← België

Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 7, 10, 22, 24, 31, 41, 44 en 56 met betrekking tot de belasting over de toege

Kort samengevat

Dit koninklijk besluit wijzigt diverse bestaande koninklijke besluiten betreffende de belasting over de toegevoegde waarde (btw). Het doel is om de Belgische wetgeving aan te passen aan nieuwe Europese richtlijnen en verordeningen, met name op het gebied van afstandsverkopen van goederen en diensten.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
29 JUNI 2021. - Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 7, 10, 22, 24, 31, 41, 44 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit ontwerp van koninklijk besluit wijzigt: - het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 1"); - het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 4"); - het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 7"); - het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 10"); - het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 22"); - het koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 24"); - het koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen (hierna: "het koninklijk besluit nr. 31"); - het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 41"); - het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 44"); - het koninklijk besluit nr. 56 van 9 december 2009 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf (hierna: "het koninklijk besluit nr. 56"). De wijzigingen die dit ontwerp aanbrengt in de voormelde koninklijke besluiten komen voort uit de invoering in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna "het Wetboek") bij de wet van 2 april 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2021 pub. 13/04/2021 numac 2021041096 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten type wet prom. 02/04/2021 pub. 12/04/2021 numac 2021041114 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 sluiten tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten (hierna: "de wet van 2 april 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2021 pub. 13/04/2021 numac 2021041096 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten type wet prom. 02/04/2021 pub. 12/04/2021 numac 2021041114 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 sluiten") (Belgisch Staatsblad van 13 april 2021), van een fundamentele hervorming van de regels met betrekking tot de regeling van afstandsverkopen van goederen en van de regels met betrekking tot de vereenvoudingsregeling voor telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten of elektronische diensten verricht voor niet-belastingplichtigen (bekend als de zogenaamde "MOSS" of de "Mini One stop shop" of nog, de mini één-loketregeling). Deze hervorming resulteert uit de omzetting in Belgisch recht van enerzijds deel 2 van de Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (hierna: "de Richtlijn 2017/2455") en anderzijds van de Richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21 november 2019 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen (hierna: "de Richtlijn 2019/1995"). De nieuw genomen wettelijke maatregelen om zich te schikken naar de voornoemde richtlijnen treden in werking op 1 juli 2021, overeenkomstig het besluit (EU) 2020/1109 van de Raad van 20 juli 2020 tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2017/2455 en (EU) 2019/1995 wat betreft de data van omzetting en toepassing in respons op de COVID-19-pandemie. Deze richtlijnen worden aangevuld met vier andere instrumenten van de Europese rechtsorde die door de lidstaten niet in hun nationale rechtsorde moeten en kunnen worden omgezet, respectievelijk omdat deze normen rechtstreeks toepasselijk zijn of omdat zij alleen tussen de lidstaten verplichtingen scheppen, namelijk: 1) de Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2459 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr.282/2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "de Uitvoeringsverordening 2017/2459"). Deze Uitvoeringsverordening voorziet in een vereenvoudiging van de toepassing van het vermoeden betreffende de plaats van vestiging van de afnemer om de plaats van telecommunicatie-, omroep- of langs elektronische weg verrichte diensten voor niet-belastingplichtigen te bepalen, dat is opgenomen in artikel 24 ter van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde; 2) de Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 van de Raad van 21 november 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 wat betreft door elektronische interfaces gefaciliteerde leveringen van goederen of diensten en de bijzondere regelingen voor belastingplichtigen die diensten voor niet-belastingplichtigen, afstandsverkopen van goederen en bepaalde binnenlandse goederenleveringen verrichten (hierna: "de Uitvoeringsverordening 2019/2026"), zoals gewijzigd, wat de datum van inwerkingtreding betreft, door de Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1112 van de Raad van 20 juli 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 wat betreft de toepassingsdata in respons op de COVID-19-pandemie. Deze Uitvoeringsverordening omvat een aantal belangrijke preciseringen omtrent de correcte toepassing van de regels die werden opgenomen in deel 2 van de Richtlijn 2017/2455 en in de Richtlijn 2019/1995; 3) de Verordening (EU) 2017/2454 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr.904/2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "de Uitvoeringsverordening 2017/2454"), zoals gewijzigd, wat de datum van inwerkingtreding betreft, door de Verordening (EU) 2020/1108 van de Raad van 20 juli 2020 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2454 wat betreft de toepassingsdata in respons op de COVID-19-pandemie. Deze verordening strekt ertoe om tussen de lidstaten meer samenwerking en coördinatie tot stand te brengen bij de controle van bedrijven met grensoverschrijdende handelingen die gebruik maken van de bijzondere regelingen voor afstandsverkopen, om ervoor te zorgen dat de regels door de betrokken ondernemingen zo goed mogelijk worden nageleefd; 4) de Uitvoeringsverordening (EU) 2020/194 van de Commissie van 12 februari 2020 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EU) nr.904/2010 van de Raad wat betreft bijzondere regelingen voor belastingplichtigen die diensten voor niet-belastingplichtigen, afstandsverkopen van goederen en bepaalde binnenlandse goederenleveringen verrichten. Deze Uitvoeringsverordening van de Europese