmetrie is niet mogelijk omdat momenteel niet altijd corresponderende uitvoeringsbepalingen voorhanden of nodig zijn. Met het oog op de verlaging van de administratieve lasten ten aanzien van de burger worden de opgelegde formaliteiten zoveel mogelijk afgebouwd. Zo wordt bijvoorbeeld in artikel 2.1.6.0.2 niet langer een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister gevraagd als bewijs van bewoning. De bewoningsvereiste kan immers door de administratie zelf nagekeken worden. Blijvende aandacht voor de kwaliteitsverbetering van formulieren is noodzakelijk, maar de opname van een formulier in regelgeving bemoeilijkt de kwaliteitsverbetering van het formulier. Om het formulier te wijzigen, moet immers ook de regelgeving aangepast worden en dat is een tijdrovend proces. Daarom zijn formulieren hier maximaal losgekoppeld van de betrokken regelgeving. Overeenkomstig artikel 13 van het decreet van 18 juli 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten1 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer met het oog op de toepassing van de regeling in kwestie werd de omschrijving van de te verstrekken gegevens opgenomen in de regelgeving. Het streven naar kwaliteitsverbetering vertaalt zich ook in het anticiperen op en remediëren aan interpretatieproblemen. Zo bestaat ingevolge het burgerlijk recht de mogelijkheid om via lastgeving op te treden. Aangezien het niet de bedoeling is hier van het gemeen recht af te wijken, werden alle verwijzingen naar het begrip gemachtigde geschrapt. Zo kunnen er geen interpretatieproblemen ontstaan. Het opstellen van een lijst met artikelen of onderdelen ervan uit het KB/WIB 92, zoals de Raad van State suggereert, lijkt niet zinvol. De door de Raad van State voorgestelde werkwijze zou de zaken nodeloos compliceren. Met de huidige bepaling is het voor de burger duidelijk dat hij niet meer dient te kijken naar het KB/WIB 92. Dit KB wordt vervangen door de BVCF. De door de Raad van State gesuggereerde werkwijze lost de eventuele onduidelijkheid ook niet op rond bepalingen uit het KB/WIB 92, waarvan men zou kunnen twijfelen of deze van toepassing zijn op de onroerende voorheffing als ze niet opgeheven worden. Indien immers alle op te heffen bepalingen zouden opgesomd worden, zou de burger, bij een artikel dat in die opsomming niet voorkomt, nog niet weten of het hier een bepaling is die moet blijven bestaan voor de onroerende voorheffing of een bepaling die eigenlijk geen betrekking had op de onroerende voorheffing (en daarom ook niet kan worden opgeheven). In dat opzicht is de werkwijze zoals voorgesteld door de Vlaamse Regering veel duidelijker : de burger vindt alle uitvoeringsbepalingen inzake onroerende voorheffing voortaan in de BVCF. Een gelijkaardige werkwijze werd trouwens ook door de decreetgever gevolgd bij de VCF. II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING TITEL 1. - Inleidende bepalingen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities Het spreekt voor zich dat de begrippen, gehanteerd in dit uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering, moeten begrepen worden zoals ze gedefinieerd of gebruikt worden in de VCF zelf. Vandaar dat in dit besluit geen verdere nood bestaat aan een definitie-artikel. Art. 1.1.0.0.1. Sommige begrippen gebruikt voor de heffing van de verkrottingsheffing woningen en gebouwen en voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten worden gedefinieerd in de respectievelijke uitvoeringsbesluiten waaruit de fiscale bepalingen worden gelicht naar aanleiding van deze codificatie. In dit verband is het belangrijk te benadrukken dat de begrippen gehanteerd voor de heffing van voormelde belastingen moeten worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van de respectievelijke besluiten van de Vlaamse Regering. TITEL 2. - Belastingheffing De materieelrechtelijke uitvoeringsbepalingen worden samengebracht onder titel 2. Deze bepalingen hebben dezelfde draagwijdte als de draagwijdte gegeven aan de overeenkomstige bepalingen opgeheven naar aanleiding van deze codificatie (zie concordantietabel). De stroomlijning van het woordgebruik en taalgebruik van deze bepalingen beoogt niet