📄 Wettekst
18 JANUARI 2001. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Aan het einde van de twintigste eeuw ondergaat de telecommunicatiesector belangrijke wijzigingen, waaronder het spectaculaire succes van mobiele telefoondiensten gebaseerd op de pan-Europese GSM-norm enerzijds en de opmerkelijke ontwikkelingen van de toepassingen op het wereldwijde informatienetwerk (het Internet) anderzijds.
Daarom streven de ondernemingen in deze sector ernaar die twee domeinen te doen convergeren door de invoering van mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie, die precies diensten van het Internet en andere geavanceerde diensten op mobiele radio-eindapparatuur willen aanbieden. Deze systemen vormen een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling van de informatiemaatschappij.
Binnen de Internationale Telecommunicatie Unie ontwikkelt en standaardiseert men nieuwe systemen, onder de benaming IMT-2000 ("International Mobile Telecommunications"). Op Europees niveau werkt het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen (ETSI) de technische specificaties van het UMTS-systeem ("Universal Mobile Telecommunications System") uit.
De Europese Commissie steunt de gecoördineerde invoering van dit nieuwe communicatiesysteem in de Europese Unie. Beschikking nr. 128/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 1998 betreffende de gecoördineerde invoering van de derde generatie van mobiele draadloze communicatiesystemen (UMTS) in de Gemeenschap, hierna beschikking 128, legt aan de Lidstaten op om, tegen 1 januari 2000, een systeem van vergunningen in te stellen, met het oog op de invoering van de bedoelde diensten uiterlijk vanaf 1 januari 2002.
Het gaat om diensten voor mobiele draadloze communicatiesystemen van de derde generatie die in het bijzonder geschikt zijn voor innovatieve multimediadiensten en waarin gecombineerd gebruik kan worden gemaakt van terrestrische en satellietcomponenten.
Beschikking 128 vermeldt onder meer dat moet worden gezorgd voor een snelle toegang tot de markt om, via voldoende concurrentie, te komen tot een ononderbroken wereldwijde dekking met lage kosten en tot een innoverend dienstenaanbod. Daarom mag het aantal individuele vergunningen slechts worden beperkt wanneer er een aantoonbaar gebrek bestaat aan frequentiespectrumcapaciteit. Voorts dienen de vergunningen te worden verleend op basis van objectieve, niet-discriminerende, gedetailleerde en evenredige criteria, ongeacht of een aanvrager van een vergunning al dan niet een bestaande exploitant van andere systemen is.
Het doel van dit koninklijk besluit bestaat er in de vergunningsprocedure voor mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie uit te werken en het bestek ervan vast te stellen.
Dit koninklijk besluit bevat vier hoofdstukken : - Hoofdstuk I : Terminologie en Definities; - Hoofdstuk II : Bestek van toepassing op 3G-operatoren; - Hoofdstuk III : Procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatie-systemen van de derde generatie; - Hoofdstuk IV : Slotbepalingen.
Hoofdstuk II, het bestek, heeft de volgende doelstellingen : 1. Het legt een aantal criteria op aangaande de permanentie en kwaliteit van de aangeboden dienst, met name in termen van dekkingsgraad van de bevolking, onder meer dankzij de nationale roaming, het tijdsschema van de ontplooiing van het netwerk, de bescherming van de abonnees en van de gegevens, de universele telefoongids, de vereiste samenwerking met de gerechtelijke instanties, de nooddiensten en de ombudsdienst. 2. Het legt een aantal minimumvoorwaarden vast betreffende de betrekkingen tussen de 3G-operatoren, enerzijds, en de diverse betrokken partijen (de 2G-operatoren, de Staat, het Instituut, enz.) anderzijds.
De eerste reeks voorwaarden verschilt niet erg van de voorwaarden vervat in de besluiten met betrekking tot de 2G-operatoren, m.n. het koninklijk besluit van 7 maart 1995, zoals gewijzigd bij
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van GSM-mobilofoon-netten en het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten.
Het is een belangrijke doelstelling van de regering dat de gehele bevolking zal kunnen genieten van het aanbod van deze nieuwe diensten.
Essentieel is de voorwaarde tot uitbouw van het eigen netwerk, waarbij de 3G-operator een dekkingsgraad van de bevolking moet bereiken van 30 % na drie jaar, van 40 % na vier jaar, en van 50 % na 5 jaar.
Bij het einde van het zesde jaar geldt een streefnorm : de beoogde dekkingsgraad bedraagt 85 %. De na te streven dekkingsgraad kan herzien worden, onder meer rekening houdend met de volgende elementen : - De bereikte dekking na het vijfde jaar; - De technische ontwikkelingen; - De behoeften van de consument; - De evoluties in de markt; - De beschikbaarheid van apparatuur; - De economische haalbaarheid van de dekkingsgraad voor de operatoren; - Het algemeen belang.
In tegenstelling tot de 30 %, 40 % en 50 % normen, die resultaatsverbintenissen uitmaken in hoofde van de operatoren, is de 85 % norm een streefnorm, die een middelenverbintenis uitmaakt in hoofde van de operatoren.
De Koning kan deze streefnorm na vijf jaar bij in Ministerraad overlegd besluit herzien, door het percentage van de dekkingsgraad te wijzigen, indien dit aangewezen is om feitelijke, technische of economische redenen, of ingegeven wordt door het algemeen belang. De opsomming van factoren die tot herziening van de nagestreefde dekkingsgraad aanleiding kunnen geven, is indicatief. Een limitatieve opsomming is niet wenselijk omdat het moeilijk te voorspellen is welke factoren de haalbaarheid van de streefnorm zes jaar na de kennisgeving van de vergunning kunnen beïnvloeden.
Aangaande de tweede doelstelling behoeft vooral de bepaling inzake nationale roaming toelichting, aangezien deze bepaling nieuw is. Deze bepaling wordt ingevoegd krachtens artikel 89, § 5, van de
wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
18/01/2016
numac
2015000792
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
09/01/2013
numac
2012000673
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 2 januari 2001. In zijn advies over dit besluit heeft de Raad van State immers opgemerkt dat de regeling inzake roaming onvoldoende wettelijke grondslag had.
Die wettelijke basis werd intussen tot stand gebracht.
De overheid hecht groot belang aan de ontwikkeling van een effectieve mededinging op de markt. Dit zal de consument ten goede komen, zowel wat de kwaliteit als de prijs van de diensten betreft die de operatoren aanbieden, en zal de innovatie stimuleren.
Beschikking 128 voorziet uitdrukkelijk dat er geen discriminatie mag zijn tussen de GSM-operatoren en de nieuwkomers op de UMTS-markten.
Naar alle waarschijnlijkheid zullen zowel operatoren die reeds over een vergunning als 2G-operator beschikken of die behoren tot de relevante groep van zulke 2G-operator, als operatoren die niet beschikken over een vergunning als 2G-operator, een vergunning als 3G-operator verkrijgen. Deze laatste operatoren zullen ten opzichte van de eerste operatoren geconfronteerd worden met een structureel nadeel, nu ze noch over een eigen netwerk voor mobiele radiocommunicatie beschikken, noch een bestaande klantenbasis hebben waaraan ze hun diensten kunnen aanbieden.
Vandaar het belang om, tijdelijk, bestaande nationale netwerken ter beschikking te stellen van 3G-operatoren via nationale roaming.
