{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 154</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het budgethouderschap is de toegekende bevoegdheid tot beheer van een budget dat taakstellend is in die zin dat het een norm inhoudt waarvan de budgethouder de realisatie nastreeft. Art. 155.§ 1. Het budgethouderschap komt toe aan de deputatie, behoudens de uitzonderingen, bepaald door of krachtens dit decreet en onverminderd de toepassing van § 2 en § 3. § 2. De deputatie kan het budgethouderschap voor aangelegenheden van dagelijks bestuur toekennen aan de provinciegriffier, die verantwoordelijk is voor de uitvoering ervan De provincieraad bepaalt, op voorstel van de deputatie, wat onder dagelijks bestuur wordt begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciegriffier kan deze bevoegdheid met betrekking tot bepaalde budgetten betreffende activiteitencentra delegeren aan andere personeelsleden. Hij houdt daarbij rekening met het organogram van de provinciale diensten. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen gedelegeerde bevoegdheid niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet. Zij zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het aan hen gedelegeerde budgethouderschap. § 3. Onder de voorwaarden die door de provincieraad vastgesteld worden en na advies van de provinciegriffier kan de deputatie het budgethouderschap met betrekking tot bepaalde budgetten betreffende activiteitencentra of projecten delegeren aan bepaalde personeelsleden van de provincie, ook voor aangelegenheden die het dagelijks bestuur te boven gaan. De deputatie houdt daarbij rekening met het organogram van de provinciale diensten. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen gedelegeerde bevoegdheid niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet. Zij zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het aan hen gedelegeerde budgethouderschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciegriffier brengt het advies, vermeld in het eerste lid, uit binnen dertig dagen na daarom te zijn verzocht ter kennis van de deputatie. Bij gebrek aan kennisgeving van het advies binnen de voormelde termijn kan aan die adviesvereiste worden voorbijgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke delegatie vervalt in ieder geval zes maanden na de algehele vernieuwing van de provincieraad. Art. 156.§ 1. De budgethouder gaat de verbintenissen aan overeenkomstig het hem toevertrouwde budget. Hij voert, in voorkomend geval binnen de perken van de delegatie, de procedures voor opdrachten van aanneming van werken, leveringen of diensten, wijst de opdracht toe en keurt de te betalen bedragen goed overeenkomstig het aan hem toevertrouwde budget. § 2. De voorgenomen financiële verbintenissen zijn onderworpen aan een voorafgaand visum, voordat enige verbintenis kan worden aangegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financieel beheerder onderzoekt de wettigheid en regelmatigheid van deze voorgenomen verbintenissen in het kader van zijn opdracht, vermeld in artikel 90, 1°. Hij verleent zijn visum, indien uit dit onderzoek de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenis blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincieraad bepaalt de nadere voorwaarden waaronder de financieel beheerder de controle, vermeld in het tweede lid, uitoefent. De provincieraad kan binnen de perken die vastgelegd zijn door de Vlaamse Regering, bepaalde categorieën van verrichtingen van dagelijks bestuur uitsluiten van de visumverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrichtingen die door de provincieraad overeenkomstig het derde lid zijn uitgesloten van de visumverplichting, kunnen door de betrokken budgethouder en, indien de betrokken budgethouder de deputatie is, door een lid van de deputatie wanneer het stemgedrag niet wordt genotuleerd, voordat enige verbintenis werd aangegaan, worden voorgelegd aan de financieel beheerder. In dat geval wordt gehandeld overeenkomstig het tweede lid. § 3. De budgethouder is verantwoordelijk voor de facturatie van de opbrengsten van het aan hem toevertrouwde budget. § 4. De provincieraad en de deputatie kunnen als bevoegde budgethouder beslissen, onder de door hen bepaalde voorwaarden, de goedkeuring van de te betalen bedragen toe te vertrouwen aan de provinciegriffier. De provinciegriffier kan die bevoegdheid niet delegeren. Art. 157.Als de financieel beheerder, bij gemotiveerde beslissing, aan een door een budgethouder voorgenomen verbintenis waarvoor nog voldoende kredieten zijn, weigert visum te verlenen, kan de deputatie op eigen verantwoordelijkheid viseren. In dit geval bezorgt de deputatie de gemotiveerde beslissing van de financieel beheerder aan de Vlaamse Regering, tegelijkertijd met het afschrift van zijn beslissing. Behoudens in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, wordt de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel, van de beslissing op de hoogte gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de deputatie is pas uitvoerbaar als de toezichttermijn, vermeld in artikel 248, is verstreken. Art. 158.§ 1. Om de betaling mogelijk te maken van geringe exploitatie-uitgaven van het dagelijkse bestuur, die zonder uitstel moeten gebeuren of die onmiddellijk moeten worden gedaan voor de goede werking van de dienst, kan de provinciegriffier onder zijn verantwoordelijkheid na advies van de financieel beheerder beslissen aan bepaalde budgethouders of personeelsleden een provisie ter beschikking te stellen. Deze beslissing van de provinciegriffier wordt ter goedkeuring aan de provincieraad voorgelegd indien ze niet overeenstemt met het advies van de financieel beheerder dat hij in volle onafhankelijkheid heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat verantwoordelijk is voor de betalingen overhandigt de voorgeschreven som tegen ontvangstbewijs aan de betrokken budgethouder of het betrokken personeelslid of stort het bedrag op een daartoe speciaal geopende rekening die nooit een debetsaldo kan vertonen. Die budgethouders of personeelsleden zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het beheer ervan. De op de kasprovisie gedane uitgaven van de gemachtigde personeelsleden worden periodiek op voorlegging van een staat van uitgaven en de erbij horende bewijsstukken opgenomen in de boekhouding van de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de titularis van de provisie ervan wordt ontlast, stort hij het bedrag ervan terug, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de uitgaven die hij reeds regelmatig heeft verricht met de provisie, mits voorlegging van bewijsstukken betreffende de gedane uitgaven. § 2. De provinciegriffier kan, na advies van de financieel beheerder, onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde personeelsleden van de provincie die onder zijn gezag staan, belasten met de inning van geringe dagontvangsten. Deze beslissing van de provinciegriffier wordt ter goedkeuring aan de provincieraad voorgelegd indien ze niet overeenstemt met het advies van de financieel beheerder dat hij in volle onafhankelijkheid heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze personeelsleden storten op geregelde tijdstippen het totale bedrag van hun inningen in de provinciekas en verantwoorden die bedragen door een nauwkeurige invorderingsstaat volgens de onderrichtingen van de financieel beheerder. De ontvangsten en de storting ervan in de provinciekas worden in een kasboekhouding geregistreerd. § 3. Minstens eenmaal per jaar verifieert de financieel beheerder of een door hem aangestelde persoon, onder zijn verantwoordelijkheid, de boekhouding en de geldvoorraad van de houders van de provisie, vermeld in § 1, en de personeelsleden die belast zijn met de inning van geringe dagontvangsten, vermeld in § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van zijn bevindingen wordt een proces-verbaal gemaakt dat wordt bezorgd aan de provinciegriffier, aan de bevoegde budgethouder of aan het betrokken personeelslid en behoudens in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, aan de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat proces-verbaal wordt zowel door het verantwoordelijke personeelslid als door de financieel beheerder ondertekend. § 4. De provincieraad bepaalt de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van provisies en de voorwaarden waaronder personeelsleden van de provincie kunnen worden belast met de inning van geringe dagontvangsten. Afdeling II. - Uitvoering van de betalingen, inning van de ontvangsten en beheer van de kasmiddelen Art. 159.§ 1. De financieel beheerder staat in voor de uitvoering van alle girale betalingen. Hij of zijn gemachtigde plaatst hiervoor als tweede zijn handtekening op de betalingsopdracht aan de financiële instelling. Betalingen in uitvoering van uitgaven kunnen nooit door de financieel beheerder gebeuren zonder een uitdrukkelijke betalingsopdracht van de provinciegriffier. Deze opdracht van de provinciegriffier blijkt uit een eerste handtekening op de betalingsopdracht aan de financiële instelling door de provinciegriffier of zijn gemachtigde. De provinciegriffier bevestigt hiermee dat de uitgave wettig en regelmatig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betalingen in verband met het thesauriebeheer gebeuren autonoom door de financieel beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciegriffier kan, na eensluidend advies van de financieel beheerder, de kasverrichtingen opdragen aan een of meer personeelsleden van de provincie, met uitsluiting van de financieel beheerder. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen toevertrouwde bevoegdheden niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel vermelde personeelsleden zijn binnen de grenzen van de aan hen toevertrouwde bevoegdheid rekenplichtig. § 2. Indien de provinciegriffier of een door hem met betalingsverrichtingen belast personeelslid weigert een betalingsopdracht aan een financiële instelling te ondertekenen, kan de deputatie op eigen verantwoordelijkheid bevelen de betaling uit te voeren. Een dergelijk bevel kan niet worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval bezorgt de deputatie een afschrift van haar beslissing aan de Vlaamse Regering en behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, aan de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel. De beslissing van de deputatie is slechts uitvoerbaar zodra de in artikel 248 vermelde toezichttermijn is verstreken. HOOFDSTUK V. - Boekhouding, financiële rapportering en kascontrole Art. 160.Elke provincie voert een voor de aard en de omvang van haar activiteiten passende boekhouding, volgens de methode van het dubbel boekhouden. Art. 161.De financieel beheerder rapporteert in volle onafhankelijkheid minstens eenmaal per semester aan de provincieraad en de deputatie. Dat rapport omvat minstens een overzicht van de thesaurietoestand, de liquiditeitsprognose, de beheerscontrole, alsook de evolutie van de budgetten. De financieel beheerder stelt tegelijkertijd een afschrift ter beschikking aan de provinciegriffier en behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, aan de externe auditcommissie bedoeld in dat artikel. Art. 162.De financieel beheerder rapporteert in volle onafhankelijkheid minstens eenmaal per semester aan de provincieraad over de uitvoering van zijn taak van voorafgaande controle van de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij stelt tegelijkertijd een afschrift van dat rapport ter beschikking aan de deputatie, de provinciegriffier en behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, aan de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel. Art. 163.Bij toepassing van artikel 155, § 2, rapporteert de provinciegriffier minstens eenmaal per kwartaal aan de deputatie over de uitvoering van het budgethouderschap. De provinciegriffier rapporteert tegelijk over de uitvoering van het budgethouderschap door de door hem met het budgethouderschap belaste personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de provinciegriffier met budgethouderschap belaste personeelsleden rapporteren minstens eenmaal per kwartaal aan de provinciegriffier over de uitvoering van hun budgethouderschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van artikel 155, § 3, rapporteert het met budgethouderschap belaste personeel minstens eenmaal per kwartaal aan de deputatie over de uitvoering van het budgethouderschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, heeft de externe auditcommissie toegang tot de in dit artikel vermelde rapporten. Art. 164.De deputatie rapporteert minstens eenmaal per semester aan de provincieraad over de uitvoering van het budgethouderschap. Een afschrift van dit rapport wordt ter beschikking gesteld van de provinciegriffier en behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, aan de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel. Art. 165.§ 1. Minstens eenmaal per jaar verifieert een door de provincieraad aangeduid personeelslid de kas van de provinciegriffier of, in voorkomend geval, van de rekenplichtigen, vermeld in artikel 159. Het proces-verbaal van verificatie wordt bezorgd aan de provincieraad, aan de provinciegriffier en, in voorkomend geval, aan de rekenplichtigen bedoeld in artikel 159. De opdracht omschreven in het eerste lid vervalt indien er minstens jaarlijks een kascontrole door het Rekenhof of door de externe auditcommissie bedoeld in artikel 254 wordt uitgevoerd. § 2. De provinciegriffier of, in voorkomend geval, de rekenplichtigen, vermeld in artikel 159, brengen de controlerende of auditerende instantie onverwijld op de hoogte van elk tekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval wordt er onverwijld overgegaan tot verificatie van de kas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het proces-verbaal van verificatie wordt een toelichting gevoegd over de omstandigheden en de bewarende maatregelen die de provinciegriffier en de door hem aangestelde rekenplichtigen hebben genomen. § 3. Indien het de provinciegriffier of de rekenplichtige, vermeld in artikel 159, onmogelijk is om aanwezig te zijn bij de verificatie, vermeld in § 1 en § 2, kan hij zich daartoe laten vertegenwoordigen. § 4. Behalve in het geval dat de aansprakelijkheid van de rekenplichtigen bedoeld in § 1 wordt vastgesteld door het Rekenhof zijn in afwijking van de §§ 1 tot en met 3 de §§ 5 tot en met 9 van toepassing. § 5. Minstens eenmaal per jaar verifieert de externe auditcommissie de kas van de provinciegriffier of, in voorkomend geval, van de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie maakt van de verificatie een proces-verbaal op waarin haar opmerkingen, alsmede die van de in het eerste lid bedoelde personen, worden vermeld. Het proces-verbaal wordt ondertekend door een lid van de externe auditcommissie en de in het eerste lid bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie bezorgt het proces-verbaal aan de provincieraad, de provinciegriffier en, in voorkomend geval, aan de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie stelt een aanvullend rapport op van de verificatie indien een tekort werd vastgesteld. Dat rapport bevat aanbevelingen betreffende de vereffening daarvan. Het rapport wordt uiterlijk tien dagen na verificatie en tegelijkertijd met het proces-verbaal bezorgd aan de Vlaamse Regering, de provincieraad, de provinciegriffier en, in voorkomend geval, aan de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159. § 6. De provinciegriffier of, in voorkomend geval, de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, brengen de externe auditcommissie onverwijld op de hoogte van elk tekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval wordt er onverwijld overgegaan tot verificatie van de kas, overeenkomstig § 5, om het bedrag van het tekort vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het proces-verbaal van verificatie wordt een toelichting toegevoegd over de omstandigheden en de bewarende maatregelen die de provinciegriffier of de door hem aangestelde rekenplichtigen hebben genomen. § 7. Als verificatie uitwijst dat er een kastekort is, dan deelt de provincieraad binnen dertig dagen na ontvangst van het proces-verbaal en het rapport van de externe auditcommissie, aan de Vlaamse Regering zijn advies mee betreffende de mate waarin de provinciegriffier of de door hem aangestelde rekenplichtige voor het tekort aansprakelijk gesteld moeten worden en, in voorkomend geval, hoeveel het tekort bedraagt dat moet worden vereffend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering neemt een beslissing, na kennisname van het advies van de provincieraad, het proces-verbaal en het aanvullend rapport van de externe auditcommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene wordt onverwijld met een aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing van de Vlaamse Regering. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag in de provinciekas te storten. Een afschrift van de beslissing van de Vlaamse Regering wordt onverwijld bezorgd aan de provincie. § 8. Binnen zestig dagen na die kennisgeving kan de betrokkene beroep instellen bij het rechtscollege, bedoeld in artikel 13. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rechtscollege doet uitspraak over de aansprakelijkheid van de provinciegriffier of de door hem aangestelde rekenplichtige en bepaalt het bedrag dat te zijnen laste wordt gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van het rechtscollege is uitvoerbaar, zelfs indien daartegen een beroep is ingesteld bij de Raad van State. Deze beslissing kan echter pas ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van dit beroep. § 9. Indien het de provinciegriffier of de in artikel 159 bedoelde rekenplichtige onmogelijk is om aanwezig te zijn bij de verificatie, daarbij opmerkingen te maken en het proces-verbaal van verificatie te ondertekenen, zoals bedoeld in § 5 en § 6, kan hij zich daartoe laten vertegenwoordigen. Art. 166.§ 1. Als het ambt van de financieel beheerder, de provinciegriffier of de opdracht van de rekenplichtigen, vermeld in artikel 159, een einde neemt, wordt binnen veertien dagen een eindrekening opgemaakt. Deze personen zijn overeenkomstig artikel 171 rekenplichtig. § 2. De verplichting vermeld in § 1 is enkel van toepassing in de gevallen dat het Rekenhof zich uitspreekt over de aansprakelijkheid van de in § 1 bedoelde personeelsleden. In de overige gevallen zijn de §§ 3 tot en met 8 van toepassing. § 3. Als het ambt van de financieel beheerder, de provinciegriffier of de opdracht van de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, een einde neemt, controleert de externe auditcommissie de juistheid en volledigheid van de boekhouding en wijst op ieder tekort. Zij brengt hierover verslag uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie maakt van de verificatie een proces-verbaal op waarin haar opmerkingen en, in voorkomend geval, die van de financieel beheerder, de provinciegriffier en de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, of, in geval van overlijden, van hun erfgenamen worden vermeld. Het proces-verbaal wordt, naar gelang van het geval, ondertekend door een lid van de externe auditcommissie en door de financieel beheerder, de provinciegriffier en, in voorkomend geval, de rekenplichtige of, in geval van overlijden, hun erfgenamen indien aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie bezorgt het proces-verbaal aan de provincieraad, de financieel beheerder, de provinciegriffier en, in voorkomend geval, aan de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, of hun erfgenamen. § 4. De externe auditcommissie stelt een aanvullend rapport op van de verificatie indien een onjuistheid of onvolledigheid werd vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat rapport omvat aanbevelingen betreffende de vereffening daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rapport wordt uiterlijk dertig dagen na verificatie en tegelijkertijd met het proces-verbaal bezorgd aan de Vlaamse Regering, de provincieraad, de financieel beheerder, de provinciegriffier en, in voorkomend geval, aan de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, of hun erfgenamen. § 5. Als er onjuistheden of onvolledigheden werden vastgesteld, deelt de provincieraad binnen dertig dagen na ontvangst van het proces-verbaal en het rapport van de externe auditcommissie aan de Vlaamse Regering zijn advies mee betreffende de mate waarin de financieel beheerder, de provinciegriffier, of de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, aansprakelijk gesteld moeten worden voor de vastgestelde onregelmatigheden. In voorkomend geval wordt aangegeven welk bedrag in de provinciekas moet worden gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering neemt een beslissing, na kennisname van het advies van de provincieraad, het proces-verbaal en het aanvullend rapport van de externe auditcommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene, of diens erfgenamen in geval van overlijden, indien bekend, worden onverwijld met een aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing van de Vlaamse Regering. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag in de provinciekas te storten. Een afschrift van de beslissing van de Vlaamse Regering wordt onverwijld bezorgd aan de provincie. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 165, § 8, is van overeenkomstige toepassing als een van de personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, of hun rechtverkrijgenden worden verzocht een tekort te vereffenen. § 7. Indien het de provinciegriffier, de in artikel 159 bedoelde rekenplichtige of de financieel beheerder onmogelijk is om aanwezig te zijn bij de verificatie, daarbij opmerkingen te maken en het proces-verbaal van verificatie te ondertekenen, zoals bedoeld in § 3, kan hij zich daartoe laten vertegenwoordigen. § 8. Bij afwezigheid of verhindering die aanleiding geeft tot vervanging in de zin van artikel 78, is dit artikel van overeenkomstige toepassing op de provinciegriffier of de financieel beheerder. § 9. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de waarnemende financieel beheerder en de waarnemende provinciegriffier, als de vervanging een einde neemt. HOOFDSTUK VI. - Inventaris, jaarrekening en kwijting Art. 167.Onder leiding van de financieel beheerder en in overleg met het managementteam worden uiterlijk op 31 december van ieder jaar de nodige opnemingen, verificaties, opzoekingen en waarderingen gedaan om de inventaris op te maken van al de bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van de provincie van welke aard ook.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-168\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 168</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden ze samengevat opgenomen in het ontwerp van de jaarrekening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de consolidatie van de jaarrekening van de provincie met de jaarrekeningen van de autonome provinciebedrijven en de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen met privaatrechtelijke vorm. § 2. De externe auditcommissie controleert, behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, of het ontwerp van de jaarrekening juist en volledig is, of ze een waar en getrouw beeld geeft van de financiële toestand van de provincie en of de erin opgenomen opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven wettelijk en regelmatig zijn. De externe auditcommissie rapporteert over haar bevindingen in een verslag. Zij deelt dit verslag mee aan de provincie binnen dertig dagen nadat de jaarrekening haar voor controle werd bezorgd. Art. 169.§ 1. De provincieraad spreekt zich in de loop van het eerste semester van het boekjaar dat volgt op datgene waarop de rekening betrekking heeft uit over de vaststelling van de jaarrekening. Behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, spreekt de provincieraad zich slechts uit na kennis te hebben genomen van het in artikel 168, § 2, bedoelde verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de vergadering waarop de provincieraad over de jaarrekening beraadslaagt, brengt de deputatie verslag uit over de financiële toestand, over het gevoerde beleid en beheer tijdens het voorafgaande jaar en over de uitvoering van het budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afschrift van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde jaarrekening wordt binnen twintig dagen bezorgd aan de Vlaamse Regering. § 2. In de gevallen dat het Rekenhof de rekeningen van de rekenplichtige niet afsluit is, in afwijking van § 1, § 3 van toepassing. § 3. Na kennisname van het verslag van de externe auditcommissie over het ontwerp van de jaarrekening spreekt de provincieraad zich in de loop van het eerste semester van het boekjaar dat volgt op datgene waarop de rekening betrekking heeft uit over de vaststelling van de jaarrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de provincieraad bepaalde verrichtingen verworpen heeft, formuleert hij een advies over de aansprakelijkheid van de bij die verrichtingen betrokken actoren. Dat advies wordt als bijlage bij de jaarrekening gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de vergadering waarop de provincieraad over de jaarrekening beraadslaagt, brengt de deputatie verslag uit over de financiële toestand, over het gevoerde beleid en beheer tijdens het voorafgaande jaar en over de uitvoering van het budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afschrift van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde jaarrekening wordt binnen twintig dagen bezorgd aan de Vlaamse Regering en de externe auditcommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-170\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 170</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 144, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de stemming door de provincieraad over de jaarrekening. § 2. Het ontwerp van de jaarrekening wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 171</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De provinciegriffier, de aangestelde budgethouders, de personen die door de provinciegriffier zijn aangesteld om betalingen te verrichten of ontvangsten te innen, en de financieel beheerder zijn rekenplichtig in de zin van artikel 7 van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof. § 2. De deputatie legt jaarlijks gecentraliseerd rekening af aan het orgaan dat belast is met het verlenen van kwijting van het beheer. Die rekening omvat alle rekeningen van de rekenplichtigen. § 3. In afwijking van de §§ 1 en 2 zijn de §§ 4 tot en met 8 van toepassing wanneer het Rekenhof zich niet uitspreekt over de effenverklaring van de rekeningen van de provincie. § 4. Na ontvangst van het afschrift van de jaarrekening, overeenkomstig artikel 169, § 3, vierde lid, rapporteert de externe auditcommissie binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering over de door de provincieraad vastgestelde rekening in het geval de externe auditcommissie of de provincieraad van mening zijn dat een bepaalde ambtenaar of bepaalde ambtenaren aansprakelijk zijn. Indien de provincieraad geen rekening gehouden heeft met de bevindingen van de externe auditcommissie over de aansprakelijkheden voor onregelmatigheden of tekorten, wordt dat door de externe auditcommissie expliciet vermeld De externe auditcommissie bezorgt een afschrift van dit rapport aan de provincie. § 5. Indien de provincieraad geen verrichtingen verworpen heeft en de externe auditcommissie in zijn rapport, vermeld in § 4, er geen melding van maakt dat de provincieraad met bevindingen van de externe auditcommissie geen rekening heeft gehouden, is de vaststelling van de jaarrekening door de provincieraad definitief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitieve vaststelling van de jaarrekening door de provincieraad houdt van rechtswege kwijting in van het beheer van de provinciegriffier, de financieel beheerder en van de door de provinciegriffier aangestelde rekenplichtigen en de budgethouders, voorzover de ware toestand niet werd verborgen door enige weglating of onjuiste opgave in de jaarrekening. § 6. Indien de provincieraad bepaalde verrichtingen verworpen heeft of indien de externe auditcommissie in haar rapport, vermeld in § 4, er melding van maakt dat de provincieraad geen rekening heeft gehouden met bevindingen van de externe auditcommissie over de aansprakelijkheden voor onregelmatigheden of tekorten, beslist de Vlaamse Regering over de aansprakelijkheid van de bij de betwiste verrichtingen betrokken actoren en beslist zij over de kwijting. Zij brengt in voorkomend geval, de nodige wijzigingen aan in de jaarrekening en stelt de rekening definitief vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de Vlaamse Regering zich niet uitgesproken heeft binnen de honderd dagen na ontvangst van de jaarrekening, wordt zij geacht de vaststelling van de jaarrekening door de provincieraad te bevestigen en, in voorkomend geval, wordt zij geacht aangaande de aansprakelijkheid van de bij verworpen verrichtingen betrokken actoren te hebben beslist overeenkomstig het advies van de provincieraad. § 7. De betrokkenen worden onverwijld met een aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing van de Vlaamse Regering. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag in de provinciekas te storten. Behoudens in geval van toepassing van § 6, tweede lid, wordt onverwijld een afschrift van de beslissing van de Vlaamse Regering bezorgd aan de provincie. § 8. Degenen aan wie kwijting is geweigerd kunnen binnen zestig dagen na deze kennisgeving een beroep instellen bij het rechtscollege, bedoeld in artikel 13, tegen de beslissingen van de Vlaamse Regering, bedoeld in § 6. Dat beroep heeft schorsende werking. Het rechtscollege doet uitspraak over de aansprakelijkheid van de betrokkene en bepaalt het bedrag dat te zijnen laste wordt gelegd of verleent definitief kwijting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de verwerping van bepaalde verrichtingen aanleiding gaf tot het definitief afwijzen van bepaalde uitgaven, kan degene die beroep heeft ingesteld de personen die hij aansprakelijk of medeaansprakelijk acht ter verantwoording roepen in het geding voor het rechtscollege om de beslissing van het rechtscollege voor hen bindend en tegenstelbaar te horen verklaren. In dat geval doet het rechtscollege mee uitspraak over de aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van het rechtscollege is uitvoerbaar, zelfs indien daartegen een beroep is ingesteld bij de Raad van State. Deze beslissing kan echter pas ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van dat beroep. HOOFDSTUK VII. - Bijzondere bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht Art. 172.