{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het verlof wegens opdracht wordt bovendien gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 214.Het verlof wordt evenwel bezoldigd wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens de beschikking van 26 juli 1988 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Het kan eveneens worden bezoldigd met instemming van de Regering wanneer de opdracht in het kader van de programma's van de Europese Unie wordt toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien kan de Regering voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B, beslissen dat het verlof wegens opdracht wordt bezoldigd. Die overheden bepalen de instellingen voor dewelke bezoldigde opdrachten kunnen worden uitgeoefend. Art. 215.De ambtenaar die door de Regering of door de benoemende overheid, naargelang van het geval, met een internationale opdracht wordt belast, kan een vergoeding genieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering of de benoemende overheid, naargelang van het geval, stelt de vergoeding vast rekening houdend met : 1° de bezoldiging toegekend ter uitvoering van de opdracht;2° de duur van de opdracht, de levensduurte in het land waar de opdracht wordt uitgevoerd, de sociale rang die met deze opdracht overeenstemt en de verhoogde gezinslasten verbonden aan de expatriatie. De vergoeding mag niet worden toegekend indien de ambtenaar hetzij krachtens andere wets- of verordeningsbepalingen, hetzij wegens de vervulling van zijn opdracht, gelijkwaardige voordelen geniet. Art. 216.Onverminderd artikel 215 wordt de ambtenaar die belast is met een opdracht bezoldigd door de instelling waarin hij zijn opdracht vervult. Art. 217.Zodra de ambtenaar twee jaar met verlof wegens opdracht is, kan de Regering of de benoemende overheid, naargelang van het geval beslissen of de betrekking die hij bekleedt, in het belang van de dienst als vacant moet worden beschouwd. Art. 218.Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden, kan de Regering of de benoemende overheid, naargelang het geval, op ieder ogenblik een eind maken aan de opdracht waarmede de ambtenaar is belast. Art. 219.De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of door zijn toedoen wordt beëindigd, stelt zich opnieuw ter beschikking van zijn instelling. HOOFDSTUK VI. - Het verlof wegens ziekte Afdeling 1. - De ziekteverlofdagen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-220\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 220</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens zijn volledige loopbaan heeft de ambtenaar, die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, recht op ziekteverlof tot maximum eenentwintig werkdagen per twaalf maanden dienstanciënniteit. Als hij nog geen zesendertig maanden in dienst is wordt zijn wedde hem niettemin gedurende drieënzestig werkdagen gewaarborgd Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden eveneens in aanmerking genomen de werkelijke prestaties die de ambtenaar in welke hoedanigheid verricht heeft, als titularis van ambten met volledige prestaties in een andere overheidsdienst of een onderwijsinstelling, een dienst voor beroepskeuze, een psycho-medisch-sociaal centrum of een medisch-pedagogisch instituut voorzover zij werden opgericht, erkend of gesubsidieerd door de Staat, een Gewest of Gemeenschap. Art. 221.Het aantal werkdagen, bedoeld in artikel 220 wordt in evenredigheid verminderd, wanneer hij tijdens zijn loopbaan verlof heeft gekregen : 1° van arbeidsherverdelende aard;2° om een stage te vervullen in een andere overheidsdienst;3° om een opdracht te vervullen buiten het Gewest;4° om kandidaat te zijn bij verkiezingen;5° voor onderbreking van de beroepsloopbaan;6° wegens ziekte, behalve in geval van een arbeidsongeval of op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte. De ambtenaar die op non-activiteit is geplaatst geweest wegens ongewettigde afwezigheid, is onderworpen aan dezelfde regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het aldus berekende aantal dagen ziekteverlof geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel de werkdagen begrepen in de periode van afwezigheid wegens ziekte worden aangerekend. Art. 222.§ 1. Het verlof wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking zoals bedoeld in artikelen 168 tot 172, noch aan de stelsels van de halftijdse vervroegde uittreding en van de vierdagenweek bedoeld in de wet van 10 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/04/1995 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/04/2013 numac 2013000222 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar blijft de voor zijn verminderde prestaties verschuldigde wedde ontvangen. § 2. Wanneer de ambtenaar deeltijdse prestaties verricht, worden de afwezigheden wegens ziekte aangerekend op het aantal dagen verlof waarop hij krachtens artikel 220 recht heeft, naar rata van de te verrichten prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het totale aantal aldus verrekende dagen per 12 maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is wordt de dagbreuk verwaarloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar die deeltijdse prestaties verricht, worden als dagen ziekteverlof de dagen afwezigheid aangerekend tijdens welke de ambtenaar prestaties diende te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 223</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof wegens ziekte wordt tijdelijk onderbroken tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang. De dagen verlof om dwingende redenen die samenvallen met een ziekteverlof worden niet als ziekteverlofdagen beschouwd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 224</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In afwijking van artikel 220, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van : 1° een arbeidsongeval;2° een ongeval op de weg van en naar het werk;3° een beroepsziekte. Bovendien komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, zelfs na de datum van consolidatie, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen welke de ambtenaar nog kan krijgen bij toepassing van artikel 220. § 2. De ambtenaren die door een beroepsziekte bedreigd worden en die, onder de door de minister vastgestelde voorwaarden, daardoor tijdelijk dienen op te houden hun ambt uit te oefenen, worden ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 225</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de schuld van een derde dat geen ongeval is als bedoeld in artikel 224 worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen die de ambtenaar nog krachtens artikel 220 kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde is toegewezen en dat als grondslag dient voor de wettelijke indeplaatsstelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 226</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar verminderde prestaties verricht die gespreid zijn over alle werkdagen, wordt het ziekteverlof aangerekend pro rata van het aantal uren dat hij gedurende zijn afwezigheid had moeten presteren Indien het aldus berekende aantal werkdagen geen geheel getal is, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aldus het totaal aantal aangerekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is, wordt het gedeelte van de dag niet meegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar deeltijds verlof geniet op basis van een wettelijke bepaling tot herverdeling van de arbeid in de openbare sector, worden als ziekteverlof meegerekend de werkdagen tijdens dewelke hij op basis van een voltijdse werkregeling prestaties had moeten verrichten. Afdeling 2. - Het toezicht en de definitieve ongeschiktheidsverklaring</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 227</span><span class=\"lf-art-t\">De wegens ziekte afwezige ambtenaar staat onder het geneeskundig toezicht van de door de Regering aangewezen medische controledienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar niet akkoord gaat met de beslissing van de controlerend geneesheer, neemt de controlerend geneesheer binnen de vierentwintig uur contact met de behandelende geneesheer. Ingeval van niet-akkoord tussen beide geneesheren, wijzen zij onmiddellijk in onderling akkoord een arbitrerend geneesheer aan. De beslissing van de arbitrerend geneesheer is definitief. Art. 228.De ambtenaar blijft onderworpen aan de reglementering van de federale Administratieve Gezondheidsdienst voor wat betreft het geschiktheidsonderzoek, de arbeidsongevallen, de beroepsziekten en de definitieve medische ongeschiktheidsverklaring. Art. 229.Met eerbiediging van de geldende procedure bij de Administratieve Gezondheidsdienst, heeft de ambtenaar een recht van beroep tegen de beslissingen van deze dienst, voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 228. Art. 230.De ambtenaar kan niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte alvorens hij het aantal werkdagen heeft uitgeput waarop hij recht heeft als ziekteverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet toepasselijk op de ambtenaar die een opdracht heeft vervuld bij een buitenlandse Regering, een buitenlands openbaar bestuur of een internationale instelling, en uit dien hoofde in ruste werd gesteld wegens invaliditeit en een pensioen ontvangt. Afdeling 3. - De verminderde prestaties wegens ziekte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 231</span><span class=\"lf-art-t\">De medische controledienst oordeelt of een ambtenaar met ziekteverlof in staat is om zijn ambt weder op te nemen met halve-dagprestaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar met ziekteverlof kan zelf vragen zijn ambt weder te mogen opnemen met halve-dagprestaties. Hij legt tot staving van die aanvraag een doktersattest over aan de medische controledienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medische controledienst geeft in beide gevallen kennis van zijn beslissing aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Art. 232.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal roepen de ambtenaar opnieuw in dienst en staan hem toe die verminderde prestaties te verrichten, tenzij die maatregel niet in overeenstemming kan worden gebracht met de eisen van de goede werking van de dienst. Art. 233.Halve-dagprestaties worden niet toegestaan voor een periode van meer dan dertig kalenderdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlengingen voor ten hoogste dezelfde periode mogen worden toegestaan, indien de medische controledienst zich bij een nieuw onderzoek in die zin uitspreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een periode van tien jaar dienstactiviteit mogen halve-dagprestaties niet meer dan negentig werkdagen lang worden uitgeoefend. Art. 234.De halve dagen die een ambtenaar afwezig is tijdens een periode van verminderde prestaties wegens ziekte worden beschouwd als verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. HOOFDSTUK VII. - De verloven om politieke redenen Afdeling 1. - Het verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-235\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 235</span><span class=\"lf-art-t\">De ambtenaar kan een verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor de wetgevende, gemeenschaps-, gewest-, provinciale, gemeentelijke of Europese verkiezingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit verlof wordt toegekend voor een periode die overeenstemt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan hij deelneemt. Art. 236.Dit verlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 2. - Het verlof om een functie uit te oefenen bij een erkende politieke fractie Art. 237.Een erkende politieke fractie is een groep verkozenen die als dusdanig is erkend overeenkomstig het reglement van de wetgevende vergadering waartoe zij behoren. Art. 238.De ambtenaar kan verlof krijgen om een ambt uit te oefenen bij een erkende politieke fractie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Voorzitter van een politieke fractie dient hiertoe een verzoek in bij de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directieraad gaat na of het belang van de dienst er zich niet tegen verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof wordt toegekend door de benoemende overheid, met de instemming van de ambtenaar. Art. 239.De beslissing vermeldt de duur van het toegekende verlof, alsmede de politieke fractie waarbij de ambtenaar een ambt zal uitoefenen. Art. 240.De benoemende overheid kan om dienstredenen het verlof beëindigen mits hij een opzeggingstermijn van één maand respecteert. Art. 241.Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het is niet bezoldigd. Afdeling 3. - Het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 242</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar krijgt verlof wanneer hij aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen op het kabinet van een minister of Staatssecretaris van : 1° de federale Regering;2° de Regering van een Gemeenschap of Gewest;3° het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. De aanwijzing gebeurt na akkoord van de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A of van de raad van bestuur of van het bestuurscomité voor de instellingen van categorie B. Bij het einde van zijn detachering en tenzij hij naar een ander kabinet overgaat, krijgt de ambtenaar, per maand activiteit in een kabinet, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen. Art. 243.Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 4. - Het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-244\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 244</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar krijgt op zijn aanvraag vrijstelling van dienst, ten belope van : 1° een halve dag per maand, voor de uitoefening van een mandaat van gemeenteraadslid, burgemeester, schepen of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter inbegrepen, in een gemeente tot 10.000 inwoners; 2° één dag per maand, voor de uitoefening van een mandaat van : a) gemeenteraadslid of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10.001 inwoners of meer; b) burgemeester, schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10.001 tot 30.000 inwoners; c) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 30.001 tot 50.000 inwoners; d) provincieraadslid, niet-lid van de bestendige deputatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-245\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 245</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vrijstelling van dienst bepaald in artikel 244, 2°, wordt naar keuze van de betrokkene genomen in dagen of halve dagen. Zij mag niet van een maand naar een andere worden overgedragen tenzij zij is toegekend voor het uitoefenen van een mandaat van provincieraadslid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-246\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 246</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan op zijn aanvraag een facultatief politiek verlof krijgen, ten belope van : 1° één of twee dagen per maand, voor de uitoefening van een mandaat van burgemeester, schepen, voorzitter of lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn, in een gemeente tot 10.000 inwoners; 2° één tot drie dagen per maand, voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 10.001 tot 30.