{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor werk, de minister bevoegd voor sociale zaken en de minister bevoegd voor justitie, is verantwoordelijk voor de verwerking van de in het vierde lid bedoelde gegevens, in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opslaan en het bijhouden van de in het vierde lid bedoelde gegevens beogen volgende doeleinden : 1° het verzamelen van informatie die nuttig is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen op een adequate wijze de illegale arbeid en de sociale fraude te bestrijden;2° het verzamelen van informatie die nuttig is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen hun wettelijke opdrachten uit te oefenen;3° het opmaken van interne en externe statistieken. De databank e-PV bevat de gegevens die opgenomen zijn in het in artikel 100/2 bedoelde model van e-PV aangaande volgende personen : 1° iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk;2° iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk;3° iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk;4° iedere andere in het e-PV vermelde persoon, waarvan de opname van de gegevens in het e-PV noodzakelijk is voor het goed begrip van de in het e-PV vastgestelde feiten. Voor zover zij betrekking hebben op een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd, zijn de in het vierde lid bedoelde gegevens sociale gegevens van persoonlijke aard in de zin van artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten4 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. ». Art. 93.In hetzelfde hoofdstuk 5 wordt een artikel 100/7 ingevoegd, luidende : « Art. 100/7.Financiering van de databank e-PV De kredieten die vereist zijn voor de oprichting en de werking van de databank e-PV worden ingeschreven op de begroting van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. ». Art. 94.In hetzelfde hoofdstuk 5 wordt een artikel 100/8 ingevoegd, luidende : « Art. 100/8.Beheerscomité van de databank e-PV § 1. Er wordt een Beheerscomité opgericht voor de databank e-PV. Het Beheerscomité is samengesteld uit : 1° de voorzitter, de leidend ambtenaar van de bevoegde administratie;2° de leidend ambtenaren van de in artikel 100/2 bedoelde sociale inspectiediensten;3° de directeur van het Federaal Aansturingsbureau van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst;4° de procureur-generaal aangewezen door het College van procureurs-generaal;5° een leidend ambtenaar van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. Het Beheerscomité is gevestigd op het adres van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Beheerscomité vergadert minstens tweemaal per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het secretariaat wordt waargenomen door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. § 2. Het Beheerscomité beschikt over de volgende bevoegdheden : 1° de databank e-PV beheren;2° elk initiatief nemen dat kan bijdragen tot de doeltreffendheid van de werking van de databank e-PV;3° elk initiatief nemen tot aanpassing van de databank e-PV aan de wijzigingen op wetgevend, regelgevend en technologisch vlak;4° de bevoegde ministers in kennis stellen van de middelen die vereist zijn voor de goede werking van de databank e-PV;5° jaarlijks aan de bevoegde ministers de budgettaire ramingen meedelen met betrekking tot de kostprijs voor de werking en het onderhoud van de databank e-PV, daarin begrepen de kostprijs van de archivering van de in het systeem opgeslagen gegevens;6° akkoorden sluiten met betrekking tot de diensten die vereist zijn voor het beheer van de databank e-PV;7° na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bijkomende regels voor de toegang en de controle van de toegang tot de in de databank e-PV opgenomen gegevens vaststellen, met naleving van de geldende wettelijke bepalingen die hiervoor bestaan;8° advies verlenen op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers met betrekking tot wetgevende en andere initiatieven die van invloed zijn op de werking van de databank e-PV;9° een huishoudelijk reglement opstellen waarbij onder meer de regels worden vastgesteld voor de vervanging van de leden.».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 95</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In hetzelfde hoofdstuk 5 wordt een artikel 100/9 ingevoegd, luidende : « Art. 100/9.Toezicht op de verwerking van de gegevens in het kader van de databank e-PV Onverminderd de taken en de bevoegdheden die de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, hierna de Commissie genoemd, ontleent aan de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, ziet zij er, teneinde de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de eerbiediging van het geheim van het strafonderzoek te garanderen, op toe dat de inhoud van de databank e-PV en de verwerking van de gegevens en de inlichtingen in het kader van deze databank overeenstemmen met de bepalingen van de artikelen 54 tot 56 van dit hoofdstuk, van de voormelde wet van 8 december 1992 en van de artikelen 28quinquies, § 1, en 57 van het Wetboek van strafvordering De Commissie formuleert adviezen en aanbevelingen over de toepassing van dit hoofdstuk, zowel op eigen initiatief als op verzoek, in het bijzonder van de minister bevoegd voor werk, de minister bevoegd voor sociale zaken of de Minister bevoegd voor justitie of van de gerechtelijke overheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 29, 30, 32, § 1, en 33 van de voormelde wet van 8 december 1992 zijn onverkort van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De daartoe door de Commissie onder haar leden aangewezen personen hebben met het oog op het uitvoeren van hun opdrachten een onbeperkt recht op toegang tot alle inlichtingen en gegevens bewaard in de databank e-PV. ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 96</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In hetzelfde hoofdstuk 5 wordt een artikel 100/10 ingevoegd, luidende : « Art. 100/10.Toegang tot de databank e-PV § 1. Onverminderd de artikelen 54 en 55 en mits machtiging van de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid hebben de door de Koning gemachtigde categorieën van ambtenaren van de door de Koning aangewezen federale sociale inspectiediensten toegang tot de volgende gegevens van de databank e-PV : 1° de datum van opstelling van het proces-verbaal;2° het nummer van het proces-verbaal;3° de aanduiding of het gaat om een proces-verbaal opgesteld op eigen initiatief van de verbalisant of in uitvoering van een taak opgelegd door een rechterlijke overheid;4° de dienst waartoe de verbaliserende ambtenaar behoort;5° de naam van de verbaliserende ambtenaar;6° de identiteit en het adres van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk;7° de identiteit en het adres van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk;8° in voorkomend geval, de naam en het identificatienummer van de sociale zekerheid van iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk;9° de kwalificatie van de vastgestelde inbreuk(en) De in het eerste lid bedoelde machtiging van de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid is niet vereist voor de toegang tot de gegevens van de processen-verbaal die opgesteld zijn door de eigen inspectiedienst. § 2. Onverminderd de artikelen 54 en 55 en mits machtiging van de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren kennis nemen van de andere dan de in § 1 vermelde gegevens opgenomen in de databank e-PV, met inbegrip van de vaststellingen die opgenomen zijn in het e-PV, voor zover deze gegevens voor hen een belang hebben in de uitoefening van het toezicht waarmee zij zijn belast of met toepassing van een andere wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover deze gegevens opgenomen zijn in een proces-verbaal dat opgesteld wordt tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid, zijn ze evenwel enkel toegankelijk met de uitdrukkelijke toestemming van deze laatste.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde machtiging van de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid is niet vereist voor de toegang tot de gegevens van de processen-verbaal die opgesteld zijn door de eigen inspectiedienst. § 3. De ambtenaren van de bevoegde administratie hebben mits machtiging van de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid toegang tot de gegevens van de databank e-PV, voor zover deze gegevens voor hen een belang hebben in de uitoefening van hun wettelijke opdracht. Deze toegang sluit de toegang in tot de gegevens die opgenomen zijn in de processen-verbaal die opgesteld worden tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid, zonder dat de toestemming van deze laatste moet worden gevraagd. § 4. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens van de databank e-PV in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdracht. In afwijking van de bepalingen van artikel 15 van de wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten4 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid is deze toegang niet onderworpen aan de machtiging van de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid. § 5. Na advies van het Beheerscomité, kan de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid de toegang tot de gegevens van de databank e-PV, met inbegrip van de gegevens die opgenomen zijn in de processen-verbaal die opgesteld worden tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid, geheel of gedeeltelijk uitbreiden tot andere dan de in de §§ 1 en 4 bedoelde categorieën van personen binnen de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude en tot de Dienst Vreemdelingenzaken, en dit onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die zij bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens die opgenomen zijn in een proces-verbaal dat opgesteld wordt tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid, zijn in geen enkel geval toegankelijk zonder de uitdrukkelijke toestemming van deze laatste. § 6. In afwijking van de §§ 1, 2 en 5, kan het openbaar ministerie ten aanzien van de in deze §§ bedoelde personen, met uitzondering van de opsteller van het e-PV, de toegang uitstellen tot de gegevens opgenomen in een bepaald e-PV wanneer en zolang de bevoegde magistraat van oordeel is dat deze toegang de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in gevaar kan brengen. ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 97</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In hetzelfde hoofdstuk 5 wordt een artikel 100/11 ingevoegd, luidende : « Art. 100/11.Verwerking van persoonsgegevens in de Ginaa-databank Wat de in artikel 16, 19°, bedoelde Ginaa-databank, betreft, is de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg de verantwoordelijke voor de verwerking van de in het derde lid bedoelde gegevens, in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens Het opslaan en het bijhouden van de in het derde lid bedoelde gegevens beogen volgende doeleinden : 1° het verzamelen van informatie die nuttig is om de bevoegde administratie in staat te stellen om de opdrachten uit te oefenen die haar in of krachtens het Eerste Boek worden toegewezen;2° het verzamelen van informatie inzake de vervolging van de inbreuken die nuttig is om de andere actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen hun wettelijke opdrachten uit te oefenen;3° het verzamelen van informatie inzake de vervolging van de inbreuken die nuttig is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen op een adequate wijze de illegale arbeid en de sociale fraude te bestrijden;4° het opmaken van interne en externe statistieken. De Ginaa-databank bevat de door Koning bepaalde gegevens aangaande : 1° iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk;2° iedere persoon aan wie een administratieve geldboete kan opgelegd worden;3° iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk. Voor zover zij betrekking hebben op een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd, zijn de in het derde lid bedoelde gegevens de sociale gegevens van persoonlijke aard in de zin van artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten4 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. ». Art. 98.In hetzelfde hoofdstuk 5 wordt een artikel 100/12 ingevoegd, luidende : « Art. 100/12.Toegang tot de Ginaa-databank De Koning wijst onder de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude de categorieën van personen aan die, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten, toegang kunnen hebben tot de Ginaa-databank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegang tot de Ginaa-databank is slechts mogelijk mits voorafgaande machtiging van de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid. ». Art. 99.In hetzelfde hoofdstuk 5 wordt een artikel 100/13 ingevoegd, luidende : « Art. 100/13.Gemeenschappelijke bepalingen inzake de toegang tot de databank e-PV en de Ginaa-databank Elke instantie die gemachtigd is om toegang te hebben tot de databank e-PV en/of de Ginaa-databank houdt een voortdurend bijgewerkte lijst bij van de personen die zij heeft aangewezen om dit recht op toegang uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle personen die toegang hebben tot de databank e-PV of de Ginaa-databank moeten de nodige maatregelen nemen om het vertrouwelijk karakter te garanderen van de persoonsgegevens die opgenomen zijn in deze databanken en om te garanderen dat deze gegevens enkel gebruikt zullen worden met het oog op de in de artikelen 100/6, derde lid, en 100/11, tweede lid, bedoelde doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere inbreuk op de in het tweede lid bedoelde geheimhoudingsplicht wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. ». Afdeling 9. - Controle op het misbruik van fictieve adressen door de gerechtigden van sociale prestaties Art. 100.Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder : 1° « sociaal inspecteurs » : de ambtenaren bedoeld in artikel 16, 1°, van het Sociaal Strafwetboek;2° « gerechtigde » : de persoon die recht heeft op een sociale uitkering, hetzij op basis van de sociale zekerheid, hetzij op basis van een regeling voor maatschappelijke bijstand, of andere voordelen toegekend door de reglementering waarop de sociaal inspecteurs toezicht uitoefenen, alsook zij die er aanspraak op maakt;3° « nutsbedrijven » : de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening instaan voor de levering van water;4° « distributienetbeheerders » : de natuurlijke personen of rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 2, 8°, van de wet van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten5 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, en artikel 1, 31°, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1998 numac 1998016042 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten sluiten3 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen;5° « fictief adres » : een aan een officiële instantie opgegeven adres waar een sociaal verzekerde niet daadwerkelijk woont. Art. 101.Indien de sociaal inspecteurs op basis van andere elementen in het kader van een onderzoek vermoeden dat een gerechtigde gebruik maakt van een fictief adres om aanspraak te maken op sociale prestaties waarop hij geen aanspraak kan maken, kunnen zij de verbruiksgegevens van water, elektriciteit en gas opvragen bij de nutsbedrijven of de distributienetbeheerders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbruiksgegevens kunnen gebruikt worden als bijkomende aanwijzing om aan te tonen dat het adres fictief is. Art. 102.De nutsbedrijven of de distributienetbeheerders dienen de verbruiksgegevens binnen een termijn van 14 dagen na ontvangst van de aanvraag over te maken. Art. 103.In het kader van een administratief onderzoek lichten de sociaal inspecteurs de gerechtigde in of, in voorkomend geval, een derde over het feit dat ze de verbruiksgegevens van het opgegeven adres kunnen opvragen. Art. 104.De wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, is van toepassing op de bepalingen van deze afdeling. Art. 105.De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels bepalen van de wijze waarop de sociaal inspecteurs de verbruiksgegevens kunnen opvragen en hoe ze moeten worden overgemaakt. Afdeling 10. - Wijziging van het Wetboek van strafvordering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 106</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 46quater, § 2, b), van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 27 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1998 numac 1998016042 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten sluiten0, wordt het woord « drie » vervangen door het woord « vijf ».</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 8. - Werk HOOFDSTUK 1. - Werkgelegenheidsplan oudere werknemers Art. 107.In de onderneming in de zin van artikel 14, § 1, 1°, van de</h3>\n<p class=\"lf-p\">wet van 20 september 1948Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten3 houdende organisatie van het bedrijfsleven, legt de werkgever jaarlijks een werkgelegenheidsplan oudere werknemers voor aan de ondernemingsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit plan bevat de maatregelen die tijdens het kalenderjaar zullen worden genomen ten gunste van het behoud of de verhoging van het aantal werknemers van 45 jaar en ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor toepassing van het tweede lid worden inzonderheid beschouwd als maatregelen ten gunste van het behoud of de verhoging van het aantal werknemers van 45 jaar en ouder, maatregelen met betrekking tot : 1° de selectie en aanwerving van nieuwe werknemers;2° de ontwikkeling van de competenties en kwalificaties van de werknemers, met inbegrip van de toegang tot opleidingen;3° de loopbaanontwikkeling en loopbaanbegeleiding binnen de onderneming;4° de mogelijkheden om via interne mutatie een functie te verwerven aangepast aan de evolutie van de mogelijkheden en competenties van de werknemer;5° de mogelijkheden tot aanpassing van de arbeidstijd en arbeidsomstandigheden;6° de gezondheid van de werknemer, de preventie en het wegwerken van fysieke en psychosociale belemmeringen om aan het werk te blijven;7° systemen van erkenning van verworven competenties. Het werkgelegenheidsplan bevat een evaluatie van het werkgelegenheidsplan oudere werknemers van het voorgaande jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad : 1° de vereisten inzake inhoud van het plan als bedoeld in het tweede lid aanvullen;2° de lijst van maatregelen als bedoeld in het derde lid aanvullen;3° een model vastleggen waaraan dit plan moet voldoen, waarbij Hij verschillende modellen kan vastleggen volgens de grootte van de onderneming;4° de nadere regels en procedure vastleggen met betrekking tot de uitvoering van de vorige leden. Art. 108.Het werkgelegenheidsplan oudere werknemers wordt uiterlijk op 31 maart van elk jaar voorgelegd aan de ondernemingsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondernemingsraad kan binnen een maand advies uitbrengen over het werkgelegenheidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever kan het werkgelegenheidsplan aanpassen op basis van het advies. De punten van het advies waaraan de werkgever geen gevolg geeft, worden als bijlage aan het werkgelegenheidsplan toegevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 109</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van een ondernemingsraad wordt het werkgelegenheidsplan uiterlijk op 31 maart van elk jaar voorgelegd aan het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk of, bij gebreke daaraan, aan de vakbondsafvaardiging. Bij gebreke aan vakbondsafvaardiging houdt de werkgever dit plan elk jaar gedurende minstens vier weken ter inzage van het personeel op iedere plaats waar werknemers worden tewerkgesteld. Binnen deze termijn kunnen de personeelsleden om aanvullende inlichtingen verzoeken, vragen stellen, kritiek uitbrengen, voorstellen doen en meningen naar voren brengen met betrekking tot dit plan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onderneming houdt het werkgelegenheidsplan van het lopende jaar en de vier voorgaande jaren ter beschikking van de bevoegde directie en de bevoegde sociale inspecteurs en maakt deze aan hen over op eenvoudig verzoek. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bevoegde directie en de bevoegde sociale inspecteurs</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 111</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Ondernemingen met niet meer dan twintig werknemers zijn niet gehouden tot het opstellen van een werkgelegenheidsplan oudere werknemers. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat wordt verstaan onder onderneming met niet meer dan twintig werknemers. § 2. De verplichtingen inzake de inhoud, het voorleggen en het ter beschikking houden van het werkgelegenheidsplan zoals geregeld in de artikelen 107 tot 110, kunnen verschillen voor een onderneming met twintig of meer maar minder dan vijftig werknemers. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat wordt verstaan onder een onderneming met twintig of meer maar minder dan vijftig werknemers en wat voor deze ondernemingen de afwijkingen zijn op de bepalingen van de artikelen 107 tot 110</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 112</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2012, tenzij in de Nationale Arbeidsraad vóór die datum een collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten die door de Koning algemeen bindend wordt verklaard en die voorziet in een alternatief mechanisme dat de doelstelling van dit hoofdstuk bereikt. HOOFDSTUK 2. - Bijdrage bij niet-naleving van de opleidingsverplichting van 1,9 % Art. 113.In artikel 30 van de wet van 23 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/12/2005 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/12/2005 numac 2005021170 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/12/2005 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/12/2005 numac 2005021175 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende het generatiepact sluiten betreffende het generatiepact, vervangen bij de wet van 17 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.Wanneer de globale inspanningen inzake opleiding van alle werkgevers die ressorteren onder de wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1998 numac 1998016042 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten sluiten8 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comitéssamen niet minstens 1,9 procent van de totale loonmassa van die ondernemingen bedragen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en onder de voorwaarden en nadere regels die Hij bepaalt, de werkgeversbijdrage voor de financiering van het educatief verlof verhogen met 0,15 procent voor de opleidingsinspanningen vanaf het jaar 2013 voor : a. de ondernemingen behorend tot de sectoren die geen collectieve arbeidsovereenkomst inzake bijkomende opleidingsinspanningen hebben afgesloten overeenkomstig § 2;b. de ondernemingen behorend tot sectoren die een collectieve arbeidsovereenkomst inzake bijkomende opleidingsinspanningen hebben afgesloten overeenkomstig § 2, maar waarvan op sectoraal niveau de doelstellingen van de collectieve arbeidsovereenkomst niet worden gehaald. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en nadere regels die aantonen dat de doelstellingen van de collectieve arbeidsovereenkomst niet worden gehaald. »; 2° er wordt een § 1/1 ingevoegd, luidende : « § 1/1.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de nadere regels waaronder een onderneming als bedoeld in § 1, en die wel voldoende opleidingsinspanningen heeft gerealiseerd vanaf het jaar 2013, de in § 1 bepaalde werkgeversbijdrage niet verschuldigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Koning bepaalt wat onder « voldoende opleidingsinspanningen » wordt verstaan. »; 3° de eerste zin van § 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt : « Voor de toepassing van § 1 moet de sector in het jaar waarop de meting van de globale inspanning van 1,9 % als bedoeld in § 3 betrekking heeft, een collectieve arbeidsovereenkomst inzake bijkomende opleidingsinspanningen hebben afgesloten die jaarlijks de inspanning met minstens 0,1 procentpunt verhoogt of die voorziet in een jaarlijkse toename van de participatiegraad aan vorming en opleiding met minstens 5 procentpunten.». Art. 114.De Koning bepaalt de inwerkingtreding van dit hoofdstuk. HOOFDSTUK 3. - Begrotingsfondsen Afdeling 1. - Afschaffing van begrotingsfondsen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 115</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende rubrieken worden uit de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, geschrapt : 23-1. Fonds voor de technische veiligheid van de kerninstallaties; 23-6. Fonds voor de terugvordering van werkgeversbijdragen bij de ziekenhuizen en de psychiatrische verzorgingstehuizen van de openbare sector, aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid; 23-7. Fonds voor de terugvordering van de werkgeversbijdragen in de private non-profitsector. Afdeling 2. - Wijzigingen in de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen Art. 116.§ 1. In dezelfde tabel, tegenover het fonds « 13-8 Fonds voor de risico's van nucleaire ongevallen », worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de tekst betreffende de toegewezen ontvangsten in de tweede kolom wordt vervangen als volgt : « De heffing bedoeld in artikel 30bis/1, § 4, van de wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten9 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren »;2° de tekst betreffende de aard van de toegestane uitgaven in de derde kolom wordt vervangen als volgt : « Bestuurs-, werkings-, studie- en investeringskosten (geheel of gedeeltelijk) voortvloeiend uit het noodplan voor nucleaire risico's in toepassing van artikel 30bis/1, § 4, van de wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten9 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle ». HOOFDSTUK 4. - Betaald educatief verlof Art. 117.In artikel 66, § 3quinquies, tweede lid, van de programmawet van 2 januari 2001, laatst gewijzigd bij de wet van 23 december 2009Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten1, worden de woorden « Voor de jaren 2008, 2009 en 2010 wordt jaarlijks een bedrag, aanvullend op hetgeen voorzien is in § 2, 4°, voorafgenomen » vervangen door de woorden « Voor de jaren 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 wordt jaarlijks een bedrag, aanvullend op hetgeen voorzien is in § 2, 4°, voorafgenomen ». Art. 118.Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2011. HOOFDSTUK 5. - Brugpensioenen Afdeling 1. - Halftijds brugpensioen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 119</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 80 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 28 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten0 houdende diverse bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid, 1°, worden de woorden « deze datum » vervangen door de woorden « 1 januari 2012 »;2° in het tweede lid, 2°, worden de woorden « 20 november 2011 » vervangen door de woorden « 28 november 2011 » en worden de woorden « 1 juli 2012 » vervangen door de woorden « 1 april 2012 ». Art. 120.In de artikelen 81 en 82 van dezelfde wet worden de woorden « 20 november 2011 » telkens vervangen door de woorden « 28 november 2011 ». Art. 121.Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2012. Afdeling 2. - Wijziging van hoofdstuk VI van Titel XI van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) betreffende de socialezekerheidsbijdragen en inhoudingen verschuldigd op brugpensioenen, op aanvullende vergoedingen bij sommige sociale zekerheidsuitkeringen en op uitkeringen voor invaliditeit Onderafdeling 1. - Vervanging van de benaming brugpensioen Art. 122.In Titel XI van de wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1998 numac 1998016042 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten sluiten2 houdende diverse bepalingen (I), wordt het opschrift van hoofdstuk VI vervangen als volgt : « HOOFDSTUK VI. - Socialezekerheidsbijdragen en inhoudingen verschuldigd in de stelsels van werkloosheid met bedrijfstoeslag, op aanvullende vergoedingen bij bepaalde socialezekerheidsuitkeringen en op uitkeringen voor invaliditeit. ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 123</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dezelfde titel van dezelfde wet wordt het opschrift van onderafdeling 2.A. van hoofdstuk VI vervangen als volgt : « Onderafdeling 2.A. - Bijzondere werkgeversbijdrage verschuldigd in het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 124</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dezelfde titel van dezelfde wet wordt het opschrift van onderafdeling 2.C. van hoofdstuk VI vervangen als volgt : « Onderafdeling 2.C. - Bijzondere compenserende werkgeversbijdrage verschuldigd in het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 125</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dezelfde titel van dezelfde wet wordt het opschrift van onderafdeling 3.A. van hoofdstuk VI vervangen als volgt : « Onderafdeling 3.A. - Inhouding door de werkgever of zijn vervanger verschuldigd in het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of op de aanvullende vergoeding bij bepaalde sociale zekerheidsuitkeringen. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de artikelen 114, 115, 118 en 121 van dezelfde wet worden de woorden « het conventioneel brugpensioen » telkens vervangen door de woorden « de werkloosheid met bedrijfstoeslag »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 127</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 114 van dezelfde wet worden de woorden « conventioneel brugpensioen » telkens vervangen door de woorden « werkloosheid met bedrijfstoeslag »</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 128</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de artikelen 114, 1° en 2°, van dezelfde wet worden de woorden « het voltijds brugpensioen » telkens vervangen door de woorden « werkloosheid met bedrijfstoeslag »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 129</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 114, 2°, van dezelfde wet worden de woorden « de aanvullende vergoeding » vervangen door de woorden « de bedrijfstoeslag »</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-130\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 130</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 116 van dezelfde wet wordt het woord « brugpensioen » vervangen door de woorden « werkloosheid met bedrijfstoeslag »</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 131</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 118 van dezelfde wet worden de woorden « het brugpensioen » telkens vervangen door de woorden « de werkloosheid met bedrijfstoeslag »</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 132</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 118 van dezelfde wet wordt het woord « bruggepensioneerde » overal vervangen door de woorden « werkloze met bedrijfstoeslag »;</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 133</span><span class=\"lf-art-t\">In de artikelen 118 en 122bis van dezelfde wet wordt het woord « bruggepensioneerden » overal vervangen door de woorden « werklozen met bedrijfstoeslag »</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 134</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 120, § 4, van dezelfde wet worden 1° tot en met 4° vervangen als volgt : « 1° 5 % voor elke maand waarin de gerechtigde de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;2° 4 % voor elke maand waarin de gerechtigde die minstens 52 jaar is, de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;3° 3 % voor elke maand waarin de gerechtigde die minstens 55 jaar is, de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;4° 2 % voor elke maand waarin de gerechtigde die minstens 58 jaar is, de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt.»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 135</span><span class=\"lf-art-t\">In de artikelen 121 en 124 van dezelfde wet worden de woorden « het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">koninklijk besluit van 3 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten5 tot regeling van het conventioneel brugpensioen in het kader van het Generatiepact » vervangen door de woorden het koninklijk besluit van 3 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten5 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag ». Art. 136.In de artikelen 126 en 132 van dezelfde wet wordt het woord « brugpensioenen » telkens vervangen door de woorden « stelsels van werkloosheid met bedrijfstoeslag ». Art. 137.Deze onderafdeling heeft uitwerking met ingang vanaf 1 januari 2012 met uitzondering van artikel 135, dat uitwerking heeft met ingang vanaf 15 oktober 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2 - Wijziging van de bijzondere werkgeversbijdrage op de bedrijfstoeslag en op de aanvullende vergoeding bij sommige socialezekerheidsuitkeringen Art. 138.In artikel 118 van de wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1998 numac 1998016042 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten sluiten2 houdende diverse bepalingen (I), gewijzigd door de wetten van 23 december 2009, 30 december 2009 en 28 april 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in § 2 worden de percentages vervangen als volgt : « 30 % » wordt vervangen door « 33,00 % »; « 24 % » wordt vervangen door « 26,40 % »; « 18 % » wordt vervangen door « 19,80 % »; « 12 % » wordt vervangen door « 13,20 % »; « 6 % » wordt vervangen door « 6,60 % »; b) in § 2bis worden de percentages vervangen als volgt : « 50 % » wordt vervangen door « 55,00 % »; « 40 % » wordt vervangen door « 44,00 % »; « 30 % » wordt vervangen door « 33,00 % »; « 20 % » wordt vervangen door « 22,00 % »; « 10 % » wordt vervangen door « 11,00 % »; c) in § 2ter en § 3 worden de percentages vervangen als volgt : « 5 % » wordt vervangen door « 5,50 % »; « 4 % » wordt vervangen door « 4,40 % »; « 3 % » wordt vervangen door « 3,30 % »; « 2 % » wordt vervangen door « 2,20 % »; d) er wordt een paragraaf 2quater ingevoegd, luidende : « § 2quater.Voor de werklozen met bedrijfstoeslag van wie de opzegging of verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend werd na 28 november 2011 en van wie de werkloosheid met bedrijfstoeslag vanaf 1 april 2012 ingaat, bedraagt, in afwijking van § 2bis, het percentage van de werkgeversbijdrage bedoeld in § 1 : 1° 100,00 % voor de werkloze met bedrijfstoeslag die op het ogenblik van de aanvang van de werkloosheid met bedrijfstoeslag de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;2° 95,00 % voor de werkloze met bedrijfstoeslag die bij aanvang van de werkloosheid met bedrijfstoeslag minstens 52 jaar is en de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;3° 85,00 % voor de werkloze met bedrijfstoeslag die bij aanvang van de werkloosheid met bedrijfstoeslag minstens 55 jaar is en de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;4° 55,00 % voor de werkloze met bedrijfstoeslag die bij aanvang van de werkloosheid met bedrijfstoeslag minstens 58 jaar is en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;5° 25,00 % voor de andere werklozen met bedrijfstoeslag.»; e) er wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, luidende : « § 3/1.Voor de werklozen met bedrijfstoeslag die waren tewerkgesteld bij de sociale werkplaatsen, zoals bedoeld in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, of door werkgevers die behoren tot de non-profitsector, zoals bedoeld in artikel 1, 1° en 2°, van het</p>\n<p class=\"lf-p\">koninklijk besluit van 18 juli 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten1 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, en waarvan de bedrijfstoeslag wordt toegekend voor de eerste keer vanaf 1 april 2012 ten gevolge van een opzegging of een verbreking van de arbeidsovereenkomst, betekend na 28 november 2011, wordt de bijdragevoet, in afwijking van de bepalingen van §§ 2ter en 2quater, herleid tot : 1° 10,00 % voor elke maand waarin de werkloze met bedrijfstoeslag de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;2° 9,50 % voor elke maand waarin de werkloze met bedrijfstoeslag, die minstens 52 jaar is, de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;3° 8,50 % voor elke maand waarin de werkloze met bedrijfstoeslag, die minstens 55 jaar is, de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;4° 5,50 % voor elke maand waarin de werkloze met bedrijfstoeslag, die minstens 58 jaar is, de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt.»; f) in paragraaf 4 worden de woorden « bedoeld in §§ 2ter en 3 » vervangen door de woorden « bedoeld in de §§ 2ter, 3 en 3/1.».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 139</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 120 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 23 december 2009 en 28 april 2010 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) het percentage « 32,25 % » in § 2 wordt vervangen door « 38,82 % »;b) in § 3 wordt « 50 » vervangen door « 55,00 » en wordt « 40 » vervangen door 44,00 »;c) in § 3 wordt 3° vervangen door de volgende bepaling : « 3° 38,82 % voor de andere gerechtigden op de aanvullende vergoeding. »; d) in § 3 worden 4° en 5° opgeheven;e) er wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, luidende : « § 3/1.Voor de aanvullende vergoedingen toegekend voor de eerste keer vanaf 1 april 2012 naar aanleiding van de opzegging of verbreking van de arbeidsovereenkomst, betekend na 28 november 2011, of naar aanleiding van elke andere beëindiging van de arbeidsovereenkomst na deze datum, bedraagt, in afwijking van § 3, het percentage van de werkgeversbijdrage bedoeld in § 1 : 1° 100,00 % voor elke gerechtigde die bij de aanvang van de uitkering bedoeld in artikel 114, 3°, a) of b), de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;2° 95,00 % voor elke gerechtigde die bij de aanvang van de uitkering bedoeld in artikel 114, 3°, a) of b), minstens 52 jaar is en de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;3° 85,00 % voor elke gerechtigde die bij de aanvang van de uitkering bedoeld in artikel 114, 3°, a) of b), minstens 55 jaar is en de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;4° 55,00 % voor elke gerechtigde die bij de aanvang van de uitkering bedoeld in artikel 114, 3°, a) of b), minstens 58 jaar is en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;5° 38,82 % voor de andere gerechtigden op een aanvullende vergoeding. »; f) de percentages vermeld in paragraaf 4 worden vervangen als volgt : « 5 % » wordt vervangen door « 5,50 % »; « 4 % » wordt vervangen door « 4,40 % »; « 3 % » wordt vervangen door « 3,30 % »; « 2 % » wordt vervangen door « 2,20 % »; g) er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, luidende : « § 4/1.Voor de aanvullende vergoedingen toegekend in de non-profitsector, zoals bedoeld in artikel 1, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 18 juli 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten1 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector of in de sociale werkplaatsen, zoals bedoeld in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, wanneer deze voor de eerste keer werd toegekend vanaf 1 april 2012 naar aanleiding van de opzegging of verbreking van de arbeidsovereenkomst, betekend na 28 november 2011, of naar aanleiding van elke andere beëindiging van de arbeidsovereenkomst na deze datum, wordt het percentage van de bijzondere werkgeversbijdrage, in afwijking van de bepaling van § 3/1 en § 4, herleid tot : 1° 10,00 % voor elke maand waarin de gerechtigde de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;2° 9,50 % voor elke maand waarin de gerechtigde die minstens 52 jaar is, de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;3° 8,50 % voor elke maand waarin de gerechtigde die minstens 55 jaar is, de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;4° 5,50 % voor elke maand waarin de gerechtigde die minstens 58 jaar is, de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;5° 0 % voor alle andere gerechtigden op de aanvullende vergoeding.»; h) in paragraaf 5 worden de woorden « bedoeld in § 4 » vervangen door de woorden « bedoeld in de §§ 4 en 4/1 ». Art. 140.In artikel 122bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten1, worden de woorden « bedoeld in artikel 118, § 2bis en 2ter » vervangen door de woorden « bedoeld in artikel 118, §§ 2bis, 2ter, 2quater en 3/1 ». Art. 141.In artikel 124 van dezelfde wet, zoals gewijzigd door de wetten van 23 december 2009, 30 december 2009 en 28 april 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden « bedoeld in artikel 118, §§ 2, 2bis en 3, in artikel 120, §§ 2 en 3, » vervangen door de woorden « bedoeld in artikel 118, §§ 2, 2bis, 2ter, 2quater, 3 en 3/1, in artikel 120, §§ 2, 3, 3bis, 4 en 4/1, »;2° in paragraaf 1, lid 2, worden de woorden « bedoeld in artikel 118, § 2bis » vervangen door de woorden « bedoeld in artikel 118, §§ 2bis en 2quater, »;3° in paragraaf 3 worden de woorden « van artikel 118, §§ 2, 2bis en 3, of van artikel 120, §§ 2 en 3 » vervangen door de woorden « van artikel 118, §§ 2, 2bis, 2quater en 3 of van artikel 120, §§ 2, 3 en 3/1 »;4° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden « de bedragen van het bedrag » in de Nederlandse tekst vervangen door de woorden « het bedrag van de bijdragen ». Art. 142.Deze onderafdeling treedt in werking op 1 april 2012.