{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Eventuele afwijkingen tussen de uitgevoerde taken en wat vooropgesteld was in het saneringsprogramma van het voorgaande jaar, moeten verantwoord worden. Onder nuttige gegevens worden onder andere begrepen : a) het aantal uitgevoerde bodemonderzoeken, opgestelde bodemsaneringsprojecten, gestarte bodemsaneringswerken en afgesloten bodemsaneringen, voorzorgsmaatregelen en nazorg;b) een statistisch verslag over de resultaten van de bodemonderzoeken;c) een statistisch verslag over de kostprijs van de bodemonderzoeken, de bodemsaneringsprojecten en de bodemsaneringswerken, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het vaste deel van de aarde en het grondwater;d) een statistisch verslag over de gebruikte bodemsaneringstechnieken en de frequentie waarmee ze gebruikt worden;e) een statistisch verslag over de grondbalans per terrein waarop bodemsaneringswerken plaatsvinden of hebben plaatsgevonden met een overzicht van de hoeveelheid uitgegraven bodem, alsook de plaats en wijze van verwerking;8° het meedelen aan de minister bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs van elke wijziging van de statuten, samenstelling van de algemene vergadering of raad van bestuur binnen een termijn van vijf werkdagen;9° het bijhouden van een klachtenregister dat ter inzage ligt van de OVAM;10° het bijhouden van alle relevante documenten en gegevens over de uitvoering van de taken, vermeld in artikelen 96 en 97 van het Bodemdecreet, op digitale drager volgens een formaat dat bepaald wordt door de OVAM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling III. - Wetgeving overheidsopdrachten Art. 130.Een erkende bodemsaneringsorganisatie moet de reglementering inzake overheidsopdrachten naleven voor alle aannemingen van werken, leveringen en diensten die ze in het kader van haar opdracht gunt met betrekking tot het onderzoek en de sanering van bodemverontreiniging die veroorzaakt is door de activiteit waarvoor de bodemsaneringsorganisatie is opgericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling IV. - Toezicht op een erkende bodemsaneringsorganisatie Art. 131.§ 1. De OVAM kan elk onderzoek uitvoeren dat ze noodzakelijk acht bij de uitoefening van haar bevoegdheden, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit. De OVAM kan daarvoor op elk moment een erkende bodemsaneringsorganisatie vragen om mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van haar taken, vermeld in artikel 96 of 97 van het Bodemdecreet. De OVAM kan alle documenten en gegevens van een erkende bodemsaneringsorganisatie opvragen. De bestuurders en de personeelsleden van een bodemsaneringsorganisatie moeten aan de OVAM alle toelichtingen en elke vorm van informatie verschaffen als ze daarom verzoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OVAM heeft het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te laten voorleggen. De OVAM kan ook een erkende bodemsaneringsorganisatie verzoeken om in haar bijzijn en met haar uitrusting kopieën te maken in de door de OVAM gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de controle uit te oefenen op de naleving van de verplichtingen, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit. § 2. De documenten en informatie, vermeld in § 1, moeten op verzoek van de OVAM binnen een door haar bepaalde termijn worden meegedeeld. § 3. De OVAM kan te allen tijde de boekhouding laten nazien door een bedrijfsrevisor die ze aanstelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die opdracht wordt dan uitgevoerd op kosten van de erkende bodemsaneringsorganisatie. § 4. De OVAM evalueert het jaarlijkse saneringsprogramma dat haar door de erkende bodemsaneringsorganisatie overeenkomstig artikel 129, 5°, wordt voorgelegd, en geeft haar goedkeuring of weigering binnen een termijn van zestig dagen nadat het programma werd voorgelegd. In geval van weigering moet een aangepast saneringsprogramma, dat rekening houdt met de door de OVAM geformuleerde opmerkingen, worden ingediend binnen de termijn die de OVAM bepaalt. § 5. De OVAM verifieert hoe de erkende bodemsaneringsorganisatie de haar toevertrouwde taken waarneemt, alsook de informatie die aan haar moet worden meegedeeld krachtens het Bodemdecreet of dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling V. - Voorwaarden van de overeenkomsten Art. 132.§ 1. Het model van overeenkomst, vermeld in artikel 127, § 1, 3°, moet minstens de volgende gegevens vermelden : 1° de naam van de partijen;2° de uitdrukkelijke vermelding ter uitvoering van welke decretale bepaling de overeenkomst wordt gesloten;3° de taken van de bodemsaneringsorganisatie, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit;4° de wederzijdse informatieverplichting van de bodemsaneringsorganisatie en de contractant;5° de looptijd van de overeenkomst;6° de betalingsvoorwaarden;7° de sancties bij niet-naleving van de verbintenissen door de bodemsaneringsorganisatie of de contractant. § 2. Het model van overeenkomst, vermeld in artikel 127, § 1, 4°, moet minstens de volgende gegevens vermelden : 1° de naam van de partijen;2° de uitdrukkelijke vermelding ter uitvoering van welke decretale bepaling de overeenkomst wordt gesloten;3° de verplichtingen van de bodemsaneringsorganisatie, en minstens : a) de omschrijving van de verontreiniging waarvoor de bodemsaneringsorganisatie de bodemsaneringsplicht overneemt;b) de voorwaarden van kennisgeving van de contractant door de bodemsaneringsorganisatie over de uitvoering van de overeenkomst;c) de wijze van