{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Regel 116 Verzameling van bewijsmateriaal op verzoek van de verdediging krachtens artikel 57, derde punt, b) 1. Overeenkomstig artikel 57, derde punt, b), vaardigt de Kamer van vooronderzoek een beschikking uit of verzoekt zij om medewerking wanneer zij van oordeel is dat : a) haar beschikking ertoe zal leiden dat mogelijk relevant of noodzakelijk bewijsmateriaal met het oog op de voorbereiding van de verdediging gemakkelijker kan worden verzameld;en b) indien het een geval van samenwerking op grond van Hoofdstuk IX betreft, voldoende informatie is verstrekt om te voldoen aan de voorschriften gesteld in artikel 96, tweede punt.2. Voordat de Kamer van vooronderzoek beslist al dan niet krachtens artikel 57, derde punt, b) een beschikking uit te vaardigen, kan zij het advies van de aanklager inwinnen. Afdeling IV. - Toepasselijke procedures in geval van vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende maatregelen Regel 117 Detentie in de Staat van aanhouding 1. Het Hof neemt maatregelen om zich ervan te vergewissen dat het in kennis wordt gesteld van de aanhoudingen ingevolge een door hem gedaan verzoek op grond van de artikelen 89 of 92.Vervolgens vergewist het zich ervan dat de betrokkene een afschrift ontvangt van het bevel tot aanhouding dat de Kamer van vooronderzoek heeft uitgevaardigd overeenkomstig artikel 58 en de relevante bepalingen van het Statuut.</p>\n<p class=\"lf-p\">De documenten worden aan de betrokkene overgelegd in een taal die hij volledig begrijpt en spreekt. 2. De betrokkene kan na zijn aanhouding te allen tijde een verzoek aan de Kamer van vooronderzoek richten tot toewijzing van een raadsman die hem gedurende de gehele procedure voor het Hof bijstaat.De Kamer van vooronderzoek doet uitspraak over dit verzoek. 3. In geval van betwisting van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding op grond van artikel 58, eerste punt, a) of b), wordt een schriftelijk verzoek aan de Kamer van vooronderzoek gericht.Het moet met redenen zijn omkleed. Na het advies van de aanklager te hebben ingewonnen, doet de Kamer van vooronderzoek onverwijld uitspraak. 4. Wanneer de Kamer van vooronderzoek door de bevoegde autoriteit van de Staat van aanhouding ervan in kennis wordt gesteld dat de aangehouden persoon een verzoek tot invrijheidstelling heeft geformuleerd overeenkomstig artikel 59, vijfde punt, doet zij haar aanbevelingen binnen de door de Staat van detentie bepaalde termijn.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de Kamer van vooronderzoek door de bevoegde autoriteit van de Staat van detentie op de hoogte wordt gebracht van de voorlopige invrijheidstelling van de betrokkene, deelt zij aan deze Staat mee hoe en volgens welke regelmaat hij haar moet informeren over het regime van de voorlopige invrijheidstelling. Regel 118 Detentie op de zetel van het Hof 1. Indien de aan het Hof overgedragen persoon vraagt in afwachting van de procedure in vrijheid te worden gesteld, hetzij tijdens zijn eerste verschijning overeenkomstig regel 121, hetzij op een later tijdstip, wint de Kamer van vooronderzoek het advies van de aanklager in en doet daarna onverwijld uitspraak.2. De Kamer van vooronderzoek herbestudeert haar beslissing tot invrijheidstelling of tot handhaving van de detentie, zoals bepaald in artikel 60, derde punt, ten minste elke 120 dagen.Zij kan zulks te allen tijde doen op verzoek van de gedetineerde of van de aanklager. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de eerste verschijning moet elk verzoek tot voorlopige invrijheidstelling schriftelijk gebeuren.De aanklager wordt daarvan in kennis gesteld. De Kamer van vooronderzoek doet uitspraak na de schriftelijke opmerkingen van de aanklager en van de gedetineerde te hebben ontvangen. Zij kan, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de gedetineerde, beslissen een zitting te houden. Zij houdt minstens één zitting per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 119 Voorlopige invrijheidstelling 1. De Kamer van vooronderzoek kan de in vrijheid gestelde persoon een of meer beperkende voorwaarden opleggen, te weten : a) niet buiten de door de Kamer van vooronderzoek bepaalde territoriale grenzen gaan zonder haar uitdrukkelijke toestemming;b) bepaalde door de Kamer van vooronderzoek genoemde plaatsen en personen mijden;c) geen rechtstreeks of onrechtstreeks contact hebben met slachtoffers en getuigen;d) bepaalde beroepsactiviteiten niet uitoefenen;e) verblijven op het door de Kamer van vooronderzoek bepaalde adres;f) gehoor geven aan de oproepingen van elke autoriteit of van elke bevoegde persoon gemachtigd door de Kamer van vooronderzoek;g) een borg stellen of voorzien in zakelijke of persoonlijke zekerheden, waarvan het bedrag, de termijnen en de wijze van regeling door de Kamer van vooronderzoek worden vastgesteld;h) aan de griffier alle stukken ter staving van zijn identiteit, inzonderheid zijn paspoort, overleggen.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van vooronderzoek kan op verzoek van de betrokkene of van de aanklager, dan wel uit eigen beweging te allen tijde de krachtens het eerste punt opgelegde beperkende voorwaarden wijzigen.3. Alvorens vrijheidsbeperkende voorwaarden op te leggen of te wijzigen, verzoekt de Kamer van vooronderzoek de aanklager, de betrokkene, de betrokken Staten en de slachtoffers die contact hebben gehad met het Hof in verband met de betrokken zaak en voor wie, volgens de kamer, de invrijheidstelling of de opgelegde voorwaarden een risico zouden kunnen inhouden, haar hun opmerkingen kenbaar te maken.4. Indien de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat de betrokkene een of meer van de hem opgelegde verplichtingen heeft geschonden, kan zij om die reden tegen hem op verzoek van de aanklager of uit eigen beweging een bevel tot aanhouding uitvaardigen.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 58, zevende punt, een dagvaarding tot verschijning uitvaardigt en de betrokkene een of meer vrijheidsbeperkende maatregelen wenst op te leggen, vergewist zij zich van de bepalingen hieromtrent in de nationale wetgeving van de bij de dagvaarding betrokken Staat.Binnen het door deze wetgeving vastgestelde kader handelt de Kamer van vooronderzoek overeenkomstig het voornoemde eerste, tweede en derde punt. Indien zij ervan in kennis wordt gesteld dat de betrokken persoon de hem opgelegde voorwaarden niet heeft nageleefd, handelt zij overeenkomstig het vierde punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 120 Dwangmaatregelen Dwangmaatregelen worden slechts gebruikt om vluchtgevaar te voorkomen, een door het Hof gedetineerde persoon of andere personen te beschermen, dan wel om andere veiligheidsredenen. Zij worden ingetrokken wanneer de betrokkene voor een kamer verschijnt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling V. - Procedure ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten overeenkomstig artikel 61 Regel 121 Toepasselijke procedure vóór de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten 1. Een persoon tegen wie krachtens artikel 58 een bevel tot aanhouding of een dagvaarding tot verschijning is uitgevaardigd, verschijnt zo spoedig mogelijk na zijn aankomst in het Hof voor de Kamer van vooronderzoek, zulks in aanwezigheid van de aanklager.Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 60 en 61 geniet hij de rechten opgesomd in artikel 67. Tijdens deze eerste verschijning bepaalt de Kamer van vooronderzoek de datum waarop zij voornemens is de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij zorgt ervoor dat deze datum en de eventuele verdagingen overeenkomstig het zevende punt openbaar worden gemaakt. 2. Op grond van artikel 61, derde punt, neemt de Kamer van vooronderzoek de nodige beslissingen om ervoor te zorgen dat de aanklager en de persoon tegen wie een bevel tot aanhouding of een dagvaarding tot oproeping is uitgevaardigd, elkaar hun bewijsmiddelen overleggen, waarbij : a) de betrokken persoon kan worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman van zijn keuze of door een hem ambtshalve toegewezen raadsman;b) de Kamer van vooronderzoek besprekingen houdt met betrekking tot de stand van zaken met het oog op een vlotte uitwisseling van informatie. Voor elke zaak wordt een rechter van de Kamer van vooronderzoek aangewezen om deze besprekingen te organiseren, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de aanklager of van de betrokken persoon; c) de bewijsmiddelen die tussen de aanklager en de betrokken persoon zijn uitgewisseld met het oog op de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten, aan de Kamer van vooronderzoek worden overgelegd.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanklager bezorgt de Kamer van vooronderzoek en de betrokken persoon ten laatste 30 dagen voor de zittingsdag een gedetailleerde staat van de ten laste gelegde feiten, alsmede de inventaris van het bewijsmateriaal dat hij voornemens is op de zitting aan te voeren.4. Ingeval de aanklager voornemens is de ten laste gelegde feiten krachtens artikel 61, vierde punt, te wijzigen, stelt hij de Kamer van vooronderzoek en de betrokken persoon in kennis van de gewijzigde ten laste gelegde feiten, evenals van de inventaris van het bewijsmateriaal dat hij voornemens is tijdens de zitting aan te voeren, zulks ten laatste 15 dagen voor de zittingsdag.5. Ingeval de aanklager voornemens is tijdens de zitting nieuw bewijsmateriaal aan te voeren, bezorgt hij ten laatste 15 dagen voor de zittingsdag de inventaris ervan aan de Kamer van vooronderzoek en aan de betrokken persoon.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokken persoon voornemens is krachtens artikel 61, zesde punt, bewijsmateriaal aan te voeren, bezorgt hij ten laatste 15 dagen voor de zittingsdag de inventaris ervan aan de Kamer van vooronderzoek.De Kamer van vooronderzoek legt deze inventaris onverwijld over aan de aanklager. De betrokken persoon bezorgt de inventaris van het bewijsmateriaal dat hij voornemens is aan te voeren om de ten laste gelegde feiten te betwisten wanneer deze zijn gewijzigd of om te antwoorden op een nieuwe inventaris van de aanklager. 7. De aanklager en de betrokken persoon kunnen de Kamer van vooronderzoek vragen dat de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten wordt verdaagd.De Kamer van vooronderzoek kan ook ambtshalve de zitting verdagen. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van vooronderzoek houdt geen rekening met de ten laste gelegde feiten en bewijsmiddelen die na het verstrijken van de termijn, daaronder begrepen eventuele verlengingen, zijn aangevoerd.9. De aanklager en de betrokken persoon kunnen bij de Kamer van vooronderzoek schriftelijke conclusies indienen betreffende elementen ten aanzien van de feiten en ten aanzien van het recht, daaronder begrepen betreffende de gronden voor ontheffing van strafrechtelijke aansprakelijkheid omschreven in artikel 31, eerste punt, zulks ten laatste drie dagen voor de zittingsdag.Een afschrift van deze conclusies wordt, naar gelang van het geval, onverwijld aan de aanklager of aan de betrokken persoon overgezonden. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffie opent een dossier van de procedure voor de Kamer van vooronderzoek en houdt het bij.Daarin worden de haar overeenkomstig deze regel overgezonden stukken opgenomen. Onder voorbehoud, in voorkomend geval, van de beperkingen tot bescherming van de vertrouwelijkheid van de informatie die verband houdt met de nationale veiligheid, kan het dossier worden geraadpleegd door de aanklager, de betrokken persoon en de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers die overeenkomstig de regels 89 tot 91 aan de procedure deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 122 Zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in aanwezigheid van de verdachte 1. De rechter-voorzitter van de Kamer van vooronderzoek vraagt aan de zittingsgriffier de ten laste gelegde feiten zoals naar voren gebracht door de aanklager voor te lezen.Hij bepaalt de wijze van verloop van de zitting en kan onder meer vaststellen hoe en in welke volgorde hij het in het dossier van de procedure opgenomen bewijsmateriaal wil overleggen. 2. Ingeval een vraag of een betwisting in verband met de rechtsmacht van het Hof of met de ontvankelijkheid van een zaak wordt opgeworpen, is regel 58 van toepassing.3. Voordat de rechter-voorzitter van de Kamer van vooronderzoek overgaat tot de grond van de zaak, vraagt hij aan de aanklager en aan de betrokken persoon of zij voornemens zijn excepties op te werpen of opmerkingen te formuleren met betrekking tot een aangelegenheid inzake de regelmatigheid van de procedures die aan de zitting zijn voorafgegaan.