De praktijk in het buitenland toont aan dat de operatoren onderling er niet steeds in slagen overeenkomsten met betrekking tot nationale roaming af te sluiten via commerciële onderhandelingen. Om te vermijden dat een overeenkomst met betrekking tot nationale roaming niet kan afgesloten worden in het kader van commerciële onderhandelingen, is het noodzakelijk, gedurende een overgangsperiode, aan 2G-operatoren of personen verbonden met een 2G-operator, die een 3G-vergunning hebben verworven, de verplichting op te leggen hun netwerk ter beschikking te stellen van operatoren die een 3G-vergunning verwierven maar nog niet over een eigen netwerk in België beschikken. Teneinde de goede toepassing van deze maatregelen te garanderen, voorziet het besluit in bepaalde interventiemogelijkheden van het Instituut.
Teneinde te vermijden dat bestaande 2G-operatoren zich aan deze verplichting zouden onttrekken via een structurering van het vehikel dat de exploitatie van de 3G-vergunning zal garanderen, wordt deze verplichting uitgebreid tot de controlegroep waartoe de 2G-operator behoort, met inbegrip van consortia.
Het doel van nationale roaming is dus om, gedurende een overgangsperiode, toegang te geven tot een uitgebreid netwerk aan de operator die zelf zijn eigen netwerk nog niet heeft kunnen uitbouwen.
Het bestek bepaalt dan ook dat het recht op nationale roaming niet geldt in die geografische zones waar de operator die recht heeft op nationale roaming, zijn eigen 3G-netwerk reeds heeft uitgebouwd.
Het overgangskarakter van nationale roaming blijkt eveneens uit de omstandigheid dat iedere tussenkomst van het Instituut inzake nationale roaming na acht jaar na de kennisgeving van de vergunning aan de operator die recht heeft op nationale roaming, afloopt. Op die manier kan nationale roaming nooit een structureel alternatief vormen voor het uitbouwen van een eigen netwerk; dergelijke uitbouw blijft de verplichting van elke 3G-operator.
De bepalingen betreffende de nationale roaming vormen een evenwichtig systeem dat tegelijkertijd de concurrentie stimuleert en de belangen van de consumenten beschermt, met name in minder dicht bevolkte gebieden, daarbij rekening houdend met de financiële last verbonden aan de investeringen die de 2G-operatoren in het verleden hebben gedaan.
Daarenboven zal de beperkte winstgevendheid van het retail minus-tarief dat de operator die recht heeft op nationale roaming, betaalt tevens een stimulans betekenen om zijn eigen netwerk uit te bouwen.
De 3G-vergunningen betreffen de normen van de IMT 2000-familie, waarbij de Europese instanties de UMTS-norm bevorderen.
Het besluit bevat verder bepalingen inzake het nummeringsplan, interconnectie, en toegang voor service providers.
Alle kandidaten betalen een recht van 12 500 euros voor het onderzoek van hun dossier. Verder betalen de vergunninghouders jaarlijks aan het Instituut een aan de consumptieindex aangepast recht voor het beheer van de vergunning van 250 000 euros, en een recht voor de terbeschikkingstelling van frequenties van 125 000 euros per megahertz bandbreedte in simplex- of duplexmode.
De vaststelling van de hoogte van het uniek concessierecht, dit is de prijs waartegen de vergunning zal worden uitgereikt, geschiedt op basis van de procedure vastgelegd in dit besluit; het gaat om een eenmalige, vooruit te betalen som, voor de aflevering van de vergunning, die geldig zal zijn voor 20 jaar.
De Minister zal instaan voor de vrijmaking van de frequenties die nodig zijn voor deze systemen van de derde generatie; daartoe zal de Minister een overeenkomst sluiten met het Ministerie van Landsverdediging; de hieruit resulterende kosten worden aangerekend op de ontvangsten van de onderhavige procedure tot toekenning.
Indien een 3G-operator de vergunnings- of bestekvoorwaarden niet nakomt, wordt hij door het Instituut in gebreke gesteld met opgave van een regularisatietermijn; vervolgens kan hem een administratieve geldboete worden opgelegd op basis van de wet. De operator wordt gehoord en het Instituut kan aan de Minister voorstellen om de vergunning te schorsen of in te trekken. Deze beslissing wordt bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit genomen.
Er bestaan in hoofdzaak twee types van procedure voor de toekenning van vergunningen : de vergelijkende selectieprocedure en de toewijzing bij opbod.
Voor de toekenning van de 2G-vergunningen, werd de vergelijkende selectieprocedure weerhouden. Voor de toekenning van vergunningen voor mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie, is een procedure van toewijzing bij opbod meer aangewezen dan een vergelijkende selectieprocedure.
Inderdaad, de diensten die door de 3G-operatoren zullen kunnen worden aangeboden, evenals de onderliggende technologie zijn nog onvoldoende gekend, zodat er nog geen selectiecriteria kunnen worden vastgelegd die pertinent, objectief, niet-discriminerend, gedetailleerd en evenredig zouden zijn in de zin van beschikking 128.
Een toewijzing bij opbod laat de marktspelers zelf toe om de waarde van een 3G-vergunning op basis van een eigen business plan te bepalen.
Men dient inderdaad steeds voor ogen te houden dat de markt beter geplaatst is dan de overheid om de waarde van deze 3G-vergunningen te bepalen. Door de marktspelers toe te laten zich onderling te onderscheiden, en door aan de kandidaten ontvankelijkheidscriteria op te leggen, en kwalitatieve criteria voor te schrijven betreffende de voorwaarden van de vergunningen, beheert de overheid op een efficiënte manier het radioelektrisch spectrum, zoals verplicht door de Europese reglementering.
Een toewijzing bij opbod biedt, naast haar objectief en niet-discriminerend karakter, ook het voordeel van transparantie.
Er wordt verwacht dat deze selectiemethode de belangstelling van nieuwkomers voor de Belgische telecommunicatiemarkt zal verhogen, aangezien zij niet moeten vrezen dat de 2G-operatoren een voorkeursbehandeling zouden krijgen vanwege de overheid, wat overigens zou ingaan tegen de bepalingen van beschikking 128.
Om voorgaande redenen heeft de overheid de procedure van toewijzing bij opbod gekozen voor de toekenning van 3G-vergunningen. Andere landen van de Europese Unie, zoals Duitsland, Nederland of het Verenigd Koninkrijk, hebben overigens ook voor een veilingsprocedure gekozen.
Een toewijzing bij opbod dient correct te verlopen en tot een eerlijke, objectieve selectie, op basis van een marktconforme prijs te leiden; daartoe bepaalt het koninklijk besluit criteria met betrekking tot de ontvankelijkheid van de kandidaturen, kwalitatieve eisen in verband met hun gebruik van de vergunning, regels met betrekking tot de deelname en procedureregels met betrekking tot het bieden.
Het besluit bevat, in Hoofdstuk III, regels met betrekking tot de eigendomsstructuren van de kandidaten; hun belang is het volgende : vooreerst strekken zij ertoe te verzekeren dat de kandidaten tijdens de toewijzing bij opbod werkelijk onafhankelijk van elkaar optreden, vervolgens moeten deze regels garanderen dat vergunningen worden toegekend aan economisch onafhankelijke partijen. Terwijl na de toekenning van de vergunningen, de nationale en Europese mededingingsautoriteiten er op zullen toezien dat een daadwerkelijke mededinging wordt gehandhaafd, dienen in het procedurebesluit de nodige regelingen opgenomen ter vrijwaring van de daadwerkelijke mededinging tijdens de procedure en bij de toekenning van de vergunningen.
