{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De overeenkomst vermeldt eveneens de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken voor de regeling van alle geschillen met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst en de bevoegdheid van de Franse Gemeenschapscommissie voor de inachtneming van de normen voorzien in dit besluit. § 4. De overeenkomst voorziet de mogelijkheid voor de resident om meubelen, persoonlijke voorwerpen en een inventaris van deze goederen in te brengen. De gedetailleerde plaatsbeschrijving van de kamer die door de resident bezet wordt is bijgevoegd bij de overeenkomst. Ze wordt gedateerd en ondertekend door beide partijen. Wanneer er geen plaatsbeschrijving werd opgesteld vóór zijn opname, wordt de resident geacht de kamer toegewezen gekregen te hebben in de staat waarin ze zich bevindt bij zijn vertrek en kan hij niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele schade. § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de overeenkomst kunnen de toelatingsvoorwaarden voor een huisdier worden vermeld. § 6. Iedere bepaling die strijdig is met de bepalingen van dit artikel is van rechtswege nietig. Afdeling 3. - Administratief vertrouwelijk dossier</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 137</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beheerder houdt per resident of per koppel residenten een dossier bij dat de volgende elementen bevat : 1° de individuele fiche van de inwoners met minstens de vermelding van : a) hun identiteit en geboortedatum;b) de door de resident vermelde contactpersonen;c) de gegevens van de behandelende geneesheer van de resident/s;d) eventueel de personen of instellingen voor hulp of filosofische of religieuze steun die op verzoek van de resident dienen gecontacteerd te worden;2° de kopie van de overeenkomst bedoeld in artikel 136;3° de kopie van de gedetailleerde facturen gericht aan de residenten;4° in voorkomend geval de medische gegevens die de resident in zijn dossier wenst te laten opnemen. Afdeling 4. - Verplichte verzekeringen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 138</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verplichte verzekeringen in hoofde van de beheerder zijn : 1° verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid van het hoofd van de onderneming;2° brandverzekering met objectieve aansprakelijkheid en clausule van afstand van verhaal tegen de residenten.Deze verzekering dekt geen luxegoederen van de residenten, deze dienen ze ieder voor zich te verzekeren. HOOFDSTUK 2. - Normen met betrekking tot de voor de residenten toegankelijke woningen en leefruimten Afdeling 1. - Veiligheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 139</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De naleving van de normen van de huisvestingscode wordt vastgesteld door een attest dat wordt afgeleverd door de burgemeester van de gemeente waar het gemeenschapshuis gelegen is, op basis van een rapport van de regionale brandweerdienst; Afdeling 2. - Lokalen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-140\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 140</span><span class=\"lf-art-t\">De maximale capaciteit van de kamers bedraagt twee personen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De totale oppervlakte van de kamers, zonder sanitaire ruimten, bedraagt minstens 12 m2 voor een persoon en 18 m2 voor 2 personen. Ze beschikt over privésanitair dat tenminste een WC, een wastafel, een douche of een bad omvat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resident heeft tenminste toegang tot de volgende familiale ruimten : het salon en de eetzaal of de woonkamer, de keuken, de tuin of het terras. HOOFDSTUK 3. - Normen met betrekking tot de maaltijden, de hulp bij het dagelijks leven, de deelname van de resident aan het familiale leven en tot de minimale vorming van de verantwoordelijke van de gezinsopvang Art. 141.§ 1. Het verzorgingspersoneel verstrekt de nodige hulp aan de residenten bij het dagelijks leven. Deze hulp omvat, indien nodig, de hulp bij het opstaan en het gaan slapen, de hulp bij het wassen en de hulp bij de maaltijden. De gezinsopvang doet beroep op een externe dienst voor thuishulp of thuiszorg indien zij niet over een gekwalificeerde persoon beschikt om de vereiste hulp of verzorging te verstrekken aan de resident.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woning en het linnengoed van de resident worden onderhouden door de gezinsopvang. § 2. De resident krijgt minstens één warme maaltijd per dag, bij voorkeur s middags. Op vraag van de resident worden de voorgeschreven diëten nageleefd. § 3. De gezinsopvang biedt de resident een gezinsopvang en een begeleiding gedurende heel zijn verblijf. Ze ziet erop toe de resident te laten deelnemen aan het familiale leven, met inachtneming van het privéleven van de resident en van de gezinsopvang. § 4. De verantwoordelijke van een gezinsopvang dient houder te zijn van een certificaat van tenminste dertig uur opleiding uitgereikt door een vormingsoperator die een erkende opleiding organiseert van directeur van een rustoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze opleiding betreft de veroudering, de gezondheid en de psychologie van bejaarden. De houders van een diploma van geneeskundige, verpleger of verzorger worden geacht de vereiste opleiding te hebben genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 6. - Procedures met betrekking tot de erkenning van residentiële instellingen HOOFDSTUK 1. - Principieel akkoord Art. 142.§ 1. De aanvraag tot principieel akkoord wordt ingediend door de aanvrager, per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs bij de Minister. Een kopie wordt gelijktijdig aan de administratie overgezonden. De aanvraag gaat vergezeld van het dossier bedoeld in artikel 12 van het decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het model van de nota bedoeld in artikel 12, 1°, van het decreet, met betrekking tot het project van residentiële instelling, is vastgelegd in bijlage 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het model van de nota bedoeld in artikel 12, 4°, van het decreet, met betrekking tot het ontwerp van het financieel plan, is vastgelegd in bijlage 7. § 2. De administratie verwittigt de aanvrager van de ontvankelijkheid van het dossier en behandelt het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de programmatie niet toelaat een principieel akkoord toe te kennen aan alle kandidaten waarvan de dossiers worden onderzocht, worden de volgende selectiecriteria gebruikt : 1° kwaliteit van het leefproject;2° kosten voor de residenten;3° in geval van gelijkheid van deze criteria, wordt prioriteit gegeven aan het eerste ontvankelijk verklaarde dossier. Op basis van het administratieve dossier en na advies van de Adviesraad, neemt de Minister een beslissing betreffende de toekenning of de weigering van het principieel akkoord. De administratie licht de aanvrager in over de beslissing van de Minister binnen de maand die erop volgt. § 3. De gemotiveerde aanvraag tot verlenging van het principieel akkoord wordt ingediend en behandeld volgens dezelfde modaliteiten als de aanvraag van een principieel akkoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 2. - Voorlopige erkenning en erkenning Art. 143.§ 1. De aanvraag van een erkenning wordt ingediend door de beheerder, per aangetekende brief of bij de Minister afgegeven tegen ontvangstbewijs. Een kopie wordt gelijktijdig aan de administratie overgezonden. De aanvraag gaat vergezeld van het dossier bedoeld in artikel 14, § 1 van het decreet. § 2. Het model van de nota dat het leefproject beschrijft, bedoeld in artikel 14, § 1, 1° van het decreet, is vastgelegd in bijlage 8 van dit besluit. Het leefproject vervolledigd het project van residentiële instelling zoals het werd ingediend voor het verkrijgen van het principieel akkoord. Elke relevante wijziging wat betreft het type van toegelaten resident, de architectuur van het gebouw of de begrippen inzake huisvesting, dient gemotiveerd te worden en dient het voorwerp uit te maken van een akkoord van de Minister, na het advies van de Adviesraad. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dossier bevat naast de elementen voorzien in punten 1° tot 9° van het artikel 14, § 1, van het decreet, de volgende elementen : 1° een kopie van de overeenkomst of van het verkoop- of huurcontract van het gebouw waarvoor een principieel akkoord werd toegekend indien de beheerder van de instelling niet de aanvrager is waaraan het principieel akkoord werd toegekend.2° een kopie van de diploma's en kwalificatiecertificaten van de directeur om aan te tonen dat hij aan de kwalificatievoorwaarden bedoeld in artikel 52 voldoet. § 4. De modellen van de nota's met betrekking tot de bijzondere erkenning, bedoeld in artikel 14, § 2, 1° en 2° van het decreet zijn vastgelegd in bijlage 5. § 5. De administratie verwittigt de aanvrager van de ontvankelijkheid van het dossier en behandelt het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het dossier ontvankelijk wordt verklaard, wendt de Minister zich tot de Adviesraad die haar advies verstrekt binnen de eenentwintig dagen nadat haar advies werd gevraagd, op basis van de administratief dossier en van de inspectie met betrekking tot de overeenstemming van de lokalen met de plannen van het gebouw en met de architecturale normen. De Minister neemt een beslissing wat betreft de toekenning of de weigering van de voorlopige erkenning of van de voorlopige bijzondere erkenning binnen de termijn van vijfenveertig dagen na de datum van ontvankelijkheid. De administratie licht de beheerder in over de beslissing van de Minister binnen de vijftien dagen die erop volgen. § 6. De gemotiveerde aanvraag tot verlenging van de voorlopige erkenning of de voorlopige bijzondere erkenning bedoeld in artikel 17 van het decreet wordt ingediend door de beheerder volgens dezelfde modaliteiten als de aanvraag tot erkenning, en dit ten vroegste negentig dagen en ten laatste dertig dagen voor de vervaltijd van de voorlopige erkenning. Deze aanvraag wordt behandeld volgens dezelfde modaliteiten als de aanvraag tot erkenning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 144</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de administratief dossier dat het inspectierapport bevat met betrekking tot de inachtneming van de normen en tot de verwezenlijking van het leefproject bedoeld in artikel 14, § 1, 1° of 14, § 2, 1°, van het decreet en na advies van de Adviesraad, neemt de Minister een beslissing wat betreft de toekenning of de weigering van de erkenning of van de bijzondere erkenning ten laatste vijftien dagen voor de vervaltijd van de voorlopige erkenning of van de voorlopige bijzondere erkenning, legt de duur, die de zes jaar niet mag overschrijden, ervan vast en informeert de beheerder. HOOFDSTUK 3. - Beroep in geval van weigering van een principieel akkoord,van een erkenning of van een voorlopige bijzondere erkenning en van een erkenning of van een bijzondere erkenning of in geval van verlies van rechtswege van de erkenning of de voorlopige bijzondere erkenning bij gebreke van beslissing Art. 145.§ 1. In geval van weigering van een principieel akkoord, van een erkenning of van een voorlopige bijzondere erkenning, van een erkenning of van een bijzondere erkenning, wordt het beroep van de aanvrager of van de beheerder ingediend bij het College. Het beroep in geval van weigering van een erkenning of van een bijzondere erkenning is opschortend maar de residentiële instelling mag geen nieuwe residenten opnemen tijdens de duur van de procedure Het beroep wordt ingediend bij de Minister per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs, binnen de dertig dagen van de bekendmaking van de weigering door de administratie. Het gaat vergezeld van een verweerschrift met betrekking tot de elementen of de gebreken die aan de basis liggen van de weigering. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden aan de administratie. § 2. De administratie behandelt het dossier. De aanvrager of de beheerder wordt uitgenodigd om gehoord te worden door de Adviesraad binnen de maand van neerlegging van het verweerschrift. Hij kan zich op deze zitting laten vergezellen door de raadsman van zijn keuze. De Adviesraad verstrekt haar advies binnen de 15 dagen van deze zitting of binnen de maand nadat haar advies werd gevraagd indien de aanvrager of de beheerder niet gehoord wenst te worden. § 3. Het College neemt zijn beslissing wat betreft het ingediende beroep binnen de maand van het advies van de Adviesraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie informeert de aanvrager of de beheerder over de beslissing van het College binnen de 15 dagen die erop volgen. De briefwisseling met betrekking tot deze procedure wordt per aangetekende zending verstuurd. Art. 146.§ 1. In geval van verlies van rechtswege van een erkenning of van een voorlopige bijzondere erkenning bij gebreke van beslissing, kan de beheerder bij het College een opschortend beroep indienen binnen de vijftien dagen van het verlies van de erkenning of van de voorlopige bijzondere erkenning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep, dat vergezeld gaat van een verweerschrift met betrekking tot de afwezigheid van beslissing en tot de eventuele gebreken, wordt ingediend per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs bij de Minister. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden aan de administratie. § 2. De administratie behandelt het dossier. De aanvrager of de beheerder wordt uitgenodigd om gehoord te worden door de Adviesraad binnen de vijftien dagen van neerlegging van het verweerschrift. Hij kan zich op deze zitting laten vergezellen door de raadsman van zijn keuze. De Adviesraad verstrekt haar advies binnen de 15 dagen van deze zitting of binnen de maand van de neerlegging van het verweerschrift indien de aanvrager of de beheerder niet gehoord wenst te worden. § 3. Het College neemt zijn beslissing wat betreft het ingediende beroep binnen de maand van het advies van de Adviesraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie informeert de aanvrager of de beheerder over de beslissing van het College binnen de 15 dagen die erop volgen. De briefwisseling met betrekking tot deze procedure wordt per aangetekende zending verstuurd. HOOFDSTUK 4. - Opschorting, intrekking of opgelegde wijziging van een erkenning of bijzondere erkenning Art. 147.