Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de
In het kort
Dit Koninklijk Besluit regelt de procedure en voorwaarden voor het toekennen van vergunningen voor mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie (3G), zoals UMTS, in België. Het doel is om de invoering van geavanceerde mobiele diensten te stimuleren en concurrentie op de markt te bevorderen.
Wat het reguleert
- De procedure voor het toekennen van 3G-vergunningen.
- De voorwaarden waaraan 3G-operatoren moeten voldoen.
- De criteria voor de kwaliteit en permanentie van de aangeboden diensten.
- De relaties tussen 3G-operatoren en andere betrokken partijen, inclusief nationale roaming.
Wie het betreft
- Ondernemingen die mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie willen aanbieden.
- Bestaande 2G-operatoren en nieuwkomers op de markt voor mobiele telecommunicatie.
Kernpunten
- Vergunningen worden toegekend via een procedure van toewijzing bij opbod.
- 3G-operatoren moeten een dekkingsgraad van de bevolking bereiken van 30% na drie jaar, 40% na vier jaar, en 50% na vijf jaar.
- Na zes jaar geldt een streefnorm van 85% dekkingsgraad, die herzien kan worden.
- Nationale roaming is verplicht voor 2G-operatoren om hun netwerk tijdelijk ter beschikking te stellen aan nieuwe 3G-operatoren die nog geen eigen netwerk hebben uitgebouwd.
- Kandidaten betalen een recht van 12.500 euro voor dossieronderzoek, en vergunninghouders jaarlijks 250.000 euro voor vergunningsbeheer en 125.000 euro per megahertz bandbreedte voor frequenties.
Wettekst
18 JANUARI 2001. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie VERSLAG AAN DE KONING Sire, Aan het einde van de twintigste eeuw ondergaat de telecommunicatiesector belangrijke wijzigingen, waaronder het spectaculaire succes van mobiele telefoondiensten gebaseerd op de pan-Europese GSM-norm enerzijds en de opmerkelijke ontwikkelingen van de toepassingen op het wereldwijde informatienetwerk (het Internet) anderzijds. Daarom streven de ondernemingen in deze sector ernaar die twee domeinen te doen convergeren door de invoering van mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie, die precies diensten van het Internet en andere geavanceerde diensten op mobiele radio-eindapparatuur willen aanbieden. Deze systemen vormen een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling van de informatiemaatschappij. Binnen de Internationale Telecommunicatie Unie ontwikkelt en standaardiseert men nieuwe systemen, onder de benaming IMT-2000 ("International Mobile Telecommunications"). Op Europees niveau werkt het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen (ETSI) de technische specificaties van het UMTS-systeem ("Universal Mobile Telecommunications System") uit. De Europese Commissie steunt de gecoördineerde invoering van dit nieuwe communicatiesysteem in de Europese Unie. Beschikking nr. 128/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 1998 betreffende de gecoördineerde invoering van de derde generatie van mobiele draadloze communicatiesystemen (UMTS) in de Gemeenschap, hierna beschikking 128, legt aan de Lidstaten op om, tegen 1 januari 2000, een systeem van vergunningen in te stellen, met het oog op de invoering van de bedoelde diensten uiterlijk vanaf 1 januari 2002. Het gaat om diensten voor mobiele draadloze communicatiesystemen van de derde generatie die in het bijzonder geschikt zijn voor innovatieve multimediadiensten en waarin gecombineerd gebruik kan worden gemaakt van terrestrische en satellietcomponenten. Beschikking 128 vermeldt onder meer dat moet worden gezorgd voor een snelle toegang tot de markt om, via voldoende concurrentie, te komen tot een ononderbroken wereldwijde dekking met lage kosten en tot een innoverend dienstenaanbod. Daarom mag het aantal individuele vergunningen slechts worden beperkt wanneer er een aantoonbaar gebrek bestaat aan frequentiespectrumcapaciteit. Voorts dienen de vergunningen te worden verleend op basis van objectieve, niet-discriminerende, gedetailleerde en evenredige criteria, ongeacht of een aanvrager van een vergunning al dan niet een bestaande exploitant van andere systemen is. Het doel van dit koninklijk besluit bestaat er in de vergunningsprocedure voor mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie uit te werken en het bestek ervan vast te stellen. Dit koninklijk besluit bevat vier hoofdstukken : - Hoofdstuk I : Terminologie en Definities; - Hoofdstuk II : Bestek van toepassing op 3G-operatoren; - Hoofdstuk III : Procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatie-systemen van de derde generatie; - Hoofdstuk IV : Slotbepalingen. Hoofdstuk II, het bestek, heeft de volgende doelstellingen : 1. Het legt een aantal criteria op aangaande de permanentie en kwaliteit van de aangeboden dienst, met name in termen van dekkingsgraad van de bevolking, onder meer dankzij de nationale roaming, het tijdsschema van de ontplooiing van het netwerk, de bescherming van de abonnees en van de gegevens, de universele telefoongids, de vereiste samenwerking met de gerechtelijke instanties, de nooddiensten en de ombudsdienst. 2. Het legt een aantal minimumvoorwaarden vast betreffende de betrekkingen tussen de 3G-operatoren, enerzijds, en de diverse betrokken partijen (de 2G-operatoren, de Staat, het Instituut, enz.) anderzijds. De eerste reeks voorwaarden verschilt niet erg van de voorwaarden vervat in de besluiten met betrekking tot de 2G-operatoren, m.n. het koninklijk besluit van 7 maart 1995, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van GSM-mobilofoon-netten en het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten. Het is een belangrijke doelstelling van de regering dat de gehele bevolking zal kunnen genieten van het aanbod van deze nieuwe diensten. Essentieel is de voorwaarde tot uitbouw van het eigen netwerk, waarbij de 3G-operator een dekkingsgraad van de bevolking moet bereiken van 30 % na drie jaar, van 40 % na vier jaar, en van 50 % na 5 jaar. Bij het einde van het zesde jaar geldt een streefnorm : de beoogde dekkingsgraad bedraagt 85 %. De na te streven dekkingsgraad kan herzien worden, onder meer rekening houdend met de volgende elementen : - De bereikte dekking na het vijfde jaar; - De technische ontwikkelingen; - De behoeften van de consument; - De evoluties in de markt; - De beschikbaarheid van apparatuur; - De economische haalbaarheid van de dekkingsgraad voor de operatoren; - Het algemeen belang. In tegenstelling tot de 30 %, 40 % en 50 % normen, die resultaatsverbintenissen uitmaken in hoofde van de operatoren, is de 85 % norm een streefnorm, die een middelenverbintenis uitmaakt in hoofde van de operatoren. De Koning kan deze streefnorm na vijf jaar bij in Ministerraad overlegd besluit herzien, door het percentage van de dekkingsgraad te wijzigen, indien dit aangewezen is om feitelijke, technische of economische redenen, of ingegeven wordt door het algemeen belang. De opsomming van factoren die tot herziening van de nagestreefde dekkingsgraad aanleiding kunnen geven, is indicatief. Een limitatieve opsomming is niet wenselijk omdat het moeilijk te voorspellen is welke factoren de haalbaarheid van de streefnorm zes jaar na de kennisgeving van de vergunning kunnen beïnvloeden. Aangaande de tweede doelstelling behoeft vooral de bepaling inzake nationale roaming toelichting, aangezien deze bepaling nieuw is. Deze bepaling wordt ingevoegd krachtens artikel 89, § 5, van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 2 januari 2001. In zijn advies over dit besluit heeft de Raad van State immers opgemerkt dat de regeling inzake roaming onvoldoende wettelijke grondslag had. Die wettelijke basis werd intussen tot stand gebracht. De overheid hecht groot belang aan de ontwikkeling van een effectieve mededinging op de markt. Dit zal de consument ten goede komen, zowel wat de kwaliteit als de prijs van de diensten betreft die de operatoren aanbieden, en zal de innovatie stimuleren. Beschikking 128 voorziet uitdrukkelijk dat er geen discriminatie mag zijn tussen de GSM-operatoren en de nieuwkomers op de UMTS-markten. Naar alle waarschijnlijkheid zullen zowel operatoren die reeds over een vergunning als 2G-operator beschikken of die behoren tot de relevante groep van zulke 2G-operator, als operatoren die niet beschikken over een vergunning als 2G-operator, een vergunning als 3G-operator verkrijgen. Deze laatste operatoren zullen ten opzichte van de eerste operatoren geconfronteerd worden met een structureel nadeel, nu ze noch over een eigen netwerk voor mobiele radiocommunicatie beschikken, noch een bestaande klantenbasis hebben waaraan ze hun diensten kunnen aanbieden. Vandaar het belang om, tijdelijk, bestaande nationale netwerken ter beschikking te stellen van 3G-operatoren via nationale roaming. De praktijk in het buitenland toont aan dat de operatoren onderling er niet steeds in slagen overeenkomsten met betrekking tot nationale roaming af te sluiten via commerciële onderhandelingen. Om te vermijden dat een overeenkomst met betrekking tot nationale roaming niet kan afgesloten worden in het kader van commerciële onderhandelingen, is het noodzakelijk, gedurende een overgangsperiode, aan 2G-operatoren of personen verbonden met een 2G-operator, die een 3G-vergunning hebben verworven, de verplichting op te leggen hun netwerk ter beschikking te stellen van operatoren die een 3G-vergunning verwierven maar nog niet over een eigen netwerk in België beschikken. Teneinde de goede toepassing van deze maatregelen te garanderen, voorziet het besluit in bepaalde interventiemogelijkheden van het Instituut. Teneinde te vermijden dat bestaande 2G-operatoren zich aan deze verplichting zouden onttrekken via een structurering van het vehikel dat de exploitatie van de 3G-vergunning zal garanderen, wordt deze verplichting uitgebreid tot de controlegroep waartoe de 2G-operator behoort, met inbegrip van consortia. Het doel van nationale roaming is dus om, gedurende een overgangsperiode, toegang te geven tot een uitgebreid netwerk aan de operator die zelf zijn eigen netwerk nog niet heeft kunnen uitbouwen. Het bestek bepaalt dan ook dat het recht op nationale roaming niet geldt in die geografische zones waar de operator die recht heeft op nationale roaming, zijn eigen 3G-netwerk reeds heeft uitgebouwd. Het overgangskarakter van nationale roaming blijkt eveneens uit de omstandigheid dat iedere tussenkomst van het Instituut inzake nationale roaming na acht jaar na de kennisgeving van de vergunning aan de operator die recht heeft op nationale roaming, afloopt. Op die manier kan nationale roaming nooit een structureel alternatief vormen voor het uitbouwen van een eigen netwerk; dergelijke uitbouw blijft de verplichting van elke 3G-operator. De bepalingen betreffende de nationale roaming vormen een evenwichtig systeem dat tegelijkertijd de concurrentie stimuleert en de belangen van de consumenten beschermt, met name in minder dicht bevolkte gebieden, daarbij rekening houdend met de financiële last verbonden aan de investeringen die de 2G-operatoren in het verleden hebben gedaan. Daarenboven zal de beperkte winstgevendheid van het retail minus-tarief dat de operator die recht heeft op nationale roaming, betaalt tevens een stimulans betekenen om zijn eigen netwerk uit te bouwen. De 3G-vergunningen betreffen de normen van de IMT 2000-familie, waarbij de Europese instanties de UMTS-norm bevorderen. Het besluit bevat verder bepalingen inzake het nummeringsplan, interconnectie, en toegang voor service providers. Alle kandidaten betalen een recht van 12 500 euros voor het onderzoek van hun dossier. Verder betalen de vergunninghouders