Dit besluit bevat daartoe een reeks maatregelen die moeten vermijden dat (i) kandidaten hun gedrag op elkaar zouden afstemmen teneinde het verloop of de uitslag van de toewijzing bij opbod te beïnvloeden of te manipuleren, (ii) kandidaten die deel uitmaken van dezelfde economische eigendomsstructuur allen een vergunning zouden verkrijgen en (iii) kandidaten de mogelijkheid zouden hebben hun biedgedrag aan te passen teneinde andere kandidaten waarmee zij op enigerlei wijze verbonden zijn, te begunstigen. De maatregelen die hiertoe worden voorgesteld zijn hierna beschreven.
Gedurende de ontvankelijkheidsfase zullen kandidaten die tot eenzelfde controlegroep behoren niet kunnen deelnemen aan de toewijzing bij opbod. Een dergelijk verband wordt immers geviseerd onder de ontvankelijkheidsregels. Teneinde na te gaan of er sprake is van een controlegroep, wordt verwezen naar de gangbare Belgische definities vervat in Boek I, Titel II, Hoofdstuk II van het Wetboek van Vennootschappen. Teneinde alle onduidelijkheid weg te nemen omtrent het bestaan van controleverbanden zoals in het geval van een 50/50 aandeelhoudersschap, waarbij het voor twijfel vatbaar kan zijn of een van de partners geacht kan worden over een controlebevoegdheid te beschikken, wordt het niveau van waar controle wordt vermoed, vastgesteld op 50 %.
Naast de controlegroep van een kandidaat, wordt tevens rekening gehouden met personen die slechts een geringe deelneming bezitten in een kandidaat, doch die in het bezit zijn van vertrouwelijke informatie met betrekking tot de biedstrategie of het businessplan van deze kandidaat, of die deze kandidaat bijstaan met het oog op de toewijzing bij opbod.
Alle personen die behoren tot de controlegroep van een kandidaat, of die behoren tot een controlegroep van de personen met een geringe deelneming, doch die in het bezit zijn van vertrouwelijke informatie of bijstand verlenen, zullen worden vermoed met een kandidaat verbonden personen te zijn. Het principe inzake kandidaten die tot dezelfde controlegroep behoren, resulteert in twee concrete regels : (i) een kandidaat mag geen verbonden persoon zijn ten aanzien van een andere kandidaat, en (ii) kandidaten mogen niet beschikken over een gemeenschappelijke verbonden persoon. Indien kandidaten zich niettemin in dergelijke situatie ten opzichte van elkaar zouden bevinden, dienen de betrokken kandidaten te beslissen wie van hen zal deelnemen aan de toewijzing bij opbod of hun respectievelijke groepen te reorganiseren. Indien zij onderling geen beslissing treffen, of in gebreke blijven hun structuur aan te passen, mag geen van hen deelnemen aan de toewijzing bij opbod.
Bij het definiëren van eigendomsstructuren is het tevens noodzakelijk rekening te houden met rechtstreekse en onrechtstreekse vormen van eigendom en uitoefening van stemrechten, via managementovereenkomsten, allerhande tussenpersonen en andere methodes die kunnen leiden tot de effectieve controle over het gedrag van een kandidaat tijdens de toewijzing bij opbod. De regeling uitgewerkt in dit besluit is erop gericht te vermijden dat de opsplitsing van eigendoms- of andere rechten, zoals in de Angelsaksische landen vaak gebeurt via trusts, partnerships of andere structuren, kandidaten zou toelaten wijzigingen aan te brengen in hun controlestructuur die tot gevolg zullen hebben dat hun economische eigendom wijzigt (en derhalve het risico op bied- of prijsafspraken toeneemt), zonder dat hun juridische eigendomsstructuur verandert. Ook zullen voorwaardelijke of toekomstige zeggingschapsrechten over een kandidaat, bijvoorbeeld via contracten onder opschortende voorwaarde, termijncontracten, warrants, of andere, in aanmerking worden genomen alsof de voorwaarde of de tijdsbepaling niet zou zijn geschreven, tenzij de voorwaarde kadert in een fusie of acquisitie, en een goedkeuring door een bevoegde controleoverheid of door het bestuursorgaan betreft van een der partijen die zich tegen de transactie verzet.
In bepaalde gevallen wordt tussen ontvankelijke kandidaten een eerste fase van de toewijzing bij opbod georganiseerd, teneinde uit te maken welke van de geassocieerde bieders mogen deelnemen aan de eigenlijke toewijzing bij opbod, met name de tweede fase van de toewijzing bij opbod. Immers substantiële kruisparticipaties die, weliswaar onder de controledrempel, in het bezit zijn van een aandeelhouder die aandeelhouder is van meerdere kandidaten, doch die slechts één kandidaat bijstand verleent met betrekking tot de toewijzing bij opbod, en die niet beschikt over vertrouwelijke informatie met betrekking tot meerdere kandidaten, dienen te worden geëlimineerd; zulks geschiedt in een eerste fase van de toewijzing bij opbod, waarin deze geassocieerde bieders tegen elkaar uitkomen. Het risico op informatielekken, bied- of prijsafspraken of manipulatie tijdens de procedure is immers niet ondenkbeeldig.
Hetzelfde geldt voor kandidaten die een dergelijk associatieverband hebben ten opzichte van een bestaande 2G-operator. Indien immers meerdere 3G-vergunningen zouden worden toegekend binnen een groep die tevens één of meerdere 2G-operatoren controleert, doet dit ernstige vragen rijzen omtrent de vooruitzichten en de werking van de markt gedurende en na de toewijzing bij opbod. Bij wijze van voorbeeld kan worden gesteld dat het weinig wenselijk zou zijn om aan twee onafhankelijke operatoren een 3G-vergunning toe te kennen indien beide een aanmerkelijk belang zouden bezitten in een bestaande 2G-operator, die er belang bij heeft om met beide verbonden 3G-operatoren afspraken te maken.
Winnaars van de eerste fase van de toewijzing bij opbod zijn uiteraard verplicht hun hoogste bod over te dragen naar de tweede fase van de toewijzing bij opbod, als minimale inzet. Aldus wordt het onmogelijk gemaakt dat een kandidaat hoog zou bieden in de eerste fase, teneinde een concurrent uit te schakelen, en zijn bod niet zou handhaven in de tweede fase.
Dit systeem werd eveneens voorzien in het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk. Deze gedetailleerde regels dienen kandidaten ertoe aan te zetten hun eigendomsstructuur op zodanige wijze te organiseren dat elke vorm van associatie tussen kandidaten wordt uitgesloten en dat de eerste fase van de toewijzing bij opbod niet georganiseerd hoeft te worden.
Wijzigingen in de eigendomsstructuur van de kandidaten gedurende de toewijzing bij opbod zijn niet toegestaan. Daarentegen zal het aan een met een kandidaat verbonden lid toegestaan zijn zich terug te trekken uit een consortium zonder evenwel te worden vervangen. Deze regel strekt er onder meer toe te verhinderen dat personen verbonden met een kandidaat tijdens de toewijzing bij opbod hun steun zouden wijzigen ten gunste van een andere kandidaat.