§ 1. Indien de residentiële instelling de erkenningsnormen niet naleeft, dan stuurt het College haar een verwittiging en verzoekt haar om zich onmiddellijk te voegen naar de normen indien de situatie een dringende correctie vereist, of binnen een termijn van een week of maximum drie maanden in de andere gevallen. § 2. Indien de residentiële instelling bij het verstrijken van de termijn de erkenningsnormen niet naleeft, dan stelt de administratie aan de Minister voor een procedure te starten tot opschorting, intrekking of opgelegde wijziging van de erkenning of bijzondere erkenning. § 3. De Minister volgt de procedure bedoeld in artikel 21, § 2, van het decreet. § 4. De administratie informeert de beheerder over de beslissing van het College binnen de vijftien dagen die erop volgen. § 5. Indien de beheerder waarvan de instelling het voorwerp vormt van een opschorting, stelt dat hij zich heeft aangepast aan de erkenningsnormen, vraagt hij per aangetekende brief een inspectie om deze naleving te komen vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspectie vindt plaats binnen de acht dagen na de aanvraag en er wordt een verslag opgemaakt dat wordt overgezonden aan de beheerder en aan de Minister. De Minister neemt de beslissing tot opheffing van de opschorting en deelt deze mee aan de beheerder. § 6. In geval van meningsverschil van de beheerder met de beslissing van de Minister, en ongeacht de aanwending van de rechtsmiddelen waarover hij beschikt, kan de beheerder een beroep aantekenen bij het College volgens de modaliteiten vastgelegd in artikel 145. HOOFDSTUK 5. - Dringende sluiting Art. 148.§ 1. De dringende sluiting voorzien in artikel 23, § 1, van het decreet wordt opgelegd door de Minister. De administratie is belast met de begeleiding van de evacuatie van de residenten. § 2. Het College neemt de beslissing betreffende de intrekking van de erkenning en de definitieve sluiting van de instelling. HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de erkenning Art. 149.§ 1. De aanvraag tot wijziging van de erkenning wordt bij de Minister ingediend door de beheerder met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden aan de administratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie behandelt het dossier en laat het vervolledigen door de beheerder indien nodig. De administratie informeert de beheerder over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot wijziging van de erkenning. De Adviesraad verstrekt haar advies binnen de 2 maanden na de ontvankelijkverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het administratief dossier en eventueel het verslag van de inspectie, en na advies van de Adviesraad, neemt de Minister de beslissing betreffende de wijziging van de erkenning. De administratie informeert de beheerder over de beslissing van de Minister binnen de maand die erop volgt. § 2. In geval van meningsverschil van de beheerder met de beslissing van de Minister, en ongeacht de aanwending van de rechtsmiddelen waarover hij beschikt, kan de beheerder een beroep aantekenen bij het College volgens de modaliteiten vastgelegd in artikel 145. HOOFDSTUK 7. - Hernieuwing van de erkenning Art. 150.§ 1. De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning of de bijzondere erkenning wordt bij de Minister ingediend door de beheerder per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden naar de administratie. § 2. De vernieuwing van de elementen van het dossier van erkenning bedoeld in artikelen 14, § 1, 1° tot 9° van het decreet, is de volgende : 1° de nota met betrekking tot het leefproject bevat een evaluatie van de manier waarop hieraan tegemoet werd gekomen tijdens de erkenningsperiode die eerstdaags vervalt en de eventuele wijzigingen die de beheerder wenst aan te brengen;2° een plan met opmeting van de lokalen waarin duidelijk elke aangebrachte wijziging sedert de vorige erkenning wordt weergegeven;3° de kopie van de verplichte verzekeringscontracten, eventuele bijaktes en bewijzen van de laatste betalingen. § 3. De vernieuwing van de elementen van het dossier van erkenning bedoeld in artikelen 14, § 2, 1° tot 3°, van het decreet, is de volgende : 1° de nota met betrekking tot het leefproject bevat een evaluatie van de manier waarop hieraan tegemoet werd gekomen, in het bijzonder op de plaatsen beoogd door de bijzondere erkenning tijdens de bijzondere erkenningsperiode die eerstdaags vervalt en de eventuele wijzigingen die de beheerder wenst aan te brengen;2° een plan met opmeting van de lokalen waarin duidelijk elke aangebrachte wijziging sedert de vorige erkenning wordt weergegeven; § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie behandelt het dossier en informeert de beheerder over de ontvankelijkheid ervan. Wanneer het dossier ontvankelijk wordt verklaard en na een inspectie met betrekking tot de inachtneming van de normen en de verwezenlijking van het leefproject bedoeld in artikel 14, § 1, 1° of 14, § 2, 1° van het decreet, wendt de Minister zich tot de Adviesraad, die haar advies verstrekt binnen de twee maanden nadat haar advies werd gevraagd. De Minister neemt de beslissing wat betreft de hernieuwing of de weigering tot hernieuwing van de erkenning of de bijzondere erkenning ten laatste vijftien dagen voor de vervaldatum van de erkenning of van de bijzondere erkenning en legt de duur, die niet langer mag zijn dan zes jaar, ervan vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie informeert de beheerder over de beslissing van de Minister tijdens de daaropvolgende maand en ten laatste tien dagen voor de vervaldatum van de erkenning of van de voorlopige bijzondere erkenning. § 5. De beroepsprocedure in geval van weigering tot hernieuwing van de erkenning of van de bijzondere erkenning wordt voorzien in artikel 145.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep in geval van weigering tot erkenning is opschortend maar de residentiële instelling mag geen nieuwe residenten opnemen tijdens de duur van deze procedure. HOOFDSTUK 8. - Vrijwillige sluiting Art. 151.De beheerder die vrijwillig een residentiële instelling wenst te sluiten brengt de Minister hiervan op de hoogte per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs en zendt gelijktijdig een kopie van deze brief naar de administratie. Hij brengt gelijktijdig het personeel en de residenten van de residentiële instelling op de hoogte. De instelling mag geen nieuwe residenten opnemen na de aankondiging van de sluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie onderzoekt of de maatregelen ter informering en overplaatsing van de residenten goed werden uitgevoerd en stelt de sluiting vast van de instelling. De administratie brengt de Minister, die akte neemt van de sluiting, op de hoogte en informeert de Adviesraad. HOOFDSTUK 9. - Overname van residentiële instellingen Art. 152.§ 1. De residentiële instellingen die een voorlopige erkenning of een erkenning hebben alsook aanvullende bijzondere erkenningen kunnen worden overgenomen door een andere beheerder volgens de volgende modaliteiten : 1° De overdragende beheerder brengt de Minister per aangetekende brief op de hoogte van zijn intentie om zijn residentiële instelling over te laten en van de identiteit van de beheerder-overnemer ten laatste twee maanden voor de overdracht;2° de beheerder-overnemer dient ten laatste vijfenveertig dagen voor de overdracht bij de Minister per aangetekende brief een aanvraag in tot overname van erkenning.Een kopie wordt gelijktijdig aan de administratie overgezonden. 3° de aanvraag tot overname van erkenning gaat vergezeld van de volgende documenten : a) het leefproject bedoeld in artikel 14, § 1, 1° van het vastgelegde decreet volgens het model vastgelegd in bijlage 8 van dit besluit door de beheerderovernemer;b) indien nodig, de nota's met betrekking tot de bijzondere erkenningen bedoeld in artikel 14, § 2, 1° en 2°, van het decreet, opgesteld door de beheerderovernemer volgens het model vastgelegd in bijlage 9 van dit besluit;c) de elementen van het erkenningsdossier bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° en 9° van het decreet;d) de kopie van de diploma's en de kwalificatiecertificaten van de nieuwe directeur, indien nodig als bewijs dat hij voldoet aan de kwalificatievoorwaarden vermeld in artikel 52 van dit besluit. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie behandelt het dossier en laat het verbeteren of aanvullen binnen de vijftien dagen na ontvangst. Het brengt de overdragende en overnemende beheerders op de hoogte van de ontvankelijkheid van het dossier. § 3. De Adviesraad verstrekt een advies over de overname van de erkenning binnen de maand na de ontvankelijkverklaring van het dossier. § 4. Op basis van het administratief dossier, na advies van de Adviesraad en na ontvangst van de akte van overname van de instelling, neemt de Minister zijn beslissing betreffende de overname van de erkenning. Deze treedt in werking op de datum van de overname van de instelling indien het dossier op die datum ontvankelijk is of ten vroegste op de datum van de ontvankelijkverklaring van het dossier. § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwe beheerder informeert het personeel en de residenten over de overname en bezorgt hen het leefproject bedoeld in § 1, 3°, a).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 7. - Dagonthaaldiensten : normen en toekenning van toelagen HOOFDSTUK 1. - Algemene normen Afdeling 1. - Statuut en organisatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 153</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dagonthaaldienst wordt georganiseerd door een vereniging zonder winstoogmerk, waarvan de activiteitenzetel gesitueerd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het is bij voorkeur bestemd voor de bejaarden die niet in een residentiële instelling bestemd voor bejaarden verblijven en de residenten van een rustoord of van een rust-en verzorgingsoord hebben geen toegang tot deze dienst. De statuten vermelden de naam van de persoon die ermee belast is de vereniging naar behoren te vertegenwoordigen bij de administratie. Afdeling 2. - Reglement van inwendige orde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 154</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De dagonthaaldienst stelt een reglement van inwendige orde op. In het reglement van inwendige orde dienen de door het rustoord voorgestelde principes voor zijn leefproject geconcretiseerd te worden Het reglement van inwendige orde wordt voor de eerste opname ondertekend voor ontvangst en akkoord door de begunstigde of, in voorkomend geval, door zijn gevolmachtigde. Een kopie ervan wordt overhandigd aan de begunstigde en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde. § 2. Het reglement van inwendige orde of elke wijziging wordt aan de administratie overgezonden. De administratie beschikt over een termijn van 30 dagen vanaf de datum van ontvangst van de documenten, om het reglement of de aangebrachte wijzigingen goed te keuren of te weigeren. Bij gebreke van advies van de administratie binnen de termijn van 30 dagen, wordt het reglement beschouwd als goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een exemplaar van het nieuwe reglement wordt overhandigd aan de begunstigde en eventueel aan zijn gevolmachtigde en er wordt een voor ontvangst en akkoord ondertekend exemplaar bewaard in het vertrouwelijk dossier van de begunstigde. De wijzigingen worden toegepast vanaf de 30e dag volgend op de datum van de aankondiging. § 3. Het reglement van inwendige orde bevat tenminste de volgende elementen : 1° de opvangvoorwaarden en -modaliteiten in de dienst;2° de opzeggingsvoorwaarden en -modaliteiten van de overeenkomst die werd afgesloten met de dienst;3° de regels met betrekking tot de organisatie van de opvang : a) diensturen van de opvang;b) eventuele organisatie van de verplaatsingen tussen de woonplaats en de dagonthaaldienst;c) frequentie van de opvang en regels met betrekking tot de afwezigheden;d) inschrijvingsprocedure voor de activiteiten;e) eventuele geleverde maaltijden en diensten.4° de facturatiemodaliteiten van de opvang, de maaltijden en de diensten en de betalingsmodaliteiten van de facturen; Afdeling 3. - Overeenkomst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-155\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 155</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. De dagonthaaldienst sluit een overeenkomst af met de begunstigde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een kopie ervan wordt overhandigd aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde. § 2. De type-overeenkomst of elke wijziging ervan wordt overgezonden naar de administratie. De administratie kan op elk moment de voorlegging vragen van de overeenkomsten die werden afgesloten tussen de dagonthaaldienst en een begunstigde of zijn gevolmachtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de datum van de ontvangst van de documenten, om een type-overeenkomst of elke wijziging ervan te erkennen of te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke van een advies van de administratie binnen de termijn van dertig dagen, wordt de overeenkomst als erkend beschouwd. Een kopie van de nieuwe overeenkomst wordt overhandigd aan de begunstigde en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde en een kopie ondertekend voor ontvangst en akkoord wordt bewaard in het vertrouwelijk dossier van de begunstigde. De wijzigingen treden in werking op de dertigste dag na de kennisgeving. § 3. De overeenkomst bepaalt verplicht, op een duidelijke en volledige manier : 1° de identiteit van de begunstigde;2° het aantal dagen en uren waarop de opvang wordt voorzien;3° de prijs per dag of per halve dag voor de opvang, de eventuele maaltijden en de aangeboden diensten met inbegrip van de maaltijden en diensten geleverd door toeleveranciers en wijzigingsmodaliteiten van deze prijzen. § 4. Iedere bepaling die de bepalingen van dit artikel schendt is van rechtswege nietig. Afdeling 4. - Participatie van de begunstigden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-156\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 156</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dagonthaaldienst organiseert een participatiecommissie van begunstigden. Deze is ermee belast haar advies te geven over de organisatie van de opvang en over de kwaliteit van de geleverde diensten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur woont deze vergaderingen bij en maakt hiervan een verslag op, dat wordt bewaard door de dagonthaaldienst. Afdeling 5. - Administratief dossier</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-157\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 157</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dagonthaaldienst houdt voor elke begunstigde een dossier bij dat tenminste de volgende elementen bevat : 1° Zijn identiteit en geboortedatum;2° de kopie van de overeenkomst bedoeld in artikel 155;3° het ontvangstbewijs van het reglement van inwendige orde, ondertekend door de begunstigde;4° de kopie van de gedetailleerde facturen gericht aan de residenten; Afdeling 6. - Verplichte verzekeringen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-158\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 158</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verplichte verzekeringen zijn : 1° verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid van het hoofd van de onderneming;2° brandverzekering met objectieve aansprakelijkheid en clausule van afstand van verhaal tegen de residenten.Deze verzekering dekt geen persoonlijke goederen van de residenten, deze dienen ze ieder voor zich te verzekeren. 