jaarlijks aan het Instituut een aan de consumptieindex aangepast recht voor het beheer van de vergunning van 250 000 euros, en een recht voor de terbeschikkingstelling van frequenties van 125 000 euros per megahertz bandbreedte in simplex- of duplexmode. De vaststelling van de hoogte van het uniek concessierecht, dit is de prijs waartegen de vergunning zal worden uitgereikt, geschiedt op basis van de procedure vastgelegd in dit besluit; het gaat om een eenmalige, vooruit te betalen som, voor de aflevering van de vergunning, die geldig zal zijn voor 20 jaar. De Minister zal instaan voor de vrijmaking van de frequenties die nodig zijn voor deze systemen van de derde generatie; daartoe zal de Minister een overeenkomst sluiten met het Ministerie van Landsverdediging; de hieruit resulterende kosten worden aangerekend op de ontvangsten van de onderhavige procedure tot toekenning. Indien een 3G-operator de vergunnings- of bestekvoorwaarden niet nakomt, wordt hij door het Instituut in gebreke gesteld met opgave van een regularisatietermijn; vervolgens kan hem een administratieve geldboete worden opgelegd op basis van de wet. De operator wordt gehoord en het Instituut kan aan de Minister voorstellen om de vergunning te schorsen of in te trekken. Deze beslissing wordt bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit genomen. Er bestaan in hoofdzaak twee types van procedure voor de toekenning van vergunningen : de vergelijkende selectieprocedure en de toewijzing bij opbod. Voor de toekenning van de 2G-vergunningen, werd de vergelijkende selectieprocedure weerhouden. Voor de toekenning van vergunningen voor mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie, is een procedure van toewijzing bij opbod meer aangewezen dan een vergelijkende selectieprocedure. Inderdaad, de diensten die door de 3G-operatoren zullen kunnen worden aangeboden, evenals de onderliggende technologie zijn nog onvoldoende gekend, zodat er nog geen selectiecriteria kunnen worden vastgelegd die pertinent, objectief, niet-discriminerend, gedetailleerd en evenredig zouden zijn in de zin van beschikking 128. Een toewijzing bij opbod laat de marktspelers zelf toe om de waarde van een 3G-vergunning op basis van een eigen business plan te bepalen. Men dient inderdaad steeds voor ogen te houden dat de markt beter geplaatst is dan de overheid om de waarde van deze 3G-vergunningen te bepalen. Door de marktspelers toe te laten zich onderling te onderscheiden, en door aan de kandidaten ontvankelijkheidscriteria op te leggen, en kwalitatieve criteria voor te schrijven betreffende de voorwaarden van de vergunningen, beheert de overheid op een efficiënte manier het radioelektrisch spectrum, zoals verplicht door de Europese reglementering. Een toewijzing bij opbod biedt, naast haar objectief en niet-discriminerend karakter, ook het voordeel van transparantie. Er wordt verwacht dat deze selectiemethode de belangstelling van nieuwkomers voor de Belgische telecommunicatiemarkt zal verhogen, aangezien zij niet moeten vrezen dat de 2G-operatoren een voorkeursbehandeling zouden krijgen vanwege de overheid, wat overigens zou ingaan tegen de bepalingen van beschikking 128. Om voorgaande redenen heeft de overheid de procedure van toewijzing bij opbod gekozen voor de toekenning van 3G-vergunningen. Andere landen van de Europese Unie, zoals Duitsland, Nederland of het Verenigd Koninkrijk, hebben overigens ook voor een veilingsprocedure gekozen. Een toewijzing bij opbod dient correct te verlopen en tot een eerlijke, objectieve selectie, op basis van een marktconforme prijs te leiden; daartoe bepaalt het koninklijk besluit criteria met betrekking tot de ontvankelijkheid van de kandidaturen, kwalitatieve eisen in verband met hun gebruik van de vergunning, regels met betrekking tot de deelname en procedureregels met betrekking tot het bieden. Het besluit bevat, in Hoofdstuk III, regels met betrekking tot de eigendomsstructuren van de kandidaten; hun belang is het volgende : vooreerst strekken zij ertoe te verzekeren dat de kandidaten tijdens de toewijzing bij opbod werkelijk onafhankelijk van elkaar optreden, vervolgens moeten deze regels garanderen dat vergunningen worden toegekend aan economisch onafhankelijke partijen. Terwijl na de toekenning van de vergunningen, de nationale en Europese mededingingsautoriteiten er op zullen toezien dat een daadwerkelijke mededinging wordt gehandhaafd, dienen in het procedurebesluit de nodige regelingen opgenomen ter vrijwaring van de daadwerkelijke mededinging tijdens de procedure en bij de toekenning van de vergunningen. Dit besluit bevat daartoe een reeks maatregelen die moeten vermijden dat (
- i)kandidaten hun gedrag op elkaar zouden afstemmen teneinde het verloop of de uitslag van de toewijzing bij opbod te beïnvloeden of te manipuleren, (
- ii)kandidaten die deel uitmaken van dezelfde economische eigendomsstructuur allen een vergunning zouden verkrijgen en (iii) kandidaten de mogelijkheid zouden hebben hun biedgedrag aan te passen teneinde andere kandidaten waarmee zij op enigerlei wijze verbonden zijn, te begunstigen. De maatregelen die hiertoe worden voorgesteld zijn hierna beschreven. Gedurende de ontvankelijkheidsfase zullen kandidaten die tot eenzelfde controlegroep behoren niet kunnen deelnemen aan de toewijzing bij opbod. Een dergelijk verband wordt immers geviseerd onder de ontvankelijkheidsregels. Teneinde na te gaan of er sprake is van een controlegroep, wordt verwezen naar de gangbare Belgische definities vervat in Boek I, Titel II, Hoofdstuk II van het Wetboek van Vennootschappen. Teneinde alle onduidelijkheid weg te nemen omtrent het bestaan van controleverbanden zoals in het geval van een 50/50 aandeelhoudersschap, waarbij het voor twijfel vatbaar kan zijn of een van de partners geacht kan worden over een controlebevoegdheid te beschikken, wordt het niveau van waar controle wordt vermoed, vastgesteld op 50 %. Naast de controlegroep van een kandidaat, wordt tevens rekening gehouden met personen die slechts een geringe deelneming bezitten in een kandidaat, doch die in het bezit zijn van vertrouwelijke informatie met betrekking tot de biedstrategie of het businessplan van deze kandidaat, of die deze kandidaat bijstaan met het oog op de toewijzing bij opbod. Alle personen die behoren tot de controlegroep van een kandidaat, of die behoren tot een controlegroep van de personen met een geringe deelneming, doch die in het bezit zijn van vertrouwelijke informatie of bijstand verlenen, zullen worden vermoed met een kandidaat verbonden personen te zijn. Het principe inzake kandidaten die tot dezelfde controlegroep behoren, resulteert in twee concrete regels : (
- i)een kandidaat mag geen verbonden persoon zijn ten aanzien van een andere kandidaat, en (
- ii)kandidaten mogen niet beschikken over een gemeenschappelijke verbonden persoon. Indien kandidaten zich niettemin in dergelijke situatie ten opzichte van elkaar zouden bevinden, dienen de betrokken kandidaten te beslissen wie van hen zal deelnemen aan de toewijzing bij opbod of hun respectievelijke groepen te reorganiseren. Indien zij onderling geen beslissing treffen, of in gebreke blijven hun structuur aan te passen, mag geen van hen deelnemen aan de toewijzing bij opbod. Bij het definiëren van eigendomsstructuren is het tevens noodzakelijk rekening te houden met rechtstreekse en onrechtstreekse vormen van eigendom en uitoefening van stemrechten, via managementovereenkomsten, allerhande tussenpersonen en andere methodes die kunnen leiden tot de effectieve controle over het gedrag van een kandidaat tijdens de toewijzing bij opbod. De regeling uitgewerkt in dit besluit is erop gericht te vermijden dat de opsplitsing van eigendoms- of andere rechten, zoals in de Angelsaksische landen vaak gebeurt via trusts, partnerships of andere structuren, kandidaten zou toelaten wijzigingen aan te brengen in hun controlestructuur die tot gevolg zullen hebben dat hun economische eigendom wijzigt (en derhalve het risico op bied- of prijsafspraken toeneemt), zonder dat hun juridische eigendomsstructuur verandert. Ook zullen voorwaardelijke of toekomstige zeggingschapsrechten over een kandidaat, bijvoorbeeld via contracten onder opschortende voorwaarde, termijncontracten, warrants, of andere, in aanmerking worden genomen alsof de voorwaarde of de tijdsbepaling niet zou zijn geschreven, tenzij de voorwaarde kadert in een fusie of acquisitie, en een goedkeuring door een bevoegde controleoverheid of door het bestuursorgaan betreft van een der partijen die zich tegen de transactie verzet. In bepaalde gevallen wordt tussen ontvankelijke kandidaten een eerste fase van de toewijzing bij opbod georganiseerd, teneinde uit te maken welke van de geassocieerde bieders mogen deelnemen aan de eigenlijke toewijzing bij opbod, met name de tweede fase van de toewijzing bij opbod. Immers substantiële kruisparticipaties die, weliswaar onder de controledrempel, in het bezit zijn van een aandeelhouder die aandeelhouder is van meerdere kandidaten, doch die slechts één kandidaat bijstand verleent met betrekking tot de toewijzing bij opbod, en die niet beschikt over vertrouwelijke informatie met betrekking tot meerdere kandidaten, dienen te worden geëlimineerd; zulks geschiedt in een eerste fase van de toewijzing bij opbod, waarin deze geassocieerde bieders tegen elkaar uitkomen. Het risico op informatielekken, bied- of prijsafspraken of manipulatie tijdens de procedure is immers niet ondenkbeeldig. Hetzelfde geldt voor kandidaten die een dergelijk associatieverband hebben ten opzichte van een bestaande 2G-operator. Indien immers meerdere 3G-vergunningen zouden worden toegekend binnen een groep die tevens één of meerdere 2G-operatoren controleert, doet dit ernstige vragen rijzen omtrent de vooruitzichten en de werking van de markt gedurende en na de toewijzing bij opbod. Bij wijze van voorbeeld kan worden gesteld dat het weinig wenselijk zou zijn om aan twee onafhankelijke operatoren een 3G-vergunning toe te kennen indien beide een aanmerkelijk belang zouden bezitten in een bestaande 2G-operator, die er belang bij heeft om met beide verbonden 3G-operatoren afspraken te maken. Winnaars van de eerste fase van de toewijzing bij opbod zijn uiteraard verplicht hun hoogste bod over te dragen naar de tweede fase van de toewijzing bij opbod, als minimale inzet. Aldus wordt het onmogelijk gemaakt dat een kandidaat hoog zou bieden in de eerste fase, teneinde een concurrent uit te schakelen, en zijn bod niet zou handhaven in de tweede fase. Dit systeem werd eveneens voorzien in het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk. Deze gedetailleerde regels dienen kandidaten ertoe aan te zetten hun eigendomsstructuur op zodanige wijze te organiseren dat elke vorm van associatie tussen kandidaten wordt uitgesloten en dat de eerste fase van de toewijzing bij opbod niet georganiseerd hoeft te worden. Wijzigingen in de eigendomsstructuur van de kandidaten gedurende de toewijzing bij opbod zijn niet toegestaan. Daarentegen zal het aan een met een kandidaat verbonden lid toegestaan zijn zich terug te trekken uit een consortium zonder evenwel te worden vervangen. Deze regel strekt er onder meer toe te verhinderen dat personen verbonden met een kandidaat tijdens de toewijzing bij opbod hun steun zouden wijzigen ten gunste van een andere kandidaat. Daarenboven zal het aan een met een kandidaat verbonden persoon toegestaan zijn om zijn eigen groep te herstructureren via overnames, fusies of de oprichting van nieuwe vennootschappen, indien deze transacties niet tot doel hebben een verband te doen ontstaan met het oog op de toewijzing bij opbod. Aangezien kandidaten in de regel specifiek worden opgericht en gefinancierd met het oog op de toewijzing bij opbod, zal het feit dat een transactie voornamelijk werd geïnspireerd met het oog op de veiling worden vermoed, indien de transactie betrekking heeft op de kandidaat zelf, dan wel op de perso(o)n(