§ 1. Onverminderd de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang, overeenkomstig de artikelen 245 tot 252, schorst de Vlaamse Regering de uitvoering van het meerjarenplan en de beslissing tot wijziging ervan : 1° als niet afdoende of slechts op basis van fictieve gegevens aangetoond wordt dat het financieel evenwicht gevrijwaard blijft in de boekjaren waarop het meerjarenplan betrekking heeft;2° als bekende en verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het meerjarenplan betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het meerjarenplan worden opgenomen;3° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het meerjarenplan heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het meerjarenplan in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht;4° als het meerjarenplan geen of slechts gedeeltelijk rekening houdt met eerder goedgekeurde investeringsenveloppes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzover de redenen die aanleiding geven tot de schorsing het evenwicht van het meerjarenplan niet in gevaar brengen, kan de schorsing beperkt worden tot een of meer onderdelen van het meerjarenplan. § 2. De provincieraad spreekt zich uit over het schorsingsbesluit en stelt het meerjarenplan of de wijziging ervan opnieuw vast. Hij stuurt zijn gemotiveerde beslissing naar de Vlaamse Regering. § 3. De Vlaamse Regering neemt een gemotiveerde beslissing over het meerjarenplan of de wijziging ervan die de provincieraad opnieuw heeft vastgesteld. Onverminderd haar bevoegdheid tot vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang stelt de Vlaamse Regering het meerjarenplan of de wijziging ervan opnieuw vast in de hierna volgende gevallen : 1° als niet afdoende of slechts op basis van fictieve gegevens aangetoond wordt dat het financieel evenwicht gevrijwaard blijft in de boekjaren waarop het meerjarenplan betrekking heeft;2° als bekende en verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het meerjarenplan betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het meerjarenplan worden opgenomen;3° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het meerjarenplan heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het meerjarenplan in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht;4° als het meerjarenplan geen of slechts gedeeltelijk rekening houdt met eerder goedgekeurde investeringsenveloppen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste geval neemt de Vlaamse Regering alle vereiste maatregelen om het evenwicht te herstellen. In het tweede geval schrijft de Vlaamse Regering de opbrengsten of verplichte kosten ambtshalve in. In het derde geval schrapt de Vlaamse Regering de vermelde ontvangsten of schrijft ze die op het juiste bedrag in. In het laatste geval verhoogt de Vlaamse Regering de kredieten, zodat de reeds eerder goedgekeurde investeringsenveloppes passen in het vastgestelde meerjarenplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering neemt haar beslissing binnen vijftig dagen, die ingaan op de dag na het inkomen van het besluit van de provincieraad en verstuurt haar beslissing naar de provincieraad uiterlijk de laatste dag van die termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als binnen de in het derde lid bepaalde termijn geen beslissing naar de provincieraad is verstuurd, is het door de Vlaamse Regering ontvangen meerjarenplan of de wijzigingen ervan definitief. § 4. De schorsing van het meerjarenplan of van de wijziging ervan impliceert van rechtswege de schorsing van het budget dat werd vastgesteld op basis van het geschorste meerjarenplan of het meerjarenplan zoals gewijzigd bij de geschorste wijziging. Deze schorsing neemt een einde op de datum van de gemotiveerde beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in § 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-173\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 173</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onverminderd de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang overeenkomstig artikelen 245 tot 252, schorst de Vlaamse Regering het budget of de budgetwijzigingen : 1° als die niet passen in het meerjarenplan, voorzover het budget of de budgetwijzigingen geen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen;2° als die een negatief resultaat op kasbasis vertonen voorzover de financiële nota van het budget of de budgetwijzigingen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar waarvoor de provincieraad werd verkozen;3° als bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het budget betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het budget worden opgenomen;4° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het budget heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het budget in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht Voorzover de redenen die aanleiding geven tot de schorsing niet tot gevolg hebben dat het budget niet meer past in het meerjarenplan, kan de schorsing beperkt worden tot een of meer onderdelen van het budget. § 2. De provincieraad spreekt zich uit over het schorsingsbesluit en stelt het budget of de budgetwijziging opnieuw vast. Hij stuurt zijn gemotiveerde beslissing naar de Vlaamse Regering. § 3. De Vlaamse Regering neemt een gemotiveerde beslissing over het budget of de budgetwijziging die de provincieraad opnieuw heeft vastgesteld. Onverminderd haar bevoegdheid tot vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang, stelt de Vlaamse Regering het budget of de budgetwijzigingen opnieuw vast in de hierna volgende gevallen : 1° als ze niet passen in het meerjarenplan, voorzover het budget of de budgetwijzigingen geen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen;2° als ze een negatief resultaat op kasbasis vertonen, voorzover het budget of de budgetwijzigingen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar waarvoor de provincieraad werd verkozen;3° als bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het budget betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het budget worden opgenomen;4° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het budget heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het budget in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste geval neemt de Vlaamse Regering alle vereiste maatregelen om het budget te doen passen in het meerjarenplan. In het tweede geval neemt de Vlaamse Regering de nodige maatregelen om het evenwicht op kasbasis te herstellen. In het derde geval schrijft de Vlaamse Regering de opbrengsten of verplichte kosten ambtshalve in. In het laatste geval schrapt de Vlaamse Regering de vermelde ontvangsten of schrijft ze die op het juiste bedrag in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering neemt haar beslissing binnen vijftig dagen, die ingaan op de dag na het inkomen van het besluit van de provincieraad en verstuurt haar beslissing naar de provincieraad uiterlijk de laatste dag van die termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als binnen de in het derde lid bepaalde termijn geen beslissing naar de provincieraad is verstuurd, is het budget of de budgetwijziging definitief die door de provincieraad opnieuw is vastgesteld. Art. 174.Behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, kan de toezichthoudende overheid te allen tijde de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel, vragen de beslissingen met financiële impact, de boekhouding en de provinciekas te onderzoeken. HOOFDSTUK VIII. - Nadere uitwerking door de Vlaamse Regering Art. 175.De Vlaamse Regering bepaalt nadere voorschriften voor de uitvoering van deze titel, evenals aangaande de daarbijbehorende documenten, met inbegrip van de te hanteren modellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bepaalt de minimale vereisten waaraan de informaticasystemen die door de provincie worden gehanteerd moeten voldoen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL V. - Bepalingen over de werking van de provincie HOOFDSTUK I. - Akten van de provincie Afdeling I. - Opmaken en ondertekenen van akten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-176\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 176</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De provinciegriffier woont de vergaderingen van de provincieraad en van de deputatie bij en is verantwoordelijk voor het opstellen van de notulen ervan, alsook voor de bewaring van de originelen De originelen van de notulen van de provincieraad worden, na goedkeuring, ondertekend door de voorzitter van de provincieraad en de provinciegriffier. De originelen van de notulen van de deputatie worden, na goedkeuring, door de provinciegouverneur en door de provinciegriffier ondertekend. Art. 177.§ 1. De notulen van de vergaderingen van de provincieraad vermelden, in chronologische volgorde, alle besproken onderwerpen, alsook het gevolg dat werd gegeven aan de punten waarover de provincieraad geen beslissing heeft genomen. Ze maken melding van alle beslissingen en het resultaat van de stemmingen. Behalve bij geheime stemming, vermelden de notulen hoe elk lid gestemd heeft. § 2. De notulen van de vergaderingen van de deputatie vermelden de beslissingen van de deputatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de deputatie overeenkomstig artikel 157 op eigen verantwoordelijkheid een voorgenomen verbintenis viseert of overeenkomstig artikel 159 op eigen verantwoordelijkheid de provinciegriffier of de in artikel 159 vermelde rekenplichtige bevel geeft tot betaling van een uitgave, wordt, op verzoek van een lid van de deputatie, een verklaring inzake zijn stemgedrag in de notulen opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-178\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 178</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De reglementen, verordeningen en beslissingen van de provincieraad worden ondertekend door zijn voorzitter en mede ondertekend door de provinciegriffier. § 2. De reglementen en beslissingen van de deputatie worden ondertekend door de provinciegouverneur en mede ondertekend door de provinciegriffier. § 3. De beslissingen, de stukken en de briefwisseling van personeelsleden, belast met het budgethouderschap, worden door deze personeelsleden ondertekend als ze enkel betrekking hebben op hun budgethouderschap. § 4. Onverminderd § 1 en § 3, bepaalt de deputatie in haar huishoudelijk reglement welke personen gemachtigd zijn om de briefwisseling en de akten van de provincie en de contracten waarbij de provincie partij is, te ondertekenen, evenals de omvang van hun bevoegdheden en de wijze waarop zij die uitoefenen Als de deputatie die werkwijze niet vaststelt, worden deze briefwisseling, akten en contracten ondertekend door de provinciegouverneur. De briefwisseling, de akten van de provincie en de contracten waarbij de provincie partij is, worden mede ondertekend door de provinciegriffier. § 5. De deputatie bepaalt in haar huishoudelijk reglement door wie en op welke wijze de andere stukken van de provincie, die niet vermeld worden in de voorgaande leden, worden ondertekend, en, als dat nodig wordt geacht, mede ondertekend. Als de deputatie die werkwijze niet vaststelt, worden deze stukken ondertekend door de provinciegouverneur en mede ondertekend door de provinciegriffier. § 6. De provinciegriffier kan zijn bevoegdheid tot medeondertekening, vermeld in § 4 en § 5, opdragen aan een of meer personeelsleden van de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze opdracht wordt schriftelijk gegeven en is te allen tijde herroepbaar; de provincieraad wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering. De personeelsleden aan wie de opdracht tot medeondertekening is gegeven, moeten boven hun handtekening, naam en functie tevens melding maken van die opdracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-179\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 179</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De provinciegriffier maakt in de rand van de notulen van de provincieraad of van de deputatie kantmelding van de intrekking van een besluit van de provincieraad of de deputatie, van de vernietiging of de niet-goedkeuring van een besluit door een toezichthoudende overheid en van het feit dat een besluit geacht wordt nooit te hebben bestaan met toepassing van artikel 249, vierde lid De provinciegriffier brengt de provincieraad en de deputatie van elke kantmelding op de hoogte op de eerstvolgende vergadering van respectievelijk de provincieraad of de deputatie. Afdeling II. - Bekendmaking en inwerkingtreding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-180\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 180</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De reglementen en verordeningen van de provincieraad en de deputatie worden bekendgemaakt door middel van publicatie in het bestuursmemoriaal. Art. 181.De reglementen en verordeningen, vermeld in artikel 180, treden in werking de vijfde dag na de bekendmaking ervan, tenzij het anders bepaald is. Afdeling III. - Wijze van kennisgeving</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-182\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 182</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Stukken van de provincie worden met een gewone brief aan de betrokkene bezorgd, tenzij de wet, dit decreet of een ander decreet een andere vorm van mededeling of kennisgeving oplegt. Het huishoudelijk reglement van de provincieraad kan bepalen dat stukken bovendien op een andere wijze meegedeeld of ter kennis gebracht worden. Afdeling IV. - Briefwisseling aan de provincie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-183\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 183</span><span class=\"lf-art-t\">Alle briefwisseling aan de provincie wordt gericht aan de deputatie, behalve bij andersluidende beslissing van de provincieraad</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een register van alle ingaande en uitgaande briefwisseling, van welke aard ook, aangelegd. HOOFDSTUK II. - Wijze van berekening van termijnen Art. 184.Voor de toepassing van dit decreet wordt de termijn berekend vanaf de dag na de dag van de akte of de gebeurtenis die de termijn doet ingaan, en omvat de termijn alle dagen, ook de zaterdag, de zondag en de wettelijke feestdagen. De vervaldag is in de termijn begrepen. Als die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan een akte of gebeurtenis die de termijn doet ingaan, wordt de termijn berekend door terug te tellen vanaf de gebeurtenis die de termijn doet eindigen. In dat geval wordt de dag van de gebeurtenis die de termijn doet eindigen in de termijn begrepen. De dag van verzending is niet in de termijn begrepen. HOOFDSTUK III. - Afwijking van het domeinrecht Art. 185.De provincie en de autonome provinciebedrijven kunnen, op voorwaarde van bijzondere en omstandige motivering, zakelijke rechten vestigen op openbare domeingoederen voorzover die rechten niet kennelijk onverenigbaar zijn met de bestemming van die goederen. HOOFDSTUK IV. - Optreden in rechte Art. 186.De deputatie beslist tot het optreden in rechte namens de provincie. Art. 187.Als de deputatie niet in rechte optreedt, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de provincie, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit recht staat ook open voor de rechtspersonen waarvan de maatschappelijke zetel in de provincie is gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie kan over het geding geen dading aangaan of er afstand van doen zonder instemming van degene die het geding in haar naam heeft gevoerd. HOOFDSTUK V. - Deelname van de provincies aan rechtspersonen Art. 188.