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De krachtens het derde punt opgeworpen excepties of geformuleerde opmerkingen kunnen niet meer in een later stadium worden aangevoerd, noch tijdens de procedure ter bevestiging, noch tijdens de zitting.5. Indien de in het derde punt genoemde excepties of opmerkingen worden opgeworpen of geformuleerd, verzoekt de rechter-voorzitter van de Kamer van vooronderzoek de in het derde punt bedoelde personen hun middelen aan te voeren in de door hem vastgestelde volgorde.De betrokken persoon heeft het recht hierop te reageren. 6. In geval van in het derde punt vermelde opgeworpen excepties of geformuleerde opmerkingen beslist de Kamer van vooronderzoek hetzij de behandeling ervan samen te voegen met die van de ten laste gelegde feiten en van het bewijsmateriaal, hetzij deze afzonderlijk te behandelen.In het laatste geval doet zij hierover uitspraak na de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten te hebben verdaagd. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de behandeling ten gronde voeren de aanklager en de betrokken persoon hun middelen aan zoals voorgeschreven in artikel 61, vijfde en zesde punt.8. De Kamer van vooronderzoek verleent de aanklager en de betrokken persoon toestemming in die volgorde hun eindopmerkingen te formuleren.9. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 61, is artikel 69 mutatis mutandis van toepassing op de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten. Regel 123 Maatregelen genomen met het oog op de aanwezigheid van de betrokken persoon tijdens de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten 1. Wanneer de Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 59, zevende punt, een bevel tot aanhouding of een dagvaarding tot verschijning heeft uitgevaardigd en de betrokken persoon wordt aangehouden of in kennis gesteld van de dagvaarding, zorgt de Kamer van vooronderzoek ervoor dat deze persoon op de hoogte wordt gebracht van het bepaalde in artikel 61, tweede punt.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van vooronderzoek kan overleg plegen met de aanklager, op verzoek van deze laatste of uit eigen beweging, teneinde te bepalen of een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten kan worden gehouden onder de voorwaarden bepaald in artikel 61, tweede punt, b). Indien de betrokken persoon wordt bijgestaan door een raadsman die bij het Hof is gekend, vindt het overleg plaats in diens aanwezigheid, behoudens andersluidende beslissing van de Kamer van vooronderzoek. 3. De Kamer van vooronderzoek vergewist zich ervan dat tegen de betrokken persoon een bevel tot aanhouding is uitgevaardigd en, ingeval het bevel tot aanhouding niet binnen een normale termijn ten uitvoer is gelegd, dat alle redelijke maatregelen zijn getroffen om deze persoon te lokaliseren en aan te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 124 Afstand van het recht om aanwezig te zijn op de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten 1. Ingeval de betrokken persoon ter beschikking is gesteld van het Hof maar wenst afstand te doen van zijn recht om aanwezig te zijn op de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten, richt hij daartoe een schriftelijk verzoek aan de Kamer van vooronderzoek, die dan overleg kan plegen met de aanklager en de betrokken persoon, bijgestaan of vertegenwoordigd door zijn raadsman.2. Een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten kan slechts worden gehouden, zoals bepaald in artikel 61, tweede punt, a), wanneer de Kamer van vooronderzoek zich ervan heeft vergewist dat de betrokken persoon weet dat hij het recht heeft aanwezig te zijn tijdens de zitting en de gevolgen kent van zijn afstand van dat recht.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van vooronderzoek kan de betrokken persoon toestaan de zitting van buiten de zaal te volgen, desnoods aan de hand van een technisch communicatiemiddel, en neemt daartoe maatregelen.4. Het gegeven dat de betrokken persoon ervan heeft afgezien aanwezig te zijn tijdens de zitting, belet niet dat de Kamer van vooronderzoek van deze persoon schriftelijke opmerkingen kan ontvangen in verband met de aangelegenheden die zij behandelt. Regel 125 Beslissing om een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon te houden 1. Na het in de regels 123 en 124 bedoelde overleg te hebben gepleegd, bepaalt de Kamer van vooronderzoek of een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon moet worden gehouden en, zo ja, of deze persoon door zijn raadsman kan worden vertegenwoordigd.In voorkomend geval bepaalt zij de datum van de zitting en maakt deze openbaar. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de Kamer van vooronderzoek wordt ter kennis gebracht van de aanklager en, indien mogelijk, van de betrokken persoon of van zijn raadsman.3. Indien de Kamer van vooronderzoek beslist geen zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon te houden en deze niet ter beschikking is gesteld van het Hof, kan de bevestiging van de ten laste gelegde feiten niet plaatshebben zolang de betrokkene niet ter beschikking is gesteld van het Hof.De Kamer van vooronderzoek kan te allen tijde op verzoek van de aanklager of uit eigen beweging zijn beslissing heroverwegen. 4. Ingeval de Kamer van vooronderzoek beslist geen zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon te houden en deze ter beschikking is gesteld van het Hof, beveelt zij zijn verschijning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 126 Zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon 1. De regels 121 en 122 zijn mutatis mutandis van toepassing op de voorbereiding en op het verloop van de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon.2. Ingeval de Kamer van vooronderzoek heeft beslist dat de betrokken persoon wordt vertegenwoordigd door een raadsman, moet deze laatste alle rechten van deze persoon kunnen uitoefenen.3. Wanneer een persoon die gevlucht is, wordt aangehouden en het Hof de ten laste gelegde feiten heeft bevestigd op grond waarvan de aanklager voornemens is te de procedure voort te zetten, wordt deze persoon verwezen naar de Kamer van eerste aanleg samengesteld overeenkomstig artikel 61, elfde punt.Indien dit noodzakelijk is voor het doeltreffend en eerlijk functioneren van deze kamer, kan de betrokkene haar schriftelijk vragen kwesties naar de Kamer van vooronderzoek te verwijzen, zulks krachtens artikel 64, vierde punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling VI. - Bëeindiging van het vooronderzoek Regel 127 Te volgen procedure in geval van verschillende beslissingen met betrekking tot verscheidene ten laste gelegde feiten Ingeval de Kamer van vooronderzoek bereid is bepaalde ten laste gelegde feiten te bevestigen maar de zitting in verband met andere ten laste gelegde feiten verdaagt, zoals bepaald in artikel 61, zevende punt, c), kan zij beslissen dat de verwijzing van de betrokkene naar de Kamer van eerste aanleg uit hoofde van de ten laste gelegde feiten die zij bereid is te bevestigen, in afwachting van de voortzetting van de zitting wordt uitgesteld. Zij kan dan ten behoeve van de aanklager een termijn bepalen zodat deze kan handelen overeenkomstig artikel 61, zevende punt, c), i) of ii).</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 128 Wijziging van de ten laste gelegde feiten 1. Indien de aanklager voornemens is reeds bevestigde ten laste gelegde feiten voor de aanvang van het proces krachtens artikel 61 te wijzigen, richt hij een schriftelijk verzoek in die zin aan de Kamer van vooronderzoek, die de verdachte daarvan in kennis stelt.2. Alvorens uitspraak te doen over deze wijziging, kan de Kamer van vooronderzoek de verdachte en de aanklager vragen hun schriftelijke opmerkingen in verband met bepaalde aangelegenheden ten aanzien van de feiten of ten aanzien van het recht kenbaar te maken.3. Ingeval de Kamer van vooronderzoek van oordeel is dat de door de aanklager voorgestelde wijzigingen kunnen worden beschouwd als nieuwe of als zwaardere ten laste gelegde feiten, handelt zij overeenkomstig de regels 121 en 122 of 123 tot 126, al naar gelang van het geval. Regel 129 Kennisgeving van de beslissing inzake de bevestiging van de ten laste gelegde feiten De beslissing van de Kamer van vooronderzoek met betrekking tot de bevestiging van de ten laste gelegde feiten en tot de verwijzing van de verdachte naar de Kamer van eerste aanleg wordt, indien mogelijk, ter kennis van de aanklager, van de betrokkene en van zijn raadsman gebracht. De beslissing en het dossier van de procedure voor de Kamer van vooronderzoek worden aan het Voorzitterschap overgezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 130 Samenstelling van de Kamer van eerste aanleg Wanneer het Voorzitterschap de Kamer van eerste aanleg samenstelt en de zaak ernaar verwijst, zendt het haar de beslissing van de Kamer van vooronderzoek en het dossier van de procedure over. Het Voorzitterschap kan tevens de zaak verwijzen naar een reeds samengestelde Kamer van eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 6. - Procedure Regel 131 Overzending van het dossier van de procedure door de Kamer van vooronderzoek 1. De griffier houdt overeenkomstig regel 121, tiende punt, het door de Kamer van vooronderzoek overgezonden dossier van de procedure bij.2. Onder voorbehoud, in voorkomend geval, van de beperkingen die erop zijn gericht de vertrouwelijkheid en de bescherming te waarborgen van de informatie die verband houdt met de nationale veiligheid, kan het dossier worden geraadpleegd door de aanklager, de verdediging, de vertegenwoordigers van de Staten die aan de procedure deelnemen en de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers die overeenkomstig de regels 89 tot 91 eraan deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 132 Besprekingen met betrekking tot de stand van zaken 1. De Kamer van eerste aanleg houdt zo spoedig mogelijk na haar samenstelling een bespreking met betrekking tot de stand van zaken om een datum voor de zitting te bepalen.Zij kan ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging deze datum uitstellen. Zij brengt de datum van de zitting ter kennis van alle deelnemers aan de procedure. Zij draagt zorg ervoor dat deze datum en de eventuele verdagingen ervan openbaar worden gemaakt. 2. Met het oog op een eerlijk en vlot verloop van de procedure kan de Kamer van eerste aanleg de partijen raadplegen tijdens besprekingen met betrekking tot de stand van zaken, die naar gelang van de behoeften worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 133 Excepties van onbevoegdheid of van onontvankelijkheid De excepties van onbevoegdheid of van onontvankelijkheid, opgeworpen bij de aanvang van de procedure of in een later stadium met de toestemming van het Hof, worden krachtens regel 58 door de rechter-voorzitter en de Kamer van eerste aanleg behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 134 Verzoeken in verband met de procedure 1. Voor de aanvang van de procedure kan de Kamer van eerste aanleg, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging, uitspraak doen over aangelegenheden in verband met het verloop van de procedure.De verzoeken van de aanklager of van de verdediging worden schriftelijk gedaan en, behalve in geval van een procedure bij afwezigheid van de andere partij, aan de andere partij overgelegd. De andere partij krijgt de gelegenheid te antwoorden op de verzoeken die geen betrekking hebben op een procedure bij afwezigheid van de andere partij. 2. Bij de aanvang van de procedure vraagt de Kamer van eerste aanleg aan de aanklager en aan de verdediging of zij voornemens zijn excepties op te werpen of opmerkingen te formuleren in verband met het verloop van de procedure na de zitting ter bevestiging.Deze excepties en opmerkingen kunnen niet in een later stadium van de procedure worden opgeworpen of geformuleerd zonder machtiging van de Kamer van eerste aanleg belast met de zaak. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de aanvang van de procedure kan de Kamer van eerste aanleg, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging, uitspraak doen over aangelegenheden die zich in de loop van de procedure voordoen. Regel 135 Medisch onderzoek van de verdachte 1. De Kamer van eerste aanleg kan, met het oog op de nakoming van de verplichting omschreven in artikel 64, achtste punt, a), of om enige andere reden, dan wel op verzoek van een partij, bevelen dat de verdachte medisch, psychiatrisch of psychologisch wordt onderzocht onder de in regel 113 bepaalde voorwaarden.2. De Kamer moet schriftelijk de redenen voor deze beslissing vermelden.3. De Kamer gaat over tot aanwijzing van een of meer deskundigen op de lijst van de door de griffier erkende deskundigen, dan wel van een deskundige erkend door de Kamer van eerste aanleg op verzoek van een partij.