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10.001 tot 50.000 inwoners; c) lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10.001 tot 20.000 inwoners; 3° één tot vijf dagen per maand, voor de uitoefening van een mandaat van lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van meer dan 20.000 inwoners; 4° een kwart van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 30.001 tot 50.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 50.001 tot 80.000 inwoners; 5° de helft van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 50.001 tot 80.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 80.001 tot 130.000 inwoners</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-247\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 247</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is in politiek verlof van ambtswege, ten belope van : 1° twee dagen per maand voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 20.001 tot 30.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 20.001 tot 50.000 inwoners; 2° een kwart van een voltijds ambt voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 30.001 tot 50.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 50.001 tot 80.000 inwoners; 3° de helft van een voltijds ambt voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 50.001 tot 80.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 80.001 tot 130.000 inwoners; 4° een voltijds ambt voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente met meer dan 80.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente met meer dan 130.000 inwoners; c) lid van de bestendige deputatie van een provincieraad</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-248\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 248</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingen van de ordonnantie van 27 april 1995 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met het oog op de uitoefening van een mandaat van lid van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad of de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is de ambtenaar in politiek verlof van ambtswege, ten belope van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van : 1° lid van één der wetgevende Kamers of van de federale Regering;2° lid van de Vlaamse Raad, van de Waalse Gewestraad, van de Raad van de Franse Gemeenschap en van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap;3° lid van de Vlaamse regering, van de Waalse Gewestregering, van de Franse Gemeenschapsregering en van de Duitstalige Gemeenschapsregering;4° lid van het Europees Parlement of van de Europese Commissie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-249\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 249</span><span class=\"lf-art-t\">Het politiek verlof van ambtswege vangt aan op de datum van de eedaflegging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-250\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 250</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de artikelen 244, 246 en 247, wordt het aantal inwoners bepaald overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 29 van de Nieuwe Gemeentewet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-251\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 251</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die geen voltijds ambt uitoefent wordt met voltijds politiek verlof van ambtswege gezonden indien aan zijn politiek mandaat reeds een politiek verlof van ambtswege beantwoordt waarvan de duur ten minste de helft van een voltijds ambt beloopt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-252\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 252</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die recht heeft op een politiek verlof waarvan de duur niet de helft van een voltijds ambt overschrijdt, kan, op zijn aanvraag, halftijds of voltijds politiek verlof krijgen De ambtenaar die recht heeft op een halftijds politiek verlof, kan op zijn aanvraag, voltijds politiek verlof krijgen. Art. 253.De periodes welke door facultatief politiek verlof of politiek verlof van ambtswege worden gedekt, worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Ze worden evenwel niet bezoldigd. Art. 254.Het politiek verlof eindigt uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op die tijdens de welke het mandaat een einde neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf dat ogenblik, herkrijgt de belanghebbende zijn rechten. Wanneer hij niet in zijn betrekking werd vervangen, bezet hij die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. Indien hij wel werd vervangen, wordt hij voor een andere betrekking aangewezen. Art. 255.De ambtenaar mag na zijn wederopneming zijn wedde niet cumuleren met voordelen die verbonden zijn aan de uitoefening van een politiek mandaat en die een wederaanpassingsvergoeding betreffen. HOOFDSTUK VIII. - Het beroep inzake verlof, afwezigheid en disponibiliteit Art. 256.Behalve inzake ziekteverlof, in geval van disponibiliteit wegens ziekte en in geval van ontslag van ambtswege wegens ongerechtvaardigde afwezigheid van meer dan tien werkdagen, kan de ambtenaar in beroep gaan bij de commissie bedoeld in artikel 17 wanneer hij niet akkoord gaat met een beslissing inzake verlof, afwezigheden of disponibiliteit. Art. 257.De ambtenaar beschikt voor het instellen van zijn beroep, over een termijn van tien werkdagen ingaande op de dag waarop hem kennis is gegeven van de beslissing tot afwijzing van zijn aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan op zijn vraag worden gehoord door de commissie en mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 258.De betwiste beslissing wordt verdedigd door een ambtenaar aangewezen door de overheid die de beslissing heeft getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de commissie is definitief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie beslist binnen een termijn van één maand die aanvangt op de dag dat het beroep werd ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VIII. - De vorming HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 259.Inzake vorming dient men te verstaan onder : 1° doorlopende beroepsvorming : de basisvorming waarvan het programma wordt opgelegd voor ieder niveau en die als vereiste geldt om tot een volgende weddenschaal in de functionele loopbaan te worden toegelaten;2° vrijwillige beroepsvorming : de vorming die het mogelijk maakt zijn functionele loopbaan te versnellen en die : a) zonder te zijn opgelegd, een professionele meerwaarde verleent aan de ambtenaar, en b) als beroepsvorming is erkend door de Regering of de instantie die zij daartoe bevoegd verklaart. Art. 260.De vormingsprogramma's worden toevertrouwd aan interne medewerkers of aan externe deskundigen. Art. 261.Elke instelling wordt belast met : 1° het onthaal van de nieuwe personeelsleden te organiseren en samen met de bevoegde hiërarchische meerdere een individueel opleidingsprogramma vast te leggen;2° het jaarlijks vormingsplan op te stellen;3° de opleidingen te organiseren;4° de samenwerking met de vormingsdienst van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Art. 262.Er wordt voor elk begrotingsjaar een vormingsplan opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit plan houdt in : 1° de te bereiken algemene doelstellingen van de vorming, zowel kwalitatief als kwantitatief;2° de prioriteiten voor het komende jaar;3° de te voorziene opleidingen naar inhoud, vorm en duur;4° het al dan niet verplicht karakter van de verschillende opleidingen;5° de begroting te voorzien voor ieder van de vormingsdoelstellingen;6° na verloop van het eerste vormingsplan, een evaluatie van de mate waarin de doelstellingen werden verwezenlijkt. Art. 263.Het vormingsplan wordt opgesteld in samenwerking met de dienstverantwoordelijken. Dit plan wordt voorgelegd aan de directeur-generaal en aan de adjunct-directeur-generaal van de instelling. Art. 264.Het jaarlijkse vormingsplan wordt goedgekeurd door de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A en door de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B. Het wordt vóór 1 november voorgelegd aan het overleg met de vakorganisaties. HOOFDSTUK II. - Het verloop van de vorming Afdeling 1. - De doorlopende beroepsvorming</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-265\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 265</span><span class=\"lf-art-t\">Iedere ambtenaar neemt deel aan de vorming die rechtstreeks betrekking heeft op de materies die hij in zijn ambt behandelt of zal te behandelen krijgen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze vorming is verplicht. Art. 266.Er wordt dienstvrijstelling verleend indien de opleiding wordt gegeven tijdens de diensturen. Als de opleiding langer duurt dan een normale werkdag, heeft de ambtenaar recht op een recuperatie van de overuren middels een dienstvrijstelling. Afdeling 2. - De vrijwillige beroepsvorming</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-267\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 267</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor de versnelde functionele loopbaan, dient de ambtenaar een beroepsvorming te volgen waarvan de duur ten minste bedraagt : - 30 uur voor niveau E; - 75 uur voor niveau D; - 100 uur voor de overige niveaus Er wordt voor elk niveau een vormingspakket erkend dat een voldoende keuze aan vormingsprogramma's bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar dient persoonlijk een aanvraag in voor het volgen van een vormingsprogramma uit het voor zijn niveau erkende vormingspakket. Art. 268.Er wordt dienstvrijstelling verleend indien de opleiding wordt gegeven tijdens de diensturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan studieverlof aanvragen indien de opleiding over een volledig jaar is gespreid en besloten wordt met een examen over de gedoceerde materie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het studieverlof bedraagt per jaar maximaal twee dagen voor niveau E, vijf dagen voor niveau D en tien dagen voor de andere niveaus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 269.Indien een inschrijvingsrecht verschuldigd is, wordt het terugbetaald aan de ambtenaren die de opleiding met goed gevolg hebben doorlopen. Afdeling 3. - De vorming inzake loopbaanexamens</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-270\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 270</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder loopbaanexamens : 1° het vergelijkend examen georganiseerd door SELOR voor overgang naar een hoger niveau;2° de voorbereidende proef voor overgang naar een graad in de rangen B2, C2, D2 of E2 volgens het niveau waartoe de ambtenaar behoort. Art. 271.De ambtenaar heeft recht op een opleiding die hem voorbereidt op de in artikel 270 bedoelde examens. Art. 272.Indien de opleidingen worden gegeven tijdens de diensturen, geniet hij dienstvrijstelling Op zijn verzoek, krijgt hij een studieverlof van ten hoogste vijf dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL IX. - De tuchtregeling HOOFDSTUK I. - De tuchtstraffen Art. 273.De tuchtstraffen die kunnen worden uitgesproken, zijn : 1° de terechtwijzing;2° de inhouding van wedde;3° de tuchtschorsing;4° de lagere inschaling;5° de terugzetting in graad;6° de afzetting. Art. 274.De inhouding van wedde kan niet worden toegepast voor een periode van meer dan drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij mag niet meer bedragen dan deze bepaald bij artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten op de bescherming van het loon der werknemers. Art. 275.De tuchtschorsing mag een periode van drie maanden niet overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij plaatst de ambtenaar van rechtswege in de stand van non-activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn rechten op bevordering of weddeverhoging niet laten gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan een inhouding van wedde ondergaan die het maximum bepaald bij artikel 274, tweede lid, niet mag overschrijden. Art. 276.De lagere inschaling wordt, naargelang van het geval, opgelegd door toekenning : 1° van een lagere weddenschaal in dezelfde graad;2° van een graad van dezelfde rang met een lagere weddenschaal; De terugzetting in graad wordt opgelegd middels toekenning van een graad van een lagere rang die in hetzelfde of in een lager niveau is ingedeeld. Art. 277.De afzetting verbreekt definitief de banden van de ambtenaar met de openbare dienst. HOOFDSTUK II. - De tuchtvordering Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-278\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 278</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtvordering mag enkel slaan op feiten die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld binnen de zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de vordering aanvangt. Art. 279.In geval van strafvordering en indien het openbaar ministerie de definitieve rechtsbeslissing heeft medegedeeld aan de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A en aan de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B, wordt de tuchtvordering niet later ingesteld dan zes maanden na de datum van de mededeling Vrijspraak door de strafrechter is voor de overheid geen beletsel om een tuchtstraf uit te spreken, op voorwaarde dat de motivering van de straf het gezag van gewijsde niet aantast. De overheid is bovendien niet gebonden door de wijze waarop de rechtbanken het gedrag van de ambtenaar hebben beoordeeld omtrent de hem ten laste gelegde feiten. Art. 280.Wanneer meer dan één feit de ambtenaar ten laste wordt gelegd, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elke faze van de tuchtprocedure, kan de ambtenaar, in functie van zijn verdediging, worden gehoord en bijgestaan door een persoon van zijn keuze Afdeling 2. - Het voorstel van straf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-281\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 281</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kunnen de volgende straffen voorstellen tegenover : 1° de ambtenaren van een graad van rang A3 of een lagere graad : de hiërarchische chef, voor de terechtwijzing en de hiërarchische chef van een graad van ten minste rang A3 voor de andere straffen;2° de ambtenaren van rang A4 : de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor alle straffen;3° de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal : de functioneel bevoegde minister voor alle straffen. Art. 282.De overheden bedoeld in artikel 281 horen de ambtenaar over de feiten alvorens een straf voor te stellen Indien zij oordelen dat een straf moet worden voorgesteld betekenen zij een voorstel van straf aan de ambtenaar, samen met het verslag van de hoorzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betekening van het voorstel van straf zet de tuchtvordering in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid van dit artikel bedoelde overheden brengen binnen een termijn van een maand het voorstel van straf ter kennis van de overheid die de straf uitspreekt. Die termijn gaat in op de dag die volgt