Commissie voorziet in de technische specificaties en gemeenschappelijke bepalingen voor de elektronische uitwisseling van informatie met betrekking tot het nieuwe OSS-systeem. De belangrijkste wijzigingen die aan de btw-regeling werden aangebracht kunnen als volgt worden samengevat: 1) de uitbreiding van het toepassingsgebied van de twee bestaande vereenvoudigingsregelingen ("EU-regeling" en "niet-EU-regeling") binnen de MOSS ("Mini One stop shop") die voortaan globaal de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en alle aan particulieren verrichte diensten door communautaire marktdeelnemers ("EU-regeling") zal omvatten alsook alle aan particulieren verrichte diensten door marktdeelnemers van buiten de Gemeenschap ("niet-EU-regeling");2) de afschaffing van de bestaande drempels voor intracommunautaire afstandsverkopen van goederen, die verstorend werkten op de eengemaakte markt maar de invoering van een globale EU btw-drempel voor intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en telecommunicatie-, radio- en televisiediensten of elektronische diensten verricht aan particulieren (hierna "TBE-diensten");3) de invoering van een volledig nieuw onderdeel binnen het MOSS-systeem waarbij de btw verschuldigd op de afstandsverkopen van goederen afkomstig uit derde landen of derdelandsgebieden op een vereenvoudigde manier kan worden aangegeven en betaald ("invoerregeling").Ingevolge de aanzienlijke uitbreiding van het toepassingsgebied van MOSS, wordt het systeem nu OSS ("One stop shop") genoemd; 4) de afschaffing van de bestaande btw-vrijstelling voor de invoer van kleine zendingen tot 22 euro afkomstig van leveranciers in derde landen, die EU-verkopers benadeelde.Die vrijstelling wordt vervangen door een invoervrijstelling tot 150 euro die enkel van toepassing is indien de goederen worden ingevoerd in het kader van de afstandsverkopen van goederen afkomstig uit derde landen of derdelandsgebieden die werden aangegeven binnen de nieuwe vereenvoudigingsregeling van het OSS-systeem; 5) de invoering van een aanvullende vereenvoudigingsregeling buiten het OSS-systeem voor zowel de aangifte als de betaling van btw die verschuldigd is bij de invoer van goederen bestemd voor de eindverbruiker in het kader van afstandsverkopen van goederen ingevoerd uit derde landen of derdelandsgebieden, wanneer de btw niet werd voldaan via de invoerregeling binnen de OSS;6) de invoering van een regeling waarin elektronische interfaces die afstandsverkopen van goederen faciliteren ook aansprakelijk worden gesteld voor de correcte voldoening van de verschuldigde btw over de afstandsverkopen die via hun interface werden gerealiseerd. De wet van 2 april 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2021 pub. 13/04/2021 numac 2021041096 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten type wet prom. 02/04/2021 pub. 12/04/2021 numac 2021041114 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 sluiten die de Richtlijn 2017/2455 en de Richtlijn 2019/1995 omzet, moet worden aangevuld met een reeks wijzigingen aan de voornoemde koninklijke besluiten, in de mate dat deze hervorming een rechtstreekse impact heeft op deze koninklijke besluiten. Bovendien voorzien sommige bepalingen van het Wetboek, gewijzigd of ingevoegd bij de wet van 2 april 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2021 pub. 13/04/2021 numac 2021041096 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten type wet prom. 02/04/2021 pub. 12/04/2021 numac 2021041114 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 sluiten, in een reeks delegaties aan de Koning wat de uitvoering van deze bepalingen betreft. De maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van de wet van 2 april 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2021 pub. 13/04/2021 numac 2021041096 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten type wet prom. 02/04/2021 pub. 12/04/2021 numac 2021041114 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 sluiten en opgenomen in dit ontwerp worden hierna nader toegelicht. Dit ontwerp houdt rekening met de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State in zijn advies nr. 69.432/2 van 21 juni 2021, met uitzondering van het punt 6 (zie commentaar met betrekking tot artikel 19 van het ontwerp). Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 Dit ontwerp van koninklijk besluit voorziet enerzijds in de omzetting van deel 2 van de Richtlijn 2017/2455 en anderzijds in de omzetting van Richtlijn 2019/1995. De lidstaten moesten oorspronkelijk de nodige wettelijke en administratieve maatregelen treffen om zich te schikken naar de voornoemde richtlijnen met ingang van 1 januari 2021. Ingevolge het besluit (EU) 2020/1109 van de Raad van 20 juli 2020 tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2017/2455 en (EU) 2019/1995 wat betreft de data van omzetting en toepassing in respons op de COVID-19-pandemie, werd dat tijdstip evenwel uitgesteld tot 1 juli 2021. Ten slotte voorziet dit koninklijk besluit, door de regels die het invoert, in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna "de Richtlijn 2006/112/EG"). Artikel 2 Artikel 2 van het ontwerp vervangt paragraaf 1 van artikel 16, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 rekening houdend met de substantiële wijzigingen die aan artikel 15 van het Wetboek werden aangebracht door de wet van 2 april 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2021 pub. 13/04/2021 numac 2021041096 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten type wet prom. 02/04/2021 pub. 12/04/2021 numac 2021041114 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 sluiten. Die wijzigingen worden in detail toegelicht in dit verslag aan de Koning met betrekking tot de artikelen 13 tot 15 van het ontwerp, wat de modaliteiten betreft van de keuze voor de belastingheffing over de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en de TBE-diensten in de lidstaat van verbruik, wanneer de communautaire drempel van 10.000 euro aan omzet voor die handelingen niet werd overschreden. Artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 legt een bijzondere verplichting op aan de belastingplichtigen die "afstandsverkopen" verrichten (in de zin van artikel 15, §§ 1 en 2, van het Wetboek, maar toen nog niet als dusdanig gedefinieerd als zelfstandig juridische begrip), onder de drempel vastgelegd door de lidstaat van bestemming overeenkomstig artikel 34, oud, van de Richtlijn 2006/112/EG (dat bedrag is, tot 