3° een verzekering voor de vrijwilligers indien de dienst beroep doet op vrijwilligers. HOOFDSTUK 2. - Architecturale normen en uitrusting Afdeling 1. - Capaciteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-159\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 159</span><span class=\"lf-art-t\">De capaciteit van een dagonthaaldienst bedraagt minimun vijftien en maximum veertig personen, die gelijktijdig worden opgevangen. Afdeling 2. - Veiligheid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-160\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 160</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De bepalingen van het Koninklijk besluit van 12 maart 1974 ter vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rusthuizen voor bejaarden dienen te beantwoorden zijn van toepassing op de dagonthaaldiensten. Deze rusthuizen dienen bovendien uitgerust te zijn met een algemeen systeem voor branddetectie voorzien van een jaarlijks onderhoudscontract. § 2. De rusthuizen die worden goedgekeurd na de inwerkingtreding van deze bepaling, alsook de uitbreidingen, nieuwe vestigingen en gebouwen die het voorwerp zijn van grote renovatiewerken van rusthuizen bedoeld in § 1, dienen de veiligheidsnormen vermeld in bijlage 3B van dit besluit in acht te nemen; § 3. De naleving van de bedoelde normen wordt vastgesteld door een attest dat wordt afgeleverd door de burgemeester van de gemeente waar de dagonthaaldienst gelegen is, op basis van een rapport van de regionale brandweerdienst; Afdeling 3. - Lokalen en uitrusting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 161</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De dagonthaaldienst beschikt tenminste over de volgende lokalen en uitrusting : 1° een polyvalente zaal met een oppervlakte van minimum 3 m2 per opgevangen persoon, uitgerust met het volgende meubilair : a) een tafel en voldoende stoelen voor het aantal opgevangen personen;b) stoelen en zitbanken aangepast aan bejaarden;2° een rustzaal uitgerust met een bed of een relaxzetel.Wanneer de dagonthaaldienst geïntegreerd is in een verblijfsstructuur, kan er een slaapkamer van deze structuur, die hier speciaal voor voorzien is, dienst doen als rustzaal; 3° een kantoor waar indien nodig een onderhoud kan plaatsvinden in alle vertrouwelijkheid;4° een keuken die minstens uitgerust is met een wasbak, een koelkast, een kookplaat waarop koude en warme maaltijden en dranken kunnen bereid worden;5° een afzonderlijke WC met een wastafel met koud en warm stromend water. § 2. De lokalen bedoeld in § 1 zijn toegankelijk voor personen met een beperkte mobiliteit, met name voor rolstoelgebruikers. HOOFDSTUK 3 Afdeling 1. - Uurregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 162</span><span class=\"lf-art-t\">De dagonthaaldienst vangt de begunstigden op van maandag tot vrijdag, behalve op feestdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opvang dient tenminste zeven uur per dag aangeboden te worden, en dit tussen 8u.30m. en 18 uur. Afdeling 2. - Gezamenlijke activiteiten en activiteitenverslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 163</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dagonthaaldienst organiseert gezamenlijke activiteiten die het behoud van de zelfstandigheid van de begunstigden stimuleert, alsook hun deelname aan het sociale leven Ze organiseert activiteiten ter voorkoming van het verlies van autonomie voor de begunstigden. Ze organiseert tevens recreatieve activiteiten. Ze begeleidt de begunstigden bij hun socio-sanitaire ontwikkeling en werkt hiertoe samen met socio-sanitaire actoren die actief zijn op het grondgebied van de gemeente. Art. 164.De dagonthaaldienst helpt de begunstigden bij de organisatie van hun verplaatsingen tussen hun woonplaats en de dienst. De dagonthaaldienst kan zelf deze verplaatsingen regelen. Art. 165.De dagonthaaldienst levert 's middags een warme maaltijd aan de begunstigden die de hele dag in de dienst aanwezig zijn. Deze maaltijd wordt bereid door het personeel van de dienst of door een externe dienstverlening. Het menu wordt tenminste een week op voorhand aan de begunstigden meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De menu's worden gedurende 3 maanden bewaard en kunnen geraadpleegd worden door de administratiesleden die belast zijn met de inspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de loop van de ochtend en in de loop van de namiddag worden een lichte maaltijd en een drankje aangeboden. Deze maaltijden en dranken zijn inbegrepen in de prijs voor een halve of hele opvangdag. Er is op elk moment voldoende gratis drinkwater beschikbaar voor de begunstigden. Bij warme temperaturen zal hier speciale aandacht aan worden geschonken. Art. 166.De dagonthaaldienst houdt een dagelijks register bij van de aanwezigheden alsook van de georganiseerde activiteiten. Dit register kan geraadpleegd worden door de administratiesleden belast met de inspectie. Art. 167.De dagonthaaldienst stelt jaarlijks een activiteitenrapport op dat tenminste de volgende vermeldingen bevat : 1° het personeel van de dienst;2° het aantal opgevangen personen (totaal, daggemiddelde, eventuele schommelingen van dit gemiddelde in de loop van het jaar); 3° socio-economische en socio-sanitaire gegevens die anoniem worden gehouden, met betrekking tot de begunstigden (leeftijd, geslacht, gezinssituatie, zelfstandigheidsgraad, problemen die werden ondervonden,.); 4° de georganiseerde activiteiten;5° een analyse van de gegevens bedoeld in punten 2° tot 4°;6° de partnerships en samenwerkingen;7° de ondervonden problemen, commentaren, projecten en vooruitzichten. Afdeling 3. - Functionele verbintenissen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-168\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 168</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dagonthaaldienst gaat een functionele verbintenis aan met een dienst voor thuisverzorging of een coördinatiecentrum voor thuiszorg en dienstverlening aan huis. Hiertoe sluit ze een overeenkomst af die, uitgezonderd in geval van tegenstand van de begunstigde of zijn gevolmachtigde, een samenwerking en een uitwisseling van informatie voorziet in geval van tenlasteneming van een begunstigde van de dagonthaaldienst door de dienst voor thuishulp of het coördinatiecentrum voor thuiszorg en dienstverlening aan huis. HOOFDSTUK 4. - Personeelsnormen Art. 169.§ 1. De dagonthaaldienst beschikt over tenminste 1,5 VE gekwalificeerd personeel De benodigde kwalificaties zijn : 1° sociaal assistent;2° gezinshulp;3° opvoeder in de gerontologie;4° zorgkundige;5° ergotherapeut; De functie van directeur kan worden ingevuld door een personeelslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister kan andere kwalificaties toelaten mits een gemotiveerde aanvraag van de dagonthaaldienst en na advies van de Adviesraad. § 2. In naleving van de wet van 3 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/2005 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten met betrekking tot de rechten van vrijwilligers, kan de dagonthaaldienst samenwerken met vrijwilligers. Indien deze niet over een kwalificatie beschikken bedoeld in § 1 mogen zij niet alleen instaan voor de opvang van de begunstigden. HOOFDSTUK 5. - Toekenning van toelagen Art. 170.Het College kent een forfaitaire toelage toe van euro 50.000 als bijdrage in de personeels-en werkingskosten van de dagonthaaldienst. Deze toelage wordt geïndexeerd volgens de volgende modaliteiten : euro 50.000 x de gezondheidsindex op 31 december van het vorig jaar gezondheidsindex op 31 december 2008.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 171</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De toelagen worden uitbetaald in 4 voorschotten en een saldo. Drie voorschotten van 25 % worden uitbetaald voor 15 februari, 15 mei en 15 augustus, een voorschot van 20 % wordt uitbetaald voor 15 november en het saldo wordt uitbetaald na goedkeuring van de bewijsstukken ten laatste op 31 oktober van het volgend jaar. § 2. Om haar toelage te rechtvaardigen dient de dagonthaaldienst tegen 30 juni van het volgend jaar de volgende documenten in : 1° de rekeningen en de balansen van de dienst en van de vereniging zonder winstoogmerk, goedgekeurd door de algemene vergadering;2° de loonfiches van het personeel van de dagonthaaldienst;3° eventueel de betalingsbewijzen van de terugbetalingen van de kosten of forfaitaire vergoedingen van de vrijwilligers;4° het activiteitenverslag bedoeld in artikel 167. TITEL 8. - Diensten voor tele-bewaking : normen en toekenningsvoorwaarden HOOFDSTUK 1. - Algemene normen Afdeling 1. - Statuut en organisatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-172\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 172</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dienst voor tele-bewaking wordt georganiseerd door een vzw waarvan de activiteitenzetel gesitueerd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Afdeling 2. - Overeenkomst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-173\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 173</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dienst voor tele-bewaking sluit een overeenkomst af met de begunstigden, waarin tenminste de volgende elementen vermeld worden : 1° de namen, adressen en geboortedatum van de begunstigden en van de leden van zijn gezin;2° de interventiemodaliteiten in geval van een oproep van de begunstigde;3° de tariefvoorwaarden verbonden aan de geleverde diensten en met name : 4° de tariefverlaging die eventueel werd toegekend;5° de tarieven voor de eventuele interventies van professionals geleverd door de dienst. Afdeling 3. - Administratief vertrouwelijk dossier</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-174\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 174</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dienst voor tele-bewaking houdt voor elke begunstigde een vertrouwelijk dossier bij dat de volgende elementen bevat : 1° de kopie van de overeenkomst bedoeld in artikel 173; 2°, de volledige gegevens van de personen of diensten die door de begunstigde werden aangeduid voor eventuele interventies; 3° informatie met betrekking tot de toegangsmodaliteiten tot de woning van de begunstigde in geval van een oproep tot interventie;4° een lijst met de contacten tussen de dienst voor tele-bewaking en de begunstigde alsook met de eventuele oproepen en interventies. Afdeling 4. - Verplichte verzekeringen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-175\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 175</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid voor het hoofd van de onderneming is verplicht. HOOFDSTUK 2. - Personeels-en werkingsnormen Art. 176.De dienst voor tele-bewaking waarborgt een permanente dienst van 24 uur op 24 uur en 7 dagen op 7 door gekwalificeerd en opgeleid personeel. Hiertoe beschikt ze over een voldoende aantal personeelsleden om deze permanentie te verzekeren Het toezichtspersoneel is tenminste houder van een diploma van het hoger secundair onderwijs of van een opleidingscertificaat van gezinshulp of een als gelijkwaardig erkend diploma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een specifieke opleiding van 30 uur voor beheer van oproepen en beheer van noodgevallen wordt aan het personeelslid gegeven door de dienst voor telebewaking alvorens hij alleen mag instaan voor het toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een personeelslid dat tenminste houder is van een diploma van niet-universitair hoger onderwijs, neemt de functie van directeur op zich. Art. 177.§ 1. De dienst voor tele-bewaking biedt zijn begunstigden de volgende interventiemogelijkheden in geval van oproep : 1° oproep naar een persoon die de begunstigde heeft aangeduid volgens een lijst van personen die werden aangeduid bij de toetreding tot de dienst.Deze lijst wordt actueel gehouden op vraag van de begunstigde of tenminste om de 6 maanden; 2° oproep naar de behandelende geneesheer aangeduid door de begunstigde;3° oproep naar een professional bedoeld in artikel 178, geleverd door de dienst;4° oproep naar de medische urgentiedienst. § 2. De mogelijke interventiemodaliteiten voor elke begunstigde worden bepaald door de begunstigde bij zijn toetreding tot de dienst of op zijn verzoek en worden vermeld in de overeenkomst bedoeld in artikel 173. Art. 178.