- en)die de kandidaat controleren. Indien, ingevolge deze transactie, kandidaten met elkaar verbonden worden of geassocieerde bieders worden, dient het verband tussen beiden daarenboven binnen drie werkdagen te worden opgeheven, teneinde te vermijden dat de uitsluitingsregels van toepassing worden of dat deze kandidaten aan de eerste fase van de toewijzing bij opbod moeten deelnemen. De Minister is op elk ogenblik gerechtigd uitzonderingen toe te staan op het principe dat verbonden kandidaten of geassocieerde bieders niet samen deel kunnen nemen aan de tweede fase van de toewijzing bij opbod, indien de voorwaarden die het besluit bepaalt, vervuld zijn. Deze regel heeft tevens tot doel de kandidaten ertoe aan te zetten om mogelijke conflicten of twijfelgevallen mede te delen aan de bevoegde overheid, die bevoegd is op voorhand een vrijstelling te verlenen. Teneinde te vermijden dat antimededingingspraktijken of prijsafspraken zich zouden voordoen na de procedure tot toekenning, zal de vergunning persoonlijk zijn en leden van eenzelfde relevante groep zullen daarenboven slechts over één vergunning kunnen beschikken. In voorkomend geval, kan het Instituut aan de Minister voorstellen, wegens niet-naleving van deze regels de vergunning te schorsen of in te trekken. Het is daarenboven meer dan waarschijnlijk dat concentraties van vergunningen ingevolge fusies of acquisities na de procedure tot toekenning niet toegelaten zijn op grond van de toepasselijke mededingingsregels. Tenslotte zullen alle personen die in het bezit zijn van vertrouwelijke informatie zoals werknemers, bestuurders, adviseurs van een kandidaat of onafhankelijke derden (bij voorbeeld financiers) aan wie dergelijke informatie werd meegedeeld, worden vermoed ingewijden te zijn. Zij zullen zich dienen te houden aan de regels betreffende het verbod van verspreiding van vertrouwelijke informatie, op straffe van uitsluiting van de kandida(a)t(
- en)die het voorwerp van deze vertrouwelijke informatie vorm(t)(en). Het Instituut is gelast met de praktische organisatie en staat in voor het ordelijk verloop van de procedure, en kan daartoe alle nuttige maatregelen nemen. Kandidaten kunnen vragen over de procedureregels en de kandidaatstelling aan het Instituut overmaken, dat deze slechts ten gronde beantwoordt indien het van oordeel is dat het antwoord bijdraagt tot het goed verloop van de procedure en de gelijkheid van de kansen van de kandidaten; eventuele antwoorden en vragen worden door het Instituut bekendgemaakt, doch zonder de identiteit van de vraagsteller prijs te geven. Het besluit bevat regels betreffende de wijze van indiening van de kandidaturen en het dossier dat elke kandidaat moet samenstellen. Het gaat om ontvankelijkheidsvoorwaarden, net zoals de betaling van een waarborg van 75 miljoen euro, wat nodig is om de kandidaturen te beperken tot ernstige rechtspersonen. De kandidaten zijn trouwens tijdens de veiling verplicht hun waarborg tijdig aan te passen aan de hoogte van hun bod, telkens hun bod een veelvoud van 150 miljoen euro overschrijdt, en dit vanaf 450 miljoen euro. De Koning neemt op verslag van het Instituut de beslissing over de ontvankelijkheid van de kandidaturen. De Minister heeft, zoals hoger reeds vermeld, een beperkte mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen van de regels inzake controleverbanden of associatieverhoudingen, indien de voorwaarden opgesomd in artikel 39 cumulatief vervuld zijn. Een kandidaat kan slechts één vergunning toegekend krijgen en kan slechts op één vergunning tegelijk bieden. De Minister mag ervan afzien de procedure te organiseren, indien er niet meer ontvankelijke kandidaten zouden zijn dan het aantal toe te kennen vergunningen. Kandidaten, verbonden personen en ingewijden dienen het vertrouwelijk karakter van informatie met betrekking tot de kandidaturen en biedingen te respecteren, en, gelet op dezelfde bezorgdheid om de daadwerkelijke mededinging te vrijwaren, mogen zij geen akkoorden afsluiten met leveranciers van uitrusting of van software die andere kandidaten ervan zouden weerhouden mee te dingen naar een vergunning. Indien er geassocieerde bieders zijn, strekt de eerste fase ertoe uit te maken wie van hen deel zal nemen aan de eigenlijke toewijzing bij opbod; per groep van geassocieerde bieders wordt een subtoewijzing bij opbod georganiseerd. In de tweede fase heeft de eigenlijke toewijzing bij opbod plaats. Indien er een eerste fase werd georganiseerd, zijn de kandidaten die daaraan deelnamen, en die aan de tweede fase mogen deelnemen, verplicht om het hoogste bod dat zij in de eerste fase uitgebracht hebben, als minimumbod in de tweede fase uit te brengen. Na de toewijzing bij opbod kent de Koning de vergunning telkens toe aan de kandidaat die voor die vergunning het hoogste bod uitbracht. Op het ogenblik van de toekenning van de vergunning, wijzigt de aard van de waarborg, inbegrepen de intrest, en wordt deze beschouwd als betaling van het eerste deel van het uniek concessierecht. Na de kennisgeving van deze beslissing, dient de kandidaat het saldo van gehele bedrag van het unieke concessierecht te voldoen, namelijk het bedrag van zijn hoogste bod, te verminderen met zijn waarborg, inbegrepen de intrest. Indien onvoorziene omstandigheden of het algemeen belang het rechtvaardigen, kan de Minister de procedure stopzetten of schorsen. Dit besluit vindt zijn grondslag in de artikelen 89 §§ 1 en 5, 92bis en 117bis van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming van sommige economische overheidsbedrijven die toelaten om het bestek en de vergunningsprocedure aan te nemen, alsook in de wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1979 pub. 24/06/2011 numac 2011000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de radioberichtgeving. Artikelsgewijze commentaar Artikel 2 beschrijft de aard en de draagwijdte van de vergunning die op basis van dit besluit wordt toegekend. Het spreekt vanzelf dat de vergunningen die verleend worden krachtens dit besluit in geen geval afbreuk doen aan de rechten van de betrokken operatoren om elke andere telecommunicatiedienst aan te bieden overeenkomstig en binnen de grenzen van het toepasselijke reglementaire kader. De vergunning die op basis van dit besluit wordt uitgereikt, stelt de operator niet vrij van naleving van de overige wettelijke bepalingen die op zijn werkzaamheden van toepassing zijn, onder andere de wetgeving inzake ruimtelijke ordening, de verschillende belastingen, bijdragen en taksen en de wetgeving inzake het taalgebruik. De operator moet eveneens de verplichtingen en regels naleven die op hem van toepassing zijn krachtens de overeenkomst van de Internationale Telecommunicatie Unie, het Radioreglement, de internationale akkoorden en de reglementering van de Europese Gemeenschap. Overeenkomstig bijlage I bij de beschikking 128 biedt het door de operator opgezette netwerk minstens de volgende toepassingen :
- a)Multimediamogelijkheden, toepassingen voor volledige mobiliteit en beperkte mobiliteit in verschillende geografische omgevingen die verder gaan dan de mogelijkheden van GSM-systemen;
- b)Efficiënte toegang tot Internet, intranetten en andere op het Internet Protocol (I/P) gebaseerde diensten;
- c)Spraaktransmissie van hoge kwaliteit, vergelijkbaar met die van vaste netwerken;
- d)Portabiliteit van de diensten tussen verschillende omgevingen van de derde generatie, waar passend (bijvoorbeeld openbaar/particulier/ zakelijk;vast/mobiel);
- e)Gebruik in één enkele draadloze omgeving, die volledige roaming omvat met GSM, alsmede tussen de terrestrische en satellietcomponenten van netwerken van de derde generatie. Artikel 3 stelt de minimale doelstellingen vast van dekking door het netwerk : de snelheid van de ontplooiing die thans wordt opgelegd is minder sterk dan deze voor de GSM-netwerken in België in het verleden. Zij houdt echter rekening met de moeilijkheden bij de aanleg van een nieuw netwerk en de wens om het commercieel aanbod van performante diensten te bevorderen. Artikel 3 bevat drie absolute normen (behoudens gevallen van overmacht) en één streefnorm. De absolute normen van 30 %, 40 % en 50 % maken resultaatsverbintenissen uit in hoofde van de operatoren; de 85 % norm is een streefnorm, die een middelenverbintenis uitmaakt. De Koning zal eventueel afwijkingen kunnen toestaan op de streefnorm in bepaalde omstandigheden, onder andere in geval het voor de operatoren manifest onmogelijk is om de vastgestelde ontplooiing te halen. Conform het advies van de Raad van State dient gesteld dat het evenwel inderdaad niet mogelijk is nu reeds exhaustief aan te geven welke die omstandigheden zullen zijn. Dit zal van de feitelijke evolutie afhangen. De dekking van de bevolking gebeurt ten laatste gedurende het zesde jaar, op homogene wijze over heel het land. Op dezelfde manier stelt artikel 4, § 1, een redelijke maximumtermijn vast voor de commerciële aanbieding van de dienst maar die termijn zal eventueel door de Minister worden aangepast in geval van overmacht. Artikel 4, § 2, omschrijft de doelstellingen inzake kwaliteit en beschikbaarheid van de dienst waaraan de operator moet beantwoorden. Deze criteria die als handelsreglementeringen moeten worden aanzien in de zin van het Europese Gemeenschapsrecht, moeten het mogelijk maken om aan de gebruikers een goed presterende dienst te garanderen, rekening houdend met het feit dat die mobiele diensten moeten worden beschouwd als een openbare dienst en dat de concurrentie beperkt zal blijven tot een beperkt aantal operatoren. Artikel 5 gaat over de nationale roaming. Gelet op het aantal te begeven vergunningen zullen zowel operatoren die reeds over een 2G-vergunning beschikken (of tot wiens relevante groep een 2G-operator behoort) als operatoren die niet beschikken over een 2G-vergunning houder worden van een vergunning als 3G-operator. Deze laatsten zullen, ten opzichte van de eerste operatoren, geconfronteerd worden met een structureel nadeel, aangezien ze niet beschikken over een eigen netwerk voor mobiele radiocommunicatie en evenmin een bestaand klantenbestand hebben waaraan ze hun diensten kunnen aanbieden. Opdat een 3G-operator effectief zijn diensten zou kunnen aanbieden, zal hij dienen te beschikken over een netwerk in een aanzienlijk deel van het Rijk. Dit impliceert dat 3G-operatoren die niet over een 2G-vergunning beschikken, en dus eerst een volledig nieuw netwerk dienen uit te bouwen vooraleer zij diensten van de derde generatie kunnen aanbieden, een ernstige achterstand zullen kennen tegenover 3G-operatoren die eveneens beschikken over een 2G-licentie (GSM 900 of DCS 1800) of tot wiens relevante groep een 2G-operator behoort. Artikel 5, § 1, beoogt deze concurrentiële ongelijkheden weg te werken door die 3G-operatoren die niet beschikken over een 2G-vergunning, in de mogelijkheid te stellen een overeenkomst te sluiten met een 2G-operator die tevens een 3G-opertor is of die behoort tot de relevante groep van een 3G-operator. Op deze wijze zullen de cliënten van de eerste operator toegang hebben tot het 2G-netwerk van de tweede operator. Tevens wordt daardoor voorkomen dat 3G-operatoren, die niet over een vergunning als 2G-operator beschikken, bij gebrek aan een eigen netwerk, geen diensten, of slechts na lange