op degene waarop het voorstel van straf ter kennis van de ambtenaar is gebracht. Afdeling 3. - De uitspraak van de straf in eerste aanleg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-283\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 283</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Spreken tuchtstraffen uit tegenover : 1° de ambtenaren van een graad van rang A3 of een lagere rang : de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor alle straffen, met uitzondering van de tuchtschorsing voor wat betreft de ambtenaren die behoren tot een instelling van categorie B en de afzetting, die worden uitgesproken door de benoemende overheid;2° de ambtenaren van rang A4 : de Regering voor de afzetting en de functioneel bevoegde minister voor de andere straffen; Art. 284.De Regering is bevoegd voor het uitspreken van alle straffen ten overstaan van de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal. De minister die de straf heeft voorgesteld neemt geen deel aan de beraadslaging van de Regering betreffende de uitspraak van de straf. Art. 285.De overheid die de straf uitspreekt, kan geen andere feiten inroepen dan die welke het voorstel van straf uitgebracht door de overheden bedoeld in artikel 281 hebben gemotiveerd. Art. 286.De overheid spreekt de straf uit binnen een termijn van twee maanden na de betekening van het voorstel van straf Deze termijn begint te lopen op de eerste dag volgend op de betekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij brengt haar beslissing binnen tien werkdagen na het uitspreken van de straf ter kennis van de ambtenaar over wie er een straf is uitgesproken. HOOFDSTUK III. - Het beroep inzake tuchtaangelegenheden Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-287\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 287</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar waartegen de straf werd uitgesproken, kan, binnen tien werkdagen na de betekening van de straf, beroep indienen bij de gemeenschappelijke raad van beroep of de regionale raad van beroep van de ambtenaren-generaal, naargelang zijn graad Het beroep wordt bij aangetekend schrijven aan de voorzitter gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het indienen van het beroep schorst de uitvoering van de tuchtstraf. Art. 288.Als geen beroep wordt ingediend bij één van de raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290, wordt de straf uitvoerbaar zodra de beroepstermijn verstreken is. Afdeling 2. - De gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut en de regionale raad van beroep van de ambtenaren-generaal Art. 289.Er wordt een gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut ingesteld die de beroepen inzake tuchtzaken van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van alle niveaus, uitgezonderd de leidende ambtenaren, behandelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-290\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 290</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gewestelijke raad van beroep van de ambtenaren-generaal ingesteld door het artikel 285, 2°, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behandelt de beroepen inzake tuchtzaken van de ambtenaren-generaal van het Ministerie en de leidende ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-291\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 291</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut is samengesteld als volgt : 1° een effectief voorzitter-magistraat en een plaatsvervangende voorzitter-magistraat, aangewezen door de Regering;2° per taalafdeling, zes effectieve en zes plaatsvervangende assessoren aangewezen door de Regering onder de ambtenaren van tenminste rang A2;3° per taalafdeling, zes effectieve en zes plaatsvervangende assessoren aangewezen door de representatieve vakorganisaties;4° per taalafdeling, een effectief griffier-verslaggever en een plaatsvervangend griffier-verslaggever aangewezen door de Regering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-292\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 292</span><span class=\"lf-art-t\">De taalkennis van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters-magistraat moet worden vastgesteld overeenkomstig de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 15 juni 1935Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op het gebruik der talen in gerechtszaken. Afdeling 3. - De beroepsprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-293\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 293</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op vraag van de voorzitter van de gemeenschappelijke raad van beroep, zendt de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal, al naargelang van de taalrol van de eiser, hem het volledige dossier toe Op vraag van de voorzitter van de gewestelijke raad van beroep, zendt de functioneel bevoegde minister hem het volledige dossier toe. Art. 294.Voor elke zaak wordt een ambtenaar door de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal aangewezen die de aangevochten straf verdedigt voor de gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut of door de minister voor de gewestelijke raad van beroep van de ambtenaren-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ambtenaar mag niet deelnemen aan de beraadslaging. Het advies bedoeld in artikel 301 vermeldt of dit verbod werd geëerbiedigd. Art. 295.Een raad van beroep mag over geen enkele zaak beraadslagen, indien : 1° de eiser niet zijn middelen tot verdediging heeft kunnen doen gelden;2° het dossier niet alle elementen bevat die de raad van beroep toelaten met volledige kennis van zaken een advies te geven. Art. 296.De raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290 kunnen bijkomende onderzoeken aanbevelen. Zij kunnen hierbij twee assessoren afvaardigen die hebben deelgenomen aan de beraadslagingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ene wordt gekozen onder de assessoren aangewezen door de Regering en de andere onder de assessoren aangewezen door de vakorganisaties. Art. 297.De eiser verschijnt in persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij mag zich echter laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon van zijn keuze.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediger mag hoe dan ook geen deel uitmaken van de raad van beroep. Art. 298.Indien, ofschoon behoorlijk opgeroepen, de ambtenaar zonder geldige reden niet verschijnt, voert de betrokken raad van beroep de zaak af en stuurt het dossier terug naar de functioneel bevoegde overheid bedoeld in artikel 306, §§ 1 tot 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval brengt de voorzitter de afvoering van de zaak ter kennis van de ambtenaar. De hem, vóór het beroep, in eerste aanleg door de bevoegde overheid opgelegde straf wordt uitvoerbaar vanaf de datum van de betekening aan de ambtenaar waarop de betrokken raad van beroep de zaak heeft afgevoerd. Art. 299.De eiser heeft het recht de assessoren te wraken ten laatste bij de opening van de eerste vergadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter wraakt bovendien elke assessor die hij als rechter in eigen zaak zou kunnen beschouwen. Art. 300.De raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290 kunnen slechts beraadslagen indien de meerderheid van de assessoren opgeroepen voor de hoorzitting, aanwezig is. Art. 301.De raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290 geven hun gemotiveerd advies in de twee maanden volgend op de indiening van het beroep, behalve in geval van overmacht. Art. 302.De stemming is geheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er nemen evenveel door de overheid aangewezen assessoren als door de vakorganisaties aangewezen assessoren deel aan de stemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een oneven aantal assessoren aanwezig is op het ogenblik van de stemming, herstelt de voorzitter de pariteit in overleg met de aanwezige leden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij staking van stemmen, wordt het advies gunstig geacht voor de eiser.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffiers zijn niet stemgerechtigd. Art. 303.Indien de betrokken raad van beroep, behalve in geval van overmacht, zijn advies niet binnen de voorgeschreven termijn geeft, wordt het gunstig geacht voor de betrokken ambtenaar. Art. 304.De betrokken raad van beroep stuurt haar advies alsook het volledige dossier naar de bevoegde overheid bedoeld in artikel 306, §§ 1 tot 3. Het advies vermeldt met hoeveel stemmen, voor of tegen, de stemming werd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overheid deelt per aangetekend schrijven het advies van de betrokken raad van beroep binnen tien werkdagen aan de ambtenaar mee.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-305\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 305</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De minister bepaalt de vergoeding toegekend aan de voorzitters of aan de plaatsvervangende voorzitters van de raden van beroep, bedoeld in artikelen 289 en 290. HOOFDSTUK IV. - De uitspraak van de tuchtstraf in beroep Art. 306.§ 1. Indien het advies van de betrokken raad van beroep afwijkt van de beslissing van de bevoegde overheid in eerste aanleg, zijn gemachtigd de volgende straffen uit te spreken tegen : 1° de ambtenaren van een graad van rang A3 of lager : de directieraad inzake de terechtwijzing, de functioneel bevoegde minister voor de andere straffen, met uitzondering van de tuchtschorsing voor wat betreft de ambtenaren die behoren tot een instelling van categorie B en de afzetting, die worden uitgesproken door de benoemende overheid;2° de ambtenaren van rang A4 : de Regering voor de afzetting en de terugzetting in graad en de functioneel bevoegde minister voor de andere straffen;de minister die de straf heeft voorgesteld, neemt geen deel aan de beraadslaging betreffende de uitspraak van de straf na beroep; 3° de leidende ambtenaren : de Regering voor alle straffen;de functioneel bevoegde minister die de straf heeft voorgesteld, neemt geen deel aan de beraadslaging betreffende de uitspraak van de straf na beroep. § 2 Indien het advies van de betrokken raad van beroep overeenstemt met de beslissing van de bevoegde overheid in eerste aanleg, dan wordt de straf definitief bevestigd door de bevoegde overheid bedoeld in § 1. § 3. De bevoegde overheid kan in geen geval een zwaardere straf opleggen dan de voorgestelde straf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-307\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 307</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 306, §§ 1 tot 3 van dit artikel bedoelde overheid spreekt zich binnen twee maanden na de ontvangst van het door de raad van beroep uitgebrachte advies uit. Deze wordt uitvoerbaar op de eerste dag volgend op de betekening Binnen de tien werkdagen na uitspraak van de beslissing brengt zij per aangetekend schrijven de definitieve beslissing ter kennis van de ambtenaar. HOOFDSTUK V. - De inschrijving en de schrapping van de straf Art. 308.Elke tuchtstraf wordt ingeschreven op de tuchtfiche van de ambtenaar. Art. 309.De schrapping van de tuchtstraffen gebeurt van ambtswege na een periode waarvan de duur wordt vastgesteld op : 1° zes maanden voor de terechtwijzing;2° één jaar voor de inhouding van wedde;3° twee jaar voor de tuchtschorsing;4° drie jaar voor de terugzetting in graad. De termijn gaat in, hetzij indien geen beroep is ingesteld, na het verstrijken van de tien werkdagen na de kennisgeving van de sanctie, hetzij indien er beroep is ingesteld vanaf de kennisgeving aan de ambtenaar, van de in artikel 307 bedoelde beslissing. Art. 310.De schrapping heeft tot gevolg dat er geen rekening meer mag worden gehouden met de geschrapte tuchtstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL X. - De schorsing in het belang van de dienst Art. 311.De ambtenaar kan in het belang van de dienst in zijn ambt worden geschorst : 1° in geval van strafrechtelijke vervolgingen;2° in geval van tuchtrechterlijke vervolging wegens een ernstig vergrijp waarbij de betrokkene op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn. De ambtenaar kan het recht ontzegd worden om zijn aanspraken op bevordering en op verhoging in wedde te doen gelden en zijn wedde kan ingehouden worden in een mate die geen aanleiding mag geven tot een inhouding van wedde die hoger ligt dan die welke bedoeld is bij artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Art. 312.De maatregelen bedoeld in artikel 311 worden uitgesproken door : 1° de functioneel bevoegde minister in verband met de leidende ambtenaren;2° de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal in verband met de andere ambtenaren; Zij horen de ambtenaar vooraf, uiterlijk tien werkdagen nadat hij kennis heeft gekregen van de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd. De ambtenaar mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar wegens overmacht niet kan worden gehoord binnen deze termijn, mag hij zich laten vertegenwoordigen. Deze termijn wordt verlengd met maximum tien dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schorsingsbeslissing wordt aangetekend betekend. Art. 313.De ambtenaar kan binnen de vijf werkdagen nadat de aangetekende brief hem bij de post werd aangeboden, in beroep gaan bij één der raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290 naargelang zijn graad. Art. 314.De raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290 nemen kennis van het beroep inzake de schorsing in het belang van de dienst en inzake de maatregelen waarin artikel 311, tweede lid, voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beroepsprocedure is degene welke geldt voor beroepen omtrent tuchtzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het door de betrokken raad van beroep uitgebrachte advies anders luidt dan de door de bevoegde overheid in eerste aanleg getroffen beslissing, spreekt de regering zich uit over de te treffen maatregel tegen de leidende ambtenaren en de functioneel bevoegde minister tegen de andere ambtenaren. Indien het door de betrokken raad van beroep uitgebrachte advies in overeenstemming is met de door de bevoegde overheid in eerste aanleg getroffen beslissing, bevestigt de overheid bedoeld in dit lid de maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de ambtenaren van de instellingen van categorie B, wordt de schorsing uitgesproken door de benoemende overheid. Art. 315.Behalve in geval van strafrechtelijke vervolging, mag de duur van de schorsing ten hoogste zes maanden bedragen. Art. 316.De schorsing in het belang van de dienst alsmede de maatregelen bedoeld in artikel 311, tweede lid eindigen van rechtswege wanneer de tuchtrechtelijke uitspraak voor een zwaar vergrijp bedoeld in artikel 311 eerste lid, 2°, definitief wordt De door een ambtenaar opgelopen tuchtstraf werkt terug tot op een datum die niet verder mag teruggaan dan degene vanaf welke de met toepassing van artikel 311, tweede lid, getroffen maatregelen uitwerking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval wordt de duur van de schorsing in het belang van de dienst, tot de nodige termijn, op de duur van de tuchtschorsing aangerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL XI. - Onverenigbaarheden en cumulatie van beroepsactiviteiten Art. 317.Met de hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar elke activiteit die de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon uitoefent en die : 1° verhindert dat hij zijn ambtsplichten vervult of strijdigheid van belangen tot gevolg heeft, 2° of niet past met de waardigheid van zijn ambt. De ambtenaar die deze bepaling niet eerbiedigt, stelt zich bloot aan een tuchtvordering. Art. 318.De cumulatie van beroepsactiviteiten is verboden tenzij daar toestemming is voor verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder beroepsactiviteit wordt verstaan elke bezigheid die een belastbaar beroepsinkomen verschaft en die niet inherent is aan de uitoefening van het ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inherent aan het ambt is elke opdracht die ingevolge een wettelijke of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt of waarvoor de ambtenaar wordt aangewezen door de overheid waaronder hij ressorteert. Art. 319.Een politiek mandaat wordt niet beschouwd als een beroepsactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkozen ambtenaar moet de dienst belast met het HRM verwittigen, die op zijn beurt de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal op de hoogte brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitoefening van een mandaat van ten minste rang A4 is onverenigbaar met een politiek mandaat waarvan het overeenstemmende politiek verlof een vierde van een voltijdse betrekking overschrijdt. Art. 320.Er kan toestemming worden verleend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit buiten de diensturen, indien deze niet in strijd is met de bepalingen van artikel 317. Art. 321.Er kan toestemming worden verleend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit binnen de diensturen, indien deze : 1° niet in strijd is met de bepalingen van artikel 317;2° van algemeen belang is voor het Gewest;3° zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek kan worden uitgeoefend. Onder diensturen dient te worden verstaan : de stamtijden die de glijdende werktijdregeling vastlegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ambtenaar is in actieve dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister bepaalt de wijze waarop deze maatregel wordt toegepast. Art. 322.De aanvraag tot cumulatie wordt schriftelijk ingediend bij de hiërarchische meerdere van ten minste rang A3 door middel van een modelformulier dat door de dienst belast met HRM wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voormelde hiërarchische meerdere geeft een gemotiveerd advies in het vak dat op het formulier daartoe is voorzien alvorens het dossier door te sturen naar de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Art. 323.De toestemming wordt verleend of geweigerd door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor de ambtenaren van ten hoogste rang A4 en door de functioneel bevoegde Minister voor de leidende ambtenaren. Art. 324.De ambtenaar wordt binnen de tien werkdagen na datum van zijn aanvraag in kennis gesteld van de beslissing. Eenmaal die termijn verstreken, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn. Art. 325.De toestemming kan worden herroepen door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">BOEK II. - DE BEZOLDIGINGSREGELING TITEL I. - De wedde HOOFDSTUK I. - De weddenschalen Art. 326.Iedere weddenschaal wordt aangeduid met een letter gevolgd door drie cijfers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De letter duidt het niveau aan, het eerste cijfer de rang, het tweede de graad overeenstemmend met een bijzondere kwalificatie in dezelfde rang, het derde de code van de weddenschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het cijfer nul betekent dat de code niet bepaald is. Art. 327.Aan de graden die de ambtenaren kunnen bekleden, zijn de volgende schalen verbonden : NIVEAU A directeur-generaal A500 adjunct-directeur-generaal A410 directeur-hoofd van dienst A400 wetenschappelijk directeur A310 ingenieur-directeur A310 directeur A300 eerste wetenschappelijk attaché A220 eerste ingenieur A220 havenkapitein A210 eerste attaché A210 A200 wetenschappelijk attaché A113 A112 A111 ingenieur A113 A112 A111 geneesheer A113 A112 A111 attaché A103 A102 A101 NIVEAU B eerste assistent B200 assistent B103 B102 B101 NIVEAU C eerste adjunct C200 adjunct C103 C102 C101 NIVEAU D eerste klerk D200 klerk D103 D102 D101 NIVEAU E eerste beambte E200 beambte E103 E102 E101 Art. 328.De weddenschalen die gelden in de instellingen zijn opgenomen in bijlage I van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen van de weddenschaal volgen de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen bedoeld in artikel 28 van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/12/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/01/2001 numac 2000002114 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen sluiten tot bepaling van de algemene principes. Art. 329.De tussentijdse verhogingen worden toegekend op grond van de geldelijke anciënniteit, conform de artikelen 412 tot 415. Art. 330.De eerste attachés die een expertbetrekking of een kaderbetrekking bekleden, genieten de weddenschaal A200.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij die een expertbetrekking van hoog niveau bekleden, genieten de weddenschaal A210. Art. 331.Onverminderd artikel 141, genieten de titularissen van de graad van directeur, die voldoen aan de voorwaarden inzake evaluatie en vorming bedoeld in artikelen 79, § 2, eerste lid en 265, derde lid, en die minstens negen jaar anciënniteit tellen in de graad A3 of hoger, de weddenschaal A310. HOOFDSTUK II. - De weddenschalen verbonden aan sommige graden Art. 332.De schaal A310 wordt toegekend aan de ambtenaar die titularis van de graad van geneesheer indien hij : 1° sedert ten minste zes jaar genoten heeft van de schaal A113;2° de evaluatie \"voldoende\" heeft verkregen;3° met goed gevolg de opleiding bedoeld in artikel 265 gevolgd heeft. Art. 333.Een ambtenaar die titularis is van de graad van eerste attaché en deel uitmaakt van het personeel van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest, geniet een tweede schaal die overeenstemt met schaal A300 indien hij : 1° twaalf jaar niveau-anciënniteit telt, waarvan drie jaar graadanciënniteit;2° de evaluatie \"voldoende\" verkregen heeft bij de evaluatie;3° met goed gevolg de opleiding bedoeld in artikel 265 gevolgd heeft;4° houder is van het managementbrevet bedoeld in artikel 65. Art. 334.De artikelen 141 en 142 zijn toepasselijk op de ambtenaren waaraan de weddenschalen voorzien in artikelen 332 en 333 werden toegekend. HOOFDSTUK III. - De vaststelling van de wedde van de ambtenaar Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 335</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de tegengestelde reglementaire bepalingen, wordt de wedde van elke ambtenaar vastgesteld in een van de schalen van zijn graad. Art. 336.Bij wijziging van het geldelijk statuut van een graad, wordt de eraan verbonden wedde opnieuw vastgesteld alsof het nieuwe geldelijk statuut altijd had bestaan Indien de gewijzigde wedde lager ligt dan degene die de ambtenaar genoot in zijn graad bij de inwerkingtreding van het wijzigende besluit, behoudt hij zijn hoogste wedde tot hij een op zijn minst daaraan gelijke wedde heeft. Art. 337.De vaste ambtenaar die werd bevorderd, heeft in zijn nieuwe graad nooit een lagere wedde dan hij zou hebben genoten in zijn vorige graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de schaal van zijn vorige graad tot niveau B of C en de schaal van zijn nieuwe graad tot niveau A behoort, bekomt de ambtenaar in zijn nieuwe graad altijd ten minste een wedde die 40 000 BEF hoger ligt dan die welke hij zou genoten hebben in zijn vorige graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van deze bepaling mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van de ambtenaar hoger ligt dan de maximumwedde hetzij van de schaal van zijn nieuwe graad, hetzij van de schaal van zijn vorige graad als deze hoger is. Art. 338.De wedde wordt betaald na vervallen termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar ontvangt zijn wedde uiterlijk de laatste werkdag van de maand, met uitzondering van zijn wedde van december die hij ontvangt uiterlijk de eerste werkdag van de maand januari van het volgende jaar. Afdeling 2. - De berekening van de wedde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-339\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 339</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De maandwedde is gelijk aan 1/12e van de jaarwedde. Art. 340.Wanneer de vaste of stagedoende ambtenaar op een andere datum dan de eerste van de maand wordt benoemd in een nieuwe graad die geen basisgraad is bedoeld in artikel 415, tweede lid, wordt de wedde van de lopende maand niet aangepast Wanneer de vaste of stagedoende ambtenaar overlijdt of op rust gesteld wordt, blijft de wedde van de lopende maand verschuldigd. Art. 341.Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt de wedde voor volledige prestaties vermenigvuldigd met de volgende breuk : het percentage van de prestaties x het aantal gepresteerde werkdagen; het aantal te presteren werkdagen op basis van het werkschema.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal gepresteerde of te presteren werkdagen is gelijk aan het aantal gepresteerde of te presteren uren gedeeld door 7,6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt verstaan onder : a) \"werkdag\" : elke dag, de feestdag inbegrepen, met uitzondering van de zaterdag en de zondag;b) \"gepresteerde werkdag\" : elke dag waarvoor een verloning verschuldigd is;c) \"werkschema\" : het aantal te presteren werkdagen in een maand. HOOFDSTUK IV. - De gewaarborgde bezoldiging, de haard- of standplaatsvergoeding, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage Art. 342.Overeenkomstig artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/12/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/01/2001 numac 2000002114 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen sluiten tot bepaling van de algemene principes, heeft de ambtenaar recht op de gewaarborgde bezoldiging, de haard- of standplaatsvergoeding, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage waarvan het bedrag en de toekenningsvoorwaarden dezelfde zijn als voor de ambtenaren van de Federale Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL II. - De toelagen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 343.Het vervullen van prestaties die niet als normaal en inherent aan het ambt kunnen worden beschouwd, kan aanleiding geven tot het toekennen van een toelage. Art. 344.In het geval van onderbreking van de ambtsuitoefening is de toelage slechts verschuldigd als die onderbreking niet langer duurt dan dertig werkdagen en de ambtenaar het recht op zijn wedde niet verliest. Art. 345.Als de maandelijkse wedde niet volledig verschuldigd is, worden de toelagen bedoeld in het hoofdstuk II betreffende de toelagen verbonden met de loopbaan en in het hoofdstuk IV betreffende de tweetaligheidstoelage, uitbetaald volgens de pro rata toegepast op de wedde. Art. 346.Onverminderd de regels betreffende de administratieve en begrotingscontrole worden de toelagen door de Regering vastgesteld. HOOFDSTUK II. - De toelagen verbonden met de loopbaan Afdeling 1. - De toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-347\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 347</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die een hoger ambt onafgebroken waarneemt gedurende een periode van ten minste negentig dagen, krijgt een toelage die gelijk is aan het verschil tussen de bezoldiging die de ambtenaar zou genieten in de graad van het hoger ambt en de bezoldiging die hij geniet in zijn effectieve graad De in het eerste lid bedoelde bezoldiging omvat de haard- of standplaatstoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze toelage wordt retroactief toegekend tot de eerste dag waarop de ambtenaar de hogere functie effectief uitoefende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang hij voormelde functie bekleedt, heeft de ambtenaar recht op tussentijdse verhogingen volgens de bij artikel 329 vastgestelde regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelage wordt gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01. Afdeling 2. - De toelage aan sommige laureaten van een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau Art. 348.De ambtenaar die slaagt voor een vergelijkend overgangsexamen naar het hogere niveau en die na verloop van twee jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van dat examen, niet is benoemd tot de graad waarvoor hij heeft medegedongen, krijgt een jaarlijkse toelage waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld : - 45 000 BEF voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot niveau A; - 20 000 BEF voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot niveau B; - 20 000 BEF voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot niveau C; - 15 000 BEF voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot niveau D. De toelage wordt maandelijks en samen met de wedde vereffend. Zij wordt gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01. Art. 349.De toekenning van de toelage mag nooit tot gevolg hebben dat de bezoldiging van de ambtenaar hoger ligt dan die welke hij zou hebben bekomen als hij zou benoemd geworden zijn in de graad waarvoor hij heeft medegedongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze bezoldiging te bepalen wordt met de haard- of standplaatstoelage en iedere andere toelage inherent aan het uitoefenen van het ambt rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die de bevordering weigert, waarop hij omwille van het slagen voor het vergelijkend examen aanspraak kan maken, verliest vanaf de dag van weigering het voordeel van de toelage voorzien in artikel 348. HOOFDSTUK III. - De toelage verbonden aan de gepresteerde arbeid Afdeling 1. - De toelage voor overuren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-350\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 350</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder overuren dient te worden verstaan de prestaties verstrekt door een ambtenaar voltijds in dienst en die uitzonderlijk worden opgelegd op werkdagen tussen 18.00 uur en 08.00 uur en op zaterdag, zondag en feestdag. Art. 351.Elk overuur wordt, bij voorrang, gecompenseerd door een verlof dat gelijk is aan : - 125 % van de geleverde bijkomende prestaties op werkdagen tussen 18.00 uur en 22.00 uur; - 150 % van de geleverde bijkomende prestaties op zaterdag; - 150 % van de geleverde bijkomende prestaties op werkdagen tussen 22.00 uur en 07.00 uur; - 200 % van de geleverde bijkomende prestaties op zondag of feestdag Indien het compensatieverlof niet kon worden toegekend binnen de vier maanden, wordt een toelage toegekend respectievelijk van 1,25/1850e, 1,5/1850e of 2/1850e van de jaarlijkse brutobezoldiging per overuur. Art. 352.De toelage voor overuren wordt alleen toegekend aan ambtenaren van niveau C, D en E die voltijds zijn tewerkgesteld. Art. 