informatieverlening aan de contractant;d) de wijze van betaling door de contractant;e) de wijze van zekerheidstelling door de contractant;f) het jaarlijks inlichten van de contractant over de verwachte uitvoeringsdatum van de onderzoeken en de bodemsanering;g) het feit dat de contractant ingelicht zal worden over de eventuele schorsing of intrekking van de erkenning van de bodemsaneringsorganisatie en de wijze waarop dat in voorkomend geval zal gebeuren;4° de looptijd van de overeenkomst;5° de betalings- en terugbetalingsvoorwaarden tussen de partijen in geval van tekort of overschot bij beëindiging van de erkenningsperiode van de bodemsaneringsorganisatie;6° de verplichtingen van de contractant : a) de tijdige en correcte betaling van de overeengekomen bedragen volgens de te bepalen voorwaarden;b) de uitdrukkelijke aanvaarding van het saneringsprogramma en de saneringswijze, vermeld in het conform verklaarde bodemsaneringsproject;c) de meldingsplicht over het bestaan van de overeenkomst door de contractant aan derden-belanghebbenden;d) de tijdige schriftelijke mededeling aan de bodemsaneringsorganisatie van alle informatie die van belang kan zijn voor of bij de uitvoering van de overeenkomst;7° de sancties bij niet-naleving van de verbintenissen door de partijen, onder andere de terugkeer van de saneringsplicht in geval van tekortkomingen van de contractant;8° de regeling bij overdracht door de contractant van zijn activiteit waarvoor de bodemsaneringsorganisatie werd opgericht. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De contractant, vermeld in § 2, 6°, is degene die een overeenkomst met de erkende bodemsaneringsorganisatie sluit als vermeld in artikel 127, § 1, 3° en 4°. § 4. De erkende bodemsaneringsorganisatie kan bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs bij de Vlaamse Regering steeds een verzoek indienen tot wijziging van de modellen, vermeld in artikel 132, § 1 en § 2. De Vlaamse Regering neemt daarover, op voorstel van de minister, een beslissing binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling VI. - Schorsing en opheffing van de erkenning van een bodemsaneringsorganisatie Art. 133.§ 1. Als een erkende bodemsaneringsorganisatie een van de verplichtingen, vermeld in het Bodemdecreet of dit besluit, niet of onvoldoende nakomt, kan de minister, op advies van de OVAM, een waarschuwing richten aan de bodemsaneringsorganisatie. § 2. Na advies van de OVAM kan de minister aan de Vlaamse Regering voorstellen om de erkenning van de bodemsaneringsorganisatie te schorsen of op te heffen als daartoe gegronde redenen bestaan, in het bijzonder in de volgende gevallen : 1° de erkende bodemsaneringsorganisatie voldoet niet of in onvoldoende mate aan de verplichtingen, vermeld in dit besluit, het Bodemdecreet of de aangegane overeenkomsten, in het bijzonder haar bodemsaneringsverplichting;2° de erkende bodemsaneringsorganisatie geeft onvoldoende gevolg aan de waarschuwing, vermeld in § 1;3° de erkende bodemsaneringsorganisatie handelt niet overeenkomstig de wetten, decreten, besluiten of de eigen statuten;4° er wordt afwending van gelden vastgesteld. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister brengt de erkende bodemsaneringsorganisatie bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs op de hoogte van het voornemen tot schorsing of opheffing van de erkenning met vermelding van de reden. Binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van die brief kan de bodemsaneringsorganisatie haar verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. De bodemsaneringsorganisatie kan ook binnen diezelfde periode gehoord worden als ze daarom verzoekt. § 4. Binnen een termijn van dertig dagen na verloop van de termijn, vermeld in § 3, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de schorsing of opheffing van de erkenning. In geval de Vlaamse Regering de erkenning schorst of opheft, stelt de minister de erkende bodemsaneringsorganisatie bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs in kennis van die beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing tot schorsing of de opheffing van de erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 5. De schorsing van de erkenning wordt pas beëindigd nadat de minister, op advies van de OVAM, de bodemsaneringsorganisatie daarvan bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beëindiging van de schorsing van de erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 6. Bij opheffing van de erkenning heeft de bodemsaneringsorganisatie alleen de mogelijkheid om opnieuw erkend te worden na het doorlopen van een nieuwe procedure tot erkenning als vermeld in artikelen 126 tot en met 128.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling VII. - Subsidiëring van een bodemsaneringsorganisatie A. Subsidie in het kader van artikel 98 van het Bodemdecreet Art. 134.Overeenkomstig artikel 98 van het Bodemdecreet kan de Vlaamse Regering binnen de daartoe in de begroting van het Vlaamse Gewest vastgelegde kredieten, bijdragen in de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet, evenals in de werkingskosten noodzakelijk om die taken uit te kunnen voeren. Die bijdrage is maximaal gelijk aan de som van alle bijdragen die de bodemsaneringsorganisatie ontvangen heeft in het kader van de overeenkomsten die gesloten zijn ter uitvoering van artikel 97 van het Bodemdecreet, met behoud van de toepassing van de bepalingen van het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijdrage, vermeld in het eerste lid, kan alleen betrekking