← België

Besluit van de Vlaamse regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de eindtermen van de tweede en de derde gr

Kort samengevat

Dit besluit verklaart een aanvraag tot afwijking op de eindtermen voor de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs ontvankelijk en gelijkwaardig. Het gaat specifiek om de aanvraag van twee Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
6 SEPTEMBER 2002. - Besluit van de Vlaamse regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de eindtermen van de tweede en de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 18 januari 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs type decreet prom. 18/01/2002 pub. 19/04/2002 numac 2002035492 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot bekrachtiging van de eindtermen van de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs sluiten betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, inzonderheid op artikel 9; Gelet op het decreet van 18 januari 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs type decreet prom. 18/01/2002 pub. 19/04/2002 numac 2002035492 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot bekrachtiging van de eindtermen van de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs sluiten tot bekrachtiging van de eindtermen van de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 2000Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 23/06/2000 pub. 29/11/2000 numac 2000036061 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs type besluit van de vlaamse regering prom. 23/06/2000 pub. 18/07/2000 numac 2000035714 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de procedure voor de bijzondere erkenning van een centrum voor dagverzorging sluiten tot vaststelling van de eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs; Overwegende dat met het oog op de rechtszekerheid van de aanvragers de regering zo spoedig mogelijk uitsluitsel moet bieden over de eindtermen waaraan de betrokkenen zich vanaf het schooljaar 2002-2003 dienen te houden en over de leerplannen die ze, in het verlengde daarvan, kunnen hanteren; Gelet op de gezamenlijke aanvraag tot afwijking van 6 maart 2002 door de inrichtende macht van de Middelbare Rudolf Steinerschool Vlaanderen, Kasteellaan 54, te 9000 Gent, en de inrichtende macht van de Hiberniaschool, Volkstraat 40, te 2000 Antwerpen; Gelet op het gemotiveerd positief advies met betrekking tot de ontvankelijkheid en de gelijkwaardigheid enerzijds door een onafhankelijke commissie van deskundigen gegeven op 10 juli 2002 en anderzijds door de onderwijsinspectie gegeven op 12 augustus 2002; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën gegeven op 16 juli 2002; Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1.De Vlaamse regering beslist de als bijlage gevoegde aanvraag tot afwijking, voor wat betreft de onderwijsvorm "algemeen secundair onderwijs", op de eindtermen van de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs, ingediend door de inrichtende macht van de Middelbare Rudolf Steinerschool Vlaanderen, Kasteellaan 54, te 9000 Gent, en de inrichtende macht van de Hiberniaschool, Volkstraat 40, te 2000 Antwerpen, als ontvankelijk en als gelijkwaardig te verklaren. Art. 2.Dit besluit treedt in werking op 1 september 2002. Art. 3.De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 6 september 2002. De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, M. VANDERPOORTEN Bijlage bij het besluit van de Vlaamse regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de eindtermen van de tweede en de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs Aanvraag tot afwijking op de eindtermen voor de tweede en de derde graad van het voltijds gewoon algemeen secundair onderwijs zoals vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 2000Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 23/06/2000 pub. 29/11/2000 numac 2000036061 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs type besluit van de vlaamse regering prom. 23/06/2000 pub. 18/07/2000 numac 2000035714 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de procedure voor de bijzondere erkenning van een centrum voor dagverzorging sluiten en bekrachtigd bij decreet van 18 januari 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/01/2002 pub. 08/02/2002 numac 2001035155 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs type decreet prom. 18/01/2002 pub. 19/04/2002 numac 2002035492 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot bekrachtiging van de eindtermen van de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs sluiten, ingediend door de inrichtende machten van : - Hiberniaschool, Volkstraat 40, te 2000 Antwerpen; - Middelbare Rudolf Steinerschool Vlaanderen, Kasteellaan 54, te 9000 Gent, beide aangesloten bij de Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen, Lange Lozanastraat 117, te 2018 Antwerpen, met contactadres : Kasteellaan 54, te 9000 Gent DEEL I. - Motivering en toelichting HOOFDSTUK 1. - Beknopte voorgeschiedenis 1.1. Juridische context Het eindtermenconcept werd in de schoolpactwet van 29 mei 1959 ingevoerd onder artikel 6, door het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten (Belgisch Staatsblad van 31 augustus 1991), en geactualiseerd bij Decreet betreffende de eindtermen, enz. (Themadecreet), zoals aangenomen in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement op 9 januari 2002. In het kader van een nieuwe benadering van de bewaking van de kwaliteit van het onderwijs bepaalt de overheid eindtermen (ET), in feite minimumdoelstellingen, die voor alle scholen en inrichtende machten gelden. Het gaat om competenties inzake kennis, inzicht, onderwijsattitudes en eventueel vaardigheden, die noodzakelijk en bereikbaar worden geacht voor een bepaalde leerlingenpopulatie in het S.O. (1) Het concept van de eindtermen werd meermaals gewijzigd. Eindtermen die een attitude beschrijven, evenals de vakoverschrijdende eindtermen, dienen enkel nagestreefd te worden. Er is enkel een inspanningsverplichting. Via een klacht bij het Arbitragehof tegen het decreet van 22 februari 1995 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen van het gewoon kleuter en lager onderwijs (Belgisch Staatsblad van 19 mei 1995) werd een recht ter afwijking verworven voor scholen met bijzondere pedagogische opvattingen.