353.De ambtenaar die uitzonderlijk buiten zijn dienstverplichtingen teruggeroepen wordt om deel te nemen aan een onvoorzien en dringend werk, ontvangt een toelage die gelijk is aan 4/1850e van de jaarlijkse brutobezoldiging. Deze toelage staat los van de betaling van de overuren. Art. 354.In de instellingen van de categorie A beslist de functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde, op advies van de inspecteur van financiën, of het opportuun is dat er bezoldigde overuren worden gepresteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de instellingen van de categorie B beslist de benoemende overheid of zijn gemachtigde, op advies van de inspecteur van financiën, of het opportuun is dat er bezoldigde overuren worden gepresteerd. Afdeling 2. - De toelage voor nacht-, zaterdag-, en zondagswerk</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 355</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden verstaan onder : 1° nachtprestaties : prestaties die tussen 22.00 uur en 07.00 uur worden verricht, of tussen 18.00 uur en 08.00 uur op voorwaarde dat deze prestaties eindigen op of na 22.00 uur en beginnen op of voor 07.00 uur; 2° zaterdagprestaties : prestaties die op een zaterdag worden verricht tussen 00.00 uur en 24.00 uur; 3° zondagprestaties : prestaties die op een zondag of op een wettelijke of erkende feestdag tussen 00.00 uur en 24.00 uur worden verricht. Art. 356.De nacht-, zaterdag- en zondagprestaties geven, bij voorrang recht op een compensatieverlof Het compensatieverlof is gelijk aan : - zondagprestaties : 100 % van de geleverde prestaties; - zaterdagprestaties : 50 % van de geleverde prestaties; - Nachtprestaties : 25 % van de geleverde prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het compensatieverlof niet kon worden toegekend binnen de vier maanden, wordt een toelage toegekend van 25 %, 50 % of 100 % van het bedrag per uur prestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag per uur prestatie van de toelage wordt vastgesteld op 1/1850e van het salaris vermeerderd met de haard- of standplaatstoelage en/of de toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt. Art. 357.De toelage voor nachtprestaties verricht op zaterdagen, zondagen en wettelijke of erkende feestdagen mag gecumuleerd worden met de toelagen voor zaterdag- en zondagprestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelagen mogen niet samengevoegd worden met de toelage voor het presteren van overuren. De betrokken ambtenaar geniet van het gunstigste stelsel. Art. 358.De toelage wordt maandelijks uitbetaald, na het vervallen van de termijn. Het uurgedeelte van het maandelijks totaal van de prestaties wordt naar boven afgerond als het gelijk is aan of meer dan dertig minuten bedraagt. Het wordt genegeerd indien het minder bedraagt. Art. 359.De toelage wordt alleen toegekend aan ambtenaren van niveau C, D en E. Afdeling 3. - De toelage voor gevaarlijk, ongezond en hinderlijk werk</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-360\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 360</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaren die belast zijn met gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk wordt een forfaitaire uurtoelage van 100 BEF toegekend, gebonden aan de schommelingen van de spilindex 138,01 De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, stelt na advies van de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het werk met de instemming van de minister van Begroting de lijst met werken vast die recht geven op de toelage bedoeld in het eerste lid. Afdeling 4. - De toelage voor wachtdienst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-361\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 361</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een compensatieverlof of een wachttoelage wordt toegekend aan de ambtenaar die, in het kader van een georganiseerd wachtsysteem, buiten zijn prestaties oproepbaar dient te zijn met het oog op het vervullen van eventuele prestaties Hiervan worden uitgesloten, de ambtenaren die effectief in het genot zijn van een dienstwoning of die een huisvestingstoelage of een toelage voor huisbewaarders genieten in toepassing van de hoofdstukken V en VI van titel III. Het compensatieverlof bedraagt 8 uren voor een wachtdienstperiode van 7 opeenvolgende dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In functie van de werkorganisatie eigen aan de instelling, kan de functioneel bevoegde minister of zijn afgevaardigde een gunstiger regime inzake het compensatieverlof toekennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een toelage kan worden toegekend aan de ambtenaar ten belope van 1/1 850e van zijn totale jaarlijkse brutobezoldiging per uur compensatieverlof. HOOFDSTUK IV. - De tweetaligheidstoelage Art. 362.Een premie voor tweetaligheid wordt toegekend aan de ambtenaren die voor een examencommissie samengesteld door de afgevaardigde-bestuurder van SELOR het bewijs hebben geleverd dat zij : 1° hetzij een mondelinge kennis hebben van de tweede taal overeenstemmend met het niveau van hun graad;2° hetzij een schriftelijke en mondelinge kennis hebben van de tweede taal overeenstemmend met het niveau van hun graad. De mondelinge kennis bedoeld onder punt 1 wordt bepaald bij artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schriftelijke en mondelinge kennis bedoeld onder punt 2 wordt bepaald bij het koninklijk besluit van 30 november 1966 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven door artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966, inzonderheid : a) de artikelen 8 en 9, § 1 voor de ambtenaren van de niveaus B, C, D en E en de graden van de rangen A1 en A2;b) de artikelen 7, 11 of 12 en 9, § 1 voor de ambtenaren van de graden vanaf rang A3. Art. 363.§ 1. Het jaarbedrag van de tweetaligheidspremie bedoeld in artikel 362, eerste lid, 1°, wordt vastgesteld op : - 24 000 BEF voor de ambtenaren van niveau A; - 18 000 BEF voor de ambtenaren van niveau B en C; - 12 000 BEF voor de ambtenaren van niveau D en E. § 2. Het jaarbedrag van de tweetaligheidspremie bedoeld in artikel 362, eerste lid, 2°, wordt vastgesteld op het viervoudige van het jaarlijks beloop der gemiddelde weddeverhogingen van de weddenschaal verbonden aan de graad van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het jaarlijks beloop der gemiddelde weddeverhogingen van de weddenschaal verbonden aan de graad van de ambtenaar wordt bepaald door het bedrag van het verschil tussen het maximum en het minimum van de basisweddenschaal, gedeeld door het getal overeenstemmend met het aantal jaren dat vereist is voor de toekenning van de maximumwedde. § 3. Tot hij geslaagd is voor de examens voorzien in artikel 362, 3e lid en gedurende een termijn van maximum achttien maanden vanaf de datum van de benoeming in de nieuwe graad behoudt de ambtenaar het voordeel van de laatst bekomen tweetaligheidstoelage op de lagere graad. Art. 364.De tweetaligheidspremies worden maandelijks en samen met de wedde vereffend. Zij zijn gebonden aan de schommelingen van de spilindex 138,01. HOOFDSTUK V. - De premies toegekend in toepassing van de stelsels van arbeidsherverdeling Art. 365.De ambtenaren die gebruik maken van het recht bedoeld bij artikel 173 genieten een weddebijslag van 3 250 BEF per maand die volledig deel uitmaakt van de wedde. Dit bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 117,19. Art. 366.De ambtenaren die gebruik maken van het recht bedoeld bij artikel 176 bekomen een niet-geïndexeerde maandelijkse premie van 11 940 BEF. HOOFDSTUK VI. - Toelagen voor opleiders Art. 367.Aan ambtenaren die een opleiding verstrekken wordt er een opleidingstoelage verleend waarvan het bedrag en de wijze van toekenning door de minister worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL III. - De vergoedingen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 368.Een vergoeding wordt toegekend aan de ambtenaar die verplicht wordt werkelijke lasten te dragen die niet als normaal of inherent aan het ambt kunnen worden beschouwd. Art. 369.Wanneer de situatie die aanleiding geeft tot het toekennen van een vergoeding onderhevig is aan herhaling, kan een forfaitair bedrag worden vastgesteld. Art. 370.In geval van onderbreking van de uitoefening van zijn ambt wordt de uitbetaling van de vergoeding opgeschort voorzover de lasten niet meer worden gedragen. HOOFDSTUK II. - De vergoedingen voor reiskosten Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-371\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 371</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd de artikelen 392 tot 395 heeft de ambtenaar recht op de terugbetaling van de kosten verbonden aan dienstreizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke reis vereist de toestemming van de functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B. De toestemming kan algemeen zijn, inzonderheid ingeval de betrokkenen regelmatig moeten reizen. Art. 372.Behalve wanneer het belang van de dienst het vereist, gebeurt elke dienstreis met het goedkoopste vervoermiddel. Art. 373.De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, vermindert de terugbetaling indien hij of zij meent dat de kosten overdreven zijn of de reizen hadden kunnen worden vermeden. Afdeling 2. - Het gebruik van het openbaar vervoer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-374\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 374</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onkosten van een reis met het openbaar vervoer worden terugbetaald volgens de officiële tarieven. Art. 375.De ambtenaren ontvangen hetzij een reisorder in te ruilen voor een gewoon ticket, hetzij een terugbetaling in ruil voor het vervoersbewijs. Art. 376.Als het vertrekstation gelegen is in de werkelijke woonplaats van de betrokkene en deze niet overeenstemt met zijn administratieve standplaats mag dit niet leiden tot bijkomende lasten De eventuele toeslag van de reis is voor rekening van de betrokkene. Art. 377.Voor zijn dienstreizen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geniet de ambtenaar een vrij abonnement op het vervoersnet van de M.I.V.B. Afdeling 3. - Het gebruik van het eigen voertuig</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-378\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 378</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de instellingen van categorie A, worden de machtigingen om de eigen wagen in het kader van de dienstnoodwendigheden te gebruiken gegeven door de functioneel bevoegde minister, binnen de kredieten van zijn begrotingsafdeling en op gunstig advies van de inspectie van financiën Zij zijn slechts geldig tot 31 december van elk jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ministerieel besluit bepaalt eveneens het maximum jaarlijks kilometeraantal dat wordt toegestaan. Dit aantal kan per dienst worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de instellingen van categorie B worden de machtigingen om de eigen wagen te gebruiken gegeven door de benoemende overheid binnen de perken van de dotatie toegekend aan de instelling. Art. 379.Behoudens uitdrukkelijke machtiging mag de ambtenaar geen dienstreizen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in rekening brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval wordt in de machtiging van de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, een maximum aantal kilometers bepaald. Art. 380.In geen geval mag het belastbaar vermogen van het voertuig dat in aanmerking komt voor vergoeding meer bedragen dan 11 PK voor de ambtenaren van de rangen A5 tot A3 en 7 PK voor de ambtenaren van de andere rangen. Art. 381.De kilometervergoeding wordt vastgesteld volgens artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende de algemene regeling inzake reiskosten en alle besluiten die het wijzigen. Zij dekt alle kosten van het gebruik van het eigen voertuig, behalve de kosten van een all-riskverzekering die de instelling ten laste neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dienstreizen van in het buitenland verblijvende ambtenaren, wordt de kilometervergoeding bepaald door de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-382\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 382</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar die van de fiets gebruik maakt voor de behoeften van de dienst op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of daarbuiten kan aanspraak maken op een vergoeding volgens de in artikelen 393 en 394 bepaalde regeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-383\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 383</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren die zich verplaatsen met hun gebruikelijke woonplaats als vertrek- of aankomstpunt, kunnen geen vergoeding bekomen die hoger ligt dan die welke hen verschuldigd zou zijn indien zij hun administratieve standplaats als vertrek- of aankomstpunt zouden nemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-384\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 384</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergoedingen worden vereffend op overlegging van een aangifte op erewoord met een overzicht van het aantal voor de dienst afgelegde kilometers. HOOFDSTUK III. - De vergoeding voor verblijfkosten Art. 385.Er wordt aan de ambtenaren die dienstreizen moeten maken een dagelijkse forfaitaire vergoeding van hun verblijfkosten toegekend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-386\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 386</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor verblijfkosten in het binnenland wordt vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de personeelsleden van de ministeries en elk ander besluit die het mocht wijzigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-387\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 387</span><span class=\"lf-art-t\">De vergoeding bedoeld in artikel 385 wordt niet toegekend voor reizen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin kan in uitzonderlijke gevallen de functioneel bevoegde minister wat betreft de instellingen van categorie A of de benoemde overheid wat betreft de instellingen van categorie B een bijzonder forfaitair stelsel invoeren. Art. 388.De ambtenaren die worden afgevaardigd om deel te nemen aan internationale conferenties in het binnenland hebben recht op terugbetaling van de werkelijke uitgaven op overlegging van een verantwoordingsnota. Art. 389.Het verblijf in het buitenland geeft aanleiding tot de terugbetaling van de werkelijke uitgaven op overlegging van een verantwoordingsnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister is evenwel gemachtigd de dagelijkse forfaitaire bedragen vast te stellen voor de officiële reizen in sommige landen. Art. 390.De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, regelt de bijzondere situaties die met name ontstaan als gevolg van de uitoefening van een reizende functie of als gevolg van detachering. Art. 391.Onverminderd de eventuele toepassing van tuchtmaatregelen, kan de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, de verblijfsvergoeding weigeren indien hij of zij vaststelt dat de rechthebbenden misbruik maken van