termijn, zouden aanbieden in minder dicht bevolkte delen van het land. Dit zou in deze minder dicht bevolkte delen van het land de concurrentie tussen de 3G-operatoren beperken, met alle nadelige gevolgen vandien voor de consumenten. Een operator die recht heeft op nationale roaming dient altijd eerst en vooral zelf commerciële onderhandelingen te voeren met een operator die nationale roaming dient aan te bieden. Slechts indien deze onderhandelingen (of onderhandelingen tot wijziging van een bestaande overeenkomst van nationale roaming) niet leiden tot het afsluiten of wijzigen van een overeenkomst van nationale roaming kan het Instituut tussenbeide komen en zodoende een einde maken aan de discriminatie en/of concurrentievervalsing die daaruit zou voortvloeien. Artikel 5, § 2, specifieert dat het Instituut, op verzoek van één van de betrokken operatoren, maatregelen kan opleggen, opdat de overeenkomst van nationale roaming toch afgesloten of gewijzigd zou worden. Het Instituut zal echter slechts ingaan op een dergelijk verzoek van een operator indien deze zich terdege doch tevergeefs heeft ingespannen om tot een overeenkomst te komen en indien de operator die recht heeft op nationale roaming nog geen overeenkomst van nationale roaming heeft afgesloten met een andere operator die roaming dient aan te bieden. Indien dit laatste wel het geval is, heeft de operator die recht heeft op nationale roaming immers reeds de mogelijkheid zijn klanten toegang te geven tot het netwerk van een 2G-operator, zodat een verdere tussenkomst van het Instituut in een commerciële onderhandeling met een andere 2G-operator die nationale roaming dient aan te bieden noch nodig, noch gewenst is. Hierop geldt een uitzondering, indien die eerste overeenkomst van nationale roaming inmiddels achterhaald zou zijn omwille van wijzigingen op het vlak van technologie, van de eigendom van de betrokken ondernemingen of van de marktstructuren. Tenslotte kunnen zowel een operator die recht heeft op nationale roaming als een operator die nationale roaming dient aan te bieden zich tevens tot het Instituut wenden indien een van hen een wijziging wenst aan te brengen aan een bestaande overeenkomst van nationale roaming maar ondanks zijn inspanningen er niet in geslaagd is om een akkoord over een dergelijke wijziging af te sluiten. Gezien het evolutief karakter van de omgeving waarin de 3G-operatoren zullen dienen te opereren, is het immers waarschijnlijk dat overeenkomsten van nationale roaming periodiek aanpassing zullen behoeven. Aangezien het recht om bij het onderhandelen van een overeenkomst van nationale roaming om de tussenkomst van het Instituut te verzoeken slechts tijdelijk is, specifieert artikel 5, § 3, bijgevolg dat de maatregelen die het Instituut zou nemen eveneens tijdelijk zijn. Deze maatregelen kunnen dan ook nooit toepassing vinden na verloop van een periode van acht jaar na de kennisgeving van de vergunning aan de betrokken operator die recht heeft op nationale roaming. Artikel 5, § 5, specifieert dat nationale roaming de klanten van de operator die recht heeft op nationale roaming in staat dient te stellen om signalen over te brengen tussen bepaalde aansluitpunten en om met andere gebruikers te communiceren, met inbegrip van General Packet Radio Service en andere geavanceerde 2G-technologiëen, volgens dezelfde standaarden als die waarvan de klanten van de operator genieten. Zodoende zal deze operator onder meer diensten van spraaktelefonie, facsimile en korte berichten en tevens eigen diensten met toegevoegde waarde kunnen aanbieden. Daarnaast dient nationale roaming de operator die er recht op heeft in staat te stellen, waar dit technisch mogelijk is, om diensten aan te bieden die andere telecommunicatiediensten aanvullen of wijzigen. Daarbij kan gedacht worden aan tijdelijke oproepdoorschakeling, gedetailleerde facturatie, tripartiete gesprekken en "call waiting". Het advies van de Raad van State waarin werd geadviseerd te vermijden artikel 89, § 5, van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten te parafraseren in artikel 5, §§ 3 en 5, werd gevolgd in zover mogelijk. De operator die recht heeft op nationale roaming dient te beginnen met de uitbouw van zijn eigen netwerk vooraleer hij van het netwerk van de operator die nationale roaming dient aan te bieden, gebruik kan maken. Artikel 5, § 6, stelt dat, behoudens andersluidend akkoord, een overeenkomst die in nationale roaming voorziet slechts in voege treedt vanaf het ogenblik dat de operator die recht heeft op nationale roaming wel degelijk 3G-diensten aanbiedt en diens eigen netwerk een minimumdekking van 20 % van de Belgische bevolking bereikt. Nationale roaming heeft tot doel om gedurende een overgangsperiode toegang te geven tot een uitgebouwd netwerk aan wie zijn eigen netwerk nog niet heeft kunnen uitbouwen. Artikel 5, § 7, bepaalt dan ook dat dit recht op nationale roaming, behoudens andersluidend akkoord, niet geldt op die plaatsen waar de operator die recht heeft op nationale roaming zijn eigen 3G-netwerk reeds heeft uitgebouwd. Naarmate deze uitbouw vordert, zal de verplichting om nationale roaming te verlenen een geografisch steeds kleiner wordend gebied betreffen. De tussenkomst van het Instituut is slechts aangewezen wanneer commerciële onderhandelingen niet tot een overeenkomst leiden. Het is dan ook logisch dat automatisch een einde komt aan de eerste overeenkomst van nationale roaming, wanneer een overeenkomst tot nationale roaming die afgesloten werd na tussenkomst van het Instituut, gevolgd wordt door een nieuwe overeenkomst van nationale roaming waarbij het Instituut niet tussenkwam, en dit behoudens andersluidend akkoord. Artikel 5, § 9, specifieert het retail minus-tarief dat door het Instituut opgelegd kan worden als het tarief dat in het kader van een overeenkomst van nationale roaming aangerekend moet worden door de operator die nationale roaming dient aan te bieden aan de operator die recht heeft op nationale roaming. De bepaling van het tarief dat wordt aangerekend in het kader van een overeenkomst van nationale roaming is van essentieel belang. Het tarief dient immers hoog genoeg te zijn opdat de operator die nationale roaming dient aan te bieden er een redelijke bron van inkomsten in vindt, zonder evenwel dermate hoog te zijn dat de operator die recht heeft op nationale roaming niet op een adequate wijze concurrentiële diensten kan aanbieden. Het voorgestelde retail minus-tarief beantwoordt aan deze voorwaarden, nu de winst die de operator die nationale roaming dient aan te bieden maakt op diensten van nationale roaming, grosso modo overeenstemt met de winst die deze operator maakt op retail- diensten, aangeboden aan zijn eigen klanten. De beperkte winstgevendheid van dit retail minus-tarief voor de operator die recht heeft op nationale roaming zal voor hem tevens een stimulans betekenen om zijn eigen netwerk uit te bouwen. Bij het bepalen van het retail minus-tarief worden de kosten afgetrokken die gemaakt worden door de operator die nationale roaming dient aan te bieden, wanneer deze zijn diensten aan zijn klanten aanbiedt, doch die zich niet voordoen wanneer hij diensten aanbiedt in het kader van de nationale roaming. Daarbij kan onder meer verwezen worden naar de marketingkost, de kost van de facturatie aan klanten en deze van het financieel risico dat daarbij gelopen wordt, evenals naar de kost van customer services. De kosten van de operator die nationale roaming dient aan te bieden, en die eigen zijn aan het aanbieden van diensten in het kader van nationale roaming, worden dan wel weer in aanmerking genomen bij het bepalen van het retail minus-tarief. Daarbij kan ondermeer verwezen worden naar bijkomende facturatie, informatica en operationele kosten. Tenslotte heeft het Instituut het recht om bij het bepalen van het retail minus-tarief bepaalde vaste kosten in aanmerking te nemen. Daarbij kan onder meer verwezen worden naar de kost die de operator die nationale roaming dient aan te bieden, zou gemaakt hebben om de capaciteit van zijn netwerk te verhogen met het oog op het bijkomende verkeer dat zou veroorzaakt worden door de nationale roaming, op voorwaarde dat deze kost niet reeds gedekt is door het retail minus-tarief. Het in aanmerking nemen van dergelijke vaste kosten vormt echter een afwijking van de overige regels inzake de bepaling van het retail minus-tarief en zal dan ook slechts toegepast worden na grondig onderzoek van hun rechtvaardiging en van de gevolgen die het in aanmerking nemen van deze vaste kosten zouden hebben. De retail minus-prijs is uitgedrukt als een tariefbedrag per tijdseenheid. In specifieke gevallen kan de Koning oordelen dat een andere berekeningswijze meer aangewezen is, zoals een tarief per gebruik, bijvoorbeeld een tarief per gebruikte bit. Artikel 7, derde lid, verplicht de operatoren alle nodige maatregelen te nemen om alle soorten van fraude inherent aan de diensten te verhinderen. Operatoren dienen op dat gebied onder meer ten volle gebruik te maken van de voorzieningen tot bescherming tegen en ter bestrijding van diefstal en fraude gespecificeerd door de bevoegde internationale organisaties. Artikel 8 betreft de technische norm, die tot de IMT-2000 familie moet behoren; kandidaten delen de norm die zij wensen te gebruiken mee, en kunnen de norm slechts wijzigen mits voorafgaande toestemming van de Minister. Overeenkomstig artikel 9 kent het Instituut voldoende capaciteit in het nationale nummeringsplan toe aan de 3G-operator. De artikelen 10 en 11 bepalen de te betalen rechten voor het beheer van en het toezicht op elke vergunning, hetzij 12 500 euros voor het onderzoek van het dossier, en 250 000 euros als jaarlijks recht voor het beheer van de vergunning; dit laatste bedrag wordt geïndexeerd. Artikel 13 verplicht de operator jaarlijks een verslag over zijn activiteiten aan het Instituut te bezorgen. Artikel 14 vult de algemene bepalingen aan die van toepassing zijn inzake interconnectie, met name artikel 109ter van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven en het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot vaststelling van de termijnen en de algemene principes van toepassing op de commerciële onderhandelingen die worden gevoerd om interconnectieovereenkomsten te sluiten en tot vaststelling van de nadere regels voor publicatie van het referentie-interconnectieaanbod en tot vaststelling van de voorwaarden die geregeld moeten worden in de interconnectieovereenkomst. De verbindingen die bestemd zijn om de verschillende bestanddelen van het mobiele-telecommunicatienetwerk van de derde generatie van de operator onderling op elkaar aan te sluiten en die gebruikt worden met als enig doel om het verkeer van dat netwerk en de andere inlichtingen nodig voor de uitbating van dat netwerk over te brengen, zijn bij dit besluit van rechtswege toegestaan. De aansluitingsverbindingen die gedeeltelijk worden gebruikt met het oog op het leveren van andere aan het publiek aangeboden telecommunicatiediensten zijn onderworpen aan het koninklijk besluit van 22 juni 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/06/1998 pub. 24/07/1998 numac 1998014160 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetwerken sluiten betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetwerken. Artikel 15, § 1, is van toepassing op de levering van transmissielijnen door elke operator die aangemerkt is als operator met een sterke positie op deze markt : de bepalingen zijn erop gericht aan de operator een dienst met een gepaste kwaliteit te bieden, met name wat betreft de realisatietermijnen, terwijl