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de Kamer van eerste aanleg van oordeel is dat de verdachte niet in staat is te worden berecht, beveelt zij de verdaging van de procedure.Zij kan, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging, de situatie van de verdachte herbestuderen. In elk geval moet zij zulks doen elke 120 dagen, behoudens andersluidende redenen. De kamer kan, indien noodzakelijk, een nieuw onderzoek van de verdachte bevelen. Nadat de kamer zich ervan heeft vergewist dat de verdachte in staat is te worden berecht, handelt zij overeenkomstig regel 132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 136 Samenvoeging en splitsing van zaken 1. De verdachten met betrekking tot wie de ten laste gelegde feiten zijn samengevoegd, worden gezamenlijk berecht, tenzij de Kamer van eerste aanleg, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging, afzonderlijke zittingen beveelt om te voorkomen dat de verdachten ernstig worden benadeeld, in het belang van de rechtsbedeling of omdat een verdachte, met betrekking tot wie de ten laste gelegde feiten met andere zijn samengevoegd, een schuldbekentenis heeft afgelegd en krachtens artikel 65, tweede punt, kan worden vervolgd.2. Ingeval de verdachten gezamenlijk worden berecht, heeft elk van hen dezelfde rechten als wanneer hij afzonderlijk wordt berecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 137 Proces-verbaal van de procedure 1. Overeenkomstig artikel 64, tiende punt, zorgt de griffier ervoor dat een volledig en waarheidsgetrouw proces-verbaal wordt opgemaakt en bewaard van de gehele procedure, daaronder begrepen de transcripties, de geluids- en beeldopnamen en andere geluids- of beelddragers.2. Een Kamer van eerste aanleg kan de bekendmaking bevelen van een gedeelte van het proces-verbaal of van het gehele proces-verbaal van procedures met gesloten deuren indien de redenen voor de beslissing tot niet-bekendmaking niet langer bestaan.3. De Kamer van eerste aanleg kan andere personen dan de griffier machtigen tijdens de procedure foto's te nemen, geluids- of beeldopnamen te maken of andere geluids- of beelddragers te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 138 Bewaring van bewijsmateriaal De griffier zorgt, voor zover noodzakelijk, voor de bewaring van en het toezicht op het bewijsmateriaal en andere tijdens de procedure overgelegde stukken, zulks onder voorbehoud van enige beschikking van de Kamer van eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 139 Beslissing in geval van schuldbekentenis 1. Na te hebben gehandeld overeenkomstig artikel 65, eerste punt, kan de Kamer van eerste aanleg, teneinde te bepalen of moet worden gehandeld overeenkomstig artikel 65, vierde punt, het advies van de aanklager en dat van de verdediging inwinnen.2. De Kamer van eerste aanleg doet vervolgens uitspraak over de schuldbekentenis.Zij geeft de redenen voor haar beslissing aan. Deze worden in het proces-verbaal vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 140 Aanwijzingen ten aanzien van het verloop van de debatten en de verklaringen 1. Ingeval de rechter-voorzitter van de Kamer van eerste aanleg niet de in artikel 64, achtste punt, vermelde aanwijzingen geeft, komen de aanklager en de verdediging overeen in welke volgorde en hoe de bewijsmiddelen voor de kamer worden overgelegd.Bij gebreke van een dergelijk akkoord geeft de rechter-voorzitter instructies. 2. In elk geval, onder voorbehoud van artikel 64, achtste punt, b) en negende punt, van artikel 69, vierde punt, en van regel 88, vijfde punt, kunnen de getuigen als volgt worden ondervraagd : a) de partij die bij de overlegging van haar bewijsmiddelen krachtens artikel 69, derde punt, een beroep doet op een getuige, heeft het recht deze getuige te ondervragen;b) de aanklager en de verdediging hebben het recht deze getuige te ondervragen in verband met relevante kwesties in zijn getuigenverklaring en de betrouwbaarheid ervan, alsmede in verband met zijn eigen geloofwaardigheid en andere relevante aangelegenheden;c) de Kamer van eerste aanleg kan een getuige ondervragen voor of na een overeenkomstig het tweede punt, a) of b) afgenomen ondervraging;d) de verdediging heeft het recht de getuige als laatste te ondervragen.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens andersluidende beslissing van de Kamer van eerste aanleg, kan de getuige die noch een deskundige, noch een onderzoeker is en die nog geen verklaring heeft afgelegd, niet aanwezig zijn bij de verklaring van een andere getuige.Indien hij evenwel een andere getuigenverklaring heeft gehoord, is zijn verklaring daarom nog niet ontoelaatbaar. Ingeval een getuige een verklaring aflegt na andere getuigenverklaringen te hebben gehoord, wordt zulks in het proces-verbaal vermeld en houdt de kamer hiermee rekening bij haar beoordeling van de bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 141 Afsluiting van de overlegging van bewijsmiddelen en conclusies 1. De rechter-voorzitter verklaart te gepasten tijde dat de overlegging van bewijsmiddelen is afgesloten.2. De rechter-voorzitter verzoekt de aanklager en de verdediging hun mondelinge conclusies uiteen te zetten.De verdediging heeft steeds het recht als laatste te spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 142 Beraadslaging 1. Na de mondelinge conclusies trekt de Kamer van eerste aanleg zich terug om met gesloten deuren te beraadslagen.Zij stelt alle deelnemers aan de procedure in kennis van de datum waarop zij haar beslissing zal wijzen. De uitspraak heeft plaats binnen een redelijke termijn nadat de kamer zich heeft teruggetrokken om te beraadslagen. 2. In geval van verschillende ten laste gelegde feiten doet de kamer over elk van deze feiten afzonderlijk uitspraak.Ingeval er verscheidene verdachten zijn, doet de kamer afzonderlijk uitspraak over de ten laste gelegde feiten met betrekking tot elk van hen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 143 Bijkomende zittingen voor aangelegenheden in verband met de straf of met de herstelbetalingen Ingeval overeenkomstig artikel 76, tweede en derde punt, een nieuwe zitting moet worden gehouden over aangelegenheden in verband met de straf en, in voorkomend geval, met de herstelbetalingen, bepaalt de rechter-voorzitter de datum ervan. In uitzonderlijke omstandigheden kan de Kamer van eerste aanleg de zitting verdagen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de aanklager, van de verdediging of van de wettelijke vertegenwoordigers van de slachtoffers die overeenkomstig de regels 89 tot 91 aan de procedure deelnemen, dan wel, wat de zittingen in verband met de herstelbetalingen betreft, van de slachtoffers die overeenkomstig regel 94 een verzoek hebben gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 144 Uitspraak van de beslissingen van de Kamer van eerste aanleg 1. De beslissingen van de Kamer van eerste aanleg in verband met de ontvankelijkheid van de zaak, de rechtsmacht van het Hof, de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte, de straf of de herstelbetalingen worden in een openbare zitting uitgesproken, indien mogelijk, in aanwezigheid van de verdachte, van de aanklager, van de slachtoffers of van de wettelijke vertegenwoordigers van de slachtoffers die overeenkomstig de regels 89 tot 91 aan de procedure deelnemen en van de vertegenwoordigers van de Staten die aan de procedure hebben deelgenomen.2. Afschriften van deze beslissingen worden zo spoedig mogelijk overgelegd : a) aan alle deelnemers aan de procedure, in een werktaal van het Hof;b) aan de verdachte in een taal die hij volledig begrijpt en spreekt, om indien nodig te voldoen aan de vereisten inzake eerlijkheid overeenkomstig artikel 67, eerste punt, f).</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 7. - Straffen Regel 145 Strafbepaling 1. Bij de strafbepaling overeenkomstig artikel 78, eerste punt : a) houdt het Hof rekening ermee dat het totaal van de straf uitgesproken krachtens artikel 77, opsluiting of een boete naar gelang van het geval, evenredig moet zijn met de schuld;b) evalueert het Hof het belang van alle relevante overwegingen, daaronder begrepen verzwarende en verzachtende omstandigheden, en houdt het rekening zowel met de situatie van de veroordeelde als met de omstandigheden van de misdaad;c) houdt het Hof, naast met de overwegingen bedoeld in artikel 78, eerste punt, inzonderheid rekening met de omvang van de veroorzaakte schade, in het bijzonder het nadeel berokkend aan de slachtoffers en aan hun familieleden, de aard van de ongeoorloofde gedraging en de middelen die voor de misdaad zijn aangewend, de graad van deelneming van de veroordeelde persoon, de graad van opzet, de omstandigheden van tijd, plaats en wijze, de leeftijd, het opleidingsniveau en de sociale en economische situatie van de veroordeelde persoon.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof houdt naast de bovenvermelde overwegingen, indien van toepassing, rekening met : a) het bestaan van verzachtende omstandigheden zoals : i) omstandigheden die geen grond vormen voor ontheffing van de strafrechtelijke aansprakelijkheid, zoals een wezenlijke krenking van het onderscheidingsvermogen of dwang, maar van gelijkbare aard zijn; ii) de gedraging van de veroordeelde persoon na de feiten, daaronder begrepen de inspanningen die hij kan hebben gedaan om de slachtoffers te vergoeden, alsmede zijn coöperatieve houding ten aanzien van het Hof; b) het bestaan van verzwarende omstandigheden zoals : i) relevante strafrechtelijke veroordelingen die voordien zijn opgelegd wegens misdaden die ressorteren onder de rechtsmacht van het Hof of van vergelijkbare aard zijn; ii) machtsmisbruik of misbruik van officiële functies; iii) bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer; iv) bijzondere wreedheid van de misdaad of talrijke slachtoffers; v) drijfveer met een discriminerend aspect gegrond op een van de overwegingen bedoeld in artikel 21, derde punt; vi) andere omstandigheden van vergelijkbare aard. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Levenslange opsluiting kan worden opgelegd ingeval zij verantwoord is wegens de buitengewone ernst van de misdaad en de persoonlijke situatie van de veroordeelde persoon bevestigd door het bestaan van een of meer verzwarende omstandigheden. Regel 146 Boetes opgelegd krachtens artikel 77 1. Ingeval het Hof beslist krachtens artikel 77, tweede punt, a), een boete op te leggen en het bedrag ervan vaststelt, bepaalt het of opsluiting een toereikende straf is.Het Hof houdt naar behoren rekening met de financiële middelen van de veroordeelde persoon, onder voorbehoud van de verbeurdverklaringen opgelegd krachtens artikel 77, tweede punt, b), en in voorkomend geval met de herstelbetalingen toegekend krachtens artikel 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de overwegingen bedoeld in regel 145 houdt het Hof rekening met het gegeven of persoonlijk voordeel al dan niet een drijfveer was voor de misdaad en indien ja, in welke mate. 2. Voor de boetes opgelegd krachtens artikel 77, tweede punt, a), wordt een passend bedrag vastgesteld.Het Hof houdt naast met de bovenvermelde overwegingen in het bijzonder rekening met de veroorzaakte schade en het berokkende letsel en met het betrekkelijke voordeel dat de dader eruit heeft behaald. Dit bedrag mag in totaal geenszins drie vierden van de waarde van de identificeerbare, contante en te gelde te maken vermogensbestanddelen en de goederen van de veroordeelde persoon overschrijden, na aftrek van een bedrag dat volstaat om te voorzien in zijn financiële behoeften en in die van de personen te zijnen laste. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval het Hof een veroordeelde persoon een boete oplegt, voorziet het in een redelijke termijn voor de betaling ervan.Het Hof kan bepalen dat de boete in een keer moet worden betaald of door middel van gespreide stortingen voor het verstrijken van de termijn. 4. Ingeval het Hof een boete oplegt, heeft het de mogelijkheid die boete te berekenen volgens een stelsel van boetedagen.In dat geval is de termijn bepaald op minimum 30 dagen en maximum vijf jaar. Het Hof bepaalt het totale bedrag overeenkomstig de bovenvermelde punten 1 en 2. Het Hof bepaalt het bedrag van de dagelijkse boete op grond van de persoonlijke situatie van de veroordeelde persoon, inzonderheid de financiële behoeften van de personen te zijnen laste.