(2) 1.2. Brede afwijkingsprocedure Uitgaande van het arrest van het Arbitragehof werd voorzien in een decretaal vastgelegde afwijkingsprocedure. Inrichtende machten kunnen oordelen dat de conform artikel 6ter van de Wet van 29 mei 1959 decretaal vastgelegde eindtermen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen en/of ermee onverzoenbaar zijn. De inrichtende macht kan dan voor het geheel van deze eindtermen vervangende eindtermen voorstellen. (3) Belangrijk hierbij is de opmerking van de Raad van State, afdeling wetgeving, in zijn advies bij het ontwerp van decreet betreffende een afwijkingsprocedure voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, nl. dat de mogelijkheid van afwijking van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen moet beoordeeld worden in functie van de eindtermen zelf : « Het ligt voor de hand dat hoe algemener en minder gedetailleerd de eindtermen zelf zijn, hoe geringer de noodzaak om ervan te kunnen afwijken en hoe stringenter de voorwaarden kunnen worden gemaakt waaronder die afwijking mogelijk is. Zijn de eindtermen daarentegen meer gedetailleerd, dan moeten de mogelijkheden om ervan te kunnen afwijken ruimer worden geconcipieerd. » (4) De Raad van State is in zijn advies immers van mening dat "de door de regering vastgestelde eindtermen en ontwikkelingsdoelen (...) op zich een eigen pedagogisch project mogelijk (moeten) maken. Die mogelijkheid mag evenwel niet enkel verwezenlijkbaar zijn door het aanvragen en verkrijgen van een afwijking op de door de regering vastgestelde eindtermen en ontwikkelingsdoelen welke logischerwijze dan ook, zoals het Arbitragehof zegt, 'beperkt' zullen zijn. » (5) Volgens de Raad van State in hetzelfde advies lijkt het ontwerp er integendeel van uit te gaan dat dit eigen pedagogisch project alleen gerealiseerd kan worden via de procedure van afwijking op de eindtermen. In die zin kan men bezwaarlijk « enkel de nadruk leggen op dat beperkt karakter van de mogelijke afwijkingen, zonder zulks te zien in relatie met de aard van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen zelf. » (6) Ook dit is niet zonder belang bij het beoordelen van onderhavige aanvraag tot afwijking van de eindtermen voor de tweede en de derde graad. HOOFDSTUK 2. - Fundamentele bezwaren Alvorens in concreto aan te tonen waarom de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen onvoldoende ruimte laten voor en onverzoenbaar zijn met de Rudolf Steinerpedagogie, lijkt het onontbeerlijk om het probleem met de eindtermen toch even in zijn algemeenheid te bekijken. In het licht van elke aanvraag tot afwijking op de ontwikkelingsdoelen en eindtermen kunnen we niet voorbij gaan aan volgende vraag : hoe komt het dat de 'algemene' ontwikkelingsdoelen en eindtermen in bepaalde gevallen onvoldoende ruimte kunnen laten voor en onverzoenbaar kunnen zijn met bijzondere pedagogische en onderwijskundige opvattingen en wel zo, dat de verplichting zich desondanks te conformeren een schending inhoudt van de grondwettelijk gewaarborgde onderwijsvrijheid? Het is hierbij niet de bedoeling om inhoudelijke kritiek te leveren op de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen. Wel lijkt het ons essentieel bij de motivering van deze aanvraag tot afwijking bij dit belangrijke gegeven stil te staan. Het lijkt ons immers onjuist om de oorzaak voor de eventuele onverzoenbaarheid en onvoldoende ruimte in hoofdorde aan het 'afwijkende' onderwijsconcept toe te schrijven van diegenen die zich inspireren op bijzondere pedagogische (en onderwijskundige) opvattingen. In een democratisch bestel is het immers onaanvaardbaar om minderheden te problematiseren omdat ze, als minderheid met andere opvattingen, een (grotere) consensus in de weg staan. De eis om onderwijs te kunnen verstrekken op basis van eigen (of bijzondere) pedagogische opvattingen naast de vooronderstelde algemene of normale pedagogische opvattingen die in de decretaal bekrachtigde eindtermen zijn verwoord, bezit een constitutionele legitimiteit. Een belangrijke grond hiervoor wordt door de Raad van State aangereikt in zijn reeds geciteerde advies. 2.1. Algemene doelstellingen van de eindtermen Het concept van de eindtermen wordt enerzijds in verband gebracht met de kwaliteit en de gelijkwaardigheid van het onderwijs, anderzijds is dit (mede) gericht op het kunnen functioneren in de maatschappij en de ontwikkeling van de mens als persoon. Ontwikkelingsdoelen en eindtermen die deze doelstellingen nastreven, dienen dus geformuleerd te worden, uitgaande van een welbepaalde invulling van deze uitgangspunten. Zonder deze invulling op zich te willen aanvechten of haar legitimiteit te willen betwisten, willen wij er wel op wijzen dat er andere invullingen mogelijk zijn die even legitiem zijn. 2.1.1. Gelijkwaardigheid versus diverse opvattingen van kwaliteit Met de OD/ET beoogt men in eerste instantie een kwaliteitsverhoging van het Vlaamse Onderwijs : het invoeren van de eindtermen « impliceert dat de overheid, doorheen het bepalen van eindtermen, meteen uitspraak zal doen over wat volgens haar in het onderwijs essentieel is, wat als minimumvoorwaarde voor kwaliteit moet worden beschouwd. » (7) Men gaat dan onvermijdelijk uit van een bepaalde opvatting over en invulling van de onderwijskwaliteit. Bovendien neemt men aan dat hierover een eenduidige opvatting en invulling mogelijk is. Nochtans worden noch een definitie van, noch criteria voor de onderwijskwaliteit gegeven. Dat OD/ET een adequaat middel zijn om de gelijkwaardigheid van studiebewijzen, diploma's en het in scholen verstrekte onderwijs zelf veilig te stellen, zegt nog niets over de waarde en de kwaliteit van deze eindtermen zelf. Ook het Arbitragehof neemt aan dat de met de OD/ET beoogde doelstellingen neerkomen op het garanderen van de kwaliteit en de onderlinge gelijkwaardigheid van het onderwijs in het betrokken niveau. Doch een definitie van onderwijskwaliteit vinden we ook hier niet terug. Hier ligt het eerste belangrijke wrijvingsvlak tussen de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen en onderwijs dat geïnspireerd is op eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen. Deze eigen opvattingen over onderwijs steunen per definitie op een welbepaald kwaliteitsconcept. Prof. Verstegen schrijft over de door het Arbitragehof gehanteerde begrippen 'vereiste inhoud' en 'kwaliteit van het onderwijs' : « Dit zijn wel bijzonder open begrippen die tot veel discussie aanleiding kunnen geven.. » (8) Ook de Vlaamse regering erkent dat over 'de kwaliteit van het onderwijs' geen echte eenduidigheid mogelijk is : « Voor een ingewikkeld fenomeen als het onderwijs zijn ontelbare gezichtshoeken en waarderingscriteria mogelijk, die bovendien.evolueren in de tijd. Kwaliteit hangt samen met een aantal waardén die verband houden met onder meer tradities, maatschappelijke eisen, visies op de ontwikkeling van de maatschappij, levensbeschouwing enzovoort. » (9) Wil men, conform de Grondwet, ruimte verschaffen aan meerdere en verschillende pedagogische concepten, elk met eigen achterliggende opvattingen, dan zal men tevens meerdere opvattingen over onderwijskwaliteit moeten aanvaarden. In de mate dat een minimaal doch algemeen kwaliteitsconcept al kan gevonden worden, een concept dat tevens ruimte laat voor de verschillende (dus ook de zgn. 