er over gewaakt wordt dat de operator die de huurlijnendienst aanbiedt in staat is om de levering van de gevraagde lijnen behoorlijk te plannen. Dit artikel vult het koninklijk besluit van 4 oktober 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/10/1999 pub. 24/11/1999 numac 1999014263 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor de exploitatie van een dienst voor huurlijnen, meer bepaald door operatoren met een sterke positie op de markt sluiten tot vaststelling van de voorwaarden voor de exploitatie van een dienst voor huurlijnen, meer bepaald door operatoren met een sterke positie op deze markt, aan. Overeenkomstig artikel 16, § 1, moeten de diensten van de operator voor iedereen toegankelijk zijn op een niet-discriminerende basis : deze vereiste van niet-discriminatie wordt uitgebreid tot eventuele service providers door artikel 17, § 1. De mogelijkheid voor de operatoren om de toegang tot de dienst te weigeren of te schorsen, indien er een vermoeden van niet-betaling bestaat, is bestemd om hen in staat te stellen fraude te bestrijden. Operatoren die van deze mogelijkheid gebruik maken, doen dit op eigen verantwoordelijkheid en staan zelf in voor de gevolgen van misbruik van deze mogelijkheid. Artikel 17 betreft de commercialisering van de diensten en de tarieven. Mits naleving van de toepasselijke wetgeving, is de operator vrij de commercialisering van de via zijn netwerk aangeboden diensten naar eigen goeddunken te organiseren. De operator beschikt over de vrijheid zijn diensten te commercialiseren via onderscheiden vennootschappen. In voorkomend geval gaat het Instituut na of de contracten die met die ondernemingen zijn gesloten niet discriminerend zijn en een zekere bescherming van de gebruikers garanderen door de toepassing van een "gedragscode". Artikel 18, § 1, bepaalt dat het Instituut in kennis moet worden gesteld van eventuele wijzigingen in de structuur van, of in de controle op het kapitaal van de operator. Indien de Minister van oordeel zou zijn dat de nieuwe structuur van aard is de voorwaarden waaronder de vergunning is uitgereikt ernstig in het gedrang te brengen, kan hij aan de Ministerraad voorstellen de vergunning in te trekken. De Minister gaat in het bijzonder na of nog steeds voldaan is aan de voorwaarden inzake onafhankelijkheid tussen de verschillende operatoren. Artikel 18, § 2, heeft betrekking op de geldigheidsduur van de vergunning : deze is vastgelegd op twintig jaar teneinde de operator in staat te stellen de aanzienlijke investeringen die vereist zijn voor de ontplooiing van een mobiel communicatienetwerk van de derde generatie, te recupereren. De Koning zal discretionair mogen beslissen de vergunning te verlengen met periodes van vijf jaar. Hierbij zal de Koning bijzondere aandacht schenken aan de bevoegdheid van de overheid om het beleid van het land inzake telecommunicatie te bepalen, rekening houdend met de evolutie van deze sector. Artikel 19 regelt het toezicht op de naleving van de voorwaarden van het bestek en van de vergunning. Het Instituut hoort, in voorkomend geval, de operator en stelt hem in gebreke, waarbij hem een regularisatietermijn wordt meegedeeld, en de administratieve geldboete die hem kan worden opgelegd indien hij niet aan de ingebrekestelling tegemoet komt. Blijft de operator verder in gebreke, dan kan het Instituut aan de Minister voorstellen om de vergunning te schorsen of in te trekken. Bij schorsing of intrekking van de vergunning heeft de 3G-operator geen recht op terugbetaling van betaalde rechten (het recht voor de uitreiking van de vergunning, het uniek concessierecht, het recht voor het beheer van de vergunning, het recht voor de terbeschikkingstelling van frequenties). Artikel 22, § 2, definieert de kwantiteit van het radioelektrisch spectrum die initieel aan iedere operator wordt toegewezen. De mobiele systemen van de derde generatie zullen moeten worden aangelegd in de frequentiebanden die vastgelegd zijn in Beslissing ERC/DEC/
- i)een rechtstreeks of onrechtstreeks belang, uitgedrukt via aandelenbezit, stemrechten, of het recht om zulke aandelen of stemrecht te verwerven, bezitten in een kandidaat of in personen waarin de kandidaat zelf zo'n belang heeft, dat 10 % of meer van het totaal aantal stemrechten verbonden aan de uitstaande maatschappelijke rechten (of een bepaalde categorie van maatschappelijke rechten) van de betrokken kandidaat vertegenwoordigt en (
- ii)die beschikken over vertrouwelijke informatie of die de kandidaat bijstaan bij de toekenning van de vergunning. Deelnemingen van minder dan 10 % en deelnemingen die geen recht geven op controle zijn toegelaten indien er geen uitwisseling is van vertrouwelijke informatie of geen bijstand wordt verleend aan een kandidaat. Indien een belang in een kandidaat echter ontstaat met het oog op de toewijzing bij opbod (bijvoorbeeld indien de eigendomsstructuur enkele weken voor de toewijzing bij opbod wordt gewijzigd), vervalt deze minimumdrempel en wordt elk rechtstreeks of onrechtstreeks belang in een kandidaat - hoe gering ook - in aanmerking genomen voor de bepaling van de hoedanigheid van verbonden persoon, op voorwaarde uiteraard dat er tevens sprake is van bezit van vertrouwelijke informatie of van bijstand. Door deze regeling kan tevens voorkomen worden dat kandidaten hun eigendomsstructuur zouden organiseren met het oogmerk om buiten het toepassingsgebied van deze regels te vallen (bijvoorbeeld via een consortium van aandeelhouders die elk 9,9 % zouden aanhouden). Artikel 29 laat de kandidaten toe een schriftelijk verzoek om inlichtingen te sturen aan het Instituut. Teneinde de vraag om inlichtingen en het eventueel antwoord hierop vlug te kunnen publiceren op de website van het Instituut, moet de vragensteller een versie van de vraag bijvoegen waaruit zijn identiteit niet blijkt. Deze bepaling beoogt de transparantie van de procedure. Deze bepaling beoogt tevens de kandidaten identieke en zoveel mogelijk informatie te verschaffen over het verloop van de procedure. Artikel 30, § 2, bepaalt dat het verboden is voor een kandidaat om wijzigingen aan te brengen aan de elementen die in zijn kandidatuur werden meegedeeld, onverminderd §§ 3 en 4. Artikel 30, § 2, tweede lid, legt een informatieverplichting op ingeval zich een wijziging voordoet met betrekking tot bepaalde verklaringen van de kandidaat, als gevolg van feiten of gebeurtenissen waarop de kandidaat geen enkele invloed kan uitoefenen. Artikel 30, § 3, bepaalt dat wijzigingen in de eigendomsstructuur van een kandidaat of met hem verbonden personen, vanaf het indienen van de kandidatuur tot aan de toekenning van de vergunning, verboden zijn, tenzij deze wijzigingen ontstaan ingevolge : - De terugtrekking van een lid uit het consortium; of - Fusies of acquisitie-activiteiten die de kandidaat of een met hem verbonden persoon betreffen, en die niet tot voornaamste doel hebben een verband te creëren met het oog op de procedure tot toekenning van de vergunning. Indien de fusie of acquisitie tot gevolg heeft dat meerdere kandidaten met elkaar worden verbonden, dient dit verband binnen de drie dagen of binnen een langere periode zoals door de Minister toegestaan, te worden opgeheven. Na de toekenning van de vergunning komt het aan de toezichthoudende mededingingsautoriteit toe om te oordelen of wijzigingen in de eigendomsstructuur van een vergunningshouder toegelaten zijn, onverminderd artikel 18. Artikel 33 beschrijft de structuur van het kandidatuurdossier en de inlichtingen die erin moeten voorkomen. De gedetailleerde samenstelling van het dossier zal op zo'n manier door het Instituut worden vastgelegd dat een objectieve beoordeling van de ontvankelijkheid van de verschillende ingediende dossiers zal worden vergemakkelijkt. Het spreekt voor zich dat het kandidatuurdossier, overeenkomstig de Belgische wetgeving inzake het taalgebruik in administratieve zaken, in het Nederlands of in het Frans moet worden opgesteld. Een Engelse vertaling is niet verplicht, maar mag bijgevoegd worden. Artikel 34 bepaalt dat de kandidaat een bedrag ten belope van 75 miljoen euros als waarborg dient te betalen op rekening van de Belgische Staat. Dit bedrag is gelijk aan de helft van het minimum uniek concessierecht dat wordt bepaald in artikel 25. Deze bepaling heeft tot doel te vermijden dat kandidaten die niet ernstig zijn een kandidatuur indienen. Alle transfertcommissies en alle andere kosten en taksen, die op de betaling bedoeld in artikel 34 worden geheven of ingehouden, zijn ten laste van de opdrachtgever. Artikel 35 bevat de noodzaak van de economische onafhankelijkheid waaraan een kandidaat moet voldoen om aan de toewijzing bij opbod te kunnen deelnemen. Een kandidaat mag geen verbonden persoon zijn ten aanzien van een andere kandidaat. Daarnaast mogen kandidaten niet beschikken over een gemeenschappelijke relevante verbonden persoon. Kandidaten die zich in deze situatie bevinden, dienen voor de toewijzing bij opbod te beslissen wie van hen kandidaat is. Indien zij dit niet doen en zich toch allen kandidaat stellen, zullen zij in principe uitgesloten worden van de toewijzing bij opbod. Volledigheidshalve wordt vermeld dat de Minister een uitzondering op dit principe kan toestaan of de kandidaten die zich in deze situatie bevinden kan toestaan zich te reorganiseren of zich terug te trekken. Artikel 36 schrijft voor dat het Instituut controleert of de kandidaten rechtspersonen zijn (artikel 31), of zij in voorkomend geval voldoen aan de vereisten inzake roaming (artikel 32), de waarborg betaalden (artikel 34), welke hun toestand inzake controle is (artikel 35), en of de kandidatuur volledig is (artikel 33). Artikel 39 laat de Minister toe om, bij wijze van uitzondering, een vrijstelling te verlenen aan kandidaten die met elkaar verbonden of geassocieerd zijn, en hen toch tot de toewijzing bij opbod toe te laten, indien
- a)het verband tussen hen van tijdelijke aard is;en
- b)het verband niet tot stand werd gebracht met het oog op de toewijzing bij opbod;en