Daarenboven zal het aan een met een kandidaat verbonden persoon toegestaan zijn om zijn eigen groep te herstructureren via overnames, fusies of de oprichting van nieuwe vennootschappen, indien deze transacties niet tot doel hebben een verband te doen ontstaan met het oog op de toewijzing bij opbod. Aangezien kandidaten in de regel specifiek worden opgericht en gefinancierd met het oog op de toewijzing bij opbod, zal het feit dat een transactie voornamelijk werd geïnspireerd met het oog op de veiling worden vermoed, indien de transactie betrekking heeft op de kandidaat zelf, dan wel op de perso(o)n(en) die de kandidaat controleren. Indien, ingevolge deze transactie, kandidaten met elkaar verbonden worden of geassocieerde bieders worden, dient het verband tussen beiden daarenboven binnen drie werkdagen te worden opgeheven, teneinde te vermijden dat de uitsluitingsregels van toepassing worden of dat deze kandidaten aan de eerste fase van de toewijzing bij opbod moeten deelnemen.
De Minister is op elk ogenblik gerechtigd uitzonderingen toe te staan op het principe dat verbonden kandidaten of geassocieerde bieders niet samen deel kunnen nemen aan de tweede fase van de toewijzing bij opbod, indien de voorwaarden die het besluit bepaalt, vervuld zijn.
Deze regel heeft tevens tot doel de kandidaten ertoe aan te zetten om mogelijke conflicten of twijfelgevallen mede te delen aan de bevoegde overheid, die bevoegd is op voorhand een vrijstelling te verlenen.
Teneinde te vermijden dat antimededingingspraktijken of prijsafspraken zich zouden voordoen na de procedure tot toekenning, zal de vergunning persoonlijk zijn en leden van eenzelfde relevante groep zullen daarenboven slechts over één vergunning kunnen beschikken. In voorkomend geval, kan het Instituut aan de Minister voorstellen, wegens niet-naleving van deze regels de vergunning te schorsen of in te trekken. Het is daarenboven meer dan waarschijnlijk dat concentraties van vergunningen ingevolge fusies of acquisities na de procedure tot toekenning niet toegelaten zijn op grond van de toepasselijke mededingingsregels.
Tenslotte zullen alle personen die in het bezit zijn van vertrouwelijke informatie zoals werknemers, bestuurders, adviseurs van een kandidaat of onafhankelijke derden (bij voorbeeld financiers) aan wie dergelijke informatie werd meegedeeld, worden vermoed ingewijden te zijn. Zij zullen zich dienen te houden aan de regels betreffende het verbod van verspreiding van vertrouwelijke informatie, op straffe van uitsluiting van de kandida(a)t(en) die het voorwerp van deze vertrouwelijke informatie vorm(t)(en).
Het Instituut is gelast met de praktische organisatie en staat in voor het ordelijk verloop van de procedure, en kan daartoe alle nuttige maatregelen nemen.
Kandidaten kunnen vragen over de procedureregels en de kandidaatstelling aan het Instituut overmaken, dat deze slechts ten gronde beantwoordt indien het van oordeel is dat het antwoord bijdraagt tot het goed verloop van de procedure en de gelijkheid van de kansen van de kandidaten; eventuele antwoorden en vragen worden door het Instituut bekendgemaakt, doch zonder de identiteit van de vraagsteller prijs te geven.
Het besluit bevat regels betreffende de wijze van indiening van de kandidaturen en het dossier dat elke kandidaat moet samenstellen. Het gaat om ontvankelijkheidsvoorwaarden, net zoals de betaling van een waarborg van 75 miljoen euro, wat nodig is om de kandidaturen te beperken tot ernstige rechtspersonen. De kandidaten zijn trouwens tijdens de veiling verplicht hun waarborg tijdig aan te passen aan de hoogte van hun bod, telkens hun bod een veelvoud van 150 miljoen euro overschrijdt, en dit vanaf 450 miljoen euro.
De Koning neemt op verslag van het Instituut de beslissing over de ontvankelijkheid van de kandidaturen. De Minister heeft, zoals hoger reeds vermeld, een beperkte mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen van de regels inzake controleverbanden of associatieverhoudingen, indien de voorwaarden opgesomd in artikel 39 cumulatief vervuld zijn.
Een kandidaat kan slechts één vergunning toegekend krijgen en kan slechts op één vergunning tegelijk bieden.
De Minister mag ervan afzien de procedure te organiseren, indien er niet meer ontvankelijke kandidaten zouden zijn dan het aantal toe te kennen vergunningen.
Kandidaten, verbonden personen en ingewijden dienen het vertrouwelijk karakter van informatie met betrekking tot de kandidaturen en biedingen te respecteren, en, gelet op dezelfde bezorgdheid om de daadwerkelijke mededinging te vrijwaren, mogen zij geen akkoorden afsluiten met leveranciers van uitrusting of van software die andere kandidaten ervan zouden weerhouden mee te dingen naar een vergunning.
Indien er geassocieerde bieders zijn, strekt de eerste fase ertoe uit te maken wie van hen deel zal nemen aan de eigenlijke toewijzing bij opbod; per groep van geassocieerde bieders wordt een subtoewijzing bij opbod georganiseerd.
In de tweede fase heeft de eigenlijke toewijzing bij opbod plaats.
Indien er een eerste fase werd georganiseerd, zijn de kandidaten die daaraan deelnamen, en die aan de tweede fase mogen deelnemen, verplicht om het hoogste bod dat zij in de eerste fase uitgebracht hebben, als minimumbod in de tweede fase uit te brengen.
Na de toewijzing bij opbod kent de Koning de vergunning telkens toe aan de kandidaat die voor die vergunning het hoogste bod uitbracht. Op het ogenblik van de toekenning van de vergunning, wijzigt de aard van de waarborg, inbegrepen de intrest, en wordt deze beschouwd als betaling van het eerste deel van het uniek concessierecht. Na de kennisgeving van deze beslissing, dient de kandidaat het saldo van gehele bedrag van het unieke concessierecht te voldoen, namelijk het bedrag van zijn hoogste bod, te verminderen met zijn waarborg, inbegrepen de intrest.
Indien onvoorziene omstandigheden of het algemeen belang het rechtvaardigen, kan de Minister de procedure stopzetten of schorsen.
Dit besluit vindt zijn grondslag in de artikelen 89 §§ 1 en 5, 92bis en 117bis van de
wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
18/01/2016
numac
2015000792
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
09/01/2013
numac
2012000673
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming van sommige economische overheidsbedrijven die toelaten om het bestek en de vergunningsprocedure aan te nemen, alsook in de
wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/07/1979
pub.
24/06/2011
numac
2011000394
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de radioberichtgeving.
Artikelsgewijze commentaar Artikel 2 beschrijft de aard en de draagwijdte van de vergunning die op basis van dit besluit wordt toegekend. Het spreekt vanzelf dat de vergunningen die verleend worden krachtens dit besluit in geen geval afbreuk doen aan de rechten van de betrokken operatoren om elke andere telecommunicatiedienst aan te bieden overeenkomstig en binnen de grenzen van het toepasselijke reglementaire kader.