§ 1. Zonder afbreuk te doen aan het decreet van 6 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/10/2001 numac 2001035984 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking sluiten houdende de intergemeentelijke samenwerking, kunnen de provincies verenigingen, stichtingen en vennootschappen met sociaal oogmerk oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen voorzover die verenigingen, stichtingen en vennootschappen met sociaal oogmerk niet belast worden met de verwezenlijking van welbepaalde taken van provinciaal belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder dezelfde voorwaarden kunnen de provincies een andere vennootschap in de zin van het Wetboek Vennootschappen oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen indien die vennootschap de realisatie van lokale PPS-projecten in de zin van het decreet betreffende publiek-private samenwerking als uitsluitende doelstelling heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deputatie houdt een volledig en geactualiseerd overzicht bij van de verenigingen, stichtingen en vennootschappen waarin de provincie deelneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minstens eenmaal per jaar wordt de provincieraad in kennis gesteld van dit geactualiseerd overzicht met een toelichting over alle wijzigingen dewelke zich sinds de vorige toelichting aan deze overzichtslijst hebben voorgedaan. § 2. Deze oprichting, deelname of vertegenwoordiging mag niet gepaard gaan met de overdracht of terbeschikkingstelling van provinciaal personeel of met de overdracht van provinciale infrastructuur. § 3. Het is de provincies verboden om, rechtstreeks of onrechtstreeks, rechtspersonen die niet belast zijn met welbepaalde taken van provinciaal belang op te richten, erin deel te nemen of zich erin te laten vertegenwoordigen, tenzij die rechtspersonen voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk of er voor die oprichting, deelname of vertegenwoordiging een andere decretale of wettelijke rechtsgrond bestaat. HOOFDSTUK VI. - Contracten tussen provincies Art. 189.De provincies kunnen onderling overeenkomsten sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VI. - Participatie van de burger HOOFDSTUK I. - Klachtenbehandeling Art. 190.De provincieraad organiseert bij reglement een systeem van klachtenbehandeling. Art. 191.§ 1. Het systeem van klachtenbehandeling moet worden georganiseerd op het ambtelijke niveau van de provincie en maximaal onafhankelijk van de diensten waarop de klachten betrekking hebben. § 2. Elke provincie kan een ombudsdienst inrichten die als volgt kan gerealiseerd worden : 1° in eigen beheer;2° via een overeenkomst met de Vlaamse Ombudsdienst, opgericht bij decreet van 7 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/08/1998 numac 1998035966 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap 7 JULI 1998 - Decreet houdende instelling van de Vlaamse ombudsdienst type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/08/1998 numac 1998035917 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998 sluiten, volgens nader te bepalen modaliteiten. HOOFDSTUK II. - Inspraak Art. 192.De provincieraad neemt initiatieven om de betrokkenheid en de inspraak van de burgers of van de doelgroepen te verzekeren bij de beleidsvoorbereiding, bij de uitwerking van de provinciale dienstverlening en bij de evaluatie ervan. Art. 193.§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van de op dit gebied geldende wettelijke en decretale bepalingen, kan alleen de provincieraad overgaan tot de organisatie van raden en overlegstructuren die tot opdracht hebben op regelmatige en systematische wijze het provinciebestuur te adviseren. § 2. Ten hoogste twee derde van de leden van de hier bedoelde raden en overlegstructuren is van hetzelfde geslacht. Zo niet kan niet op rechtsgeldige wijze advies worden uitgebracht. § 3. De provincieraad stelt de nadere voorwaarden vast voor de representativiteit en regelt de samenstelling, de werkwijze en de procedures van de hier bedoelde raden en overlegstructuren. Daarbij wordt uitdrukkelijk bepaald op welke wijze het gevolg dat aan de adviezen wordt gegeven, zal worden meegedeeld. De provincieraad waakt erover dat de nodige middelen ter beschikking worden gesteld voor de vervulling van de adviesopdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verslagen en einddocumenten van de hier bedoelde raden en overlegstructuren worden meegedeeld aan de provincieraad. § 4. Provincieraadsleden en leden van de deputatie kunnen geen stemgerechtigd lid zijn van de hier bedoelde raden en overlegstructuren. HOOFDSTUK III. - Verzoekschriften aan de provincieraad Art. 194.Ieder heeft het recht verzoekschriften, door een of meer personen ondertekend, schriftelijk bij de provincieraad in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschriften die een onderwerp betreffen dat niet tot de bevoegdheid van de provincie behoort, zijn onontvankelijk. Art. 195.De provincieraad kan de bij hem ingediende verzoekschriften naar de deputatie of naar een provincieraadscommissie verwijzen met het verzoek om over de inhoud ervan uitleg te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verzoeker of, indien het verzoekschrift door meer personen ondertekend is, de eerste ondertekenaar van het verzoekschrift, kan worden gehoord door de provincieraad of een provincieraadscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval heeft de verzoeker of de eerste ondertekenaar van een verzoekschrift het recht zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze. Art. 196.De provincieraad verstrekt binnen drie maanden na de indiening van het verzoekschrift een gemotiveerd antwoord aan de verzoeker of, indien het verzoekschrift door meer personen ondertekend is, aan de eerste ondertekenaar van het verzoekschrift. Art. 197.Het huishoudelijk reglement van de provincieraad bepaalt de nadere voorwaarden waaronder dit recht wordt uitgeoefend en de wijze waarop de verzoekschriften worden behandeld. HOOFDSTUK IV. - De provinciale volksraadpleging Art. 198.De provincieraad kan, op eigen initiatief of op verzoek van de inwoners van de provincie, beslissen om de inwoners te raadplegen over de aangelegenheden, vermeld in artikel 2, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het initiatief dat uitgaat van de inwoners van de provincie moet worden gesteund door ten minste 10 % van de inwoners. Art. 199.Elk verzoek tot het houden van een raadpleging op initiatief van de inwoners van de provincie wordt met een aangetekende brief gericht aan de deputatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verzoek worden een gemotiveerde nota gevoegd en de stukken die de provincieraad kunnen voorlichten. Art. 200.Het verzoek is alleen ontvankelijk als het wordt ingediend door middel van een formulier, afgegeven door de provincie, en als het, buiten de naam van de provincie en de tekst van artikel 196 van het Strafwetboek, de volgende vermeldingen bevat : 1° de vraag of vragen waarop de voorgenomen raadpleging betrekking heeft;2° de familienaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van iedereen die het verzoekschrift heeft ondertekend;3° de familienaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van de personen die het initiatief nemen tot de raadpleging. Art. 201.Na ontvangst van het verzoek onderzoekt de deputatie of het verzoek gesteund is door een voldoende aantal geldige handtekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van dat onderzoek schrapt de deputatie : 1° de dubbele handtekeningen;2° de handtekeningen van de personen die niet voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 202;3° de handtekeningen van de personen voor wie de verschafte gegevens ontoereikend zijn om toetsing van hun identiteit mogelijk te maken. De controle wordt beëindigd als het aantal geldige handtekeningen is bereikt. In dit geval organiseert de provincieraad een volksraadpleging. Art. 202.§ 1. Een persoon kan verzoeken om een volksraadpleging of eraan deelnemen als hij : 1° in het bevolkingsregister van een gemeente in de provincie ingeschreven of vermeld is;2° de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;3° niet het voorwerp uitmaakt van een veroordeling of beslissing die voor een provincieraadskiezer de uitsluiting of schorsing van het kiesrecht meebrengt. § 2. De voorwaarden in § 1 moeten vervuld zijn op de datum waarop het verzoekschrift werd ingediend voor wie verzoekt om een volksraadpleging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wie deelneemt aan de volksraadpleging moeten de voorwaarden, vermeld in § 1, 2° en 3°, vervuld zijn op de dag van de raadpleging, en de voorwaarde, vermeld in § 1, 1°, op de datum waarop de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deelnemers die na de datum waarop de lijst van de deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten, het voorwerp zijn van een veroordeling of van een beslissing die voor een provincieraadskiezer ofwel de uitsluiting van het kiesrecht, ofwel de schorsing van dat recht op de dag van de raadpleging meebrengt, worden van de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging geschrapt. § 3. Artikel 13 van het Kieswetboek is van toepassing op alle categorieën van personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor niet-Belgische onderdanen en voor Belgische onderdanen die jonger zijn dan achttien jaar wordt de kennisgeving door de parketten van de hoven en rechtbanken gedaan als de veroordeling of de internering, waartegen met geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden opgekomen, zou hebben geleid tot uitsluiting van het kiesrecht of opschorting van dit recht als ze ten laste van een provincieraadskiezer werd uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van kennisgeving nadat de lijst van deelnemers is opgemaakt, worden de betrokkenen van deze lijst geschrapt. Art. 203.Op de dertigste dag voor de raadpleging maakt de deputatie een lijst op van deelnemers aan de volksraadpleging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op die lijst worden de volgende personen vermeld : 1° de personen die op de vermelde datum in het bevolkingsregister van een gemeente van de provincie ingeschreven of vermeld zijn en die de andere deelnemingsvoorwaarden vervullen, vermeld in artikel 202, § 1;2° de deelnemers die tussen deze datum en de datum van de raadpleging de leeftijd van zestien jaar bereiken;3° de personen voor wie de schorsing van het kiesrecht een einde neemt of zou nemen uiterlijk op de dag die is vastgesteld voor de raadpleging. Voor elke persoon die voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden vermeldt de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging per provincie de familienaam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht en de hoofdverblijfplaats. De lijst wordt volgens een doorlopende nummering en eventueel per wijk van de gemeente opgemaakt, ofwel in alfabetische volgorde van de deelnemers, ofwel geografisch volgens de straten. Art. 204.De deelname aan de volksraadpleging is niet verplicht. Elke deelnemer heeft recht op één stem. De stemming is geheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volksraadpleging kan enkel op een zondag plaatsvinden. De deelnemers worden tot de stemming toegelaten van 8 tot 13 uur. De personen die zich voor 13 uur in het stemlokaal bevinden, worden nog tot de stemming toegelaten. Art. 205.Tot stemopneming wordt pas overgegaan als ten minste 10 % van de inwoners aan de raadpleging heeft deelgenomen. Art. 206.De bepalingen van titel V van het Kieswetboek, met uitzondering van artikel 194, zijn van overeenkomstige toepassing op de provinciale volksraadpleging, met dien verstande dat de woorden « kiezer » en « kiezers » steeds worden vervangen door respectievelijk de woorden « deelnemer » en « deelnemers », de woorden « verkiezing », « verkiezingen » en « kiesverrichtingen » door het woord « volksraadpleging » en het woord « kiescollege » door « college ». Art. 207.§ 1. Persoonlijke aangelegenheden en aangelegenheden betreffende de rekeningen, de budgetten, de provinciebelastingen en retributies kunnen niet het voorwerp zijn van een raadpleging. § 2. Een raadpleging kan niet worden georganiseerd in een periode van twaalf maanden voor de gewone vergadering van de kiezers voor de vernieuwing van de provincieraden. Bovendien kan er geen raadpleging worden georganiseerd in een periode van veertig dagen voor de rechtstreekse verkiezing van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Gemeenschapsen Gewestparlementen, en het Europees Parlement.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inwoners van de provincie kunnen slechts eenmaal om de zes maanden worden geraadpleegd, met een maximum van zes raadplegingen per zittingsperiode. Gedurende het tijdvak tussen twee vernieuwingen van de provincieraad kan slechts één volksraadpleging over hetzelfde onderwerp worden gehouden. Art. 208.Een verzoek tot het houden van een volksraadpleging wordt ingeschreven op de agenda van de eerstvolgende vergadering van de deputatie en van de provincieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de inschrijving wordt overgegaan nadat de controle, vermeld in artikel 201, werd afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter van de provincieraad is verplicht om tot inschrijving op de agenda van de provincieraad over te gaan, tenzij de provincieraad kennelijk onbevoegd is om over het verzoek te beslissen. Als hieromtrent twijfel bestaat, beslist de provincieraad. Art. 209.Elke beslissing over het al dan niet houden van een volksraadpleging wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande lid is tevens van toepassing op elke beslissing die rechtstreeks betrekking heeft op een aangelegenheid die het onderwerp is geweest van een raadpleging. Art. 210.Ten minste één maand voor de dag van de raadpleging stelt de provincie aan de inwoners een brochure ter beschikking waarin het onderwerp van de raadpleging op een objectieve manier wordt uiteengezet. Deze brochure bevat bovendien de gemotiveerde nota, vermeld in artikel 199, tweede lid, alsmede de vraag of vragen waarover de inwoners zullen worden geraadpleegd. Art. 211.De vraag moet zo geformuleerd zijn dat met ja of nee kan worden geantwoord. Art. 212.De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedureregels voor het houden van een provinciale volksraadpleging, naar analogie van de procedure, vermeld in de Provinciekieswet voor de verkiezing van de provincieraadsleden. Art. 213.De gemeenten staan in voor de organisatie van de volksraadpleging. De daaraan verbonden kosten worden gedragen door de provincie. Art. 214.De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uitslag van de raadpleging aan de bevolking wordt bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VII. - De provinciale verzelfstandigde agentschappen HOOFDSTUK I. - De provinciale intern verzelfstandigde agentschappen Art. 215.