30 juni 2021, in België vastgelegd op 35.000 euro krachtens artikel 15, § 1, tweede lid, 1°, van het Wetboek). De bedoelde "afstandsverkopen" in de zin van artikel 15, §§ 1 en 2, van het Wetboek zijn aldus de leveringen van goederen verzonden of vervoerd door de leverancier of voor zijn rekening naar een andere lidstaat voor een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die er niet toe gehouden is om de belasting te voldoen ter zake van zijn intracommunautaire verwervingen van goederen of voor enige andere niet-belastingplichtige. Die verplichting houdt in dat de betrokken belastingplichtigen op elk ogenblik in staat moeten zijn om ten behoeve van de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, voor het lopend kalenderjaar het totale bedrag te bepalen van hun leveringen van goederen die in aanmerking komen voor de berekening van de drempels bedoeld in artikel 15, § 1, tweede lid, 1°, (voor de leveringen verricht naar België) en § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek (voor de leveringen verricht vanuit België naar een andere lidstaat). Die verplichting is slechts van toepassing ingeval die leveringen daadwerkelijk geacht worden plaats te vinden in de lidstaat van aanvang van de verzending of het vervoer, wat enerzijds impliceert dat de voormelde drempel niet werd overschreden in het lopende kalenderjaar noch in de loop van het voorafgaande kalenderjaar en anderzijds dat de belastingplichtige er niet voor heeft gekozen dat die leveringen worden belast in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen. In de mate dat die leveringen van goederen ("afstandsverkopen") systematisch het voorwerp uitmaakten van een factuur krachtens de destijds vigerende regels, kon het omzetcijfer met betrekking tot die handelingen verricht in de loop van het jaar worden aangetoond aan de hand van die facturen opgenomen in een boek voor uitgaande facturen overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1. Rekening houdend met de door de wet van 2 april 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2021 pub. 13/04/2021 numac 2021041096 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten type wet prom. 02/04/2021 pub. 12/04/2021 numac 2021041114 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 sluiten aangebrachte wijzigingen inzake de factureringsregels met betrekking tot intracommunautaire afstandsverkopen van goederen, bestaat een dergelijke factureringsverplichting niet langer ten aanzien van: - de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen verricht naar een andere lidstaat of naar België waarvoor de belastingplichtige de drempel van 10.000 euro heeft overschreden of waarvoor hij heeft gekozen voor belastingheffing in de lidstaat van bestemming, wanneer hij gebruikmaakt van de EU-regeling (in dat geval worden de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen geacht plaats te vinden overeenkomstig artikel 15, § 1, 1°, of § 2, eerste lid, nieuw, van het Wetboek, maar er bestaat geen factureringsverplichting overeenkomstig artikel 53, § 2, eerste lid, 2°, nieuw, van het Wetboek); - de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen verricht vanuit België naar een andere lidstaat in de mate waarin de leverancier in het lopende kalenderjaar of in de loop van het voorgaande kalenderjaar de drempel van 10.000 euro niet heeft overschreden en evenmin heeft gekozen voor belastingheffing in die lidstaat (in dat geval, worden de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen geacht plaats te vinden in België overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste lid, van het Wetboek, zonder enige factureringsverplichting overeenkomstig artikel 53, § 2, eerste lid, 2°, nieuw, van het Wetboek, dat uitdrukkelijk verwijst naar artikel 15, §§ 1 en 2, nieuw, van het Wetboek). Om de voormelde drempel te kunnen opvolgen, behoudt artikel 16, § 1, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 de verplichting voor de in België gevestigde belastingplichtigen die intracommunautaire afstandsverkopen van goederen verrichten die geacht worden plaats te vinden in België krachtens artikel 15, § 2, tweede lid, nieuw, van het Wetboek, om op elk ogenblik in staat te zijn om ten behoeve van de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, voor het lopend kalenderjaar het totale bedrag te bepalen van hun intracommunautaire afstandsverkopen van goederen. Die verplichting wordt uitgebreid tot de TBE-diensten die geacht worden in België plaats te vinden aangezien de voormelde drempel van 10.000 euro naar het omzetcijfer refereert dat voor beide soorten handelingen wordt gerealiseerd. Het tweede lid van die bepaling voorziet erin dat het bewijs wordt geleverd aan de hand van een afzonderlijke inschrijving in het in artikel 14, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde dagboek van ontvangsten, met aanduiding van de aard van de verkochte goederen of diensten, de maatstaf van heffing, de verschuldigde belasting en de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen of waarin de ontvanger van de dienst gevestigd is of zijn woonplaats of gebruikelijk verblijfplaats heeft, behalve ingeval een factuur wordt uitgereikt (de factuur die is opgenomen in het boek voor uitgaande facturen vormt dan een voldoende bewijs). Artikel 3 De wet van 2 april 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2021 pub. 13/04/2021 numac 2021041096 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten type wet prom. 02/04/2021 pub. 12/04/2021 numac 2021041114 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 sluiten heeft de artikelen 58ter en 58quater van het Wetboek vervangen en heeft een nieuw artikel 58quinquies ingevoegd. Deze bepalingen treden in werking op 1 juli 2021. Artikel 58ter, nieuw, van het Wetboek hervormt de bijzondere niet-EU-regeling waarvan het toepassingsgebied wordt uitgebreid. Deze regeling geldt voor alle diensten die worden verricht aan niet-belastingplichtigen die in de Gemeenschap zijn gevestigd of er hun woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats hebben en die worden geacht in de Gemeenschap plaats te vinden op basis van een plaatsbepalingsregel van artikel 21bis van het Wetboek, ongeacht het aanknopingspunt van de plaatsbepalingsregel (bijvoorbeeld de plaats waar het onroerend goed waarop de dienst betrekking heeft, gelegen is). Artikel 58quater, nieuw, van het Wetboek heeft betrekking op de bijzondere EU-regeling, waarvan het materiële en personele toepassingsgebied wordt