{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-173\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 173</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar van de Diensten van het Verenigd College of van de betrokken instelling van openbaar nut, of een raadsman, wordt in elke zaak aangeduid door de Directieraad waarvan de stagiair of de ambtenaar afhangt om de bestreden straf te verdedigen. Deze ambtenaar of deze raadsman mag niet deelnemen aan de beraadslagingen. De in artikel 176 bedoelde beslissing vermeldt dat dit verbod werd geëerbiedigd. Art. 174.De raad van beroep kan aanvullende onderzoeken bevelen en daartoetwee assessorenafvaardigen. Deze assessoren worden gekozen, de ene uit de leden aangewezen door de overheid, de andere uit de leden aangewezen door de vakorganisaties. Art. 175.De verzoeker heeft het recht één of meerdere assessoren te wraken. Dit recht mag slechts één enkele keer voor eenzelfde zaak worden uitgeoefend en mag er niet toe leiden dat het aantal assessoren minder dan vier bedraagt De secretaris stelt de verzoeker, overeenkomstig de bepalingen in artikel 19, § 7 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeen-schapscommissie van Brussel-Hoofdstad, in kennis van de lijst van de effectieve en de plaatsvervangende assessoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een termijn van acht dagen vanaf de kennisgevinging van de lijst, stuurt de verzoeker deze, overeenkomstig de bepalingen in artikel 19, § 7 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, terug naar de secretaris, met aanduiding van de naam van de assessoren die hij wraakt. Het wrakingsverzoek vermeldt de redenen waarom geloofd wordt dat de assessor niet onpartijdig zal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de in het derde lid bepaalde termijn, wordt de verzoeker geacht af te zien van zijn recht op wraking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooraleer de grond van de zaak te behandelen beslist de voorzitter of er reden is om het wrakingsverzoek in te willigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lid van de raad van beroep dat vaststelt dat er ten aanzien van hem een wrakingsreden bestaat, onthoudt zich op eigen initiatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter wraakt bovendien elke assessor die hij als partijdig zou kunnen beschouwen. Afdeling 3. - Uitspraak van de straf in beroep</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-176\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 176</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na afloop van de beraadslagingen, geeft de raad de ambtenaar kennis van zijn beslissing binnen de termijn voorzien in artikel 19, § 7 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeen-schapscommissie van Brussel-Hoofdstad. De straf die door de raad wordt uitgesproken, mag niet zwaarder zijn dan deze die in eerste aanleg werd uitgesproken TITEL XI. - Schorsing in het belang van de dienst HOOFDSTUK I. - Feiten die kunnen aanleiding geven tot een schorsing in het belang van de dienst Art. 177.Wanneer een ambtenaar vervolgd wordt, hetzij strafrechtelijk, hetzij tuchtrechtelijk wegens een ernstig vergrijp waarbij de betrokkene op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen voorhanden zijn die verantwoorden dat er een tuchtstraf wordt opgelegd, en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, kan hij preventief worden geschorst als maatregel van orde. Art. 178.De bepalingen van deze titel gelden eveneens voor de stagiairs. HOOFDSTUK II. - Bevoegde overheid Art. 179.De overheid die, krachtens artikel 170, bevoegd is om een tuchtstraf uit te spreken, is tevens bevoegd om een schorsing in het belang van de dienst uit te spreken. HOOFDSTUK III. - Procedure Art. 180.De schorsing in het belang van de dienst kan slechts worden uitgesproken nadat de betrokken ambtenaar vooraf door de in artikel 179 bedoelde overheid gehoord is over de feiten die hem ten laste worden gelegd. De ambtenaar wordt minstens 5 dagen voor de hoorzitting opgeroepen, doormiddel van een kennisgeving en moet tijdens deze termijn toegang hebben tot de stukken van het dossier. De oproeping vermeldt deze feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar wegens overmacht niet kan worden gehoord, kan hij zich door een persoon naar eigen keuze laten vertegenwoordigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verhoor vindt plaats uiterlijk vijftien dagen nadat de overheid kennis heeft genomen van de ten laste gelegde feiten. Art. 181.De schorsingsbeslissing wordt ter kennis gesteld volgens de in artikel 19, § 7 het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad bedoelde regels. Bij gebrek aan kennisgeving van de beslissing binnen vijftien dagen te rekenen van het in artikel 180 bedoelde hoorgesprek, wordt deze geacht te zijn ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval kan de overheid geen nieuwe schorsing in het belang van de dienst uitspreken op basis van dezelfde feiten. HOOFDSTUK IV. - Duur en gevolgen van de schorsing in het belang van de dienst Art. 182.§ 1. De schorsing in het belang van de dienst wordt uitgesproken voor een periode van ten hoogste zes maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van strafrechtelijke vervolging kan de overheid deze termijn verlengen met opeenvolgende perioden van ten hoogste zes maanden tot aan de kennisname van de rechterlijke eindbeslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtoverheid is ertoe gehouden zich op de hoogte te stellen met betrekking tot de uitkomst van deze beslissing. § 2. Als er binnen de in § 1 bedoelde termijnen geen tuchtstraf is uitgesproken, worden alle gevolgen van de schorsing in het belang van de dienst opgeheven. Art. 183.De ambtenaar die in het belang van de dienst is geschorst, kan het recht worden ontzegd om zijn aanspraken op bevordering en op verhoging in wedde te doen gelden en het voorwerp zijn van een vermindering van zijn wedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde vermindering van wedde mag evenwel niet meer bedragen dan deze bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. HOOFDSTUK V. - Beroep Art. 184.De in artikel 16 van dit besluit bedoelde raad van beroep neemt kennis van de beroepen ingesteld tegen de beslissingen in verband met de schorsing in het belang van de dienst en met de in artikel 183 bedoelde maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beroepsprocedure is die welke voor de beroepen in tuchtzaken geldt. HOOFDSTUK VI. - Einde van de schorsing in het belang van de dienst Art. 185.Wanneer een tuchtstraf met inhouding van wedde wordt uitgesproken tegen een ambtenaar die in het belang van de dienst werd geschorst met vermindering van wedde, heeft de tuchtstraf, in afwijking van artikel 166, § 1, tweede lid, uitwerking ten vroegste met ingang van de dag waarop de schorsing in het belang van de dienst in werking treedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval wordt de duur van de schorsing in het belang van de dienst aangerekend op de duur van de tuchtschorsing. Het bedrag van de tijdens de tuchtschorsing ingehouden wedde wordt afgetrokken van het bedrag van het verlies van wedde dat met de tuchtschorsing gepaard gaat. Als het bedrag van de ingehouden wedde hoger is dan het bedrag van het verlies van wedde dat met de tuchtschorsing gepaard gaat, wordt het verschil door de overheid aan de ambtenaar terugbetaald. Art. 186.Nadat de in artikel 181 bedoelde beslissing is genomen worden de bij toepassing van artikel 183 genomen maatregelen ingetrokken door beslissingen die terugwerken tot de dag met ingang waarvan die maatregelen uitwerking hebben gehad, behalve : 1° indien tot besluit van dat onderzoek de ambtenaar afgezet wordt;2° voor de periode van schorsing in het belang van de dienst aangerekend op de duur van de tuchtschorsing bij toepassing van artikel 185, tweede lid. TITEL XII. - Verloven en administratieve standen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 187.De ambtenaar bevindt zich in een van de volgende standen : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° disponibiliteit. Art. 188.De ambtenaar wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht in dienstactiviteit te zijn behoudens uitdrukkelijke bepaling die hem hetzij van rechtswege, hetzij bij beslissing van de bevoegde overheid, in een andere administratieve stand plaatst. HOOFDSTUK II. - Dienstactiviteit Afdeling 1. - Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-189\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 189</span><span class=\"lf-art-t\">Behoudens uitdrukkelijke andersluidende bepaling heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht op wedde en op bevordering tot een hogere weddeschaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof, dienstvrijstelling of inhaalrust te hebben gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar in actieve dienst kan zijn aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 188, de eerste en tweede leden van dit artikel en artikel 190 zijn eveneens van toepassing op de stagiairs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-190\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 190</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar in dienstactiviteit krijgt verlof onder meer : 1° voor jaarlijkse vakantie en op de feestdagen, omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof;2° voor moederschapsbescherming;vaderschapsverlof; 3° ouderschapsverlof, voor opvang met het oog op adoptie of pleegvoogdij of plaatsing in een onthaalgezin naar aanleiding van een rechterlijke beslissing;4° om dwingende redenen van familiaal belang;5° wegens ziekte;6° voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;7° voor verminderde prestaties om medische redenen;8° om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen of om een politiek mandaat uit te oefenen;9° voor sociale promotie en om deel te nemen aan vormingsactiviteiten;10° wegens opdracht;11° voor vakbondsopdrachten;12° voor werkzaamheden bij een politieke groep die erkend is in een wetgevende vergadering van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, respectievelijk bij de voorzitter van een van die groepen;13° om een ambt uit te oefenen bij het kabinet van een federale minister of staatssecretaris, of bij het kabinet van een regeringslid van een Gemeenschap of een Gewest of bij het kabinet van een lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Colleges van de Vlaamse of Franse Gemeenschapscommissies;14° voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de civiele bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wet van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden;15° om een stage te vervullen bij een andere openbare dienst;16° om medische of humanitaire redenen Behoudens andersluidende bepaling worden de verloven toegekend door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-191\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 191</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behalve inzake ziekteverlof bedoeld in artikel 190, 5°, kan de ambtenaar in beroep gaan bij de in artikel 16 bedoelde raad, wanneer hij niet akkoord gaat met een beslissing inzake verlof Hij beschikt, voor het instellen van zijn beroep, over een termijn van vijftien dagen ingaande op de datum waarop hij in kennis werd gesteld van de beslissing tot afwijzing. Afdeling 2. - Verloven voor jaarlijkse vakantie en op de feestdagen, omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof Art. 192.Het jaarlijks verlof bedoeld in artikel 190, 1°, is vastgesteld op 35 werkdagen. De ambtenaar geniet een bijkomende jaarlijkse vakantie van één werkdag na vijf jaar dienstanciënniteit en twee werkdagen na tien jaar dienstanciënniteit. Art. 193.De vakantiedagen worden opgenomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken periode van ten minste tien werkdagen vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dagen worden opgenomen binnen het kalenderjaar. Nadere regels voor de overdracht naar het volgende kalenderjaar van onbestede vakantiedagen kunnen door het arbeidsreglement worden vastgesteld. Art. 194.De ambtenaar heeft het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, vier werkdagen verlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder personen die onder hetzelfde dak wonen, wordt verstaan : de echtgenoot, de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, een bloedverwant hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de persoon met wie hij samenleeft, een persoon opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar moet een medisch attest voorleggen ter staving van : 1° de ernst van de ziekte of het ongeval;2° de dwingende noodzakelijkheid van de aanwezigheid van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-195\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 195</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar de in artikel 194, eerste lid, bedoelde vier werkdagen heeft opgebruikt of indien hij volledig de werkdagen waarin artikel 192 voorziet heeft opgebruikt, heeft hij recht op twee bijkomende werkdagen om dezelfde redenen en onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in artikel 194</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-196\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 196</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantie. Deze laatste wordt in evenredige mate verminderd : 1° wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt;2° wanneer hij tijdens het jaar verlof bekomt : a) om een stage te vervullen bij een andere overheidsdienst, zoals bedoeld in artikel 190, 15° ;b) om kandidaat te zijn voor de parlements-, gewest-, provincie-, gemeente-, of Europese raadsverkiezingen, zoals bedoeld in artikel 190, 8° ;c) om dwingende redenen van familiaal belang, zoals bedoeld in artikel 190, 4° ;d) wegens halftijdse vervroegde uittreding, zoals bedoeld in artikel 240, 2° ;e) met toepassing van de vrijwillige vierdagenweek, zoals bedoeld in artikel 240, 1° ;f) voor onderbreking van de beroepsloopbaan, zoals bedoeld in artikel 241;g) wegens opdracht, zoals bedoeld in artikel 190, 10°. De afwezigheden waarbij de ambtenaar in non-activiteit of in disponibiliteit is geplaatst, geven eveneens aanleiding tot een evenredige vermindering van de vakantie. Het aldus berekende aantal vakantiedagen bedraagt steeds een hele of een halve dag. De afronding gebeurt naar de hogere halve of hele dag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-197\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 197</span><span class=\"lf-art-t\">Het jaarlijks verlof bedoeld in artikel 190, 1° wordt opgeschort bij ziekte voor zover de geneeskundige controle mogelijk is</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-198\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 198</span><span class=\"lf-art-t\">De feestdagen bedoeld in artikel 190, 1° zijn de wettelijke feestdagen, 2 en 15 november en 26 december</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid vermelde verlofdagen die samenvallen met een zaterdag of een zondag, worden ambtshalve gecompenseerd door een verlof van 27 december tot en met 31 december.