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de veroordeelde persoon de boete opgelegd onder de bovenvermelde omstandigheden niet betaalt, neem het Hof de maatregelen krachtens de regels 217 tot 222 en overeenkomstig artikel 109.In geval van aanhoudende weigering te betalen en het voorzitterschap, dat ambtshalve optreedt of op verzoek van de aanklager, van oordeel is dat alle dienstige maatregelen met betrekking tot de tenuitvoerlegging zijn uitgeput, kan het Hof de opsluiting in laatste instantie verlengen met maximum een vierde van de oorspronkelijke duur ervan, zonder evenwel vijf jaar te overschrijden. Bij het bepalen van de duur van deze verlenging houdt het voorzitterschap rekening met het evenredige deel van de boete dat reeds is betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De straf wordt niet verlengd in geval van levenslage opsluiting. De verlenging mag niet ertoe leiden dat de totale duur van de opsluiting dertig jaar overschrijdt. 6. Teneinde te bepalen of het passend is een verlenging van de straf te bevelen en in voorkomend geval de duur ervan te bepalen, zetelt het voorzitterschap met gesloten deuren en worden de veroordeelde persoon en de aanklager gehoord.De veroordeelde persoon heeft het recht zich door een raadsman te laten bijstaan. 7. Ingeval het Hof een boete oplegt, stelt het de veroordeelde persoon ervan in kennis dat de niet-betaling van de boete volgens de bovenvermelde voorwaarden kan leiden tot een verlenging van de opsluiting als bedoeld in deze regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 147 Beschikkingen tot verbeurdverklaring 1. Ingeval een kamer, overeenkomstig artikel 76, tweede en derde punt, regel 63, eerste punt, en regel 143, tijdens een zitting een verbeurdverklaring overweegt, neemt zij kennis van het bewijsmateriaal dat de mogelijkheid biedt de opbrengsten, bezittingen of vermogensbestanddelen die rechtstreeks of onrechtstreeks uit die misdaad afkomstig zijn te bepalen en te lokaliseren.2. Ingeval een kamer voor of tijdens een zitting het bestaan ontdenkt van een derde te goeder trouw die recht zou kunnen hebben op die opbrengsten, bezittingen of vermogensbestanddelen, stelt zij die derde daarvan in kennis.3. De aanklager, de veroordeelde persoon en enige derde te goeder trouw die recht heeft op die opbrengsten, bezittingen of vermogensbestanddelen kunnen relevant bewijsmateriaal voorleggen.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat de kamer het bewijsmateriaal heeft onderzocht dat haar is overgelegd en zij ervan overtuigd is dat het rechtstreeks of onrechtstreeks uit de misdaad afkomstig zijn, kan zij een beschikking tot verbeurdverklaring van de opbrengsten, de bezittingen of vermogensbestanddelen bevelen. Regel 148 Beschikking tot overbrenging van de opbrengst van de boetes en van de verbeurdverklaringen Alvorens een beschikking te geven overeenkomstig artikel 79, tweede punt, kunnen de kamers de vertegenwoordigers van het Trustfonds ten behoeve van de slachtoffers vragen hun mondelinge of schriftelijke opvatting kenbaar maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 8. - Beroep en herziening Afdeling I. - Algemene bepalingen Regel 149 Regels die gelden voor de procedure voor de Kamer van beroep De hoofdstukken V en VI en de regels die gelden voor de proces- en de bewijsvoering voor de Kamer van vooronderzoek en de Kamer van eerste aanleg zijn mutatis mutandis van toepassing op de procedures voor de Kamer van beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling II. - Beroep tegen de beslissingen betreffende de schuld of de straf, alsmede betreffende de beschikking inzake de herstelbetalingen Regel 150 Beroep 1. Onder voorbehoud van bovenvermeld tweede punt, kan binnen een termijn van 30 dagen te rekenen van de datum waarop de beslissing houdende veroordeling of vrijspraak, de straf of de beschikking tot herstelbetaling ter kennis is gebracht van de appellant, beroep worden ingesteld tegen de beslissingen houdende veroordeling of vrijspraak gegeven krachtens artikel 74, tegen de straffen opgelegd krachtens artikel 74, tegen de straffen opgelegd krachtens artikel 76 of tegen de beschikkingen tot herstelbetaling gegeven krachtens artikel 75.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van beroep kan de in bovenvermeld eerste punt bedoelde termijn op verzoek van de appellant om een geldige reden verlengen.3. De akte van beroep wordt neergelegd ter griffie.4. Ingeval geen beroep wordt ingesteld overeenkomstig de bovenvermelde punten 1 tot 3, wordt de beslissing van de Kamer van eerste aanleg houdende veroordeling of vrijspraak, de opgelegde straf of het beschikkingen tot herstelbetaling definitief. Regel 151 Beroepsprocedure 1. Zodra krachtens regel 150 beroep is ingesteld, bezorgt de griffier het dossier van de procedure aan de Kamer van beroep.2. De griffier stelt degenen die betrokken waren bij de procedure voor de Kamer van eerste aanleg in kennis van de neerlegging de akte van beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 152 Afstand 1. De appellant kan te allen tijde afstand doen zolang geen vonnis is gegeven.In een dergelijk geval legt de betrokkenen bij de griffier een schriftelijke akte van afstand neer. De griffier stelt de andere partijen daarvan in kennis. 2. Ingeval de aanklager beroep heeft ingesteld namens een gevonniste persoon als bedoeld in artikel 81, eerste punt, b), moet hij voor hij de akte van afstand neerlegt, de betrokken persoon in kennis stellen van zijn voornemen de procedure te onderbreken teneinde hem de mogelijkheid te bieden die procedure voort te zetten. Regel 153 Vonnis in geval van beroep tegen de beschikkingen tot herstelbetaling 1. De Kamer van beroep kan een overeenkomstig artikel 75 gegeven beschikking tot herstelbetaling bevestigen, vernietigen of wijzigen.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vonnis van de Kamer van beroep wordt gegeven overeenkomstig artikel 83, vierde en vijfde punt. Afdeling III. - Beroep tegen andere beslissingen Regel 154 Beroep dat geen machtiging van het Hof vereist 1. In het geval bedoeld in artikel 81, derde punt, c), ii), of in artikel 82, eerste punt, a) of b), kan tegen een beslissing beroep worden ingesteld binnen vijf dagen te rekenen van de datum waarop de appellant van deze beslissing in kennis is gesteld.2. In het geval bedoeld in artikel 82, eerste punt, c), kan beroep worden ingesteld binnen een termijn van twee dagen te rekenen van de datum waarop de appellant van de bestreden beslissing in kennis is gesteld.3. Het bepaalde in regel 150, derde en vierde punt, is van toepassing op het beroep bedoeld in de bovenvermelde punten 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 155 Beroep dat machtiging van het Hof vereist 1. Ingeval een partij beroep wenst in te stellen tegen een beslissing bedoeld in artikel 82, eerste punt, d), of tweede punt, moet zij binnen een termijn van vijf dagen te rekenen van de datum waarop zij van de beslissing in kennis is gesteld, bij de Kamer die deze beslissing heeft gegeven een schriftelijk verzoekschrift indienen waarin de reden wordt uiteengezet waarom zij machtiging vraagt om beroep in te stellen.2. De Kamer geeft een beslissing die ter kennis wordt gebracht van degenen die betrokken waren bij de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de beslissing als bedoeld in het bovenvermelde eerste punt. Regel 156 Beroepsprocedure 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra bij de griffier een akte van beroep aanhangig is gemaakt overeenkomstig regel 154 of zodra de machtiging om beroep in te stellen is gegeven overeenkomstig regel 155, bezorgt de griffier aan de Kamer van beroep het dossier van de procedure voor de Kamer die de bestreden beslissing heeft gegeven 2.De griffier stelt degenen die betrokken waren bij de procedure voor de Kamer die de bestreden beslissing heeft gegeven in kennis van de akte van beroep, tenzij zij daarvan in kennis zouden zijn gesteld door de Kamer krachtens regel 155, tweede punt. 3. De beroepsprocedure geschiedt schriftelijk, behoudens andersluidende beslissing van de Kamer van beroep.4. Het beroep wordt zo spoedig mogelijk behandeld.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De appellant kan op het tijdstip van de neerlegging van de akte van beroep vragen dat het beroep schorsende werking heeft overeenkomstig artikel 82, derde punt. Regel 157 Afstand van het beroep Hij die een beroep heeft ingesteld dat ressorteert onder regel 154 of, overeenkomstig regel 155, door een Kamer is gemachtigd om beroep in te stellen, kan te allen tijde afstand doen zolang geen vonnis is gegeven. In een dergelijk geval legt de betrokkenen bij de griffier een schriftelijke akte van afstand neer. De griffier stelt de andere partijen daarvan in kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 158 Vonnis 1. Een Kamer van beroep bij welke een beroep is ingesteld dat onder deze afdeling ressorteert, bevestigt, vernietigt of wijzigt de bestreden beslissing.2. De Kamer van beroep geeft zijn vonnis overeenkomstig artikel 83, vierde punt. Afdeling IV. - Herziening van een beslissing betreffende de schuld of de straf Regel 159 Beroep tot herziening 1. Enig beroep tot herziening ingesteld overeenkomstig artikel 84, eerste punt, wordt schriftelijk ingediend en met redenen omkleed.Voor zover zulks mogelijk is gaat het vergezeld van stukken ter ondersteuning ervan. 2. De Kamer van beroep stelt bij meerderheid van de rechters vast of het beroep gegrond is, zij omkleedt haar beslissing schriftelijk met redenen.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing wordt ter kennis gebracht van de verzoeker en, voor zover zulks mogelijk is, van degenen die betrokken waren bij de procedure tijdens welke de oorspronkelijke beslissing is gegeven. Regel 160 Overbrenging met het oog op herziening 1. Met het oog op de organisatie van de zitting bedoeld in regel 161, bezorgt de bevoegde kamer haar beslissing voldoende tijd vooraf teneinde, in voorkomend geval, de overbrenging van de veroordeelde persoon naar de zetel van het Hof mogelijk te maken.2. De Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf wordt onverwijld in kennis gesteld van de beslissing van het Hof.3. Regel 206, derde punt, is van toepassing. Regel 161 Beslissing betreffende de herziening 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde kamer houdt op een datum die zij bepaalt een zitting om vast te stellen of grond ertoe bestaat de beslissing betreffende de schuld of te straf te herzien, waarvan kennis wordt gegeven aan de verzoeker en aan degenen van wie de beslissing bedoeld in regel 159, derde punt, ter kennis is gebracht.2. Met betrekking tot het verloop van de debatten, oefent de bevoegde kamer mutatis mutandis alle bevoegdheden uit van de Kamer van eerste aanleg, overeenkomstig Hoofdstuk VI en de regels die van toepassing zijn op de proces- en de bewijsvoering voor de Kamer van vooronderzoek en de Kamer van eerste aanleg.3. De beslissing wordt genomen overeenkomstig het bepaalde in artikel 83, vierde punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 9. - Misdrijven tegen de rechtsbedeling en wangedrag voor het Hof Afdeling I. - Misdrijven tegen de rechtsbedeling bedoeld in artikel 70 Regel 162 Uitoefening van de rechtsmacht 1. Voor het Hof besluit al dan niet zijn rechtsmacht uit te oefenen kan het de Staten die Partij zijn en rechtsmacht kunnen hebben met betrekking tot het strafbaar feit, raadplegen.2. Ingeval het Hof besluit al dan niet zijn rechtsmacht uit te oefenen, neemt het inzonderheid in overweging : a) de beschikbaarheid en de doeltreffendheid van de middelen om vervolging in te stellen in de Staat die Partij is;b) de ernst van het misdrijf;c) de mogelijkheid de feiten bedoeld in artikel 70 samen te voegen met die bedoeld in de artikelen 5 tot 8;d) de noodzaak de procedure te bespoedigen;e) de band met een lopend onderzoek of een proces aanhangig gemaakt voor het Hof;en f) de vragen betreffende de bewijsvoering.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof beoordeelt met welwillendheid enig verzoek van de Gaststaat opdat het Hof zou afzien van zijn recht zijn rechtsmacht uit te oefenen in de gevallen waarin die Staat het als bijzonder belangrijk acht dat het Hof daarvan afziet.4. Ingeval het Hof besluit zijn rechtsmacht niet uit te oefenen, kan het aan een Staat die Partij is vragen zelf zijn rechtsmacht uit te oefenen overeenkomstig artikel 70, vierde punt. Regel 163 Toepassing van het Statuut en van het reglement 1. Behoudens andersluidende bepaling in de bovenvermelde punten 2 en 3, in regel 162 of de regels 162 tot 169, zijn het Statuut en het reglement mutatis mutandis van toepassing op de onderzoeken, de vervolging en de straffen bevolen door het Hof ter bestraffing van een misdrijf bedoeld in artikel 70.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van Hoofdstuk II en de regels die eruit voortvloeien zijn niet van toepassing, met uitzondering van artikel 21.3. De bepalingen van Hoofdstuk X en de regels die eruit voortvloeien zijn niet van toepassing, met uitzondering van de artikelen 103, 107, 109 en 111. Regel 164 Verjaring 1. Ingeval het Hof zijn rechtsmacht uitoefent als bedoeld in regel 162, worden de in die regel bedoelde verjaringstermijnen toegepast.2. De verjaringstermijn voor de misdrijven bedoeld in artikel 70 bedraagt vijf jaar te rekenen van de datum van het misdrijf ingeval tijdens die periode geen onderzoek is gevoerd of vervolging ingesteld. De verjaring wordt gestuit ingeval tijdens die periode een onderzoek is gevoerd of vervolging is ingesteld hetzij voor het Hof, hetzij door een Staat die Partij is en rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het misdrijf krachtens artikel 70, vierde punt, a). 