De vergunning die op basis van dit besluit wordt uitgereikt, stelt de operator niet vrij van naleving van de overige wettelijke bepalingen die op zijn werkzaamheden van toepassing zijn, onder andere de wetgeving inzake ruimtelijke ordening, de verschillende belastingen, bijdragen en taksen en de wetgeving inzake het taalgebruik. De operator moet eveneens de verplichtingen en regels naleven die op hem van toepassing zijn krachtens de overeenkomst van de Internationale Telecommunicatie Unie, het Radioreglement, de internationale akkoorden en de reglementering van de Europese Gemeenschap.
Overeenkomstig bijlage I bij de beschikking 128 biedt het door de operator opgezette netwerk minstens de volgende toepassingen : a) Multimediamogelijkheden, toepassingen voor volledige mobiliteit en beperkte mobiliteit in verschillende geografische omgevingen die verder gaan dan de mogelijkheden van GSM-systemen;b) Efficiënte toegang tot Internet, intranetten en andere op het Internet Protocol (I/P) gebaseerde diensten;c) Spraaktransmissie van hoge kwaliteit, vergelijkbaar met die van vaste netwerken;d) Portabiliteit van de diensten tussen verschillende omgevingen van de derde generatie, waar passend (bijvoorbeeld openbaar/particulier/ zakelijk;vast/mobiel); e) Gebruik in één enkele draadloze omgeving, die volledige roaming omvat met GSM, alsmede tussen de terrestrische en satellietcomponenten van netwerken van de derde generatie. Artikel 3 stelt de minimale doelstellingen vast van dekking door het netwerk : de snelheid van de ontplooiing die thans wordt opgelegd is minder sterk dan deze voor de GSM-netwerken in België in het verleden.
Zij houdt echter rekening met de moeilijkheden bij de aanleg van een nieuw netwerk en de wens om het commercieel aanbod van performante diensten te bevorderen.
Artikel 3 bevat drie absolute normen (behoudens gevallen van overmacht) en één streefnorm.
De absolute normen van 30 %, 40 % en 50 % maken resultaatsverbintenissen uit in hoofde van de operatoren; de 85 % norm is een streefnorm, die een middelenverbintenis uitmaakt.
De Koning zal eventueel afwijkingen kunnen toestaan op de streefnorm in bepaalde omstandigheden, onder andere in geval het voor de operatoren manifest onmogelijk is om de vastgestelde ontplooiing te halen. Conform het advies van de Raad van State dient gesteld dat het evenwel inderdaad niet mogelijk is nu reeds exhaustief aan te geven welke die omstandigheden zullen zijn. Dit zal van de feitelijke evolutie afhangen. De dekking van de bevolking gebeurt ten laatste gedurende het zesde jaar, op homogene wijze over heel het land.
Op dezelfde manier stelt artikel 4, § 1, een redelijke maximumtermijn vast voor de commerciële aanbieding van de dienst maar die termijn zal eventueel door de Minister worden aangepast in geval van overmacht.
Artikel 4, § 2, omschrijft de doelstellingen inzake kwaliteit en beschikbaarheid van de dienst waaraan de operator moet beantwoorden.
Deze criteria die als handelsreglementeringen moeten worden aanzien in de zin van het Europese Gemeenschapsrecht, moeten het mogelijk maken om aan de gebruikers een goed presterende dienst te garanderen, rekening houdend met het feit dat die mobiele diensten moeten worden beschouwd als een openbare dienst en dat de concurrentie beperkt zal blijven tot een beperkt aantal operatoren.
Artikel 5 gaat over de nationale roaming. Gelet op het aantal te begeven vergunningen zullen zowel operatoren die reeds over een 2G-vergunning beschikken (of tot wiens relevante groep een 2G-operator behoort) als operatoren die niet beschikken over een 2G-vergunning houder worden van een vergunning als 3G-operator. Deze laatsten zullen, ten opzichte van de eerste operatoren, geconfronteerd worden met een structureel nadeel, aangezien ze niet beschikken over een eigen netwerk voor mobiele radiocommunicatie en evenmin een bestaand klantenbestand hebben waaraan ze hun diensten kunnen aanbieden.
Opdat een 3G-operator effectief zijn diensten zou kunnen aanbieden, zal hij dienen te beschikken over een netwerk in een aanzienlijk deel van het Rijk. Dit impliceert dat 3G-operatoren die niet over een 2G-vergunning beschikken, en dus eerst een volledig nieuw netwerk dienen uit te bouwen vooraleer zij diensten van de derde generatie kunnen aanbieden, een ernstige achterstand zullen kennen tegenover 3G-operatoren die eveneens beschikken over een 2G-licentie (GSM 900 of DCS 1800) of tot wiens relevante groep een 2G-operator behoort.
Artikel 5, § 1, beoogt deze concurrentiële ongelijkheden weg te werken door die 3G-operatoren die niet beschikken over een 2G-vergunning, in de mogelijkheid te stellen een overeenkomst te sluiten met een 2G-operator die tevens een 3G-opertor is of die behoort tot de relevante groep van een 3G-operator.
Op deze wijze zullen de cliënten van de eerste operator toegang hebben tot het 2G-netwerk van de tweede operator. Tevens wordt daardoor voorkomen dat 3G-operatoren, die niet over een vergunning als 2G-operator beschikken, bij gebrek aan een eigen netwerk, geen diensten, of slechts na lange termijn, zouden aanbieden in minder dicht bevolkte delen van het land. Dit zou in deze minder dicht bevolkte delen van het land de concurrentie tussen de 3G-operatoren beperken, met alle nadelige gevolgen vandien voor de consumenten.
Een operator die recht heeft op nationale roaming dient altijd eerst en vooral zelf commerciële onderhandelingen te voeren met een operator die nationale roaming dient aan te bieden. Slechts indien deze onderhandelingen (of onderhandelingen tot wijziging van een bestaande overeenkomst van nationale roaming) niet leiden tot het afsluiten of wijzigen van een overeenkomst van nationale roaming kan het Instituut tussenbeide komen en zodoende een einde maken aan de discriminatie en/of concurrentievervalsing die daaruit zou voortvloeien.
Artikel 5, § 2, specifieert dat het Instituut, op verzoek van één van de betrokken operatoren, maatregelen kan opleggen, opdat de overeenkomst van nationale roaming toch afgesloten of gewijzigd zou worden. Het Instituut zal echter slechts ingaan op een dergelijk verzoek van een operator indien deze zich terdege doch tevergeefs heeft ingespannen om tot een overeenkomst te komen en indien de operator die recht heeft op nationale roaming nog geen overeenkomst van nationale roaming heeft afgesloten met een andere operator die roaming dient aan te bieden. Indien dit laatste wel het geval is, heeft de operator die recht heeft op nationale roaming immers reeds de mogelijkheid zijn klanten toegang te geven tot het netwerk van een 2G-operator, zodat een verdere tussenkomst van het Instituut in een commerciële onderhandeling met een andere 2G-operator die nationale roaming dient aan te bieden noch nodig, noch gewenst is. Hierop geldt een uitzondering, indien die eerste overeenkomst van nationale roaming inmiddels achterhaald zou zijn omwille van wijzigingen op het vlak van technologie, van de eigendom van de betrokken ondernemingen of van de marktstructuren.