uitgebreid. Deze regeling geldt voortaan voor alle diensten die worden verricht aan niet-belastingplichtigen en die op grond van artikel 21bis van het Wetboek geacht worden plaats te vinden in een andere lidstaat dan die waar de dienstverrichter is gevestigd, ongeacht het aanknopingspunt van de plaatsbepalingsregel. De regeling betreft eveneens andere categorieën van handelingen (in casu intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en zelfs bepaalde binnenlandse leveringen van goederen), afhankelijk van de omstandigheden waarin deze handelingen worden verricht. Het materiële toepassingsgebied van deze twee regelingen zal derhalve niet langer beperkt zijn tot de strikte categorie van TBE-diensten, waardoor hun materiële toepassingsgebied aanzienlijk wordt verruimd. Het personele toepassingsgebied van artikel 58quater van het Wetboek is eveneens uitgebreid en beoogt voortaan: - belastingplichtigen die in de Gemeenschap zijn gevestigd, voor de aangifte en betaling van de btw die verschuldigd is op de diensten die zij verrichten voor een niet-belastingplichtige op voorwaarde dat die belastingplichtigen niet gevestigd zijn in de lidstaat waar de dienst voor btw-doeleinden geacht wordt plaats te vinden; - belastingplichtigen die niet in de Gemeenschap zijn gevestigd voor de aangifte en betaling van de btw die verschuldigd is op de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen die zij verrichten; - faciliterende elektronische interfaces in de zin van artikel 13bis, nieuw, van het Wetboek, ongeacht of ze in de Gemeenschap zijn gevestigd of niet, voor de aangifte en de betaling van de btw die verschuldigd is bij intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en op leveringen van goederen waarbij de plaats van vertrek en aankomst van de verzending of het vervoer in dezelfde lidstaat is gelegen (binnenlandse leveringen). Tot slot voert artikel 58quinquies van het Wetboek een nieuwe bijzondere regeling in voor de aangifte en de betaling van de verschuldigde btw op afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen, in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro (invoerregeling). Boven dit bedrag zullen deze goederen zowel inzake douanerechten als inzake btw belast worden volgens de gewone regels. Deze facultatieve regeling laat leveranciers die goederen verkopen aan klanten in de Gemeenschap waarvan het vertrek van de verzending of het vervoer plaatsvindt op het grondgebied van derdelandsgebieden of derde landen, toe de verschuldigde btw op de afstandsverkopen van deze binnen het gehele grondgebied van de Gemeenschap ingevoerde goederen aan te geven en te voldoen via een vereenvoudigde regeling die gelijkaardig is aan die voorzien in de voormelde artikelen 58ter en 58quater (één-loket-systeem). Elk van deze regelingen voorziet in soortgelijke regels met betrekking tot de aangifte- en betalingsverplichtingen voor de verschuldigde btw op de handelingen waarvoor de belastingplichtige gebruikmaakt van deze regelingen. De verplichtingen inzake aangifte en betaling van de in het kader van deze regelingen verschuldigde btw moeten door de belastingplichtige worden vervuld op kwartaalbasis wat de eerste twee regelingen betreft, overeenkomstig de artikelen 58ter, § 6, en 58quater, § 6, van het Wetboek, en op maandbasis voor de invoerregeling overeenkomstig artikel 58quinquies, § 6, van het Wetboek. De belastingplichtige dient die aangifte, opgesteld in euro in, uiterlijk vóór het einde van de maand volgend op het verstrijken van het belastingtijdvak bedoeld door elke regeling en voldoet de btw met betrekking tot de betrokken aangifte, uiterlijk bij het verstrijken van de termijn waarbinnen de aangifte moet worden ingediend. Overeenkomstig de in de artikelen 58ter, § 9, 58quater, § 9 en 58quinquies, § 9 van het Wetboek voorziene machtiging aan de Koning, wijzigt artikel 3 van dit ontwerp artikel 18, § 7, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, om de formaliteiten vast te leggen die in acht moeten worden genomen met betrekking tot de aangifte van de handelingen die in het kader van deze regelingen worden uitgevoerd. Deze aangiften moeten worden ingediend ook als er in het belastingtijdvak geen enkele handeling werd verricht. De gegevens die deze aangiften moeten bevatten, zijn opgesomd in de artikelen 58ter, § 6, tweede lid, 58quater, § 6, tweede tot en met zevende lid, en 58quinquies, § 6, tweede lid, van het Wetboek. Wijzigingen die na de indiening van die aangifte moeten worden aangebracht, worden binnen drie jaar na de datum waarop de oorspronkelijke aangifte werd ingediend, volgens dezelfde modaliteiten in een latere aangifte opgenomen. In die latere aangifte worden de betrokken lidstaat van verbruik, het belastingtijdvak en het bedrag van de verschuldigde belasting waarvoor wijzigingen nodig zijn, vermeld. Artikel 18, § 7, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 preciseert dat de gegevens van deze aangiften elektronisch moeten worden meegedeeld, via het Intervat-portaal. Artikel 4 Artikel 4 van dit ontwerp vervangt artikel 26bis van het koninklijk besluit nr. 1 om de boekhoudkundige verplichtingen vast te leggen die voortvloeien uit de artikelen 58ter, § 7 en 58quater, § 7, van het Wetboek (artikel 26bis, § 1, nieuw), vervangen bij de wet van 2 april 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2021 pub. 13/04/2021 numac 2021041096 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten type wet prom. 02/04/2021 pub. 12/04/2021 numac 2021041114 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 sluiten, en de artikelen 58quinquies, § 7 (artikel 26bis, § 2, nieuw) en 58sexies, § 4, van het Wetboek (artikel 26bis, § 3, nieuw), ingevoegd bij dezelfde wet. Artikel 26bis, § 1, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 heeft derhalve betrekking op de boekhouding die voor btw-doeleinden moet worden gehouden door belastingplichtigen die gebruik maken van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 58ter en 58quater van het Wetboek, met uitsluiting van de in artikel 54ter van het Wetboek bedoelde belastingplichtigen. De verplichting om een dergelijke boekhouding te voeren, is voorzien in respectievelijk de artikelen 58ter, § 7, en 58quater, § 7, van het Wetboek. Deze boekhouding wordt door de betrokken belastingplichtigen gevoerd in de vorm van een register van de handelingen die onder deze bijzondere regelingen vallen. Dat register moet voldoende gedetailleerd zijn om de belastingadministratie van de