- c)kandidaten voldoende maatregelen hebben getroffen teneinde te verzekeren dat zij geen invloed op elkaars beleid kunnen uitoefenen, en er geen vertrouwelijke informatie over elkaars bod kan worden verspreid. Bij wijze van voorbeeld kunnen de maatregelen in punt c onder meer omvatten : de verbintenis om één van de belangen in een kandidaat te vervreemden, de benoeming van onafhankelijke bestuurders die op onafhankelijke wijze het biedproces van elk van beide kandidaten zullen leiden, de verklaring vanwege de ultieme moedervennootschappen dat zij alle maatregelen hebben genomen teneinde te vermijden dat zij controle kunnen uitoefenen op het biedgedrag van beide kandidaten, of nog, een verklaring dat zij zich zullen onthouden van dergelijke gedragingen, de opgave van de lijst van alle betrokkenen bij het biedproces van elk van beide kandidaten, waarborgen dat deze niet deelnemen aan het biedproces van de andere kandidaat, alsook verklaringen en waarborgen van elk der betrokken personen waarin zij verklaren dat ze niet over vertrouwelijke informatie beschikken over de andere kandidaat en dat zij zich zullen onthouden van colluderend biedgedrag. Artikel 44 verbiedt de kandidaten handelingen te stellen die de procedure kunnen manipuleren. Artikel 44, § 1, verbiedt in het bijzonder afspraken tussen kandidaten of met derden die de procedure zouden kunnen beïnvloeden. Artikel 44 § 2 beoogt in het bijzonder te vermijden dat kandidaten exclusieve leveringscontracten afsluiten voor apparatuur. Dit zou er immers toe kunnen leiden dat andere kandidaten niet deelnemen aan de toewijzing bij opbod omdat zij vrezen dat er voor hen onvoldoende of geen apparatuur beschikbaar zal zijn of omdat ze niet in staat zijn de nodige informatie te vergaren omtrent de prijzen van de apparatuur voor hun business plan. Artikel 50 bepaalt dat in de eerste fase, per groep van geassocieerde bieders, een subtoewijzing bij opbod wordt georganiseerd. In de eerste fase van de toewijzing bij opbod brengen de kandidaten om beurt een bod uit, in de volgorde bepaald door het Instituut. De artikelen 52, § 3, en 56, § 2, leggen op dat een bod in een bepaalde ronde, moet gesitueerd zijn tussen een minimum en een maximum; dit mechanisme beoogt de dynamiek van de toewijzing te vrijwaren, door te verbieden dat kandidaten zeer snel zeer hoog bieden, en beoogt tevens kandidaten te beschermen tegen fouten (bijvoorbeeld een nul teveel schrijven) bij het uitbrengen van hun bod. Artikel 55, § 4, bepaalt dat een kandidaat die deelnam aan de eerste fase, in de eerste ronde van de tweede fase gehouden blijft door het laatste en hoogste bod dat hij uitbracht in de eerste fase. Dit is belangrijk om te vermijden dat een kandidaat in de eerste fase zeer hoog biedt om een met hem geassocieerde bieder uit te sluiten, maar er op speculeert dat hij vervolgens in de tweede fase lager kan bieden. Artikel 62, § 1, beschrijft de inbreuken die automatisch leiden tot uitsluiting van de procedure. Het gaat om inbreuken die de gelijkheid van de kandidaten in het gedrang brengen. In antwoord op het advies van de Raad van State stelt de Regering, naar analogie met het tuchtrecht, dat enkel de sancties dienen bepaald (nulla poena sine lege), maar zulks niet geldt voor de inbreuken, die in casu niet op voorhand definieerbaar zijn. ("L'absence de codification des manquements ou fautes professionnelles peut s'expliquer par la specificité d'une matière touchant à la fois à la pratique évolutive... » DU JARDIN, J., "Le contrôle de légalité exercé par la Cour de cassation sur la justice disciplinaire au sein des ordres professionnels", J.T., 2000, 627-628). Er werd rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Telecommunicatie, R. DAEMS ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 19 septembre 2000 door de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste een maand, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie", heeft op 9 oktober 2000 het volgende advies gegeven : Bijzondere opmerkingen Aanhef Eerste lid Artikel 7 van de wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1979 pub. 24/06/2011 numac 2011000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de radioberichtgeving is opgeheven bij artikel 2 van de wet van 3 juli 2000. Het kan dus niet de rechtsgrond vormen van het ontworpen besluit. Artikel 11 van dezelfde wet is gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 1/91 van het Arbitragehof van 7 februari 1991. Het eerste lid dient dus als volgt te worden gesteld : « Gelet op de wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1979 pub. 24/06/2011 numac 2011000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de radioberichtgeving, inzonderheid op artikel 11, vervangen bij de wet van 22 december 1989, gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 1/91 van het Arbitragehof van 7 februari 1991 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994, en op artikel 13; ». Tweede lid Dat lid dient als volgt te worden geformuleerd : « Gelet op de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, inzonderheid op artikel 89, § 1, vervangen bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 december 1999, en op artikel 92bis, vervangen bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 1999, bij het koninklijk besluit van 21 december 1999 en bij de wet van 3 juli 2000; ». Derde en vierde lid De volgorde van die twee leden dient te worden omgekeerd zodat de vermeldingen van alle vereiste adviezen en akkoordbevindingen worden samengebracht. Zevende lid Het zevende lid dat betrekking heeft op het door de Raad van State gegeven advies dient te worden vervangen door de twee volgende leden : « Gelet op het besluit van de Ministerraad over het verzoek om advies door de Raad van State binnen een termijn van een maand; Gelet op advies 30.700/4 van de Raad van State, gegeven op 2 oktober 2000, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; ». Dispositief Artikel 1 In onderdeel 7° dient het woord "controllers" tussen haakjes te vervallen. Onderdeel 30° is strikt genomen geen definitie. Verder is het nut van deze bepaling niet duidelijk voor de afdeling wetgeving van de Raad van State. Artikel 3 1. In artikel 3, § 1, eerste lid, 4°, van het ontwerp wordt de norm voor de dekkingsgraad van het grondgebied na zes jaar vastgesteld op 85 % "als streefnorm" voor de operatoren aan wie de vergunning tot exploitatie van een "3G"-netwerk toegekend wordt.Volgens de uitleg van een van de gemachtigden van de minister wordt met de woorden "als streefnorm" een norm bedoeld die alleen geldt als inspanningsverbintenis en niet als resultaatsverbintenis. Deze uitlegging kan niet worden aanvaard. In werkelijkheid dienen die woorden, afzonderlijk beschouwd, in die zin te worden opgevat dat een norm wordt vastgesteld die als dusdanig op de operatoren van toepassing is. Deze uitlegging wordt bevestigd in de verdere tekst van onderdeel 4°, die de Koning machtigt om die "streefnorm" te herzien, maar alleen "om gegronde redenen, op grond van de resultaten van zijn evaluatie van de toestand van de ontplooiing van de netwerken van de 3G-operatoren na het vijfde jaar". De verklaring voor deze regeling dient hierin te worden gezocht dat het moeilijk is nu reeds zekerheid te hebben omtrent de haalbaarheid van een dekking waarbij zes jaar na de kennisgeving van de vergunning de streefnorm van 85 % wordt bereikt. Onderdeel 4° in zijn geheel dient bijgevolg aldus te worden opgevat dat aan de operatoren wel degelijk een norm opgelegd wordt, met dien verstande dat eventueel een koninklijk besluit tot stand kan komen waarbij die norm kan worden herzien om dat probleem te verhelpen. Om alle dubbelzinnigheid te voorkomen, dienen bij wijze van besluit de woorden "als streefnorm die" in artikel 3, § 1, eerste lid, 4°, te worden vervangen door de woorden "welke dekkingsgraad". Verder dient het eerste lid, 4°, preciezer te worden geformuleerd, inzoverre het de Koning machtigt om na zes jaar de "streefnorm" van 85 % te herzien "op grond van de resultaten van zijn evaluatie van de toestand van de ontplooiing van de netwerken van de 3G-operatoren na het vijfde jaar". Het ontwerp dient op zijn minst aan te geven welke omstandigheden de Koning ertoe kunnen aanzetten de oorspronkelijk bepaalde dekkingsgraad te herzien. Volgens het beginsel van de rechtszekerheid moeten de operatoren immers bij het indienen van hun kandidaturen in kennis gesteld zijn van de verplichtingen die hen kunnen worden opgelegd en van de voorwaarden waaronder die verplichtingen op essentiële punten kunnen worden gewijzigd, precies opdat zij dat onzekere gegeven in de evaluatie van hun aanbod kunnen beoordelen. Dit moet meer bepaald het geval zijn wanneer, zoals in casu, de toekenning van de vergunningen geregeld is volgens een procedure van toewijzing "bij opbod". Bovendien dient te worden vastgesteld dat, in tegenstelling tot het bepaalde in de artikelen 89 en 92bis van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten wat het ontworpen besluit betreft, er in de Ministerraad niet moet worden beraadslaagd over het koninklijk besluit dat kan worden vastgesteld voor deze eventuele herziening van de norm van 85 %. Deze opdracht van bevoegdheid aan de Koning, die alleen op grond van de medeondertekening van de bevoegde minister handelt, is aanvaardbaar op voorwaarde dat rekening gehouden wordt met de opmerking die juist gemaakt is. 2. In dezelfde bepaling dienen de woorden "op voorstel van de Minister" te vervallen, aangezien de Koning hoe dan ook niet kan handelen zonder diens medeondertekening.Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 18, § 2, tweede lid, en 19, § 3, tweede lid. 3. In paragraaf 1, derde lid, wordt bepaald dat de minister in geval van overmacht afwijkingen van de bepalingen van het eerste lid kan toestaan. Zulk een bepaling heeft tot gevolg dat de normen bepaald in het eerste lid waarborgverplichtingen worden, met het enige voorbehoud dat de minister op discretionaire wijze afwijkingen kan toekennen ingeval de operatoren geconfronteerd worden met gevallen van overmacht waardoor ze hun netwerk niet kunnen uitbouwen. Zoals het derde lid geformuleerd is, zou de minister immers zelfs in geval van overmacht kunnen weigeren afwijkingen toe te staan. Een dergelijke bevoegdheid toekennen aan de minister lijkt buitensporig. Deze opmerking geldt voor de overige bepalingen van het ontwerp die in dezelfde machtiging voorzien. Ze zouden niet vatbaar zijn voor dezelfde kritiek indien de woorden "kunnen worden" zouden worden vervangen door het woord "worden". De bevoegdheid van de minister zou aldus gekoppeld worden aan de gevolgen van de overmacht voor de verplichtingen van de operatoren. 4. De conclusie is dan ook dat artikel 3, § 1, van het ontwerp dient te worden herdacht om met die opmerkingen rekening te houden. Artikel 5 Op de vraag wat de rechtsgrond is van de onderhavige bepaling en welke sancties van toepassing zijn op de "2G-operatoren" die de hun opgelegde verplichtingen niet zouden nakomen, heeft een van de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord : « 1. La décision 128/1999/CE du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 1998 relative à l'introduction coordonnée dans la Communauté d'un système de communications mobiles et sans fil (UMTS) de troisième génération prévoit en son article 4, deuxième alinéa : « Les Etats membres peuvent, si nécessaire et conformément au droit communautaire, prendre les mesures qui s'imposent pour assurer la couverture des régions à faible densité de population". Cet article doit s'interpréter à la lumière du considérant 19 de la décision : « Considérant que des formes de coopération particulière entre les opérateurs pourront se révéler nécessaires pour assurer la couverture des régions à faible densité de population; que la présente décision n'empêche pas les Etats membres d'imposer des formes adéquates d'itinérance nationale entre les opérateurs bénéficiant d'une autorisation sur leur territoire dans la mesure nécessaire pour assurer une concurrence équilibrée et non discriminatoire". 2. En application des articles 92bis, § 1,
- n)et 122 de la loi du 21 mars 1991, le projet d'arrêté royal susmentionné impose aux opérateurs 2G qui auront obtenu une autorisation 3G, ou dont une société au groupe pertinent duquel ils appartiennent aura obtenu une autorisation 3G, de fournir aux opérateurs 3G qui ne possèdent aucun réseau existant en Belgique (et dont le groupe pertinent ne compte aucun opérateur 2G), le roaming national sur leur réseau 2G aux conditions prévues à l'article 5 du projet d'arrêté royal susmentionné. Cette obligation est acceptée, en application de l'article 34, § 2, 12°, et de l'annexe II dudit projet d'arrêté royal, par les opérateurs 2G comme condition de recevabilité de leur candidature à une autorisation 3G. L'obligation de fournir le roaming national ne trouvera à s'appliquer que si l'opérateur 2G, ou un opérateur au groupe pertinent auquel il appartient, devient titulaire d'une autorisation 3G. L'article 122 de la loi du 21 mars 1991 prévoit : « Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, avant le 31 décembre 2001, abroger, compléter, modifier ou remplacer les dispositions de cette loi, afin de prendre toutes les mesures nécessaires pour exécuter les obligations découlant des directives en vigueur de l'Union européenne". Le droit communautaire ne connaissant pas une hiérarchie prédéterminée entre les différentes formes décisionnelles (K. Lenaerts et P. Van Nuffel, Europees recht, 1999, n° 656), les obligations découlant de la décision 128/1999 tombent également sous l'application de cet article 122. L'article 92bis, § 1,