hebben op de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet, voor zover die betrekking hebben op en aangewend worden voor historische bodemverontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van gemengde bodemverontreiniging, kan de bijdrage, vermeld in het eerste lid, alleen betrekking hebben op en aangewend worden voor de gedeeltelijke financiering van de taken, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet en alleen voor het als historisch te beschouwen deel van de bodemverontreiniging. Art. 135.Een erkende bodemsaneringsorganisatie die van de mogelijkheid, vermeld in artikel 98 van het Bodemdecreet, wil gebruikmaken, moet daartoe bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs minstens vijfjaarlijks een voorstel van subsidiëringsprogramma bezorgen aan de Vlaamse Regering, per adres van de minister, volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 136 en 137.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Vlaamse Regering het voorstel, vermeld in het eerste lid, goedkeurt, moet de bodemsaneringsorganisatie voor de vaststelling en uitkering van de bijdrage jaarlijks bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs een aanvraag tot subsidiëring indienen bij de Vlaamse Regering, per adres van de minister, volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 138 en 139. Die aanvraag heeft steeds betrekking op de subsidiëring van de werking van de bodemsaneringsorganisatie in het jaar dat volgt op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidiëring.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid, kan de bodemsaneringsorganisatie in het jaar dat ze haar erkenning aanvraagt een aanvraag tot startsubsidiëring van haar werking in dat jaar indienen. In afwijking van artikel 134, eerste lid, kan het bedrag van die subsidie hoger zijn dan de bijdragen die de bodemsaneringsorganisatie ontvangt in het jaar dat ze erkend wordt. Het verschil tussen die subsidie en de bijdragen ontvangen in dat jaar, wordt in mindering gebracht van de subsidie in het daaropvolgende jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Voorwaarden en procedure voor de toekenning van de subsidie Art. 136.Het eerste voorstel van subsidiëringsprogramma, vermeld in artikel 135, eerste lid, kan op zijn vroegst ingediend worden met de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 127. De volgende voorstellen van subsidiëringsprogramma moeten uiterlijk ingediend worden op 28 februari van het vierde subsidiejaar van het lopende subsidiëringsprogramma. Het voorstel van subsidiëringsprogramma moet gebaseerd zijn op de volgende prognoses en rapporten : 1° de prognose van de som van alle bedragen die de bodemsaneringsorganisatie de volgende vijf jaar meent te zullen ontvangen in het kader van de door haar gesloten of te sluiten overeenkomsten, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet;2° een verantwoording van de omvang van de gelden, vermeld in punt 1°, in verhouding tot het financiële draagvlak van alle natuurlijke personen of rechtspersonen die de activiteit uitoefenen waarvoor de bodemsaneringsorganisatie is opgericht.Dat draagvlak moet bepaald worden op basis van een omstandig rapport over de financiële impact van de verplichtingen die de toepassing van het Bodemdecreet op die personen heeft, gerelateerd aan een omstandig rapport over de financiële analyse van de personen met bepaling van hun algemene financiële draagvlak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 137</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De minister bezorgt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van een voorstel van subsidiëringsprogramma een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van het voorstel De minister kan steeds om de nodige wijzigingen of aanvullingen verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de minister om wijzigingen of aanvullingen verzoekt, wordt het aangepaste voorstel van subsidiëringsprogramma opnieuw ingediend overeenkomstig artikel 135, eerste lid. De minister zendt binnen dertig dagen na ontvangst van het aangepaste voorstel een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich opnieuw uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van het voorstel van subsidiëringsprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op advies van de OVAM bezorgt de minister een voorstel van beslissing over het voorstel van subsidiëringsprogramma aan de Vlaamse Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering spreekt zich uit over het voorstel van subsidiëringsprogramma binnen een termijn van negentig dagen na het versturen van het ontvangstbewijs waarbij het voorstel tot subsidiëringsprogramma ontvankelijk en volledig werd verklaard. Binnen tien dagen nadat de beslissing genomen is, wordt die aan de bodemsaneringsorganisatie betekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle documenten die met de toepassing van dit artikel verstuurd worden, worden verstuurd bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs. Art. 138.Een jaarlijkse aanvraag tot subsidiëring als vermeld in artikel 135 moet gebaseerd zijn op de volgende prognoses en rapporten : 1° de twee meest recente saneringsprogramma's, vermeld in artikel 129, 5°;2° de prognose van de som van alle bedragen die de bodemsaneringsorganisatie het lopende en het volgende jaar meent te zullen ontvangen in het kader van de door haar gesloten of te sluiten overeenkomsten, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet;3° een financieel jaarverslag, geattesteerd door