de draagwijdte van de bepalingen te wijzigen. HOOFDSTUK 1. - Onroerende voorheffing Art. 2.1.6.0.1. Zoals vermeld in het advies van de Raad van State, moet in artikel 2.1.6.0.1, derde lid, BVCF daadwerkelijk de belastingschuldige vermeld worden, omdat hier (zoals in art. 2.1.6.0.2 VCF) wordt verwezen naar diegene bij wie de belasting wordt ingevorderd. HOOFDSTUK 2. - Verkeersbelasting Afdeling 6. - Vrijstellingen Art. 2.2.6.0.1. Deze bepaling is de overname van de derde paragraaf van artikel 15 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. De eerste en de tweede paragraaf van deze bepaling van het Koninklijk Besluit van 8 juli 1970 zijn opgenomen in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, meer bepaald in de artikelen 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3° ; 2.2.6.0.1, § 1, tweede lid; 2.2.6.0.1, § 1, tweede lid en 2.2.6.0.1, § 1, derde lid. Artikel 2.2.6.0.2. In het advies van de Raad van State wordt gevraagd naar de toegevoegde waarde van artikel 2.2.6.0.2 in het licht van artikel 3.13.1.1.1 van de VCF. De toegevoegde waarde van artikel 2.2.6.0.2 van de VCF bestaat erin dat het zorgt voor een meer concrete en daarmee meer rechtszekere invulling van de plichten van de bestuurder. De bestuurder moet op verzoek van het bevoegde personeelslid namelijk alle inlichtingen over het gebruik van het voertuig verstrekken. Art. 2.2.6.0.3. Deze bepaling is de overname van artikel 30 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Het artikel voorziet in verdere details betreffende de terugbetalingsregeling, vermeld in artikel 2.2.6.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013. In de eerste paragraaf van deze bepaling wordt nu de overeenstemming verzekerd van de verwijzingen in dit besluit met de hernummering van de bepalingen van het WIGB bij de hervorming door de Wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/01/1999 pub. 19/02/1999 numac 1999003046 bron ministerie van financien Wet houdende wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen overeenkomstig de richtlijn nr. 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen sluiten. Zo wordt nu in de inleidende zin bij punt 1 en 2 van paragraaf 1 correct verwezen naar artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013. De tweede paragraaf voorziet niet langer dat voor de aanvraag van terugbetaling het nodig is gebruik te maken van een formulier. De beweegreden hiertoe werd reeds toegelicht in de algemene toelichting. Het tweede lid geeft aan welke gegevens de belastingplichtige dient te verstrekken om een terugbetaling te kunnen bekomen. Zo moet Vlaamse Belastingdienst niet telkens een vraag om bijkomende inlichtingen stellen aan de belastingplichtige en kan die laatste ook volstaan met één schriftelijk contact met de Vlaamse Belastingdienst. Op die manier kunnen aanvragen tot terugbetaling efficiënter behandeld worden, hetgeen zowel tot voordeel strekt van overheid als burger. HOOFDSTUK 4. - Eurovignet Afdeling 7. - Wijze van heffing Artikel 2.4.7.0.1. Overeenkomstig de bevoegdheidstechnische opmerkingen van de Raad van State wordt dit artikel aangepast. Dit gebeurt concreet door in artikel 2.4.7.0.1 onmiddellijk te verwijzen naar de bijlage bij het Koninklijk besluit van 8 september 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 21/10/1997 numac 1997014204 bron ministerie van verkeer en infrastructuur en ministerie van financien Koninklijk besluit tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 07/10/1997 numac 1997016246 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 tot vaststelling van de extra betalingen van de zoogkoeienpremie en de speciale premie voor producenten van rundvlees type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 07/10/1997 numac 1997016248 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouwdieren, ten aanzien van bepaalde stoffen of residu's daarvan met farmacologische werking type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 12/12/1997 numac 1997000715 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de gemeenten bepaalde financiële hulp van de Staat kunnen krijgen op het vlak van de veiligheid en de inbraakpreventie