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevangenisstraffen opgelegd in geval van een misdrijf bedoeld in artikel 70 verjaren per tien jaar te rekenen van de datum waarop zij definitief worden.De verjaring wordt gestuit tijdens de periode die de veroordeelde persoon in detentie heeft doorgebracht of buiten het grondgebied is van de Staten die Partij zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 165 Onderzoek, vervolging en proces 1. De aanklager kan uit eigen beweging onderzoeken instellen en voeren naar de misdrijven bedoeld in artikel 70 op grond van informatie ontvangen van een kamer of enige andere geloofwaardige bron.2. De artikelen 53 en 59 en de regels die eruit voortvloeien zijn niet van toepassing.3. Ter fine van artikel 61 kan de Kamer van vooronderzoek beslissen over enige aangelegenheid bedoeld in dat artikel, zulks op grond van schriftelijke conclusies en zonder zitting, tenzij het belang van de procedure anderszins vereist.4. De Kamers van eerste aanleg kunnen, indien nodig en rekening houdend met de rechten van de verdediging, de samenvoeging bevelen van de tenlasteleggingen bedoeld in artikel 70 met die bedoeld in de artikelen 5 tot 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 166 Straffen uitgesproken overeenkomstig artikel 70 1. Ingeval het Hof een straf oplegt met toepassing van artikel 7, zijn de bepalingen van deze regel van toepassing.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 77 en de regels die eruit voortvloeien zijn niet van toepassing, met uitzondering van enige verbeurdverklaring bevolen krachtens artikel 77, tweede punt, b), die kan worden toegevoegd aan een opsluiting, een boete of beide.3. Enig misdrijf kan worden gestraft met afzonderlijke boetes, die kunnen worden samengevoegd.Het bedrag mag in totaal de helft van de waarde van de identificeerbare, contante en te gelde te maken vermogensbestanddelen en de goederen van de veroordeelde persoon niet overschrijden, na aftrek van een bedrag dat volstaat om te voorzien in zijn financiële behoeften en in die van de personen te zijnen laste. 4. Ingeval het Hof een veroordeelde persoon een boete oplegt, voorziet het in een redelijke termijn voor de betaling ervan.Het Hof kan bepalen dat de boete in een keer moet worden betaald of door middel van gespreide stortingen voor het verstrijken van de termijn. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de veroordeelde persoon de opgelegde boete niet betaalt krachtens de voorwaarden bedoeld in bovenvermeld vierde punt, neem het Hof de passende maatregelen krachtens de regels 217 tot 222 en overeenkomstig artikel 109.In geval van aanhoudende weigering te betalen en het Hof, dat ambtshalve optreedt of op verzoek van de aanklager, van oordeel is dat alle dienstige maatregelen met betrekking tot de tenuitvoerlegging zijn uitgeput, kan het in laatste instantie de opsluiting bevelen krachtens artikel 70, derde punt. Bij de bepaling van de opsluiting houdt het Hof rekening met het bedrag van de reeds betaalde boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 167 Internationale samenwerking en rechtshulp 1. In geval van een in artikel 70 bedoeld misdrijf kan het Hof verzoeken om samenwerking en rechtshulp van een Staat in een van de vormen bedoeld in Hoofdstuk IX.Het geeft in casu aan dat het optreedt in het kader van een onderzoek naar of vervolging van een dergelijk misdrijf. 2. De omstandigheden waarin in geval van de misdrijven bedoeld in artikel 70 internationale samenwerking of rechtshulp wordt verleend, zijn nader omschreven in artikel 70, tweede punt, van dat artikel. Regel 168 Ne bis in idem -beginsel In casu van een misdrijf bedoeld in artikel 70, kan niemand door het Hof worden gevonnist wegens een gedraging die een misdrijf oplevert waarvoor hij reeds is veroordeeld of vrijgesproken door het Hof of door een ander gerecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 169 Onmiddellijke aanhouding Ingeval wordt aangevoerd dat een misdrijf bedoeld in artikel 70 gepleegd is ter zitting, kan de aanklager de bedoelde Kamer mondeling vragen de onmiddellijke aanhouding van de betrokkene te bevelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling II. - Wangedrag tijdens de zitting overeenkomstig artikel 71 Regel 170 Verstoring van de procedure Gelet op artikel 63, tweede punt, kan de rechter die de Kamer voorzit bij welke de zaak aanhangig is gemaakt, na waarschuwing : a) de persoon die het verloop van de zitting stoort, bevelen de zitting te verlaten, of hem verwijderen;of b) in geval van recidive, deze persoon het verbod opleggen de zitting te volgen. Regel 171 Weigering een bevel van het Hof na te leven 1. Ingeval het wangedrag leidt tot de opzettelijke weigering een schriftelijk of mondeling bevel van het Hof dat geen verband houdt met regel 170 na te leven en dit bevel gepaard gaat met een dreiging van straf ingeval het bevel verder niet wordt nageleefd, kan de rechter die de kamer voorzit bij welke de zaak aanhangig is gemaakt, de betrokkene het verbod opleggen de zitting te volgen gedurende een periode die dertig dagen niet mag te boven gaan of, in geval van ernstiger wangedrag, hem een boete opleggen.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de persoon bedoeld in bovenstaand eerste punt een personeelslid van het Hof, een raadsman van de verdediging of een wettelijke vertegenwoordiger van de slachtoffers is, kan de rechter die de kamer voorzit bij welke de zaak aanhangig is gemaakt, hem tevens het verbod opleggen zijn taak voor het Hof te vervullen tijdens een periode die dertig dagen niet mag te boven gaan.3. In de gevallen bedoeld in de bovenvermelde punten 1 en 2 kan de rechter-voorzitter die van oordeel is dat een langere schorsing gepast is, ruggespraak houden met het Voorzitterschap, dat een zitting kan houden om te bepalen of een langere of een definitieve schorsing gepast is. 4. Een boete opgelegd krachtens bovenstaand eerste punt mag 1.000 euro niet te boven gaan of de tegenwaarde ervan in een andere munt, in geval van recidive kan per dag dat het wangedrag blijft duren evenwel een nieuwe boete worden opgelegd en die boetes kunnen worden gecumuleerd. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene moet kunnen worden gehoord alvorens hem een van de in deze regel bedoelde straffen ter beteugeling van het wangedrag kunnen worden opgelegd. Regel 172 Gedragingen die zowel onder artikel 70 als onder artikel 71 ressorteren Ingeval het Hof van oordeel is dat gedragingen die onder artikel 71 ressorteren tevens een van de misdrijven bedoeld in artikel 70 opleveren, treedt het op overeenkomstig artikel 70 en de bovenstaande regels 162 tot 169.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 10. - Schadevergoeding voor aangehouden of veroordeelde personen Regel 173 Verzoek tot schadevergoeding 1. Een ieder die een schadevergoeding eist om een van de redenen bedoeld in artikel 85 moet daartoe een schriftelijk verzoek richten aan het Voorzitterschap, die een kamer met drie rechters ermee belast het verzoek te onderzoeken.Deze rechters mogen geen binding hebben met een vroegere beslissing van het Hof betreffende de eiser. 2. Het verzoek tot schadevergoeding moet worden ingediend ten laatste zes maanden te rekenen van de datum waarop de eiser op de hoogte is gebracht door het Hof inzake : a) de onwettige aanhouding of detentie, bedoeld in artikel 85, eerste punt;b) de nietigverklaring van een veroordeling, bedoeld in artikel 85, tweede punt;b) het bestaan van een duidelijke en ernstige rechterlijke dwaling, bedoeld in artikel 85, derde punt.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek vermeldt de redenen en het bedrag van de gevraagde schadevergoeding.4. De eiser heeft het recht gebruik te maken van de diensten van een raadsman. Regel 174 Indiening van de verzoeken tot schadevergoeding 1. Het verzoek tot schadevergoeding en enige andere schriftelijke opmerking, geformuleerd door de eiser, worden overgezonden aan de aanklager, die de mogelijkheid moet hebben om schriftelijk erop te antwoorden.Iedere opmerking van de aanklager wordt aan de eiser meegedeeld. 2. De kamer, samengesteld volgens regel 173, eerste punt, houdt een zitting of spreekt zich uit op grond van het schriftelijk verzoek en de schriftelijke opmerkingen van de aanklager en van de eiser.Zij moet een zitting houden indien de aanklager of de eiser erom verzoeken. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing wordt genomen bij meerderheid van de rechters en wordt meegedeeld aan de aanklager en aan de eiser. Regel 175 Bedrag van de schadevergoeding Indien de kamer, samengesteld volgens regel 173, eerste punt, het bedrag van de schadevergoeding, bedoeld in artikel 85, derde punt, bepaalt, neemt zij de gevolgen van de duidelijke en ernstige rechterlijke dwaling inzake de persoonlijke, familiale, sociale en professionele situatie van de eiser in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 11. - Internationale samenwerking en wederzijdse rechtshulp Afdeling 1. - Verzoeken om samenwerking uit hoofde van artikel 87 Regel 176 Organen van het Hof bevoegd om de mededelingen inzake internationale samenwerking en wederzijdse rechtshulp over te zenden en te ontvangen 1. Zodra het Hof is samengesteld, verschaft de griffier zich bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties alle mededelingen die de Staten hebben gedaan uit hoofde van artikel 87, eerste punt, a), en tweede punt.2. De griffier zendt de verzoeken om internationale samenwerking uitgaande van de kamers over en zorgt voor de ontvangst van de antwoorden, de informatie en de documenten van de aangezochte Staten. De diensten van de aanklager zenden de verzoeken om internationale samenwerking van de aanklager over en waarborgen de ontvangst van de antwoorden, de informatie en de documenten van de aangezochte Staten. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffier ontvangt de mededelingen waarin de Staten laten weten dat zij hun keuze inzake de op nationaal niveau gebruikte wijze van overzenden hebben gewijzigd om de verzoeken om samenwerking te ontvangen of inzake de taal waarin deze verzoeken aan hen moeten worden gericht;hij deelt, indien van toepassing, deze informatie mee aan de Staten die erom verzoeken. 4. Het tweede punt van deze regel is mutatis mutandis van toepassing indien het Hof een intergouvernementele organisatie om informatie of documenten verzoekt of een beroep doet op haar samenwerking en haar bijstand onder enige andere vorm.5. De griffier zendt, indien van toepassing, de mededelingen, bedoeld in de bovenstaande punten 1 en 3 en in het tweede punt van regel 177, over aan het Voorzitterschap of aan de diensten van de aanklager, of aan beide.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 177 Wijzen van overzending 1. De mededelingen gedaan tijdens de bekrachtiging, de aanvaarding, de goedkeuring of de toetreding om de nationale autoriteit aan te wijzen die ermee belast is de verzoeken om samenwerking te ontvangen, bevatten alle nuttige informatie over deze autoriteit.2. Ingeval het Hof verzoekt om de bijstand van een intergouvernementele organisatie krachtens artikel 87, zesde punt, doet de griffier, indien nodig, navraag over de wijze van overzenden die deze organisatie aanwijst en verkrijgt hij alle nuttige informatie ter zake. Regel 178 Taal gekozen door de Staten die Partij zijn krachtens artikel 87, tweede punt 1. Indien de aangezochte Staat die Partij is, meer dan één officiële taal heeft, kan hij bij de bekrachtiging, de aanvaarding, de goedkeuring of de toetreding bepalen dat de verzoeken om samenwerking en de stukken ter ondersteuning ervan mogen worden gesteld in een van zijn officiële talen.