'bijzondere') pedagogische en onderwijskundige opvattingen, dan heeft men dergelijk 'neutraal' concept in de vastgelegde OD/ET nog niet gevonden. De mogelijkheid die werd voorzien om een geheel van vervangende OD/ET voor te stellen is daar een bevestiging van. 2.1.2. Het kunnen functioneren in de maatschappij en de persoonlijkheidsontwikkeling Met de eindtermen wil men zowel een basis leggen voor de ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid als van het functioneren in de maatschappij. Ook het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind bepaalt dat het onderwijs dient gericht te zijn op de algemene ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid. (10) Een eerste vraag hierbij is natuurlijk wat moet verstaan worden onder 'de menselijke persoonlijkheid'. Zo verzamelde Allport negenenveertig verschillende definities van het begrip 'persoonlijkheid'. (11) Indien nu het onderwijs daadwerkelijk gericht wil zijn op de volle ontplooiing van de 'menselijke persoon', dan moet minstens een opvatting over de menselijke aard, zijn persoon-zijn e.d. voorondersteld zijn. Met andere woorden : er moet uitgegaan worden van een welbepaald mensbeeld. Dit mensbeeld kan onmogelijk worden losgekoppeld van een bredere levensbeschouwelijke visie. Hieruit volgt dat elke vorm van onderwijs die in overeenstemming wil zijn met dit fundamentele recht op onderwijs, dient te steunen - impliciet of expliciet - op een levensbeschouwelijk te situeren mensbeeld. Bij alle onderwijs dat zich in meer of mindere mate wil richten op de ontwikkeling van de menselijke persoon, mag men de aanwezigheid van een welbepaald mensbeeld aannemen. Wordt dat mensbeeld niet geëxpliciteerd, dan mag men terecht gewagen van een 'verborgen mensbeeld'. In de DVO-brochure De Eindtermen lezen we : « In feite gaat het hier (bij het opmaken van de ET) om een doorgedreven theorievorming over het begrip kwaliteit, rekening houdend met de historisch-ruimtelijke situering van het Vlaamse onderwijs en met het in evenwicht houden van de belangen van de leerlingen en jongeren enerzijds en die van de maatschappij anderzijds. Anders gezegd, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de leerlingen moet worden bevorderd, evenwel rekening houdend met de rechtmatige belangen van de samenleving. » (12) Wanneer het onderwijs zich nu ook richt op het 'kunnen functioneren in de maatschappij', dan veronder stelt dit niet enkel een opvatting over de mens (een mensbeeld), maar ook over de (ideale?) maatschappij. Want de vraag hoe de mens dient te (kunnen) functioneren in de maatschappij, kan niet worden beantwoord zonder eveneens in te gaan op de vraag hoe de maatschappij best functioneert. Er moet naast een mensbeeld ook een maatschappijbeeld worden verondersteld. In die zin zijn bij het opstellen van de OD/ET ontegensprekelijk bepaalde keuzes gemaakt. Het feit op zich dat 'persoonlijkheidsontwikkeling' en het 'kunnen functioneren in de maatschappij' (meer bepaald om rekening te houden met de belangen van de maatschappij) in zekere mate als tegenstellingen worden beschouwd, illustreert deze keuzes wat het mens- en maatschappijbeeld betreft. Immers, komt het 'kunnen functioneren in de maatschappij' geheel of ten dele tegemoet aan de noden van het opgroeiende kind of jongere of aan de noden van de maatschappij zelf? En zo het aan de noden van het opgroeiende kind of de jongere tegemoet komt, is het dan een onderdeel van de persoonlijkheidsontwikkeling of een noodzakelijke aanvulling daarbij ? Met andere woorden : in welke mate vallen persoonlijkheidsontwikkeling en het 'kunnen functioneren in de maatschappij' samen ? Of in welke mate zijn het juist tegenstellingen waartussen een 'evenwicht' moet worden gevonden ? En diepgaander : ontvouwt de menselijke persoonlijkheid of individualiteit zich doorheen en dankzij de opvoeding in een concrete samenleving, of constitueert de opvoeding binnen een concrete samenleving de persoonlijkheid ? De visie dat onderwijs gericht moet zijn op de algehele ontplooiing van de menselijke persoon kan immers ook utilitair en instrumenteel opgevat worden. Het standpunt dat men hier kiest (en moet kiezen indien men een basis wil verschaffen voor het onderwijs), zal afhangen van enerzijds de visie op de menselijke persoon en diens ontwikkeling (het mensbeeld) en anderzijds van de visie op de samenleving, in het bijzonder op de samenhang tussen persoon en samenleving (het maatschappijbeeld). Dit alles bepaalt op beslissende wijze de keuze voor wat men in deze context de "essentiële doelstellingen van het onderwijs" acht. 2.2. Het concept van de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen De door het Vlaams Parlement bekrachtigde eindtermen zijn geen willekeurig geheel van losse, op zich staande doelstellingen. Ze werden geformuleerd met een welbepaalde opvatting over onderwijskwaliteit, over de menselijke persoon en zijn ontwikkeling, en daarop aansluitend, over de gewenste samenleving en de verwachte verhouding tussen de maatschappij en haar leden. De geformuleerde eindtermen in hun geheel kunnen slechts gericht zijn op de realisatie van de vooropgestelde doelstellingen in de mate dat men aan de begrippen 'onderwijskwaliteit', 'ontwikkeling van de menselijke persoon' en 'het (gewenste ?) functioneren in de maatschappij' een concrete invulling heeft gegeven. Zoals ook voor het basisonderwijs en voor de eerste graad het geval was, zijn ook de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen voor de tweede en de derde graad S.O. geïnspireerd op bepaalde pedagogische en onderwijskundige opvattingen (die uiteraard met het voorgaande samenhangen). De doelstellingen die per vakgebied bereikt moeten worden, gaan uit van een bepaald vakconcept, onder meer in functie van de algemene doelstellingen en opvattingen. Ook hier moet beklemtoond worden dat de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen een coherent geheel vormen, dat zijn betekenis ontleent aan de beschreven achterliggende doelstellingen en aan hun eigen samenhang. Om te begrijpen waarom onverzoenbaarheid met en onvoldoende ruimte voor inrichtende machten met bepaalde eigen opvattingen mogelijk is, moet men recht doen aan het concept van de eindtermen en ze als een coherent geheel benaderen. Een afweging of argumentatie eindterm per eindterm zou aan het wezenlijke van zowel de eindtermen als van het onderwijs dat uitgaat van bijzondere (en dus afwijkende) pedagogische en onderwijskundige opvattingen voorbij gaan. De onverzoenbaarheid met en het gebrek aan ruimte voor het eigen pedagogisch concept steunen in wezen op het verschil in opvattingen over de doelstellingen van onderwijs en de wijze waarop deze best gerealiseerd worden. Volgens prof. Verstegen is het niet mogelijk om beide criteria - onverzoenbaarheid en onvoldoende ruimte - uit elkaar te halen : « Ons lijken het detaillistische en omvangrijke karakter en de mogelijke inhoudelijke onverenigbaarheid met een eigen opvoedingsproject zo verweven, dat het totaal kunstmatig zou zijn twee onderscheiden opdrachten in het arrest te lezen (...). » (13) HOOFDSTUK 3. - De Rudolf Steinerpedagogie Voor een goed begrip van de bezwaren van de Rudolf Steinerscholen is een beknopte schets van de Steinerpedagogie onontbeerlijk. 3.1. Doelstellingen van de Rudolf Steinerpedagogie Op een kernachtige manier vatte Rudolf Steiner het zelf als volgt samen : « De vraag is niet wat de mens moet kunnen en weten teneinde zich in de bestaande sociale orde te kunnen invoegen, maar wel wat er in aanleg in de mens aanwezig is en in hem ontwikkeld kan worden. Dan wordt het mogelijk dat de opgroeiende generatie de maatschappij steeds nieuwe krachten toevoegt. Dan zal in deze maatschappij datgene leven wat de tot haar toetredende volwaardige mensen scheppen; maar aan de opgroeiende generatie mag niet datgene opgelegd worden, wat de bestaande maatschappij van deze generatie maken wil. » (14) In dit citaat wordt beknopt maar helder de doelstelling van de Steinerpedagogie weergegeven in haar verhouding tot de maatschappij. De opvoeding mag nooit uitgaan van abstracte, buiten de mens zelf gelegen doelstellingen, maar moet uitgaan van de levende werkelijkheid van de opgroeiende mens. De werkelijke doelstelling van alle opvoeding is de jonge mens zo ontwikkelen dat hij een innerlijk vrij en zelfstandig wezen wordt, dat in staat is de verantwoordelijkheid voor het eigen handelen op te nemen (ook in moreel opzicht). Jonge kinderen moeten niet opgevoed worden voor een maatschappij zoals die er nu uitziet, maar zoals die er binnen twintig of dertig jaar zal uitzien. Maar niemand kan voorspellen hoe dat zal zijn. Het opvoeden om in de maatschappij te kunnen functioneren kan dus o.i. op niets anders neerkomen dan op het zo optimaal mogelijk ontplooien van wat aan mogelijkheden in elk kind besloten ligt. De mens zelf en de samenleving zijn het best gebaat met mensen die in staat zijn om als verantwoordelijk individu in die samenleving keuzes te maken, te oordelen en die hun talenten kunnen inzetten en verder ontwikkelen of er nieuwe ontwikkelen, hoe de samenleving zich ook ontwikkelt, wat ook dan de echte maatschappelijke noden en vragen zullen zijn. « In een dergelijke toestand van onzekerheid blijft er eigenlijk maar één mogelijkheid open, namelijk jonge mensen niet af te richten op een bepaald doel of op zogenaamde eisen van de toekomst, maar om ze binnen de grenzen van hun eigen wezen en kunnen een dermate hoog niveau te laten bereiken dat ze in zichzelf en vanuit zichzelf de middelen en wegen kunnen vinden om zich in het leven staande te houden. Het kan niet de taak van de nu levende generatie zijn de marsroute voor de volgende generatie uit te stippelen. Het doel moet veeleer zijn voor elke jonge mens de mogelijkheid te scheppen voor innerlijke vrijheid (...) om hem zelfkritiek en zelfvertrouwen te geven en als laatste die krachten in hem te ontplooien, waardoor hij in de toekomst zelfbewust zal kunnen handelen. » (15) Hieruit kan geenszins de opvatting afgeleid worden als zou het onderwijs niet moeten voorbereiden op het maatschappelijke leven. Integendeel, het is de doelstelling om de vermogens van de jonge mensen zo te ontwikkelen dat ze een authentieke, persoonlijke bijdrage aan de samenleving kunnen geven en dat de wil behouden blijft zich permanent te ontwikkelen. Het ontwikkelen van datgene wat aan vermogens in elke jonge mens besloten ligt, is tevens het beste wat opvoeding en onderwijs aan de gemeenschap kan bijdragen. Hieruit blijkt reeds dat de Steinerpedagogie uitgaat van een open maatschappijbeeld, waarbij het maatschappelijke leven niet de afspiegeling is van een vooropgezet toekomstplan, maar het plastische en immer bewegende resultaat van datgene wat de individuele mensen aan sociale en morele impulsen in vrijheid aan de gemeenschap bijdragen. De Steinerpedagogie is er uitdrukkelijk niet op gericht door middel van opvoeding en onderwijs een vooropgesteld mens- en maatschappijbeeld te realiseren. Kenschetsend zou de doelstelling van de Steinerpedagogie kunnen worden omschreven als het ontwikkelen van potentialiteit. Het gaat niet in de eerste plaats om de aangeleerde kennis, inzichten en vaardigheden op zich. Hierover mogen echter geen misverstanden ontstaan. Uiteraard kan deze potentialiteit maar ontwikkeld worden door middelvan het verwerven van concrete kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes. Het betekent o.a. dat er gestreefd wordt naar een zo groot mogelijke veelzijdigheid en een brede ontwikkeling. Men kan inderdaad niet als een vrij en verantwoordelijk individu functioneren in een concrete samenleving als bepaalde inzichten en kennis ontbreken en bepaalde vaardigheden niet worden beheerst. Het realiseren van de basisdoelstelling (een zelfstandig, vrij en verantwoordelijk individu worden) kan ten vroegste met het aantreden van de volwassenheid gebeuren. De Steinerpedagogie kiest ervoor dit 'eindbeeld' niet naar de kinderwereld te extrapoleren of te transponeren en dit zo in directe zin na te streven. De ontwikkelingsweg wordt niet 'retrograde' vanaf het eindresultaat uitgestippeld, maar van het concrete kind wordt afgelezen wat aan de orde is. Zoals verder uiteengezet zal worden, steunt de Steinerpedagogie op de visie dat de ontwikkeling van een kind kwalitatief verschilt naargelang de leeftijd. Dat betekent in deze context dat de vermogens die bijvoorbeeld tijdens de kleutertijd of lagere-schooltijd best ontwikkeld worden, niet in rechtstreekse zin op het bereiken van dit einddoel zijn gericht, maar bijvoorbeeld in latere fasen omgevormd moeten worden. De Steinerpedagogie steunt noodzakelijkerwijze op een welbepaald mensbeeld. Zoals reeds aangegeven is het niet mogelijk te werken aan de ontplooiing van de menselijke persoon (cf. recht op onderwijs) zonder daarbij uit te gaan van een welbepaalde visie over de aard van de menselijke persoon en zijn ontwikkeling. Deze mensvisie hangt samen met een bredere wereld- en maatschappijvisie (i.c. de antroposofie). Het kan echter niet genoeg beklemtoond worden dat deze visie als dusdanig niet wordt onderwezen. Het onderwijs is er geenszins op gericht dat de leerlingen zich deze levensbeschouwing eigen zouden maken, laat staan zouden aanhangen. (16) Het is immers de bedoeling de jongere zover te brengen dat hij in staat is als volwassene de eigen verdere ontwikkeling zelf in handen te nemen en in vrijheid en zelfverantwoording keuzes te maken inzake opvattingen, sociaal en moreel engagement. 3.2. Rudolf Steinerpedagogie en mensbeeld De opdracht van het onderwijs is inderdaad om te werken aan de ontwikkeling van de hele persoonlijkheid van het kind. Dit is in feite de enige doelstelling van de Steinerpedagogie. Maar de vraag hoe het onderwijs daar best in kan slagen, hangt af van de concrete opvatting over de mens en zijn verbinding met de wereld. De Steinerpedagogie steunt uitdrukkelijk op een mensbeeld : ze gaat uit van een specifieke antropologie. In wat volgt, wordt getracht deze beknopt te beschrijven. Het is geen toeval dat Rudolf Steiner in 1919, bij de oprichting van de eerste 'Waldorfschool' te Stuttgart, de hoofdbrok van de voorafgaande lerarencursus wijdde aan 'menskunde'. (17) De methodisch-didactische aanwijzingen en voorbeelden handelen in eerste instantie over de uitdieping en de concrete toepassing van deze menskundige inzichten. (18) Bij de hiernavolgende schets van het mensbeeld dat aan de Steinerpedagogie ten grondslag ligt, wordt uitgebreid gebruik gemaakt van het degelijke overzichtswerk van Stefan Leber, Die Menschenkunde der Waldorfpädagogik. (19) Er zal daarom in wat volgt niet telkens naar dit werk gerefereerd worden. De antroposofie gaat als kennisvorm in op de hele mens, zoals ze deze naar lichaam, ziel en geest gedifferentieerd wil begrijpen. (20) In die zin is het antroposofische begrijpen van de mens een poging om tot een samenhangend inzicht in het wezen van de ganse mens te komen. 1. Het lichaam is het organisme waardoor het innerlijke wezen van de mens 'weet' krijgt van de wereld, doordat de zintuigen de verschillende kwaliteiten van de wereld ontsluiten. Deze zintuiglijke indrukken worden door een innerlijke ziel ontvangen, bewerkt en in betrekking tot het innerlijke beleven geplaatst, doordat ze bijvoorbeeld het aangename van het onaangename onderscheidt. Kenmerkend voor deze beleving is het op zichzelf betrokken zijn van een subject. Dit beleven onderscheidt zich kwalitatief van al het lichamelijke doordat het zich steeds manifesteert in het betrokken zijn op zichzelf of op iets anders (voorstellingen, herinneringen, wensen, angsten,...). De mens is echter in staat om, boven datgene uit wat hem behaagt, aantrekt, afstoot of nuttig lijkt, de wetmatigheden in de verschijnselen te (h)erkennen en zo door te dringen in het hem vreemde. Hierin toont zich de werkzaamheid van de menselijke geest. Deze geestelijke werkzaamheid verheft de mens boven het louter persoonlijke in zijn betrekkingen met de wereld, tot in het algemeen objectieve, waardoor de mens de begrenzing van het op zichzelf gericht zijn, overstijgt. Deze geestelijke dimensie van de mens wordt als 'ik' aangeduid. Het menselijk lichamelijke vertoont drie kwalitatieve kenmerken : het zintuiglijk waarneembare en het ruimtelijk tastbare (het materiële), het leven en de daarmee verbonden levensprocessen (groei, gezondheid/ziekte...) en de aan de zintuiglijke waarneming gebonden gewaarwordingen. 