§ 1. De intern verzelfstandigde agentschappen zijn diensten zonder eigen rechtspersoonlijkheid die door de provincie belast zijn met welbepaalde beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang en die beschikken over operationele autonomie als vermeld in artikel 216.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze worden beheerd buiten de algemene diensten van de provincies, vermeld in titel II, hoofdstuk VI. § 2. De provincieraad is bevoegd om intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid op te richten. § 3. Het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap is het personeelslid dat, onverminderd de eventuele mogelijkheid tot delegatie en subdelegatie van die bevoegdheid, belast is met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het agentschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 216</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het oprichtingsbesluit van een intern verzelfstandigd agentschap omvat minstens de volgende punten : 1° een opsomming van de beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang die aan het intern verzelfstandigd agentschap worden toevertrouwd;2° een beschrijving van de operationele autonomie die aan het hoofd van het agentschap wordt gedelegeerd.Deze autonomie kan betrekking hebben op : a) het vaststellen en wijzigen van de organisatiestructuur van het agentschap;b) de organisatie van de operationele processen met het oog op de realisatie van de afgesproken doelstellingen;c) de uitvoering van het personeelsbeleid;d) het aanwenden van de ter beschikking gestelde middelen voor de werking van het agentschap, de uitvoering van de doelstellingen en taken van het agentschap en het sluiten van contracten ter verwezenlijking van de opdrachten van het agentschap;e) de interne controle binnen het intern verzelfstandigd agentschap;f) specifieke delegaties naar gelang van de eigen aard van het intern verzelfstandigd agentschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 217</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Tussen de deputatie en het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap wordt na onderhandeling een beheersovereenkomst gesloten. De beheersovereenkomst, evenals elke verlenging, wijziging, schorsing of ontbinding ervan, wordt verzonden aan de Vlaamse Regering en ter inzage neergelegd op de griffie van de oprichtende provincie. § 2. De beheersovereenkomst regelt minstens de volgende aangelegenheden : 1° de concretisering van de wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen en van de doelstellingen ervan;2° de toekenning van middelen voor de eigen werking en de uitvoering van de taken van het agentschap;3° de voorwaarden waaronder eigen inkomsten of andere financieringen mogen worden verworven en aangewend;4° de informatieverstrekking aan de deputatie. § 3. Met behoud van de mogelijkheid tot verlenging, wijziging, schorsing en ontbinding van de beheersovereenkomst, wordt die gesloten voor een periode die eindigt uiterlijk zes maanden na de volledige vernieuwing van de provincieraad De beheersovereenkomst en de uitvoering ervan worden jaarlijks geëvalueerd door de provincieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bij het verstrijken van de beheersovereenkomst geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden, wordt de bestaande overeenkomst van rechtswege verlengd. Art. 218.§ 1. De bepalingen van titel IV zijn van overeenkomstige toepassing op de provinciale intern verzelfstandigde agentschappen, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen die opgenomen zijn in de hiernavolgende paragrafen. § 2. Het budget en de jaarrekening van het intern verzelfstandigd agentschap worden geconsolideerd, overeenkomstig de nadere regels die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld. § 3. Het hoofd van het agentschap is budgethouder voor het budget van het provinciale intern verzelfstandigd agentschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan het budgethouderschap delegeren aan andere personeelsleden binnen de grenzen die bepaald zijn in de beheersovereenkomst. HOOFDSTUK II. - De provinciale extern verzelfstandigde agentschappen Afdeling I. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-219\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 219</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De provinciale extern verzelfstandigde agentschappen zijn diensten met een eigen rechtspersoonlijkheid die door de provincie worden opgericht of waarin de provincie deelneemt en die belast zijn met welbepaalde beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang. Vanuit hun taakstelling inzake beleidsuitvoering kunnen de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen tevens betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding. De Vlaamse Regering kan de taken van provinciaal belang nader bepalen waarvoor provinciale extern verzelfstandigde agentschappen kunnen worden opgericht Onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke en decretale bepalingen mogen de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen hun taken van provinciaal belang noch geheel, noch gedeeltelijk overdragen aan andere rechtspersonen. § 2. Het is de provincies verboden om, rechtstreeks of onrechtstreeks, rechtspersonen die belast zijn met welbepaalde taken van provinciaal belang op te richten, erin deel te nemen of zich erin te laten vertegenwoordigen of om aan die rechtspersonen personeel, financiële middelen, infrastructuur of andere activa ter beschikking te stellen, tenzij die rechtspersonen voldoen aan de voorschriften van deze titel of er voor de oprichting, deelname of vertegenwoordiging een andere decretale of wettelijke rechtsgrond bestaat. § 3. Met het oog op de toepassing van § 2, wordt vermoed dat een rechtspersoon door een provincie met welbepaalde taken van provinciaal belang is belast als hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet : 1° een of meer van zijn organen bestaan voor meer dan de helft uit provincieraadsleden of leden van de deputatie van de provincie in kwestie of de leden van de organen worden voor meer dan de helft aangewezen of voorgedragen door die personen;2° de provincie of haar vertegenwoordigers beschikken over de meerderheid van de stemrechten in een of meer van zijn organen;3° zijn financiële middelen vallen voor meer dan de helft ten laste van het provinciebudget.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-220\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 220</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen, bestaan er twee vormen van provinciale extern verzelfstandigde agentschappen : 1° het autonoom provinciebedrijf;2° het provinciale extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 221</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing tot oprichting van of deelname in een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap kan niet worden genomen in de loop van een periode van twaalf maanden voor de datum van de volledige vernieuwing van de provincieraden Elk provinciaal extern verzelfstandigd agentschap legt in de loop van het eerste jaar na de volledige vernieuwing van de provincieraden een evaluatieverslag voor aan de provincieraad over de uitvoering van de beheers- of samenwerkingsovereenkomst sinds de inwerkingtreding ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat verslag omvat ook een evaluatie van de verzelfstandiging, waarover de provincieraad zich binnen drie maanden uitspreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deputatie houdt een volledig en geactualiseerd overzicht bij van alle extern verzelfstandigde agentschappen van de provincie, hun statuten en hun overeenkomsten met de provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 222</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De provinciale extern verzelfstandigde agentschappen zijn onderworpen aan de verplichtingen inzake formele motivering en openbaarheid van bestuur die gelden voor de provincie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 223</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende personen kunnen niet worden voorgedragen of aangewezen als vertegenwoordiger of bestuurder in een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap : 1° de provinciegouverneurs, de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de provinciegriffiers, de arrondissementscommissarissen en de adjunct-arrondissementscommissarissen voorzover het provinciale extern verzelfstandigd agentschap gevestigd is in hun ambtsgebied;2° de magistraten, de plaatsvervangende magistraten en de griffiers bij de hoven en de rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het Arbitragehof;3° de leden van een bestuurs- of controleorgaan van een rechtspersoon of de werknemer van een rechtspersoon waarin het agentschap niet deelneemt en die activiteiten uitoefent in dezelfde beleidsdomeinen als het agentschap;4° de personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een functie uitoefenen, gelijkwaardig aan een ambt of een functie als vermeld in dit artikel, en de personen die in een lokale basisoverheid van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een mandaat uitoefenen dat gelijkwaardig is aan dat van provincieraadslid, gedeputeerde of provinciegouverneur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 224</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij provincieraadsbesluit kan de provincie aan haar provinciale extern verzelfstandigde agentschappen middelen, infrastructuur of, mits de terzake geldende rechtspositieregeling nageleefd wordt, personeel ter beschikking stellen of overdragen. Afdeling II. - Het autonoom provinciebedrijf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 225</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een autonoom provinciebedrijf wordt opgericht bij provincieraadsbeslissing op grond van een door de deputatie opgemaakt verslag. In dat verslag worden de voor- en de nadelen van externe verzelfstandiging tegen elkaar afgewogen en wordt aangetoond dat beheer binnen de rechtspersoonlijkheid van de provincie niet dezelfde voordelen kan bieden. De oprichtingsbeslissing stelt de statuten van het autonoom provinciebedrijf vast. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen inzake het goedkeuringstoezicht verkrijgt het autonoom provinciebedrijf rechtspersoonlijkheid op de datum van voormelde oprichtingsbeslissing De oprichtingsbeslissing wordt samen met het in het eerste lid vermelde verslag en met de statuten van het autonoom provinciebedrijf binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de oprichtingsbeslissing al dan niet goed. Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing genomen heeft en verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De goedgekeurde oprichtingsbeslissing en de statuten worden samen met het in het eerste lid vermelde verslag ter inzage neergelegd op de griffie van de oprichtende provincie en het secretariaat van het autonoom provinciebedrijf. Art. 226.De statuten van het autonoom provinciebedrijf vermelden ten minste : 1° de naam en eventueel de afkorting;2° het maatschappelijke doel, inzonderheid een omschrijving van de beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang waarmee het autonoom provinciebedrijf belast wordt;3° de maatschappelijke zetel, gevestigd in de oprichtende provincie;4° de samenstelling, de vergaderwijze, de werkingsvoorwaarden en de bevoegdheden van de organen;5° de wijze van opmaak van het budget, de rekeningen en het jaarlijkse ondernemingsplan, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 236;6° de wijze van ontbinding en vereffening van het autonoom provinciebedrijf. Art. 227.De wijzigingen in de statuten worden aangebracht bij beslissing van de provincieraad, op voorstel of na advies van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf in kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de provincieraad tot wijziging van de statuten wordt, samen met bijbehorende documenten waaronder het voorstel of het advies van de raad van bestuur, binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de wijzigingsbeslissing al dan niet goed. Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing genomen heeft en verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De statutenwijzigingen worden op dezelfde wijze als de oprichtingsbeslissing en de statuten neergelegd. Een volledig gecoördineerde tekst van de statuten wordt ter inzage neergelegd op de griffie van de oprichtende provincie en op het secretariaat van het autonoom provinciebedrijf. Art. 228.§ 1. Tussen de provincie en het autonoom provinciebedrijf wordt na onderhandeling een beheersovereenkomst gesloten. Bij het onderhandelen over de beheersovereenkomst wordt de provincie vertegenwoordigd door de deputatie en het autonoom provinciebedrijf door de raad van bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheersovereenkomst, evenals elke verlenging, wijziging, schorsing of ontbinding ervan, wordt verzonden aan de Vlaamse Regering en ter inzage neergelegd op de griffie van de oprichtende provincie en op het secretariaat van het autonoom provinciebedrijf. § 2. De beheersovereenkomst regelt minstens de volgende aangelegenheden : 1° de concretisering van de wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen en van de doelstellingen ervan;2° de toekenning van middelen voor de eigen werking en de uitvoering van de doelstellingen van het autonoom provinciebedrijf;3° binnen de perken en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van het autonoom provinciebedrijf worden toegekend;4° de voorwaarden waaronder eigen inkomsten of andere financieringen mogen worden verworven en aangewend;5° de wijze waarop de tarieven voor de geleverde prestaties door de raad van bestuur vastgesteld en berekend worden;6° de gedragsregels inzake dienstverlening door het autonoom provinciebedrijf;7° de voorwaarden waaronder het autonoom provinciebedrijf andere personen kan oprichten, erin kan deelnemen of zich erin kan laten vertegenwoordigen;8° de informatieverstrekking door het autonoom provinciebedrijf aan de provincie.Er wordt minstens voorzien in een jaarlijks ondernemingsplan en een operationeel plan op middellange en lange termijn; 9° de rapportering door het autonoom provinciebedrijf aan de provincie op basis van beleidsen beheersrelevante indicatoren en kengetallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen in artikel 221, tweede lid, wordt minstens voorzien in een jaarlijks rapport betreffende de uitvoering van de beheersovereenkomst gedurende het afgelopen kalenderjaar; 10° de wijze waarop het autonoom provinciebedrijf zal voorzien in een systeem van interne controle, de wijze waarop de auditinstantie bij het autonoom provinciebedrijf de audittaken uitoefent die aan de auditinstantie zijn opgedragen overeenkomstig artikel 254, en de wijze van rapportering van die auditinstantie aan de provincieraad;11° de maatregelen bij niet-naleving door een partij van haar verbintenissen uit hoofde van de beheersovereenkomst en de bepalingen inzake beslechting van geschillen die rijzen bij de uitvoering van de beheersovereenkomst;12° de omstandigheden waarin en de wijze waarop de beheersovereenkomst kan worden verlengd, gewijzigd, geschorst en ontbonden. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met behoud van de mogelijkheid tot verlenging, wijziging, schorsing en ontbinding van de beheersovereenkomst wordt die gesloten voor een periode die eindigt uiterlijk zes maanden na de volledige vernieuwing van de provincieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheersovereenkomst en de uitvoering ervan worden jaarlijks geëvalueerd door de provincieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bij het verstrijken van de beheersovereenkomst geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden, wordt de bestaande overeenkomst van rechtswege verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden binnen één jaar na de in het derde lid vermelde verlenging, of als een beheersovereenkomst werd ontbonden of geschorst, kan de provincieraad na overleg met het autonoom provinciebedrijf voorlopige regels vaststellen inzake de in de beheersovereenkomst vermelde aangelegenheden. Die voorlopige regels zullen als beheersovereenkomst gelden tot op het ogenblik dat een nieuwe beheersovereenkomst in werking treedt. Art. 229.§ 1. Het autonoom provinciebedrijf beschikt over een raad van bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur is bevoegd voor alles wat niet uitdrukkelijk bij decreet, in de statuten of in de beheersovereenkomst aan de provincieraad is voorbehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur vertegenwoordigt het autonoom provinciebedrijf in rechte als eiser of als verweerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur is binnen de grenzen, vastgesteld in de statuten, bevoegd voor alle personeelsaangelegenheden. § 2. Het aantal leden van de raad van bestuur bedraagt ten hoogste een vijfde van het aantal provincieraadsleden. Ten hoogste twee derde van de leden van de raad van bestuur is van hetzelfde geslacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de raad van bestuur worden benoemd door de provincieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke fractie kan minstens één lid van de raad van bestuur voordragen en dat voordrachtrecht waarborgt elke fractie een vertegenwoordiging in de raad van bestuur. Indien de gewaarborgde vertegenwoordiging evenwel afbreuk zou doen aan de mogelijkheid voor de fracties die vertegenwoordigd zijn in de deputatie om minstens de helft van de leden van de raad van bestuur voor te dragen, worden de mandaten evenredig verdeeld over de fracties waaruit de provincieraad is samengesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het mandaat van lid van de raad van bestuur is hernieuwbaar. De leden van de raad van bestuur kunnen te allen tijde door de provincieraad worden ontslagen. Na de volledige vernieuwing van de provincieraad wordt tot volledige vernieuwing van de raad van bestuur overgegaan. In dat geval blijven de leden van de raad van bestuur in functie tot de nieuwe provincieraad tot hun vervanging is overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur kiest uit zijn leden een voorzitter die deel moet uitmaken van de deputatie van de oprichtende provincie. § 3. De bestuurders zijn niet persoonlijk gebonden door de verbintenissen van het autonoom provinciebedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurders zijn aansprakelijk zonder hoofdelijkheid voor de tekortkomingen in de normale uitoefening van hun bestuur. Ten aanzien van de overtredingen waaraan zij geen deel hebben gehad, worden de bestuurders van die aansprakelijkheid ontheven als hun geen schuld kan worden verweten en als zij die overtredingen hebben aangeklaagd bij de provincieraad binnen een maand nadat zij er kennis van hebben gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks beslist de provincieraad over de aan de bestuurders te verlenen kwijting, na goedkeuring van de rekeningen. Die kwijting is alleen rechtsgeldig als de ware toestand van het autonoom provinciebedrijf niet wordt verborgen door enige weglating of onjuiste opgave in de rekeningen of in de rapportering betreffende de uitvoering van de beheersovereenkomst. § 4. Een bestuurder mag niet : 1° aanwezig zijn bij de bespreking of stemming over aangelegenheden waarbij hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger, of waarbij de echtgenoot of zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben.Dit verbod strekt niet verder dan de bloed- en aanverwanten tot de tweede graad als het gaat om de voordracht van kandidaten, benoemingen, afzettingen en schorsingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld; 2° rechtstreeks of onrechtstreeks een overeenkomst sluiten met het autonoom provinciebedrijf;3° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris tegen betaling werkzaam zijn in geschillen ten behoeve van het autonoom provinciebedrijf.Dit verbod geldt met name ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met de bestuurder werken; 4° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris werkzaam zijn in geschillen ten behoeve van de tegenpartij van het autonoom provinciebedrijf of ten behoeve van een personeelslid van het autonoom provinciebedrijf aangaande beslissingen in verband met de tewerkstelling binnen het autonoom provinciebedrijf.Dit verbod geldt met name ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met de bestuurder werken. Art. 230.De statuten kunnen de raad van bestuur toelaten om het dagelijkse bestuur, de vertegenwoordiging met betrekking tot dat bestuur en de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur toe te vertrouwen aan een directiecomité of aan een gedelegeerd bestuurder al dan niet met de mogelijkheid van subdelegatie aan personeelsleden van het autonoom provinciebedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van het directiecomité of de gedelegeerd bestuurder worden door de raad van bestuur benoemd. Art. 231.De vergaderingen van de raad van bestuur en het directiecomité zijn niet openbaar. De notulen van die vergaderingen en alle documenten waarnaar verwezen wordt in de notulen, alsook de beslissingen van de gedelegeerd bestuurder, worden ter inzage neergelegd op de griffie van de provincie. Art. 232.Er zijn geen andere bestuursorganen met beslissingsbevoegdheid dan de in de voorgaande artikelen bepaalde organen. Art. 233.De controle op de financiële toestand en op de jaarrekening en op de regelmatigheid van de verrichtingen, weer te geven in de jaarrekening, vanuit het oogpunt van dit decreet, de statuten of de beheersovereenkomst, wordt, behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, uitgeoefend door de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel. De procedure inzake de jaarrekening van de provincie is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de opdracht van de deputatie wordt uitgeoefend door de raad van bestuur. Onder rekenplichtigen moeten de personen worden verstaan die opdrachten vervullen die overeenstemmen met die van de personen, vermeld in artikel 171. Art. 234.Het personeel van het autonoom provinciebedrijf kan in statutair of contractueel verband worden aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overeenstemmende rechtspositieregeling van het provinciepersoneel is van toepassing op het personeel van het autonoom provinciebedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het autonoom provinciebedrijf stelt de afwijkingen op deze rechtspositieregeling vast, voorzover het specifieke karakter van het autonoom provinciebedrijf dat verantwoordt. Het provinciebedrijf bepaalt de rechtspositieregeling van de betrekkingen die niet bestaan binnen de provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-235\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 235</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het autonoom provinciebedrijf kan leningen aangaan en giften of toelagen ontvangen binnen de grenzen, gesteld in de statuten en de beheersovereenkomst. § 2. Het autonoom provinciebedrijf kan door de Vlaamse Regering gemachtigd worden om in eigen naam en voor eigen rekening over te gaan tot onteigeningen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van zijn doelstellingen. § 3. Het autonoom provinciebedrijf beslist vrij, binnen de grenzen van zijn doel, over de verwerving, de aanwending en de vervreemding van zijn goederen, over de vestiging of opheffing van zakelijke rechten op die goederen, alsook over de uitvoering van dergelijke beslissingen en over hun financiering. § 4. Het autonoom provinciebedrijf stelt de tarieven en de tariefstructuren voor de door het bedrijf geleverde prestaties vast binnen de grenzen van de in de beheersovereenkomst bepaalde grondregelen inzake tarifering De maximumtarieven of de formules voor hun berekening die niet in de beheersovereenkomst zijn geregeld, worden ter goedkeuring voorgelegd aan de provincieraad. § 5. Het autonoom provinciebedrijf kan andere rechtspersonen oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen, voorzover dat past in zijn opdrachten. De oprichting, deelname of vertegenwoordiging mag geen speculatieve oogmerken nastreven en gebeurt in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel, de regelgeving inzake mededinging en staatssteun en de voorwaarden, bepaald in de beheersovereenkomst. De beslissing tot oprichting, deelname of vertegenwoordiging toont aan dat aan de voormelde voorwaarden is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deelname is onderworpen aan de voorwaarde dat aan het autonoom provinciebedrijf minstens een mandaat van bestuurder wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing tot oprichting, deelname of vertegenwoordiging wordt binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Tot de oprichting, deelname of vertegenwoordiging kan pas worden overgegaan nadat de beslissing hiertoe werd goedgekeurd. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de beslissing al dan niet goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen en die beslissing heeft verzonden aan het autonoom provinciebedrijf, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend. Art. 236.Het autonoom provinciebedrijf maakt een budget op overeenkomstig de regels die krachtens artikelen 145, 146, 147, § 1, § 2, eerste lid, § 3 en § 4, en 175, worden gesteld voor het budget van de provincie. De boekhouding wordt gevoerd en de jaarrekening wordt opgesteld overeenkomstig de regelen die krachtens artikelen 160, 168 en 175 worden gesteld voor de boekhouding en de jaarrekening van de provincie. Het autonoom provinciebedrijf doet uiterlijk op 31 december van ieder jaar de nodige opnemingen, verificaties, opzoekingen en waarderingen om de inventaris op te maken van al de bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van het autonoom provinciebedrijf, van welke aard ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boekhouding wordt gevoerd onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de raad van bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur stelt de jaarrekening vast en legt jaarlijks en uiterlijk op 30 maart de jaarrekening van het voorbije jaar ter goedkeuring voor aan de provincieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur stelt het budget vast en legt jaarlijks en uiterlijk op 31 oktober het budget van het volgende boekjaar ter goedkeuring voor aan de provincieraad. Art. 237.§ 1. De provincieraad kan steeds beslissen om tot ontbinding en vereffening van een autonoom provinciebedrijf over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beslissing tot ontbinding wijst de provincieraad de vereffenaars aan. Alle andere organen vervallen op het ogenblik van de ontbinding. § 2. Het personeel in statutair dienstverband van het ontbonden autonoom provinciebedrijf wordt overgenomen door de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie waarborgt de rechten die het autonoom provinciebedrijf op het ogenblik van ontbinding voor het overgenomen personeel had vastgesteld. § 3. De rechten en verplichtingen van het ontbonden autonoom provinciebedrijf worden overgenomen door de provincie. § 4. In afwijking van § 2 en § 3 kan de provincieraad in het ontbindingsbesluit de personeelsleden, die daarmee moeten instemmen, en de rechten en verplichtingen aanwijzen die overgenomen worden door de overnemer of de overnemers van de activiteiten van het provinciebedrijf. Afdeling III. - Het provinciale extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm Art. 238.§ 1. De provincie is gemachtigd om onder de voorwaarden, bepaald in deze afdeling, een vennootschap in de zin van het Wetboek van Vennootschappen, of een vereniging of stichting in de zin van de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/06/1921 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, op te richten en te belasten met het verwezenlijken van welbepaalde beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang. Vanuit hun taakstelling inzake beleidsuitvoering kunnen de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm tevens betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oprichting gebeurt in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel, de regelgeving inzake mededinging en staatssteun.