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 9. - Financiën HOOFDSTUK 1. - Inkomstenbelastingen Art. 143.In artikel 36, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de</h3>\n<p class=\"lf-p\">wet van 28 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen als volgt : « Onder cataloguswaarde wordt verstaan de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en werkelijk betaalde belasting over de toegevoegde waarde, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno.»; 2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd luidende : « De cataloguswaarde wordt vermenigvuldigd met een percentage dat is bepaald in de onderstaande tabel, teneinde rekening te houden met de periode die is verstreken vanaf de datum van eerste inschrijving van het voertuig :</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode verstreken sinds de eerste inschrijving van het voertuig (een begonnen maand telt voor een volledige maand) Bij de berekening van het voordeel in aanmerking te nemen percentage van de cataloguswaarde Période écoulée depuis la première immatriculation du véhicule (un mois commencé compte pour un mois entier) Pourcentage de la valeur catalogue à prendre en considération lors du calcul de l'avantage Van 0 tot 12 maanden 100 % De 0 à 12 mois 100 % Van 13 tot 24 maanden 94 % De 13 à 24 mois 94 % Van 25 tot 36 maanden 88 % De 25 à 36 mois 88 % Van 37 tot 48 maanden 82 % De 37 à 48 mois 82 % Van 49 tot 60 maanden 76 % De 49 à 60 mois 76 % Vanaf 61 maanden 70 % A partir de 61 mois 70 % ». Art. 144.In artikel 45, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/03/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1998 numac 1998016042 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten sluiten9, worden de woorden « van artikel 44, § 1, 2° » vervangen door de woorden « van artikelen 44, § 1, 2°, en 217, 2° ». Art. 145.In artikel 174/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid van § 2 wordt vervangen als volgt : « De volgende personen moeten aan het centraal aanspreekpunt dat door een dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën, afgescheiden van de fiscale administraties wordt gehouden, de gegevens toezenden met betrekking tot de dividenden en interesten bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2°, en met identificatie van de verkrijgers van de inkomsten : a) de schuldenaars van de roerende voorheffing bedoeld in artikel 261 voor de effecten op naam;b) in de andere gevallen, de uitbetalende instanties bedoeld in artikel 2, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 27 september 2009Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten6 ter uitvoering van artikel 338bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.»; 2° § 2, tweede lid, wordt aangevuld met de woorden « , behalve indien de inhouding aan de bron van de bijkomende heffing niet effectief wordt gedragen door de verkrijger van de inkomsten.»; 3° in § 2, derde lid, worden de woorden « gegevens uit de aangifte, » vervangen door de woorden « gegevens waarover de administratie beschikt, »;4° in § 2, vijfde lid, worden de woorden « of door de uitbetalende instanties » ingevoegd tussen de woorden « roerende voorheffing » en de woorden « en aan de operationele fiscale administraties »;5° § 3, eerste lid, wordt vervangen als volgt : « De inhoudingen aan de bron van de bijkomende heffing op roerende inkomsten worden geregeld overeenkomstig de bepalingen van Titel VI, afdeling I en afdeling III, onderafdeling III, en Titel VII die van toepassing zijn inzake roerende voorheffing behalve wanneer hiervan wordt afgeweken.»; 6° in § 3 wordt tussen het eerste en tweede lid een lid ingevoegd, luidende : « De inhouding aan de bron van de bijkomende heffing op roerende inkomsten die eventueel ten laste van de schuldenaar valt ter ontlasting van de verkrijger van het inkomen, wordt aan het bedrag van die inkomsten toegevoegd voor de berekening van de inhouding aan de bron van de heffing.»; 7° § 3, derde lid, dat het vierde lid is geworden, wordt vervangen als volgt : « De bepalingen van Titel VII zijn van toepassing op de bijkomende heffing op roerende inkomsten die wordt gevestigd op het moment van de berekening van de personenbelasting behalve wanneer hiervan wordt afgeweken.».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-146\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 146</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 192, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 22 december 1998, 10 maart 1999, 15 december 2004, 11 december 2008 en 22 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden « en gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom werden behouden.»; 2° de eerste paragraaf wordt aangevuld met vier leden, luidende : « De vrijstelling bepaald in het eerste lid is niet van toepassing op de ondernemingen waarvoor het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, geldt, voor de gerealiseerde verrichtingen op de effecten die behoren tot de handelsportefeuille, zoals bedoeld in artikel 35ter, § 1, tweede lid, a, van hetzelfde besluit Voor de ondernemingen bedoeld in het vorige lid wordt de interne overdracht van aandelen van of naar de handelsportefeuille beschouwd als een vervreemding. De uitgedrukte doch niet verwezenlijkte meerwaarden en de latente meerwaarden op deze aandelen worden beschouwd als winst van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk deze aandelen de handelsportefeuille verlaten. Daarentegen worden de uitgedrukte doch niet verwezenlijkte meerwaarden en de latente meerwaarden op aandelen beschouwd als vrijgestelde winst van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk deze aandelen deel beginnen uitmaken van de handelsportefeuille als de onderneming ze gedurende tenminste één jaar behouden heeft, of als belastbare winst als de onderneming ze gedurende minder dan een jaar behouden heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de meerwaarde die krachtens het vierde en het vijfde lid belastbaar is, zal de waarde van de aandelen bepaald op 31 december 2011 beschouwd worden als de aanschaffings- of beleggingswaarde verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen als de betreffende aandelen reeds in de boekhouding van de vennootschap zijn opgenomen op 31 december 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het eerste lid, worden de in ruil ontvangen aandelen ten gevolge van belastingneutrale verrichtingen bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1, en 231, §§ 2 en 3, die, naargelang het geval, beantwoorden aan het bepaalde in artikel 183bis, geacht te zijn verkregen op de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen om vast te stellen of aan de voorwaarde van behoud gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom is voldaan. ». Art. 147.In artikel 198 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het 7° aangevuld met de woorden « en de waardeverminderingen en de minderwaarden op de aandelen die behoren tot de handelsportefeuille, zoals bedoeld in artikel 35ter, § 1, tweede lid, a, van het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging »;2° in het eerste lid wordt het 11° vervangen als volgt : « 11° onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55, de betaalde of toegekende interesten van leningen indien, en in de mate van die overschrijding, het totale bedrag van deze leningen, andere dan obligaties of andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen en andere dan leningen toegekend door instellingen bedoeld in artikel 56, § 2, 2°, hoger is dan vijf maal de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk, wanneer de werkelijke verkrijgers ervan : - hetzij, niet onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting of, voor die inkomsten, onderworpen zijn aan een aanzienlijk gunstigere aanslagregeling dan die welke voortvloeit uit de bepalingen van gemeen recht van toepassing in België; - hetzij, deel uitmaken van een groep waartoe de schuldenaar behoort; »; 3° het artikel wordt aangevuld met zeven leden, luidende : « Voor de toepassing van het eerste lid, 7°, wat de ondernemingen bedoeld in artikel 192, § 1, vierde lid, betreft, wordt de interne transfer van aandelen van of naar de handelsportefeuille beschouwd als een vervreemding.De waardeverminderingen op deze aandelen worden beschouwd als aftrekbare uitgaven van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de aandelen de handelsportefeuille verlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen worden de waardeverminderingen op deze aandelen beschouwd als niet-aftrekbare uitgaven van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de aandelen deel beginnen uitmaken van de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 198, eerste lid, 7°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de waardevermindering in toepassing van het derde lid, zal de waarde van de aandelen bepaald op 31 december 2011 beschouwd worden als de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen als de betreffende aandelen reeds in de boekhouding van de vennootschap staan op datum van 31 december 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term « groep » als