een bedrijfsrevisor, van het voorbije werkingsjaar. Art. 139.Een aanvraag tot subsidiëring als vermeld in artikel 135, tweede lid, moet voor het eerst ingediend worden uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op de beslissing, vermeld in artikel 137, derde lid. Nadien moet de aanvraag tot subsidiëring jaarlijks ingediend worden, uiterlijk op 31 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag tot subsidiëring als vermeld in artikel 135, derde lid, kan ten vroegste ingediend worden samen met de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 127, § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister bezorgt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van een aanvraag tot subsidiëring een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van de aanvraag. De minister kan steeds om de nodige wijzigingen of aanvullingen verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de minister om wijzigingen of aanvullingen verzoekt, wordt de aangepaste aanvraag tot subsidiëring opnieuw ingediend overeenkomstig artikel 135, tweede lid. De minister zendt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de aangepaste aanvraag een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich opnieuw uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van de aangepaste aanvraag tot subsidiëring.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering spreekt zich, uiterlijk op 30 november van het jaar waarin de subsidie werd aangevraagd, uit over de aanvraag tot subsidiëring, onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting door het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering houdt bij dat besluit rekening met haar besluit over het voorstel van subsidiëringsprogramma. Ze kan op basis van de intussen verkregen informatie en verslagen, vermeld in artikel 138, verrekenen wat te veel of te weinig werd uitbetaald in de voorgaande jaren. Art. 140.De subsidie wordt uiterlijk op 31 december van het jaar waarop ze betrekking heeft, overgeschreven op de rekening van de bodemsaneringsorganisatie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk VIII. - Overdrachten Afdeling I. - Melding van overdracht van een risicogrond</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 141</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding van overdracht van een risicogrond, vermeld in artikel 103 van het Bodemdecreet, moet bij aangetekende brief worden gericht aan de OVAM. De melding moet gedaan worden met een volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend meldingsformulier voor overdracht. Het model van dit meldingsformulier wordt vastgesteld bij besluit van de minister en voorziet in ieder geval in de opvraging van de volgende gegevens : 1° de gegevens van de overdrager;2° de gegevens van de persoon die de melding doet;3° de identificatie van de over te dragen risicogrond;4° de verwijzing naar het verslag van het laatst uitgevoerde oriënterend bodemonderzoek of van het laatst uitgevoerde oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek;5° gegevens op basis waarvan kan worden vastgesteld of krachtens de bepalingen van het Bodemdecreet voor de overdracht van de risicogrond geen nieuw oriënterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd;6° het bewijs van lastgeving als de overdrager niet de melding doet. Overeenkomstig artikel 103 van het Bodemdecreet voegt de overdragerbij de melding een verslag van oriënterend bodemonderzoek of van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek dat conform artikel 28, 29, 30, 36 of 44 van het Bodemdecreet rechtsgeldig is voor de overdracht van de risicogrond. Art. 142.De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid van de melding van overdracht van een risicogrond Als de OVAM van oordeel is dat de melding van overdracht onontvankelijk is, deelt ze die beslissing binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding van overdracht bij aangetekende brief mee aan de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde. Als de melding van overdracht onontvankelijk is, wordt de termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 104, § 1, en artikel 109, § 1, van het Bodemdecreet, gestuit vanaf de datum van de beslissing van de OVAM over de niet-ontvankelijkheid van de melding van overdracht. De stuiting duurt tot de dag dat de OVAM een ontvankelijke melding van overdracht heeft ontvangen. Afdeling II. - Procedure tot vrijstelling van de saneringsplicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 143</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde betekent zijn gemotiveerde standpunt tot vrijstelling van de saneringsplicht als vermeld in artikel 105, § 1, of artikel 110, § 1, van het Bodemdecreet bij aangetekende brief aan de OVAM. De OVAM onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of voldaan is aan een van de elementen, vermeld in artikel 105, § 1, of artikel 110, § 1, van het Bodemdecreet, of dat de afwijking, vermeld in artikel 105, § 2, of artikel 110, § 2, van het Bodemdecreet, van toepassing is. De OVAM stelt de overdrager of de gemandateerde binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerde standpunt in kennis van haar beslissing. Art. 144.De risicogrond kan overgedragen worden als de OVAM haar beslissing heeft meegedeeld dat aan een van de elementen, vermeld in artikel 105, § 1, of artikel 110, § 1, van het Bodemdecreet, voldaan is, en dat de afwijking vermeld in artikel 105, § 2, of artikel 110, § 2, van het Bodemdecreet, niet van toepassing is. Afdeling III. - Overdracht