lidstaat van verbruik in staat te stellen de juistheid van de in de artikelen 58ter, § 6 en 58quater, § 6, van het Wetboek bedoelde btw-aangifte te controleren. Wat de in dit register op te nemen vermeldingen betreft, stelt artikel 63 quater, lid 1, nieuw, van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna "de Uitvoeringsverordening 282/2011") een vermoeden in dat het register als voldoende gedetailleerd wordt beschouwd wanneer het, volgens de genoemde hypothese, de volgende informatie bevat: - de lidstaat van verbruik waar de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht; - de beschrijving en de hoeveelheid van de geleverde goederen of het soort van de verrichte diensten; - de datum van levering van de goederen of de datum waarop de dienst is verricht; - de maatstaf van heffing met vermelding van de gebruikte munteenheid alsook latere verhogingen of verlagingen van die maatstaf van heffing; - het toegepaste btw-tarief en het verschuldigde btw-bedrag, met vermelding van de gebruikte munteenheid; - de datum en het bedrag van de ontvangen betalingen en de eventuele ontvangen vooruitbetalingen vóór de levering van de goederen of de dienstverrichting; - wanneer een factuur wordt uitgereikt, de op de factuur vermelde gegevens; - met betrekking tot goederen, de gegevens om de plaats te bepalen waar de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer begint en eindigt en met betrekking tot diensten, de gegevens om de plaats te bepalen waar de afnemer gevestigd is of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft; - met betrekking tot goederen, enig bewijs van de eventuele teruggave van de goederen, met inbegrip van de maatstaf van heffing en het toegepaste btw-tarief. Door de rechtstreekse werking van artikel 63 quater, lid 1, nieuw, van de Uitvoeringsverordening 282/2011 in het Belgische recht, is geen verdere vermelding of aanvullende informatie vereist, hoewel de belastingplichtige uiteraard uit eigen initiatief dergelijke informatie in zijn registers kan opnemen. De hierboven vermelde gegevens worden op grond van deze bepaling als noodzakelijk maar voldoende beschouwd om de administraties van de betrokken lidstaten van verbruik in staat te stellen de correcte toepassing van de beoogde bijzondere regelingen te controleren. Artikel 26bis, § 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 betreft de boekhouding die moet worden gevoerd door de belastingplichtigen die gebruikmaken van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quinquies van het Wetboek, met uitsluiting van de in artikel 54ter van het Wetboek bedoelde belastingplichtigen. De verplichting om een dergelijke boekhouding te voeren is voorzien in artikel 58quinquies, § 7 van het Wetboek. Deze boekhouding wordt door de belastingplichtige of door de tussenpersoon in de zin van artikel 58quinquies, § 1, tweede lid, 2°, van het Wetboek voor elk van de door hem vertegenwoordigde belastingplichtigen gevoerd in de vorm van een register van handelingen verricht in het kader van deze bijzondere regeling dat voldoende gedetailleerd is om de belastingadministratie van de lidstaat van verbruik in staat te stellen de juistheid van de btw-aangifte bedoeld in artikel 58quinquies, § 6, van het Wetboek te controleren. Wat de in dit register op te nemen vermeldingen betreft, stelt artikel 63 quater, lid 2, nieuw, van de Uitvoeringsverordening 282/2011 een vermoeden in dat het register als voldoende gedetailleerd wordt beschouwd wanneer het, volgens de genoemde hypothese, de volgende informatie bevat: - de lidstaat van verbruik waar de goederen worden geleverd; - de omschrijving en de hoeveelheid van de geleverde goederen; - de datum van levering van de goederen; - de maatstaf van heffing met vermelding van de gebruikte munteenheid; - latere verhogingen of verlagingen van de maatstaf van heffing; - het toegepaste btw-tarief; - het verschuldigde btw-bedrag met vermelding van de gebruikte munteenheid; - de datum en het bedrag van de ontvangen betalingen; - wanneer een factuur wordt uitgereikt, de op de factuur vermelde gegevens; - de gegevens om de plaats te bepalen waar de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer begint en eindigt; - het bewijs van de eventuele teruggave van de goederen, met inbegrip van de maatstaf van heffing en het toegepaste btw-tarief; - het ordernummer of het uniek transactienummer; - het uniek zendingsnummer wanneer de belastingplichtige rechtstreeks betrokken is bij de levering. Door de rechtstreekse werking van artikel 63 quater, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening 282/2011 in het Belgische recht, is geen bijkomende vermelding of informatie vereist, ook al kan de belastingplichtige uit eigen beweging uiteraard bijkomende informatie in zijn registers opnemen. De hierboven vermelde gegevens worden op grond van deze bepaling als noodzakelijk maar voldoende beschouwd om de administraties van de betrokken lidstaten van verbruik in staat te stellen de correcte toepassing van de beoogde bijzondere regelingen te controleren. De gegevens in deze boekhouding moeten op verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde alsook van die van de bevoegde administratie van de lidstaat van verbruik langs elektronische weg ter beschikking worden gesteld. Ze moeten bovendien worden bewaard gedurende tien jaar vanaf het verstrijken van het jaar waarin de dienst wordt verleend (artikel 58ter, § 7, tweede en derde lid, artikel 58quater, § 7, tweede en derde lid, en artikel 58quinquies, § 7, tweede en derde lid, van het Wetboek). Artikel 26bis, § 3, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 betreft tot slot de boekhouding die moet worden gevoerd door de personen die gebruikmaken van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58sexies van het Wetboek. Het betreft de personen die de goederen aan de Algemene Administratie van de douane en accijnzen in België aanbrengen voor rekening van de persoon voor wie de goederen bestemd zijn. Overeenkomstig artikel 58sexies, § 4, van het Wetboek wordt deze boekhouding gevoerd door de betrokken personen in de vorm van een register van de handelingen die onder deze bijzondere regeling vallen. Dit register moet voldoende gedetailleerd zijn om de belastingadministratie of de administratie van de douane van de lidstaat van invoer in staat te stellen de juistheid van de maandaangifte bedoeld in artikel 58sexies, § 3, eerste lid, van het Wetboek te controleren. In tegenstelling tot de drie voorafgaande