bedoeld in het eerste lid, 11°, doelt op het geheel van verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van leningen gewaarborgd door een derde of leningen waarbij een derde aan de schuldeiser de nodige middelen heeft verschaft met het oog op de financiering van de leningen, en geheel of gedeeltelijk de aan de leningen verbonden risico's draagt, wordt deze derde geacht de werkelijke verkrijger van de interesten van deze lening te zijn, indien deze waarborg of dit verschaffen van middelen als hoofddoel belasting ontwijking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aftrekbeperking bedoeld in het eerste lid, 11°, is niet van toepassing op leningen aangegaan door : - vennootschappen voor roerende leasing bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur, en vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit factoring of onroerende leasing en dit binnen de financiële sector en voor zover de ontleende kapitalen effectief dienen voor leasing- en factoringactiviteiten; - vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in het uitvoeren van een project van publiek-private samenwerking gegund na inmededingingstelling conform de reglementering inzake overheidsopdrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, op wie de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten4 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, van toepassing is, wordt onder gestort kapitaal, als bedoeld in het eerste lid, 11°, de fondsen van de vereniging verstaan zoals blijkt uit de balans die door deze belastingplichtigen is opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het eerste lid, 11°, moeten met belaste reserves worden gelijkgesteld de vrijgestelde reserves die werden aangelegd naar aanleiding van een verrichting bedoeld in artikel 184bis, § 4, of in artikel 211, door opneming op de belaste reserves of met correlatieve creatie van een negatieve belaste reserve, omwille van het feit dat de overnemende of verkrijgende vennootschap aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap bezat op het ogenblik van de verrichting. ». Art. 148.In artikel 216 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij de koninklijke besluiten van 23 december 1996 en 25 april 1997 en bij de wetten van 22 december 1998, 4 mei 1999, 31 juli 2004 en 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het 1° wordt vervangen als volgt : « 1° 21,5 pct.voor het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau; »; 2° het 1° bis wordt opgeheven. Art. 149.In titel III, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt artikel 217, opgeheven bij de wet van 24 december 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/2002 numac 2002003497 bron ministerie van financien Wet houdende de Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 2003 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/2002 numac 2002003520 bron ministerie van financien Wet tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken sluiten, hersteld als volgt : « Art. 217.Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt evenwel : 1° 16,5 pct.wat de belastbare bedragen betreft bij een in de artikelen 210, § 1, 5°, en 211, § 1, zesde lid, vermelde verrichting; 2° 25 pct.wat betreft de niet in artikel 45, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde meerwaarden, verwezenlijkt of vastgesteld bij de verdeling van het vermogen van een ontbonden vennootschap, op aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, § 1, en 203 van de winst te worden afgetrokken en die belastbaar zijn in toepassing van artikel 192 omdat ze niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom werden behouden. ». Art. 150.In artikel 246 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994, 21 december 1994, 30 januari 1996, 22 december 1998, 4 mei 1999, 27 december 2006 en 11 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden « in artikel 215 » vervangen door de woorden « in de artikelen 215 en 217 »;2° in het tweede lid, worden de woorden « in artikel 216, 1° bis « vervangen door de woorden « in artikel 217, 1° ». Art. 151.In artikel 307 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de programma wet van 23 december 2009Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten1, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de laatste volzin van § 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt : « Ten laatste gelijktijdig met de indiening van de aangifte waarin het bestaan van in dit lid bedoelde buitenlandse rekeningen wordt vermeld, moeten de nummers van die rekeningen worden gemeld bij het in artikel 322, § 3, bedoelde centraal aanspreekpunt volgens de door de Koning te bepalen modaliteiten, tenzij die melding reeds is gebeurd in een vorig aanslagjaar.Het formulier van aangifte in de personenbelasting bevat de nodige rubrieken om het bestaan van buitenlandse rekeningen te melden en om te bevestigen dat de nummers van die rekeningen zijn aangemeld bij het genoemde aanspreekpunt. »; 2° § 2 wordt aangevuld met een lid, luidende : « Wanneer de belastingplichtige zijn aangifte, tijdens een bezoek ten kantore of op een tot dat doeleinde door de bevoegde administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën vastgestelde plaats, met behulp van een ambtenaar van die administratie indient, moet hij de in het eerste lid bedoelde waarmerking, dagtekening en ondertekening aanbrengen op een van de twee exemplaren die de ambtenaar heeft gemaakt nadat hij de door de belastingplichtige aangegeven inkomsten en andere gegevens heeft ingebracht in de computerbestanden van de administratie via tax-on-web.Het aldus gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende exemplaar wordt ofwel overhandigd aan de voornoemde ambtenaar, ofwel toegestuurd aan de dienst die voorkomt op het genoemde aangifteformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede exemplaar van de afdruk van de gegevens is een kopie ten behoeve van de belastingplichtige. ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 152</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 534, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 28 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten0, worden de woorden « In afwijking van de artikelen 171, 2° bis, a, » vervangen door de woorden « In afwijking van de artikelen 171, 2° ter a, ». Art. 153.Artikel 151 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid treedt artikel 307, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het is gewijzigd door artikel 151 van deze wet, slechts in werking vanaf aanslagjaar 2013, wat de bevestiging in het aangifteformulier betreft dat de nummers van de buitenlandse rekeningen waarvan het bestaan is aangegeven in de aangifte voor aanslagjaar 2012, zijn aangemeld bij het centraal aanspreekpunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 152 is van toepassing op de inkomsten verkregen vanaf 1 januari 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 143 en 145 treden in werking vanaf aanslagjaar 2013, met dien verstande dat artikel 143 op het vlak van de bedrijfsvoorheffing, slechts wordt toegepast op de voordelen van alle aard die worden toegekend vanaf 1 mei 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 144, 146, 147, 1° en 3°, wat de aanvulling van artikel 198 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een derde en vierde lid betreft, 148, 2°, 149 en 150 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2013, alsmede op meerwaarden, waardeverminderingen en minderwaarden gerealiseerd vanaf 28 november 2011, op minderwaarden en waardeverminderingen die in de boekhouding zijn opgenomen vanaf 28 november 2011, en voor verrichtingen of overbrengingen die plaatsvinden vanaf 28 november 2011, tijdens een belastbaar tijdperk dat afsluit ten vroegste op de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en is verbonden aan het aanslagjaar 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke wijziging die vanaf 28 november 2011 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepalingen bedoeld in de artikelen 144, 146, 147, 1° en 3°, wat de aanvulling van artikel 198 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een derde en vierde lid betreft, 148, 2°, 149 en 150.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 147, 2° en 3°, wat de aanvulling van artikel 198 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een vijfde tot een negende lid betreft, treedt in werking op de datum die door de Koning wordt bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en uiterlijk op 1 juli 2012. HOOFDSTUK 2. - Maatregelen voor een betere inning Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 154</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bevoegdheden die hen door specifieke wettelijke bepalingen worden toegekend, zijn de ontvangers van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning of invordering van fiscale schuldvorderingen eveneens bevoegd om rechtsvorderingen in te stellen wegens de niet-betaling van de fiscale schuldvorderingen waarvan de inning of invordering hen is toevertrouwd, en staan zij in voor de inning en invordering van het door de rechter aan de overheid toegekende, met inbegrip van de interesten en de kosten bedoeld in de artikelen 1017 en 1018 van het Gerechtelijk Wetboek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-155\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 155</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dagvaarding in faillietverklaring van een schuldenaar van de Belgische Staat kan worden gedaan door elke ontvanger of elke andere ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-156\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 156</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In procedures waarin een ontvanger van de Federale Overheidsdienst Financiën optreedt, kan de verschijning in persoon namens de Belgische Staat worden gedaan door de betrokken ontvanger of elke andere ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-157\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 157</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De notarissen verzocht om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de