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de provincie mogen aan de oprichting van die provinciale vennootschap, vereniging of stichting andere personen deelnemen met uitzondering van gemeenten, gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, andere provincies en hun provinciale extern verzelfstandigde agentschappen, de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder dezelfde voorwaarden is de provincie gemachtigd om deel te nemen in een vennootschap in de zin van het Wetboek van Vennootschappen, of in een vereniging in de zin van de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/06/1921 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. § 2. De provincieraad beslist over de oprichting of deelname, vermeld in § 1, op grond van een door de deputatie opgemaakt verslag. In dat verslag worden de vooren de nadelen van externe verzelfstandiging in de gekozen vorm afgewogen en wordt aangetoond dat het beheer binnen de rechtspersoonlijkheid van de provincie of in de vorm van een autonoom provinciebedrijf niet de vereiste voordelen kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de oprichting of deelname kan pas worden overgegaan nadat de provincieraadsbeslissing hiertoe werd goedgekeurd overeenkomstig § 3. § 3. De beslissing tot oprichting of deelname wordt samen met het verslag, vermeld in § 2, en het ontwerp van statuten binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de beslissing al dan niet goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen en die beslissing verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend. § 4. De goedgekeurde oprichtings- of deelnemingsbeslissing en de statuten van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting worden samen met het in § 2 vermelde verslag ter inzage neergelegd op de griffie van de provincie in kwestie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-239\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 239</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Ongeacht de grootte van de eventuele inbreng van de verschillende partijen, beschikt de provincie steeds over een meerderheid van de stemmen in de algemene vergadering van de provinciale vennootschap of vereniging en draagt de provincie steeds een meerderheid voor van de leden van de raad van bestuur van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting. Die voordracht waarborgt elke fractie een vertegenwoordiging. Ten hoogste twee derde van de door de provincie voorgedragen leden van de raad van bestuur is van hetzelfde geslacht. § 2. De vertegenwoordigers van de provincie in de algemene vergadering van de provinciale vennootschap en vereniging worden door de provincieraad uit zijn leden gekozen. De vertegenwoordigers van de provincie in de algemene vergadering handelen overeenkomstig de instructies van de provincieraad. § 3. De provincieraad en de vertegenwoordigers van de provincie in de algemene vergadering, kunnen te allen tijde beslissen om respectievelijk de aanwijzingen en voordrachten te herroepen. De statuten van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting bepalen dat de betrokken vertegenwoordigers door die herroeping van rechtswege ontslagnemend zijn. Er wordt tot hun vervanging overgegaan Alle aanwijzingen en voordrachten worden herroepen door de volledige vernieuwing van de provincieraad. De vertegenwoordigers blijven in functie totdat hun vervangers zijn aangewezen of benoemd. Art. 240.Tussen de provincie en de provinciale vennootschap, vereniging of stichting wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten betreffende de uitvoering van de toevertrouwde taken van provinciaal belang. De samenwerkingsovereenkomst regelt de volgende aangelegenheden : 1° in voorkomend geval de aanwending van de aan het agentschap ter beschikking gestelde of overgedragen personeelsleden, middelen en infrastructuur;2° binnen de perken en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van het agentschap worden toegekend;3° de wijze waarop de provinciale vennootschap, vereniging of stichting zal voorzien in een systeem van interne controle;4° de instemming van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting met de toekenning van audittaken in de provinciale vennootschap, vereniging of stichting overeenkomstig artikel 254 aan de externe auditcommissie, het Rekenhof, indien het deze taak kan opnemen, of aan een of meer commissarissen, alsook de wijze waarop die audittaken worden uitgevoerd. TITEL VIII. - Bestuurlijk toezicht en externe audit HOOFDSTUK I. - Bestuurlijk toezicht Afdeling I. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 241</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° provincieoverheid : de organen en personeelsleden van de provincie en de autonome provinciebedrijven die een beslissing nemen;2° toezichthoudende overheid : de overheid die met de uitoefening van het bestuurlijk toezicht wordt belast, namelijk de Vlaamse Regering. Art. 242.Bij de uitoefening van het door dit decreet ingestelde toezicht beperkt de toezichthoudende overheid zich tot een toetsing aan het recht en aan het algemeen belang, met name elk belang dat ruimer is dan het provinciaal belang. Art. 243.De toezichthoudende overheid kan bij de provincieoverheid alle documenten en inlichtingen opvragen of die ter plaatse raadplegen. Ze bepaalt de informatiedrager en de vorm waarin deze gegevens worden verstrekt. Art. 244.Alle kennisgevingen tussen de provincieoverheid en de toezichthoudende overheid gebeuren met een aangetekende brief of worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De kennisgevingen aan de provincieoverheid worden, naar gelang van het geval, gericht aan de provinciegriffier of aan de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf Buiten de gevallen waarin een provincieoverheid krachtens dit decreet besluiten ter kennis van de toezichthoudende overheid moet brengen, heeft het verzenden van een beslissing aan de toezichthoudende overheid niet tot gevolg dat de termijn om het toezicht uit te oefenen een aanvang neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de toezichtstermijn wordt de vervaldag in de termijn gerekend. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op straffe van nietigheid gebeurt de verzending van het besluit dat in het kader van het toezicht wordt genomen uiterlijk de laatste dag van de voorgeschreven termijn. Afdeling II. - Algemeen bestuurlijk toezicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-245\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 245</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van de besluiten van de provincieraad en van de besluiten van de raad van bestuur van de autonome provinciebedrijven wordt binnen twintig dagen na het nemen van het besluit een lijst met een beknopte omschrijving van de daarin geregelde aangelegenheden verzonden aan de Vlaamse Regering Vanaf de dag van de verzending aan de Vlaamse Regering wordt de in het eerste lid vermelde lijst gedurende minstens tien dagen ter inzage gelegd van het publiek. Dezelfde lijst wordt gepubliceerd in het bestuursmemoriaal. Art. 246.§ 1. Binnen twintig dagen na het besluit wordt naar de Vlaamse Regering een afschrift verzonden van : 1° de besluiten van de provincieraad betreffende de rechtspositieregeling van het provinciepersoneel, de vaststellingen en wijzigingen van de personeelsformatie;2° de besluiten van de provincieraad betreffende het budget, de budgetwijzigingen en het meerjarenplan van de provincie;3° de besluiten van de provincieraad betreffende de belastingen en de retributies;4° de besluiten van de provincieraad en van de deputatie betreffende de kosten die door dwingende en onvoorziene omstandigheden worden vereist;5° de besluiten van de provincieraad tot oprichting van provinciale intern verzelfstandigde agentschappen;6° de besluiten van de provincieraad betreffende de herschikking van de financiële lasten van opgenomen leningen;7° de besluiten van de provincieraad betreffende het aangaan van beheersen samenwerkingsovereenkomsten met een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap, evenals de besluiten tot wijziging ervan;8° de besluiten van de provincieraad tot het opnemen van leningen ter sanering van de financiën;9° de besluiten betreffende de deelname aan intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, als vermeld in het decreet van 6 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/10/2001 numac 2001035984 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking sluiten houdende de intergemeentelijke samenwerking;10° de besluiten van de provincieraad, genomen op basis van het rapport van het Rekenhof, vermeld in artikel 254. § 2. Binnen twintig dagen na het besluit wordt naar de Vlaamse Regering een afschrift verzonden van : 1° de besluiten van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf waarbij wordt afgeweken van de rechtspositieregeling van het provinciepersoneel;2° de besluiten van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf betreffende retributies. Art. 247.Onder voorbehoud van de toepassing van artikelen 245 en 246 kan de toezichthoudende overheid besluiten van een provincieoverheid ambtshalve opvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontvangst van een klacht vraagt de toezichthoudende overheid het besluit en het bijbehorende dossier op. Art. 248.§ 1. De Vlaamse Regering beschikt over dertig dagen om de uitvoering van de besluiten van een provincieoverheid te schorsen en om de provincieoverheid daarvan kennis te geven. Als het een besluit betreft waarvan overeenkomstig artikel 246 een afschrift aan de Vlaamse Regering moet worden gezonden, wordt de termijn op vijftig dagen gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens de vernietiging van de besluiten waarvan de uitvoering is geschorst door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikelen 113, 172, 173 en 248, § 1, eerste lid, kan de Vlaamse Regering de besluiten van de provincieoverheid rechtstreeks vernietigen binnen de in het eerste lid bepaalde termijn. § 2. De termijn, vermeld in § 1, gaat in op de derde dag die volgt op de verzending van de besluiten, vermeld in artikel 246, of van de lijst van de aangelegenheden, vermeld in artikel 245, of van de besluiten van een provincieoverheid die door de toezichthoudende overheid ambtshalve of na ontvangst van een klacht werden opgevraagd. § 3. De termijn, vermeld in § 1, wordt geschorst door de verzending van een aangetekende brief waarbij de Vlaamse Regering een bepaald besluit, het dossier, bepaalde documenten of inlichtingen betreffende een bepaald besluit bij de provincieoverheid opvraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van schorsing overeenkomstig deze paragraaf beschikt de Vlaamse Regering over een nieuwe termijn als vermeld in § 1, om de uitvoering van het besluit te schorsen of rechtstreeks te vernietigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze termijn gaat in op de derde dag die volgt op de dag van de verzending van alle gevraagde gegevens. § 4. De termijn, vermeld in § 1, wordt gestuit door de aangetekende verzending van een klacht aan de toezichthoudende overheid op voorwaarde dat die verzending gebeurt binnen de in de eerste paragraaf vermelde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn, vermeld in § 1, gaat vervolgens pas opnieuw in op de derde dag die volgt op de verzending van de overeenkomstig artikel 247, tweede lid, gevraagde documenten. Art. 249.In geval van schorsing beschikt de provincieoverheid over honderd dagen volgend op de dag van de verzending van het schorsingsbesluit aan de provincieoverheid, om een van de volgende beslissingen te nemen en ter kennis te brengen van de Vlaamse Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincieoverheid kan het geschorste besluit intrekken en geeft daarvan kennis aan de Vlaamse Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de provincieoverheid het besluit waarvan de uitvoering is geschorst, gemotiveerd rechtvaardigt of aanpast, beschikt de Vlaamse Regering over vijftig dagen om tot vernietiging over te gaan. Deze termijn gaat in op de derde dag die volgt op de dag van de verzending van de rechtvaardigingsbeslissing. Bij gebrek aan vernietiging binnen deze termijn is de schorsing opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen besluit aan de Vlaamse Regering wordt verzonden, wordt het besluit waarvan de uitvoering is geschorst geacht nooit te hebben bestaan. Art. 250.Als een klacht wordt ingediend tegen een besluit van de provincieoverheid, brengt de toezichthoudende overheid de indiener van de klacht regelmatig op de hoogte van de behandeling van de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthoudende overheid brengt de indiener van de klacht via een gewone brief op de hoogte van : 1° de ontvangst van de klacht, binnen tien dagen nadat ze toegekomen is;2° het verzoek van de toezichthoudende overheid aan de provincieoverheid om het besluit en het bijbehorende dossier te bezorgen, binnen tien dagen na dat verzoek;3° de motieven van de toezichthoudende overheid om het besluit van de provincieoverheid waartegen de klacht was ingediend niet te schorsen of te vernietigen, binnen tien dagen na het nemen van dit besluit of na het verstrijken van de termijn;4° het gemotiveerde besluit van de toezichthoudende overheid waarbij het bestreden besluit van de provincieoverheid wordt geschorst of vernietigd, binnen tien dagen na het nemen van dit besluit;5° de stand van het dossier als de behandeling van de klacht verschillende weken of maanden in beslag neemt.In dat geval informeert de toezichthoudende overheid de indiener van een klacht minstens om de drie maanden over de stand van zaken. Zodra de toezichthoudende overheid het onderzoek heeft afgerond, stuurt ze haar definitieve antwoord aan de indiener van de klacht en geeft ze er ook kennis van aan de provincieoverheid in kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van dit artikel zijn zowel van toepassing op de besluiten van de provincieoverheid, waarvan met toepassing van artikel 246 een afschrift naar de Vlaamse Regering gestuurd moet worden, als op de besluiten waarvan geen afschrift naar de Vlaamse Regering gestuurd moet worden. Art. 251.De termijn om een beroep in te stellen bij de Raad van State tegen een beslissing van de provincieoverheid wordt gestuit ten voordele van degene die een klacht indient bij de toezichthoudende overheid, op voorwaarde dat deze klacht aangetekend wordt verzonden voor het verstrijken van de beroepstermijn en voor het verstrijken van de termijn voor het uitoefenen van het toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stuiting duurt tot de ontvangst van de mededeling aan de indiener van de klacht van het gevolg dat aan zijn klacht wordt gegeven, voorzover die mededeling melding maakt van de beroepsmogelijkheden bij de Raad van State. Art. 252.De kwijting bedoeld in artikel 171 brengt met zich mee dat de beslissingen van de provincieoverheid die genomen werden in de loop van het jaar waarop de rekening betrekking heeft en die niet werden opgevraagd, geschorst of vernietigd, niet langer vatbaar zijn voor schorsing of vernietiging. Afdeling III. - Dwangtoezicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 253</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De toezichthoudende overheid kan, na een schriftelijke ingebrekestelling, een of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen van de provincieoverheid of om de maatregelen ten uitvoer te brengen die in rechte zijn voorgeschreven De toezichthoudende overheid kan pas optreden na het verstrijken van de in de ingebrekestelling bepaalde termijn. § 2. Het optreden van een of meer commissarissen gebeurt op de persoonlijke kosten van de personen die verzuimd hebben aan de ingebrekestelling gevolg te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten worden ingevorderd door de financieel beheerder op zicht van een daartoe genomen besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld dat geldt als een door de financieel beheerder ambtshalve uit te voeren bevelschrift. HOOFDSTUK II. - Externe audit Art. 254.§ 1. Per provincie wordt een uit personeelsleden van het Vlaamse Gewest bestaande externe auditcommissie samengesteld, die instaat voor de externe audit bij de provincie in kwestie, de intern verzelfstandigde agentschappen en de autonome provinciebedrijven van de provincie in kwestie en, voorzover die daarmee instemmen, de extern verzelfstandigde agentschappen met privaatrechtelijke vorm van de provincie. § 2. Onder externe audit wordt begrepen : 1° de controle op de wettigheid en regelmatigheid van de handelingen van het betrokken bestuur;2° de controle op de correctheid en volledigheid van de financiële bescheiden van het betrokken bestuur;3° de controle van de inventarislijsten van het betrokken bestuur;4° de controle op het waar en getrouw beeld van de boekhouding en de jaarrekening van het betrokken bestuur;5° de evaluatie van het systeem van interne controle van het betrokken bestuur en de naleving ervan.Die evaluatie omvat het formuleren van aanbevelingen tot verbetering van de systemen van interne controle.