van de vrijstelling van saneringsplicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 145</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de overdrager van een risicogrond voor een bepaalde bodemverontreiniging krachtens artikel 105, § 1, 2° of 3°, of krachtens artikel 110, § 1,2° of 3°, van het Bodemdecreet vrijstelling van de saneringsplicht heeft verkregen, gaat die vrijstelling op het moment van de overdracht van de grond van rechtswege over op de verwerver als voldaan is aan de drie volgende voorwaarden : 1° de verwerver of zijn rechtsvoorganger heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;2° de verontreiniging is niet tot stand gekomen tijdens een periode dat de verwerver of zijn rechtsvoorganger eigendoms- of gebruiksrechten op de grond had;3° de verwerver heeft op het moment dat de overdracht van de grond plaatsvindt, geen eigendomsrechten op de grond. Art. 146.De vrijstelling van de saneringsplicht die krachtens artikel 145 op de verwerver is overgegaan, vervalt van rechtswege wanneer de aanwezige bodemverontreiniging die in de conformverklaring van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of van het beschrijvend bodemonderzoek, of in de eindverklaring werd gekwalificeerd als geen ernstige bodemverontreiniging, opnieuw een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beïnvloeding van mens of milieu door een wijziging van de kenmerken, functies of eigenschappen van de bodem. Afdeling IV. - Overname van de uitvoering van de verplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-147\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 147</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verplichtingen die krachtens artikel 102 tot en met 113 van het Bodemdecreet moeten worden vervuld voordat tot overdracht van een risicogrond kan worden overgegaan, kunnen worden overgenomen door de volgende personen : 1° de verwerver.In dat geval meldt de verwerver, de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde dat ze met onderlinge toestemming gebruik wensen te maken van de mogelijkheid tot overname van de uitvoering van die verplichtingen; 2° een persoon die beschikt over een rechtsgeldige titel om de overdracht te doen uitvoeren.Die persoon meldt aan de OVAM dat hij gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot overname van de uitvoering van die verplichtingen. Hij voegt bij die melding een afschrift van die rechtsgeldige titel; 3° een derde.In dat geval melden de derde, de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde dat ze met onderlinge toestemming gebruik wensen te maken van de mogelijkheid tot overname van de uitvoering van die verplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 148</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van openbare verkoop van een risicogrond waarbij de verwerver met toepassing van artikel 147 de uitvoering van de verplichtingen overneemt, kan de overdracht van de risicogrond plaatsvinden voordat de verwerver de verplichtingen, vermeld in artikel 104, § 2, 2° en 3°, van het Bodemdecreet of artikel 109, § 2, 2° en 3° van het Bodemdecreet, heeft vervuld, op voorwaarde dat in de verkoopsvoorwaarden van de openbare verkoop als ontbindende voorwaarde is opgenomen dat de verkoop van de risicogrond wordt ontbonden als de verwerver die verplichtingen niet binnen een termijn van vijfenveertig dagen na datum van de overdracht heeft vervuld.Hetzelfde geldt voor de verplichtingen, vermeld in artikel 115, § 4, van het Bodemdecreet, in geval van openbare verkoop van een risicogrond door de versnelde overdrachtsprocedure, vermeld in artikel 115 van het Bodemdecreet Hoofdstuk IX.- Onteigening van gronden Art. 149.De melding van onteigening van een risicogrond, vermeld in artikel 120, § 3, van het Bodemdecreet, moet bij aangetekende brief worden gericht aan de OVAM. De melding moetgedaan worden met een volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend meldingsformulier voor onteigening. Het model van dat meldingsformulier wordt vastgesteld bij besluit van de minister en voorziet in ieder geval in de opvraging van de volgende gegevens : 1° de gegevens van de onteigenende overheid;2° de gegevens van de persoon die de melding doet;3° de identificatie van de te onteigenen risicogrond;4° de verwijzing naar het verslag van het laatst uitgevoerde oriënterend bodemonderzoek of van het laatst uitgevoerde oriënterend en beschrijvende bodemonderzoek;5° een kopie van de beslissing over het voornemen tot onteigening van de risicogrond;6° gegevens op basis waarvan kan worden bepaald of krachtens het Bodemdecreet voor de onteigening van de risicogrond geen nieuw oriënterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Overeenkomstig artikel 120, § 3, van het Bodemdecreet voegt de onteigenende overheidbij de melding een verslag van oriënterend bodemonderzoek of van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek dat conform artikel 28, 31, 36 of 44 van het Bodemdecreet rechtsgeldig is voor de onteigening van de risicogrond. Art. 150.De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid van de melding van onteigening van een risicogrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de OVAM van oordeel is dat de melding van onteigening onontvankelijk is, stelt ze de onteigenende overheid binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding van onteigening in kennis van die beslissing. Als de melding van onteigening onontvankelijk is, wordt de termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 121, § 1, van het