Tenslotte kunnen zowel een operator die recht heeft op nationale roaming als een operator die nationale roaming dient aan te bieden zich tevens tot het Instituut wenden indien een van hen een wijziging wenst aan te brengen aan een bestaande overeenkomst van nationale roaming maar ondanks zijn inspanningen er niet in geslaagd is om een akkoord over een dergelijke wijziging af te sluiten. Gezien het evolutief karakter van de omgeving waarin de 3G-operatoren zullen dienen te opereren, is het immers waarschijnlijk dat overeenkomsten van nationale roaming periodiek aanpassing zullen behoeven.
Aangezien het recht om bij het onderhandelen van een overeenkomst van nationale roaming om de tussenkomst van het Instituut te verzoeken slechts tijdelijk is, specifieert artikel 5, § 3, bijgevolg dat de maatregelen die het Instituut zou nemen eveneens tijdelijk zijn. Deze maatregelen kunnen dan ook nooit toepassing vinden na verloop van een periode van acht jaar na de kennisgeving van de vergunning aan de betrokken operator die recht heeft op nationale roaming.
Artikel 5, § 5, specifieert dat nationale roaming de klanten van de operator die recht heeft op nationale roaming in staat dient te stellen om signalen over te brengen tussen bepaalde aansluitpunten en om met andere gebruikers te communiceren, met inbegrip van General Packet Radio Service en andere geavanceerde 2G-technologiëen, volgens dezelfde standaarden als die waarvan de klanten van de operator genieten. Zodoende zal deze operator onder meer diensten van spraaktelefonie, facsimile en korte berichten en tevens eigen diensten met toegevoegde waarde kunnen aanbieden. Daarnaast dient nationale roaming de operator die er recht op heeft in staat te stellen, waar dit technisch mogelijk is, om diensten aan te bieden die andere telecommunicatiediensten aanvullen of wijzigen. Daarbij kan gedacht worden aan tijdelijke oproepdoorschakeling, gedetailleerde facturatie, tripartiete gesprekken en "call waiting".
Het advies van de Raad van State waarin werd geadviseerd te vermijden artikel 89, § 5, van de
wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
18/01/2016
numac
2015000792
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
09/01/2013
numac
2012000673
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten te parafraseren in artikel 5, §§ 3 en 5, werd gevolgd in zover mogelijk.
De operator die recht heeft op nationale roaming dient te beginnen met de uitbouw van zijn eigen netwerk vooraleer hij van het netwerk van de operator die nationale roaming dient aan te bieden, gebruik kan maken.
Artikel 5, § 6, stelt dat, behoudens andersluidend akkoord, een overeenkomst die in nationale roaming voorziet slechts in voege treedt vanaf het ogenblik dat de operator die recht heeft op nationale roaming wel degelijk 3G-diensten aanbiedt en diens eigen netwerk een minimumdekking van 20 % van de Belgische bevolking bereikt.
Nationale roaming heeft tot doel om gedurende een overgangsperiode toegang te geven tot een uitgebouwd netwerk aan wie zijn eigen netwerk nog niet heeft kunnen uitbouwen. Artikel 5, § 7, bepaalt dan ook dat dit recht op nationale roaming, behoudens andersluidend akkoord, niet geldt op die plaatsen waar de operator die recht heeft op nationale roaming zijn eigen 3G-netwerk reeds heeft uitgebouwd. Naarmate deze uitbouw vordert, zal de verplichting om nationale roaming te verlenen een geografisch steeds kleiner wordend gebied betreffen.
De tussenkomst van het Instituut is slechts aangewezen wanneer commerciële onderhandelingen niet tot een overeenkomst leiden. Het is dan ook logisch dat automatisch een einde komt aan de eerste overeenkomst van nationale roaming, wanneer een overeenkomst tot nationale roaming die afgesloten werd na tussenkomst van het Instituut, gevolgd wordt door een nieuwe overeenkomst van nationale roaming waarbij het Instituut niet tussenkwam, en dit behoudens andersluidend akkoord.
Artikel 5, § 9, specifieert het retail minus-tarief dat door het Instituut opgelegd kan worden als het tarief dat in het kader van een overeenkomst van nationale roaming aangerekend moet worden door de operator die nationale roaming dient aan te bieden aan de operator die recht heeft op nationale roaming.
De bepaling van het tarief dat wordt aangerekend in het kader van een overeenkomst van nationale roaming is van essentieel belang. Het tarief dient immers hoog genoeg te zijn opdat de operator die nationale roaming dient aan te bieden er een redelijke bron van inkomsten in vindt, zonder evenwel dermate hoog te zijn dat de operator die recht heeft op nationale roaming niet op een adequate wijze concurrentiële diensten kan aanbieden.
Het voorgestelde retail minus-tarief beantwoordt aan deze voorwaarden, nu de winst die de operator die nationale roaming dient aan te bieden maakt op diensten van nationale roaming, grosso modo overeenstemt met de winst die deze operator maakt op retail- diensten, aangeboden aan zijn eigen klanten. De beperkte winstgevendheid van dit retail minus-tarief voor de operator die recht heeft op nationale roaming zal voor hem tevens een stimulans betekenen om zijn eigen netwerk uit te bouwen.
Bij het bepalen van het retail minus-tarief worden de kosten afgetrokken die gemaakt worden door de operator die nationale roaming dient aan te bieden, wanneer deze zijn diensten aan zijn klanten aanbiedt, doch die zich niet voordoen wanneer hij diensten aanbiedt in het kader van de nationale roaming. Daarbij kan onder meer verwezen worden naar de marketingkost, de kost van de facturatie aan klanten en deze van het financieel risico dat daarbij gelopen wordt, evenals naar de kost van customer services.
De kosten van de operator die nationale roaming dient aan te bieden, en die eigen zijn aan het aanbieden van diensten in het kader van nationale roaming, worden dan wel weer in aanmerking genomen bij het bepalen van het retail minus-tarief. Daarbij kan ondermeer verwezen worden naar bijkomende facturatie, informatica en operationele kosten.
Tenslotte heeft het Instituut het recht om bij het bepalen van het retail minus-tarief bepaalde vaste kosten in aanmerking te nemen.
Daarbij kan onder meer verwezen worden naar de kost die de operator die nationale roaming dient aan te bieden, zou gemaakt hebben om de capaciteit van zijn netwerk te verhogen met het oog op het bijkomende verkeer dat zou veroorzaakt worden door de nationale roaming, op voorwaarde dat deze kost niet reeds gedekt is door het retail minus-tarief. Het in aanmerking nemen van dergelijke vaste kosten vormt echter een afwijking van de overige regels inzake de bepaling van het retail minus-tarief en zal dan ook slechts toegepast worden na grondig onderzoek van hun rechtvaardiging en van de gevolgen die het in aanmerking nemen van deze vaste kosten zouden hebben.
De retail minus-prijs is uitgedrukt als een tariefbedrag per tijdseenheid. In specifieke gevallen kan de Koning oordelen dat een andere berekeningswijze meer aangewezen is, zoals een tarief per gebruik, bijvoorbeeld een tarief per gebruikte bit.
Artikel 7, derde lid, verplicht de operatoren alle nodige maatregelen te nemen om alle soorten van fraude inherent aan de diensten te verhinderen. Operatoren dienen op dat gebied onder meer ten volle gebruik te maken van de voorzieningen tot bescherming tegen en ter bestrijding van diefstal en fraude gespecificeerd door de bevoegde internationale organisaties.