de rechten die hen bij dit besluit worden toegekend. HOOFDSTUK IV. - De vergoeding voor vervoerkosten op de weg van en naar het werk Afdeling 1. - De vergoeding voor het gebruik van de fiets op de weg van en naar het werk Art. 392.De ambtenaar die zich per fiets verplaatst om zich van zijn woonplaats naar zijn werk te begeven, heeft recht op een vergoeding van zijn kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt toegekend aan de ambtenaar die minstens vijf keer per maand gebruik maakt van zijn fiets op de weg van en naar het werk. Art. 393.De vergoeding wordt forfaitair vastgesteld op zes F per kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij wordt berekend volgens de kortste of de veiligste weg tussen zijn woonplaats en zijn administratieve standplaats. Art. 394.De vergoeding wordt uitbetaald op overlegging van een aangifte op erewoord gestaafd met een driemaandelijks overzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, oefent toezicht uit op de aangiften. Afdeling 2. - De vergoeding voor het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer op de weg van en naar het werk Art. 395.Het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer door de ambtenaar om zich van zijn woonplaats naar zijn werkplaats te begeven, geeft aanleiding tot een terugbetaling door de instelling van een gedeelte van zijn kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze terugbetaling gebeurt overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 juni 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/06/1998 numac 1998002062 bron ministerie van ambtenarenzaken Koninklijk besluit tot regeling van de tegemoetkoming van de Staat en van sommige openbare instellingen in de vervoerskosten van de personeelsleden sluiten tot regeling van de tegemoetkoming van de Staat en sommige instellingen van openbaar nut in de vervoerkosten van de personeelsleden. HOOFDSTUK V. - Huisvestingskosten Afdeling 1. - Het genot van een dienstwoning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-396\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 396</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren die verplicht een bepaalde woonst betrekken omdat hun ambt hun permanente aanwezigheid vereist op de werkplaats, genieten kosteloze woongelegenheid. Art. 397.Een maandelijkse inhouding wordt uitgevoerd op de wedde van de ambtenaren die een woonst betrekken waarvan het gebruik hen is toegestaan teneinde hun taak te vergemakkelijken Deze inhouding wordt vastgesteld op het bedrag van de huurwaarde van de woonst, eventueel verhoogd met de verwarmings- en verlichtingswaarde. Zij mag evenwel niet meer bedragen dan 10 % van het brutobedrag van de gemiddelde wedde voor de woonst en 12,5 % van dit bedrag voor de woonst, de verwarming en de verlichting. Art. 398.De Regering bepaalt de functies bedoeld in artikel 396 met verduidelijking van degene waaraan naast de woonst, de verwarming en de verlichting zijn verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij onderscheidt ook : 1° degene waarvan de titularissen onderworpen zijn aan bijzondere verplichtingen, zelfs indien hun bestuur zich in de materiële onmogelijkheid bevindt hen ter plaatse te huisvesten;2° degene waarvan de titularissen niet onderworpen zijn aan die bijzondere verplichtingen indien hun bestuur hen niet ter plaatse kan huisvesten. Art. 399.Voor de toepassing van artikel 397 stelt de Minister bevoegd voor Financiën de huurwaarde van de woonst vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van artikel 397, tweede lid, wordt de gemiddelde wedde bepaald door het rekenkundig gemiddelde van de minimum- en de maximumwedde van de weddenschaal van de uitgeoefende functie. Afdeling 2. - De huisvestingstoelage</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-400\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 400</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren die één van de in artikel 398, tweede lid, 1°, bedoelde functies uitoefenen, ontvangen een vervangende toelage indien ze niet werkelijk het voordeel van hetzij een woonst, hetzij een woonst met verwarming en verlichting genieten Deze toelage wordt verleend door de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B. Zij bedraagt nooit meer dan 10 % van het brutobedrag van de gemiddelde wedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze wordt maandelijks uitbetaald na het verstrijken van de termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de toelage niet voor een volledige maand verschuldigd is, wordt zij berekend in dertigsten. HOOFDSTUK VI. - De toelage voor huisbewaarders of hun vervangers Art. 401.De ambtenaren waaraan een ambt van huisbewaarder wordt toegekend, genieten uit hoofde daarvan enkel de kosteloosheid van woonst, verwarming en verlichting. Zij genieten een wedde uit hoofde van een ander ambt dat zij uitoefenen binnen de instelling. Art. 402.De instelling neemt de inhoudingen en de bijdragen ten laste, die de betrokkenen uit hoofde van hun functie van huisbewaarder verschuldigd zijn, hetzij aan het Fonds voor overlevingspensioenen, hetzij aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Art. 403.Een toelage wordt toegekend aan de persoon vreemd aan het bestuur die, met instemming van de bevoegde overheid, de huisbewaarder vervangt gedurende een jaarlijks vakantie van minstens een week.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelage wordt per dag toegekend. Elke dag wordt gelijkgesteld met een prestatie van 7 u. en bezoldigd op basis van het minimumuurloon vastgesteld in de weddenschaal E101. HOOFDSTUK VII. - Vergoeding van de begrafeniskosten bij overlijden van een ambtenaar Art. 404.Een vergoeding wegens begrafeniskosten aan de quota en voorwaarden, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 21 mei 1965 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van een lid van het personeel der Ministeries wordt toegekend aan de rechthebbenden van de overleden ambtenaar of aan de andere personen bedoeld in genoemd besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">BOEK III. - DE VASTSTELLING VAN DE ADMINISTRATIEVE EN GELDELIJKE ANCIENNITEIT TITEL I. - Algemene bepalingen Art. 405.Er dient te worden verstaan onder \"volledige prestaties\", de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt. Art. 406.De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten als hij zich in een administratieve stand bevindt op grond waarvan hij, krachtens zijn statuut, zijn activiteitswedde of bij ontstentenis daarvan, zijn aanspraak op bevordering tot een hogere wedde behoudt. Art. 407.De anciënniteit wordt berekend per kalendermaand. De diensten die geen volledige maand beslaan worden genegeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL II. - De berekening van de administratieve anciënniteit Art. 408.Voor de berekening van de graad- en niveau-anciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten gepresteerd : 1° in de hoedanigheid van stagiair of vastbenoemd ambtenaar;2° in een ministerie of een instelling van openbaar nut behorende tot het Rijk, de Gemeenschappen of de Gewesten alsmede in diensten of een openbare instelling van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of op voorwaarde dat de minister beslist over de toelaatbaarheid ervan, in een overheidsdienst die vergelijkbaar is met één van die welke hiervoor opgesomd zijn, van een Staat van de Europese Unie als onderdaan van één van de Lid-Staten;3° zonder onderbreking die het gevolg is van een door de ambtenaar opgelopen tuchtstraf of ontslag wegens beroepsongeschiktheid in het kader van de evaluatie van de ambtenaar;4° als titularis van een ambt met volledige of deeltijdse prestaties. Voor de berekening van de dienstactiviteit geldt dezelfde berekeningswijze, met dien verstande dat werkelijke prestaties in gelijk welke hoedanigheid in aanmerking komen. Art. 409.Voor de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar benoemd in de betreffende graad of voor bevordering gerangschikt werd ingevolge de terugwerkende kracht van zijn benoeming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de niveau-anciënniteit telt de datum waarop de ambtenaar benoemd is in een graad van het betreffende niveau of waarop hij voor bevordering gerangschikt werd ingevolge de terugwerking van zijn benoeming. Art. 410.Deeltijdse prestaties van 1 976 uren worden geteld voor twaalf volle kalendermaanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deeltijdse prestaties van een twaalfde van 1 976 uren worden geteld voor één volle kalendermaand, waarbij elk uurgedeelte wordt verwaarloosd. Art. 411.De administratieve anciënniteit van een ambtenaar die titularis is van een ambt met deeltijdse prestaties, wordt berekend pro rata van zijn werkelijke prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL III. - De geldelijke anciënniteit HOOFDSTUK I. - In aanmerking komende diensten Art. 412.§ 1. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten gepresteerd door de ambtenaar in om het even welke hoedanigheid, als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of deeltijdse prestaties, in : - de diensten van de Europese Unie; - de diensten van de federale Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of andere openbare diensten; - de plaatselijke besturen; - de Afrikadiensten; - de onderwijsinstellingen van de gemeenschappen, de door een weddetoelage gesubsidieerde onderwijsinstellingen, de diensten voor onderwijs- of beroepsoriëntatie of de vrije door een weddetoelage gesubsidieerde psycho-medische en sociale centra; - de publiekrechtelijke en vrije universiteiten ongeacht de oorsprong van hun financiën; - een overheidsdienst die vergelijkbaar is met één van die welke opgesomd zijn in deze paragraaf, van een Staat van de Europese Unie, als één van de lidstaten; op voorwaarde dat de minister beslist over de toelaatbaarheid ervan. § 2. De effectief onder arbeidsovereenkomst gepresteerde diensten in de privé-sector of als zelfstandige kunnen eveneens in aanmerking komen voor een maximum van zes jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering stelt de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling vast. Art. 413.De minister bepaalt op basis van een door de bevoegde overheden afgeleverd attest de duur van de in aanmerking komende diensten die de ambtenaar in het onderwijs heeft gepresteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De op dit attest vermelde volledige prestaties waarvoor de betaling gebeurde in tienden en die per schooljaar geen volledig jaar van werkelijke diensten vertegenwoordigen worden dag per dag samengeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het globaal aantal aldus gewerkte dagen met volledige prestaties wordt vermenigvuldigd met 1,2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totaal van deze rekenkundige bewerking wordt vervolgens gedeeld door 30. Het bekomen quotiënt geeft het aantal in aanmerking te nemen maanden. Er wordt geen rekening gehouden met de rest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De op het attest vermelde volledige prestaties vervuld gedurende een volledig schooljaar, gelden voor een totaal van 300 dagen en vertegenwoordigen één in aanmerking te nemen dienstjaar. HOOFDSTUK II. - De berekening van de geldelijke anciënniteit Art. 414.De anciënniteit van de ambtenaar mag nooit de werkelijke duur van zijn in aanmerking komende diensten overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De anciënniteit aan de ambtenaar toegekend in een openbare dienst waaruit hij werd overgeplaatst, blijft nochtans verworven, ongeacht de van kracht zijnde berekeningswijze van de anciënniteit in die dienst. Art. 415.De diensten aangenomen voor de berekening van de anciënniteit zijn verworven in het niveau van de basisgraad van de ambtenaar. Zij worden in hun geheel verrekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basisgraad is de eerste graad waartoe de ambtenaar wordt benoemd of waartoe hij nadien wordt benoemd volgens een benoemingswijze die geen rekening houdt met zijn vorige hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">BOEK IV. - OPHEFFINGS-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN TITEL I. - Opheffingsbepalingen Art. 416.Voor de ambtenaren onderworpen aan dit statuut worden opgeheven : 1° het besluit van de Regent van 3 mei 1948 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder, in de door het statuut vastgelegde zin, tot Rijksambtenaar kunnen benoemd worden de leden en de gewezen leden van het personeel der kolonie, de leden van de rechterlijke macht, van de Raad van State en van het Rekenhof, de militairen en het administratief personeel van de griffies, de parketten, van de Raad van State en van het Rekenhof, opnieuw gepubliceerd als bijlage III van het koninklijk besluit van 16 maart 1964 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 april 1969, 17 september 1969 en 18 juni 1976;2° het besluit van de Regent van 30 maart 1950 de toekenning regelend van toelagen wegens buitengewone prestaties, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 november 1951, 30 augustus 1954, 11 december 1970, 11 augustus 1976 en 30 november 1979;3° het koninklijk besluit van 30 november 1950 betreffende de huisvesting van sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel;4° het koninklijk besluit van 10 april 1954 waarbij de rijksambtenaren die gemachtigd werden een openbaar ambt uit te oefenen in sommige Afrikaanse gebieden toen deze onder het gezag van België stonden, geheel of gedeeltelijk van sommige loopbaanexamens worden vrijgesteld, opnieuw gepubliceerd als bijlage V van het koninklijk besluit van 16 maart 1964 en gewijzigd bij het ministerieel besluit van 11 december 1970;5° het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 mei 1968, 7 maart 1977, 24 november 1978, 22 januari 1979, 27 juli 1981, 16 november 1981, 30 maart 1983, 31 december 1984, 18 februari 1985, 3 juli 1985, 26 augustus 1987, 1 oktober 1987, 2 oktober 1989, 27 maart 1990, 19 juli 1990, 25 oktober 1990, 18 september 1991, 10 oktober 1991, 6 november 1991 en 14 februari 1992;6° het koninklijk besluit van 1 juni 1964 houdende bijzondere bepalingen betreffende de stand van disponibiliteit van het rijkspersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967 en bij het koninklijk besluit van 14 december 1970;7° het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling en de loopbaan van sommige personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij de besluiten van 17 november 1969, 6 september 1971, 10 juli 1972, 29 juni 1973, 6 augustus 1974, 27 oktober 1975, 13 september 1976, 14 september 1976, 11 februari 1977, 22 mei 1978, 3 september 1979, 12 augustus 1981, 18 mei 1983, 19 maart 1985, 7 maart 1989, 18 december 1989, 21 december 1990 en 16 september 1991;8° het koninklijk besluit van 12 oktober 1964 tot vaststelling van de bezoldiging van hen die hun medewerking verlenen voor de opleiding en de voortgezette opleiding van het Rijkspersoneel;9° het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 december 1970, 4 december 1990 en 4 maart 1993, de wet van 22 juli 1993, de koninklijke besluiten van 17 maart 1995 en 10 april 1995, met uitzondering van artikelen 1 tot 4.10° het koninklijk besluit van 11 januari 1965 