Bodemdecreet, gestuit vanaf de datum van de beslissing van de OVAM over de niet-ontvankelijkheid van de melding van onteigening. De stuiting duurt tot de dag dat de OVAM een ontvankelijke melding van onteigening heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk X. - Sluiting van een risico-inrichting Art. 151.De melding van sluiting van een risico-inrichting, vermeld in artikel 122, § 3, van het Bodemdecreet, moet bij aangetekende brief worden gericht aan de OVAM. De melding moet gedaan worden met een volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend meldingsformulier voor sluiting. Het model van dat meldingsformulier wordt vastgesteld bij besluit van de minister en voorziet in ieder geval in de opvraging van de volgende gegevens : 1° de gegevens van de exploitant;2° de gegevens van de persoon die de melding doet;3° de identificatie van de grond waar de risico-inrichting gevestigd was;4° de verwijzing naar het verslag van het laatst uitgevoerde oriënterend bodemonderzoek of oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek;5° de datum van de sluiting of voorgenomen sluiting van de risico-inrichting;6° gegevens op basis waarvan kan worden bepaald of krachtens het Bodemdecreet voor de sluiting van de risico-inrichting geen nieuw oriënterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd;7° het bewijs van lastgeving als de exploitant niet de melding doet. Overeenkomstig artikel 122, § 3, van het Bodemdecreet voegt de exploitantbij de melding een verslag van oriënterend bodemonderzoek of van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek dat conform artikelen 28, 36, 44 of 122, § 1, van het Bodemdecreet rechtsgeldig is voor de sluiting van een risico-inrichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 152</span><span class=\"lf-art-t\">De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid van de melding van sluiting van een risico-inrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de OVAM van oordeel is dat de melding van sluiting onontvankelijk is, stelt ze de exploitant binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding in kennis van die beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de melding van sluiting niet-ontvankelijk is, wordt de termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 122, § 4, van het Bodemdecreet juncto artikel 104, § 1, en artikel 109, § 1, van het Bodemdecreet, gestuit vanaf de datum van de beslissing van de OVAM over de niet-ontvankelijkheid van de melding van sluiting. De stuiting duurt tot de dag dat de OVAM een ontvankelijke melding van sluiting heeft ontvangen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk XII.- Waterbodems Afdeling I. - Kennisgeving van het waterbodemonderzoek</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 153</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag van het waterbodemonderzoek dat uitgevoerd is krachtens artikel 124, § 1, van het Bodemdecreet, wordt binnen een termijn van dertig dagen na het afsluiten ervan bij de OVAM ingediend. Afdeling II. - Conformverklaring van het waterbodemonderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 154</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig artikel 126 van het Bodemdecreet spreekt de OVAM zich binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verslag van het waterbodemonderzoek uit over de conformiteit van het waterbodemonderzoek met de bepalingen van artikel 125 van het Bodemdecreet. Art. 155.Als de OVAM van oordeel is dat het waterbodemonderzoek conform de vereisten, vermeld in artikel 125 van het Bodemdecreet werd uitgevoerd, reikt ze een conformiteitsattest voor het waterbodemonderzoek uit Als in het verslag van het waterbodemonderzoek gegevens als vermeld in artikel 125, § 4, tweede lid, van het Bodemdecreet opgenomen zijn, kan de OVAM een uitspraak over die gegevens in het conformiteitsattest van het waterbodemonderzoek opnemen. Art. 156.Als de OVAM van oordeel is dat het waterbodemonderzoek niet conform de vereisten van artikel 125 van het Bodemdecreet werd uitgevoerd, legt ze aanvullende onderzoeksverrichtingen op. De OVAM bepaalt de termijn waarbinnen de aanvullende onderzoeksverrichtingen moeten worden uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM moet worden ingediend. Als de aanvullende onderzoeksverrichtingen niet of in onvoldoende mate werden uitgevoerd, kan de minister de OVAM gelasten ambtshalve de nodige aanvullende onderzoeksverrichtingen uit te voeren. Art. 157.De OVAM stelt de opdrachtgever van het waterbodemonderzoek in kennis van de beslissingen, vermeld in artikelen 155 en 156.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk XIII.- Het gebruik van uitgegraven bodem Afdeling I. - Definities</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-158\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 158</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° ontvangende grond : grond waarop de uitgegraven bodem wordt gebruikt;2° verdachte grond : a) risicogrond;b) grond die opgenomen is in het Grondeninformatieregister, voor zover in een bodemonderzoek in het vaste deel van de aarde van die grond concentraties van stoffen werden aangetroffen die hoger liggen dan de richtwaarden voor de bodemkwaliteit voor het vaste deel van de aarde;c) openbare weg, oude wegbedding en wegberm;d) grond waarvoor aanwijzingen bestaan voor de aanwezigheid in het vaste deel van de aarde van stoffen in concentraties die hoger liggen dan de richtwaarden voor de bodemkwaliteit voor het vaste deel van de aarde, en die