Artikel 8 betreft de technische norm, die tot de IMT-2000 familie moet behoren; kandidaten delen de norm die zij wensen te gebruiken mee, en kunnen de norm slechts wijzigen mits voorafgaande toestemming van de Minister.
Overeenkomstig artikel 9 kent het Instituut voldoende capaciteit in het nationale nummeringsplan toe aan de 3G-operator.
De artikelen 10 en 11 bepalen de te betalen rechten voor het beheer van en het toezicht op elke vergunning, hetzij 12 500 euros voor het onderzoek van het dossier, en 250 000 euros als jaarlijks recht voor het beheer van de vergunning; dit laatste bedrag wordt geïndexeerd.
Artikel 13 verplicht de operator jaarlijks een verslag over zijn activiteiten aan het Instituut te bezorgen.
Artikel 14 vult de algemene bepalingen aan die van toepassing zijn inzake interconnectie, met name artikel 109ter van de
wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
18/01/2016
numac
2015000792
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
09/01/2013
numac
2012000673
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven en het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot vaststelling van de termijnen en de algemene principes van toepassing op de commerciële onderhandelingen die worden gevoerd om interconnectieovereenkomsten te sluiten en tot vaststelling van de nadere regels voor publicatie van het referentie-interconnectieaanbod en tot vaststelling van de voorwaarden die geregeld moeten worden in de interconnectieovereenkomst.
De verbindingen die bestemd zijn om de verschillende bestanddelen van het mobiele-telecommunicatienetwerk van de derde generatie van de operator onderling op elkaar aan te sluiten en die gebruikt worden met als enig doel om het verkeer van dat netwerk en de andere inlichtingen nodig voor de uitbating van dat netwerk over te brengen, zijn bij dit besluit van rechtswege toegestaan. De aansluitingsverbindingen die gedeeltelijk worden gebruikt met het oog op het leveren van andere aan het publiek aangeboden telecommunicatiediensten zijn onderworpen aan het
koninklijk besluit van 22 juni 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
22/06/1998
pub.
24/07/1998
numac
1998014160
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetwerken
sluiten betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetwerken.
Artikel 15, § 1, is van toepassing op de levering van transmissielijnen door elke operator die aangemerkt is als operator met een sterke positie op deze markt : de bepalingen zijn erop gericht aan de operator een dienst met een gepaste kwaliteit te bieden, met name wat betreft de realisatietermijnen, terwijl er over gewaakt wordt dat de operator die de huurlijnendienst aanbiedt in staat is om de levering van de gevraagde lijnen behoorlijk te plannen. Dit artikel vult het
koninklijk besluit van 4 oktober 1999Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
04/10/1999
pub.
24/11/1999
numac
1999014263
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor de exploitatie van een dienst voor huurlijnen, meer bepaald door operatoren met een sterke positie op de markt
sluiten tot vaststelling van de voorwaarden voor de exploitatie van een dienst voor huurlijnen, meer bepaald door operatoren met een sterke positie op deze markt, aan.
Overeenkomstig artikel 16, § 1, moeten de diensten van de operator voor iedereen toegankelijk zijn op een niet-discriminerende basis : deze vereiste van niet-discriminatie wordt uitgebreid tot eventuele service providers door artikel 17, § 1.
De mogelijkheid voor de operatoren om de toegang tot de dienst te weigeren of te schorsen, indien er een vermoeden van niet-betaling bestaat, is bestemd om hen in staat te stellen fraude te bestrijden.
Operatoren die van deze mogelijkheid gebruik maken, doen dit op eigen verantwoordelijkheid en staan zelf in voor de gevolgen van misbruik van deze mogelijkheid.
Artikel 17 betreft de commercialisering van de diensten en de tarieven. Mits naleving van de toepasselijke wetgeving, is de operator vrij de commercialisering van de via zijn netwerk aangeboden diensten naar eigen goeddunken te organiseren. De operator beschikt over de vrijheid zijn diensten te commercialiseren via onderscheiden vennootschappen. In voorkomend geval gaat het Instituut na of de contracten die met die ondernemingen zijn gesloten niet discriminerend zijn en een zekere bescherming van de gebruikers garanderen door de toepassing van een "gedragscode".
Artikel 18, § 1, bepaalt dat het Instituut in kennis moet worden gesteld van eventuele wijzigingen in de structuur van, of in de controle op het kapitaal van de operator. Indien de Minister van oordeel zou zijn dat de nieuwe structuur van aard is de voorwaarden waaronder de vergunning is uitgereikt ernstig in het gedrang te brengen, kan hij aan de Ministerraad voorstellen de vergunning in te trekken. De Minister gaat in het bijzonder na of nog steeds voldaan is aan de voorwaarden inzake onafhankelijkheid tussen de verschillende operatoren.
Artikel 18, § 2, heeft betrekking op de geldigheidsduur van de vergunning : deze is vastgelegd op twintig jaar teneinde de operator in staat te stellen de aanzienlijke investeringen die vereist zijn voor de ontplooiing van een mobiel communicatienetwerk van de derde generatie, te recupereren. De Koning zal discretionair mogen beslissen de vergunning te verlengen met periodes van vijf jaar. Hierbij zal de Koning bijzondere aandacht schenken aan de bevoegdheid van de overheid om het beleid van het land inzake telecommunicatie te bepalen, rekening houdend met de evolutie van deze sector.
Artikel 19 regelt het toezicht op de naleving van de voorwaarden van het bestek en van de vergunning. Het Instituut hoort, in voorkomend geval, de operator en stelt hem in gebreke, waarbij hem een regularisatietermijn wordt meegedeeld, en de administratieve geldboete die hem kan worden opgelegd indien hij niet aan de ingebrekestelling tegemoet komt. Blijft de operator verder in gebreke, dan kan het Instituut aan de Minister voorstellen om de vergunning te schorsen of in te trekken. Bij schorsing of intrekking van de vergunning heeft de 3G-operator geen recht op terugbetaling van betaalde rechten (het recht voor de uitreiking van de vergunning, het uniek concessierecht, het recht voor het beheer van de vergunning, het recht voor de terbeschikkingstelling van frequenties).
Artikel 22, § 2, definieert de kwantiteit van het radioelektrisch spectrum die initieel aan iedere operator wordt toegewezen. De mobiele systemen van de derde generatie zullen moeten worden aangelegd in de frequentiebanden die vastgelegd zijn in Beslissing ERC/DEC/(99)25 van 29 november 1999 van de CEPT, namelijk 1900-1980 MHz, 2010-2025 MHz en 2110-2170 MHz. De bandbreedtes die in die paragraaf vermeld zijn, zijn nominale waarden : ze kunnen door het Instituut lichtjes worden aangepast, naar gelang de definitieve technische specificaties van de betreffende systemen van de derde generatie, rekening houdend met de grote bandbreedte van de dragers die waarschijnlijk zullen worden gebruikt in die systemen die gebruik maken van technieken van spectrumspreiding.
Artikel 25 betreft het concessierecht dat de betrokken operatoren aan de Staat moeten betalen. Het bedrag van dit recht zal voor elke operator resulteren uit de toekenningsprocedure van dit besluit.
De mobiele-communicatienetwerken van de derde generatie moeten in werking worden gesteld in een frequentieband die momenteel nog gedeeltelijk wordt gebruikt door het Ministerie van Landsverdediging dat de frequenties die nodig zijn voor die systemen moet vrijmaken.