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die krachtens de arbeidsregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst verplicht is te werken op één van de in het eerste lid bedoelde dagen of gedurende de in het tweede lid bedoelde periode, bekomt vervangende verlofdagen die genomen kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij definitieve ambtsneerlegging of inpensioenstelling vóór de in het tweede lid bedoelde periode, heeft de ambtenaar recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal feestdagen die samenvielen met een niet-werkdag in de periode dat hij nog in dienst was. Deze kunnen onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof worden genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-199\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 199</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het omstandigheidsverlof, vermeld in artikel 190, 1°, wordt toegekend, binnen de hiernagestelde perken, naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen : 1° huwelijk van de ambtenaar of inschrijving in het bevolkingsregister van het contract van wettelijke samenwoning : 4 werkdagen;2° bevalling van de echtgenote of de persoon met wie de ambtenaar samenleeft of wiens kind het voorwerp uitmaakt, uit hoofde van de ambtenaar, van een erkenning, mits het voorleggen van een attest : 14 werkdagen;3° overlijden van de echtgenoot(ote) of van de persoon met wie de ambtenaar samenleefde : 4 werkdagen;4° overlijden van een bloedverwant in de eerste graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot, hetzij van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft : 4 werkdagen;5° huwelijk of inschrijving in het bevolkingsregister van het contract van wettelijke samenwoning van een kind van de ambtenaar of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft : 2 werkdagen;6° onder voorbehoud van het onder punt 4° voorziene verlof, overlijden van een bloedverwant in om het even welke graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot, hetzij van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, maar onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen;7° overlijden van een bloedverwant in de tweede graad van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of de persoon met wie de ambtenaar als koppel samenleeft maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen;8° overlijden van een bloedverwant in de derde graad van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of de persoon met wie de ambtenaar als koppel samenleeft maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 1 werkdag;9° geboorte van een kleinkind van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of de persoon met wie de ambtenaar als koppel samenleeft : 1 werkdag Indien de gebeurtenis zich voordoet tijdens een periode van deeltijdse arbeid, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlofdagen zoals vermeld in 7°, 8° en 9° kunnen opgesplitst worden in halve dagen. Afdeling 3. - Verlof voor moederschapsbescherming</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-200\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 200</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verschuldigde bezoldiging voor de periode gedurende welke de vrouwelijke ambtenaar bevallingsverlof geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of negentien weken in geval van meervoudige geboorte De periodes van afwezigheid wegens ziekte die te wijten zijn aan de zwangerschap gedurende de vijf weken die vallen voor de zevende dag welke de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat, worden voor het bepalen van de administratieve stand van de vrouwelijke ambtenaar veranderd in bevallingsverlof. Dit lid is eveneens van toepassing op de periodes van afwezigheid wegens ziekte die te wijten zijn aan de zwangerschap gedurende de zeven weken die, in geval van geboorte van een meerling, vallen vóór de zevende dag welke de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de vrouwelijke ambtenaar het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum gebeurt, wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Tijdens deze periode bevindt de vrouwelijke ambtenaar zich in bevallingsverlof. In afwijking van het eerste lid is de bezoldiging verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeids wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden, de volgende afwezigheden gedurende de zes weken of, in geval van de geboorte van een meerling, gedurende de acht weken die vallen vóór de zevende dag welke aan de werkelijke bevallingsdatum voorafgaan : 1° de in artikel 190, 1°, bedoelde verloven;2° het in artikel 190, 4°, bedoelde verlof om dwingende redenen van familiaal belang;3° de afwezigheden wegens ziekte met uitsluiting van de afwezigheden bedoeld in het tweede lid. Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, verlengd met één week, wanneer de vrouwelijke ambtenaar afwezig is geweest wegens ziekte gedurende de ganse periode vanaf de zesde week voorafgaand aan de werkelijke datum van de bevalling, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van geboorte van een meerling wordt, op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar, de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd, met een periode van maximaal twee weken verlengd. De bezoldiging voor deze verlenging van de postnatale rust mag niet meer dan één week bestrijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwangere of borstgevende ambtenaren mogen geen overuren verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als overuren dienen, voor de toepassing van dit lid, te worden beschouwd, alle werk opgelegd bovenop de 38 uren week.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die, met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeids wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten en van artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector is vrijgesteld van arbeid, wordt ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing in geval van miskraam vóór de 181e dag van de zwangerschap. Art. 201.Als de moeder van het kind overlijdt bij de bevalling of tijdens het moederschapsverlof of als zij in het ziekenhuis wordt heropgenomen, verkrijgt de vader van het kind of de ambtenaar waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft, op eigen verzoek, een verlof ter vervanging van het moederschapverlof om in de opvang van het kind te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van overlijden van de moeder is de duur van het verlof ter vervanging van het moederschapverlof ten hoogste gelijk aan de duur van het bevallingsverlof dat de moeder nog niet opgebruikt had. De ambtenaar die vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft en die het verlof ter vervanging van het moederschapverlof wenst te genieten stelt daar schriftelijk de leidend ambtenaar van op de hoogte binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof ter vervanging van het moederschapverlof. Hij legt zo spoedig mogelijk een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van hospitalisatie van de moeder kan de ambtenaar die vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft, een verlof ter vervanging van het moederschapverlof krijgen onder de volgende voorwaarden : 1° de pasgeborene moet het ziekenhuis verlaten hebben;2° de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren. Het verlof ter vervanging van het moederschapverlof kan niet aanvangen voor de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en moet beëindigd zijn op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van het bevallingsverlof dat door de moeder nog niet was opgebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die de vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft en die het verlof ter vervanging van het moederschapverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de leidend ambtenaar van op de hoogte. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de vader van het kind of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft het verlof bedoeld in dit artikel verkrijgt, heeft hij geen recht meer op het verlof bedoeld in artikel 199, eerste lid, 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verpleeginrichting moet opgenomen blijven, kan, op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar, de postnatale rustperiode worden verlengd met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verpleeginrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert : 1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verpleeginrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verpleeginrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met de vermelding van de duur van de opname;2° in voorkomend geval, een nieuw getuigschrift van de verpleeginrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit de bepalingen van dit lid, waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verpleeginrichting nog niet heeft mogen verlaten en met de vermelding van de duur van de opname. De bezoldiging voor de in het vorige lid bedoelde verlenging van de postnatale rust mag niet meer dan vierentwintig weken bestrijken. Art. 202.§ 1. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden of melk af te kolven tot zeven maanden na de geboorte van het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de gezondheidstoestand van het kind en voor zover één en ander blijkt uit een medisch getuigschrift, kan de totale duur tijdens welke de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op borstvoedingspauzes, met maximum twee maanden worden verlengd. § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één of twee keer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van borstvoedingspauze(s) is bij de duur van de prestaties van de werkdag begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouwelijke ambtenaar dient met de overheid waaronder zij ressorteert overeen te komen op welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen. Bij ontstentenis van een akkoord vallen de borstvoedingspauzes onmiddellijk vóór of na de in het arbeidsreglement bepaalde rusttijden. § 3. De vrouwelijke ambtenaar die wenst de borstvoedingspauzes te genieten brengt schriftelijk twee weken op voorhand de overheid waaronder zij ressorteert hiervan op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van de vrouwelijke ambtenaar, geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, Office de la Naissance et de l'enfance of Dienst für Kind und Familie) of door een medisch getuigschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadien bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan. Afdeling 4. - Ouderschapsverlof, voor opvang met het oog op adoptie of pleegvoogdij of plaatsing in een onthaalgezin naar aanleiding van een rechterlijke beslissing Art. 203.Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van een kind of de plaatsing van een kind in een opvanggezin in het kader van de pleegzorg, maximum drie maanden ouderschapsverlof, zoals bedoeld in artikel 190, 3°, toegestaan. Dit verlof moet genomen worden voor het kind de leeftijd van 10 jaar heeft bereikt. Het verlof mag enkel gesplitst worden in maanden en genomen worden met volledige dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ouderschapsverlof wordt niet vergoed. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Art. 204.§ 1. De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximumduur van het verlof bedraagt zes weken. Het verlof kan in weken worden gesplist en dient uiterlijk binnen de vier maanden na de opname van het kind in het gezin van de ambtenaar te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de ambtenaar kunnen ten hoogste drie weken van dit verlof worden opgenomen vooraleer het kind effectief in het gezin werd opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal, overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die het verlof wenst te genieten deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar dient volgende documenten voor te leggen : 1° een attest, uitgereikt door de Gemeenschap, waarbij de toewijzing van het kind aan de ambtenaar wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste drie weken te verkrijgen vooraleer het kind in het gezin wordt opgenomen;2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt, om het resterend verlof te kunnen opnemen. § 2. De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op pleegvoogdij. Hij kan eveneens dit verlof krijgen wanneer hij een minderjarige in zijn gezin opneemt, ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een onthaalgezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximumduur van het verlof bedraagt vier weken, indien het opgenomen kind ouder is dan drie jaar, en zes weken, indien het die leeftijd nog niet heeft bereikt. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan in weken worden gesplist; het dient uiterlijk binnen de vier maanden na de opname van het kind in het gezin van de ambtenaar te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal, overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag. § 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde verloven worden bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 5. - Verlof om dwingende redenen van familiaal belang</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-205\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 205</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met een maximum van vijfenveertig werkdagen per kalenderjaar, kan de ambtenaar verlof krijgen wegens dwingende redenen van familiaal belang, zoals bedoeld in artikel 190, 4°, uit hoofde van volgende omstandigheden : 1° ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;2° de opvang van zijn/haar kinderen of kleinkinderen jonger dan 18. Deze leeftijdsgrens is echter niet van toepassing op kinderen of kleinkinderen die als gehandicapt erkend zijn; 3° het verlies van zelfredzaamheid van bloedverwanten in opgaande lijn in de eerste en de tweede graad, onder hetzelfde dak wonend of niet. Indien het verlof wegens dwingende familiale redenen tijdens een periode van deeltijdse arbeid genomen wordt, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd Dit verlof is niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Afdeling 6. - Ziekteverlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-206\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 206</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens zijn volledige loopbaan heeft de ambtenaar, die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, recht op ziekteverlof, bedoeld in artikel 190, 5°, tot maximum eenentwintig werkdagen per twaalf maanden dienstanciënniteit. Als hij nog geen 36 maanden in dienst is, wordt zijn wedde hem niettemin gedurende 63 werkdagen gewaarborgd In aanmerking komen ook alle daadwerkelijke prestaties die de ambtenaar in welke hoedanigheid ook verricht heeft, als titularis van ambten met volledige prestaties in een andere overheidsdienst of een onderwijsinstelling, een dienst voor beroepskeuze, een psycho-medisch-sociaal centrum of een medisch-pedagogisch instituut voor zover zij werden opgericht, erkend of gesubsidieerd door de Staat, een Gewest, een Gemeenschap of een Gemeenschapscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar die oorlogsinvalide is wordt het aantal in het eerste lid vastgestelde dagen respectievelijk op 32 en 95 gebracht. Art. 207.§ 1. Het aantal werkdagen, bedoeld in artikel 206, wordt in evenredigheid verminderd, wanneer de ambtenaar tijdens zijn loopbaan verlof heeft gekregen : 1° van arbeidsherverdelende aard, bedoeld in artikel 240;2° om een stage te vervullen in een andere overheidsdienst, bedoeld in artikel 190, 15° ;3° om een opdracht te vervullen, bedoeld in artikel 190, 10° ;4° om kandidaat te zijn bij verkiezingen, bedoeld in artikel 190, 8° ;5° voor onderbreking van de beroepsloopbaan, bedoeld in artikel 241;6° wegens ziekte of gebrekkigheid, bedoeld in artikel 190, 5°, behalve in geval van een arbeidsongeval of op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte. De ambtenaar die op non-activiteit is geplaatst geweest wegens ongewettigde afwezigheid, is onderworpen aan dezelfde regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het aldus berekende aantal dagen ziekteverlof geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel de werkdagen begrepen in de periode van afwezigheid wegens ziekte worden aangerekend. § 2. Verlof wegens ziekte maakt geen einde aan de in de artikelen 240 en 241 bedoelde verloven, noch aan verminderde prestaties om persoonlijke redenen, bedoeld in artikel 190, 6°.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar blijft de voor zijn verminderde prestaties verschuldigde wedde ontvangen. § 3. Wanneer de ambtenaar deeltijdse prestaties verricht, worden de afwezigheden wegens ziekte aangerekend op het aantal verlofdagen waarop hij recht heeft, naar rata van de te verrichten prestaties. Als het totale aantal aldus verrekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is, worden de gedeelten van een dag niet meegeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar die deeltijdse prestaties verricht, worden als dagen ziekteverlof de dagen afwezigheid aangerekend tijdens welke de ambtenaar prestaties diende te verrichten. § 4. Het verlof wegens ziekte wordt tijdelijk onderbroken tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang, bedoeld in artikel 190, 4°. De dagen verlof om dwingende redenen die samenvallen met een ziekteverlof worden niet als ziekteverlofdagen beschouwd. § 5. In afwijking van artikel 206 en van § 4, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van : 1° een arbeidsongeval;2° een ongeval op de weg van en naar het werk;3° een beroepsziekte. Bovendien komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen die de ambtenaar overeenkomstig artikel 206 nog kan krijgen, zelfs niet na de datum van consolidatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren die door een beroepsziekte bedreigd worden en die, onder de door de Minister vastgestelde voorwaarden, daardoor tijdelijk ophouden hun ambt uit te oefenen, worden ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. § 6. De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de schuld van een derde dat geen ongeval is als bedoeld in § 5, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen die de ambtenaar nog krachtens artikel 206 kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde is toegewezen en dat als grondslag dient voor de indeplaatsstelling van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. § 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar verminderde prestaties verricht die gespreid zijn over alle werkdagen, wordt het ziekteverlof aangerekend pro rata van het aantal uren dat hij gedurende zijn afwezigheid had moeten presteren. Indien het aldus berekende aantal werkdagen geen geheel getal is, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aldus het totaal aantal aangerekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is, wordt het gedeelte van de dag niet meegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar deeltijds verlof geniet op basis van een wettelijke bepaling tot herverdeling van de arbeid in de openbare sector, worden enkel de werkdagen tijdens dewelke hij op basis van een voltijdse werkregeling prestaties had moeten verrichten als ziekteverlof meegerekend. Afdeling 7. - Verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden Art. 208.§ 1. De ambtenaren die houder zijn van een graad die zich bevindt in rang A1 en in de niveaus B, C en D hebben recht op de verminderde prestaties om persoonlijke redenen zoals voorzien in artikel 190, 6°. De houders van een andere graad kunnen eveneens deze verloven genieten, met toestemming van de leidend ambtenaar. De mandaathouders worden van deze verloven uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar moet de helft, twee derden, drie vierden, vier vijfden of negen tienden van de prestaties volbrengen die hem normaal worden opgelegd. Deze prestaties worden ofwel elke dag ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De machtiging om verminderde prestaties te leveren wordt toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden. Verlengingen van ten minste 3 maanden en maximum 24 maanden kunnen worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elke verlenging wordt een aanvraag van het betrokken personeelslid vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van het lopende verlof worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan zijn ambt volledig hervatten voordat de toegestane periode verstrijkt met inachtneming van een opzegperiode van drie maanden tenzij de leidend ambtenaar een kortere periode aanvaardt. § 2. Tijdens de afwezigheidsperiode is de ambtenaar die gebruik maakt van de regeling van verminderde prestaties om persoonlijke redenen op non-activiteit. Hij kan niettemin zijn aanspraken op bevordering doen gelden alsook op de functionele loopbaan, naar rata van de verrichte dienstprestaties. De bevordering tot een hogere graad maakt een einde aan de machtiging tot het uitoefenen van zijn ambt met verminderde prestaties. § 3. De ambtenaar geniet de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wedde van de ambtenaar, die de leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt en de ambtenaar die ten minste twee kinderen die niet de volle leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben ten laste heeft, wordt vermeerderd met het vijfde van de wedde die verschuldigd zou zijn voor de prestaties die niet worden verstrekt. § 4. De machtiging om verminderde prestaties te verrichten wordt opgeschort zodra de ambtenaar één van de volgende verloven bekomt : 1° het bevallingsverlof, vaderschapsverlof, ouderschapsverlof en opvangverlof, bedoeld in artikel 190, 2° en 3° ;2° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang, bedoeld in artikel 190, 4° ;3° het verlof om een stage te vervullen, bedoeld in artikel 190, 15° ;4° om kandidaat te zijn bij verkiezingen, bedoeld in artikel 190, 8° ;5° het verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps Civiele Bescherming, bedoeld in artikel 190, 14° ;6° het verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet, bedoeld in artikel 190, 13° ;7° het verlof voor opdracht, bedoeld in artikel 190, 10° : 8° het verlof voor werkzaamheden bij een erkende politieke fractie in een federale wetgevende vergadering of een wetgevende vergadering van een Gemeenschap of een Gewest of bij de voorzitter van één van die groepen, bedoeld in artikel 190, 12°. Afdeling 8. - Verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen Art. 209.Zoals vermeld in artikel 190, 7°, kan de ambtenaar vragen om zijn ambt met verminderde prestaties om medische redenen uit te oefenen : 1° om zich opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen;2° wanneer hij wegens een langdurige medische ongeschiktheid verhinderd is voltijds te werken, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen. De beoordeling van de medische toestand van de ambtenaar en de toekenning van de verminderde prestaties om medische redenen gebeurt door een arts van de medische controledienst. Art. 210.§ 1. De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 1°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verminderde prestaties mogen worden toegestaan voor een periode van één maand. Verlengingen mogen worden toegestaan voor ten hoogste dezelfde periode, indien de medische controledienst oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit wettigt. De bepalingen van artikel 209, tweede lid, zijn van toepassing. § 2. De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 2°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum twaalf maanden, tenzij de arts van de medische controledienst oordeelt dat het nieuw onderzoek vroeger moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlengingen mogen worden toegestaan voor ten hoogste twaalf maanden, indien de medische controledienst bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit wettigt. De bepalingen van artikel 209, tweede lid, zijn van toepassing. § 3. Bij elk onderzoek oordeelt de arts van de medische controledienst of de ambtenaar geschikt is om 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens een lopende periode van verminderde prestaties om medische redenen kan de in § 2 bedoelde ambtenaar een nieuw medisch onderzoek aanvragen bij de medische controledienst met het oog op het aanpassen van zijn arbeidsstelsel. § 4. De verminderde prestaties bedoeld in § 1 worden elke dag verricht, tenzij de arts van de medische controledienst er anders over beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in § 2 bedoelde verminderde prestaties worden verricht volgens een verdeling van de prestaties over de week, conform het advies van de arts van de medische controledienst. Art. 211.§ 1. De dagen dat een ambtenaar afwezig is tijdens deze periode van verminderde prestaties om medische redenen worden beschouwd als verlof. Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die zijn ambt uitoefent met verminderde prestaties om medische redenen, moet niettemin zijn vakantieverlofdagen opnemen met volledige dagen. § 2. De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 1° en 2° geniet zijn volledige wedde voor de eerste drie maanden van de verminderde prestaties om medische redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 2°, geniet vanaf de vierde maand de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties, vermeerderd met 60 % van de wedde die verschuldigd zou zijn voor de prestaties die niet worden verstrekt. § 3. De verminderde prestaties om medische redenen worden opgeschort door : 1° de loopbaanonderbreking;2° de halftijdse vervroegde uittreding;3° de vrijwillige vierdagenweek;4° de verminderde prestaties om persoonlijke redenen;5° de afwezigheid van lange duur om per-soonlijke redenen;6° de verloven in het kader van de moederschapsbescherming;7° het ouderschapsverlof. De machtiging om verminderde prestaties om medische redenen te verrichten, wordt tijdelijk onderbroken tijdens een afwezigheid wegens ziekte, arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte. Art. 212.