werd aangewezen door de minister;3° bouwkundig bodemgebruik : niet-vormvast gebruik van uitgegraven bodem in een waterwerk, dijklichaam, wegenbouwkundig werk, bouwwerk en elk ander niet-vormvast gebruik van uitgegraven bodem waarin de functie van de uitgegraven bodem duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem;4° vormvast product : elk product waarin uitgegraven bodem als grondstof wordt gebruikt en dat vormvast is gemaakt door middel van bindmiddelen of thermische processen;5° fysisch scheiden : wegnemen van een deel of het geheel van de steenfractie en bodemvreemde materialen, andere dan stenen, uit uitgegraven bodem;6° tussentijdse opslagplaats : locatie voor een in de tijd beperkte opslag van uitgegraven bodem in afwachting van het gebruik van de uitgegraven bodem;7° kadastrale werkzone : zone die vastgesteld is in het kader van eenzelfde project en die bestaat uit een geheel van gronden met soortgelijke kenmerken.Het betreft kenmerken die een betekenisvol effect op het milieu hebben of een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden; 8° zone voor het gebruik ter plaatse : zone waarbinnen de uitgegraven bodem op dezelfde plaats wordt teruggelegd;9° initiatiefnemer grondwerken : bouwheer van de grondwerken op de plaats van de uitgraving;10° uitvoerder grondwerken : natuurlijke persoon of rechtspersoon die de grondwerken uitvoert in opdracht en voor rekening van de initiatiefnemer grondwerken;11° eindgebruiker : a) eigenaar, exploitant of gebruiker van de ontvangende grond die de opdracht heeft gegeven tot het gebruik van de uitgegraven bodem;b) eigenaar of exploitant van de vergunde inrichting die de uitgegraven bodem aanvaardt met het oog op het gebruik in een vormvast product;12° zoneringsplan : plan van de plaats van de uitgraving waarop de verschillende gebruiksmogelijkheden van de uit te graven of uitgegraven bodem grafisch worden voorgesteld;13° opmetingstabel : tabel waarop de volumes en de gebruiksmogelijkheden van de uit te graven of de uitgegraven bodem vermeld staan</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling II. - Toepassingsgebied</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-159\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 159</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van dit hoofdstuk regelen het gebruik van uitgegraven bodem als bodem, en het gebruik van uitgegraven bodem voor bouwkundig bodemgebruik en in een vormvast product. Afdeling III. - Voorwaarden voor het gebruik van uitgegraven bodem Onderafdeling I. - Algemeen Art. 160.Het is verboden om verscheidene partijen uitgegraven bodem met verschillende milieuhygiënische kwaliteit tijdens of na de uitgraving ervan te mengen met de bedoeling om door de lagere concentratie van één of meer stoffen die aanwezig zijn in de uitgegraven bodem, voor de aldus gemengde uitgegraven bodem een gebruiksmethode in aanmerking te laten komen die voor de niet-gemengde uitgegraven bodem niet is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Gebruik van uitgegraven bodem als bodem A. Algemeen gebruik Art. 161.§ 1. Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, kan vrij als bodem worden gebruikt. § 2. Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, kan als bodem worden gebruikt onder de vijf volgende voorwaarden : 1° er wordt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater veroorzaakt;2° de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;3° de concentraties van stoffen in de uitgegraven bodem zijn lager dan of gelijk aan 80 % van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangende grond wordt ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV;4° de gemiddelde concentraties van stoffen in de uitgegraven bodem zijn lager dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de opvulling van een vergunde groeve of graverij kan hiervan afgeweken worden tot maximaal de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype III; 5° de uitgegraven bodem wordt vóór het gebruik als bodem gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen als hij concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype III of als hij concentraties van verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, waardoor hij niet aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, voor het gebruik als bodem voldoet.Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de uitgegraven bodem verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van een conform verklaard technisch verslag en een studie van de ontvangende grond wordt nagegaan of aan die voorwaarden is voldaan. Art. 162.Met behoud van de toepassing van de voorwaarden van artikel 161 kan uitgegraven bodem alleen als bodem worden gebruikt, op voorwaarde dat het gehalte aan stenen die niet van nature aanwezig zijn, maximaal vijf massaprocent bedraagt, de afmeting van de stenen die niet van nature aanwezig zijn, niet groter is dan vijftig millimeter, en het gehalte aan andere bodemvreemde materialen maximaal één massa- en volumeprocent bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Gebruik binnen een kadastrale werkzone Art. 163.Een kadastrale werkzone wordt afgebakend volgens een code van goede praktijk die wordt ingevuld op basis van kenmerken die een betekenisvol effect hebben op het milieu, of die een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De code van goede praktijk voor het afbakenen van een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-164\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 