§ 1. De dienst voor tele-bewaking verzekert zelf of laat een interventiemogelijkheid in de woning van de begunstigde door gekwalificeerd personeel verzekeren door een dienst waarmee ze een samenwerkingsovereenkomst sluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vereiste kwalificaties voor dit personeel zijn : 1° gezinshulp;2° zorgkundige;3° verpleger. § 2. De dienst treft de nodige praktische maatregelen om de toegang tot de woning van de begunstigden door professionals mogelijk te maken. HOOFDSTUK 3. - Normen met betrekking tot de uitrusting Art. 179.De dienst voor tele-bewaking stelt een apparaat voor tele-bewaking en een draagbaar oproepsysteem ter beschikking van de begunstigden, die aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° het materiaal laat de begunstigde toe om de dienst op te roepen en met de dienst in contact te treden vanuit alle vertrekken van zijn woning;2° het materiaal wordt onderhouden door de dienst voor tele-bewaking en de goede werking ervan wordt minstens een maal per week getest;3° wanneer het materiaal niet of slecht functioneert, wordt het materiaal hersteld of vervangen binnen een termijn van 24 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-180\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 180</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dienst voor tele-bewaking beschikt over een ontvangstcentrale voor de oproepen. De identiteit van de oproepers, de data en uren van de oproepen, de identiteit van de hulpverleners alsook de uitgevoerde interventies als gevolg van de oproepen worden geregistreerd via de computer. HOOFDSTUK 4. - Toekenning van toelagen Art. 181.Het College kent een toelage toe aan de dienst voor tele-bewaking wanneer deze een tariefverlaging van minstens 15 euro per maand toepast voor de begunstigden die aan de volgende voorwaarden beantwoorden : 1° de leeftijd van de begunstigde is minimum zestig jaar, erkend als invalide, en de inkomsten liggen niet hoger dan het bedrag dat toegang geeft tot het OMNIO-statuut in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging;2° de begunstigde is een persoon van tenminste vijfenzeventig jaar, waarvan de inkomsten het bedrag dat toegang geeft tot het OMNIO-statuut in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging niet overschrijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-182\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 182</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van de jaarlijkse toelage is gelijk aan : 1° (het aantal begunstigden bedoeld in artikel 181) x (het aantal maanden van het beoogde jaar, gedurende welke de begunstigden een tariefverlaging genoten hebben) x (15 euro);2° (het aantal begunstigden bedoeld in artikel 181) x (1,25 euro voor de beheerskosten van de tariefverlaging)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-183\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 183</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen van 15 euro en van 1,25 euro bedoeld in artikel 182 worden geïndexeerd vanaf 1 januari 2009 volgens de volgende modaliteiten : Bedragen in euro x gezondheidsindex van december van het vorige jaar gezondheidsindex van december 2008</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-184\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 184</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Om haar toelage te rechtvaardigen legt de dienst driemaandelijks de volgende documenten voor aan de administratie : 1° de lijst met vermelding van de geboortedatum van de begunstigden waaraan een tariefverlaging wordt toegekend;2° de documenten die deze tariefverlaging voor elke begunstigde rechtvaardigen : a) een attest met betrekking tot de erkenning van de handicap voor een nieuwe begunstigde;b) de kopie van een document dat het OMNIO-statuut in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging bevestigt. § 2. De dienst legt jaarlijks, ten laatste tegen 30 juni van het volgend jaar, de volgende documenten voor : 1° de rekeningen en balansen van de dienst en, indien nodig, van de vzw die de dienst organiseert;2° een activiteitenrapport waarin de statistische gegevens met betrekking tot het aantal begunstigden, het aantal oproepen en het aantal uitgevoerde interventies tijdens het afgelopen jaar, worden hernomen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-185\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 185</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelagen bedoeld in artikel 182 worden driemaandelijks uitbetaald volgens de volgende modaliteiten : 1° een bedrag overeenkomstig met 25 % van de toegekende toelage voor het op twee na laatste jaar wordt toegekend op 15 februari, 15 mei en 15 augustus als voorschotten.2° een bedrag gelijk aan 20 % van de toegekende toelage voor het op twee na laatste jaar wordt toegekend op 15 november bij wijze van voorschot.3° het saldo wordt, na controle van de bewijsstukken, uitbetaald ten laatste tegen 31 december van het volgend jaar. TITEL 9. - Dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden : normen en toekenning van toelagen HOOFDSTUK 1. - Algemene normen Afdeling 1. - Statuut en organisatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-186\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 186</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden wordt georganiseerd door een vzw waarvan de activiteitenzetel gesitueerd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Afdeling 2. - Verplichte verzekeringen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-187\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 187</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verplichte verzekeringen zijn : 1° een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid voor het hoofd van de onderneming;2° een brandverzekering met objectieve aansprakelijkheid. HOOFDSTUK 2. - Architecturale normen Art. 188.De dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden beschikt over lokalen waar een onderhoud kan plaatsvinden in alle vertrouwelijkheid, een wachtzaal en een WC die toegankelijk is voor de consulterende artsen. HOOFDSTUK 3. - Werkingsnormen Art. 189.§ 1. De dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden is de referentie voor het groot publiek voor de oproepen betreffende « mishandeling »</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze informeert de Brusselse bevolking over de mishandeling van bejaarden, de verschillende vormen, hoe deze kan herkend worden en de hulpverleningsmogelijkheden die geboden worden. § 2. 1° Ze biedt een eerste opvang voor slachtoffers, getuigen van mishandeling of elke andere mogelijke betrokkene en verwijst hen door naar de meest geschikte professionals om te bemiddelen met het oog op de oplossing van deze situaties van mishandeling; 2° Ze coördineert tussen de professionals van de sociale- en gezondheidsverenigingen, de nodige interventies in situaties van mishandeling;3° Ze steunt en begeleidt de slachtoffers van mishandeling;4° Ze realiseert deze opdrachten met inachtneming van de deontologische regels die van toepassing zijn op deze werkers. § 3. Ze analyseert deze situaties op een globale manier teneinde preventief te kunnen werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze werkt samen met de Brusselse socio-sanitaire actoren en, indien mogelijk, tevens met de andere diensten voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden die in België of in het buitenland bestaan om bij te dragen tot een preventiebeleid tegen de mishandeling van bejaarden en het publiek te sensibiliseren teneinde te ijveren voor het cultiveren van goede houdingen en gedragingen. Art. 190.De dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden stelt elk jaar een activiteitenverslag op waarin de volgende elementen worden vermeld : 1° het personeel van de dienst;2° het aantal geholpen personen en het aantal nieuw geopende dossiers tijdens het voorbije jaar; 3° socio-economische en socio-sanitaire gegevens, die anoniem worden gehouden, met betrekking tot de begunstigden en tot de situaties van mishandeling die hebben plaatsgehad (leeftijd, geslacht, gezinssituatie, zelfstandigheidsgraad, type van verblijfplaats, relatie tussen het slachtoffer en diegene die verantwoordelijk is voor de mishandeling...); 4° de activiteiten van de dienst inzake sensibilisering en preventie;5° de partnerships en samenwerkingen;6° een analyse van de gegevens bedoeld in punten 2° en 3°;7° de ondervonden problemen, commentaren, projecten en vooruitzichten. HOOFDSTUK 4. - Personeelsnormen Art. 191.De dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden beschikt over tenminste 1,5 VE gekwalificeerd personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegelaten kwalificaties zijn de volgende : 1° jurist;2° psycholoog;3° sociaal assistent;4° assistent in de psychologie. Een personeelslid mag de functie van directeur vervullen. HOOFDSTUK 5. - Toekenning van toelagen Art. 192.Het College kent een forfaitaire toelage toe van euro 50.000 als bijdrage in de personeels-en werkingskosten. Deze toelage wordt geïndexeerd volgens de volgende modaliteiten : euro 50.000 x de gezondheidsindex op 31 december van het vorige jaar gezondheidsindex op 31 december 2008.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-193\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 193</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De toelagen worden uitbetaald in 4 voorschotten en een saldo. Drie voorschotten van 25 % worden uitbetaald voor 15 februari, 15 mei en 15 augustus, een voorschot van 20 % wordt uitbetaald voor 15 november en het saldo wordt uitbetaald na goedkeuring van de bewijsstukken ten laatste op 31 oktober van het volgend jaar. § 2. Om haar toelage te rechtvaardigen dient de dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden tegen 30 juni van het volgend jaar de volgende documenten in : 1° de rekeningen en de balansen van de dienst en van de vereniging zonder winstoogmerk, goedgekeurd door de algemene vergadering;2° de loonfiches van het personeel van de dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden;3° het activiteitenverslag bedoeld in artikel 190 TITEL 10. - Procedures met betrekking tot de erkenning van niet-residentiële diensten HOOFDSTUK 1. - Voorlopige erkenning en erkenning Art. 194.§ 1. De aanvraag van een erkenning wordt ingediend door de beheerder per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs bij de Minister. Een kopie wordt gelijktijdig aan de administratie overgezonden. De aanvraag gaat vergezeld van het dossier bedoeld in artikel 29 van het decreet. § 2. Het model van de nota's die het type van dienst en het project van onthaal of dienstverlening beschrijft bedoeld in artikel 29, 1° en 5° van het decreet, is vastgelegd in bijlage 10. § 3. Het dossier bevat naast de elementen voorzien in punten 1° tot 7° van het artikel 29 van het decreet, de kopie van de diploma's en kwalificatiecertificaten van het personeel die aantonen dat het voldoet aan de kwalificatievoorwaarden bedoeld in artikelen 169, 176, 178 of 191 van dit besluit. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie verwittigt de aanvrager van de ontvankelijkheid van het dossier en behandelt het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het dossier ontvankelijk wordt verklaard, wendt de Minister zich tot de Adviesraad die haar advies verstrekt binnen de dertig dagen nadat haar advies werd gevraagd, op basis van het administratief dossier en van de inspectie met betrekking tot de overeenstemming van de lokalen met de plannen van het gebouw en met de architecturale normen. De Minister neemt een beslissing wat betreft de toekenning of de weigering van de voorlopige erkenning of van de voorlopige bijzondere erkenning binnen de termijn van dertig dagen na het advies van de Adviesraad. De administratie licht de beheerder in over de beslissing van de Minister binnen de maand die erop volgt. Art. 195.Op basis van het administratief dossier dat het inspectierapport met betrekking tot de inachtneming van de normen en tot de verwezenlijking van het project van onthaal of dienstverlening bedoeld in artikel 29, 1°, van het decreet en na advies van de Adviesraad, neemt de Minister een beslissing wat betreft de toekenning of de weigering van de erkenning ten laatste vijftien dagen voor de vervaltijd van de voorlopige erkenning, legt de duur, die de zes jaar niet mag overschrijden, ervan vast en informeert de beheerder over de beslissing van de Minister. HOOFDSTUK 2. - Beroep in geval van weigering van voorlopige erkenning of erkenning Art. 196.§ 1. In geval van weigering van een voorlopige erkenning of van een erkenning wordt het beroep van de beheerder ingediend bij het College.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep wordt ingediend bij de Minister per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs, binnen de dertig dagen van de bekendmaking van de weigering door de administratie. Het gaat vergezeld van een verweerschrift met betrekking tot de elementen of de gebreken die aan de basis liggen van de weigering. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden aan de administratie. § 2. De administratie behandelt het dossier. De aanvrager of de beheerder wordt uitgenodigd om gehoord te worden door de Adviesraad binnen de maand van neerlegging van het verweerschrift. Hij kan zich op deze zitting laten vergezellen door de raadsman van zijn keuze. De Adviesraad verstrekt haar advies binnen de 15 dagen van deze zitting of binnen de maand nadat haar advies werd gevraagd, indien de aanvrager of de beheerder niet gehoord wenst te worden. § 3. Het College neemt zijn beslissing wat betreft het ingediende beroep binnen de maand van het advies van de Adviesraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie informeert de aanvrager of de beheerder over de beslissing van het College binnen de 15 dagen die erop volgen. De briefwisseling met betrekking tot deze procedure wordt per aangetekende zending verstuurd. HOOFDSTUK 3 Intrekking of opgelegde wijziging van een erkenning Art. 197.§ 1. Indien de dienst de erkenningsnormen niet naleeft, dan stuurt de administratie haar een verwittiging en verzoekt haar om zich onmiddellijk te voegen naar de normen indien de situatie een dringende correctie vereist of binnen een termijn van een week of maximum drie maanden in de andere gevallen. § 2. Indien de instelling bij het verstrijken van de termijn de erkenningsnormen niet naleeft, dan stelt de administratie aan de Minister voor om een procedure van intrekking of opgelegde wijziging te starten. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister volgt de procedure bedoeld in artikel 35, § 2 van het decreet. § 4. De Administratie informeert de beheerder over de beslissing van het College binnen de vijftien dagen die erop volgen. HOOFDSTUK 4. - Dringende sluiting Art. 198.§ 1. De dringende sluiting voorzien in artikel 37, § 1, van het decreet wordt opgelegd door de Minister. De administratie is belast met de begeleiding van de informatie die wordt gegeven aan de begunstigden wat betreft de diensten die diensten bieden van hetzelfde type. § 2. Het College neemt de beslissing betreffende de intrekking van de erkenning en de definitieve sluiting van de instelling. HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de erkenning Art. 199.§ 1. De aanvraag tot wijziging van de erkenning wordt bij de Minister ingediend door de beheerder met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden aan de administratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie behandelt het dossier en laat het vervolledigen door de beheerder indien nodig. De administratie informeert de beheerder over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot wijziging van de erkenning. De Adviesraad verstrekt haar advies binnen de 2 maanden na de onafhankelijkheidsverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het administratief dossier en eventueel het verslag van de inspectie, en na advies van de Adviesraad, neemt de Minister de beslissing betreffende de wijziging van de erkenning. De administratie informeert de beheerder over de beslissing van de Minister binnen de maand die erop volgt. § 2. In geval van meningsverschil van de beheerder met de beslissing van de Minister, en ongeacht de aanwending van de rechtsmiddelen waarover hij beschikt, kan de beheerder een beroep aantekenen bij het College volgens de modaliteiten vastgelegd in artikel 196. HOOFDSTUK 6. - Hernieuwing van de erkenning Art. 200.