vereenvoudigingsregelingen bevat de Uitvoeringsverordening 282/2011 in dit geval geen vermoeden welke vermeldingen voldoende zijn om te kunnen aannemen dat aan de boekhoudkundige verplichtingen met betrekking tot deze verrichtingen is voldaan. Artikel 26bis, § 3, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 voorziet aldus in een reeks verplichte vermeldingen die de betrokken administraties in staat moeten stellen de juistheid van de bovenbedoelde maandelijkse aangifte en de naleving van de toepassingsvoorwaarden van de vereenvoudigingsregeling bedoeld in artikel 58sexies van het Wetboek te controleren. Derhalve wordt bepaald dat degene die de goederen bij de Algemene Administratie van de douane en accijnzen aanbrengt voor rekening van degene voor wie de goederen zijn bestemd, in genoemd register voor elke verrichting de volgende gegevens vermeldt: 1° een volgnummer;2° de datum van invoer of de periode waarin de invoer heeft plaatsgevonden;3° de naam en het adres van de geadresseerde van de ingevoerde goederen;4° de omschrijving van de ingevoerde goederen;5° de vermelding van het toepasselijke tarief, van de maatstaf van heffing en van het bedrag van de verschuldigde belasting voor elk goed in de zending;6° in voorkomend geval, de vermelding van de toepasselijke bepaling van de richtlijn of van de overeenkomstige nationale bepaling, of een andere vermelding dat de levering van goederen of de dienstverrichting is vrijgesteld;7° de intrinsieke waarde van de zending waarin de ingevoerde goederen zich bevinden;8° in voorkomend geval, de datum waarop de douaneaangifte werd geannuleerd en de bestemming van de goederen die werden opgenomen in de geannuleerde aangifte. De laatste vermelding heeft betrekking op het geval waarin de goederen door de aangever bij de douane worden aangegeven vóór het tijdstip waarop de aangever de belasting int die verschuldigd is door de tot voldoening van de bij invoer verschuldigde belasting gehouden persoon. Indien de goederen door de eindafnemer worden geweigerd en hij de uit hoofde van deze regeling verschuldigde belasting bij invoer niet aan de aangever betaalt, moet de aangever de douaneaangifte die betrekking heeft op de ingevoerde maar door de eindklant geweigerde goederen ongeldig maken. In dat geval is het dus noodzakelijk, met het oog op de opvolging van de goederen en de correcte toepassing van de belasting, dat het in artikel 26bis, § 3, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde register de datum vermeldt waarop de annulering van de douaneaangifte is uitgevoerd, alsook de werkelijke bestemming van de goederen waarop deze geannuleerde douaneaangifte betrekking heeft (bv. wederuitvoer of vernietiging van de goederen). Er wordt eveneens gepreciseerd dat dit register, op verzoek, langs elektronische weg ter beschikking moet worden gesteld van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde. Anderzijds wordt in het huidige ontwerp niet gespecifieerd hoe lang dit register moet worden bewaard. Aangezien noch in Richtlijn 2006/112/EG, noch in artikel 58sexies, nieuw, van het Wetboek een specifieke termijn is vastgesteld, is de bewaringstermijn van zeven jaar voorzien in artikel 60, § 4, van het Wetboek, van toepassing . Punt 34 van advies nr. 104/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit van 19 oktober 2020 over het voorontwerp van wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten, waarin wordt voorgesteld om uitdrukkelijk in een dergelijke bewaringstermijn te voorzien, wordt derhalve niet gevolgd. Artikel 5 Artikel 5 van het ontwerp voegt in het koninklijk besluit nr. 1 een artikel 26ter in. In uitvoering van artikel 54ter, vierde lid, van het Wetboek, verplicht deze bepaling elke belastingplichtige bedoeld in dit artikel 54ter van het Wetboek (met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek) die via het gebruik van een elektronische interface zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, de levering van goederen of het verrichten van diensten aan een niet-belastingplichtige binnen de Gemeenschap faciliteert, een boekhouding te houden onder de vorm van registers waarin hij die handelingen opneemt. Artikel 54 quater, lid 1, nieuw, van de Uitvoeringsverordening 282/2011 bepaalt dat de belastingplichtige bedoeld in artikel 242 bis van Richtlijn 2006/112/EG (de elektronische interface die de levering van goederen of het verrichten van diensten aan een niet-belastingplichtige binnen de Gemeenschap faciliteert), zoals iedere belastingplichtige die zelf leveringen van goederen of diensten verricht, de volgende boekhouding voert met betrekking tot leveringen wanneer hij geacht wordt de goederen zelf te hebben ontvangen en geleverd overeenkomstig artikel 14 bis van Richtlijn 2006/112/EG of wanneer door zijn tussenkomst een langs elektronische weg verrichte dienst wordt verricht waarbij hij verondersteld wordt in eigen naam te handelen overeenkomstig artikel 9 bis van deze Uitvoeringsverordening 282/2011: - de in artikel 63 quater van de Uitvoeringsverordening 282/2011 bedoelde registers, indien de belastingplichtige ervoor gekozen heeft één van de bijzondere regelingen van titel XII, hoofdstuk 6, van Richtlijn 2006/112/EG van het OSS-systeem toe te passen (het betreft de registers bedoeld in artikel 26bis, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1); - de in artikel 242 van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde registers, indien de belastingplichtige er niet voor gekozen heeft één van de bijzondere regelingen van in titel XII, hoofdstuk 6, van Richtlijn 2006/112/EG toe te passen. Artikel 26ter, § 1, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 heeft betrekking op de boekhouding die voor btw-doeleinden moet worden gevoerd door de in artikel 54ter van het Wetboek bedoelde belastingplichtige die er voor kiest één van de bijzondere regelingen van het OSS-systeem (bedoeld in de artikelen 58ter tot 58quinquies van het Wetboek) toe te passen. Het betreft de registers bedoeld in artikel 26bis, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1. De gegevens die er moeten worden in opgenomen, zijn die bedoeld in artikel 63 quater van de Uitvoeringsverordening 282/2011, waarvoor mutatis mutandis wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 26bis, §§ 1 en 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1. Artikel 26ter, § 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 betreft de boekhouding die voor btw-doeleinden moet worden gevoerd door de in