type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014207 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de aanleg en de exploitatie van het MOB2-mobilofoonnet type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997000576 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 16 april 1996 houdende vaststelling van het formulier voor de aanvraag van de erkenning door beoefenaars van de verpleegkunde tot het dragen van een bijzondere beroepstitel of om zich op een bijzondere beroepsbekwaming te beroepen type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 15/10/1997 numac 1997000680 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 juli 1989 houdende de normen betreffende de bescherming van de toeschouwers tegen brand en paniek bij manifestaties in stadions type koninklijk besluit prom. 08/09/1997 pub. 15/10/1997 numac 1997011342 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van het personeel van de Controledienst voor de Verzekeringen sluiten tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is. Door die aanpassing kan artikel 2.4.7.0.2 van het ontwerp worden opgeheven. Ook de concordantietabel wordt overeenkomstig aangepast. HOOFDSTUK 6. - Leegstandheffing bedrijfsruimten Afdeling 7. - Wijze van heffing In het besluit van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (hierna BVR leegstandsheffing bedrijfsruimten) worden meermaals de begrippen "het goed" en "onroerend goed" gebruikt, terwijl in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten enkel de begrippen "bedrijfsruimte" en "bedrijfsgebouw" worden gedefinieerd. Uniformisering dringt zich dan ook op. De begrippen "het goed" en "onroerende goederen" worden respectievelijk vervangen door de begrippen "bedrijfsruimte" en "bedrijfsruimten". Art. 2.6.7.0.4. In artikel 19, § 2, van voormeld besluit wordt verwezen naar het begrip "bedrijfsgebouw". Hoewel dat begrip gedefinieerd is in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing, wordt ervoor geopteerd om hier het begrip te vervangen door het begrip "bedrijfsruimte". Het is immers de bedrijfsruimte die wordt opgenomen in de inventaris en de opschortingen gelden voor de opgenomen bedrijfsruimte. Bovendien wordt zo ook uniformiteit nagestreefd met de terminologie gehanteerd in de VCF op dit punt. TITEL 3. - Inning en invordering HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen Art. 3.1.0.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 14 van het BVR leegstandheffing bedrijfsruimten. Naar analogie met de verkrottingsheffing woningen en gebouwen, wordt nu ook voor de leegstandheffing bedrijfsruimten expliciet bepaald dat bij gehele of gedeeltelijke ontheffingen het te veel uitbetaalde bedrag aan onkostenvergoedingen verrekend wordt op de eerstvolgende uit te keren onkostenvergoeding en opcentiemen. Het huidige artikel 16 van het BVR leegstandheffing bedrijfsruimten bepaalt dat het bedrag van de administratieve onkostenvergoeding door de Vlaamse Belastingdienst op rekening van de gemeenten zal worden gestort voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarop de verschuldigde heffing dient te worden voldaan, en dit voor zover deze heffing is geïnd en definitief is verworven. Deze werkwijze is al geregeld in de Vlaamse Codex Fiscaliteit zelf (zie artikel 3.1.0.0.4, paragraaf 3 en 4), zodat dit artikel niet moet overgenomen worden. Art. 3.1.0.0.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 19 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen. Onder de geïnde heffingen worden ook de ingevorderde heffingen begrepen. Er wordt daarom niet langer uitdrukkelijk vermeld dat de onkostenvergoeding wordt berekend op de geïnde en ingevorderde heffingen. Het woord "verrekend" wordt vervangen door het woord "berekend", aangezien dit tot verwarring kan aanleiding geven; wel degelijk is bedoeld dat de percentages berekend worden op de bedragen die geïnd zijn (en niet bijvoorbeeld op de ingekohierde bedragen). Art. 3.1.0.0.3, 3.1.0.0.4 en 3.1.0.0.5. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 1, 2 en 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen. Wel werden de verwijzingen rechtgezet. HOOFDSTUK 2. - Inkohiering Afdeling 1. - Algemeen Art. 3.2.1.0.1. Dit artikel is gebaseerd op het artikel 128 van het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 27/07/2015 numac 2015000371 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel I type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 19/11/2015 numac 2015000628 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel II type koninklijk besluit prom. 27/08/1993 pub. 04/03/2016 numac 2016000121 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. - Officieuze coördinatie in het Duits - Deel III sluiten tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (verder : KB/WIB) en de eerste alinea van het artikel 2 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (verder : KB/WIGB). Art. 3.2.1.0.2. Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 129 en 130 KB/WIB en op artikel 2 en artikel 3 KB/WIGB. De voorwaarde van jaarlijkse uitvoerbaarverklaring, opgenomen in het huidige artikel 2 KB/WIGB wordt niet langer opgenomen. Dit maakt de procedure nodeloos ingewikkeld. Uitvoerbaarverklaringen voor toekomstige aanslagjaren gebeuren bovendien niet, zodat deze bepaling overbodig wordt. De niet fiscale bepaling uit artikel 130 KB/WIB en artikel 3 KB/WIGB (de koppeling van een kohier aan een begrotingsjaar) wordt geschrapt, gezien deze problematiek geregeld wordt in het rekendecreet ( Decreet van 8 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999014158 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg sluiten2 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof) en haar uitvoeringsbesluiten. Inzake op te heffen bepalingen : De huidige bepaling van artikel 131 KB/WIB en artikel 4 KB/WIGB wordt niet overgenomen, aangezien deze bepaling onnodige beperkingen oplegt aan de wijze van inkohiering. Bovendien verwijst deze bepaling naar de organisatie-opzet van de FOD Financiën (indeling per ontvangkantoor). De huidige bepaling van artikel 132 KB/WIB en artikel 4 KB/WIGB heeft geen toegevoegde waarde, en wordt bijgevolg evenmin overgenomen. De inkohieringstermijn is immers decretaal bepaald en binnen deze termijn dient het bevoegde personeelslid de inkohiering te voltooien. Artikel 10, § 1, 1e en 2e lid, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen kan geschrapt worden. Er zijn geen bijzondere kohieren, en het spreekt voor zich dat aanslagen binnen de decretaal voorziene termijn aangemaakt worden op basis van de gegevens over de belastbare grondslag. Anderzijds zijn deze bepalingen reeds opgenomen in de VCF (artikel 3.2.1.0.1). Artikel 10, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient evenmin overgenomen te worden : - het eerste lid is geïntegreerd in de VCF (artikel 3.1.0.0.1, § 2); - het tweede lid heeft geen rechtsgrond meer : dit lid verwijst immers naar artikel 3, § 3 van hetzelfde BVR dat zelf geen decretale basis meer heeft (verwees naar artikel 38, 2e lid van het decreet, dat zelf werd opgeheven bij decreet van 24 december 2005). - het derde lid heeft geen toegevoegde waarde. Artikel 11, derde lid, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen kan geschrapt worden. Dit lid verwijst immers ook naar artikel 3, § 3, van hetzelfde BVR dat zelf geen decretale basis meer heeft. Art. 3.2.1.0.3. Dit artikel is gebaseerd op artikel 133, § 1, KB/WIB. Daarbij werd de terminologie gemoderniseerd. Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden Art. 3.2.3.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 133, § 2 en § 3, van het KB/WIB. Het nieuwe artikel geldt voor alle belastingen. Artikel 5 KB/WIGB dat nog gelijkaardig was aan het oude artikel 133 KB/WIB dient dus niet behouden te blijven. Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze Art. 3.2.5.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 135 KB/WIB en op artikel 12, § 1, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen. HOOFDSTUK 3. - Aanslagprocedure Afdeling 1. - Algemeen Art. 3.3.1.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 25 KB/WIGB. Art. 3.3.1.0.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 26 KB/WIGB. Afdeling 4. - Aanslagbiljet Art. 3.3.4.