- n)de la loi du 21 mars 1991 prévoit que le Roi fixe les conditions formant un cahier de charges. Celles-ci peuvent porter sur : «
- n)les conditions visant à prévenir un comportement anti-concurrentiel, et notamment les mesures permettant d'assurer que les tarifs sont non discriminatoires et n'entraînent pas de distorsion de la concurrence". 3. En cas de non-respect par un opérateur 2G, qui a signé la déclaration de l'annexe II et qui est devenu titulaire d'une autorisation 3G, de son obligation d'offrir le roaming national aux autres opérateurs 3G dans les conditions de l'article 5 dudit projet d'arrêté royal, les sanctions prévues à l'article 19 dudit projet d'arrêté royal seront applicables.4. En outre, lorsqu'un opérateur 2G qui a signé la déclaration de l'annexe II devient titulaire d'une autorisation 3G, ou si une société au groupe pertinent auquel l'opérateur 2G appartient devient titulaire d'une autorisation 3G, l'obligation d'offrir le roaming national aux autres opérateurs 3G dans les conditions de l'article 5 dudit projet d'arrêté royal devient une des obligations de la licence 2G dudit opérateur 2G. En conséquence, en cas de non respect de cette obligation d'offrir le roaming national, les sanctions liées à un tel non respect peuvent s'appliquer. Ces sanctions reprises dans le texte de l'autorisation 2G résultent des articles 87, § 2,
- n)et 92bis, § 1,
- m)de la loi du 21 mars 1991 ainsi qu'ils ont été introduit dans le cahier des charges des opérateurs 2G établis par les articles 18 et 19 de l'arrêté royal du 7 mars 1995 et établis par les articles 22 à 24 de l'arrêté royal du 24 novembre 1997. Ceux-ci prévoient la possibilité pour l'IBPT, en cas de non respect des conditions des autorisations, de mettre l'opérateur 2G en demeure de satisfaire à ces conditions, sous peine d'amende, avec la possibilité de faire suspendre voire révoquer l'auto-risation par le ministre. 5. En outre, les dispositions générales de l'article 109quater peuvent également trouver à s'appliquer en cas de non respect par les opérateurs 2G de leurs obligations.». Het is twijfelachtig of artikel 122 van de voormelde wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten waarnaar in de aanhef niet verwezen wordt
- a)à
- t)de la loi et que chaque autorisation fixe les conditions d'établissement du réseau, en ce comprises les conditions visées à l'article 92bis de la loi, ainsi que celles de la fourniture du service concerné. Il est indiqué dans les travaux préparatoires de la loi du 21 mars 1991 : « (...) Par rapport à l'ancien texte de l'article 89, § 2bis, la loi a préféré utiliser les termes communément admis plutôt que les belgicismes qu'étaient mobilophonie et sémaphonie. Ces deux types de services utilisent des fréquences existant en nombre limité et présentent des caractéristiques d'intérêt général, il est donc nécessaire de limiter a priori le nombre d'opérateurs. (...) Les opérateurs de service de communications mobiles offerts au public recevront une autorisation qui couvrira à la fois le service et le réseau nécessaire à la fourniture de celui-ci". Le projet d'arrêté royal susmentionné prévoit ainsi que les autorisations 3G sont incessibles. Ce choix résulte directement de la nature hybride des autorisations octroyées conformément à l'article 89, § 1 de la loi du 21 mars 1991 qui portent tant sur l'offre de services mobiles que sur le réseau nécessaire à la fourniture de ceux-ci. Une caractéristique essentielle de ces autorisations est l'utilisation de fréquences radio dont la quantité est limitée. C'est la raison pour laquelle, ainsi que cela est précisé dans les travaux préparatoires, l'utilisation des fréquences présente des caractéristiques d'intérêt général. Cet intérêt général doit se comprendre au regard de l'obligation générale qui incombe à l'autorité d'opérer une gestion efficace du spectre radioélectrique. C'est ainsi que le Roi décide que l'intérêt général requiert que les autorisations 3G, au même titre que les autorisations 2G octroyées en vertu des arrêtés royaux du 7 mars 1995 et du 24 novembre 1997, seront incessibles. ». Artikel 89 van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten bepaalt niet of de vergunning voor het exploiteren van een mobiele telefoondienst al dan niet kan worden overgedragen. Artikel 92bis, vijfde lid, daarentegen bepaalt dat de vergunning voor de exploitatie van een openbaar telecommunicatienetwerk kan worden "overgedragen,... door de minister in de vorm en overeenkomstig de voorwaarden door de Koning bepaald bij een in de Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut. ». Hoewel kan worden aanvaard dat het beperkte aantal vergunningen impliceert dat de overdraagbaarheid van de vergunningen moet worden beperkt teneinde enige mededinging te garanderen, dient er, gelet op artikel 92bis van de wet, te worden voorzien in strikte voorwaarden voor de overdraagbaarheid van de vergunning in plaats van te bepalen dat de vergunningen absoluut onoverdraagbaar zijn. De Koning is immers wel bevoegd om voorwaarden te bepalen voor de overdraagbaarheid van de vergunning voor de exploitatie van een openbaar telecommunicatienetwerk, doch niet om elke overdracht te verbieden. Artikel 19 Er zou moeten worden aangegeven om welke bedragen het in paragraaf 4 gaat (retributies, moratoire intresten?) en dat het bedragen betreft die met toepassing van dit besluit zijn betaald. Artikel 21 In de regel mag de Koning alleen bepalen dat ter uitvoering van de wet overeenkomsten moeten worden gesloten wanneer de wet zulks uitdrukkelijk voorschrijft. Artikel 21, § 2, derde lid, behoort dan ook te vervallen. In voorkomend geval is het aan de Koning zelf de regels voor het behandelen van klachten vast te leggen. Artikel 26 In dit ontworpen artikel dienen alleen gehandhaafd te blijven de bepaling waarbij de termijn wordt bepaald waarbinnen de frequenties die vroeger door het Ministerie van Landsverdediging werden gebruikt ter beschikking van de operatoren moeten worden gesteld en de bepaling naar luid waarvan het door de minister vastgestelde bedrag van de schadeloosstelling die verschuldigd is aan de vorige gebruiker van de frequentieband begrepen is in het eenmalig concessierecht dat de 3G-operator moet betalen. De bepalingen waarbij louter interne aangelegenheden van de besturen in kwestie worden geregeld en de bepaling naar luid waarvan het bedrag van de schadeloosstelling aan het Ministerie van Landsverdediging moet worden betaald
- In paragraaf 3 behoort het woord "veiling" niet te worden gebruikt. Het gaat immers niet om een verkoop. Het is beter te werken met de uitdrukking "procedure tot toekenning van de vergunning" of, wanneer slechts een deel van die procedure uitdrukkelijk bedoeld wordt, met de uitdrukking "toewijziging bij opbod". Deze opmerking geldt voor alle bepalingen van het ontwerp.
- In paragraaf 4, tweede lid, zou het beter zijn te bepalen dat de gegadigden worden uitgesloten in plaats van te stellen dat de kandidaturen nietig zijn. Deze opmerking geldt ook voor artikel
- Artikel 34
- Paragraaf 1, 3°, behoort te vervallen.De Koning kan immers het gebruik van de talen niet regelen, aangezien die aangelegenheid krachtens artikel 30 van de Grondwet uitsluitend tot de bevoegdheid van de wetgever behoort.
- In paragraaf 2, 2°, is het woord "posities" niet geschikt;wellicht wordt daar "hoedanigheden" bedoeld. Deze opmerking geldt ook voor onderdeel 14°. Naar aanleiding van de opmerking die infra over artikel 35 wordt gemaakt, dienen de onderdelen 8°, 9° en 13° te vervallen. Artikel 35 Deze bepaling van het ontwerp voorziet in de storting van een "waarborg" van 75 miljoen euro. Volgens artikel 34, § 2, 13°, en bijlage III, zou de gegadigde bij de indiening van zijn kandidatuur moeten verklaren dat hij van zijn waarborg afziet wanneer wordt vastgesteld dat hij zich niet aan sommige bepalingen van het ontwerp houdt. Naar aanleiding van een verzoek om die bepaling te rechtvaardigen, heeft een van de gemachtigden van de minister het volgende geantwoord : « Het Koninklijk Besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie (het Koninklijk Besluit 3G) bevat onder meer de vormvereisten voor deelname aan de procedure tot toekenning van de vergunningen en de voorwaarden om een vergunning te verkrijgen. Te dien einde bepaalt hoofdstuk 3 van het Koninklijk Besluit 3G een aantal voorschriften met betrekking tot de wijze van kandidatuurstelling, het verloop van de veiling en de toekenning van de vergunningen. Een van de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de kandidatuurstelling is opgenomen in artikel 35 van het Koninklijk Besluit 3G : de kandidaat moet een bedrag ten belope van 75 miljoen Euro storten op rekening van de Belgische Staat. Dit bedrag is gelijk aan de helft van het minimum uniek concessierecht. Deze ontvankelijkheidsvoorwaarde heeft tot doel te vermijden dat kandidaten die niet ernstig zijn een kandidatuur indienen. De waarborg van de kandidaten die geen vergunning verkrijgen, wordt in principe aan hen teruggestort. Het Koninklijk Besluit 3G bevat een aantal specifieke maatregelen voor welbepaalde inbreuken op de veilingregels (bijvoorbeeld beroep op paskaarten indien een kandidaat zijn bod laattijdig uitbrengt of plaatsing van het bod indien een kandidaat uit de eerste fase zijn bod in de tweede fase niet gestand doet). Voorts kan het Instituut alle nuttige maatregelen nemen vereist in het belang van het ordelijk verloop en de praktische organisatie van de veiling. Het stelt vast welke inbreuken leiden tot nietigheid van het bod of uitsluiting van de veiling. Het is evenwel de Minister die de beslissing tot uitsluiting van de veiling neemt. In een aantal gevallen beslist de Minister automatisch tot uitsluiting :
- in geval van schending van artikel 45 van het Koninklijk Besluit 3G (verbod op uitwisseling van vertrouwelijke informatie en verbod op het afsluiten van overeenkomsten met leveranciers van software indien deze tot een beperking van diens mogelijkheden om aan andere operatoren te leveren zouden leiden);en