artikel 54ter van het Wetboek bedoelde belastingplichtige die er niet voor kiest gebruik te maken van één van de bijzondere regelingen van het OSS-systeem . Het gaat om een boekhouding die voldoende gedetailleerd is om de toepassing van de btw en de controle ervan door de belastingadministratie mogelijk te maken. Deze boekhouding wordt door de lidstaten vastgesteld overeenkomstig artikel 242 van Richtlijn 2006/112/EG. Met het oog op de samenhang en de eenvormigheid bepaalt artikel 26ter, § 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 dat de in artikel 54ter van het Wetboek bedoelde belastingplichtige die ervoor kiest geen gebruik te maken van één van de bijzondere regelingen van het OSS-systeem, eveneens verplicht zal zijn in de in artikel 54ter van het Wetboek bedoelde registers dezelfde gegevens op te nemen als degene die hij moet opnemen indien hij gebruik zou maken van één van de in de artikelen 58ter tot 58quinquies van het Wetboek bedoelde vereenvoudigingsregelingen. Het betreft de in artikel 63 quater van de Uitvoeringsverordening 282/2011 bedoelde gegevens, waarvoor bijgevolg eveneens mutatis mutandis wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 26bis, §§ 1 en 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1. Het betreft in dit geval de gegevens die uitdrukkelijk zijn opgenomen in artikel 26ter, § 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1, aangezien artikel 63 quater van de Uitvoeringsverordening 282/2011 in dit specifieke geval niet rechtstreeks van toepassing is in het Belgische recht, maar deze verplichting inspireert. Ongeacht of hij al dan niet van één van deze regelingen gebruikmaakt, wordt de elektronische interface die de bedoelde handelingen faciliteert, voor btw-doeleinden immers beschouwd als respectievelijk leverancier of dienstverrichter, overeenkomstig artikel 13bis van het Wetboek voor de bedoelde leveringen, en overeenkomstig artikel 9 bis van de Uitvoeringsverordening 282/2011 voor de bedoelde diensten, en, bijgevolg, in het algemeen als primaire schuldenaar van de ter zake van deze handelingen verschuldigde btw. De vereenvoudigingsregeling is slechts een modaliteit voor de aangifte en betaling van de btw die op deze handelingen verschuldigd is. Niets wijst er dus op dat de boekhoudkundige verplichtingen van de elektronische interfaces op dit specifieke punt verschillend zijn voor de juiste toepassing van de belasting die verschuldigd is op de handelingen waarvoor zij geacht worden de goederen zelf te hebben ontvangen en geleverd, of wanneer zij tussenkomen bij het verrichten van een dienst langs elektronische weg waarbij zij verondersteld worden in eigen naam te handelen. Artikel 54 quater, lid 2, van de Uitvoeringsverordening 282/2011 somt de gegevens op die de belastingplichtige moet bewaren in de registers bedoeld in artikel 242 bis van Richtlijn 2006/112/EG, omgezet in artikel 54ter, nieuw, van het Wetboek wat de andere handelingen betreft dan die bedoeld in lid 1 van die bepaling (en bedoeld in paragrafen 1 en 2 van artikel 26ter, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1). Artikel 26ter, § 3, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 heeft dus betrekking op de boekhouding die voor btw-doeleinden moet worden gevoerd door de in artikel 54ter van het Wetboek bedoelde belastingplichtige ten aanzien van andere handelingen als bedoeld in artikel 26ter, §§ 1 en 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1. Dat betreft onder meer de leveringen waarvoor hij niet geacht wordt deze zelf te hebben ontvangen en geleverd overeenkomstig artikel 13bis van het Wetboek of wanneer hij tussenkomt bij het verrichten van een dienst langs elektronische weg waarbij hij niet verondersteld wordt in eigen naam te handelen overeenkomstig artikel 9 bis van de Uitvoeringsverordening 282/2011. De in het register op te nemen gegevens zijn de volgende, overeenkomstig artikel 54 quater, lid 2, nieuw, van de Uitvoeringsverordening 282/2011: - de naam, postadres en elektronisch adres of website van de leverancier wiens handelingen worden gefaciliteerd via het gebruik van de elektronische interface en, indien beschikbaar, het btw-identificatienummer of nationaal belastingnummer van de leverancier en het bankrekeningnummer of het virtuele rekeningnummer van de leverancier; - een beschrijving van de goederen, de waarde ervan, de plaats waar de verzending of het vervoer van de goederen eindigt, alsook het tijdstip van de levering en, indien beschikbaar, het ordernummer of het uniek transactienummer; - een beschrijving van de diensten, de waarde ervan, informatie voor de vaststelling van de plaats en het tijdstip van de dienst en, indien beschikbaar, het ordernummer of het uniek transactienummer. Het bijhouden van deze registers moet de administratie van de lidstaten waar deze handelingen plaatsvinden, in staat stellen na te gaan of de btw correct is toegepast door de belastingplichtigen die, via deze elektronische interface, handelingen binnen de Gemeenschap verrichten. Wat btw-eenheden betreft, preciseert artikel 26ter, § 4, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 dat deze verplichting enkel geldt voor de leden van deze btw-eenheden, voor de handelingen die hen betreffen. Krachtens artikel 26ter, § 5, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 worden deze registers, op verzoek, uitsluitend langs elektronische weg meegedeeld aan fiscale administratie van de lidstaten waar de handelingen plaatsvinden. Artikelen 6 en 7 Artikel 6, 1°, van het ontwerp vervangt artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4 dat voortaan bepaalt dat niet wordt ingegaan op de aanvraag tot teruggaaf indien die betrekking heeft op een bedrag van minder dan 50 euro. Dit bedrag van 50 euro (in plaats van 25 euro voorheen) is afgestemd op de regel die geldt voor aanvragen tot teruggaaf die worden ingediend op basis van Richtlijn 2008/9/EG en het koninklijk besluit nr. 56 ten aanzien van belastingplichtigen die niet in België maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (artikel 11, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 56). In artikel 3, lid 2, van Richtlijn 86/560/EEG is namelijk het volgende bepaald: "De teruggaaf mag niet worden verleend onder gunstiger voorwaarden dan die welke voor belastingplichtigen uit de Gemeenschap gelden". Er wordt van deze wijziging gebruik gemaakt om de benaming te wijzigen van de voor deze teruggaaf bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, met