§ 1. De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning of de bijzondere erkenning wordt bij de Minister ingediend door de beheerder per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden naar de administratie. § 2. De vernieuwing van de elementen van het dossier van erkenning bedoeld in artikelen 29, 1° tot 7°, van het decreet, is de volgende : 1° de nota met betrekking tot het project van onthaal of dienstverlening bedoeld in punten 1° en 5° van het decreet, bevat een evaluatie van de manier waarop hieraan tegemoet werd gekomen tijdens de erkenningsperiode die eerstdaags vervalt en de eventuele wijzigingen die de beheerder wenst aan te brengen;2° het plan van de dienst waarin duidelijk elke aangebrachte wijziging sedert de vorige erkenning wordt weergegeven;3° De kopie van de verplichte verzekeringscontracten, eventuele bijaktes en bewijzen van de laatste betalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 7. - Vrijwillige sluiting Art. 201.De beheerder die vrijwillig een dienst wenst te sluiten brengt de Minister hiervan op de hoogte per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs en zendt gelijktijdig een kopie van deze brief naar de administratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie onderzoekt of de maatregelen ter overplaatsing van de begunstigden goed werden uitgevoerd en stelt de sluiting vast van de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie brengt de Minister, die akte neemt van de sluiting,op de hoogte en informeert de Adviesraad. HOOFDSTUK 8. - Overname van niet-residentiële instellingen Art. 202.§ 1. De niet-residentiële instellingen die een voorlopige erkenning of een erkenning hebben kunnen worden overgenomen door een andere beheerder volgens de volgende modaliteiten : 1° De overdragende beheerder brengt de Minister per aangetekende brief op de hoogte van zijn intentie om zijn niet-residentiële instelling over te laten en van de identiteit van de beheerder-overnemer ten laatste twee maanden voor de overdracht;2° de beheerder-overnemer dient ten laatste vijfenveertig dagen voor de overdracht bij de Minister per aangetekende brief een aanvraag in tot overname van erkenning.Een kopie wordt gelijktijdig aan de administratie overgezonden. 3° de aanvraag tot overname van erkenning gaat vergezeld van de volgende documenten : a) het project van onthaal of dienstverlening bedoeld in artikel 29, 1° en 5° van het vastgelegde decreet volgens het model vastgelegd in bijlage 10 van dit besluit door de beheerder-overnemer;b) de elementen van het erkenningsdossier bedoeld in artikel 29, 2°, 3° en 7° van het decreet;d) de kopie van de diploma's en de kwalificatiecertificaten van de nieuwe directeur, indien nodig als bewijs dat hij voldoet aan de kwalificatievoorwaarden vermeld in artikel 169, 176 of 191 van dit besluit. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie behandelt het dossier en laat het verbeteren of indien nodig aanvullen, binnen de vijftien dagen na ontvangst. Het brengt de overdragende en overnemende beheerders op de hoogte van de ontvankelijkheid van het dossier. § 3. De Adviesraad verstrekt een advies over de overname van de erkenning binnen de maand na de ontvankelijkverklaring van het dossier. § 4. Op basis van het administratief dossier, na advies van de Adviesraad en na ontvangst van de akte van overname van de instelling, neemt de Minister zijn beslissing betreffende de overname van de erkenning. Deze treedt in werking op de datum van de overname van de instelling indien het dossier op die datum ontvankelijk is of ten vroegste op de datum van de ontvankelijkverklaring van het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 9. - Overgangs- en opheffingsbepalingen Art. 203.De rustoorden die erkend zijn of een voorlopige werkingsvergunning hebben krachtens artikel 51 van het decreet,dienen ten laatste 6 maanden voor de vervaltijd van hun erkenning of hun voorlopige werkingsvergunning, een aanvraag tot erkenning in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-204\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 204</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelagen voor de diensten voor tele-bewaking bedoeld in artikelen 182 tot 185 worden berekend voor het jaar 2009 volgens de gegevens met betrekking tot het aantal begunstigden die in aanmerking komen, die beschikbaar zijn bij de administratie en hebben betrekking op de toegekende bijdragen aan deze begunstigden in 2008, krachtens het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 23 maart 1995 tot vaststelling van de regels met betrekking tot de bijdrage van de Franse Gemeenschapscommissie in de aansluitings-, plaatsings-, en huurkosten van een telefoontoestel alsook in de kosten van een systeem voor veiligheidsbewaking ten gunste van zwaar gehandicapte personen, geïsoleerde personen en gezinnen met zwaar gehandicapte personen en/of bejaarden die als geïsoleerd kunnen worden beschouwd, voor het jaar 2008 in de erkende diensten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-205\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 205</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 23 maart 1995 tot vaststelling van de regels met betrekking tot de bijdrage van de Franse Gemeenschapscommissie in de aansluitings-, plaatsings-, en huurkosten van een telefoontoestel alsook in de kosten van een systeem voor veiligheidsbewaking ten gunste van zwaar gehandicapte personen, geïsoleerde personen en gezinnen met zwaar gehandicapte personen en/of bejaarden die als geïsoleerd kunnen worden beschouwd, wordt opgeheven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-206\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 206</span><span class=\"lf-art-t\">Dit besluit treedt in werking op 1 juni 2009, met uitzondering van artikel 25 § 2 dat in werking zal treden op de datum vastgelegd door het College</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van artikel 25 § 1 zijn van toepassing op alle rustoorden die in afwachting zijn van de inwerkingtreding van artikel 25 § 2. Art. 207.Het decreet van 22 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/03/2007 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/01/2008 numac 2008031007 bron franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest Decreet betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden sluiten betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden treedt in werking op 1 juni 2009. Art. 208.Het Lid van het College dat bevoegd is voor Sociale Actie en Gezin wordt belast met de uitvoering van dit besluit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Brussel, 2 april 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het College van de Franse Gemeenschapscommissie : Het Lid van het College, belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Bijlage 1. - Model van het reglement van inwendige orde (Artikel 9, 8° van het decreet en artikelen 9 en 10 van het besluit) 1 : Informatie betreffende het rustoord : ? naam van het rustoord; ? adres, telefoon, e-mail; ? beheerder; ? statuut; ? vertegenwoordiger(s) van de beheerder; ? directeur; ? rustoord erkend door de Franse Gemeenschapscommissie onder erkenningsnummer. 2 : Criteria voor de opname en de stopzetting van het verblijf in het rustoord (met inbegrip van de graden van validiteit, afhankelijkheid en gezondheid van de personen die opgenomen worden in het rustoord). 3 : Rechten en plichten van de resident.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van het besluit. § 1. Aan de resident wordt de grootst mogelijke vrijheid toegekend, voor zover deze geen nadeel berokkent aan de andere residenten. De resident is met name verplicht om de persoonlijke hygiënemaatregelen in acht te nemen en zich te houden aan de veiligheidsregels. § 2. De resident heeft de volledige vrijheid van verkeer en om naar buiten te gaan, behalve in het geval van een tegengesteld advies van de behandelende geneesheer en het schriftelijk akkoord van de wettelijke vertegenwoordiger van de resident, te voegen bij het vertrouwelijk dossier van de betrokkene. De resident dient het personeel echter te informeren of zijn afwezigheden, in het bijzonder op de tijdstippen van de maaltijden. ? Preciseren van de informatiemodaliteiten- en termijnen in geval van afwezigheid en openings-en sluitingstijden van de deuren van het rustoord. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resident heeft het recht om de bezoekers te ontvangen van zijn keuze. De bezoekdagen- en uren zijn zo breed mogelijk vastgelegd, ten minste drie uur in de namiddag en twee uur na 18 uur, alle dagen van de week met inbegrip van zonen feestdagen; de bezoekers worden geacht de werkingsregels van de instelling na te leven. ? Preciseren van de bezoekuren. § 4. Elke dwangmaatregel tegenover de resident is verboden. Wanneer een dergelijke maatregel noodzakelijk blijkt vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van de resident, dient deze te worden voorgesteld door de verzorgingsploeg en gerechtvaardigd te worden met een medisch attest dat bij het medisch dossier van de betrokkene wordt gevoegd, samen met een schriftelijk akkoord van de wettelijke vertegenwoordiger van de resident.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatregel kan slechts worden genomen mits strikte naleving van de rechten van de betrokkene; § 5. De resident heeft recht op respect voor zijn privacy en zijn affectieve en seksuele leven, de bezoekers en de personeelsleden zijn met name verplicht om de resident te verwittigen alvorens zijn kamer te betreden. § 6. De resident of zijn gevolmachtigde kiest vrij zijn arts, uitgezonderd bij noodgevallen. Deze arts heeft vrije toegang tot de instelling op de uren en dagen die worden overeengekomen met de directeur, - De uren voorzien voor de doktersbezoeken preciseren (uitgezonderd dringende gevallen). § 7. De resident heeft vrije keuze wat betreft het paramedisch personeel en de kinesitherapie, met uitzondering van het verplegend personeel dat voorzien is in de personeelsnormen en aangeworven werd door het rustoord middels een arbeidsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het paramedisch personeel gekozen door de resident heeft vrije toegang tot de instelling op de dagen en uren die worden overeengekomen met de directeur. ? De uren voorzien voor het door de resident gekozen paramedisch personeel preciseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB : Wanneer de instelling over paramedisch personeel beschikt, loontrekkend of via het ziekenfonds, staat dit vermeld in het reglement van inwendige orde. § 8. De resident heeft vrije keuze wat betreft zijn apotheker, op zijn eigen verantwoordelijkheid of die van zijn gevolmachtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de resident niet bij machte is om de medicijnen die hem werden voorgeschreven zelf in ontvangst te nemen, is het rustoord verplicht om zijn medicijnen af te leveren met naleving van het Koninklijk besluit van 31 mei 1885 houdende goedkeuring der nieuwe onderrichtingen voor de geneesheren, de apothekers en de drogisten. § 9 Aan de resident wordt de volledige vrijheid verzekerd van filosofische, politieke en religieuze meningsuiting. Er mag hem geen enkele verplichting van commerciële, culturele, religieuze, politieke of taalkundige aard worden opgelegd. De door de resident gevraagde bedienaars van de erediensten of lekenconsulenten mogen hem vrij bezoeken. Het klimaat en de faciliteiten eigen aan de vervulling van hun opdracht zijn aanwezig. Familie, vrienden en de door de resident gevraagde bedienaars van de erediensten of lekenconsulenten hebben op elk moment vrije toegang wanneer zij een stervende dienen bij te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resident verbindt zich ertoe om het reglement van het rustoord na te leven en rekening te houden met de eisen van het gemeenschapsleven. 4 : Rechten en plichten van het rustoord Het rustoord verbindt zich ertoe om de resident toe te laten een leven te leiden overeenkomstig met de menselijke waardigheid en de nodige middelen te bewerkstelligen om het leefproject dat het voorstelt concreet te maken. Een exemplaar van dit leefproject wordt aan de resident overhandigd. 5 : Uurroosters van het rustoord : ? Opstaan en naar bed brengen voor residenten die hier hulp bij nodig hebben; ? Maaltijden. 6 : Activiteiten georganiseerd door het rustoord : ? Regelmatige activiteiten georganiseerd door het rustoord; ? Eventuele inschrijvingsmodaliteiten. 7 : Indiening van opmerkingen of klachten : Alle opmerkingen kunnen zowel door de resident, of in voorkomend geval, door zijn gevolmachtigde, als door zijn familie gemaakt worden bij de directeur. ? Het uurrooster van de permanentie van de directeur preciseren ? De indienings- en onderzoeksmodaliteiten van de opmerkingen en de klachten preciseren. 8 : Participatiecommissie : Overeenkomstig artikel 17 van het besluit enz...wordt binnen het rustoord een participatiecommissie opgericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere resident, of in voorkomend geval; zijn gevolmachtigde, heeft het recht hier deel van uit te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De participatiecommissie is samengesteld uit residenten of hun gevolmachtigden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nominatieve lijst van de leden van de participatiecommissie alsook de wijzigingen die hierin worden aangebracht, worden meegedeeld aan de residenten, en in voorkomend geval, aan hun gevolmachtigden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De participatiecommissie stelt haar eigen relement van inwendige orde op. Een kopie wordt ter informatie overgezonden aan het bestuur en aan de residenten, en in voorkomend geval, aan hun gevolmachtigden. houdt tenminste een maal per trimester een vergadering. Ze heeft een adviesbevoegdheid hetzij op eigen initiatief, hetzij op vraag van de beheerder of van de directeur van de instelling op elke vraag over de algemene werking van de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een verslag van de vergaderingen opgemaakt dat kan geraadpleegd worden door de residenten of door hun familieleden en hun vertegenwoordigers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren die belast zijn met de inspectie kunnen deze verslagen op elk moment raadplegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie krijgt hulp van het personeel van het rustoord, teneinde de goede werking ervan te verzekeren. De directeur of zijn vertegenwoordiger kan de vergaderingen van de commissie bijwonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kalender van de vergaderingen wordt drie weken op voorhand geafficheerd op een voor iedereen zichtbare plaats. ? Preciseren : modaliteiten van kandidaatstelling in de commissie, uurroosters van de vergaderingen 9 : Inspecties en de dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden. ? De bevoegde inspectiedienst is : Franse Gemeenschapscommissie Inspectie van de rustoorden Paleizenstraat 42, 1030 Brussel Tel. : 02-800 80 00.