door de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door hem gemaakte contractuele erfstelling, verschuldigde belastingen en bijbehoren die het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158 en die tot een derdenbeslag of een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, indien zij daarvan geen bericht geven aan : 1° de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, en dit op elektronische wijze;2° de door de Koning aangewezen ambtenaar, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig het 1°.In dat geval moet het bericht in tweevoud worden opgesteld en bij ter post aangetekende brief worden verzonden Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest. § 2. Indien de akte of het attest waarvan sprake niet wordt opgesteld binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt het als niet bestaande beschouwd. § 3. Wanneer hetzelfde bericht achtereenvolgens gegeven wordt overeenkomstig § 1, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig § 1, 2°, slechts primeren indien de datum van toezending ervan vroeger is dan de datum van de verzending van het bericht dat wordt gegeven overeenkomstig § 1, 1°. § 4. Wanneer het bericht gegeven wordt overeenkomstig § 1, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding die wordt gedaan door de dienst die daarvoor door de Koning is aangewezen. § 5. Het bericht vermeldt de identiteit van de overledene, van de erfgenamen of legatarissen alsook de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identiteit : a) voor natuurlijke personen, de naam, de voornaam en, in voorkomend geval, het nationaal nummer of het nummer in het Bis-Register van de betrokkene, of, bij gebreke van dat nummer, de datum van hun geboorte;b) voor een rechtspersoon, een trust, een fiduciaire of een gelijkaardige rechtsvorm, de maatschappelijke benaming en zetel en, in voorkomend geval, het ondernemingsnummer. Op vraag van de in § 1 bedoelde notaris, die de verzoekers daarover moet ondervragen, moet elke belastingplichtige en elk lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zijn hoedanigheid van belastingplichtige of van lid van een btw-eenheid meedelen, evenals zijn btw-nummer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belastingplichtige of lid van een btw-eenheid die een onjuiste verklaring doet, verbeurt een administratieve boete van 500 euro. § 6. De Koning bepaalt de overige voorwaarden en de nadere regels inzake de toepassing van dit artikel. Art. 158.Door de door de Koning aangewezen ambtenaar kan aan de notaris die het in artikel 157 bedoelde bericht verzonden heeft, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van verzending van dat bericht, bij een aangetekende brief met ontvangstmelding kennis gegeven worden van het bestaan van belastingschulden lastens de overledene of een andere persoon vermeld in het bericht met opgave voor elk van de schuldenaars van het bedrag van de belastingen en hun bijbehoren, die aanleiding kunnen geven tot derdenbeslag of inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is enkel van toepassing voor zover die belastingen en hun bijbehoren een zekere en vaststaande schuld uitmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als zijnde zeker en vaststaand : 1° de schulden en hun bijbehoren die aanleiding hebben gegeven tot een dwangschrift bedoeld in artikel 1421 van het Wetboek der successierechten of in artikel 220 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en waarvan de uitvoering niet werd gestuit door een vordering in rechte als bedoeld in artikel 221 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;2° de zekere en vaststaande schulden in de zin van artikel 410 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;3° de belasting over de toegevoegde waarde en het bijbehoren ervan die aanleiding hebben gegeven tot een dwangbevel bedoeld in artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en waarvan de uitvoering niet werd gestuit door een vordering in rechte zoals bepaald in artikel 89 van hetzelfde Wetboek. De Koning bepaalt de overige voorwaarden en de nadere regels inzake de toepassing van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-159\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 159</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval vermeldt het attest of de akte van erfopvolging dat noch lastens de overledene noch lastens een andere persoon vermeld in het bericht kennis werd gegeven van het bestaan van schulden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-160\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 160</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de belastingen en hun bijbehoren waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van artikel 158, kan iemand die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit de akte of het attest van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in artikel 158 werd gedaan. § 2. In afwijking van § 1 kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 1240bis toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele erfstelling, indien deze een attest van erfopvolging of een expeditie van de akte van erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld dat alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden en hun bijbehoren waarvan bij toepassing van artikel 158 gebeurlijk kennis werd gegeven, werden betaald</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 161</span><span class=\"lf-art-t\">De in de artikelen 157 en 158 bedoelde berichten en kennisgevingen dienen te worden opgemaakt overeenkomstig de door Koning bepaalde modellen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 162</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1240bis, § 4, van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld als volgt : « In voorkomend geval vermeldt de akte of het attest het nummer van het Nationaal Register of van het Bis-Register van de betrokken partijen. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 163</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 157 tot 161 zijn van overeenkomstige toepassing op elke persoon die bevoegd is om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde attest van erfopvolging op te maken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-164\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 164</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 157 tot 163 treden in werking op een datum die door de Koning wordt bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en uiterlijk op 1 juli 2012. Afdeling 2. - Belasting over de toegevoegde waarde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 165</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 63bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 22 april 2003, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende : « De bevoegdheden van de met de invordering belaste ambtenaren worden uitgeoefend zonder de machtiging bedoeld in artikel 62bis. ». HOOFDSTUK 3. - Strijd tegen de fiscale fraude Art. 166.Artikel 322, § 3, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 14 april 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten2, wordt vervangen als volgt : « De Koning bepaalt : 1° de werking van het centraal aanspreekpunt en in het bijzonder de bewaringstermijn van de in het eerste lid bedoelde gegevens;2° de modaliteiten en de periodiciteit van de mededeling door de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen van de in het eerste lid bedoelde gegevens;3° de modaliteiten van de raadpleging door de door de minister aangestelde ambtenaar bedoeld in § 2, derde lid, van de in het eerste lid bedoelde gegevens.». Art. 167.Artikel 344, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen als volgt : « § 1. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt : 1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;of 2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft. Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. ». Art. 168.In artikel 18 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994 en 24 december 2002, wordt § 2 vervangen als volgt : « § 2. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 185 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingschuldige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt : 1. een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;of 2. een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft. Het komt aan de belastingschuldige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van registratierechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belastingschuldige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. ». Art. 169.Artikel 167 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2013, alsmede op rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die zijn gesteld tijdens een belastbaar tijdperk dat afsluit ten vroegste op de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en is verbonden aan het aanslagjaar 2012. Elke wijziging die vanaf 28 november 2011 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepaling in artikel 167.