houdende vaststelling van de manier van aanwijzing van de groepsleiders in de typdiensten en van hun bezoldiging;11° het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 1984 en bij het ministerieel besluit van 12 december 1984, met uitzondering van artikel 13 en de bijlage waarnaar het verwijst;12° het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel der ministeries, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 februari 1967 en 2 maart 1989;13° het koninklijk besluit van 29 april 1965 betreffende de valorisatie van de voordelen in natura toegekend aan de conciërges van de verschillende ministeries en van de instellingen welke tot die ministeries behoren, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 februari 1979;14° het koninklijk besluit van 13 november 1967 tot vaststelling van de administratieve toestand van de rijksambtenaren die met een opdracht worden belast, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 december 1971, 2 april 1979 en 19 september 1991;15° het koninklijk besluit van 14 februari 1968 houdende sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen die met de graden van conducteur, van technisch ingenieur of met sommige graden van het controle- en opzichterspersoneel van werken zijn bekleed, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 juni 1973, 12 september 1974 en 16 november 1979;16° het koninklijk besluit van 21 augustus 1970 betreffende de toekenning van verlof en van een vergoeding van sociale promotie aan sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 april 1976, 3 december 1987 en 6 november 1991;17° het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 4 maart 1974, 30 september 1974, 17 september 1975, 23 december 1975, 8 maart 1976, 15 maart 1976, 10 mei 1976, 15 september 1976, 24 februari 1977, 10 mei 1977, 6 juni 1978, 3 oktober 1978, 13 september 1979, 2 oktober 1979, 16 november 1979, 22 februari 1980, 30 juli 1981, 16 december 1981, 12 juli 1982, 6 oktober 1983, 26 januari 1984, 28 mei 1984, 3 september 1984, 14 juni 1985, 19 augustus 1985, 13 juli 1987, 4 februari 1988, 16 november 1988, 6 maart 1989, 8 mei 1989, 9 juni 1989, 23 oktober 1989, 6 juni 1991, en door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 13 februari 1992;18° het koninklijk besluit van 8 januari 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 6 december 1974, 10 mei 1976, 8 augustus 1983 26 januari 1984, 21 januari 1991, 7 augustus 1991;19° het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 juni 1975, 5 december 1978 en 30 maart 1983, bij het koninklijk besluit nr.279 van 30 maart 1984, bij de koninklijke besluiten van 27 juli 1989, 13 december 1989, 7 augustus 1991, 6 november 1991 en 18 november 1991 en bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994, met uitzondering van artikelen 35 tot 41; 20° het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 januari 1981 en 16 april 1991;21° het koninklijk besluit van 26 mei 1975 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 maart 1977, 27 juli 1981, 16 november 1981 en 25 oktober 1990;22° het koninklijk besluit van 28 september 1976 tot instelling van een toelage voor sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 maart 1995;23° het koninklijk besluit van 11 februari 1977 houdende bijzondere administratieve en geldelijke bepalingen betreffende sommige personeelsleden in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 september 1981, 7 augustus 1991 en 6 november 1991;24° het koninklijk besluit van 11 februari 1977 betreffende de toekenning van de zogeheten \"weddenschaal van geselecteerde\" aan bepaalde personeelsleden van sommige ministeries, met uitzondering van artikel 24;25° het koninklijk besluit van 31 juli 1978 houdende toekenning van een toelage voor vervanging van de huisbewaarder tijdens het vakantieverlof, aan personen vreemd aan de Administratie;26° het koninklijk besluit van 16 november 1979 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van personeelsleden der rijksbesturen die met een graad van architect zijn bekleed;27° het koninklijk besluit van 16 november 1979 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen die met een graad van industrieel ingenieur zijn bekleed, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 1984;28° het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 februari 1989 en 6 november 1991;29° het koninklijk besluit van 19 augustus 1985 tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij;30° het koninklijk besluit van 13 maart 1989 tot bepaling van de rechtspositie en de graden van directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling;31° het koninklijk besluit tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest;32° het koninklijk besluit van 11 mei 1989 tot bepaling van de graden van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 december 1992;33° het koninklijk besluit van 11 mei 1989 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de personeelsleden van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest titularis kunnen zijn gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 december 1992;34° het koninklijk besluit van 9 juni 1989 tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 5 december 1990;35° het koninklijk besluit van 1991 betreffende het onthaal en de opleiding van het rijkspersoneel;36° het koninklijk besluit van 9 juni 1989 tot vaststelling van het statuut van leidend ambtenaar en adjunct leidend ambtenaar van het Brussels Instituut voor Milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke reglementaire bepaling die niet uitdrukkelijk is opgeheven door dit artikel is niet van toepassing op de aan dit statuut onderworpen ambtenaren indien zij in tegenspraak is met de bepalingen ervan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 417</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaren onderworpen aan dit statuut worden opgeheven : 1° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 25 juli 1991 tot toekenning van een premie voor tweetaligheid aan het personeel dat werkzaam is bij sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 juni 1993 en 11 maart 1998;2° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 houdende reglement van het personeel van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0;3° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 tot toekenning van een zogeheten weddenschaal van \"geselecteerde\" aan sommige personeelsleden van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling;4° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 tot vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling;5° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren van de Brussels Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling titularis kunnen zijn, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0;6° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 betreffende het statuut van de ambtenaren van de Haven van Brussel;7° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 tot vaststelling van het statuut en de graden van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar van de Haven van Brussel;8° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 tot vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Haven van Brussel, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 maart 2000;9° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 tot bepaling van de hiërarchische rangschikking van de graden die door de personeelsleden van de Haven van Brussel kunnen worden bekleed;10° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 oktober 1993 houdende de rangschikking per niveau en per rang van de graden die de ambtenaren van het Brussels Instituut voor Milieubeheer kunnen bekleden;11° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 oktober 1993 tot vaststelling van het statuut van de opdrachthouders bij de Brussels Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij;12° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 oktober 1993 houdende de rangschikking per niveau en per rang van de graden die de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen bekleden, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994;13° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 oktober 1993 betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 februari 1994 en 26 mei 1994;14° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 oktober 1993 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de personeelsleden van de Brussels Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij titularis kunnen zijn;15° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 oktober 1993 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de personeelsleden van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij titularis kunnen zijn;16° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 december 1993 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 3 en 4 van het ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met uitzondering van de bijlagen;17° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 januari 1994 tot oprichting van een gemeenschappelijke Raad van Beroep voor de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot vaststelling van de samenstelling ervan, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 1996 en 19 juni 1997;18° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 februari 1994 houdende het personeelsreglement van het Brussels Instituut voor Milieubeheer;19° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 1, 2+ en 2 van het ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door het</p>\n<p class=\"lf-p\">besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2, met uitzondering van de bijlagen;20° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 februari 1995 betreffende de hiërarchische rangschikking van de graden van het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2;21° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 januari 1996 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut die afhangen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;22° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 mei 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot oprichting van een stagecommissie voor het Brussels Instituut voor Milieubeheer.23° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 tot aanvulling voor wat de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp betreft, van het besluit van 26 mei 1994 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 1, 2+ en 2 van het Ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;24° de artikelen 55 tot 60 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;25° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 tot aanvulling voor wat de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp betreft, van het besluit van 21 oktober 1993 betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;26° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 mei 2000Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 tot wijziging van de samenstelling van de Directieraad van het Brussels Instituut voor Milieubeheer; Elke reglementaire bepaling die niet uitdrukkelijk is opgeheven door dit artikel is niet van toepassing op de aan dit statuut onderworpen ambtenaren indien zij in tegenspraak is met de bepalingen ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL II. - Wijzigingsbepalingen Art. 418.In het koninklijk besluit van 16 november 1988 tot vaststelling van de organisatie en de werking van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Artikel 17 wordt vervangen als volgt : « Art.17. Met uitzondering van de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal en de door middel van een mandaat aangestelde ambtenaren wordt het personeel door het beheerscomité benoemd, bevorderd en afgezet overeenkomstig de regelen van het statuut van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. »; 2° Het derde lid van artikel 22 wordt vervangen als volgt : « De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal aan en zet hen af.»; 3° Artikel 29 wordt opgeheven. TITEL III. - Overgangsbepalingen HOOFDSTUK I. - Omzettingsbepalingen Afdeling 1. - Omzetting van de vroegere graden in de nieuwe graden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-419\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 419</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De betrekkingen van directeur-generaal in rang A5 en adjunct-directeur-generaal in rang A4+ worden toegekend aan de ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit respectievelijk titularis zijn van een betrekking van leidend ambtenaar in rang 16 en adjunct-leidend ambtenaar in rang 15. Art. 420.De titularissen van de graden bedoeld in de linkerkolom van de bijlage II worden van rechtswege en door verandering van graad benoemd in de overeenstemmende graad in de rechterkolom. Art. 421.De ambtenaren behouden in hun nieuwe graad de graadanciënniteit welke was verkregen in de graad waarvan ze titularis waren Als verscheidene graden werden vereenvoudigd tot één basisgraad, is de graadanciënniteit van de ambtenaar die naar de nieuwe graad overgaat, gelijk aan de graadanciënniteit die hij desgevallend heeft verworven in ieder van de graden die in de nieuwe basisgraad worden omgezet. Art. 422.De ambtenaren met de graad van inspecteur-generaal of van bestuursdirecteur mogen hun titel blijven dragen. Art. 423.Onverminderd artikel 457, behouden de ambtenaren hun geldelijke anciënniteit bij de omzetting naar hun nieuwe graad. Art. 424.§ 1. In afwijking van artikel 65, worden de ambtenaren vrijgesteld van de voorwaarden van het bezit van het managementbrevet om zich kandidaat te stellen voor een kaderbetrekking van rang A2 of voor een betrekking van rang A3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afwijking geldt tot op het ogenblik waarop de eerste managementbrevetten worden uitgereikt. § 2. In afwijking van artikel 72, worden de ambtenaren die titularis zijn van een graad van respectievelijk rang B1, C1, D1 en E1 vrijgesteld van de voorwaarden van het bezit van het brevet om zich kandidaat te stellen voor een betrekking van B2, C2, D2, en E2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afwijking geldt tot op het ogenblik waarop de eerste brevetten per niveau worden uitgereikt. Afdeling 2. - Toewijzing van de mandaten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-425\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 425</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De mandaten bedoeld bij artikel 88 worden voor het eerst vacant verklaard op de datum bepaald door de Regering. Art. 426.De leidende ambtenaren bedoeld in artikel 419, die zich kandidaat stellen voor de vacant verklaarde mandaten, worden van ambtswege aangesteld als eerste titularis in de mandaten van rang A5 en A4+ Hun mandaat wordt van ambtswege verlengd zolang de Hoge Raad hun een evaluatie \"voldoende\" toekent.