</p>\n<p class=\"lf-p\">E-mail : information@cocof.irisnet.be ? Federale Gezondheidsinspectie FOD Volksgezondheid Place Horta 40, bte 10, 1060 Bruxelles Tél. : 02-524 71 11 E-mail : info@health.fgov.be ? Dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">SEPAM (Luisterdienst voor Mishandelde Bejaarde Personen) Anspachlaan 59, 1000 Brussel Tel. 02-223 13 43 E-mail : sepam@inforhomes-asbl.be Voor ontvangst van een kopie van dit reglement van inwendige orde en akkoord Gedaan te.., op..</p>\n<p class=\"lf-p\">De resident Of de gevolmachtigde Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Bijlage 2. - Model van overeenkomst tussen de instelling en de resident (Artikel 9, 14° van het decreet en artikelen 12 en 13 van het besluit) 1 : Deze overeenkomst wordt afgesloten tussen : ? het rustoord . . . . . vertegenwoordigd door . . . . . (naam en functie -beheerder, vertegenwoordiger van de beheerder of directeur) gesitueerd :adres van het rustoord ? en Dhr en/of Mevr . . . . . (naam van de resident) wonende te . . . . . (adres voor de opname in het rustoord) of Mr of Mevr . . . . . gevolmachtigde van Dhr of Mevr . . . . . (naam van de resident) adres van de gevolmachtigde adres van de resident NB : Indien de resident niet bij machte is om de overeenkomst zelf af te sluiten, en indien hij niet beschikt over een wettelijke vertegenwoordiger of een gevolmachtigde, vraagt de directeur om een wettelijke vertegenwoordiger aan te duiden die er speciaal mee belast wordt hem te vertegenwoordigen. 2 : Algemene en bijzondere verblijfsvoorwaarden in het rustoord; 3 : Verblijfsprijs per dag en per maand (verwijzen naar bijlage 5 betreffende de verblijfsprijs per dag) ? de verblijfsprijs omvat de volgende prestaties : lijst met de prestaties die inbegrepen zijn in de dagprijs ? eventuele supplementen zijn : lijst met de supplemeten en de prijs ? op de volgende diensten worden trimestriële voorschotten aan derden toegestaan : lijst met diensten gefactureerd aan derden; ? voorwaarden voor verlaging van de verblijfsprijs van de resident in geval van medisch verantwoorde afwezigheid, of afwezigheid wegens elke andere reden met een ononderbroken duur van 7 dagen, die vooraf wordt gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ieder supplement dat niet opgenomen werd in deze overeenkomst is verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de resident zijn intrek neemt in een kamer in de loop van een maand is hij voor deze maand een bedrag verschuldigd dat in verhouding is met het nog resterende deel van de maand. 4 : de voorwaarden voor de tenlasteneming van de zorgen en de hulpverlening in de dagelijkse levenshandelingen wanneer de ziekte-en invaliditeitsverzekering van de resident ontoereikend is. 5 : De betalingsmodaliteiten van de verblijfsprijs en eventuele supplementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB : Bij betaling via de bank wordt het rekeningnummer vermeld waarop de betalingen dienen te worden uitgevoerd. Bij contante betaling dient een ontvangstbewijs te worden afgeleverd door het rustoord; 6 : het bedrag van de eventuele betaalde waarborg en de bestemming ervan. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan de maandelijkse verblijfsprijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er een waarborg vereist is, wordt deze door de partijen op een individuele rekening geplaatst die wordt geopend op naam van de resident bij een kredietsinstelling, met vermelding van de bestemming : « waarborg voor elke vordering die resulteert uit de volledige of gedeeltelijke niet-naleving van de verplichtingen van de resident ».</p>\n<p class=\"lf-p\">De interesten die voortkomen uit de als dusdanig geplaatste som, worden gekapitaliseerd ten voordele van de resident.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan slechts beschikt worden over de waarborg, zowel over de hoofdsom als over de interesten, door een van beide partijen, mits het voorleggen van hetzij een uitdrukkelijk akkoord dat na de afsluiting van de overeenkomst werd opgesteld, hetzij een voor eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing. Deze beslissing is uitvoerbaar Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of beroep en zonder borgtocht noch kantonnement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de resident of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventuele verschuldigde kosten en vergoedingen krachtens de overeenkomst. 7 : het absolute verbod voor de resident om hetzij bij zijn opname, hetzij erna het beheer van zijn geld en zijn goederen toe te vertrouwen aan een lid van de gezinsopvang of aan een hieraan verwante persoon, tot in de 3e graad. 8 : ongeacht het verbod bedoeld in 5°, de voorwaarden voor inbewaringneming van de goederen en de waardepapieren die door de resident worden toevertrouwd aan de gezinsopvang, hun beheermodaliteiten alsook het bewijs van aanduiding van de persoon of personen die belast is/zijn met dit beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vraag van de resident of zijn gevolmachtigde kan een bescheiden som door de gezinsopvang bewaard worden voor lopende uitgaven. 9 : de verplichting voor de resident om zijn persoonlijke uitgaven zelf te bekostigen. 10 : het kamernummer, en eventueel het bednummer dat wordt toegekend aan de resident met vermelding van het maximum aantal residenten dat worden toegelaten in de kamer. Uitgezonderd tegengesteld advies van de behandelende geneesheer, mag er geen wijziging van kamer of van bed worden uitgevoerd zonder goedkeuring van de resident en, in voorkomend geval, van zijn gevolmachtigde; 11 : Opzeggingsvoorwaarden van de overeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overeenkomst wordt in principe afgesloten voor een onbepaalde duur, met inachtneming van een proefperiode van een maand. Tijdens de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden mits inachtneming van een voorafgaande kennisgeving van ten minste 7 dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de proefperiode kan de overeenkomst op elk moment worden ontbonden mits inachtneming van de vastgestelde opzegtermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opzegtermijn mag niet korter zijn dan zestig dagen bij ontbinding van de overeenkomst door het rustoord. Deze bedraagt vijftien dagen bij ontbinding door de resident of zijn gevolmachtigde. De resident die uit het rustoord wordt ontslagen mag de overeenkomst ontbinden zonder voorafgaande kennisgeving, op elk moment tijdens de duur van de vooropzeg van 60 dagen gegeven door het rustoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een van de partijen de overeenkomst ontbindt zonder de opzegtermijn in acht te nemen, kan zij ertoe gehouden worden aan de andere partij een schadevergoeding te betalen ter compensatie van de vastgestelde vooropzeg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opzegging wordt gegeven per aangetekende brief of door overhandiging van een schriftelijk document met een ontvangstbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opzegtermijn vangt aan op de derde werkdag die volgt op de datum van de aankondiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontbinding door het rustoord dient gemotiveerd te worden. Tenzij het rustoord enkel valide residenten toelaat, is het feit dat de persoon zorgen nodig heeft geen geldige reden. In dat geval kan enkel een advies gemotiveerd door de behandelende geneesheer de ontbinding rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het overlijden of het definitieve vertrek om medische reden, op basis van een certificaat van de behandelende geneesheer dat aangeeft dat de verzorging in een andere instelling dient te gebeuren, heeft automatisch de ontbinding van de overeenkomst tot gevolg binnen een termijn van maximum 15 dagen. Na deze termijn mag de directeur de kamer vrijmaken op kosten van de resident of, in voorkomend geval, van zijn rechthebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van wat voorafgaat, kunnen overeenkomsten worden vastgesteld voor een bepaalde duur wanneer het gaat om een verblijf met een maximale duur van 90 dagen in een tehuis dat speciaal erkend is voor kort verblijf. Voor deze overeenkomsten is geen enkele stilzwijgende verlenging toegelaten. 12 : De burgerlijke rechtbanken van Brussel zijn bevoegd voor de regeling van alle geschillen met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst; 13 : Er bestaat een participatiecommissie in het rustoord en de resident of zijn gevolmachtigde mag vragen om hier lid van te zijn. 14 :De gedetailleerde plaatsbeschrijving van de kamer die door de resident bezet wordt is bijgevoegd bij de overeenkomst. Ze wordt gedateerd en ondertekend door beide partijen. Wanneer er geen plaatsbeschrijving werd opgesteld vóór zijn opname, wordt de resident geacht de kamer toegewezen gekregen te hebben in de staat waarin ze zich bevindt bij zijn vertrek en kan hij niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele schade. 15 : In de overeenkomst kunnen de toelatingsvoorwaarden voor een huisdier worden vermeld. 16 : In de overeenkomst wordt het bestaan van een sterfkamer of, bij gebreke, een overeenkomst afgesloten met een begrafenisonderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedaan te ......., op ......... Handtekening van de partijen : Voor het rustoord, naam, voornaam en functie De resident : naam, voornaam Of de gevolmachtigde : naam, voornaam Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Bijlage 3A. - Onderhoud, controle en bewoning (Artikel 9, 1° van het decreet en artikel 25 van het besluit) § 1. ONDERHOUD EN CONTROLE § 1.1 Algemene inleiding § 1.1.1 De technische uitrusting van de instelling wordt in goede staat gehouden § 1.1.2 De directie van de instelling ziet erop toe dat de nodige keuringen, bezoeken en controles uitgevoerd worden door een instelling die erkend is voor dit type van controles en dat hier een verslag van wordt opgemaakt, waarvan zij gedurende 6 jaar een exemplaar bewaart in een veiligheidsdossier en zenden respectievelijk een exemplaar aan het bestuur en aan de burgemeester van de gemeente waar de instelling gevestigd is. § 1.2 Liften en goederenliften De liften en de goederenliften worden gekeurd en bezocht zoals vastgesteld in de bepalingen van het Algemeen Reglement van de Arbeidsbescherming. Dit voorschrift wordt uitgebreid, ter aanvulling van de voorschriften van het artikel 28 van het Algemeen Reglement van de Arbeidsbescherming, aan alle in dit besluit bedoelde instellingen. § 1.3 Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie De elektrische installaties zijn bezocht door een instelling die door het Ministerie van Economische Zaken erkend is, overeenkomstig de bepalingen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming : - bij hun inbedrijfstelling, alsook wanneer belangrijke wijzigingen worden aangebracht; - één keer per jaar voor alle installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die voorschriften betreffen ook al de in dit besluit bedoelde instellingen, ter aanvulling van de bepalingen van artikel 28 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming. § 1.4 Installaties met brandbaar gas dat langs openbare leidingen wordt gevoerd § 1.4.1 Vóór de inbedrijstelling van een installatie of een gedeeltelijk vernieuwde installatie, wordt deze nagezien overeenkomstig de voorschriften van het Koninklijk Besluit van 28 juni 1971 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van gasdistributies door middel van leidingen. § 1.4.2 Bovendien worden alle nieuwe installaties en alle belangrijke wijzigingen van een installatie onderworpen, alvorens de bestrijking en de schildering op het nieuwe gedeelte en/of het gewijzigde gedeelte aan te brengen, aan de volgende consecutieve controles : - een controle van de leidingen : nadat de verdeelmeters en de afsluitkranen zijn ontkoppeld, terwijl de buizen zijn dichtgestopt, worden de leidingen onderworpen aan een drukproef waarbij de druk minstens gelijk is aan tienmaal de maximaal toegelaten bedrijfsdruk, terwijl al de koppelingen, verbindingen, lasnaden, enz., ingesmeerd worden met een schuimend produkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proef wordt gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie. - een controle van de koppeling van de apparaten : de dichtheid van de terug aangekoppelde afsluitkranen en verdeelmeters wordt nagezien door een drukproef waarbij de druk minstens gelijk is aan de maximaal toegelaten bedrijfsdruk, terwijl deze kranen en koppelingen van de meters ingesmeerd worden met een schuimend produkt. De proef wordt gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide gevallen wordt de drukproef uitgevoerd d.m.v. een inert gas.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voormelde controles moeten uitgevoerd worden door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitslagen van alle uitgevoerde testen worden opgetekend in het procesverbaal, opgesteld na de beëindiging van de proeven. § 1.4.3. De nieuwe geplaatste verbruikstoestellen worden vóór hun ingebruikstelling getest door een bevoegde installateur die nagaat of ze goed werken. § 1.4.4. Minstens één keer per jaar worden de installaties nagezien door een bevoegde installateur of een daartoe uitgerust organisme.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze inspectie omvat o.m. : - het nazicht en de reiniging van de branders; - het nazicht van de beschermings- en regelingsinrichtingen; - het nazicht van de dichtheid van de installatie; - de inspectie en zo nodig de reiniging van de afvoerpijpen van de verbrandingsgassen. § 1.4.5. Om de drie jaar wordt de dichtheid van de toestellen en leidingen nagezien door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze controle bestaat uit : - het onderzoek van de installatie : leidingen, afsluitkleppen, haspels en diverse onderdelen om na te gaan of de werken en de apparatuur uitgevoerd worden overeenkomstig het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming » en de normen NBN D 51-003 en D 51-004. - een dichtheidsproef op al de installatie, die bestaat uit : a) een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de gesloten apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met een druk die gelijk is aan tweemaal de bedrijfsdruk, zonder de maximale bedrijfsdruk te overschrijden die toegelaten is door sommige op de installatie bestaande sluitapparaten. De proef duurt minstens twintig minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen van de installatie met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt. b) een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de open apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met de bedrijfsdruk. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen, die stroomafwaarts van de afsluitkranen gelegen zijn, met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt. - een onderzoek van de op de installatie aangekoppelde apparaten (overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften, met name de voldoende ventilatie van het lokaal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien bevat het examen van de apparaten een proef van het afspannen van de thermo-elementen (sluitduur bij vlamonderbreking). - een onderzoek van de afvoerpijpen van de verbrande gassen van de apparaten : staat, trek, dichtheid, vastmaking, uitmonding in de open lucht in een depressiezone. § 1.5. Installaties met vloeibaar gemaakte petroleumgassen en oxidatieve gassen. § 1.5.1. Vooraleer de installatie in gebruik genomen wordt : - wordt de leiding aan een drukproef onderworpen waarbij de druk minstens gelijk is aan anderhalve keer de maximale bedrijfsdruk. De proefdruk mag in geen geval minder dan 3 bar zijn. Het onder druk zetten gebeurt uitsluitend d.m.v. inert gas. - Indien de proefdruk meer bedraagt dan de maximale druk die voorzien is voor een op de leiding gemonteerd onderdeel, zoals een ontspanner, een regelaar, een meter of een veiligheidsklep, worden deze onderdelen eerst buiten bedrijf gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De testen worden zo zorgvuldig mogelijk uitgevoerd, ten einde de dichtheid te controleren, de vervormingen en de defekten op te sporen die de veiligheid in het gedrang kunnen brengen. De proeven worden gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe proeven worden gedaan, na herstelling of vervanging van de defekte stukken, totdat ze een gunstig resultaat geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij elke belangrijke wijziging wordt het gewijzigde gedeelte van de installatie aan de hierboven beschreven testen onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspecties waarvan sprake in deze paragraaf worden uitgevoerd door een daartoe uitgerust zelfstandig organisme. De uitslagen van alle uitgevoerde testen worden opgetekend in het proces-verbaal, opgesteld na de beëindiging van de proeven. § 1.5.2. Vooraleer de verbruikstoestellen in gebruik genomen worden, worden ze getest door een bevoegde installateur om na te gaan of ze goed werken. § 1.5.3. Minstens één keer per jaar worden de installaties nagezien door een bevoegde installateur of een daartoe uitgerust organisme.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze inspectie omvat o.m. : - het nazicht en de reiniging van de branders; - het nazicht van de beschermings- en regelingsinrichtingen; - het nazicht van de dichtheid van de installatie; - de inspectie en zo nodig de reiniging van de afvoerpijpen van de verbrandingsgassen. § 1.5.4. Om de drie jaar wordt de dichtheid van de toestellen en leidingen nagezien door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze controle bestaat uit : - het onderzoek van de installatie : leidingen, afsluitkleppen, haspels en diverse onderdelen om na te gaan of de werken en de apparatuur uitgevoerd worden overeenkomstig het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming », aan de normen NBN D 51-003 et D51-004, de voorschriften van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 (gewijzigd) betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders en de code van goede praktijk betreffende dit soort installatie. - een dichtheidsproef op heel de installatie, die bestaat uit : a) een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de gesloten apparaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze drukproef wordt uitgevoerd met een druk die gelijk is aan tweemaal de bedrijfsdruk, zonder de maximale bedrijfsdruk te overschrijden die toegelaten is door sommige op de installatie bestaande sluitapparaten. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen van de installatie met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt; b) een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de open apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met de bedrijfsdruk. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen, die stroomafwaarts van de afsluitkranen gelegen zijn, met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt; c) een onderzoek van de op de installatie aangekoppelde apparaten (overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften, met name de voldoende ventilatie van het lokaal).Bovendien bevat het examen van de apparaten een proef van het afspannen van de thermo-elementen (sluitduur bij vlamonderbreking); - een onderzoek van de afvoerpijpen van de verbrande gassen van de apparaten : staat, trek, dichtheid, vastmaking, uitmonding in de open lucht in een depressiezone. § 1.6 Installaties voor verwarming en klimaatregeling. § 1.6.1.1 Een keer per jaar worden de installaties voor centrale verwarming en de centrale klimaatregelingsinstallaties nagezien door een bevoegde installateur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze inspectie omvat o.m. : - het nazicht en de reiniging van de branders; - het nazicht van de beschermings- en regelingsinrichtingen; - de inspectie en zo nodig de reiniging van de afvoerpijpen van de verbrandingsgassen. § 1.6.1.2 Voor de centrale verwarming wordt deze inspectie uitgevoerd vóór de ingebruikneming van de installaties. § 1.6.2. De vaste of verplaatsbare afvoerleidingen voor rook of verbrandingsgas moeten steeds in goede staat zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke gebroken of gebarsten leiding moet hersteld of vervangen worden vooraleer ze terug in werking gesteld wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een schouwbrand wordt de koker waar het vuur ontstond over zijn hele lengte nagezien en geveegd, daarna wordt een dichtheidstest uitgevoerd. § 1.6.3. De roosters, tralies of korven worden gereinigd zo dikwijls als nodig blijkt. § 1.6.4. De installaties voor centrale verwarming met vaste of vloeibare brandstof worden gecontroleerd overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof. § 1.7 Installaties voor branddetectie, toestellen en middelen voor melding, waarschuwing, alarm en brandblussing. § 1.7.1 De algemeen verspreide installaties voor automatische detectie worden in ontvangst genomen en gecontroleerd zoals bepaald in de Belgische norm NBN S 21100 « Concipiëring van de installaties voor automatische branddetectie door punctuele voeler » en bijvoegsel. § 1.7.2 Eenmaal per jaar worden de andere elektrische brandmeldingsinstallaties dan de openbare telefoonlijnen, alsook de elektrische waarschuwings- en alarmtoestellen in ontvangst genomen, gecontroleerd en nagezien door een organisme dat door het Ministerie van Economische Zaken erkend werd voor de controle van de elektrische installaties. § 1.7.3. De draagbare of verplaatsbare snelblussers worden jaarlijks nagezien. § 1.7.4. Elk jaar worden door een daartoe uitgerust organisme de muurhaspels met axiale voeding en de muurhydranten nagezien, alsmede hun hulpstukken en de voedingsleidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze gelegenheid dient tevens gecontroleerd te worden of de afsluitkleppen van de muurhaspels met axiale voeding en de muurhydranten volledig geopend zijn. § 2. VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE BEWONING § 2.1 Algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten hetgeen voorzien is door deze reglementering, neemt de directie van de instelling alle nodige maatregelen om de bewoners van de instelling te beschermen tegen de gevolgen van brand en paniek. De permanente maatregelen die in dat opzicht door de directie genomen worden, zullen vermeld worden in het veiligheidsdossier. § 2.2 Doorgangen. § 2.2.1 Het is verboden in de doorgangen die bij evacuatie gebruikt worden, meubelen, karretjes of andere voorwerpen op te stapelen of neer te zetten. Met instemming van de territoriaal bevoegde brandweer mogen sommige vaste meubelen in de doorgangen geplaatst worden voor zover : - de nuttige breedte van de doorgangen door deze meubelen niet verminderd wordt, zelfs wanneer hun deuren open zijn; - de meubelen vastgelegd worden of niet verplaatst en/of omgegooid kunnen worden bij de evacuatie van het gebouw; § 2.2.2 In de gemeenschappelijke lokalen, die al dan niet toegankelijk zijn voor het publiek, zoals de refter, de kapel, enz., wordt het meubilair zodanig geplaatst dat men gemakkelijk door kan. 8.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geen geval mag de goede werking belemmerd worden van de zelfsluitende deuren of de bij brand zelfsluitende deuren of luiken. § 2.3 Keukens, kooktoestellen en vloeistofverwarmers. § 2.3.1 Kooktoestellen en vloeistofverwarmers zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van elk brandbaar materiaal. § 2.3.2 Het gebruik van kooktoestellen of vloeistofverwarmers is in de kamers van de bewoners of in de wachtzalen enkel toegelaten als het om elektrische toestellen gaat die voldoende veilig zijn. § 2.4 Installaties voor elektrische drijfkracht, verlichting en signalisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De soepele leidingen die de elektrische verplaatsbare toestellen voeden, mogen geen hinder zijn voor het doorgaand verkeer van personen. § 2.5 Afval en huisvuil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stofvodden en afval waarin zelfontbranding kan optreden of die gemakkelijk brandbaar zijn, worden bewaard in metalen vaten met deksel of opgeborgen in een plaats waar ze geen brandgevaar opleveren. § 2.6 Voorlichting van het personeel en van de bewoners op het gebied van de bescherming en de brandbestrijding. § 2.6.1 Tenminste 50 % van de personeelsleden dient een opleiding inzake veilighied te hebben gevolgd. Deze opleiding wordt gegeven door een gekwalificeerde instelling en is erkend als permanente vorming voor het personeel. Bij het veiligheidsdossier dient een geactualiseerde lijst gevoegd te worden van de personeelsleden die de opleiding hebben gevolgd. § 2.6.2 Instructies in voldoend aantal uitgehangen op plaatsen waar ze goed leesbaar zijn : a) lichten het personeel in over de bij brand te volgen gedragslijnen en namelijk voor : - het onmiddellijk melden van de brand; - het in werking stellen van waarschuwings- en alarmtoestellen of -middelen en van de brandblusapparaten; - de te treffen schikkingen om de veiligheid van de bewoners, het personeel en eventueel het publiek te verzekeren; - de te nemen maatregelen om de tussenkomst van de bevoegde brandweer te vergemakkelijken; b) lichten de bewoners voor betreffende het alarm, ten einde : - hen in staat te stellen het overeenstemmende signaal te identificeren; - hen de gedragslijnen te leren die zij moeten volgen bij alarm, alsook het te volgen evacuatietraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan elk nieuw personeelslid, met inbegrip van stagaires en vervangers, wordt een exemplaar van deze instructies overhandigd. § 2.6.3 De directie stelt een evacuatie- en interventieplan op en de plannen beantwoorden aan de minimumvereisten die bepaald zijn door het College(artikel 28).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een exemplaar van deze plannen wordt door de directeur naar de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verstuurd. § 2.6.4 Branddetectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al de personeelsleden moeten in kennis worden gesteld van de werking en de interpretatie van de signalen van de installatie voor branddetectie. § 2.7 Allerlei. § 2.7.1 De directie van de instelling zorgt ervoor dat onbevoegde personen geen toegang hebben tot de technische lokalen en doorgangen. § 2.7.2 Zonder afbreuk te doen aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, is het verboden in de nabijheid van deze houders te roken, brandende voorwerpen te brengen of vuur te maken op minder dat 5 m van de vaste houders, en op minder dan 2,5 m van de verplaatsbare houders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod wordt aangeplakt. § 2.7.3 Elk toestel dat bestemd is om vast geïnstalleerd te worden, moet geleverd worden samen met een voor de gebruiker bestemde gebruiks- en onderhoudsaanwijzing, opgemaakt in het Frans, waarin alle nodige inlichtingen worden gegeven om het toestel veilig en doelmatig te gebruiken. De directie houdt deze aanwijzingen ter beschikking van de gebruikers. § 2.7.4 Na de werkuren van de niet-bestendige diensten wordt in de inrichting een ronde gedaan met het doel zich ervan te vergewissen dat er in de verlaten lokalen geen ongeval- of brandrisico is. § 2.7.5 Een plan van elke verdieping wordt aangeplakt bij elke toegang van deze verdieping. Een plan van de kelderverdiepingen wordt aangeplakt op het gelijkvloers en bij het uitgangspunt van de trappen die naar de kelderverdiepingen leiden. Die plannen verschaffen inlichtingen over de verdeling en de bestemming van de lokalen en inzonderheid over de ligging van de technische lokalen, de toegangswegen, de nooduitgangen, de evacuatietrajecten en de plaatsen waar apparaten voor brandbestrijding zijn aangebracht. § 2.7.6 De omgeving van de plaatsen waar handbediende toestellen voor melding, waarschuwing of alarm of apparaten voor de brandbestrijding geplaatst of aangebracht zijn, moet steeds vrij blijven en worden aangegeven door pictogrammen, zodat deze toestellen of apparaten onverwijld gebruikt kunnen worden. § 2.7.7 Pictogrammen overeenkomstig met het koninklijk besluit van 17 juni 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/10/1997 numac 1997012551 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde procedures in het kader van de fabricatie van machines, drukvaten van eenvoudige vorm en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/08/1997 numac 1997016167 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 juli 1996 betreffende de identificatie en de registratie van schapen, geiten en hertachtigen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/09/1997 numac 1997012552 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk sluiten betreffende de veiligheids-en gezondheidssignalisatie op het werk, dienen onder meer aan te duiden : a) de uitgangen, de nooduitgangen, de aanwijzing van de evacuatietrajecten en de trappen die hiernaar leiden;b) de plaatsen waar het verboden is te roken;c) de plaats waar de apparaten voor brandbestrijding beschikbaar zijn;d) de plaats waar toestellen voor waarschuwing of alarm beschikbaar zijn; Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Bijlage 4. - Regels inzake gelijkstelling van de buitendiensten (Artikel 9, 4° van het decreet en artikel 56, § 3 van het besluit) 1.Om nadere regels vast te leggen voor de gelijkstelling van de door buitendiensten verstrekte diensten met hotelpersoneelskosten en voor de raming ervan in voltijdse equivalenten, moeten de vier categorieën taken die door die diensten overgenomen kunnen worden, precies vastgesteld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om : 1. de netheid en de hygiëne van de lokalen, of taken i.v.m. het dagelijks onderhoud van de lokalen (niet van de wegen, parken en tuinen); 2. het technisch onderhoud, of het niet-gespecialiseerde onderhoud dat door niet-gespecialiseerde personen verricht kan worden (niet de taken waarvoor de instelling hoe dan ook beroep moet doen op een gespecialiseerde arbeider, bv.voor het onderhoud van de liften); 3. de taken beddegoed en wasserij die betrekking hebben op het onderhoud van hotellinnen (beddegoed, gordijnen, tafellakens en servetten, kledij van de personeelsleden,.), behalve het persoonlijke wasgoed van de ingezetenen; 4. de taken keuken en restaurant hoeven niet omschreven te worden.