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de Staat die Partij is, geen taal heeft gekozen voor de communicatie met het Hof bij de bekrachtiging, de aanvaarding, de goedkeuring of de toetreding, wordt het verzoek om samenwerking gesteld in een van de werktalen van het Hof of vergezeld van een vertaling een van deze talen, zoals is bepaald in artikel 87, tweede punt. Regel 179 Taal van de verzoeken gericht aan de Staten die geen Partij zijn bij het Statuut Indien een Staat die geen Partij is bij het Statuut aanvaard heeft om bijstand te verlenen aan het Hof uit hoofde van artikel 87, vijfde punt, en niet de taal heeft gekozen waarin de verzoeken om samenwerking aan hem moeten worden gericht, worden deze gesteld in een van de werktalen van het Hof of vergezeld van een vertaling in een van deze talen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 180 Wijziging van de wijzen van overzending of van de gebruikte talen voor de verzoeken om samenwerking 1. Iedere wijziging van de keuze van de wijze van overzending of van de taal die een Staat heeft aangeduid volgens artikel 87, tweede punt, wordt schriftelijk meegedeeld aan de griffier zodra zulks mogelijk is.2. Deze wijzigingen treden in werking voor de verzoeken om samenwerking gedaan door het Hof op een datum overeengekomen tussen het Hof en de Staat, of bij gebreke aan een akkoord ter zake, 45 dagen nadat het Hof de mededeling heeft ontvangen en in alle gevallen onverminderd de reeds geformuleerde of lopende verzoeken. Afdeling II. - Overdracht aan het Hof, doorvoer en concurrerende verzoeken, bedoeld in de artikelen 89 en 90 Regel 181 Betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak voor een nationale rechtbank Ingeval zich de situatie omschreven in artikel 89, tweede punt, voordoet en onverminderd de bepalingen van artikel 19 en van de regels 58 tot 62 inzake de geldende procedure in geval van betwisting van de rechtsmacht van het Hof of van de ontvankelijkheid van een zaak, treft de kamer belast met de zaak, indien de beslissing over de ontvankelijkheid nog steeds hangende is, maatregelen om van de aangezochte Staat alle relevante informatie te verkrijgen betreffende de ingeroepen betwisting die de persoon op grond van het beginsel ne bis in idem inroept.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 182 Verzoek tot doorvoer krachtens artikel 89, derde punt, e) 1. In het geval omschreven in artikel 89, derde punt, e), kan het Hof het verzoek tot doorvoer formuleren aan de hand van ieder middel dat een schriftelijk spoor achterlaat.2. Indien de termijn, bepaald in artikel 89, derde punt, e), verstreken is en de betrokken persoon vrijgelaten is, geldt zijn invrijheidstelling onverminderd zijn latere aanhouding onder de voorwaarden bepaald in artikel 89 of in artikel 92. Regel 183 Mogelijkheid tot tijdelijke overdracht Als gevolg van de raadplegingen bedoeld in artikel 89, vierde punt, kan de aangezochte Staat de gezochte persoon tijdelijk overdragen onder de voorwaarden overeengekomen tussen de aangezochte Staat en het Hof. In dit geval wordt de betrokkene aangehouden voor de duur van zijn aanwezigheid voor het Hof en overgebracht naar de aangezochte Staat ingeval zijn aanwezigheid voor het Hof niet meer nodig is, ten laatste nadat de procedure beëindigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 184 Bepalingen voor de overdracht 1. Ingeval de door het Hof gezochte persoon overgedragen kan worden, brengt de aangezochte Staat onmiddellijk de griffier hiervan op de hoogte.2. De betrokkene wordt aan het Hof overgedragen op de datum en volgens de voorwaarden overeengekomen tussen de autoriteiten van de aangezochte Staat en de griffier.3. Indien de omstandigheden de overdracht onmogelijk maken op de overeengekomen datum, spreken de autoriteiten van de aangezochte Staat en de griffier een nieuwe datum en voorwaarden af voor de overdracht.4. De griffier blijft in contact met de autoriteiten van de Gaststaat met betrekking tot de maatregelen die moeten worden getroffen voor de overdracht van de persoon aan het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 185 Invrijheidstelling van een persoon aangehouden door het Hof om een andere reden dan die van de uitvoering van zijn straf 1. Onder voorbehoud van het onderstaande tweede punt treft het Hof, indien een aan het Hof overgedragen persoon wordt vrijgelaten omdat het Hof niet bevoegd is, omdat de zaak gelet op artikel 17, eerste punt, b), c) of d), niet ontvankelijk is, omdat de tenlastelegging gelet op artikel 61 niet bevestigd is, omdat de persoon tijdens de procedure of in beroep is vrijgesproken, of om enige andere reden, zo spoedig mogelijk de maatregelen die het geschikt acht voor de overbrenging van de betrokkene, zulks rekening houdend met zijn advies, naar een Staat die hem moet ontvangen, of naar een andere Staat die aanvaardt hem te ontvangen, of naar een Staat die zijn uitlevering heeft gevraagd met de toestemming van de Staat die hem oorspronkelijk heeft overgedragen.In dit geval vergemakkelijkt de Gaststaat de overbrenging overeenkomstig het akkoord bedoeld in artikel 3, tweede punt, en de ermee verband houdende regelingen. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Hof een zaak niet ontvankelijk verklaart in de zin van artikel 17, eerste punt, a), treft het de maatregelen die het gepast acht om de betrokkene over te brengen naar de Staat waar het onderzoek of de vervolgingen de motieven voor niet-ontvankelijkheid heeft verstrekt, behalve indien de Staat die oorspronkelijk de persoon heeft overgedragen aan het Hof, om zijn terugkeer verzoekt. Regel 186 Concurrerende verzoeken in het kader van een betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak In het geval omschreven in artikel 90, achtste punt, deelt de aangezochte Staat zijn beslissing mee aan de aanklager opdat deze laatste zou kunnen handelen volgens artikel 19, tiende punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling III. - Documenten betreffende de verzoeken om aanhouding en overdracht volgens de artikelen 91 en 92 Regel 187 Vertaling van de documenten die de verzoeken tot overdracht vergezellen Voor de toepassing van artikel 67, eerste punt, a), en overeenkomstig regel 117, eerste punt, worden de verzoeken ingediend krachtens artikel 91 vergezeld van een vertaling van het aanhoudingsbevel of van het veroordelend vonnis, naar gelang van het geval, alsook van een vertaling van alle relevante bepalingen van het Statuut in een taal die de persoon perfect begrijpt en spreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 188 Termijn voor de overlegging van documenten na de voorlopige aanhouding Voor de toepassing van artikel 92, derde punt, bedraagt de termijn voor de ontvangst door de aangezochte Staat van het verzoek tot overdracht en van de bewijsstukken 60 dagen te rekenen van de datum van de voorlopige aanhouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 189 Overzending van de documenten ter ondersteuning van het verzoek Indien een persoon ermee heeft ingestemd te worden overgedragen aan het Hof, zoals bepaald in artikel 92, derde punt, en indien de aangezochte Staat overgaat tot de overdracht, moet het Hof de documenten bedoeld in artikel 91 niet verstrekken, behoudens andersluidend beding van de aangezochte Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling IV. - Samenwerking uit hoofde van artikel 93 Regel 190 Opdracht betreffende de getuigenissen tot veroordeling van hun dader, bijgevoegd bij de dagvaardingen Indien het Hof het verzoek bedoeld in artikel 93, eerste punt, e), doet, voegt het een opdracht bij betreffende regel 74 inzake de getuigenissen tot veroordeling van hun dader. Deze opdracht is gericht aan de betrokken getuige en is gesteld in een taal die deze laatste perfect begrijpt en spreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 191 Verzekering gegeven door het Hof krachtens artikel 93, tweede punt De kamer belast met de zaak, kan, ambtshalve of op verzoek van de aanklager, van de verdediging of van de betrokken getuige of deskundige, beslissen om de waarborg in artikel 93, tweede punt, te geven na de opmerkingen te hebben gehoord van de aanklager en van de betrokken getuige of deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 192 Overbrenging van gedetineerden 1. De overbrenging van gedetineerden naar het Hof overeenkomstig artikel 93, zevende punt, wordt ingericht door de betrokken nationale autoriteiten samen met de griffier en de autoriteiten van de Gaststaat.2. De griffier waakt over het goede verloop van de overbrenging, alsook over de bewaking van de gedetineerde wanneer hij onder toezicht staat van het Hof.3. Een door het Hof gedetineerd persoon heeft het recht om voor de bevoegde kamer vragen betreffende de omstandigheden van zijn vasthouding op te werpen.4. Overeenkomstig artikel 93, zevende punt, b), organiseert de griffier de terugkeer van de betrokkenen onder het toezicht van de aangezochte Staat wanneer het doel van de overbrenging is bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 193 Tijdelijke overbrenging van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf 1. De kamer waarbij de zaak op dat moment aanhangig is, kan van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf de tijdelijke overbrenging naar de zetel van het Hof bevelen van iedere persoon die het Hof heeft veroordeeld en wiens getuigenis of enige andere bijstand noodzakelijk is voor het Hof.De bepalingen van artikel 93, zevende punt zijn niet van toepassing. 2. De griffier waakt over het goede verloop van de overbrenging, samen met de autoriteiten van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf alsook met de autoriteiten van de Gaststaat.Wanneer het doel van de overbrenging is bereikt, zendt het Hof de veroordeelde persoon terug naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overgebrachte persoon blijft gedetineerd zolang zijn aanwezigheid voor het Hof vereist is.De duur van de detentie op de zetel van het Hof wordt integraal in mindering gebracht van de te vervullen straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 194 Samenwerking verzocht aan het Hof 1. Overeenkomstig artikel 93, tiende punt, en, mutatis mutandis, van artikel 96, kan een Staat aan het Hof een verzoek tot samenwerking of bijstand overzenden, gesteld in een van de twee werktalen van het Hof of vergezeld van een vertaling in een van deze talen.2. De verzoeken omschreven in bovenstaand eerste punt, worden gericht aan de griffier die ze, naar gelang van het geval, aan de aanklager of aan de betrokken kamer overzendt.3. Indien uit hoofde van artikel 68 beschermingsmaatregelen getroffen zijn, houdt de aanklager of de kamer, naar gelang van het geval, rekening met de opmerkingen van de kamer die deze maatregelen heeft bevolen, alsook met de opmerkingen van het slachtoffer of de betrokken getuige vooraleer zich uit te spreken.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval het verzoek betrekking heeft op documenten of bewijsstukken bedoeld in artikel 93, tiende punt, b), ii), verkrijgt de aanklager of de kamer, naar gelang van het geval, de schriftelijke toestemming van de betrokken Staat vooraleer gevolg te geven aan het verzoek.5. Indien het Hof beslist recht te doen aan het verzoek tot samenwerking of bijstand uitgaande van een Staat, handelt het in de mate van het mogelijke overeenkomstig de procedure aangegeven door de verzoekende Staat in zijn verzoek en in aanwezigheid van de door deze Staat aangewezen personen. Afdeling V. - Samenwerking uit hoofde van artikel 98 Regel 195 Mededeling van informatie 1. Een aangezochte Staat, die aan het Hof laat weten dat een verzoek tot overdracht of bijstand voor een probleem zorgt bij de tenuitvoerlegging in de zin van artikel 98, verstrekt hem alle nuttige informatie om hem te helpen bij de toepassing van artikel 98.Iedere derde Staat of betrokken Zendstaat kan aanvullende informatie verstrekken om het Hof te helpen. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof kan de tenuitvoerlegging van een verzoek tot overdracht niet voortzetten zonder de toestemming van een Zendstaat, indien krachtens artikel 98, tweede punt, het verzoek tot overdracht onverenigbaar is met de verplichtingen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten op grond waarvan de toestemming van de Zendstaat noodzakelijk is opdat een persoon van deze Staat aan het Hof zou kunnen worden overgedragen. Afdeling VI. - Specialiteitsbeginsel vermeld in artikel 101 Regel 196 Overlegging van opmerkingen betreffende artikel 101, eerste punt Iedere persoon die aan het Hof is overgedragen, kan opmerkingen overleggen over wat die persoon beschouwt als een schending van de bepalingen van artikel 101, eerste punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 197 Uitbreiding van de overdracht Indien het Hof een afwijking van de in artikel 101, eerste punt, gestelde voorwaarden vraagt, kan de aangezochte Staat het Hof verzoeken de door de overgedragen persoon overgelegde opmerkingen te verzamelen en deze hem mee te delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 12. - Tenuitvoerlegging Afdeling 1. - Rol van de Staten in de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen en wijziging van de aanwijzing van de Staat belast met de tenuitvoerlegging volgens de artikelen 103 en 104 Regel 198 Mededelingen tussen het Hof en de Staten Behalve indien de context het uitsluit, gelden artikel 87 en de regels 176 tot 180, indien van toepassing, voor de mededelingen tussen het Hof en een Staat betreffende de tenuitvoerlegging van de straffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 199 Orgaan belast met de toepassing van hoofdstuk X Behoudens andersluidend beding van dit reglement worden de functies van het Hof krachtens hoofdstuk X van het Statuut door het Voorzitterschap uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 200 Lijst van de Staten belast met de tenuitvoerlegging 1. De lijst van de Staten die zich bereid hebben verklaard om veroordeelde personen te ontvangen, wordt opgesteld en bijgehouden door de griffier.2. Het Voorzitterschap schrijft een Staat niet in op de lijst, bedoeld in artikel 103, eerste punt, a), indien het niet de voorwaarden goedkeurt waarvan deze Staat zijn aanvaarding afhankelijk stelt.Het Voorzitterschap kan deze Staat om aanvullende informatie verzoeken alvorens een beslissing te nemen. 