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidende ambtenaren die geen kandidaat zijn voor de vacant verklaarde mandaten behouden hun titel en genieten de eraan verbonden weddenschaal. Zij oefenen een functie uit die overeenstemt met hun titel. Art. 427.De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit leidende ambtenaar of adjunct-leidende ambtenaar zijn, worden vrijgesteld van in het bezit te zijn van het managementbrevet bedoeld in artikel 82. Art. 428.Zolang de Regering de nadere regels van de toekenning van de managementbrevetten niet heeft bepaald, worden de ambtenaren die zich kandidaat stellen voor de eerste toekenning van de mandaten vrijgesteld van de voorwaarde opgelegd door artikel 82. Afdeling 3. - Toekenning van de vermeldingen in het kader van de evaluatie Art. 429.De ambtenaren die vast benoemd zijn en een signalement « goed » of « zeer goed » hebben bekomen, alsook de ambtenaren zonder signalement van niveau 4 en de ambtenaren van het niveau 1, vanaf rang 13, krijgen van ambtswege een vermelding « voldoende ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze die een signalement \"onvoldoende\" of \"slecht\" hebben bekomen krijgen van ambtswege de vermelding \"met voorbehoud\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vermeldingen worden toegewezen op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit. Art. 430.Alle ambtenaren zullen worden met toepassing van de artikelen 127 tot 134 van dit besluit geëvalueerd op de data bepaald door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stagiairs die hun stage niet hebben voltooid op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, worden ten vroegste een jaar na het beëindigen van hun stage geëvalueerd worden met toepassing van de artikelen 127 tot 134 van dit besluit. Afdeling 4. - De omzetting in de functionele loopbanen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 431</span><span class=\"lf-art-t\">Deze afdeling is niet toepasselijk op de titularissen van een vlakke loopbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 1. - De omzetting van wervingsgraden in de niveaus 1, 2, 3 en 4 Art. 432.De titularissen van een wervingsgraad in de niveaus 1, 2, 3 en 4 worden ingeschakeld in de weddenschaal 101 of 111, naargelang de graad, van de functionele loopbaan van hun niveau als zij minder dan negen jaar graadanciënniteit hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zij tussen negen en achttien jaar graadanciënniteit hebben worden zij ingeschakeld in de weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad, van de functionele loopbaan van hun niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zij achttien jaar graadanciënniteit hebben, worden zij ingeschakeld in de weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad, van de functionele loopbaan van hun niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ambtenaren genieten de nieuwe weddenschalen van de \"functionele loopbaan\" op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - De omzetting van bevorderingsgraden van rang 11 en 12 Art. 433.De titularissen van een graad van rang 11 worden ingeschakeld in de weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad, van de functionele loopbaan overeenstemmend met hun nieuwe graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij komen in aanmerking voor de weddenschaal 103 of 113 zodra zij negen jaar anciënniteit in de weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad, hebben. De graadanciënniteit die zij hebben verworven in rang 11 komt in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in de weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zij achttien jaar niveauanciënniteit hebben, worden zij ingeschakeld in de weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad van de functionele loopbaan van hun niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titularissen van een graad van rang 12 worden ingeschakeld in de weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad van de functionele loopbaan overeenstemmend met hun nieuwe graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ambtenaren genieten de nieuwe weddenschalen van de \"functionele loopbaan\" op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - De omzetting van bevorderingsgraden in niveaus 1, 3 en 4 Art. 434.De titularissen van de graad van eerste adviseur in rang 14 worden titularissen van de graad van directeur van rang A3 en genieten de weddenschaal A310. Art. 435.Het genot van de weddenschaal 103 in hun niveau wordt gewaarborgd aan de titularissen van een bevorderingsgraad van rang 34 en 44. Art. 436.De ambtenaren bedoeld in artikel 435 die voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden genieten voorrang bij de toekenning van een bevorderingsgraad van rang D2 of E2. Art. 437.Een ambtenaar met de graad van geschoold werkman van rang 43 die geslaagd is in het examen voor overgang naar niveau 3 geselecteerd werkman A, specialiteit werkmeester vervoer, wordt ingedeeld als klerk. De betrokkene heeft in zijn nieuwe graad de anciënniteit die in niveau 4 verkregen was sedert het welslagen in het examen voor overgang naar het hoger niveau. Afdeling 5. - De omzetting van de graden van niveau 2</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-438\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 438</span><span class=\"lf-art-t\">De titularissen van een graad van rang 25 genieten de schaal B103</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De titularissen van een graad van rang 25 die houder zijn van een diploma of een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot een betrekking van niveau B, worden van rechtswege benoemd tot de graad van assistent in rang B1. Art. 439.De titularissen van een graad van rang 24 genieten de schaal C200.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titularissen van een graad van rang 24 die houder zijn van een diploma of een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot een betrekking van niveau B, worden van rechtswege benoemd tot de graad van assistent in rang B1. Zij genieten de weddenschaal C200 tot op het moment dat zij de schaal B103 genieten door toepassing van de functionele loopbaan. Art. 440.De titularissen van een graad van rang 23 of 22 die houder zijn van een diploma of een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot een betrekking van niveau B, worden van rechtswege benoemd tot de graad van assistent in rang B1. Zij genieten de weddenschaal C 103 tot op het moment dat zij de schaal B102 genieten door toepassing van de functionele loopbaan. Art. 441.De titularissen van een graad van rang 23 of 22 die geen diploma of studiegetuigschrift bezitten dat toegang verleent tot een betrekking van niveau B, genieten de weddenschaal C103. Degene die evenwel de voorwaarden vervullen om te worden bevorderd tot een graad van rang 24, genieten de schaal C 200.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren die zijn geslaagd voor een bevorderingsexamen bij het Vast Wervingssecretariaat maar nog niet werden bevorderd tot rang 23 of 22, worden op dezelfde wijze ingeschakeld. Zodra zij zijn geslaagd, is deze bepaling eveneens toepasselijk op de laureaten van een bij de inwerkingtreding van dit besluit aan de gang zijnde bevorderingsexamen. Art. 442.De titularissen van een graad van rang 21 of 20 die een diploma of studiegetuigschrift bezitten dat toegang verleent tot een betrekking van niveau B en dat uiterlijk in de loop van het schooljaar 2000-2001 is behaald, worden van rechtswege benoemd tot de graad van assistent in rang B1, voorzover ze een functie vervullen die verband houdt met dat diploma of dat studiegetuigschrift. Afdeling 6. - De omzetting van de graden van bemiddelaar, eerste bemiddelaar, bemiddelaar 1e klasse, hoofdbemiddelaar en beroepsadviseur. Art. 443.De titularissen van de graden van bemiddelaar, eerste bemiddelaar, bemiddelaar 1e klasse, hoofdbemiddelaar en beroepsadviseur zijn benoemd tot de graad van assistent in rang B1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titularissen van de graad van bemiddelaar genieten de schaal B101 en na 6 jaar graadanciënniteit de schaal C200 tot op het ogenblik dat zij de schaal B103 genieten bij toepassing van de functionele loopbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titularissen van de graad van eerste bemiddelaar genieten de schaal C200 tot op het moment dat ze de schaal B103 genieten door toepassing van de functionele loopbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titularissen van de graden van bemiddelaar 1e klasse genieten de schaal B103.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titularissen van de graden hoofdbemiddelaar en beroepsadviseur genieten de schaal B200.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 71, eerste lid, nemen de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid van dit artikel in hun nieuwe graad de anciënniteit mee bereikt in de graden waarvan ze titularis waren in niveau 2. Afdeling 7. - De omzetting van de graden van technisch beambte van Waters en Bossen 1e klasse, eerstaanwezend technisch beambte van Waters en Bossen, brigadechef van Waters en Bossen en brigadechef van Waters en Bossen 1e klasse. Art. 444.De titularissen van de graden van technisch beambte van Waters en Bossen 1e klasse, eerstaanwezend technisch beambte van Waters en Bossen, brigadechef van Waters en Bossen en brigadechef van Waters en Bossen 1e klasse worden benoemd tot de graad van adjunct in de rang C1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titularissen van de graden van technisch beambte van Waters en Bossen 1e klasse in de rang 30 en eerstaanwezend technisch beambte van Waters en Bossen in de rang 32 genieten de schaal C101.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titularissen van de graad van brigadechef van Waters en Bossen of van brigadechef van Waters en Bossen 1e klasse in rang 34 genieten de schaal C102.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 71, eerste lid, nemen de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid van dit artikel in hun nieuwe graad de anciënniteit mee bereikt in de graden waarvan ze titularis waren in niveau 3 voor de bevordering tot de graad van eerste adjunct. Afdeling 8. - De omzetting van de vlakke loopbaan Onderafdeling 1. - De omzetting van de graden van de vlakke loopbanen in niveau 1 Art. 445.Onverminderd artikel 457, genieten de titularissen van een vlakke loopbaan in de rangen 10-11-13 in hun nieuwe omzettingsgraad de weddenschaal A102 zodra zij zes jaar graadanciënniteit tellen en de weddenschaal A300 zodra zij vijftien jaar graadanciënniteit tellen. Art. 446.Onverminderd artikel 457, genieten de titularissen van een vlakke loopbaan in de rangen 10-11-12 in hun nieuwe graad de weddenschaal A102 zodra zij zes jaar graadanciënniteit tellen en de weddenschaal A103 zodra zij vijftien jaar graadanciënniteit tellen. Art. 447.De titularissen van een vlakke loopbaan in de rangen 12-13 genieten in hun nieuwe graad de weddenschaal A113 en de weddenschaal A310 zodra zij negen jaar graadanciënniteit tellen. Art. 448.De ambtenaren bedoeld in artikelen 445 en 447, die zich kandidaat stellen voor een bevordering tot een graad in rang A3, worden vrijgesteld van de bepaling betreffende het bezit van een managementbrevet tot op het ogenblik dat het wordt toegekend door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - De omzetting van de graden van de vlakke loopbanen in niveaus 2+, 2, 3 en 4 Art. 449.Onverminderd artikel 457, worden de titularissen van een vlakke loopbaan in niveau 2+ ingeschakeld in de functionele loopbaan van hun niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij genieten de weddenschaal B102 zodra zij zes jaar graadanciënniteit tellen en de weddenschaal B103 zodra zij vijftien jaar graadanciënniteit tellen. Art. 450.Onverminderd artikel 457, worden de titularissen van een vlakke loopbaan in niveau 2 ingeschakeld in de functionele loopbaan van hun niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij genieten de weddenschaal C102 zodra zij zes jaar graadanciënniteit hebben en de weddenschaal C103 zodra zij vijftien jaar graadanciënniteit hebben. Art. 451.De titularissen van een vlakke loopbaan in niveau 3 en 4 worden ingeschakeld in de functionele loopbaan van hun niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij genieten de weddenschaal D102 of E102 naargelang het niveau zodra zij drie jaar graadanciënniteit tellen. Als zij bij de inwerkingtreding van dit besluit achttien jaar of meer graadanciënniteit hebben, worden zij ingeschakeld in de weddenschaal D103 of E103 naargelang het niveau.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-452\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 452</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De overgangsbepalingen opgenomen in artikelen 420, 421, 423, 430, 432 eerste lid en 457 zijn eveneens van toepassing op de stagiairs. HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen Art. 453.Zolang zij kunnen worden ingeroepen door een ambtenaar in dienst bij de instelling of door iedere persoon die ertoe gerechtigd is en op voorwaarde dat deze ambtenaar of deze persoon reeds het voordeel van minstens één van deze maatregelen geniet op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit of dat hij er voordien van genoten heeft, blijven de bepalingen van toepassing die bedoeld worden door : - artikel 41 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries en de bepalingen waarnaar dit artikel verwijst; - artikel 24 van het koninklijk besluit van 11 februari 1977 houdende bijzondere administratieve en geldelijke bepalingen betreffende sommige personeelsleden in de rijksbesturen en de bepalingen waarnaar het verwijst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-454\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 454</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 338 van dit besluit is niet toepasselijk op de ambtenaren afkomstig van de Brussels Agglomeratie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-455\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 455</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De stagecommissies die in functie zijn bij de inwerkingtreding van dit besluit blijven bevoegd totdat de leden van de commissie bedoeld in artikel 17 van dit besluit worden aangewezen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-456\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 456</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenschappelijke raad van beroep die in functie is bij de inwerkingtreding van dit besluit en die kennis neemt van beroepen inzake tuchtzaken blijft bevoegd totdat de leden van de raad van beroep bedoeld in artikel 289 van dit besluit worden aangewezen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-457\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 457</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De lopende tuchtzaken op het ogenblik van de goedkeuring door de Regering van dit besluit zijn onderworpen aan het tuchtstelsel zoals het bestond voor deze inwerkingtreding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-458\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 458</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren behouden het voordeel van de weddenschaal waarvan zij genoten op het ogenblik van de omzetting voorzover deze voordeliger zou zijn dan de weddenschaal die hen wordt toegekend in hun nieuwe graad</p></div>", "next": 239282}