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 136 KB/WIB, artikel 7 KB/WIGB en op artikel 11, eerste lid van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen, doch het toepassingsgebied wordt uitgebreid naar alle belastingen. Dat het tweede lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen niet dient behouden te blijven werd reeds in de memorie van Toelichting bij de VCF (artikel 3.3.5.0.2) uitvoerig toegelicht. Het derde lid, de laatste zin van het vierde lid, het vijfde en achtste lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen hebben geen rechtsgrond meer (zie infra) en kunnen bijgevolg opgeheven worden. De eerste zin van het vierde lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient niet te worden overgenomen aangezien de vermeldingen die moeten worden voorzien op het aanslagbiljet reeds in de codex zijn vastgelegd. De tweede zin van het vierde lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient niet te worden overgenomen. Welke entiteit bevoegd is voor de invordering van belastingen blijkt immers uit de regels i.v.m. beter bestuurlijk beleid (waaronder de oprichtingsbesluiten van de diverse agentschappen en departementen). Het zesde en zevende lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen werden reeds geregeld in de VCF zelf (artikel 3.1.0.0.1), en kunnen bijgevolg eveneens opgeheven worden. HOOFDSTUK 4. - Betalingen Afdeling 1. - Algemeen Art. 3.4.1.0.1. Het eerste lid van dit artikel is gebaseerd op artikel 137 en 141 KB/WIB. De verwijzing in artikel 137 KB/WIB naar artikel 177 KB/WIB dient niet te worden overgenomen : Artikel 177 KB/WIB heeft betrekking op de vestiging en invordering, van de belasting van niet-inwoners op meerwaarden op onroerende goederen. Het tweede lid van dit artikel is gebaseerd op artikel 138 KB/WIB. Omwille van het eurovignet waar gewerkt wordt met uitnodigingen tot betaling dient de verwijzing naar het concept `aangifte' behouden te blijven. Omdat kantooruren eenvoudig moeten kunnen worden aangepast wordt artikel 144 KB/WIB niet opgenomen in dit besluit. Afdeling 3. - Wijze van betaling Art. 3.4.3.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 139, § 1, KB/WIB 92. Dit artikel bepaalt dat het bevoegde personeelslid, in bijzondere omstandigheden, andere wijzen van betaling kan toestaan. Hierbij kan dan worden gedacht aan de betaling in contanten of betaling via kredietkaart bij de controles ter plaatse. Het is evenwel niet wenselijk deze betalingsmogelijkheden als algemene regel in te voeren, doch in bepaalde situaties of wanneer de nodige terminals ter beschikking kunnen gesteld worden kan het wel wenselijk zijn dergelijke betalingswijzen te aanvaarden. Art. 3.4.3.0.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 141 KB/WIB 92. Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier Art. 3.4.4.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 139, § 2, KB/WIB 92. Deze bepaling maakt tevens de overname van artikel 11 KB/WIGB overbodig.Dat artikel luidt momenteel als volgt : "Als de belastingschuldige een aanslagbiljet ontvangt van de belastingen, vermeld in artikel 3 of 94 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, moet hij de erbij gevoegde richtlijnen volgen en gebruik maken van het overschrijvingsformulier." Afdeling 5. - Bewijs van betaling Art. 3.4.5.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 139 § 3 KB/WIB 92. Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling Art. 3.4.6.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 142, § 1, KB/WIB. Paragraaf 2 werd niet langer behouden gezien hier het gemeen recht (burgerlijk wetboek) kan gelden. Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering Art. 3.4.7.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van het Koninklijk besluit van 19 december 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 29/12/2001 numac 2001003656 bron ministerie van financien Koninklijk besluit ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 28/12/2001 numac 2001001327 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot invoering van een zomertijd vanaf het jaar 2002 sluiten ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993. - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993. Artikel 4 van dit KB wordt niet overgenomen gelet op het feit dat dit verwijst naar het inmiddels opgeheven artikel 3 van hetzelfde KB, en enkel een overgangsmaatregel betrof in het kader van de invoering van de euro. Gevolg gevend aan de bemerking van de Raad van State wordt de verwijzing naar artikel 3.4.7.0.5 van de VCF in zijn geheel, vervangen door een verwijzing naar paragraaf 1 van dat artikel. Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten Art. 3.4.8.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 december 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 29/12/2001 numac 2001003656 bron ministerie van financien Koninklijk besluit ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type koninklijk besluit prom. 19/12/2001 pub. 28/12/2001 numac 2001001327 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot invoering van een zomertijd vanaf het jaar 2002 sluiten ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993. - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993. Het artikel werd aangepast op het vlak van de verwijzing, en verder enkel terminologisch. Het geeft uitvoering aan artikel 3.4.8.0.1, § 2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013. HOOFDSTUK 10. - Invordering Afdeling 3. - Vervolging Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 3.10.3.1.1. Op basis van het eerste lid van dit artikel kan de Vlaamse Belastingdienst of een andere bevoegde entiteit overgaan tot invordering van de heffingen die niet betaald werden binnen de uiterste betaaltermijn. Dit artikel is gebaseerd op het huidige artikel 146 KB/WIB en artikel 13 KB/WIGB, zij het dat er voor werd geopteerd de bewoording van de tekst te vereenvoudigen. Het tweede lid voorziet in de twee klassieke wijzen van invordering : rechtstreeks bij de belastingschuldigen of onrechtstreeks bij derden. Deze bepaling is geïnspireerd op het huidige artikel 147 KB/WIB. Bij de rechtstreekse vervolging geeft de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van persoonlijke of gemeenschappelijke dwangschriften opdracht aan een gerechtsdeurwaarder om deze vervolging in te stellen. Bij de onrechtstreekse vervolgingen wordt niet altijd beroep gedaan op een gerechtsdeurwaarder. Het vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag waarbij uitvoerend beslag onder derden wordt gelegd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gebeurt via aangetekende brieven (cfr. artikel 3.10.3.3.1 BVCF). Bijgevolg wordt bij deze onrechtstreekse vervolging geen dwangschrift uitgevaardigd. Enkel in het geval het uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd, overeenkomstig artikel 3.10.3.3.2 BVCF en artikel 1539 tot en met 1544 Ger.W., wordt een persoonlijk of gemeenschappelijk dwangschrift overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder. De Raad van State merkt op dat het bevestigen bij besluit van de Vlaamse Regering van een federale wettelijke norm vanuit bevoegdheidsrechtelijk oogpunt niet kan worden aanvaard. Daarom worden in artikel 3.10.3.1.1 de woorden "krachtens het bij de wet toegestane verhaal" geschrapt. Gelet op voormeld standpunt van de Raad van State dient bovendien artikel 3.10.3.1.2 uit het ontwerp volledig te worden geschrapt. Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging Art. 3.10.3.2.1. Dit artikel is gebaseerd op de bepalingen zoals voorzien in artikel 148 KB/WIB. Het tweede lid ("Die vervolgingen zijn gerechtelijk en de geldigverklaring behoort tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken.") wordt niet overgenomen. Deze bepaling behoort niet tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest. Bovendien spreekt het voor zich dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn. In dezelfde zin werden evenmin de artikelen 157, 158 en 159 van het KB/WIB overgenomen. Art. 3.10.3.2.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 151 KB/WIB. Deze bepaling luidt als volgt : "Wanneer de termijn van het dwangbevel verstreken is, doet de ontvanger overgaan tot uitvoerend beslag op roerend goed, hetwelk geschiedt op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, behoudens de afwijkingen vastgesteld in de hierna volgende artikelen 152 tot 154." Het laatste luik van dit artikel, waarin verwezen wordt naar het Gerechtelijk Wetboek, werd niet overgenomen. De artikelen 3.10.3.2.3 en 3.10.3.2.4 blijven evenwel behouden als afwijking op het gemeen recht. Artikel 3.10.3.2.4 geeft bovendien uitvoering aan artikel 3.10.3.2.