§ 1. De ambtenaar die verminderde prestaties om medische redenen wenst te genieten, dient het advies verkregen te hebben van de arts van de medische controledienst ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de verminderde prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 1°, dient een geneeskundig getuigschrift en een plan voor reïntegratie voor te leggen van zijn behandelende arts. In het plan voor reïntegratie vermeldt de behandelende arts de vermoedelijke datum van de volledige werkhervatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 2°, dient een omstandig geneeskundig verslag voor te leggen van een geneesheer-specialist. § 2. De arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 256, eerste lid, spreekt zich uit over de medische geschiktheid van de ambtenaar om zijn ambt ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties weer op te nemen. Hij overhandigt zo spoedig mogelijk, eventueel na de behandelende arts bedoeld in artikel 209, tweede lid, te hebben geraadpleegd, zijn bevindingen schriftelijk aan de ambtenaar. § 3. Na de overhandiging van de bevindingen door de arts van de medische controledienst, in het kader van een aanvraag voor verminderde prestaties om medische redenen bedoeld in artikel 209, eerste lid, 1° en 2°, kan de ambtenaar, indien hij niet akkoord gaat met deze bevindingen, vragen dat in gemeen overleg een arts-scheidsrechter wordt aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Elke andere vaststelling blijft beschermd door het beroepsgeheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de ambtenaar, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de arts van de medische controledienst op de hoogte van zijn beslissing. De medische controledienst en de ambtenaar worden onmiddellijk bij een ter post aangetekende brief verwittigd door de arts-scheidsrechter. Art. 213.Indien de medische controledienst van oordeel is dat een ambtenaar geschikt is om zijn ambt terug op te nemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de leidend ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidend ambtenaar nodigt de ambtenaar uit het werk te hervatten en staat hem toe voornoemde verminderde prestaties te verrichten voor zover deze verenigbaar zijn met de vereisten van de goede werking van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar geen gevolg geeft aan deze vraag om het werk te hervatten, wordt hij in non-activiteit geplaatst. Afdeling 9. - Verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen of om een politiek mandaat uit te oefenen Art. 214.De ambtenaar kan een verlof bekomen om zich kandidaat te stellen voor parlements-, gewest-, gemeente-, provincie- of Europese raadsverkiezingen, zoals voorzien in artikel 190, 8°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verlof wordt toegekend voor de periode die overeenstemt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan betrokkene deelneemt. Dit verlof wordt niet bezoldigd; het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-215\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 215</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zoals voorzien in artikel 190, 8°, krijgt de ambtenaar, op zijn aanvraag, een vrijstelling van dienst van twee dagen per maand voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten : 1° gemeenteraadslid dat noch burgemeester, noch schepen, noch voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn is;2° lid van een raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter uitgezonderd;3° lid van een districtsraad, in het Vlaamse Gewest, of van een sectorraad, in het Waalse Gewest, de bureauleden en de voorzitter uitgezonderd;4° provincieraadslid, niet-lid van de deputatie, in het Vlaamse Gewest, of van het provinciaal college, in het Waalse Gewest. De vrijstelling van dienst, wordt naar keuze van de betrokkene genomen in dagen of halve dagen Zij mag niet van een maand naar een andere worden overgedragen tenzij zij is toegekend voor het uitoefenen van een mandaat van provincieraadslid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 216</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan, binnen de hierna bepaalde grenzen en op zijn verzoek, een facultatief politiek verlof bekomen voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten : 1° gemeenteraadslid dat noch burgemeester, noch schepen, noch voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn is, lid van een raad voor maatschappelijk welzijn dat noch voorzitter, noch lid van het vast bureau is, of lid van een districtsraad, in het Vlaamse Gewest, of van een sectorraad, in het Waalse Gewest, dat noch voorzitter, noch lid van het bureau is, van een gemeente : a) tot 80.000 inwoners : 2 dagen per maand; b) meer dan 80.000 inwoners : 4 dagen per maand; 2° schepen, voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn of lid van het bureau van een districtsraad, van een gemeente : a) tot 30.000 inwoners : 4 dagen per maand; b) van 30.001 tot 50.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt; c) van 50.001 tot 80.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt; 3° burgemeester van een gemeente of voorzitter van een districtsraad, in het Vlaamse Gewest, of van een sectorraad, in het Waalse Gewest, van een gemeente : a) tot 30.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt; b) van 30.001 tot 50.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt; 4° lid van het vast bureau van een raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente : a) tot 10.000 inwoners : 1 of 2 dagen per maand; b) van 10.001 tot 20.000 inwoners : 1, 2 of 3 dagen per maand; c) meer dan 20.000 inwoners : 1, 2, 3, 4 of 5 dagen per maand; 5° provincieraadslid, niet-lid van de deputatie, in het Vlaamse Gewest, of van het provinciaal college, in het Waalse Gewest : 4 dagen per maand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 217</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is, binnen de hierna bepaalde grenzen, in politiek verlof van ambtswege voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten : 1° burgemeester van een gemeente : a) tot 20.000 inwoners : 3 dagen per maand; b) van 20.001 tot 30.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt; c) van 30.001 tot 50.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt; d) van meer dan 50.000 inwoners : voltijds; 2° voorzitter van een districtsraad in het Vlaamse Gewest, of van een sectorraad in het Waalse Gewest : gelijkstelling met een burgemeester van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district in het Vlaamse Gewest, of van de sector in het Waalse Gewest, waarbij de duur van het ambtshalve politiek verlof beperkt wordt tot het percentage van de wedde van die burgemeester; 3° schepen of voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente : a) tot 20.000 inwoners : 2 dagen per maand; b) van 20.001 tot 30.000 inwoners : 4 dagen per maand; c) van 30.001 tot 50.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt; d) van 50.001 tot 80.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt; e) meer dan 80.000 inwoners : voltijds; 4° lid van het bureau van districtsraad in het Vlaamse Gewest, of van een sectorraad in het Waalse Gewest : gelijkstelling met een schepen van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt mat dat van het district in het Vlaamse Gewest, of van de sector in het Waalse Gewest, waarbij de duur van het ambtshalve politiek verlof beperkt wordt tot het percentage van de wedde van die schepen;5° lid van een deputatie in het Vlaamse Gewest, of van een provinciaal college in het Waalse Gewest : voltijds</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-218\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 218</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de artikelen 216 en 217, wordt het aantal inwoners bepaald overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 29 van de Nieuwe Gemeentewet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-219\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 219</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is in politiek verlof van ambtswege, ten belope van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van : 1° lid van één der wetgevende Kamers of van de federale Regering;2° lid van het Vlaams Parlement, van het Waals Parlement, van het Parlement van de Franse Gemeenschap en van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap;3° lid van de Vlaamse Regering, van de Waalse Gewestregering, van de Franse Gemeenschapsregering en van de Duitstalige Gemeenschapsregering;4° lid van het Europees Parlement of van de Europese Commissie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-220\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 220</span><span class=\"lf-art-t\">Het politiek verlof van ambtswege vangt aan op de datum van de eedaflegging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 221</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die geen voltijds ambt uitoefent wordt met voltijds politiek verlof van ambtswege gezonden indien aan zijn politiek mandaat reeds een politiek verlof van ambtswege beantwoordt waarvan de duur ten minste de helft van een voltijds ambt beloopt De ambtenaar die recht heeft op een politiek verlof waarvan de duur niet de helft van een voltijds ambt overschrijdt, kan, op zijn aanvraag, halftijds of voltijds politiek verlof krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die recht heeft op een halftijds politiek verlof, kan op zijn aanvraag, voltijds politiek verlof krijgen. Art. 222.De periodes welke door facultatief politiek verlof of politiek verlof van ambtswege worden gedekt, worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Ze worden evenwel niet bezoldigd. Art. 223.Het politiek verlof eindigt uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op die tijdens de welke het mandaat een einde neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf dat ogenblik herkrijgt de belanghebbende zijn rechten. Wanneer hij niet in zijn betrekking werd vervangen, bezet hij die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. Indien hij wel werd vervangen, wordt hij voor een andere betrekking aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar mag na zijn wederopneming zijn wedde niet cumuleren met voordelen die verbonden zijn aan de uitoefening van een politiek mandaat en die een wederaanpassingsvergoeding betreffen. Afdeling 10. - Verlof voor sociale promotie en om deel te nemen aan vormingsactiviteiten Art. 224.De ambtenaar heeft recht op een opleiding die hem voorbereidt op de in artikel 119 bedoelde vergelijkende selecties voor overgang naar het hogere niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij mag evenwel slechts tweemaal dezelfde opleiding volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de opleidingen tijdens de diensturen worden gegeven, geniet de ambtenaar een dienstvrijstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op zijn verzoek, krijgt hij een studieverlof van ten hoogste vijf dagen voor de vergelijkende selectie voor overgang naar niveau A en B en van ten hoogste twee dagen voor de vergelijkende selectie voor overgang naar niveau C. Hij heeft recht op één dag studieverlof voor de eerste proef.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de vergelijkende selectie voor overgang naar niveau A heeft de ambtenaar recht op één dag studieverlof per proef of brevet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het studieverlof bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid kan geweigerd of uitgesteld worden om-wille van dienstredenen. Afdeling 11. - Verlof wegens opdracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 225</span><span class=\"lf-art-t\">Het Verenigd College kan een ambtenaar, met zijn instemming, belasten met een opdracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Iedere ambtenaar kan eveneens met instemming van het Verenigd College aanvaarden : 1° de uitoefening van functies in België in uitvoering van een door het Verenigd College toevertrouwde of erkende opdracht;2° een internationale opdracht buiten België uitgeoefend, die wordt toevertrouwd hetzij door één van de regeringen van het Rijk of een Belgisch openbaar bestuur, hetzij door een buitenlandse regering of door een buitenlands openbaar bestuur;3° een internationale opdracht in of buiten België uitgeoefend, bij een internationale instelling;4° een opdracht in een ontwikkelingsland. De ambtenaar die wordt aangewezen om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen wordt ambtshalve in opdracht geplaatst voor de duur van het mandaat. Art. 226.Het Verenigd College verleent de opdracht voor ten hoogste twee jaar. Hij kan haar verlengen voor telkens maximum dezelfde duur. Art. 227.§ 1. Tijdens de duur van een opdracht die door een eerste machtiging is gedekt, is de ambtenaar met verlof. Dit verlof wegens opdracht wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof wordt evenwel bezoldigd wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige, krachtens de beschikking van 26 juli 1988 of 7 januari 1998 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van de regeling die geldt voor nationale deskundigen die bij de diensten van de commissie gedetacheerd zijn. Het kan eveneens worden bezoldigd met instemming van het Verenigd College wanneer de opdracht in het kader van de programma's van de Europese Unie wordt toegewezen. § 2. Tijdens de duur van een opdracht die door volgende machtigingen is gedekt, wordt aan de ambtenaar verlof verleend indien de opdracht welke hij uitvoert als zijnde van algemeen belang is erkend. Dit verlof wegens opdracht wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het vorige lid wordt als volgende machtiging beschouwd, die welke iedere volgende periode dekt van een opdracht in dienst van dezelfde regering, van hetzelfde openbaar bestuur of van dezelfde instelling voor zover de beschouwde periode van de voorafgaande periode niet wordt gescheiden door een termijn die zes maanden overschrijdt. § 3. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend : 1° voor de opdrachten welke de uitoefening van een functie in een ontwikkelingsland bevatten;2° voor opdrachten uitgevoerd door de als nationaal deskundige aangewezen ambtenaar, krachtens de beschikking van 26 juli 1988 of 7 januari 1998 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, of wanneer de opdracht in het kader van de programma's van de Europese Unie wordt toegewezen;3° om een mandaat in een Belgische publieke overheidsdienst uit te oefenen. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend voor de internationale opdrachten bedoeld in artikel 225, tweede lid, 2° en 3°, wanneer zij door het Verenigd College geacht worden van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor een Belgische regering of een Belgisch openbaar bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderlijke gevallen wordt het karakter van algemeen belang voor de in artikel 225, tweede lid, 1°, bedoelde opdrachten erkend onder dezelfde voorwaarden dan die vastgesteld in het vorige lid. § 4. In afwijking van § 3, verliest iedere opdracht van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het krijgen van een onmiddellijk ingaand dan wel uitgesteld pensioen ten laste van een buitenlandse regering, van het buitenlands openbaar bestuur of van de internationale instelling ten behoeve waarvan de opdracht werd vervuld. Art. 228.Tijdens de duur van een opdracht die door volgende machtigingen is gedekt doch niet erkend van algemeen belang te zijn, wordt de ambtenaar op non-activiteit gesteld. In die stand heeft hij geen recht op wedde en kan hij zijn aanspraken op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het vorige lid wordt als volgende machtiging beschouwd, die welke iedere volgende periode dekt van een opdracht in dienst van dezelfde regering, van hetzelfde openbaar bestuur of van dezelfde instelling voor zover de beschouwde periode van de voorafgaande periode niet wordt gescheiden door een termijn die zes maanden overschrijdt. Art. 229.De ambtenaar die door het Verenigd College met een internationale opdracht wordt belast, kan een vergoeding genieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Verenigd College stelt de vergoeding vast rekening houdend met : 1° de bezoldiging toegekend ter uitvoering van de opdracht;2° de duur van de opdracht, de levensduurte in het land waar de opdracht wordt uitgevoerd, de sociale rang die met deze opdracht overeenstemt en de verhoogde gezinslasten verbonden aan de expatriatie. De vergoeding mag niet worden toegekend indien de ambtenaar hetzij krachtens andere wets- of verordeningsbepalingen, hetzij wegens de vervulling van zijn opdracht, gelijkwaardige voordelen geniet. Art. 230.Zodra de ambtenaar twee jaar met verlof wegens opdracht is, kan het Algemeen Beheerscomité beslissen of de betrekking die hij bekleedt, in het belang van de dienst als vacant moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 225, derde lid, kan het Verenigd College op ieder ogenblik een eind maken aan de opdracht waarmede de ambtenaar is belast, met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of door zijn toedoen wordt beëindigd, stelt zich opnieuw ter beschikking van de Dienst. Afdeling 12. - Verlof voor vakbondsopdracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 231</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar die vooraf aan de leidend ambtenaar een van een verantwoordelijke leider van een vakorganisatie uitgaande persoonlijke oproeping voorlegt, verkrijgt van rechtswege, gedurende de daartoe benodigde tijd, vakbondsverlof om deel te nemen aan de werkzaamheden van de onderhandelings- en overlegcomités waaronder hij ressorteert, overeenkomstig artikel 81 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/12/1974 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Afdeling 13. - Verlof voor werkzaamheden bij een politieke groep die erkend is in een wetgevende vergadering van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, respectievelijk bij de voorzitter van een van die groepen Art. 232.De ambtenaar kan verlof krijgen om een werkzaamheid uit te oefenen bij een erkende politieke fractie, zoals voorzien in artikel 190, 12°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een erkende politieke fractie is een groep verkozenen die als dusdanig is erkend, overeenkomstig het reglement van de wetgevende vergadering waartoe zij behoren. De Voorzitter van een politieke fractie dient hiertoe een verzoek in bij de Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directieraad gaat na of het belang van de dienst er zich niet tegen verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de instemming van de ambtenaar kent de Minister het verlof toe. Art. 233.Het besluit vermeldt de duur van het toegekende verlof, alsmede de politieke fractie waarbij de ambtenaar een activiteit zal uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister kan om dienstredenen het verlof beëindigen mits hij een opzeggingstermijn van een maand respecteeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet bezoldigd. Afdeling 14. - Verlof om een ambt uit te oefenen bij het kabinet van een federale minister of staatssecretaris, of bij het kabinet van een regeringslid van een Gemeenschap of een Gewest of bij het kabinet van een lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Colleges van de Vlaamse of Franse Gemeenschapscommissies Art. 234.De ambtenaar krijgt verlof wanneer hij aangewezen wordt om een functie te vervullen, zoals vermeld in artikel 190, 13°, op : 1° het secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of de cel algemeen beleid of, in voorkomend geval, het kabinet van een lid van de federale Regering;2° het kabinet van een minister of staatssecretaris van de Regering van een Gemeenschap of Gewest;3° het kabinet van een lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of de Colleges van de Vlaamse of Franse Gemeenschapscommissies. De detachering bij een Regering of College, andere dan het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, is slechts toegestaan indien door de Regering of het College die ervan geniet de bezoldiging van de gedetacheerde ambtenaar aan de Dienst wordt terugbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar sinds twee jaar een verlof wegens detachering geniet, kan het Algemeen Beheerscomité beslissen of de betrekking die de ambtenaar bekleedt, in het belang van de dienst als vacant moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het einde van zijn detachering en tenzij hij naar een ander secretariaat, cel algemene beleidscoördinatie of cel algemeen beleid van de federale Regering of kabinet overgaat, krijgt de ambtenaar, per maand activiteit in deze organen, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen. Afdeling 15. - Verlof voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de civiele bescherming of van taken van openbaar nut op grond van het koninklijk besluit van 20 februari 1980 houden coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden Art. 235.De ambtenaren zijn ambtshalve met verlof gedurende de gedeelten van kalendermaanden waarin zij, in vredestijd, om het even welke militaire prestaties verrichten, of diensten volbrengen bij de civiele bescherming of taken van openbaar nut, in toepassing van het koninklijk besluit van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden. Afdeling 16. - Verlof om een stage te vervullen bij een andere openbare dienst Art. 236.Zoals voorzien in artikel 190, 15°, kan de ambtenaar verlof krijgen om een stage te doen in een betrekking bij een overheidsdienst, bepaald in artikel 2, § 1, 5° en 6°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een betrekking in het gesubsidieerd of het universitair onderwijs wordt gelijkgesteld met een betrekking in een overheidsdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof wordt toegestaan voor een periode die overeenstemt met de duur van de stage. Het is niet bezoldigd en wordt voor het overige met dienstactiviteit gelijkgesteld. Afdeling 17. - Het verlof om medische of humanitaire redenen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-237\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 237</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar verkrijgt een dienstvrijstelling om bloed, bloedplasma en bloedplaatjes te geven op voorwaarde dat hij de toelating heeft van zijn functionele chef voor de donatie. Die dienstvrijstelling kan geweigerd worden om dienstredenen De ambtenaar verkrijgt een dienstvrijstelling voor de noodzakelijke duur van de bloed-, plasma- en bloedplaatjesdonatie alsook voor de verplaatsingstijd van maximaal twee uur. Art. 238.De ambtenaar krijgt verlof voor het afstaan van beenmerg, van organen of van weefsel. De duur van dit verlof is die van de ziekenhuisopname en de herstelperiode. De tijd noodzakelijk voor de voorafgaande medische onderzoeken kan eveneens in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag moet worden gestaafd door een medisch attest. Art. 239.De verloven om medische of humanitaire redenen zijn bezoldigd en worden gelijkgesteld met dienstactiviteit. Afdeling 18. - Andere verloven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-240\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 240</span><span class=\"lf-art-t\">Onder de door de artikelen 4 tot 8 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling sluiten betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector gestelde voorwaarden, krijgt de ambtenaar die voltijds tewerkgesteld is verlof : 1° om, over vier werkdagen per week, vier vijfde van de prestaties die hun normaal worden opgelegd, te verrichten;2° om vanaf 55 jaar halftijds te werken tot aan de datum van zijn al dan niet vervroegde opruststelling. Art. 241.Overeenkomstig het besluit van het Verenigd College van 16 december 2004 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, krijgt de ambtenaar in dienstactiviteit eveneens verlof voor gehele of gedeeltelijke loopbaanonderbreking. HOOFDSTUK III. - Non-activiteit Art. 242.Behoudens uitdrukkelijke andersluidendebepaling heeft de ambtenaar in de stand non-activiteit geen recht op wedde en op bevordering tot een hogere weddeschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan alleen onder de door dit besluit gestelde voorwaarden aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 243</span><span class=\"lf-art-t\">Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de vereisten voldoet om in ruste te worden gesteld</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-244\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 244</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is in non-activiteit : 1° voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de civiele bescherming of van taken van openbaar nut, op grond van de wet van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden. Gedurende voormelde periodes van non-activiteit, behoudt de ambtenaar zijn aanspraak op bevordering en zijn rechten op bevordering tot een hogere weddeschaal; 2° wanneer hij de uitvoering van een opdracht die niet van algemeen belang is erkend, voortzet, zoals vermeld in artikel 228;3° indien hij, voor zover het belang van de dienst er zich niet tegen verzet, de toelating bekomt van het Algemeen Beheerscomité om voltijds afwezig te zijn voor een periode van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden. Deze afwezigheid wordt enkel voltijds en voor minstens een maand en ten hoogste zes maanden toegekend. Ze kan verlengd worden of, na een onderbreking, opnieuw worden aangevraagd. Behoudens afwijking door het Algemeen Beheerscomité en op gunstig advies van de directieraad, kan deze afwezigheid niet meer dan vierentwintig maanden belopen over de gehele loopbaan Iedere aanvraag tot verlenging moet ten minste één maand vóór het verstrijken van de lopende afwezigheid worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ziekten of ongevallen opgelopen gedurende deze periode van afwezigheid wordt geen rekening gehouden; 4° wanneer hij afwezig is op grond van een machtiging om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden uit te oefenen, zoals vermeld in artikel 208, § 2;5° wanneer een periode van zijn verlof voor loopbaanonderbreking wordt omgezet in non-activiteit op basis van de bepalingen van artikel 24 van het koninklijk besluit van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/05/1999 numac 1999012413 bron ministerie van ambtenarenzaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen sluiten betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, bedoeld in artikel 241. Art. 245.De ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of die zonder geldige reden de termijn van zijn verlof overschrijdt, bevindt zich van rechtswege in non-activiteit zonder wedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze stand behoudt hij zijn aanspraken op bevordering tot een hogere weddeschaal. Hij kan zijn aanspraken op bevordering en overplaatsing evenwel niet doen gelden tijdens de duur van zijn onregelmatige afwezigheid, noch een bevordering of een overplaatsing genieten. Art. 246.Tuchtschorsing plaatst de ambtenaar ambtshalve in de administratieve stand non-activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de periodes van tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn aanspraken op bevordering of op bevordering tot een hogere weddeschaal niet doen gelden en kan hij aan een inhouding van wedde worden onderworpen. De vermindering van wedde bedraagt evenwel niet meer dan deze bedoeld in de wet van 26 mei 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten betreffende het recht op maatschappelijke integratie. HOOFDSTUK IV. - Disponibiliteit Afdeling 1. - Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-247\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 247</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan in de stand disponibiliteit worden gesteld : 1° wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;2° wegens ziekte of gebrekkigheid waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan voor verlof wegens ziekte of gebrekkigheid. Art. 248.Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden, wanneer hij voldoet aan de eisen om in ruste te worden gesteld. Art. 249.Behalve ingeval van disponibiliteit wegens ziekte, bedoeld in artikel 247, 2°, kan de ambtenaar in beroep gaan bij de in artikel 16 bedoelde raad, wanneer hij niet akkoord gaat met een beslissing inzake disponibiliteit Hij beschikt, voor het instellen van zijn beroep, over een termijn van vijftien dagen vanaf de datum waarop hij in kennis werd gesteld van de in het vorige lid bedoelde beslissing. Afdeling 2. - Disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst Art. 250.De ambtenaar kan, zonder opzegging, in disponibiliteit worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst, wanneer hij een bepaald ambt niet kan uitoefenen en hij niet onmiddellijk in een beter geschikte betrekking wederom tewerkgesteld kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op voorstel van de directieraad neemt de benoemende overheid een beslissing omtrent de indisponibiliteitstelling. De betrokkene wordt minstens tien dagen voor de hoorzitting opgeroepen, doormiddel van een kennisgeving, moet tijdens deze termijn toegang hebben tot de stukken van het dossier en kan worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze. Art. 251.De ambtenaar in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft geen recht op wedde of op verhoging in zijn weddeschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat;2° een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan. Hij geniet het eerste jaar een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde. Vanaf het tweede jaar is dit wachtgeld gelijk aan 1/60e van de laatste activiteitswedde per dienstjaar dat hij telt op de datum waarop hij in disponibiliteit is gesteld. Art. 252.Elke ambtenaar in disponibiliteit krachtens artikel 247, 1°, blijft ter beschikking van het Verenigd College en kan bij vacature van een betrekking die met zijn graad overeenstemt opnieuw in het personeelsplan tewerkgesteld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij moet binnen de door het Algemeen Beheerscomité gestelde tijd, de hem toegewezen dienst opnemen. Afdeling 3. - Disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 253</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 207, § 5, is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximum aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 206, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 207, § 6, is van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte. Art. 254.§ 1. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is, ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan : 1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten. Het wachtgeld wordt vastgesteld op grondslag van de laatste activiteitswedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van cumulatie van betrekkingen wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt. § 2. De ambtenaar heeft recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waarvan hij lijdt door het Bestuur van de medische expertise van de Staat als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van ten minste drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit recht heeft een herziening van de toestand van de ambtenaar tot gevolg met geldelijke uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen. Art. 255.De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de in de artikelen 240 en 241 bedoelde verloven, noch aan verminderde prestaties om persoonlijke redenen, bedoeld in artikel 190, 6°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van artikel 254, § 1, is de laatste activiteitswedde deze welke voor de verminderde prestaties verschuldigd was. Art. 256.De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte, wordt ieder jaar medisch onderzocht door het Bestuur van de medische expertise (MEDEX) - cel pensioenen in de loop van de maand overeenstemmend met die waarin hij in disponibiliteit werd gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijnt de ambtenaar niet voor het voornoemde Bestuur van de medische expertise op het tijdstip bepaald in het eerste lid, dan wordt de uitkering van zijn wachtgeld vanaf dat tijdstip geschorst tot hij verschijnt. Art. 257.Het Algemeen Beheerscomité kan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar in actieve dienst terugroepen indien hij de vereiste beroeps- en lichamelijke geschiktheid bezit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar moet, binnen de door het Algemeen Beheerscomité gestelde termijn, het aangewezen ambt opnemen. Indien hij zonder geldige reden weigert, wordt hij, na een afwezigheid van tien werkdagen, ambtshalve ontslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL XIII. - Verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en definitieve ambtsneerlegging Art. 258.De ambtenaar kan zijn hoedanigheid van ambtenaar niet verliezen voor de normale leeftijd van de inruststelling, behalve in de gevallen bepaald door de pensioenwetgeving of door dit besluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-259\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 259</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ambtshalve en zonder opzegging verliest de hoedanigheid van ambtenaar : 1° de ambtenaar van wie de benoeming onregelmatig bevonden wordt binnen de termijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State;die termijn geldt niet in geval van arglist of bedrog van de ambtenaar; 2° de ambtenaar die niet meer voldoet aan de nationaliteitsvereisten bedoeld in artikel 45, 1°, of die de burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet of wiens definitieve lichamelijke ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld;3° onverminderd de georganiseerde werkonderbreking, de ambtenaar die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien dagen afwezig blijft;4° de ambtenaar die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;5° de ambtenaar die wegens tuchtredenen van ambtswege ontslagen of afgezet wordt. Er wordt een einde gesteld aan de stage onder dezelfde voorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-260\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 260</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tot ambtsneerlegging geven aanleiding : 1° het vrijwillig ontslag;in dat geval mag de ambtenaar slechts na behoorlijke machtiging en na een opzeggingstermijn van ten minste dertig dagen, zijn dienst verlaten; 2° de inrustestelling; Nochtans, indien de ambtenaar ermee akkoord gaat en indien de noodwendigheid van de dienst dit vereist, kan hij uitzonderlijk in dienst gehouden worden, na de wettelijke pensioenleeftijd bereikt te hebben en dit gedurende een periode van zes maanden De ambtenaar die na de wettelijke pensioenleeftijd in dienst gehouden wordt, behoudt tijdens deze periode zijn hoedanigheid van ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing wordt genomen door het Algemeen Beheerscomité behalve voor de mandaathouders waar de beslissing genomen wordt door het Verenigd College, op de voordracht van zijn Leden, bevoegd voor het Openbaar ambt; 3° de definitieve beroepsongeschiktheid, vastgesteld door de in artikel 86 bedoelde overheid bevoegd voor de benoeming;4° een tweede benoeming in vast dienstverband in een andere in artikel 2, § 1, 5° en 6°, bedoelde overheidsdienst, eens die benoeming niet meer vatbaar is voor vernietiging door de Raad van State. Het 1° geldt eveneens voor de stagiairs. Art. 261.De directieraad kan een ambtenaar slechts beroepsongeschikt verklaren nadat de betrokken ambtenaar twee opeenvolgende malen de in artikel 99, § 3, vierde lid, 3°, bedoelde globale evaluatievermelding \" onvoldoende \" heeft gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar over wie een definitief voorstel tot verklaring van beroepsongeschiktheid geformuleerd is, staat een beroep open bij de in artikel 16 bedoelde raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar stelt zijn beroep in binnen twintig dagen nadat hij in kennis werd gesteld van het definitief voorstel tot verklaring van beroepsongeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">BOEK III. - GELDELIJK STATUUT TITEL I. - Voorafgaande bepaling Art. 262.De wedden van de ambtenaren en stagiairs worden vastgesteld in de weddeschalen bestaande uit : 1° een minimumwedde;2° zogenaamde \" weddetrappen \" die het resultaat zijn van de tussentijdse weddeverhogingen;3° een maximumwedde. De wedden en de tussentijdse verhogingen worden uitgedrukt in een aantal munteenheden, dat met hun jaarbedrag overeenstemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL II. - Organieke regeling HOOFDSTUK I. - Vaststelling van de weddeschalen Art. 263.De schaal of de schalen voor elke graad worden in artikel 265 vastgesteld, met inachtneming van de rang van de graad en van de belangrijkheid van de daarmede normaal overeenstemmende functie. Art. 264.De weddeschalen komen in de in bijlage bij dit besluit gevoegde tabellen voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schaal wordt aangeduid met een letter gevolgd door drie cijfers dat in deze tabellen boven de schaal is geplaatst. De letter duidt het niveau aan, het eerste cijfer de rang van de schaal, het tweede de graad overeenstemmend met een bijzondere kwalificatie in dezelfde rang, het derde de code van de schaal. Het cijfer nul betekent dat de code niet bepaald is. Art. 265.De weddeschaal of weddeschalen verbonden aan de door het personeelsplan voorziene graden worden als volgt vastgesteld :</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidend ambtenaar A 500 Fonctionnaire dirigeant A 500 Adjunct-leidend ambtenaar A 410 Fonctionnaire dirigeant adjoint A 410 Directeur-chef de service A 400 Directeur-diensthoofd A 400 Directeur A 310 Directeur A 310 A 300 A 300 Eerste attaché A 220 Premier attaché A 220 A 210 A 210 A 200 A 200 Eerste ingenieur deskundige A 310 Premier ingénieur expert A 310 A 230 A 230 A 220 A 220 Eerste geneesheer deskundige A 310 Premier médecin expert A 310 A 230 A 230 A 220 A 220 Eerste attaché deskundige A 230 Premier attaché expert A 230 A 220 A 220 Ingenieur A 310 Ingénieur A 310 A 113 A 113 A 112 A 112 A 111 A 111 Geneesheer A 310 Médecin A 310 A 113 A 113 A 112 A 112 A 111 A 111 Attaché A 103 Attaché A 103 A 102 A 102 A 101 A 101 Assistent B 200 Assistant B 200 B 103 B 103 B 102 B 102 B 101 B 101 Adjunct C 200 Adjoint C 200 C 103 C 103 C 102 C 102 C 101 C 101 Klerk D 200 Commis D 200 D 103 D 103 D 102 D 102 D 101 D 101 HOOFDSTUK II. - Vaststelling van de wedde Art. 266.Bij iedere wijziging in de bezoldigingsregeling van een graad, wordt elke wedde die werd vastgesteld met inachtneming van die graad opnieuw vastgesteld alsof de nieuwe bezoldigingsregeling altijd had bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aldus opnieuw vastgestelde wedde lager is dan de wedde welke de ambtenaar en de stagiair in zijn graad genoot bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit blijft het in die graad de hoogste wedde genieten tot het een ten minste gelijke wedde bekomt. HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de weddeschaal Art. 267.Onverminderd andersluidende verordenende bepalingen, wordt de wedde van elke ambtenaar en stagiair vastgesteld in de schaal verbonden aan zijn graad. HOOFDSTUK IV. - In aanmerking komende diensten Art. 268.§ 1. Behoudens strijdige bepalingen komen voor de toekenning van de verhogingen in zijn weddeschaal alleen in aanmerking de werkelijke diensten welke de ambtenaar of de stagiair prorata temporis heeft verricht terwijl hij behoorde : 1° tot de diensten van de Federale Staat, van de Gemeenschappen, van de Gewesten, van de Gemeenschapscommissies, van de andere openbare diensten of de diensten bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, de diensten bij het \" Fonds national de Recherche scientifique \", de diensten bij het Instituut van het Wetenschappelijk - Technologisch Onderzoek in de Industrie, de diensten bij het \" Fonds pour la formation à la recherche dans l'industrie et dans l'agriculture \", hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt, hetzij als beroepsmilitair;2° tot de gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen als burgerlijk of geestelijk titularis van een door middel van een weddentoelage bezoldigd ambt;3° tot de Katholieke Universiteit Leuven, de Katholieke Universiteit Brussel, Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen, de Vrije Universiteit Brussel, de \"Université catholique de Louvain\", de \"Université de Namur\", de \"Université de Mons\", de \"Université Saint-Louis\", de \"Faculté universitaire de Théologie Protestante\", de \"Université libre de Bruxelles\", de Katholieke Universiteit Leuven, afdeling Kortrijk, de Universitaire Instelling Antwerpen, het Limburgs Universitair Centrum, de \"département des Sciences et Gestion de l'Environnement de l'Université de Liège\", als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt.Deze erkenning geldt eveneens voor de geleverde diensten binnen de oude \" Fondation universitaire luxembourgeoise \" en de \"Faculté polytechnique de Mons\";</p>\n<p class=\"lf-p\">De diensten die het voorwerp zijn van de storting van een beurs, een studiebeurs, een onderzoeksbeurs of die het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderzoekscontract kunnen eveneens voor de toekenning van de verhogingen in weddeschaal in aanmerking worden genomen voor zover het bericht tot aankondiging van de selectieprocedure uitdrukkelijk het bezit van een nuttige vroegere ervaring vereist en dat de kandidaten de nuttige vroegere ervaring met elk rechtsmiddel kunnen bewijzen. De duur van deze diensten wordt vastgelegd door het Algemeen Beheerscomité; 4° tot de onderwijsinstellingen van de Staat of van de Gemeenschappen alsook het gesubsidieerd officieel onderwijs, als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt;5° tot de vrije gesubsidieerde diensten van school- en beroepsoriëntering en de psycho-medisch-sociale centra, als burgerlijk of geestelijk titularis van een door middel van een weddentoelage bezoldigd ambt;6° tot een federaal ministerieel kabinet, een kabinet van een lid van een regering of van een College van een Gemeenschap of Gewest;7° tot de overheidsdiensten van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte;8° tot de diensten van de instellingen van de Europese Unie, de Europese Gemeenschappen of van de instellingen die opgericht zijn door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De diensten verricht in de openbare sector als tewerkgestelde werkloze komen eveneens in aanmerking voor de toekenning van verhogingen in de weddeschaal voor een maximumduur van zes jaar. § 3. Komen eveneens in aanmerking voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen, en dit voor een maximumduur van tien jaar, de diensten verricht in de privé-sector of als zelfstandige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze diensten zijn de diensten die nuttig zijn voor de uitoefening van het ambt en kunnen met elk rechtsmiddel worden bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangrijkheid van de in het vorige lid bedoelde in aanmerking komende diensten wordt, na advies van de directieraad, door het Algemeen Beheerscomité bepaald op basis namelijk van een getuigschrift afgeleverd door de werkgever of door iedere bevoegde openbare overheid, zoals de RSZ, het Bestuur van de BTW of het RIZIV. In geval van deeltijdse prestaties komen deze diensten in aanmerking naar rato van de geleverde prestaties. Art. 269.Voor de toepassing van artikel 268, § 1, wordt de ambtenaar of de stagiair geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich bevindt in een administratieve stand op grond waarvan hij, krachtens zijn statuut, zijn activiteitswedde of, bij gemis daarvan, zijn aanspraak op bevordering in zijn weddeschaal behoudt. Art. 270.Voor elke periode waarin de ambtenaar of de stagiair zijn aanspraken op bevordering in zijn weddeschaal in een graad heeft behouden of verloren, worden de diensten welke hij in een andere graad mocht hebben verricht niet medegeteld bij de vaststelling van zijn wedde in die graad en in enige latere graad welke met deze laatste verband houdt ingevolge de statutaire samenhang van de opeenvolgende graden van de ambtenaar. Art. 271.