Overeenkomstig artikel 26, is het absoluut noodzakelijk voor het functioneren van deze systemen dat Landsverdediging strikt het tijdschema voor het vrijmaken van de frequenties naleeft. De hierbij opgelopen kosten worden betaald door het Instituut. Deze schadeloosstelling zal worden afgetrokken van het uniek concessierecht verschuldigd door de 3G-operatoren. Op dezelfde wijze zullen de consultancykosten van de overheid worden aangerekend op dit recht Het uniek concessierecht zal, overeenkomstig artikel 25, minstens 150 miljoen euros bedragen; het precieze bedrag zal worden bepaald door de procedure tot toewijzing bij opbod die wordt beschreven in Hoofdstuk III van het besluit.
Artikel 27 bepaalt dat er vier vergunningen voor mobiele systemen van de derde generatie zullen worden toegekend : dit aantal is het rechtstreekse gevolg van de essentiële eisen die verbonden zijn aan een efficiënt gebruik van het radiofrequentiespectrum.
Artikel 28, § 1, definieert de verschillende termen die nodig zijn om te verzekeren dat de vergunningen worden toegewezen aan kandidaten die met elkaar in een concurrentiële verhouding staan, en dat de mededinging tijdens de procedure gewaarborgd is.
Deze termen zijn gedefinieerd teneinde een goed begrip te verzekeren van de bepalingen van Hoofdstuk III met betrekking tot de vennootschapsrechtelijke en/of economische verhoudingen.
Artikel 28, § 2, bevat een uitzondering op het algemene principe dat deelnemingen of stemrechten in aanmerking worden genomen, ongeacht of zij al dan niet voorwaardelijk zijn. Deze uitzondering betreft voorwaardelijke rechten of deelnemingen die voortvloeien uit transacties of acquisities of voorstellen hiertoe. Indien deze transacties onderworpen zijn aan de goedkeuring van een toezichthoudende overheid (zoals bijvoorbeeld mededingingsautoriteiten) of indien de bestuurders van een der partijen hiertegen bezwaren formuleren, wordt slechts rekening gehouden met het voorwaardelijk belang of de voorwaardelijke deelneming, voor zover deze voorwaarden werden vervuld of hiervan afstand werd gedaan.
Teneinde de economische mededinging en de efficiënte werking van de markt te bevorderen, is het essentieel dat de rechtspersoon aan wie een vergunning wordt toegekend over een voldoende graad van economische onafhankelijkheid beschikt ten opzichte van andere kandidaten. Immers, tijdens de procedure dient de mededinging tussen de kandidaten op een correcte wijze te functioneren, zodat de toewijzing op een transparante en niet-discriminerende wijze kan geschieden; bovendien wenst de regering te weten aan welke partijen zij vergunningen zal toekennen en welke de mededingingssituatie zal zijn na de toekenning van de vergunningen. Na de toekenningsprocedure geldt de regel dat eenzelfde relevante groep slechts over één enkele vergunning mag beschikken.
Teneinde de economische onafhankelijkheid van de kandidaten af te bakenen, definieert artikel 28 drie categorieën van partijen die op enigerlei wijze verbonden zijn met een kandidaat : ingewijden, verbonden personen en relevante verbonden personen.
Ingewijden zijn personen aan wie vertrouwelijke informatie werd meegedeeld, of die ermee hebben ingestemd de kandidaat of een met hem verbonden persoon bijstand te verlenen in verband met de toekenning van de vergunning (bijvoorbeeld advocaten, consultants, banken).
Verbonden personen zijn personen die deel uitmaken van dezelfde controlegroep als een kandidaat. Naast de controlegroep van een kandidaat, wordt tevens rekening gehouden met personen die op enigerlei wijze (i) een rechtstreeks of onrechtstreeks belang, uitgedrukt via aandelenbezit, stemrechten, of het recht om zulke aandelen of stemrecht te verwerven, bezitten in een kandidaat of in personen waarin de kandidaat zelf zo'n belang heeft, dat 10 % of meer van het totaal aantal stemrechten verbonden aan de uitstaande maatschappelijke rechten (of een bepaalde categorie van maatschappelijke rechten) van de betrokken kandidaat vertegenwoordigt en (ii) die beschikken over vertrouwelijke informatie of die de kandidaat bijstaan bij de toekenning van de vergunning.
Deelnemingen van minder dan 10 % en deelnemingen die geen recht geven op controle zijn toegelaten indien er geen uitwisseling is van vertrouwelijke informatie of geen bijstand wordt verleend aan een kandidaat. Indien een belang in een kandidaat echter ontstaat met het oog op de toewijzing bij opbod (bijvoorbeeld indien de eigendomsstructuur enkele weken voor de toewijzing bij opbod wordt gewijzigd), vervalt deze minimumdrempel en wordt elk rechtstreeks of onrechtstreeks belang in een kandidaat - hoe gering ook - in aanmerking genomen voor de bepaling van de hoedanigheid van verbonden persoon, op voorwaarde uiteraard dat er tevens sprake is van bezit van vertrouwelijke informatie of van bijstand. Door deze regeling kan tevens voorkomen worden dat kandidaten hun eigendomsstructuur zouden organiseren met het oogmerk om buiten het toepassingsgebied van deze regels te vallen (bijvoorbeeld via een consortium van aandeelhouders die elk 9,9 % zouden aanhouden).
Artikel 29 laat de kandidaten toe een schriftelijk verzoek om inlichtingen te sturen aan het Instituut. Teneinde de vraag om inlichtingen en het eventueel antwoord hierop vlug te kunnen publiceren op de website van het Instituut, moet de vragensteller een versie van de vraag bijvoegen waaruit zijn identiteit niet blijkt.
Deze bepaling beoogt de transparantie van de procedure.
Deze bepaling beoogt tevens de kandidaten identieke en zoveel mogelijk informatie te verschaffen over het verloop van de procedure.
Artikel 30, § 2, bepaalt dat het verboden is voor een kandidaat om wijzigingen aan te brengen aan de elementen die in zijn kandidatuur werden meegedeeld, onverminderd §§ 3 en 4.
Artikel 30, § 2, tweede lid, legt een informatieverplichting op ingeval zich een wijziging voordoet met betrekking tot bepaalde verklaringen van de kandidaat, als gevolg van feiten of gebeurtenissen waarop de kandidaat geen enkele invloed kan uitoefenen.
Artikel 30, § 3, bepaalt dat wijzigingen in de eigendomsstructuur van een kandidaat of met hem verbonden personen, vanaf het indienen van de kandidatuur tot aan de toekenning van de vergunning, verboden zijn, tenzij deze wijzigingen ontstaan ingevolge : - De terugtrekking van een lid uit het consortium; of - Fusies of acquisitie-activiteiten die de kandidaat of een met hem verbonden persoon betreffen, en die niet tot voornaamste doel hebben een verband te creëren met het oog op de procedure tot toekenning van de vergunning. Indien de fusie of acquisitie tot gevolg heeft dat meerdere kandidaten met elkaar worden verbonden, dient dit verband binnen de drie dagen of binnen een langere periode zoals door de Minister toegestaan, te worden opgeheven. Na de toekenning van de vergunning komt het aan de toezichthoudende meded …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.