2. Het grondgegeven van de ziel is het lust- en het leedgevoel.De grondkrachten van de werkzaamheid van de menselijke ziel zijn de sympathie en de antipathie. Deze werkzaamheid toont zich als gevoel. Hierdoor wordt begrijpelijk dat de mens een gemeenschapswezen is ('zoön politikon'), ook zonder uitwendige noodzaak. Elk psychisch fenomeen kenmerkt zich immers door zijn 'intentionele betrokkenheid'. In het antroposofische mensbeeld leeft de menselijke ziet als midden tussen lichaam en geest en is met beide verbonden. Door haar verbondenheid met het lichaam heeft de ziel deel aan de vergankelijkheid.van de wisselende indrukken en gewaarwordingen enerzijds. Ook de eigen lichamelijkheid kan beleefd worden als welbehagen of pijn. Door het denken kan de ziel anderzijds deel hebben aan de blijvende wetmatigheden, aan de waarheid. Ook daarbij kan de ziel vreugde of verdriet beleven. Wat de verbinding tussen het psychische en het lichamelijke betreft, wordt er in de Steinerpedagogie veel belang gehecht aan de specifieke samenhang die bestaat tussen respectievelijk de denkactiviteit en het zenuw-zintuigstelsel, het gevoelsleven en het ritmisch functionerend ademhalings- en bloedsomloopstelsel, en de wilsactiviteit en het stofwisselings- en bewegingsapparaat. (21) 3. De kern van de menselijke geest tenslotte is zijn individualiteit, zijn 'ik'.Het ik van de mens heeft twee te onderscheiden eigenschappen, die samen het wezen van de mens uitmaken. Enerzijds is er het vermogen om zich met de eigen (scheppende) werkzaamheid te identificeren en anderzijds het vermogen om zich van het door hemzelf voortgebrachte (na verloop van tijd) weer (deels) te distantiëren. Het ik van de mens steunt op de continuïteit van het bewustzijn, over het zich identificeren en distantiëren heen. Beide polariteiten worden verbonden door het on-deel-bare, de individualiteit. Het ik verschaft enerzijds continuïteit aan het bewustzijn als de kracht die de gebeurtenissen verbindt tot een 'biografie'. Anderzijds stuwt het ik, als innerlijk geestelijk wezen van de mens, zich boven het heden uit waardoor het ik zich kan ontwikkelen en rijpen. Dit menselijke streven, dat te maken heeft met de menselijke vervolmaakbaarheid, kan niet tot uiterlijke of lichamelijke voorvallen herleid worden : het is van geestelijke aard. De menselijke individualiteit ligt minder in de inhouden waarmee hij zich bezig houdt als in de wijze waarop en in de kracht waarmee dit gebeurt, alsook in de wijze waarop hij zich er weer van losmaakt om, verder ontwikkeld of gerijpt, zich opnieuw met een werkzaamheid te identificeren. In de gewaarwording van het eigen wezen ligt steeds een eerste bewustzijn een eigen wezen te zijn : dit bewustzijn verschijnt als zelfbewustzijn. Door het zelfbewustzijn ervaart de mens zichzelf als een zelfstandig wezen, als 'ik'. De opgave van de opvoeding bestaat erin datgene in de mens te ontwikkelen wat als individualiteit in de mens besloten ligt. De Steinerpedagogie steunt op een mensbeeld dat de mens als totaliteit wil begrijpen. Dit impliceert dat de geestelijke, psychische en biologische dimensies van de mens niet herleid kunnen worden tot de wetmatigheden van zijn fysieke dimensie. Deze dimensies geven ruwweg vier kwalitatief onderscheiden en niet-reduceerbare zijnscategorieën aan : - het anorganische zijn (de dode materie) - het organische zijn (het levend zijn) - het psychische zijn (het bezield of bewust zijn) - het geestelijke zijn (het zelfbewust zijn). Een hoger niveau veronderstelt steeds de aanwezigheid van de onderliggende niveaus, maar kan er nooit toe herleid worden. Deze categorieën bestaan niet afzonderlijk maar doordringen elkaar wederzijds, zowel in de globale werkelijkheid als bij de afzonderlijke fenomenen. Het onderscheiden van deze zijnskwaliteiten is zowel van belang voor het begrijpen van de mens als voor het begrijpen van de wereld. Beide aspecten hebben vanzelfsprekend hun belang voor de Steinerpedagogie, onder meer voor de menskundige, pedagogische en onderwijskundige opvattingen bij de verschillende vormingsgebieden. Dit leidt tot een eigen concept en benaderingswijze voor vele vakken. 3.3. De ontwikkeling van jongeren : de samenhang tussen rijping en leren Men kan de Steinerpedagogie karakteriseren als een ontwikkelingsgerichte pedagogie. Het volstaat niet uit te gaan van een bepaald mensbeeld. Om op te voeden en te onderwijzen is er ook inzicht nodig in de wetmatigheden die een rol spelen bij de ontwikkeling van het kind tot volwassene. Uiteraard is de visie op de ontwikkeling van het kind in dit mensbeeld ingebed. De Steinerpedagogie steunt op de opvatting dat het kind en de jongere zich ontwikkelen door een samenspel van rijping en leren. Maar bij de rijping gaat het niet enkel om biologische of op biologische elementen steunende psychische groei- en differentiatieprocessen, maar om de ontwikkelingswetmatigheden van lichaam, ziel en geest in hun onderlinge samenhang. De experimenteel vastgestelde wetmatigheden van het rijpingsproces (o.a. Gesell en McGraw) (22) bevestigen de aan de Steinerpedagogie ten grondslag liggende uitgangspunten : 1. Bepaalde vaardigheden en vermogens kunnen slechts in een bepaald ontwikkelingsstadium bereikt worden.Ze kunnen niet vroeger verworven worden. 2. Er zijn ook vaardigheden en vermogens die weliswaar door specifiek onderricht reeds vroeger kunnen worden bijgebracht, maar er blijkt nergens uit dat deze vroegere, na langere oefentijd verworven vaardigheden uiteindelijk beter worden verricht dan bij kinderen die deze vaardigheden op het 'normale' tijdstip hebben verworven.3. Sommige te vroeg aangeleerde vaardigheden worden verworven op basis van primitieve, voor de vaardigheden minder gunstige functies.4. Bepaalde vaardigheden of vermogens die te vroeg worden ontwikkeld, worden slechts ontwikkeld ten koste van andere dingen.5. Ook het te laat ontwikkelen van bepaalde vaardigheden en vermogens is nadelig.Veel vaardigheden kunnen, eens de 'gevoelige' periode voorbij is, niet of nauwelijks nog geleerd worden. Daarom is het van het grootste belang aan de ontwikkeling van deze vermogens voldoende tijd te besteden en het kind voldoende ruimte te geven voor de ontwikkeling van deze vermogens. In de antropologie waarop de Steinerpedagogie steunt, kan de ontwikkeling van het kind en de jongere beschreven worden als verlopend in kwalitatief te onderscheiden stadia. Hoewel de ontwikkeling een permanent proces is en een kind in het begin van een stadium volstrekt anders is dan een kind halverwege of naar het einde toe, zijn er toch voldoende gronden om aan deze indeling de nodige relevantie te verschaffen voor het pedagogisch handelen. Er treden immers veranderingen op in het gedrag, in de