3. Een Staat die zijn aanvaarding afhankelijk heeft gesteld van voorwaarden, kan deze voorwaarden op ieder ogenblik intrekken.Iedere wijziging en iedere toevoeging moet door het Voorzitterschap worden bevestigd. 4. Een Staat kan op ieder ogenblik de Griffier ervan op de hoogte brengen dat hij niet meer wenst voor te komen op de lijst.De intrekking heeft geen gevolgen op de tenuitvoerlegging van de straffen van de personen die de Staat reeds heeft aanvaard te ontvangen. 5. Het Hof kan bilaterale schikkingen treffen met de Staten teneinde een kader uit te werken voor de ontvangst van personen die het heeft veroordeeld.Deze schikkingen zijn in overeenstemming met het Statuut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 201 Beginselen inzake eerlijke verdeling De beginselen inzake eerlijke verdeling vermeld in artikel 103, derde punt, omvatten : a) het beginsel inzake de eerlijke geografische verdeling;b) de noodzaak om enige Staat op de lijst de mogelijkheid te bieden veroordeelde personen te aanvaarden;c) het aantal veroordeelde personen reeds aanvaard door deze Staat en door andere Staten belast met de tenuitvoerlegging van de door het Hof uitgesproken straffen;d) alle andere relevante gegevens. Regel 202 Tijdstip van de overbrenging van de veroordeelde persoon naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging De overbrenging van een veroordeelde persoon van het Hof naar de aangewezen Staat belast met de tenuitvoerlegging vindt slechts plaats nadat de beslissing over de veroordeling en de beslissing over de straf definitief zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 203 Opmerkingen van de veroordeelde persoon 1. Het Voorzitterschap stelt de veroordeelde persoon schriftelijk ervan in kennis dat het voornemens is een Staat belast met de tenuitvoerlegging aan te wijzen.De veroordeelde persoon dient zijn opmerkingen terzake schriftelijk in bij het Voorzitterschap binnen de hem opgelegde termijn. 2. Het Voorzitterschap kan de veroordeelde persoon toestaan mondelinge bedenkingen te maken.3. Het Voorzitterschap moet de veroordeelde persoon de gelegenheid bieden : a) zich indien nodig te laten bijstaan door een bekwame tolk en alle vertalingen te krijgen die nodig zijn om zijn opvattingen kenbaar te maken;b) de nodige tijd en middelen te krijgen om het kenbaar maken van zijn opvattingen voor te bereiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 204 Informatie betreffende de aanwijzing Wanneer het Voorzitterschap de aangewezen Staat in kennis stelt van zijn beslissing, doet het tevens de volgende informatie en stukken toekomen : a) de naam, nationaliteit, datum en plaats van geboorte van de veroordeelde persoon;b) een afschrift van het definitieve vonnis tot veroordeling en van de uitgesproken straf;c) de duur en de aanvangsdatum van de straf en de duur van de nog te ondergane straf;d) na raadpleging van de veroordeelde persoon, alle nuttige informatie over diens gezondheidstoestand, daaronder begrepen de behandelingen die hij volgt. Regel 205 Verwerping van de aanwijzing in een bepaalde zaak Ingeval de aangewezen Staat zich in een bepaalde zaak terugtrekt, kan het Voorzitterschap een andere Staat aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 206 Overbrenging van de veroordeelde persoon naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging 1. De griffier brengt de aanklager en de veroordeelde persoon op de hoogte van de naam van de Staat aangewezen voor de tenuitvoerlegging van de straf.2. De veroordeelde persoon wordt overgebracht naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging zodra deze heeft aanvaard.3. De griffier waakt over het goede verloop van de overbrenging, in overleg met de autoriteiten van de Staat belast met de tenuitvoerlegging en van de Gaststaat. Regel 207 Doorvoer 1. Ingeval de veroordeelde persoon door de lucht wordt vervoerd en geen landing op het grondgebied van de Staat van doorvoer is gepland, is geen toestemming vereist.Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het grondgebied van de Staat van doorvoer, plaatst deze Staat de veroordeelde persoon in detentie tot de ontvangst van het in onderstaand tweede punt bedoeld verzoek om doorvoer of een verzoek om overdracht krachtens artikel 89, eerste punt, of artikel 93, voor zover zijn nationaal recht zulks mogelijk maakt. 2. Voor zover het nationaal recht die mogelijkheid biedt, machtigen de Staten die Partij zijn de doorvoer van een veroordeeld persoon over hun grondgebied en zijn indien nodig artikel 89, derde punt, b) en c), en de artikelen 105 en 108 en alle desbetreffende regels van toepassing.Een afschrift van het definitief vonnis van veroordeling en van de uitgesproken straf wordt bij het verzoek om doorvoer gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 208 Kosten 1. De gewone kosten voor de tenuitvoerlegging van de straf op het grondgebied van de Staat belast met de tenuitvoerlegging worden gedragen door die Staat.2. De andere kosten, inzonderheid de kosten voor het vervoer van de veroordeelde persoon en de kosten bedoeld in artikel 100, eerste punt, c), d) en e), worden gedragen door het Hof. Regel 209 Wijziging van de Staat belast met de tenuitvoerlegging 1. Het Voorzitterschap kan te allen tijde, ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde persoon of van de aanklager optreden zoals bepaald in artikel 104, eerste punt.2. Het verzoek van de veroordeelde persoon of van de aanklager wordt schriftelijk ingediend en bevat de redenen waarom om de overbrenging wordt verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 210 Procedure van toepassing in geval van wijziging van de Staat belast met de tenuitvoerlegging 1. Alvorens te beslissen tot de aanwijzing van een andere Staat belast met de tenuitvoerlegging, kan het Voorzitterschap : a) de opmerkingen van de Staat belast met de tenuitvoerlegging vragen;b) de schriftelijke of mondelinge opmerkingen van de veroordeelde persoon en van de aanklager onderzoeken;c) een schriftelijk of mondeling deskundigenverslag onderzoeken, inzonderheid betreffende de veroordeelde persoon;d) alle andere relevante informatie uit iedere geloofwaardige bron verzamelen.2. Regel 203, derde punt, is van toepassing indien zulks nodig is.3. Ingeval het Voorzitterschap weigert een andere Staat belast met de tenuitvoerlegging aan te wijzen, brengt het de veroordeelde persoon, de aanklager en de griffier zo spoedig mogelijk op de hoogte van zijn beslissing, die met redenen is omkleed.Het brengt tevens de Staat belast met de tenuitvoerlegging op de hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling II. - Tenuitvoerlegging, toezicht en overbrenging volgens de artikelen 105, 106 en 107 Regel 211 Toezicht op de tenuitvoerlegging van de straf en detentievoorwaarden 1. Het toezicht van het Voorzitterschap op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen omvat : a) zorgen voor de naleving van artikel 106, derde punt, in overleg met de Staat belast met de tenuitvoerlegging, wanneer regelingen worden getroffen opdat de veroordeelde persoon zijn recht om in contact te treden met het Hof inzake zijn detentievoorwaarden zou kunnen uitoefenen;b) de mogelijkheid om de Staat belast met de tenuitvoerlegging of enige andere geloofwaardige bron te verzoeken om enige inlichting, verslag of deskundigenonderzoek die het nodig heeft;c) de mogelijkheid om indien van toepassing een rechter of een personeelslid van het Hof af te vaardigen om de veroordeelde persoon te ontmoeten, na zulks ter kennis te hebben gebracht van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf, en hem te horen zonder dat de autoriteiten van het land daarbij aanwezig zijn;d) indien van toepassing, de Staat belast met de tenuitvoerlegging de mogelijkheid bieden opvattingen kenbaar te maken over door de veroordeelde persoon geuite zienswijzen, overeenkomstig bovenstaand punt c).2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval een veroordeelde persoon terecht aanspraak kan maken op een programma of een voordeel dat de gevangenis aanbiedt krachtens de wetgeving van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf en zulks activiteiten buiten de gevangenis kan onderstellen, brengt de Staat belast met de tenuitvoerlegging zulks ter kennis van het Voorzitterschap, samen met alle andere informatie of opmerkingen die het toezicht van het Hof mogelijk maken. Regel 212 Inlichtingen betreffende de plaats waar de persoon verblijft met het oog op de tenuitvoerlegging van geldboetes, verbeurdverklaringen en herstelmaatregelen Met het oog op de tenuitvoerlegging van door het Hof uitgesproken geldboetes, verbeurdverklaringen en herstelmaatregelen kan het Voorzitterschap de Staat belast met de tenuitvoerlegging te allen tijde of ten minste 30 dagen voor het geplande einde van de door de veroordeelde persoon volbrachte straf verzoeken hem iedere nuttige inlichting mee te delen inzake zijn voornemen de belanghebbende te machtigen op zijn grondgebied te blijven of inzake de bestemming waarnaar hij voornemens is hem over te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 213 Procedure van toepassing op het geval bedoeld in artikel 107, derde punt In het geval bedoeld in artikel 107, derde punt, geldt de procedure bepaald in de regels 214 en 215 indien van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling III. - Beperkingen op het stuk van de vervolging of de veroordeling wegens andere misdrijven op grond van artikel 108 Regel 214 Verzoek met het oog op het instellen van vervolging of de tenuitvoerlegging van een straf wegens vroegere gedragingen 1. Ingeval de Staat belast met de tenuitvoerlegging de veroordeelde persoon wenst te vervolgen of een straf te laten ondergaan wegens een aan zijn overbrenging voorafgaande gedraging, brengt hij zulks met het oog op de toepassing van artikel 108 ter kennis van het Voorzitterschap, waaraan hij de volgende stukken verstrekt : a) een uiteenzetting van de feiten, samen met de juridische omschrijving ervan;b) een afschrift van enige toepasselijk wettelijke bepaling, daaronder begrepen deze inzake verjaring en inzake de toepasselijke straffen;c) een afschrift van enige beslissing waarin een straf wordt opgelegd, enig aanhoudingsbevel of ander document met dezelfde uitwerking, of van enige gerechtelijke akte waarvan de Staat de tenuitvoerlegging wil voortzetten;d) een protocol met de opmerkingen van de veroordeelde persoon, verzameld nadat de betrokkene voldoende was ingelicht over de procedure.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een verzoek om uitlevering van een andere Staat, brengt de Staat belast met de tenuitvoerlegging dit verzoek onverkort ter kennis van het Voorzitterschap, samen met de opmerkingen van de veroordeelde persoon, na hem voldoende te hebben ingelicht over het verzoek om uitlevering.3. Het Voorzitterschap kan in alle gevallen enig aanvullend stuk of aanvullende informatie vragen aan de Staat belast met de tenuitvoerlegging of aan de Staat die om de uitlevering verzoekt.4. Ingeval de persoon aan het Hof werd overgedragen door een andere Staat dan de Staat belast met de tenuitvoerlegging, raadpleegt het Voorzitterschap de Staat die de persoon heeft overgedragen en houdt het rekening met zijn zienswijzen.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stukken en informatie die krachtens de bovenstaande punten 1 tot 4 aan het Voorzitterschap zijn meegedeeld, worden overgezonden aan de aanklager, die opmerkingen kan formuleren.6. Het Voorzitterschap kan beslissen een zitting te houden. Regel 215 Beslissing betreffende een verzoek ingediend met het oog op het instellen van vervolging of de tenuitvoerlegging van een straf 1. Het Voorzitterschap neemt zo spoedig mogelijk een beslissing die ter kennis wordt gebracht van alle deelnemers aan de procedure.2. Ingeval het krachtens regel 214, eerste of tweede punt, ingediende verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een straf, kan de veroordeelde persoon deze straf enkel volbrengen in de Staat die door het Hof belast is met de tenuitvoerlegging van de door hem uitgesproken straf of worden uitgeleverd aan een derde staat nadat hij de volledige door het Hof uitgesproken straf heeft volbracht, onder voorbehoud van artikel 110.