name het KMO centrum Specifieke Materies die in de plaats komt van het voormalige Centraal kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen. Artikel 6, 2°, van het ontwerp brengt tevens een aanpassing van legistieke aard aan in artikel 9 van koninklijk besluit nr. 4, door de schrapping van paragraaf 3 van die bepaling betreffende de teruggaaf van de btw in hoofde van belastingplichtigen die gebruik maken van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58ter van het Wetboek. Deze bepaling is immers opgenomen in artikel 9bis, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4, ingevoegd bij artikel 7 van dit ontwerp. Deze nieuwe bepaling regelt de modaliteiten voor de teruggaaf van de voorbelasting aan andere belastingplichtigen dan die gehouden tot de indiening van de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek, en die gebruikmaken van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 58ter tot 58quinquies van het Wetboek. Naar analogie met het bepaalde in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4, staat artikel 9bis, nieuw, van dat besluit toe aan iedere andere belastingplichtige dan een belastingplichtige gehouden tot indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte, en die gebruik maakt van één van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 58ter tot 58quinquies van het Wetboek (ongeacht of hij België al dan niet als lidstaat van identificatie heeft gekozen voor de toepassing van deze bijzondere regelingen), om de belasting in aftrek te brengen die werd geheven van de aan hem geleverde goederen en verrichte diensten en die betrekking heeft op zijn handelingen die onder die bijzondere regeling vallen. Deze belastingplichtige mag inderdaad de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verrichte diensten niet in aftrek brengen in de aangifte bedoeld in de artikelen 58ter, § 6, 58quater, § 6, en 58quinquies, § 6, van het Wetboek. Krachtens de artikelen 58ter, § 8, eerste lid, 58quater, § 8, eerste lid, en 58quinquies, § 8, eerste lid, van het Wetboek kan hij in beginsel zijn recht op aftrek slechts uitoefenen bij wijze van teruggaaf op grond van artikel 76, § 2, van het Wetboek. Artikel 9bis, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 preciseert de modaliteiten van deze teruggaaf, overeenkomstig artikel 76, § 2, tweede lid, van het Wetboek. Er wordt een onderscheid gemaakt naargelang de rechthebbende op teruggaaf in België is gevestigd, dan wel niet in België maar in een andere lidstaat is gevestigd, of niet in de Gemeenschap is gevestigd. In het eerste geval bepaalt artikel 9bis, § 2, eerste lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 dat de belastingplichtige een aanvraag om teruggaaf moet indienen bij de bevoegde dienst van de administratie die belast is met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert. De aanvraag moet in tweevoud bij deze dienst worden ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van de teruggaaf is ontstaan. In het tweede geval bepaalt artikel 9bis, § 2, tweede lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 dat de in artikel 76, § 2, van het Wetboek bedoelde teruggaaf gebeurt volgens de procedure en de modaliteiten van het koninklijk besluit nr. 56 van 9 december 2009 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf dat de omzetting vormt in Belgisch recht van richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (hierna: "de Richtlijn 2008/9/EG). In het derde geval bepaalt artikel 9bis, § 2, derde lid, nieuw, van koninklijk besluit nr. 4 dat de belastingplichtige een aanvraag tot teruggaaf moet indienen bij het KMO Centrum Specifieke Materies. De aanvraag moet in drie exemplaren bij deze dienst worden ingediend uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar dat volgt op het tijdvak waarop het teruggaafverzoek betrekking heeft. Deze bepaling preciseert dat geen gevolg zal worden gegeven aan een aanvraag tot teruggaaf voor een bedrag van minder dan 50 euro. In afwijking van artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4 sluit het feit dat een niet in België gevestigde belastingplichtige (ongeacht of hij al dan niet in de Gemeenschap is gevestigd) in België belastbare handelingen verricht, waarvoor hij in casu gebruikmaakt van één van de regelingen voorzien in de artikelen 58ter tot 58quinquies van het Wetboek, hem niet uit van het recht om bij wege van teruggaaf de belasting te recupereren die is geheven van de aan hem geleverde goederen en verrichte diensten en die betrekking hebben op zijn handelingen die onder die bijzondere regelingen vallen. Dit volgt rechtstreeks uit de artikelen 368, eerste alinea, artikel 369 undecies, eerste alinea, en artikel 369 quater, eerste alinea, van Richtlijn 2006/112/EG. Wanneer de betrokken belastingplichtige daarentegen activiteiten verricht die niet onder deze bijzondere regeling vallen en waarvoor hij gehouden is zich in België voor btw-doeleinden te laten identificeren, recupereert hij de voormelde btw niet door middel van een aanvraag tot teruggaaf maar brengt hij die btw in aftrek in de periodieke aangifte die hij overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek moet indienen. Dit wordt met name gepreciseerd in de artikelen 58ter, § 8, tweede lid, 58quater, § 8, tweede lid, en 58quinquies, § 8, tweede lid, van het Wetboek. Artikel 9bis, § 3, nieuw, van koninklijk besluit nr. 4 bepaalt tenslotte dat de vorm van de aanvragen tot teruggaaf, de over te leggen stukken en de modaliteiten van de teruggaven door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde worden vastgesteld. Aangezien het louter praktische modaliteiten betreft die geen impact hebben op het recht op teruggaaf, wordt er effectief in voorzien dat de administratie die rechtstreeks kan bepalen, zoals aangegeven door de afdeling wetgeving van de Raad van State in punt 4.1. van zijn voormelde advies nr. 69.432/2. Artikel 8 Artikel 8 van dit ontwerp vult paragraaf 1 van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 7 aan met een verwijzing naar de in artikel 58sexies van het Wetboek bedoelde bijzondere regeling voor de aangifte en de betaling van de btw die verschuldigd is bij de invoer in België (als lidstaat van bestemming) van andere goederen dan accijnsproducten, in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro, wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de bijzondere regeling bedoeld in hoofdstuk IX, afdeling 4 (a …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.