waarneming, in de begripsvorming, in de lichamelijke ontwikkeling, in de beweging enz., die van doorslaggevende aard zijn voor de kwantitatieve en kwalitatieve vormgeving van de pedagogische werkzaamheid. Opvattingen die de ontwikkeling in fasen willen begrijpen, worden in het hedendaagse wetenschappelijke veld enigszins gemarginaliseerd. Toch blijkt onmiskenbaar dat in uiteenlopende ontwikkelingspsychologische benaderingen doorgaans dezelfde leeftijden (bijvoorbeeld de leeftijden van 7 - 10 - 12 - 14 jaar) op de voorgrond treden als scharnier- of culminatiepunt. (23) Maar of dergelijke scharnierpunten al dan niet beschouwd worden als de markering tussen twee ontwikkelingsfasen, hangt af van het belang dat men hecht aan de veranderingen die zich omstreeks die leeftijd voordoen of aan de nieuwe verhoudingen die binnen het kind zijn ontstaan na geleidelijk voltrokken veranderingen. Het belang dat men hecht aan concrete fenomenen en de duiding die men eraan wil geven, worden onvermijdelijk sterk bepaald door het al dan niet geprononceerde mensbeeld van waaruit men de fenomenen wil begrijpen en/of verklaren. 3.3.1. De eerste en tweede ontwikkelingsfase Steinerscholen zien de lagere en secundaire niveaus als één consecutief eeheel. De keuze van hun leerdoelen en hun aanpak is daar geheel op afgestemd. Voor een meer uitgewerkt beeld van de eerste (van 0 tot 7 jaar) en de tweede (van 7 tot 14 jaar) fase in de ontwikkeling van het kind en de jongere zoals de Steinerscholen dat zien, willen we hier verwijzen naar de desbetreffende hoofdstukken in de motivering bij de 'Aanvraag tot afwijking van de eindtermen 1 ste graad vastgelegd conform art. 6bis van de Wet van 29 mei 1959 en bekrachtigd bij Decreet van 24 juli 1996, ingediend door de inrichtende machten van Hiberniaschool en Middelbare Rudolf Steinerschool Vlaanderen' (p. 23-30). (24) 3.3.2. De derde ontwikkelingsfase : van de leeftijd van 13 à 14 jaar tot 20 à 21 jaar Voor een goed begrip van deze derde fase is het passend een kleine stap terug te doen. Rond het twaalfde levensjaar treedt de prepuberteit in. De geestelijke en psychische krachten nemen toe, maar zonder dat het kind al in staat is deze zelfstandig te sturen of te beheersen. De opgave voor de opvoeders en leerkrachten is hier zowel ruimte als leiding te bieden. Op intellectueel vlak wordt het kind stilaan in staat de wereld in zijn causale samenhang te begrijpen, d.w.z. de werkingen en betrekkingen van de wereld denkmatig te vatten (tot dan toe was het bevattingsvermogen van het kind grotendeels gevoelsmatig - begrippen ontstonden als het ware in de bedding van deze gevoelsmatige verbinding). Stefan Leber omschrijft de ontwikkeling van het denken bij jonge kinderen, schoolkinderen en prepubers als volgt : « Terwijl het jonge kind aanvankelijk een waarnemingsgebonden denken ontwikkelt, is het schoolkind in staat zich zodanig van de waarneming los te maken, dat het meerdere waarnemingsgegevens met elkaar in verband kan brengen. Dit vermogen vernieuwt met de intrede van de prepuberteit zodanig dat het denkvermogen ook tegen complexere formeel-logische problemen opgewassen is. (25) De opdracht van de leraar bestaat erin, met behulp van de nog werkzame autoriteit stap voor stap de zich ontwikkelende denkvermogens te oefenen. Tegen het einde van deze tweede grote ontwikkelingsfase, bij de aanvang van de puberteit, zet het opgroeiende kind zich terecht af tegen deze autoriteit. Het zoekt nu naar eigen klaarheid en oriëntering. De derde grote fase breekt aan : de ontwikkeling naar zelfstandigheid en rijpheid in denken, voelen en handelen. « Aan het eind van deze zeven jaren staat de volwassenheid. Een ideaal van volwassen zijn is : dat men vanuit de eigen individualiteit de vrijheid heeft keuzes in het leven te maken; dat men tot omgang met de eigen mogelijkheden en beperkingen komt en zich zo tot creatieve en verantwoordelijke persoonlijkheid kan ontwikkelen. » (26) « In het begin van de puberteit worden de kinderen lichamelijk volwassen : het meisje wordt vrouw, en de jongen wordt man. In principe zijn ze dan lichamelijk even ver als hun ouders. De volwassenheid roept hen, maar ze zijn nog niet vrij, hun ziel is op alle gebieden - denkend, voelend en werkend - nog helemaal doordrongen van degenen die hen begeleidden. Lichamelijk mogen ze dan volwassen zijn, innerlijk begint nu pas de strijd om een zelfstandig bestaan. » (27) In de ontwikkeling tot de volwassen zelfstandigheid spelen de ontwikkeling van de denkvermogens en het oordeelsvermogen een belangrijke rol. « Samenvattend kunnen we zeggen dat de jongere voortaan in staat is, bij een probleem verschillende hypotheses voor een mogelijke oplossing op te bouwen en deze systematisch uit te denken. Het denken in mogelijkheden - 'hoe zou het zijn als' - als dusdanig los van het concreet gegevene,... [is] de opmerkelijke vooruitgang... in het rijpen van het denken. Meer nog : de jongere kan hypothetische - anticiperende - probleemstellingen opwerpen en voor zichzelf deels zeer fantasierijke oplossingen deduceren. Verder kan de jongere logische bewerkingen als abstracte processen, onafhankelijk van enige concrete inhoud, uitvoeren. » (28) Over het oordeelsvermogen schrijft Leber het volgende : "Tot die tijd [puberteit] geschiedde de oordeelsvorming eenvoudig zo, dat de waarneming direct de overeenkomstige begrippen opriep of dat een volwassene zijn oordeel uitsprak, of dat een in de omgeving voorhanden zijnd collectief oordeel door het kind... overgenomen werd. » (29) In de puberteit nu wordt het anders. De jongeren willen in dit verbinden van waarnemen en denken zelfstandig worden : zij wegen af of de ter beschikking staande begrippen voor hen zelf werkelijk bij hun waarnemingen passen. "Dit proces, waarin de verbinding van begrip en waarneming afgewogen wordt, is oordeelsvorming. Het is niet te ontkennen dat in dit proces een bepaalde gevoelsactiviteit een rol speelt. » (30) "In deze activiteit [oordelen] nu, zet de puber zijn eerste stappen. Hij beschikt over voorstellingen en begrippen, en over waarnemingen. Met de puberteit echter worden deze niet meer als vanzelfsprekend aanvaard; de puber zoekt een geheel persoonlijke verhouding tot de gegevenheden. » (31) « In principe zijn er natuurlijk zoveel soorten puberteit als er kinderen zijn, maar toch kunnen we enkele grove lijnen trekken. Ik wil hier het onderscheid maken tussen drie soorten puberteit : - de denk-puberteit - de gevoels-puberteit - de doe-puberteit. Ieder kind pubert op deze drie zielegebieden (...) In de tijd gezien kunnen we zeggen, dat voor iedere puber de eerste jaren van de puberteit innerlijk het meest oproepen tot zelfstandig worden in het denken, de jaren daarna tot het uitgroeien in het voelen en de laatste jaren tot het vrijmaken van het willen. » (32) Tegen de achtergrond van deze menskundige beschouwingen worden vele fenomenen uit het leven van de jongeren begrijpelijk. Waar de kinderen in de tweede zevenjaarsperiode een sterke band hadden met de hen omringende opvoeders en leerkrachten en begeleid werden door hun liefdevolle autoriteit, neemt de puber langzaam aan het leven in eigen hand. De autoriteit wordt bevraagd en op de proef gesteld. Er worden argumenten gevraagd en aan het eigen zich ontwikkelende oordeelsvermogen onderworpen. De jongeren gaan op zoek naar de waarheid en juistheid van de kennis en waarden