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Voorzitterschap staat de tijdelijke uitlevering van de veroordeelde persoon naar een derde staat met het oog op vervolging enkel toe op voorwaarde dat het als voldoende geachte waarborgen heeft dat de veroordeelde persoon in detentie wordt gehouden in de derde staat en na afloop van de vervolgingen opnieuw wordt overgebracht naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de door het Hof uitgesproken straf. Regel 216 Informatie betreffende de tenuitvoerlegging Het Voorzitterschap vraagt de Staat belast met de tenuitvoerlegging hem in te lichten over enige belangrijke gebeurtenis betreffende de veroordeelde persoon en over alle vervolgingen tegen die persoon ingesteld wegens feiten gepleegd na zijn overbrenging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling IV. - Betaling van geldboetes en tenuitvoerlegging van maatregelen tot verbeurdverklaring en beschikkingen tot herstelbetaling Regel 217 Samenwerking en maatregelen met het oog op de tenuitvoerlegging van geldboeten, maatregelen houdende verbeurdverklaring of beschikkingen tot herstelbetaling Met het oog op de tenuitvoerlegging van geldboeten, maatregelen houdende verbeurdverklaring of beschikkingen tot herstelbetaling doet het Voorzitterschap naar gelang van het geval een beroep op samenwerking en maatregelen inzake de tenuitvoerlegging overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk IX : het bezorgt een afschrift van de relevante beslissingen aan enige Staat waarmee de veroordeelde persoon een rechtstreekse band schijnt te hebben op grond van zijn nationaliteit, zijn woonplaats, zijn gewone verblijfplaats of de plaats van zijn vermogensbestanddelen of goederen, of waarmee het slachtoffer een gelijkaardige band heeft. Het Voorzitterschap brengt indien van toepassing de Staat op de hoogte van enig verzoek gedaan door een derde of van het gegeven dat de personen die een kennisgeving van krachtens artikel 75 gevoerde procedures hebben ontvangen, geen enkel verzoek hebben gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 218 Beschikkingen tot verbeurdverklaring en tot herstelbetaling 1. Opdat de Staten gevolg zouden kunnen geven aan een beschikking tot verbeurdverklaring, bevat zij de volgende gegevens : a) de identiteit van de persoon tegen wie ze is gegeven;b) de inkomsten, goederen en vermogensbestanddelen waarvan het Hof de verbeurdverklaring beveelt;en c) ingeval een Staat die Partij is geen gevolg kan geven aan de beschikking tot verbeurdverklaring met betrekking tot de bedoelde opbrengsten, goederen of vermogensbestanddelen, maatregelen moet treffen om de waarde ervan te recupereren.2. Ingeval het Hof de Staten verzoekt om samenwerking of om de goedkeuring van maatregelen inzake de tenuitvoerlegging, verschaft het hen eveneens de informatie waarover het beschikt met betrekking tot de plaats waar de in de beschikking tot verbeurdverklaring bedoelde opbrengsten, goederen en vermogensbestanddelen zich bevinden.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opdat de Staten gevolg zouden kunnen geven aan een beschikking tot herstelbetaling, bevat zij de volgende gegevens : a) de identiteit van de persoon tegen wie ze is gegeven;b) in geval van herstelbetalingen van financiële aard, de identiteit van de slachtoffers aan wie individuele herstelbetalingen zijn toegekend of, ingeval het bedrag van de herstelbetalingen aan het Trustfonds moet worden gestort, de gegevens van de rekening van het Fonds waarin het moet worden gestort;en c) de omvang en de aard van de door het Hof bevolen herstelbetalingen, daaronder begrepen de goederen en vermogensbestanddelen waarvan de teruggave werd bevolen.4. Ingeval het Hof individuele herstelbetalingen toekent, krijgt het slachtoffer een afschrift van de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 219 Niet-wijziging van de beschikkingen tot herstelbetaling Ingeval het Voorzitterschap krachtens regel 217 een afschrift van de beschikkingen tot herstelbetaling overzendt aan de Staten die Partij zijn, brengt het hen ter kennis dat hun nationale autoriteiten op het tijdstip dat zij gevolg geven aan een beschikking tot herstelbetaling, noch de door het Hof bepaalde herstelbetalingen, noch de aard of de omvang van de schade, het verlies of het letsel zoals bedoeld door het Hof, en evenmin de in de beslissing vermelde beginselen mogen wijzigen, alsmede dat zij de tenuitvoerlegging ervan moeten vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 220 Niet-wijziging van de vonnissen waarbij geldboetes worden opgelegd Ingeval het Voorzitterschap met het oog op de tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 109 en regel 217, aan de Staten die Partij zijn een afschrift overzendt van de vonnissen waarin een geldboete wordt opgelegd, brengt het hen ter kennis dat hun nationale autoriteiten op het tijdstip dat zij het vonnis ten uitvoer laten leggen, de opgelegde geldboetes niet mogen wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 221 Beslissing betreffende de verkoop of de bestemming van goederen of vermogensbestanddelen 1. Het Voorzitterschap beslist over alle vragen betreffende de verkoop of de bestemming van de goederen of vermogensbestanddelen die krachtens een beslissing van het Hof te gelde zijn gemaakt, na indien van toepassing de aanklager, de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers, de nationale autoriteiten van de Staat belast met de tenuitvoerlegging, enige belanghebbende derde of de vertegenwoordigers van het Trustfonds ten behoeve van de slachtoffers bedoeld in artikel 79 te hebben geraadpleegd. 2. Wanneer het Voorzitterschap beslist over de verkoop of de bestemming van de goederen, vermogensbestanddelen of geldsommen van de veroordeelde persoon, geeft het Voorzitterschap in alle gevallen de voorrang aan maatregelen tot herstelbetaling ten voordele van de slachtoffers..</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 222 Bijstand inzake de kennisgeving of voor enige andere maatregel inzake de tenuitvoerlegging Het Voorzitterschap helpt de Staat belast met de tenuitvoerlegging van geldboetes, maatregelen tot verbeurdverklaring of beschikkingen tot herstelbetaling die erom verzoekt bij de kennisgeving van enige relevante akte aan de veroordeelde persoon of aan enige andere persoon en verstrekt deze Staat bijstand bij enige andere maatregel die krachtens de procedure bepaald door het nationaal recht van de Staat belast met de tenuitvoerlegging vereist is bij de tenuitvoerlegging van de beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling V. - Onderzoek van een strafvermindering bedoeld in artikel 110 Regel 223 Criteria voor het onderzoek van een strafvermindering Bij het onderzoek van een strafvermindering krachtens artikel 110, derde en vijfde punt, houden de drie rechters van de Kamer van beroep rekening met de criteria opgesomd in artikel 110, vierde punt, a) en b), alsook met de volgende criteria : a) het gegeven dat de gedraging van de veroordeelde persoon in detentie aantoont dat betrokkene zijn misdaad verloochent;b) de kansen op een geslaagde resocialisatie en reïntegratie van de veroordeelde persoon;c) het gegeven dat de vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde persoon geen aanleiding kan geven tot aanzienlijke maatschappelijke instabiliteit;d) enige belangrijke handeling van de veroordeelde persoon ten voordele van de slachtoffers en de mogelijke gevolgen van de vervroegde invrijheidstelling voor de slachtoffers en hun familieleden;e) de persoonlijke situatie van de veroordeelde persoon, te weten de verslechtering van zijn lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand of zijn gevorderde leeftijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regel 224 Procedure van toepassing op het onderzoek van een strafvermindering 1. Met het oog op de toepassing van artikel 110, derde punt, houden drie rechters van de Kamer van beroep, aangewezen door die kamer, een zitting, behalve indien zij daarover uitzonderlijk anders beslissen. De zitting vindt plaats in aanwezigheid van de veroordeelde persoon, die indien nodig kan worden bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk. De drie rechters van de Kamer van beroep vragen de aanklager, de Staat belast met de tenuitvoerlegging van een krachtens artikel 77 uitgesproken straf of een krachtens artikel 75 gegeven beschikking tot herstelbetaling, alsook, voor zover mogelijk, de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers die aan de procedure hebben deelgenomen, aan de zitting deel te nemen of schriftelijke opmerkingen over te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderlijke omstandigheden kan de zitting door middel van videoconferentie plaatsvinden of in de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf worden gehouden door een rechter afgevaardigd door de Kamer van beroep. 2. Dezelfde drie rechters delen hun beslissing en hun overwegingen zo spoedig mogelijk mee aan al degenen die aan de onderzoeksprocedure hebben deelgenomen.3. Met het oog op de toepassing van artikel 110, vijfde punt, onderzoeken drie rechters van de Kamer van beroep, aangewezen door die Kamer, om de drie jaar een strafvermindering, behalve ingeval de kamer een kortere tussentijd heeft bepaald in een beslissing genomen krachtens artikel 110, derde punt.In geval van een aanzienlijke wijziging van de omstandigheden kunnen deze drie rechters de veroordeelde persoon machtigen een nieuw onderzoek te vragen tijdens deze periode van drie jaar of enige kortere tussentijd die zij hebben bepaald. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een nieuw onderzoek krachtens artikel 110, vijfde punt, vragen drie rechters van de Kamer van beroep, aangewezen door die kamer, de schriftelijke opvattingen van de veroordeelde persoon of van zijn raadsman, van de aanklager, van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van een krachtens artikel 77 uitgesproken straf of een krachtens artikel 75 gegeven beschikking tot herstelbetaling, alsook, voor zover mogelijk, van de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers die aan de procedure hebben deelgenomen.De drie rechters kunnen eveneens beslissen een zitting te houden. 5. Dezelfde drie rechters delen hun beslissing en hun overwegingen zo spoedig mogelijk mee aan al degenen die aan de onderzoeksprocedure hebben deelgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling VI. - Ontvluchting Regel 225 Maatregelen krachtens artikel 111 in geval van ontvluchting 1. Ingeval de veroordeelde persoon ontvlucht is, brengt de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf de griffier zo spoedig mogelijk hiervan op de hoogte aan de hand van enig middel dat een schriftelijk bewijs oplevert.Het Voorzitterschap treedt vervolgens op overeenkomstig Hoofdstuk IX. 2. Ingeval de Staat waarin de veroordeelde persoon zich bevindt evenwel erin toestemt hem over te dragen aan de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf, hetzij op grond van internationale overeenkomsten, hetzij op grond van zijn nationale wetgeving, brengt de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf de griffier schriftelijk hiervan op de hoogte.De overdracht van de betrokkene aan de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf gebeurt zo spoedig mogelijk, indien nodig na raadpleging van de griffier, die alle nodige bijstand verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nodig worden de verzoeken om doortocht voorgelegd aan de betrokken Staten, overeenkomstig regel 207. Ingeval geen enkele Staat de kosten in verband met de overdracht van de veroordeelde persoon draagt, worden ze gedragen door het Hof.3. Ingeval de veroordeelde persoon aan het Hof wordt overgedragen op grond van Hoofdstuk IX, gaat het Hof over tot zijn overbrenging naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf.Overeenkomstig artikel 103 en de regels 203 tot 206 kan het Voorzitterschap ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de aanvankelijk met de tenuitvoerlegging van de straf belaste Staat evenwel een andere Staat aanwijzen, eventueel de Staat naar welke de veroordeelde persoon gevlucht is. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De detentie ondergaan op het grondgebied van de Staat waar de veroordeelde persoon na zijn ontvluchting in detentie is gehouden en, ingeval het bovenstaand derde punt van toepassing is, de detentie ondergaan op de zetel van het Hof na de overdracht van betrokkene, wordt in alle gevallen volledig in mindering gebracht op de nog te vervullen straf.</p></div>", "next": 0}