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013. Art. 3.10.3.2.3. Dit artikel is gebaseerd op artikel 153 KB/WIB. Art. 3.10.3.2.4. Dit artikel is gebaseerd op artikel 154 KB/WIB. Art. 3.10.3.2.5. Art. 161 KB/WIB bepaalt : "Het is de ontvangers en instrumenterende deurwaarders verboden, rechtstreeks of onrechtstreeks enig voorwerp, waarvan zij de verkoop bewerkstelligen, te kopen of voor zich te doen kopen op straffe van nietigheid van de verkoop en van ontzetting voor de deurwaarders van de directe belastingen of toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen voor de gerechtsdeurwaarders." De sanctie van de nietigheid van de verkoop bij aankoop door de gerechtsdeurwaarder is echter geregeld in artikel 1596 van het Burgerlijk Wetboek, de tuchtstraf is voorzien in artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de gerechtsdeurwaarders vormt artikel 161 KB/WIB dus een overbodige herhaling Ten aanzien van de personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie blijft deze bepaling wel relevant en bijgevolg werd deze geactualiseerd. Art. 3.10.3.2.6. Dit artikel is gebaseerd op artikel 162 KB/WIB. Het artikel werd verduidelijkt door de toevoeging van de artikelen uit het Gerechtelijk Wetboek die hier van toepassing zijn. Een aantal bepalingen werden niet overgenomen : Artikel 152 KB/WIB bepaalt : "Vóór de inbeslagneming verzoekt de instrumenterende deurwaarder de belastingschuldige hem de kwitantie te vertonen van de op zijn aanslagen gestorte afkortingen en vermeldt dit verzoek in het proces-verbaal van beslag." Deze bepaling is achterhaald en wordt in de praktijk niet meer toegepast aangezien de gerechtsdeurwaarder steeds bij de administratie het openstaande saldo kan opvragen. Daarom wordt deze bepaling niet in het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Codex Fiscaliteit opgenomen. Art. 155 KB/WIB bepaalt : "Alvorens te verkopen, doet de instrumenterende deurwaarder daarvan aangifte ten kantore van de registratie. Hij vermeldt deze formaliteit in het proces-verbaal van verkoop." Aangezien deze bepaling een herhaling vormt van hetgeen geregeld is in de artikelen 77 en 227 van het Wetboek Registratierechten wordt deze niet terug opgenomen. Art. 156 KB/WIB bepaalt : "Zo geen koper opdaagt, wordt de verkoop verdaagd en worden de voorwerpen, krachtens een toestemming van de beslagrechter, naar de naburige markt of naar een andere, meer geschikte plaats gevoerd. De instrumenterende deurwaarder stelt proces-verbaal van niet-toewijzing op en gaat tot een nieuwe verkoop over." Deze bepaling werd niet overgenomen. Eerst en vooral dient de fiscale wetgeving geen specifieke bepalingen te voorzien die eigenlijk thuis horen in het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien is deze bepaling verouderd. Goederen waarvoor geen koper wordt gevonden worden niet openbaar verkocht, niet opgeladen of vernietigd. Art. 3.10.3.2.7. Dit artikel is gebaseerd op artikel 163 KB/WIB : "De ontvanger rekent de hem gestorte sommen aan volgens de in artikel 143 gestelde regelen; hij geeft aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aldus gedane aanrekeningen en betaalt hem het eventuele overschot terug." De bepaling dat `aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aldus gedane aanrekeningen wordt gedaan' wordt evenwel niet overgenomen. Het is in de praktijk niet haalbaar, en bovendien niet zinvol, om telkens per aangetekende brief een kennisgeving van de aanrekening te doen. Dit gebeurt wel per gewone brief. Verder spreekt het voor zich dat eventuele overschotten worden terugbetaald, ook in geval van invordering via gerechtsdeurwaarder. Evenwel is pas sprake van een overschot indien alle openstaande schulden zijn betaald, dus ook diegene die niet in het dwangbevel werden opgenomen. Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging Art. 3.10.3.3.1 en art. 3.10.3.3.2. Deze artikelen betreffen de regeling inzake het zogenaamde vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag. Deze bepalingen zijn gebaseerd op het huidige artikel 164 en 165 KB/WIB (zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest). Er werden slechts enkele technische aanpassingen doorgevoerd : 1° de ambtenaar daartoe door de Vlaamse Regering gemachtigd wordt vervangen door het bevoegde personeelslid;2° de boete wordt vervangen door de administratieve geldboete;3° voorheffingen worden geschrapt wegens niet van toepassing. Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten Art. 3.10.3.4.1. Dit artikel is de letterlijke overname van artikel 172 KB/WIB. Art. 3.10.3.4.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 173 KB/WIB en artikel 12, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen. Artikel 173 KB/WIB luidt als volgt : "De vervolgingskosten vallen ten laste van de achterstallige belastingschuldigen. Die kosten komen volledig toe aan de instrumenterende deurwaarders die de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder hebben. Ze komen aan de Schatkist toe, voor vervolgingen die door deurwaarders van de directe belastingen zijn gedaan; de Minister van Financiën is evenwel gemachtigd om een gedeelte daarvan aan die deurwaarders toe te kennen. In uitzonderlijke gevallen kan de ontvanger gemachtigd worden aan de instrumenterende deurwaarder de vervolgingskosten voor te schieten." Art. 12, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen luidt als volgt : "De invorderingskosten komen ten laste van de belastingplichtige. De kosten van invordering zijn de vervolgingskosten gemaakt met toepassing van artikel 40, § § 2 en 3 van het decreet." Er werden evenwel een aantal belangrijke aanpassingen doorgevoerd. Er wordt niet langer een onderscheid gemaakt tussen de `instrumenterende deurwaarders die de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder' hebben en `deurwaarders van de directe belastingen' vermits de Vlaamse administratie enkel werkt met gerechtsdeurwaarders (en niet de figuur kennen van deurwaarders bij de directe belastingen). Er is dan ook niet langer voorzien dat de Vlaamse minister bevoegd voor de Financiën een deel van de vervolgingskosten kan toekennen aan de deurwaarder. Bovendien worden aan de gerechtsdeurwaarder geen vervolgingskosten voorgeschoten. Art. 3.10.3.4.3. Dit artikel voorziet dat de door de gerechtsdeurwaarders gemaakte kosten die niet kunnen worden gerecupereerd worden betaald door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Evenwel worden een aantal kosten voorzien die niet worden aanvaard. De opsomming is gebaseerd op deze van artikel 174 KB/WIB. In het licht van de aanbeveling van de Raad van State wordt artikel 3.10.3.4.3 geherformuleerd en onderverdeeld in twee leden. In tegenstelling tot wat de Raad van State suggereert was het in de oorspronkelijk ontworpen bepaling niet alleen de bedoeling om aan te geven welke kosten niet bij de belastingschuldige kunnen worden gerecupereerd maar vooral ook welke kosten niet door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden terugbetaald (in geval van niet-recuperatie bij de belastingschuldige). Dit wordt op aangeven van de Raad van State verduidelijkt. Verder worden op aangeven van de Raad van State de woorden `onder meer' geschrapt. Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen Art. 3.10.3.5.1. De bepalingen rond de met vervolging belaste personen worden geactualiseerd. Tot op heden was in de artikelen 168-171 KB/WIB sprake van `deurwaarders van de directe belastingen'. Belastingdeurwaarders bestaan al geruime tijd niet meer. Dat waren ambtenaren uit de schoot van het vroegere ministerie van financiën die als deurwaarder optraden, maar dan specifiek voor de invordering van fiscale schulden. Binnen de Vlaamse Belastingdienst zijn er geen dergelijke deurwaarders. De Vlaamse Belastingdienst doet voor de gedwongen invordering immers beroep op de `gewone' gerechtsdeurwaarders (cf. Gerechtelijk Wetboek, Deel II, Boek IV - gerechtsdeurwaarders). Een en ander betekent dat de ar …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.