waarmee ze tot dan toe zijn opgegroeid. Er komt afstand, ze zetten zich af, ze hebben een grote behoefte aan gesprek, discussie, meningsvorming en -uitwisseling. Daarmee gepaard ontstaat een vraag naar kennis, verklaring, wetenschap - zowel van de wereld als van de mens - i.c. de eigen persoonlijkheid. In de Steinerpedagogie worden dan ook de vakinhouden en doelstellingen daaraan geheel aangepast. Naarmate ze erin slagen het zwart-wit denken te ontwikkelen tot een genuanceerd denken, hun vaak woelige en nog moeilijk te beheersen gevoelsleven tot rust en evenwicht te brengen, hun afwisselend impulsieve of passieve wilsleven onder controle te krijgen, zal dit oordeelsvermogen sterker, kritischer en objectiever zijn, zowel t.a.v. de wereld als t.a.v. zichzelf. Naarmate gedurende de jaren op de middelbare school de jongeren de kans gekregen hebben zich in deze zelfstandigheid te oefenen, zullen ze er in de daarop volgende jaren in slagen echt eigen keuzes te maken i.v.m. verdere studie, beroep, en uitbouw van het volwassen leven - keuzes waarin vrijheid en verantwoordelijkheid met elkaar in evenwicht zijn. Uitgangspunt voor het onderwijs in de tweede en derde graad van de middelbare Steinerscholen : deze globale doelstelling - ontwikkeling tot vrije en verantwoordelijke volwassenen - realiseren door middel van de leerprocessen. Het centrale opvoedingsprincipe in de tweede en derde graad is dat van het streven naar waarheid. Elk leerstofonderdeel, mits met bezieling en deskundigheid gebracht, kan voor de puber/adolescent (33) aanknopingspunt zijn voor de verschillende facetten van het zich ontwikkelende oordeelsvermogen. In samenhang met de hoger genoemde opdeling in denk-, gevoels-, en doe-puberteit, moet nog het volgende aangestipt worden. Zonder te willen schematiseren in deze voor elke puber/adolescent in wezen individuele ontwikkelingsgang, is het curriculum opgebouwd en georganiseerd rond deze verschillende fasen van de pubertei/adolescentie. In de tweede graad ligt bij aanvang het accent op het zoeken naar houvast in de wetmatigheden van het denken; de derde graad oriënteert zich meer naar zelfstandigheid en evenwicht in het gevoelsleven. Zoals het middelbaar onderwijs nu georganiseerd is, vallen echter de laatste jaren van de adolescentie eigenlijk deels buiten het bestek van deze beschouwingen i.v.m.eindtermen. De doe-puberteit, (34) de periode waarin de jonge mens zich daadwerkelijk moet uiteenzetten met de keuzes en activiteiten die bepalend zullen zijn voor de verdere volwassenheid, valt na de middelbare school. Uiteraard is het toch ook de bedoeling hierop zo goed mogelijk voor te bereiden, evenwel zonder te overhaasten of voorbarige keuzes tot stand te laten komen. Het is voor jongeren van deze tijd niet ongebruikelijk om na de middelbare school enige tijd te werken en/of te reizen om zichzelf de kans te geven verschillende levens- en beroepsgebieden te gaan verkennen. In het curriculum van de Steinerscholen zijn trouwens jaarlijks extra-muros weken opgenomen, waarvan ongeveer de helft klassikaal en ongeveer de helft individueel zijn. 3.3.3. Uitgangspunten voor het curriculum van de 2de en de 3de graad In de middelbare Steinerscholen probeert men in het curriculum zo veel mogelijk uit te gaan van de ontwikkelingsfases van de leerlingen, jaar per jaar bekeken. Deze ontwikkelingsgang van de jongere kan zowel voor het denken als voor het voelen en het willen worden uitgetekend. Hier beperken we ons tot de ontwikkeling van het denken. Voor de vakken uit de basisvorming, waar nu eindtermen voor voorliggen, is de denkontwikkeling immers richtinggevend. In het eerste leerjaar van de tweede graad zijn de jongeren verbonden met de wereld van de voorwerpen en de dingen. Deze bezitten immers een absolute objectiviteit, ze spelen zich af buiten de mens. De taal is er nog afbeelding van de werkelijkheid en in de vreemde talen heerst er een grote nood aan vertalingen : een woord moet immers verwijzen naar een ander woord. Het typische 'denkgebaar' van dit leerjaar is de causaliteit (als... dan...). Het causaliteitsdenken wordt ontwikkeld in de wiskunde en wetenschappen, maar ook in de geschiedenislessen. In de talen is de grammatica het skelet dat de jongeren bij zichzelf moeizaam ontwikkelen. Dit skeletmatige komt ook terug in de P.O.-lessen bij het wit/zwarttekenen en in de lessen fysica bij de bewegingsleer. Het tweede leerjaar van de tweede graad is het leerjaar van de ontmoeting, niet alleen van mens tot mens, maar ook geografisch en lichamelijk. De leerlingen (her)ontdekken er de ruimte rondom zichzelf, maar ook het eigen lichaam. In de taalontwikkeling gaat de aandacht naar de figuur van de metafoor. Het typische denkgebaar van dit leerjaar is dan ook het beeldende, imaginatieve denken. Het causale denken moet natuurlijk worden voortgezet en verder worden ontwikkeld, maar het hoofdaccent komt toch telkens op iets anders te liggen. In de geschiedenis werkt men vanuit historische bronnen en het leren kennen van de geografische, klimatologische enz. omgeving toe naar een begrip van de bestudeerde tijden en volkeren. In de aardrijkskunde wordt de atmosfeer bestudeerd, als eerste, belangrijke omhulling van de mens, gevolgd door begrippen als biosfeer en ecologie. In de Nederlandse literatuur staat de hoofse lyriek op het programma, met nieuwe vormen van omgang tussen mensen, tussen man en vrouw. In het eerste leerjaar van de derde graad staat het begrip ontwikkeling centraal. Daarmee wordt bedoeld : alles wat zich in tijdsprocessen afspeelt, bijvoorbeeld de levensloop van de leerlingen zelf. Het beste voorbeeld hiervoor is natuurlijk het Parcivalverhaal : een zoektocht met veel vallen en opstaan en met als verrassend knooppunt dat het einddoel niet in jezelf ligt, maar opnieuw bij de ander. De leerlingen van deze leeftijd vragen zich af waar hun eigen plaats is in de wereld en in de kosmos. Ze trachten een verbinding tussen innerlijk en uiterlijk tot stand te brengen. Het denkgebaar van dit leerjaar, is het denken in levendige begrippen. Voor het eerst wordt een echt gesprek over begrippen mogelijk. De leerlingen leren ervaren hoe ruim, levendig, enz. een begrip wel kan zijn. In de wiskunde wordt het begrip 'oneindig' uitgediept. In Nederlands en vreemde talen gaat het over abstracte begrippen als liefde, vriendschap, religiositeit, trouw, dood, enz. Veel aandacht gaat naar het bestuderen en beleven van theaterteksten, aangezien op die manier deze begrippen een levendige verbinding met een (fictieve) werkelijkheid krijgen. In het tweede leerjaar van de derde graad gaat het er ten slotte om een geheel te leren ontdekken. Het typische denkgebaar van dit leerjaar is het globale denken, m.a.w. het denken in grote samenhangen. In de lessen Nederlands en vreemde talen worden overzichten gegeven van de literatuur, vaak in nauwe samenhang met wat in de lessen geschiedenis wordt behandeld. In de aardrijkskunde wordt getracht een beeld te schetsen van de samenhang tussen fysieke omgeving en bevolking. In de biologie komen de evolutie van de mens en het mensbeeld aan bod. In de chemie krijgen zowel het corpusculaire model als een meer fenomenologische benadering van de chemische stoffen aandacht. 