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in § 1 bedoelde besturen kunnen aan de externe auditcommissie onderstaande taken opleggen : 1° het beoordelen van de mate waarin de uitoefening van de activiteiten van het betrokken bestuur in overeenstemming is met de vastgestelde doelstellingen of met andere vastgestelde criteria en in welke mate de afgesproken doelstellingen werden gerealiseerd;2° het identificeren van mogelijkheden tot verbetering van de effectiviteit en de efficiëntie van de werking van het betrokken bestuur. § 3. Voor de vervulling van haar opdrachten verricht de externe auditcommissie een financiële audit, een nakomingsaudit en operationele audit en is ze ertoe gemachtigd alle bedrijfsprocessen en activiteiten te onderzoeken. § 4. Indien de controletaak van het Rekenhof grotendeels gelijk loopt met de aan de externe auditcommissie gegeven opdrachten, vervalt de opdracht van de in § 1 bedoelde externe auditcommissie. De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de controle van het Rekenhof grotendeels gelijk loopt met deze toegewezen aan de externe auditcommissie bedoeld in § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval zal het betrokken bestuur rapporteren aan het Rekenhof in plaats van aan de externe auditcommissie. Art. 255.De externe auditcommissie stelt jaarlijks, indien ze bevoegd is, een geconsolideerd rapport op van haar externe audit van de provincie, van de intern verzelfstandigde agentschappen en van de autonome provinciebedrijven. Dit rapport wordt bezorgd aan de provincie in kwestie en aan de autonome provinciebedrijven in kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie neemt in haar rapport aanbevelingen op betreffende de door de provincie uit haar bevindingen te trekken gevolgen. Art. 256.Om haar bevoegdheid te kunnen uitoefenen, heeft de externe auditcommissie of het Rekenhof, naar gelang het geval, toegang tot alle informatie en documenten van het te auditeren of te controleren bestuur, ongeacht de drager ervan. Ze kan aan ieder personeelslid de inlichtingen vragen die ze voor de uitvoering van haar opdrachten nodig acht. Ieder personeelslid is ertoe gehouden zo snel mogelijk en zonder voorafgaande machtiging op een volledige wijze te antwoorden en alle relevante informatie en documenten te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk personeelslid heeft het recht om de externe auditcommissie of het Rekenhof rechtstreeks op de hoogte te brengen van onregelmatigheden die hij in de uitoefening van zijn functie vaststelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke rapportering aan de externe auditcommissie of aan het Rekenhof kan nooit aanleiding geven tot een tuchtsanctie of een ontslag tenzij er misbruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke verklaringen vallen niet onder het inzagerecht, tenzij het betrokken personeelslid zijn instemming geeft. Art. 257.De besturen dragen bij in de kosten van de externe audit georganiseerd door de Vlaamse overheid onder de voorwaarden die bepaald worden door de Vlaamse Regering. Art. 258.De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de samenstelling van de externe auditcommissies en de wijze waarop die hun taken vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL IX. - Diverse bepalingen HOOFDSTUK I. - Schrijfwijze van de naam van de provincie Art. 259.De Vlaamse Regering bepaalt de schrijfwijze van de namen van de provincie. HOOFDSTUK II. - Wijziging van grenzen Art. 260.De provincieraad geeft binnen de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest zijn advies over de veranderingen die worden voorgesteld betreffende de grenzen van de provincie, van de arrondissementen, kiesdistricten, kantons en gemeenten en betreffende de aanwijzing van de hoofdplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL X. - Slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Opheffingsbepalingen Art. 261.De volgende bepalingen van de Provinciewet worden opgeheven : 1° artikel 1;2° artikel 1bis, behalve voor de vaststelling van de bevolkingscijfers en de bekendmaking ervan;3° artikel 2;4° artikel 3;5° artikel 4, behalve het vijfde lid;6° artikel 42;7° artikel 44;8° artikel 47;9° artikel 49;10° artikel 50;11° artikel 50bis ;12° artikel 51;13° artikel 52;14° artikel 53;15° artikel 54;16° artikel 55;17° artikel 56;18° artikel 56bis ;19° artikel 57;20° artikel 57bis ;21° artikel 58;22° artikel 59;23° artikel 60;24° artikel 61;25° artikel 62;26° artikel 63;27° artikel 63bis ;28° artikel 63ter ;29° artikel 65;30° artikel 65bis ;31° artikel 66, met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheid van het Rekenhof;32° artikel 67;33° artikel 68;34° artikel 69, met uitzondering van de federale verplichte uitgaven en met uitzondering van het 14° over de pensioenen van gewezen bedienden van de provincie;35° artikel 70, 1°, 4°, 5°, 6°;36° artikel 71, behalve als het betrekking heeft op pensioenen;37° artikel 72;38° artikel 73;39° artikel 74;40° artikel 75;41° artikel 76;42° artikel 78;43° artikel 79;44° artikel 83, behalve wat de federale aspecten betreft;45° artikel 84;46° artikel 85, behalve als het betrekking heeft op politieverordeningen;47° artikel 91;48° artikel 96;49° artikel 97;50° artikel 97bis ;51° artikel 98;52° artikel 99;53° artikel 100;54° artikel 101;55° artikel 102;56° artikel 104, behalve voorzover het betrekking heeft op de rechtsprekende taak van de deputatie;57° artikel 105, § 1 tot § 4, en § 6;58° artikel 106;59° artikel 106bis ;60° artikel 106ter ;61° artikel 107;62° artikel 108;63° artikel 109;64° artikel 110;65° artikel 111;66° artikel 112;67° artikel 113;68° artikel 113bis tot en met artikel 113undecies, behalve als ze betrekking hebben op de pensioenen en met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheden van het Rekenhof;69° artikel 114, met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheden van het Rekenhof;70° artikelen 114bis tot en met 114terdecies, met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheden van het Rekenhof;71° artikel 116;72° artikel 116bis ;73° artikel 117;74° artikel 118;75° artikel 119;76° artikel 120, met uitzondering van het vijfde en het zesde lid voorzover die leden betrekking hebben op het rijkspersoneel dat bij de provincie werkt;77° artikel 121;78° artikel 122;79° artikel 123;80° artikel 124, eerste lid;81° artikel 126, eerste en vierde lid;82° artikel 127;83° artikel 130;84° artikel 131;85° artikel 136, behalve voorzover het betrekking heeft op de politie;86° artikel 139bis, behalve voorzover het betrekking heeft op de politie;87° artikel 140;88° artikel 140, punt 1° tot en met punt 12°;89° artikel 144;90° artikel 146.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 262</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende regelingen worden opgeheven : 1° artikel 72, laatste zin, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel;2° het koninklijk besluit van 9 maart 1988 tot vaststelling van de voorwaarden voor benoeming, schorsing of afzetting van de provinciegriffier;3° het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van het administratief toezicht op de provincies;4° het koninklijk besluit van 25 juni 1990 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de weddenschalen van het provincie- en gemeentepersoneel;5° het koninklijk besluit van 9 maart 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1999 numac 1999000234 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot bepaling van de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de provincieraad een autonoom provinciebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1999 numac 1999000233 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging en aanvulling van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot bepaling van de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de gemeenteraad een autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten sluiten tot bepaling van de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de provincieraad een autonoom provinciebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten;6° het koninklijk besluit van 2 juni 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/1999 numac 1999000367 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende de algemene regeling van de provinciale boekhouding sluiten houdende de algemene regeling van de provinciale boekhouding, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 oktober 2001;7° het koninklijk besluit van 15 juni 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/10/1999 numac 1999000559 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van het minimum- en het maximumbedrag van de door de provincieontvanger te stellen zekerheid sluiten tot vaststelling van het minimumen het maximumbedrag van de door de provincieontvanger te stellen zekerheid. HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen Afdeling I. - Overgangsbepalingen inzake de provinciale diensten en het personeel Art. 263.De provincieraad treedt op als tuchtoverheid voor de provinciegriffier en voor de provincieontvanger die vóór de inwerkingtreding van hoofdstuk VI van titel III van dit decreet werd aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deputatie treedt op als tuchtoverheid voor de overige personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet werden aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de deputatie overeenkomstig artikel 102, tweede lid, de uitoefening van zijn bevoegdheid tot het aanstellen van personeel toevertrouwd heeft aan de provinciegriffier, treedt de provinciegriffier als tuchtoverheid op ten aanzien van de feiten die hij vaststelt of waarvan hij kennis heeft gekregen na de delegatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtvorderingen die op het moment van inwerkingtreding van hoofdstuk VI van titel III van dit decreet hangende zijn, worden verder afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die vóór de inwerkingtreding van toepassing waren. De tuchtstraf terugzetting in graad kan evenwel niet meer worden opgelegd. Art. 264.§ 1. De Vlaamse Regering stelt de overgangsregelen vast betreffende het administratief en geldelijk statuut van de provincieontvangers die op het moment van de volledige inwerkingtreding van hoofdstuk VI van titel II van dit decreet in dienst van de provincies zijn, met inachtneming van de volgende principes : 1° de waarborg van aanstelling in het ambt van financieel beheerder in de provincie in kwestie tot het einde van de loopbaan;2° het behoud van de verworven rechten inzake het geldelijk statuut. § 2. Het mandaatstelsel, bedoeld in artikel 101, § 4, treedt slechts in werking bij de eerste nieuwe benoeming of aanstelling in de betrekking, nadat het mandaatstelsel voor deze betrekking in de rechtspositieregeling werd voorzien. De in § 1 vermelde gewaarborgde aanstelling van de provincieontvanger in het ambt van financieel beheerder, wordt niet geacht een nieuwe benoeming of aanstelling te zijn. § 3. In afwijking van § 2 kan de provincieraad beslissen dat voor de vacatures uitgeschreven na de publicatie van onderhavig decreet het mandaatstelsel kan worden toegepast. Afdeling II. - Overgangsbepalingen voor de provinciale financiën</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-265\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 265</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kwijting, vermeld in artikel 171, die wordt verleend voor de eerste jaarrekening, vastgesteld en goedgekeurd met de toepassing van dit decreet, geldt tevens als kwijting voor alle voorgaande door de bevoegde organen definitief vastgestelde jaarlijkse rekeningen van de provincie. Afdeling III. - Overgangsbepalingen voor de provinciale externe verzelfstandiging Art. 266.§ 1. De werking en de statuten van de op het ogenblik van de inwerkingtreding van hoofdstuk II van titel VII van dit decreet in het Vlaamse Gewest bestaande provinciebedrijven, autonome provinciebedrijven en personen die door de provincie belast zijn met welbepaalde taken van provinciaal belang en die niet voldoen aan de voorschriften van titel VII, hoofdstuk II, en die geen andere decretale of wettelijke rechtsgrond hebben, worden bij provincieraadsbeslissing in overeenstemming gebracht met de bepalingen van dit decreet binnen een periode van drie jaar vanaf die inwerkingtreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor die provinciebedrijven en personen treedt dit decreet in werking de dag volgend op de ontvangst van de in § 2 vermelde goedkeuringsbeslissing en uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van titel VII, hoofdstuk II, van het decreet overeenkomstig artikel 268. Ze zijn bij de inwerkingtreding van titel VII, hoofdstuk II, van dit decreet overeenkomstig artikel 268, echter onmiddellijk onderworpen aan artikelen 222, 223 en 224. § 2. De beslissingen, vermeld in § 1, worden binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de beslissingen al dan niet goed. Verstrijkt die termijn zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen en verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend. Afdeling IV. - Overgangsbepalingen voor het bestuurlijk toezicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-267\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 267</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De besluiten van de provincieoverheden, genomen voor de inwerkingtreding van titel VIII van dit decreet, blijven onderworpen aan de regels die op dat ogenblik van kracht waren. HOOFDSTUK III. - Inwerkingtreding Art. 268.§ 1. Onverminderd § 2 en § 3 bepaalt de Vlaamse Regering voor elk artikel, of onderdelen ervan, van dit decreet de dag waarop het in werking treedt Voor de artikelen, vermeld in artikel 257, bepaalt de Vlaamse Regering per artikel de datum waarop de opheffing in werking treedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de wetten, decreten en besluiten, vermeld in artikel 258, bepaalt de Vlaamse Regering per wet, decreet of besluit de datum waarop de opheffing in werking treedt. § 2. De volgende bepalingen treden in werking op 1 januari 2006 : 1° artikelen 1 tot en met 5;2° artikelen 98 tot en met 113;3° artikelen 184 tot en met 187;4° artikelen 241 tot en met 253;5° artikel 259. § 3. Artikelen 62 en 264 treden in werking op datum van publicatie van onderhavig decreet in het Belgisch Staatsblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brussel, 9 december 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, M. KEULEN _______ Nota (1) Zitting 2005-2006. Stukken. - Ontwerp van decreet, 473 - Nr. 1. - Amendementen, 473 - Nr. 2. - Verslag over hoorzitting, 473 - Nr.3. - Amendementen, 473 - Nrs. 4 en 5. - Verslag, 473 - Nr. 6. - Reflectienota, 473 - Nr. 7. - Amendementen, 473 - Nrs. 8 tot 12. - In eerste lezing door de plenaire vergadering aangenomen artikelen, 473 - Nr. 13. - Aanvullend verslag, 473 - Nr. 14. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, 473 - Nr. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 16 november 2005. - Bespreking en aanneming : Vergaderingen van 30 november 2005.</p></div>", "next": 0}