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de rustoordbeheerder geen schriftelijk bewijs kan voorleggen van het juiste bedrag van de hotelpersoneelskosten voor dienstverleningen van buitendiensten, worden de door de buitendiensten gedragen arbeidskosten berekend op grond van het aan het rustoord gefactureerde bedrag, exclusief BTW op dat bedrag wordt een percentage toegepast al naar gelang het soort diensten om geen rekening te houden met de winstmarge, de gebruikte producten,enz.: ? Reiniging (netheid/hygiëne) : 90 %; ? Technisch onderhoud : 80 %; ? Beddegoed/Wasserij : 65 %; ? Keuken/Restaurant : 40 %. 3. Om het aantal VTE's te berekenen dat verkregen wordt door de door buitendiensten verstrekte diensten gelijk te stellen met personeelskosten moeten de door het rustoord voor 1 VTE gedragen arbeidskosten eerst bepaald worden. ? Reiniging (netheid/hygiëne) : aaaa euro (*); ? Technisch onderhoud : bbbbb euro (*); ? Beddegoed/Wasserij : ccccc euro (*); ? Keuken/Restaurant : dddd euro (*). (*) Deze bedragen zijn berekend op grond van de weging van de verschillende schalen die gelden krachtens het koninklijk besluit van 16 juli 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/11/1997 numac 1997012554 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 mei 1994, gesloten in het Paritair Comité voor de openbare kredietinstellingen, betreffende de toepassing van de artikelen 80 tot 83 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en van titel IV van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/10/1997 numac 1997012563 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 1997, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, betreffende de toekenning van het brugpensioen aan de werklieden en werksters van de industriële en ambachtelijke bakkerijen, de kleinbanketbakkerijen, de ambachtelijke roomijsfabrikanten en suikerbakkers en de consumptiesalons bij een ambachtelijke banketbakkerij sluiten waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1996, met toepassing van index 1,xxxx en verhoogd met de werkgeverslasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de rustoordbeheerder geen schriftelijk bewijs kan voorleggen van het juiste aantal VTE's die diensten van het punt 1 in deze bijlage bedoelde buitendiensten verstrekt hebben, wordt het aantal VTE's, berekend door de diensten van buitendiensten met personeelskosten gelijk te stellen, verkregen door de in punt 2 van deze bijlage bedoelde bedragen te delen door de hierboven vermelde bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Bijlage 5. - Dagprijs- verplichte en facultatieve elementen (artikel 9, 13° van het decreet en artikel 84 van het besluit) Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Bijlage 6. - Principeakkoord, modelnota betreffende het type en de beschrijving van de residentiële instelling (artikel 12, § 1, 1° van het decreet en artikel 142, § 1 van het besluit) 1. Inlichtingen betreffende de aanvrager : a) identiteit,adres, statuut, identiteit van de vertegenwoordiger(s) indien de aanvrager een rechtspersoon is;b) informatie over een eventuele overeenkoomst met de toekomstige beheerder indien deze niet de aanvrager is.2. Type van instelling bedoeld in de aanvraag van een principeakkoord en eventuele beoogde aanvullende bijzondere erkenningen;3. Voorziene naam voor de residentiële instelling;4. Opvattingen van de aanvrager inzake huisvesting voor bejaarden;5. Beoogde capaciteit van de instelling en capaciteit van de eventuele bijzondere erkenningen (eventueel de progressieve capaciteit(en) en de voorziene evolutie van de capaciteit in de tijd tot de maximale capaciteit);6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type van beoogde residenten (afhankelijkheidsprofielen, specifieke pathologieën, andere eigenschappen) en eventuele afwijkingen inzake de beoogde leeftijd (cf.artikel 3, c) van het decreet); 7. Geografische situering van de instelling (gemeente, wijk, type woonklimaat van de straat, openbaar vervoer, nabije handelszaken en diensten, enz.) en verantwoording van de gekozen vestiging (demografische criteria, bezetting van de gemeente en de wijk door andere residentiële instellingen); 8. Architectuur van het gebouw en van het aangrenzende terrein (tuin) en inrichting van de voorziene ruimte : adequatie met het beoogde type van instelling en type van residenten alsook met de opvattingen inzake huisvesting voor bejaarden;9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoogde prijsmarges voor de diverse types van kamers of woningen. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Bijlage 7. - Principeakkoord, ontwerpmodel van het financieel plan (artikel 12, § 1, 4° van het decreet en artikel 142, § 1 van het besluit) I. Definitie Het financieel plan is een dagboek dat toelaat de uitvoerbaarheid en de rentabiliteit van een project te analyseren. Het betreft eerst en vooral een financiële synthese van alle elementen van het project en bevat : 1. de balansraming bij de start van de actviteiten en aan het einde van twee boekjaren;2. een investeringsplan;3. een raming van de winst-en verliesrekening;4. een thesaurietabel II.De balansramingen Het betreft de fotografie van het erfgoed en de financiële middelen van een onderneming op een bepaald moment. Twee gevallen kunnen voorkomen : ? de onderneming start met haar activiteiten. Tabel XX geeft de elementen weer van de beginbalans bij de aanvang van het boekjaar N; ? de onderneming is reeds actief sedert één of meerdere boekjaren. In dit geval dient enkel de kolom met betrekking tot het vorig boekjaar (N-1) worden ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ramingen van balans N, bij afsluiting, N+1 en N+2 houden rekening met de gekende elementen in het investeringsplan, de raming van de winst-en verliesrekeningen en de thesaurietabellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">III. Een investeringsplan De tabel XX met betrekking tot de investeringen, de afschrijvingen en de restwaarden van de boekjaren N, N+1 en N+2 zal dienen voorzien te worden van een verklarende bijlage waarin de details en de kosten van de geplande investeringen, alsook het totaal van de reeds gerealiseerde investeringen, hernomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">IV. Een winst- en verliesrekening Het model van de winst- en verliesrekening (tabel xx) dient verklaard te worden door een bijlage die de details weergeeft van de samenstelling van de opbrengsten en de lasten. In deze vrije bijlage dienen met name de volgende elementen hernomen te worden : Voor de opbrengsten : ? het aantal kamers en hun respectieve prijzen; ? het verwachte bezettingspercentage; ? een berekening van de opbrengesten van het RIZIV; ? (indien de vereenvoudigde financiële tabel niet wordt gebruikt dan volstaan de gemiddelde N-1 dagprijs en de voorziene evolutie voor de actieve entiteiten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de lasten : ? schatting van het aantal VE's estimation du nombre d'ETP de membres du personnel exprimé par grande catégorie du personnel et sa traduction en coût; ? lijst van de dagelijkse kosten (goederen, diensten en diverse goederen, afschrijvingen enz.), uitgaven voor voeding per dag en per resident.</p>\n<p class=\"lf-p\">V. een thesaurietabel De berekening van de financiën synthetiseert de financiële gevolgen van de activiteiten van de onderneming. Ze wordt beschouwd als een een bindmiddel tussen de balansraming en de raming van de winst-en verliesrekening. Bij tabel XX zal een vrije verklarende bijlage worden gevoegd die toelaat de samenstelling van de raming van de financiën te begrijpen en hierin zal met name rekening worden gehouden met : ? de betalingstermijn van de klanten, van het RIZIV, enz.; ? krediet leveranciers; ? verkregen kasfaciliteit, diverse kredieten Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Bijlage 8. - Modelnota betreffende het leefproject (artikel 14, § 1, 1° van het decreet en artikel 143, § 2 van het besluit) 1.Informatie met betrekking tot de beheerder : naam, adres, telefoonnummer, statuut, naam/namen van de vertegenwoordiger(s) in geval van een rechtspersoon. 2. Type van instelling bedoeld in de erkenningsaanvraag en eventuele aanvullende bijzondere erkenningen die gelijktijdig worden aangevraagd.3. Naam van de residentiële instelling.4. Gevraagde capaciteit van de instelling en capaciteit van de eventuele aanvullende speciale erkenningen (eventueel de progressieve capaciteit(en) en de voorziene evolutie van de capaciteit in de tijd tot de maximale capaciteit).5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type van beoogde residenten (afhankelijkheidsprofielen, specifieke pathologieën, andere eigenschappen) en eventuele afwijkingen inzake de beoogde leeftijd(cf.Art. 3, 1° c) van het decreet); 6. Geografische situering van de instelling (gemeente, wijk, type woonklimaat van de straat, openbaar vervoer, nabije handelszaken en diensten, enz.) en verantwoording van de gekozen vestiging; 7. Opvattingen van de beheerder inzake huisvesting voor bejaarden en voorziene middelen om deze te realiseren : p de residentiële instelling als leefomgeving; p de plaats van de resident in de residentiële instelling (rechten, plichten); p de organisatie van het leven in de residentiële instelling (met inbegrip van de uurroosters); p opvattingen inzake verzorging en de organisatie ervan; p sociaal leven, deelname aan activiteiten van de residenten; p de plaats van de familie en de naasten in de residentiële instelling; p de rol van de directie en van het personeel in het leefproject van de residentiële instelling en hun relaties met de resident en zijn naasten; p de harmonieuze samenleving van de diverse types van residenten; p indien nodig, de specifieke maatregelen die worden genomen voor de residenten jonger dan 60 jaar; p de kwaliteit in de residentiële instelling; p de culturele diversiteit in de residentiële instelling en de voorziene middelen om deze te vergemakkelijken; p het beheer van de klachten van de residenten. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Architectuur en inrichting van het gebouw en het aangrenzende terrein (tuin) : adequatie met het beoogde type van instelling en type van residenten alsook met de opvattingen inzake huisvesting voor bejaarden;9. Voorziene prijzen voor de verschillende types kamers of woningen.10. Andere specificiteiten van de residentiële instelling.11. Eventuele wijzigingen aan het project van de residentiële instelling en verantwoording van deze wijzigingen. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Bijlage 9. - Modelnota's met betrekking tot de aanvullende bijzondere erkenning (Artikel 14, § 2, 1° en 2° van het decreet en artikel 143, § 4 van het besluit) 1. Informatie betreffende de beheerder a) identiteit,adres, statuut, identiteit van de vertegenwoordiger(s) indien de beheerder een rechtspersoon is;2. Erkenning en andere lopende bijzondere erkenning (en : type(s), capaciteit(en), duur.Type van instelling bedoeld in de aanvraag van een principeakkoord en eventuele beoogde aanvullende bijzondere erkenningen; 3. Type van de aangevraagde bijzondere erkenning;4. Verantwoording van de aanvraag van een aanvullende speciale erkenning;5. Type van beoogde residenten (afhankelijkheidsprofielen, specifieke pathologieën, andere eigenschappen);6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen aan het leefproject van de instelling : A.Voor het gedeelte van de instelling beoogd door de bijzondere erkenning : a) type van beoogde residenten;b) wijzigingen inzake personeel;c) wijzigingen inzake werking;d) wijzigingen inzake diensten en verzorging aan de residenten. B. Voor het gedeelte van de instelling die niet rechtstreeks beoogd wordt door deze bijzondere erkenning : a) beoogde gevolgen op het leefproject bestemd voor de residenten (diensten en verzorging aan de residenten, werking);b) beoogde middelen om de harmonieuze samenleving van de verschillende voorziene types van residenten te bevorderen. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Bijlage 10. - Modelnota's met de beschrijving van het type van de diensten en het project van onthaal of dienstverlening (Artikel 29,1°en 5° van het decreet en artikel 194, § 2 van het besluit) 1. Informatie betreffende de beheerder a) identiteit,adres, statuut, identiteit van de vertegenwoordiger(s) van de beheerder;2. Type van de diensten beoogd door de aanvraag tot erkenning.3. Type van de aangevraagde bijzondere erkenning;4. Opvattingen inzake opvang of diensten voor bejaarden die de beheerder wenst te verwezenlijken.5. Eventuele capaciteit van de dienst (opvang) of geraamd aantal begunstigden per jaar (telebewaking). 6. Type van beoogde begunstigden (profielen van eventuele afhankelijkheid, specifieke pathologie(ën), gezinssituatie, enz.). 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geografische situering (gemeente, wijk, type woonklimaat van de straat, openbaar vervoer, nabije handelszaken en diensten enz) en verantwoording van de gekozen vestiging.8. Naleving van de programmatiecriteria.9. Architectuur van het gebouw en het aangrenzend terrein (tuin) en inrichting van de ruimte voorzien voor de opvangdiensten : adequatie met het beoogde type van instelling en type van residenten alsook met de opvattingen inzake huisvesting voor bejaarden;10. Beschikbaar personeel (statuten, financieringsbronnen) en eventueel personeel waarvoor een subsidie werd gevraagd en kwalificaties van het personeel.11. Werking van de dienst : toegangsuren, geleverde diensten, organisatie van de actviteiten en maaltijden (opvang) enz.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerkingen met andere actoren van het socio-sanitaire netwerk (rollen van de partners, samenwerkingsmodaliteiten).13. Voorziene prijzen voor de opvang of de diensten (telebewaking). Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE</p></div>", "next": 0}