§ 1. De in aanmerking komende diensten worden berekend per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien echter de gepresteerde diensten geen volledige maand vertegenwoordigen, worden zij dag per dag samengeteld. Het totaal van deze rekenkundige bewerking wordt vervolgens gedeeld door dertig. Het bekomen product geeft het aantal in aanmerking te nemen maanden; met de rest wordt geen rekening gehouden. § 2. De duur van de in aanmerking komende diensten welke de ambtenaar en de stagiair in het onderwijs ad interim of als tijdelijke heeft verricht, wordt door het Algemeen Beheerscomité vastgesteld aan de hand van het attest afgegeven door de bevoegde overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De op dit attest vermelde prestaties, waarvoor de betaling in tienden gebeurde, en die per schooljaar geen volledig jaar werkelijke diensten vertegenwoordigen, worden dag per dag samengeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totale aantal aldus gewerkte dagen wordt vermenigvuldigd met 1,2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totaal van deze rekenkundige bewerking wordt vervolgens gedeeld door dertig. Het bekomen product geeft het aantal in aanmerking te nemen maanden; met de rest wordt geen rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De op hetzelfde attest vermelde prestaties, die bewijzen dat de ambtenaar en de stagiair een volledig schooljaar hebben gewerkt, gelden voor een totaal van driehonderd dagen en leveren één jaar in aanmerking te nemen diensten op. Art. 272.De duur van de in aanmerking komende diensten welke de ambtenaar en de stagiair tellen mag nooit de werkelijke duur van de door deze diensten gedekte tijdperken overschrijden. Art. 273.De belangrijkheid van de in artikel 268 bedoelde in aanmerking komende diensten hangt maand na maand af van de graad welke de ambtenaar en de stagiair bekleedden of waarin de ambtenaar door formele terugwerking van zijn benoeming in bedoelde graad, reeds rang ingenomen had met het oog op de bevordering tot een hogere wedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de graad die ambtenaar voorlopig bekleedde wegens de uitoefening van een hogere functie. Art. 274.Voor de vaststelling van de belangrijkheid van de in aanmerking komende diensten wordt elke verandering van graad, die zich op een andere dag dan de eerste der maand voordoet, verschoven naar de eerste van de volgende maand. Art. 275.Wanneer de te beschouwen graad voorkomt in de bij artikel 265, bedoelde schaal, worden de in aanmerking te nemen diensten opgenomen in het niveau waartoe de aan die graad verbonden schaal behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien echter de graad die in het voormelde artikel voorkomt, klaarblijkelijk van de te beschouwen graad verschilt, ondanks hun zelfde benaming, worden de in aanmerking te nemen diensten opgenomen in het niveau waartoe de schalen voor de in de Dienst bestaande graden van dezelfde belangrijkheid als de te beschouwen graad behoren. Het Algemeen Beheerscomité beslist omtrent die gelijkstelling. Art. 276.Komt de te beschouwen graad niet voor in het artikel 265, dan worden de in aanmerking komende diensten opgenomen in het niveau waartoe de schalen voor de graden van dezelfde belangrijkheid behoren. Art. 277.Van de dag af waarop de ambtenaar in zijn basisgraad is benoemd, gelden voor de vaststelling van zijn wedde als ambtenaar, de in aanmerking te nemen vroegere diensten als gelijkwaardige diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basisgraad van een ambtenaar of stagiair is de eerste graad waartoe hij wordt benoemd in een dienst waarvan het personeel aan deze bezoldigingsregeling is onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de dag echter waarop de ambtenaar of de stagiair, volgens een benoemingswijze waarbij zijn vroegere hoedanigheid van vast of stagedoend personeelslid statutair buiten beschouwing wordt gelaten, in vast verband of tot stagiair tot een nieuwe graad wordt benoemd, is de nieuwe graad zijn basisgraad voor de toepassing van het eerste lid. HOOFDSTUK V. - Berekening van de anciënniteit en de wedde Art. 278.De gerechtigde op een weddeschaal geniet te allen tijde de wedde overeenstemmend met zijn anciënniteit, die het totaal zijner in aanmerking komende diensten uitmaakt. Art. 279.Voor de vaststelling van de wedde overeenkomstig artikel 278 wordt alleen rekening gehouden met de nuttige anciënniteit, namelijk die, verkregen op het tijdstip dat de ambtenaar of de stagiair het grootste aantal jaren diensten telt, dat de anciënniteit uitmaakt. Art. 280.§ 1. De ambtenaar die wordt bevorderd, heeft in zijn nieuwe graad nooit een lagere wedde dan het in de weddeschaal van zijn vorige graad zou hebben genoten. § 2. Wanneer de schaal van zijn vorige graad tot de niveaus B of C en de schaal van zijn nieuwe graad tot niveau A behoort, bekomt de in § 1 bedoelde ambtenaar in zijn nieuwe graad steeds een wedde waarvan het bedrag dat van de wedde die hij in zijn vorige graad zou hebben genoten, met een bedrag overschrijdt dat ten minste gelijk is aan 1.000 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van deze bepaling mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van de ambtenaar hoger zou liggen dan de maximumwedde van de schaal van zijn nieuwe graad of die van de schaal van zijn vorige graad, indien deze hoger is. § 3. De ambtenaar die een verandering van graad heeft verkregen, heeft in zijn nieuwe graad nooit een lagere wedde dan hij in de weddeschaal van zijn vorige graad zou hebben gehad op het ogenblik van zijn verandering van graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de wedde vastgesteld in de nieuwe graad lager is dan deze welke hij in zijn vorige graad zou hebben genoten, wordt de hoogste wedde behouden tot wanneer hij een wedde bekomt die tenminste daaraan gelijk is § 4. De voorafgaande paragraaf is van toepassing op de overgeplaatste ambtenaren op basis van de artikelen 130 en 151.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overgeplaatste ambtenaar behoudt de geldelijke anciënniteit die hij voor zijn overplaatsing heeft verworven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij is niet langer onderworpen aan de geldelijke bepalingen die op hem van toepassing waren in zijn instelling van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij verliest het genot van de voordelen, van welke aard ook, waarop hij aanspraak kon maken bij zijn instelling van herkomst voor zijn overplaatsing, met uitzondering van deze die het karakter hebben van verworven rechten krachtens wetten of bijzondere reglementeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in zijn instelling van herkomst, de weddenschaal duidelijk verschilt van de bij de Dienst bestaande weddenschaal, wordt de gelijkwaardigheid bepaald door de Minister. Art. 281.De toekenning van de evaluatie \" onvoldoende \" blokkeert elke tussenverhoging in de weddeschaal van de betrokken ambtenaar of stagiair tot aan de toekenning van de volgende evaluatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval, als de overheid geen nieuwe evaluatie heeft toegekend dan \"onvoldoende\" op het einde van de twee jaar die volgen op de toekenning van de evaluatie \"onvoldoende\", wordt de blokkering opgeheven. HOOFDSTUK VI. - Uitbetaling van de wedde Art. 282.§ 1. De maandwedde is gelijk aan 1/12e van de wedde en wordt betaald ten laatste op de laatste werkdag van de maand bij storting op een bankrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar of de stagiair op een andere datum dan de eerste ener maand wordt benoemd tot een nieuwe graad die geen basisgraad is in de zin als bedoeld in artikel 277, tweede lid, blijft de wedde voor de lopende maand ongewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het overlijden of op pensioen stellen van de ambtenaar of de stagiair is de wedde van de lopende maand niet terugvorderbaar. § 2. Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt de wedde voor volledige prestaties vermenigvuldigd met de volgende breuk : (het percentage van de prestaties x het aantal gepresteerde werkdagen)/het aantal te presteren werkdagen op basis van het werkschema.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal gepresteerde of te presteren werkdagen is gelijk aan het aantal gepresteerde of te presteren uren gedeeld door 7,6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt verstaan onder : a) \"werkdag\" : elke dag, feestdagen inbegrepen, uitgezonderd zaterdagen en zondagen;b) \"gepresteerde werkdag\" : elke dag waarvoor een bezoldiging verschuldigd is;c) \"werkschema\" : het aantal te presteren werkdagen in een maand. Art. 283.De maandwedde ondergaat de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen, bedoeld in artikel 28 van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/05/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten0 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wedde wordt aan het spilindexcijfer 138,01 van de consumptieprijzen gekoppeld. HOOFDSTUK VII. - Wedde in geval van verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden Art. 284.In afwijking van artikel 268 komt de periode gedurende dewelke de ambtenaar of de stagiair verminderde prestaties verricht wegens persoonlijke aangelegenheden, in de zin van artikel 190, 6°, in aanmerking voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen. Art. 285.In afwijking van artikel 282, § 2, wordt het gedeelte van de maandwedde verschuldigd voor verminderde prestaties wegens epersoonlijke aangelegenheden prorata van de wedde voor voltijdse prestatie vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de duur van de periode van de verminderde prestaties, worden de tussentijdse verhogingen toegekend alsof het gaat om diensten met volledige prestaties; na het beëindigen van de verminderde prestaties blijven deze tussentijdse verhogingen verworven. HOOFDSTUK VIII. - Beëindiging van het mandaat van rechtswege Art. 286.Onverminderd artikelen 107 en 260 eindigt het mandaat na afloop van de vastgestelde duur zoals bepaald in artikel 137 of wanneer de mandaathouder de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. HOOFDSTUK IX. - Vroegtijdige beëindiging van het mandaat Art. 287.Het mandaat neemt vervroegd een einde in geval van schorsing in het belang van de dienst voor meer dan zes maanden, in geval van ononderbroken afwezigheid wegens langdurige ziekte van meer dan zes maanden, in geval van terugzetting in graad, in geval van ambtshalve ontslag, in geval van afzetting of door het vrijwillig ontslag van de mandaathouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van vrijwillig ontslag door de mandaathouder, is een opzegging van zes maanden vereist. Deze termijn kan in onderling akkoord verkort worden. Art. 288.Indien de evaluatie bedoeld in artikel 107, § 2, leidt tot een vermelding \"ongunstig\", dan neemt het mandaat een einde op de eerste dag van de maand die volgt op de toekenning van deze vermelding, in voorkomend geval, zonder afbreuk te doen aan de wet op de arbeidsovereenkomsten. HOOFDSTUK X. - De graad en de schaal na het mandaat Art. 289.De ambtenaar van wie het mandaat niet wordt verlengd, neemt opnieuw de laatste graad in waarin hij werd benoemd. Art. 290.De ambtenaren van wie het mandaat, na een mandaatperiode van vijf opeenvolgende jaren, verstreken is, genieten de weddeschaal A400, als ze op het einde van hun mandaat titularis zijn van een rang A5 of A4+ en de weddeschaal A310 als ze op het einde van hun mandaat titularis van rang A4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren bedoeld in het eerste lid van wie het mandaat van zelfde rang, na een mandaatperiode van tien opeenvolgende jaren, verstreken is, blijven hun weddeschaal, die zij genoten op het einde van hun mandaat, genieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mandaatperiodes waarvoor een ongunstige evaluatie werd verkregen, komen niet in aanmerking voor de berekening bedoeld in de eerste twee leden. Art. 291.De mandaathouder die geen ambtenaar is en waarvan het mandaat ten einde loopt, ontvangt een verbrekingsvergoeding overeenkomstig de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1978 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1978 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een zware fout, wordt hij zonder opzegging of verbrekingsvergoeding ontslagen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL III. - Gewaarborgde bezoldiging, haard- of standplaatstoelage, vakantiegeld en eindejaarstoelage Art. 292.Overeenkomstig artikel 29 van het</h3>\n<p class=\"lf-p\">koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/05/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten0 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, hebben de ambtenaar en de stagiair recht op de gewaarborgde bezoldiging en op de haard- en standplaatsvergoeding waarvan het bedrag en de toekenningsvoorwaarden dezelfde zijn als voor de federale ambtenaren. Art. 293.§ 1. De ambtenaar en de stagiair genieten ieder jaar een vakantiegeld waarvan het bedrag gelijk is aan 92 % van één twaalfde van de jaarlijkse wedde, zoals die aan de index van de consumptieprijzen is gekoppeld, die de wedde bepaalt die voor de maand maart van het vakantiejaar is verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar of de stagiair voor die maand geen of slechts een gedeeltelijke wedde heeft ontvangen, wordt bedoeld percentage berekend op basis van de wedde die zou verschuldigd zijn voor de beschouwde maand. § 2. Wanneer de ambtenaar of de stagiair gedurende het gehele kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de vakantie moet worden toegestaan geen volledige prestaties heeft verricht, wordt het bedrag van het vakantiegeld vastgesteld als volgt : 1° een twaalfde van het jaarbedrag voor elke prestatieperiode die een ganse maand beslaat;2° een dertigste van het maandbedrag per kalenderdag wanneer de prestaties geen ganse maand beslaan. In afwijking van het vorige lid, worden voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld in aanmerking genomen de perioden waarin de ambtenaar of de stagiair, tijdens het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de vakantie moet worden toegestaan : 1° zijn functies heeft opgeschort wegens de verplichtingen die hem worden opgelegd, krachtens de wet van 16 mei 2001Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/05/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht;2° met ouderschapsverlof was;3° uit de dienst afwezig was ingevolge een verlof of een arbeidsonderbreking zoals bedoeld in de artikelen 39 en 42 tot 43bis van de arbeids wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten of in artikel 18, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de arbeidstijd. Voor zover de ambtenaar en de stagiair ervan met elk rechtsmiddel het bewijs kunnen leveren, wordt, voor de berekening van het vakantiegeld, de periode vanaf 1 januari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de vakantie moet worden toegestaan tot de dag welke voorafgaat aan die waarop hij de hoedanigheid van ambtenaar of stagiair heeft verkregen, eveneens in aanmerking genomen, op voorwaarde : 1° minder dan 25 jaar oud te zijn op het einde van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de vakantie moet worden toegestaan;2° uiterlijk in dienst te zijn getreden op de laatste werkdag van de vier maanden volgend op : a) hetzij de datum waarop de ambtenaar of de stagiair de inrichting heeft verlaten waar hij zijn studies heeft gedaan, onder de in artikel 62 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders voorziene voorwaarden;b) hetzij de datum waarop de leerovereenkomst werd beëindigd. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van onvolledige prestaties wordt het vakantiegeld toegekend naar rato van de geleverde prestaties. § 4. Twee of meer vakantiegelden met inbegrip van die verkregen in toepassing van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers, kunnen niet gecumuleerd worden boven een bedrag overeenkomend met het hoogste vakantiegeld dat bekomen wordt wanneer de vakantiegelden van al de uitgeoefende ambten of activiteiten berekend worden op basis van volledige prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor wordt het vakantiegeld van één of meerdere ambten verminderd of ingehouden, met uitzondering van het vakantiegeld in uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inhoudingen of verminderingen op verscheidene vakantiegelden moeten of kunnen gebeuren, wordt eerst het kleinste vakantiegeld verminderd of ingehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van voorgaande leden moet onder het vakantiegeld in uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers worden verstaan, het gedeelte van het vakantiegeld dat niet overeenstemt met het loon voor de vakantiedagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van voorgaande leden is de ambtenaar of de stagiair die vakantiegelden cumuleert, gehouden het bedrag ervan, evenals eventueel het bedrag berekend voor volledige prestaties, aan elke personeelsdienst waarvan hij afhangt mede te delen. Iedere inbreuk kan aanleiding geven tot tuchtstraffen. § 5. Het vakantiegeld wordt uitbetaald tijdens de maand mei van het jaar gedurende hetwelk de vakantie moet worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het vorige lid, wordt het vakantiegeld uitbetaald tijdens de maand volgend op de datum waarop de ambtenaar of de stagiair de leeftijdsgrens bereikt, of op de datum van overlijden, van ontslagneming of van afzetting van de ambtenaar of van de stagiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het vorige lid wordt het vakantiegeld berekend rekening houdend met het percentage en de eventuele inhouding die op de beschouwde datum gelden; het percentage wordt toegepast op de jaarwedde die als basis dient voor de berekening van de wedde die de ambtenaar of de stagiair op die datum geniet. Wanneer hij op dit ogenblik geen wedde of een verminderde wedde geniet, wordt het percentage berekend op de wedde(n) die hem dan verschuldigd zou(den) zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het vakantiegeld wordt een inhouding van 13,07 % uitgevoerd. Art. 294.§ 1. Onverminderd artikel 29, 3°, van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/05/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten0 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, bekomen de ambtenaar en de stagiair het volledig genot van het bedrag van de in § § 4 tot 9 bepaalde eindejaarstoelage, indien zij als titularis van een ambt met volledige prestaties het volledig voordeel van hun wedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding hebben genoten tijdens de hele periode van 1 januari tot 30 september van het in aanmerking genomen jaar. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar of de stagiair, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, niet het volledig voordeel van hun in § 1 bedoelde wedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding hebben genoten, bekomen zij een eindejaarstoelage waarvan het bedrag verminderd wordt naar rata van de wedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding die zij werkelijk hebben ontvangen. § 3. Wanneer de ambtenaar of de stagiair, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, tijdens de periode van 1 januari tot 30 september van het in aanmerking genomen jaar met ouderschapsverlof was of niet in dienst is kunnen treden of zijn ambtsverplichtingen heeft geschorst wegens de verplichtingen die hem worden opgelegd, krachtens de wet van 16 mei 2001Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/05/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht, worden deze periodes gelijkgesteld met periodes tijdens welke hij het volledig voordeel van zijn wedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding heeft genoten. § 4. Het bedrag van de eindejaarstoelage bestaat uit een forfaitair gedeelte en een veranderlijk gedeelte. § 5. Het bedrag van de eindejaarstoelage wordt berekend als volgt : 1° voor het forfaitair gedeelte : het bedrag van het forfaitair gedeelte wordt op 336,48 euro vastgesteld.Dit bedrag wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 van de consumptieprijzen en wordt geïndexeerd op dezelfde wijze als de voor de maand oktober van het lopende jaar verschuldigde wedde; 2° voor het veranderlijk gedeelte : het veranderlijk gedeelte bedraagt 2,5 %.van de jaarlijkse brutowedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding die tot grondslag diende voor de berekening van de wedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding aan de gerechtigde voor de maand oktober van het in aanmerking genomen jaar. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar of de stagiair niet hun wedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding hebben genoten voor de maand oktober van het in aanmerking genomen jaar, komt voor de berekening van het veranderlijk gedeelte van de toelage die jaarlijkse brutowedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding in aanmerking welke voor de berekening van de wedde voor deze maand tot grondslag zou hebben gediend, indien deze laatste verschuldigd was geweest. § 7. Voor de ambtenaar of de stagiair die de in artikel 292 bedoelde gewaarborgde bezoldiging genieten, zal het bedrag van de gewaarborgde bezoldiging in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van het veranderbaar gedeelte van de eindejaarstoelage. § 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de eindejaarstoelage worden de inhoudingen verricht welke zijn vastgesteld krachtens de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/06/1969 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, behalve voor de gerechtigden die uitsluitend onderworpen zijn aan de regeling van verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector geneeskundige verzorging. § 9. De eindejaarstoelage wordt tijdens de maand december van het in aanmerking genomen jaar uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL IV. - Toelagen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 295.Het vervullen van prestaties die niet als normaal en eigen aan de functie kunnen worden beschouwd, kan aanleiding geven tot het toekennen van een toelage. Art. 296.In het geval van onderbreking van de ambtsuitoefening is de toelage slechts verschuldigd als die onderbreking niet langer duurt dan dertig werkdagen en de ambtenaar of de stagiair het recht op zijn wedde niet verliest. Art. 297.Als de maandelijkse wedde niet volledig verschuldigd is, worden de toelagen bedoeld in hoofdstukken II, IV en V uitbetaald, overeenkomstig artikel 282, § 2. HOOFDSTUK II. - Toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt Art. 298.De ambtenaar die een hoger ambt onafgebroken waarneemt gedurende een periode van ten minste negentig dagen, krijgt een toelage die gelijk is aan het verschil tussen de bezoldiging die de ambtenaar zou genieten in de graad van het hoger ambt en de bezoldiging die hij geniet in zijn effectieve graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde bezoldiging omvat, in voorkomend geval, de haard- en standplaatsvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze toelage wordt retroactief toegekend tot de eerste dag waarop de ambtenaar de hogere functie effectief uitoefende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang hij de voormelde functie bekleedt, heeft de ambtenaar recht op de hieraan verbonden tussentijdse verhogingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelage wordt gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01 van de consumptieprijzen. HOOFDSTUK III. - Toelagen aan de boekhouders en rekenplichtigen Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-299\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 299</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De in dit hoofdstuk bedoelde toelagen kunnen niet met elkaar worden gecumuleerd. § 2. De in dit hoofdstuk bedoelde toelagen worden maandelijks en samen met de wedde uitbetaald. Zij worden gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01 van de consumptieprijzen. § 3. De in dit hoofdstuk bedoelde toelagen zijn niet verschuldigd als de centraliserend rekenplichtige, de rekenplichtige van de geschillen, de rekenplichtige van de liggende gelden of de boekhouder geschorst is. Afdeling 2. - De verantwoordelijkheidstoelage aan de centraliserend rekenplichtigen, de rekenplichtigen van de geschillen en de liggende gelden en de boekhouders Art. 300.§ 1. Er wordt aan de ambtenaren aangesteld door het Algemeen Beheerscomité als centraliserend rekenplichtige, rekenplichtige van de geschillen, rekenplichtige van de liggende gelden of boekhouder een toelage toegekend waarvan het jaarbedrag is vastgelegd op 3.570 euro. § 2. De toelage wordt toegekend aan de plaatsvervangende centraliserende rekenplichtige, aan de plaatsvervangende rekenplichtige van de geschillen, aan de plaatsvervangende rekenplichtige van de liggende gelden of aan de plaatsvervangende boekhouder pro rata de periode gedurende dewelke hij die functie effectief heeft uitgeoefend. Afdeling 3. - Toelage aan de rekenplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-301\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 301</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Er wordt aan de ambtenaren aangesteld door het Algemeen Beheerscomité als rekenplichtigen van de ontvangsten, rekenplichtigen voor rekeningen van derden en beheerders van de voorschotten of aan hun plaatsvervangers een forfaitaire jaartoelage toegekend van 900 euro. § 2. De toelage wordt toegekend aan de plaatsvervangende rekenplichtige van de ontvangsten, aan de plaatsvervangende rekenplichtige voor rekeningen van derden of aan de plaatsvervangende beheerder van de voorschotten toegekend naar rato van de periode waarin hij zijn functie daadwerkelijk heeft vervuld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-302\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 302</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelage is niet verschuldigd indien de verschillende rekeningen waarvoor de rekenplichtige verantwoordelijk is, niet het bedrag van 30.000 euro per jaar bereiken. HOOFDSTUK IV. - Toelage aan sommige laureaten van een vergelijkende selectie voor overgang naar het hoger niveau Art. 303.§ 1. De ambtenaar die slaagt voor een vergelijkende selectie voor overgang naar het hoger niveau en die, na verloop van twee jaar te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal van de selectie, niet is benoemd tot de graad waarvoor hij heeft meegedongen, krijgt een jaarlijkse toelage waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld : 1° 1.125 euro voor de selecties die toegang verlenen tot niveau A; 2° 500 euro voor de selecties die toegang verlenen tot de niveaus B et C. De toelage wordt maandelijks en samen met de wedde vereffend. Zij wordt gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01 van de consumptieprijzen. § 2. De toekenning van de toelage mag nooit tot gevolg hebben dat de bezoldiging van de ambtenaar hoger ligt dan die welke hij zou hebben bekomen als hij zou benoemd geworden zijn in de graad waarvoor hij heeft medegedongen Om deze bezoldiging te bepalen wordt met de haard- of standplaatstoelage en iedere andere toelage inherent aan het uitoefenen van het ambt rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die de bevordering weigert, waarop hij omwille van het slagen voor de vergelijkende selectie aanspraak kan maken, verliest vanaf de dag van weigering het voordeel van de toelage voorzien in § 1. HOOFDSTUK V. - Tweetaligheidstoelage Art. 304.Er wordt een tweetaligheidspremie toegekend aan de ambtenaren en stagiairs die het bewijs hebben geleverd dat zij een schriftelijke en/of mondelinge kennis hebben van de tweede taal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze schriftelijke en/of mondelinge kennis wordt bepaald door middel van : 1° hetzij het Koninklijk Besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/05/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten1 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en gestaafd door een taalcertificaat uitgereikt door SELOR;2° of één van de niveaus van taalbeheersing bepaald door het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader en gestaafd door een taalcertificaat uitgereikt door de Vlaamse Gemeenschap of de Franse Gemeenschap erkende taalonderwijsinstelling. Art. 305.Het jaarlijkse bedrag van de toelage verschilt naargelang het aan de ambtenaar en de stagiair uitgereikte certificaat van taalkennis. 1° Overeenkomstig artikel 304, tweede lid, 1°, wordt het bedrag bepaald op basis van de examens bedoeld in de volgende artikelen van voornoemd Koninklijk Besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/05/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten1 : a) artikel 9, § 1, tweede lid, of artikel 10 (elementaire mondelinge kennis) : 600 euro; b) artikel 9, § 2, tweede lid of artikelen 8 en, of 9, § 1, tweede lid of artikel 10 (elementaire mondelinge en schriftelijke kennis) : 2.400 euro; c) artikelen 11 en 9, § 1 (voldoende mondelinge en schriftelijke kennis) of artikel 12 : 3.200 euro. 2° Overeenkomstig artikel 304, tweede lid, 2°, wordt het bedrag bepaald op basis van de volgende niveaus van taalbeheersing van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader : a) kennisniveau A1 : 600 euro; b) kennisniveau B1 : 2.400 euro; c) kennisniveau C1 voor de lees- en luistervaardigheden en B2 voor de mondelinge en schriftelijke kennis : 3.200 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende toelagen kunnen niet gecumuleerd worden. Art. 306.De ambtenaren en stagiairs die geslaagd zijn voor het in artikel 7 van voormeld Koninklijk Besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/05/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten1 bedoelde examen, verkrijgen een tweetaligheidstoelage volgens hun niveau.</p></div>", "next": 239388}