- indien de kandidaat de veiling manipuleert of poogt te manipuleren. De sanctie voor dergelijke ernstige inbreuken is dus de uitsluiting uit de veiling. Ook indien de kandidaten substantiële vormvereisten schenden, kan de Minister hen op voorstel van het Instituut uitsluiten van verdere deelname aan de veiling. De facto betekent dit evenwel dat, behoudens de mogelijkheid van de overheid om een klacht met burgerlijke partijstelling neer te leggen bij de bevoegde onderzoeksrechter of klacht neer te leggen bij de bevoegde mededingingsautoriteiten, de gevolgen voor een kandidaat waarvan wordt vastgesteld dat hij de veiling manipuleert gelijk zijn aan de gevolgen voor een kandidaat die niet hoger kan of wil bieden : immers, in beide gevallen zal de kandidaat niet meer kunnen deelnemen aan de veiling en geen vergunning bekomen. De consultants met betrekking tot de veilingprocedure dringen er sterk op aan dat er voor dergelijke gevallen een werkelijke "stok achter de deur" zou zijn; in andere landen werden financiële sancties voorzien die de veilingautoriteit onmiddellijk kon toepassen. Om een sanctiemechanisme op te leggen met betrekking tot de voorschriften van het Koninklijk Besluit 3G moet een wettelijke basis voorhanden zijn. Het sanctiemechanisme opgenomen in artikel 109quater en 114 van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven is evenwel niet afdoende om als sanctiemechanisme te fungeren in het kader van de veiling. Hoewel het Instituut wel toepassing zal kunnen maken van deze bepalingen, zijn de voorziene procedure en de sancties te tijdrovend en niet adequaat om een nuttig gevolg te hebben tijdens de veiling. Men ziet niet goed hoe, in geval van manipulatie van de veiling, het Instituut de kandidaat in gebreke zou stellen, horen, en vervolgens zijn "aansluiting afkoppelen", zonder de veiling te blokkeren. Het is daarnaast, naar onze mening, naar Belgisch recht (artikel 14 G.W. resp. artikel 6 EVRM), niet mogelijk een (nieuw) strafsanctiesysteem in te voeren in het Koninklijk Besluit 3G omdat in de Wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven onvoldoende wettelijke grondslag voorhanden is om aan het legaliteitsbeginsel te voldoen. Om die reden werd het dus niet mogelijk geacht om een stelsel van (forse) financiële sancties op te nemen in het koninklijk besluit. De oplossing die werd gezocht, om het afschrikkend en preventief effect ten opzichte van kandidaten in het geval van ernstige veilingfraude te behouden, is gesteund op het verbintenissenrecht. Voor die gevallen van ernstige fraude onderschrijven de kandidaten een eenzijdige verbintenis tot afstand van de rechtsvordering om hun waarborg (dit is het initieel gestorte bedrag overeenkomstig artikel 35, de aanvullende stortingen overeenkomstig artikel 50 en de interesten) terug te bekomen; deze verbintenis is gestandaardiseerd in Bijlage 3, die kandidaten, op straffe van onontvankelijkheid van hun kandidatuur, onderschrijven. Middels de verklaring doen de kandidaten afstand van rechtsvordering op terugbetaling van de waarborg (artikel 63, § 2) in uitzonderlijke gevallen van ernstige inbreuk op de veilingregels. De kandidaten doen afstand van hun recht tot vordering tot terugbetaling van de waarborg in de volgende gevallen :
- schending van artikel 45, betreffende het verbod van uitwisseling van vertrouwelijke informatie en het verbod om beperkende overeenkomsten met leveranciers te sluiten die kandidaten ervan zouden kunnen weerhouden om deel te nemen;
- schending van artikel 56, § 4, betreffende de verplichting voor een kandidaat om zijn hoogste bod uit de eerste fase te hernemen bij de aanvang van de tweede fase (indien de kandidaat zijn "hoog bod" uit de eerste fase niet handhaaft, betekent dit de facto dat hij in de eerste fase andere kandidaten elimineerde);
- manipulatie van de veiling of poging tot manipulatie van de veiling;
- niet-betaling, laattijdige of onvolledige betaling van het saldo van de vergunning. Het is belangrijk te noteren dat in elk van deze gevallen een specifieke maatregel voorzien is : in het eerste en derde geval sluit de Minister de kandidaat uit van de veiling; in het tweede geval plaatst de Minister het bod op een vergunning en is dit bod bindend voor de kandidaat die zelf zijn bod niet plaatste; in het vierde geval wordt de operator die in gebreke blijft, vervallen verklaard van zijn vergunning. De afstand van recht wordt gedefinieerd als een rechtshandeling die ertoe strekt een subjectief recht, waarvan de betrokkene titularis is, uit te doven. Zoals de persoonlijke vrijheid aan de basis van de rechtsuitoefening ligt, in die zin dat elk rechtssubject - binnen de grenzen van het objectieve recht - naar goedvinden bepaalt of en in welke mate het subjectieve recht zal worden uitgeoefend, zo rechtvaardigt die individuele vrijheid (en de, erop gestoelde wilsautonomie) het besluit dat de titularis van een subjectief recht daarvan afstand kan doen, wanneer zij niet steunen op regels van openbare orde en goede zeden (CORNELIS, L., Algemene theorie van de verbintenis, 2000, Antwerpen, Interscientia). De afstand van recht is geldig indien hij :
- vaststaand en zeker is (dit resulteert in casu uit de uitdrukkelijke en schriftelijke verklaring van de kandidaat middels ondertekening van bijlage 3), en 2.geen bepalingen van openbare orde of dwingend recht schendt (de verklaring afstand te doen van het recht op terugbetaling van een geldsom in geval van manipulatie van de veiling lijkt ons niet strijdig met de openbare orde, noch met bepalingen van dwingend recht), en
- aan de voorwaarden voor de totstandkoming van de verbintenis, voldaan is (VAN OMMESLAEGHE, P., Rechtsverwerking en afstand van recht; T.P.R., 1980, 135). Hoewel de afstand van recht voornamelijk in overeenkomsten wordt opgenomen, is het perfect mogelijk dat de afstand van recht de vorm van een eenzijdige rechtshandeling aanneemt. Daartoe is enkel vereist dat de titularis op grond van een geldige wilsuiting afstand doet van zijn recht, hij bekwaam is, de afstand betrekking heeft op een bepaald of bepaalbaar en geoorloofd voorwerp heeft, en de titularis op basis van een geoorloofde oorzaak handelt. De twee eerste voorwaarden kunnen moeilijk a priori geverifieerd worden. Aan de derde en vierde voorwaarde is in casu voldaan. De schuldeiser geeft door die rechtshandeling te kennen dat hij geen aanspraak zal maken op een bepaald recht : op voorwaarde dat de schuldeiser rechtsgeldig kan beschikken over het recht, is een dergelijke afstand van recht geldig. De schuldenaar wordt door de afstand van recht bevrijd : in casu betekent dit dat, indien bepaalde omstandigheden zich voordoen, de Minister bevrijd is van de terugbetaling van de waarborg. Deze bevrijding van de terugbetaling van de waarborg is geen sanctie die in werking treedt naar willekeur van de Minister, zij is het gevolg van (i) de eenzijdige wilsverklaring van de kandidaat en (ii) het gegeven dat de kandidaat bepaalde, hem toerekenbare, daden stelt die een schending uitmaken van het Koninklijk Besluit 3G en waarvan hij verklaard heeft dat hij, indien hij deze daden stelt, geen aanspraak zal maken op terugbetaling van de waarborg. Het recht om de waarborg terug te vorderen in de aangegeven gevallen, vervalt op het ogenblik dat de kandidaat de verklaring ondertekent en meedeelt, dus nog voor de veiling aanvangt, op het ogenblik dat de kandidaat zijn kandidatuur indient. De Minister sanctioneert de kandidaat niet door in geval van manipulatie of niet-betaling de waarborg niet terug te betalen, in tegenstelling tot een sanctie, die wordt opgelegd door de overheid, gaat het in casu om een automatisch effect van de eenzijdige wilsverklaring van afstand van recht van de kandidaat. Het weze beklemtoond dat de afstand van rechtvordering pas effect sorteert op het ogenblik dat wordt vastgesteld dat de kandidaat de veiling manipuleert of zijn vergunning niet betaalt. De verklaring doet daarenboven niets af aan de mogelijkheid dat de strafrechter, de mededingingsautoriteiten of de burgerlijke rechter een boete of schadevergoeding oplegt aan de kandidaat die de veilingsregels schond (bijvoorbeeld in uitvoering van artikel 314 van de Strafwet). Omdat het gaat om gevallen van ernstige fraude, zijn de consultants van oordeel dat de kandidaten een dergelijke verbintenis zullen onderschrijven (het tegendeel zou betekenen dat zij voornemens zijn de veiling te manipuleren of de vergunning niet te betalen), en dat het, waarschijnlijk, niet nodig zal zijn er in werkelijkheid een beroep op te doen. Vermits het gaat om een contractueel engagement, een eenzijdige verbintenis van de kandidaat, sluit de rechtsgrondslag aan bij het burgerlijk recht, en wordt vermeden het domein van het strafrecht - waar wij in conflict zouden komen met het legaliteitsbeginsel - te betreden. Het spreekt voor zich dat een kandidaat die niet akkoord gaat met de vaststelling door het Instituut en de beslissing van de Minister omtrent de manipulatie van de veiling, steeds voor de bevoegde rechtbank de niet-terugbetaling van de waarborg zal kunnen betwisten. Indien de bevoegde rechtbank oordeelt dat niet voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van de afstand van recht, kan de rechtbank alsnog de terugbetaling van de waarborg bevelen. Op bovenstaande wijze wordt er, onder voorbehoud van Uw advies, gepoogd het vraagstuk van ongrondwettigheid te vermijden. ». De storting van de waarborg en de verklaring waarvan in bijlage 3 sprake is, zijn voorwaarden om te kunnen deelnemen aan de procedure voor de toekenning van de administratieve vergunning. Wanneer de "waarborg" niet wordt teruggestort, kan zulks alleen als een sanctie worden geïnterpreteerd. Ongeacht of die sanctie strafrechtelijk dan wel administratief van aard is, mist ze hoe dan ook elke rechtsgrond, aangezien de Koning niet bevoegd is om bij niet-naleving van de regels van de procedure tot toekenning van de vergunning enige andere sanctie op te leggen dan de uitsluiting uit die procedure. Deze bepaling behoort dan ook te vervallen en vervolgens moeten alle bepalingen waarin naar die waarborg wordt verwezen, gewijzigd of opgeheven worden. Artikel 45 Zowel in paragraaf 1 als in paragraaf 2 dienen de woorden "Onverminderd artikel 63" te worden geschrapt. Een gelijkaardige opmerking geldt voor artikel
- Artikel 54 Het is onjuist om in de onderdelen 3° en 4° van "sub-clausule" te spreken. Er behoort respectievelijk te worden geschreven "die onder onderdeel 3° ressorteren" en "op grond van onderdeel 4°". HOOFDSTUK III In hoofdstuk III, afdeling 3, is de onderafdeling betreffende de "Praktische organisatie van en (het) toezicht op de veiling" niet onderafdeling 3 maar onderafdeling
- Artikel 63 De eerste zin van paragraaf 1 van deze bepaling moet grondig worden herzien. Daarin wordt immers niet aangegeven welke inbreuken naar gelang van het geval leiden tot de nietigheid van het bod of tot de uitsluiting van de procedure van toewijzing bij opbod. Voorts is er een discrepantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst. Volgens de Nederlandse tekst zou het Instituut zich ertoe beperken de inbreuk vast te stellen en daarvan kennis te geven aan de minister, die terzake beslissingsbevoegdheid zou hebben. De Franse tekst wekt daarentegen de indruk dat het Instituut over de soevereine bevoegdheid beschikt om te beslissen welke tekortkomingen tot nietigheid of uitsluiting leiden. Aangezien de laatstvermelde interpretatie niet kan worden aanvaard, moet de Franse tekst in overeenstemming worden gebracht met de Nederlandse. Ten slotte ziet de afdeling wetgeving niet goed in wat het verschil is tussen de strafbare feiten bedoeld in onderdeel 1° en onderdeel 2° van paragraaf 1, gelet op de reeds zeer ruime kwalificatie van de strafbare feiten in artikel 45 van het onderzochte besluit. Artikel 64 Krachtens artikel 89, § 1, derde lid, van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, is het aan de Koning en niet aan de Ministerraad om de vergunning toe te kennen. Artikel 67 De Koning is niet bevoegd om de schuldaansprakelijkheid van de Staat of het Instituut te regelen. Deze bepaling dient dan ook te vervallen. Artikel 69 Deze bepaling dient als volgt te worden gesteld : « Art. 69.Onze minister bevoegd voor telecommunicatie is belast met de uitvoering van dit besluit. ». Slotopmerkingen
- In de hoofdstukken II en III moet voor de nummering van de afdelingen en onderafdelingen met hoofdtelwoorden in Romeinse cijfers worden gewerkt, behalve, wat het Frans betreft, voor "Sous-section première" en "Section première". De paragrafen van een artikel worden genummerd met hoofdtelwoorden in Arabische cijfers