3.4. Leerstof als ontwikkelingsstof : de eigen pedagogische methode Zoals reeds gesteld is in de Steinerpedagogie niet de opleiding maar de opvoeding de primordiale doelstelling. Dat is echter geen reden om 'leerstof - hier te verstaan als aangeboden inhouden, vaardigheden en processen samen - onbelangrijk te vinden, iets waar minder aandacht naar kan gaan. Integendeel. Juist omdat leerstof het middel is om het opvoedingsideaal mee te bereiken, is leerstof zo uitermate belangrijk. (35) Rudolf Steiner heeft in zijn voordrachten over de pedagogie herhaaldelijk de leeftijdsfasen van het kind aangehaald als richtsnoer voor het kiezen van de leerstof. Hij heeft in zijn werken de wetmatigheden van de ontwikkeling van een kind vrij nauwkeurig trachten te beschrijven. De keuze van de leerstof in de verschillende leerjaren en vakken is daarop afgestemd. De Steinerscholen hebben daar internationaal nu zo'n 80 jaar ervaring mee. Bovenstaande is ook de fundamentele reden waarom de Steinerscholen het zo moeilijk hebben met eindtermen die door de overheid worden opgelegd. Deze eindtermen zijn opgesteld volgens een ander principe : niet volgens de ontwikkelingsfasen van het kind en de jongere, maar volgens een rationele ontplooiing van vakgebieden. In de Steinerpedagogie dient het op school aangeboden curriculum als ondersteuning van het natuurlijke fysieke, psychische en geestelijke ontwikkelingsproces van het kind en de jongere. Als we deze stelling werkelijk ernstig nemen, dan kan men echter niet anders dan de keuze van de juiste leerstof uitermate belangrijk vinden. Voor elk leerjaar zijn er bepaalde thema's die onderling samenhangen, vaak echter op subtiele wijze, die de kern van de Steinerpedagogie vormen in de hogere jaren van het secundair onderwijs. De vraag is dan 'methodisch' : hoe moet men met die leerstof omgaan opdat zij tot ontwikkeling van de jongeren zou leiden ? Een eerste houvast is de vereiste dat leerlingen zich innerlijk met de leerstof uiteenzetten, wil deze leerstof tot innerlijke ontwikkeling dienen. Hier ontstaat een innige verbinding tussen leerstofkeuze en methode die de Steinerpedagogie eigen is, en leidt tot onverzoenbaarheid met de overheidseindtermen. Hoe bereikt men dat de leerlingen zich innerlijk met de leerstof uiteenzetten ? Het is daarvoor niet voldoende om de stof in de klas behandeld te hebben. De leerkracht moet eisen dat de leerlingen iets doen met die leerstof. De activiteiten 'studie' en 'oefenen' zijn daarbij onontkoombaar. Beide zijn voor de ontwikkeling van de wil van cruciaal belang. Via de wil wordt dan het denken ontwikkeld en via het denken het voelen. De wil heeft echter een motief nodig om te kunnen werken. Hier ligt een bijzonder voordeel van de benadering van de Steinerscholen en wel op twee vlakken. Aangezien de Steinerpedagogie de leerstof afstemt op de fasen van innerlijke ontwikkeling van het kind en de jongere, kunnen de Steinerscholen op het gepaste moment dié leerstofonderdelen aanbieden waarmee de wil van de leerling zich kan verbinden. Op zichzelf is echter het curriculum volgens deze ontwikkelingsfasen niet genoeg. Een andere vereiste opdat de wil een motief zou vinden om tot studie te komen, is de kunstzinnige manier waarop met de leerstof wordt omgesprongen, zodat ook een gevoelsverbinding tot stand kan komen. Nadat het interessevuur van de leerlingen is aangewakkerd, moeten de leerlingen de leerinhouden ook verwerven, en zich zo ver als voor ieder van ben persoonlijk mogelijk is met de leerprocessen uiteenzetten. Daar is een grote wilsinspanning voor nodig. Uit de gerichtheid op 'opvoeding' en 'ontwikkeling' blijkt dat de Steinerpedagogie niet te rijmen is met een behavioristische benadering van het onderwijs. Doelstellingen die neergeschreven zijn in de vorm van 'gedragsomschrijvingen of -veranderingen' (kunnen verwoorden, kunnen opsommen, kunnen gebruiken, enz.) komen in de eerste plaats dan ook vreemd over. Nochtans zullen we ook in de ter vervanging voorgestelde eindtermen deze op gedrag afgestemde terminologie gebruiken, omdat zij de eigenlijke onderwijsdoelstellingen van de Steinerpedagogie via het zelf doen niet in de weg staat. Het is inderdaad zo dat leerlingen bepaalde dingen moeten kunnen, vooraleer men met zekerheid kan zeggen dat ze de gewenste ontwikkeling ook echt hebben doorgemaakt. Deze ontwikkeling blijft de primordiale doelstelling : de doelstellingen uit de eindtermen zijn hierbij ondersteunend. HOOFDSTUK 4. - Onverzoenbaarheid en onvoldoende ruimte Reeds heel veel zal duidelijk geworden zijn over de redenen waarom er onverzoenbaarheid bestaat met en onvoldoende ruimte gelaten wordt voor de Steinerpedagogie door de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen 2de en 3de graad S.O. Uitdrukkelijk willen we hier nogmaals verwijzen naar de pedagogische beschrijving van de derde ontwikkelingsfase. Artikel 6ter van de Wet van 29 mei 1959 en artikel 9 van het Decreet van 9 januari 2002 (Themadecreet) geven inrichtende machten de mogelijkheid te oordelen dat de (36) vastgelegde ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen en/of ermee onverzoenbaar zijn. Een inrichtende macht moet daartoe precies aangeven waarom de ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen onvoldoende ruimte laten voor en/of waarom ze onverzoenbaar zijn met het eigen pedagogisch project. In art. 6ter , § 2, 2°, resp. art. 9, § 2 wordt tevens gesteld dat de voorgestelde inhouden enkel in hun geheel evenwaardig moeten zijn met de inhouden conform art. 6bis , resp. art. 4. Het komt er dus niet op aan aan te tonen waarom bepaalde eindtermen onvoldoende ruimte laten of onverzoenbaar zijn, maar men moet aantonen waarom het geheel van de ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen onvoldoende ruimte laten of onverzoenbaar zijn. Hiermee doet de afwijkingsprocedure recht aan het feit dat de ontwikkelingsdoelen en eindtermen een coherent geheel vormen. Dat de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen in hun geheel zullen beoordeeld worden, respecteert dan weer het feit dat ook deze een coherent geheel vormen, doch deze coherentie ontlenen aan andere pedagogische en onderwijskundige opvattingen. Toch kan een verwijzing naar concrete eindtermen de onverzoenbaarheid illustreren. Hieruit mag geenszins afgeleid worden dat de onverzoenbaarheid herleid mag worden tot een tastbaar aantal concrete eindtermen. Hoewel de onverzoenbaarheid en de onvoldoende ruimte nauw met elkaar zijn verbonden, trachten we ze hier toch eerst afzonderlijk te behandelen. 4.1. Onvoldoende ruimte Dit probleem ontstaat vooral doordat de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen een coherent geheel. vormen waarmee, uitgaande van bepaalde opvattingen over wat 'minimaal' of 'essentieel' is, een welbepaald doel moet worden gerealiseerd. Nog scherper wordt dit per vakgebied, waar vanuit een bepaald vak-concept uitgegaan wordt van een relatief duidelijke opvatting over reikwijdte, doel, inhoud, benadering en belang. Op basis hiervan zijn dan de concrete eindtermen geformuleerd. 4.2. Onverzoenbaarheid Onverzoenbaarheid betekent dat er inhoudelijke tegenstellingen bestaan die te maken hebben met een verschil in uitgangspunten. Zoals hiervoor reeds aangetoond is het zo dat, in de mate men eindtermen gedetailleerder en omvangrijker wil formuleren, een bepaalde pedagogische en/of onderwijskundige opvatting op de voorgrond zal treden als referentiekader voor de te maken keuzes. Deze …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.