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 168 is van toepassing op de rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die éénzelfde verrichting tot stand brengt, die zijn gesteld vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 11 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten3 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme Afdeling 1. - Beperking van de betalingen in contanten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-170\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 170</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 20, eerste lid, van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 11 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten3 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, gewijzigd bij de wet van 18 januari 2010Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten2, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « 15 000 euro » worden vervangen door de woorden « 5 000 euro »;2° de woorden « , uitgezonderd voor een bedrag tot 10 % van de prijs van de verkoop, en voor zover dit bedrag niet hoger is dan 15 000 euro » worden opgeheven. Art. 171.In artikel 21 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 januari 2010Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten2, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « evenals de prijs van één of meerdere dienstprestaties geleverd door een dienstverstrekker, » worden ingevoegd tussen de woorden « handelaar van één of meerdere goederen » en de woorden « voor een bedrag van »;2° de woorden « 15 000 euro » worden vervangen door de woorden « 5 000 euro »;3° de woorden « of de dienstprestatie » worden ingevoegd tussen de woorden « ongeacht of de verkoop » en « plaatsvindt in één verrichting »;4° na de woorden « mag niet in contanten worden vereffend » worden de woorden « uitgezonderd voor een bedrag dat 10 % van de prijs van de verkoop of de dienstprestatie niet overstijgt, en voor zover dit bedrag niet hoger is dan 5000 euro » ingevoegd;5° het artikel wordt aangevuld met de volgende leden : « Wanneer de voornoemde bepaling niet werd nageleefd, brengt de betrokken handelaar of dienstverstrekker dit onmiddellijk schriftelijk of elektronisch ter kennis van de Cel voor financiële informatieverwerking. Na advies van de Cel voor financiële informatieverwerking en na overleg met de vertegenwoordigers van de betrokken sectoren, legt de Koning bij besluit vast welke handelaren en dienstverstrekkers verplicht zijn de niet-naleving van het eerste lid ter kennis te brengen van de Cel voor financiële informatieverwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 1 januari 2014 verlaagt dit bedrag tot 3 000 euro. De Koning kan deze verlaging versneld invoeren bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. ». Art. 172.In artikel 41 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 januari 2010Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten2, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « bepalingen van artikel 21 » vervangen door de woorden « bepalingen van artikel 21, eerste lid, »;2° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden « De schuldenaar en de schuldeiser zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete.»; 3° in het tweede lid worden de woorden « overtredingen op artikel 21 » vervangen door de woorden « overtredingen op artikel 21, eerste lid, ». Afdeling 2. - Gestructureerde samenwerking van de CFI en het COIV</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-173\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 173</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 34 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 11 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten3 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, gewijzigd bij de wet van 18 januari 2010Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten2, wordt aangevuld met een lid, luidende : « In geval van verzet tegen een voorgenomen verrichting, bedoeld in artikel 23, § 2, en wanneer de Cel binnen de termijn van dit verzet de informatie overmaakt aan de bevoegde procureur des Konings of aan de federale procureur, verwittigt de Cel ook onverwijld het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring. Deze informatie zal eveneens worden overgemaakt wanneer de Cel in toepassing van het tweede lid de bevoegde procureur des Konings of de federale procureur op de hoogte stelt wanneer tegoeden van significante waarde, van welke aard ze ook zijn, beschikbaar zijn voor een mogelijke gerechtelijke inbeslagneming. ». Afdeling 3. - Betere informatie-uitwisseling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-174\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 174</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 33 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 11 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten3 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, gewijzigd bij de wet van 18 januari 2010Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten2, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende : « De ambtenaren van de administratieve diensten van de Staat, de curatoren in een faillissement, de voorlopige bewindvoerders bedoeld in artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, die, bij de uitoefening van hun opdrachten of bij de uitoefening van hun beroep, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de Cel voor financiële informatieverwerking daarvan onmiddellijk schriftelijk of elektronisch op de hoogte brengen. Zodra de Cel deze inlichtingen heeft ontvangen, oefent ze haar bevoegdheden uit conform het eerste lid en artikel 22, § 2. ». Afdeling 4. - Verzet van de CFI tegen de uitvoering van verrichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-175\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 175</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 23, § 2, van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 11 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten3 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, vervangen bij de wet van 18 januari 2010Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten2, wordt het laatste lid vervangen als volgt : « Dit verzet verhindert de uitvoering van de verrichtingen bedoeld in het eerste lid, tijdens maximaal vijf werkdagen te rekenen vanaf de kennisgeving. Een werkdag is elke dag met uitsluiting van een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag. ». Art. 176.Artikel 30, § 2, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 18 januari 2010Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1999 numac 1999024144 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende sociale en diverse bepalingen sluiten2, wordt vervangen als volgt : « § 2. Het verbod waarvan sprake in § 1 is niet van toepassing op de kennisgeving aan de bevoegde overheden bedoeld in artikel 39, noch op de kennisgeving voor repressieve doeleinden, noch in geval van verzet na verloop van twee werkdagen van de termijn bedoeld in artikel 23, § 2, derde lid ». Afdeling 5. - Inwerkingtreding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-177\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 177</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 170, 2°, treedt in werking op 1 januari 2014. HOOFDSTUK 5. - Dotaties aan de Leden van de Koninklijke Familie Art. 178.Artikel 75 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 28 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten0 houdende diverse bepalingen wordt vervangen als volgt : « Art. 75.In afwijking van de artikelen 2 en 4 van de wet van 16 november 1993 houdende vaststelling van de Civiele Lijst voor de duur van de regering van koning Albert II, tot toekenning van een jaarlijkse en levenslange dotatie aan Hare Majesteit koningin Fabiola en van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid prins Filip, wordt de dotatie aan Hare Majesteit koningin Fabiola vastgesteld op 1 441 381 euro voor de jaren 2012 en 2013. ». Art. 179.Artikel 76 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Art. 76.In afwijking van de artikelen 2, 3, 3bis en 5 van de wet van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid prins Filip, een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid prinses Astrid en een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid prins Laurent : 1° wordt de dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid prins Filip vastgesteld op 922 378 euro voor de jaren 2012 en 2013;2° wordt de dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid prinses Astrid vastgesteld op 319 061 euro voor de jaren 2012 en 2013;3° wordt de dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid prins Laurent vastgesteld op 306 727 euro voor de jaren 2012 en 2013.».</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL 10. - Pensioenen ENIG HOOFDSTUK. - Pensioenen van de overheidssector Wijziging van de</h3>\n<p class=\"lf-p\">wet van 28 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten0 houdende diverse bepalingen Art. 180.In artikel 89, eerste lid, van de wet van 28 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2000 numac 2000003354 bron ministerie van financien Wet houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid sluiten0 houdende diverse bepalingen worden de woorden « 1 maart 2012 » vervangen door de woorden « 1 mei 2012 ». Art. 181.Artikel 180 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegeven te Brussel, 29 maart 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, E. DI RUPO De Minister van Financiën, S. VANACKERE De Minister van Pensioenen, V. VAN QUICKENBORNE De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Landbouw, Mevr. S. LARUELLE Voor de Minister van Wetenschapsbeleid, afwezig : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Begroting, O. CHASTEL De Minister van Werk, Mevr. M. DE CONINCK Voor de Staatssecretaris voor Sociale Zaken, Gezinnen en Personen met een handicap, belast met Beroepsrisico's, afwezig : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en fiscale fraude, J. CROMBEZ Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM _______ Nota (1) Zitting 2011-2012. Kamer van volksvertegenwoordigers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stukken : 53-2081 - 2011/2012 : 001 : Ontwerp van programmawet. 002 tot 008 : Amendementen. 009 : Verslag. 010 tot 012 : Amendementen. 013 tot 017 : Verslagen. 018 : Tekst aangenomen door de commissies. 019 : Amendementen in plenaire vergadering. 020 : Tekst aangenomen door de commissies. 021 : Aanvullend verslag. 022 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integraal verlag : 21 en 22 maart 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Senaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stukken : 5-1545 - 2011/2012 : Nr. 1 : Ontwerp geëvoceerd door de Senaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr. 2 : Amendementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nrs. 3 tot 6 : Verslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr. 7 : Beslissing om niet te amenderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen van de Senaat : 28 maart 2012.</p></div>", "next": 0}