164</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 161, § 2, en artikel 162 is het gebruik van uitgegraven bodem als bodem binnen een kadastrale werkzone toegestaan onder de volgende voorwaarden : 1° uitgegraven bodem met concentraties van stoffen die lager zijn dan of gelijk zijn aan 80 % van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangende grond wordt ingedeeld, overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, kan binnen de kadastrale werkzone vrij worden gebruikt;2° uitgegraven bodem met concentraties van stoffen die hoger zijn dan 80 % van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangende grond wordt ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage IV, kan binnen de kadastrale werkzone gebruikt worden onder de volgende voorwaarden : a) er wordt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater veroorzaakt;b) de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;c) de uitgegraven bodem wordt gebruikt volgens een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor het gebruik van uitgegraven bodem binnen een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 165</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met behoud van de toepassing van de voorwaarden van artikel 164 kan uitgegraven bodem alleen als bodem worden gebruikt binnen een kadastrale werkzone, op voorwaarde dat het gehalte aan bodemvreemde materialen, andere dan stenen of steenachtig materiaal, maximaal één massa- en volumeprocent bedraagt C. Gebruik binnen een zone voor het gebruik ter plaatse Art. 166.Een zone voor het gebruik ter plaatse wordt afgebakend volgens een code van goede praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De code van goede praktijk voor het afbakenen van een zone voor het gebruik ter plaatse wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister. Art. 167.In afwijking van de voorwaarden van artikelen 161 en 162, kan uitgegraven bodem binnen een zone voor het gebruik ter plaatse gebruikt worden volgens een code van goede praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De code van goede praktijk voor het gebruik van uitgegraven bodem binnen een zone voor het gebruik ter plaatse wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling III Gebruik van uitgegraven bodem voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product A. Algemeen gebruik Art. 168.§ 1. Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, kan vrij worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product. § 2. Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, kan worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de drie volgende voorwaarden : 1° de concentraties van stoffen in de uitgegraven bodem zijn lager dan of gelijk aan de waarden, vermeld in bijlage VI;2° de uitloogbaarheidswaarden van stoffen in de uitgegraven bodem zijn lager dan of gelijk aan de uitloogbaarheidswaarden, vermeld in bijlage VII;3° de uitgegraven bodem wordt voor het gebruik voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen indien hij concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage VI.Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de uitgegraven bodem verwijderd. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgegraven bodem waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, kan worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de twee volgende voorwaarden : 1° het gebruik van de uitgegraven bodem kan geen bijkomende verontreiniging van het grondwater veroorzaken;2° mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op. Als de uitgegraven bodem voor het gebruik voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de uitgegraven bodem gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de uitgegraven bodem verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van een conform verklaard technisch verslag wordt nagegaan of aan die voorwaarden is voldaan. Art. 169.Met behoud van de toepassing van de voorwaarden van artikel 168 kan uitgegraven bodem alleen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt, op voorwaarde dat het gehalte aan bodemvreemde materialen, andere dan stenen of steenachtig materiaal, maximaal één massa- en volumeprocent bedraagt. Art. 170.Uitgegraven bodem die niet voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 168, § 2, 2°, kan toch worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product op voorwaarde dat het beoogde gebruik geen bijkomende verontreiniging van de onderliggende bodem kan veroorzaken en dat een mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico kan opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wordt aangetoond aan de hand van een aanvullend onderzoek dat ter beoordeling en goedkeuring aan de OVAM wordt bezorgd. Art. 171.De minister stelt een lijst vast van bouwkundig bodemgebruik van uitgegraven bodem waarin de functie van de uitgegraven bodem duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister stelt een lijst vast van vormvaste toepassingen van uitgegraven bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Gebruik binnen een kadastrale werkzone Art. 172.In afwijking van de voorwaarden van artikel 168 kan uitgegraven bodem die voldoet aan de voorwaarden voor gebruik als bodem binnen de kadastrale werkzone, vermeld in artikel 164 en 165, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt binnen de kadastrale werkzone. Afdeling IV. - Traceerbaarheidsprocedure Onderafdeling I. - Algemene bepalingen A. Verplichtingen Art. 173.§ 1. Voor het gebruik van uitgegraven bodem als bodem en voor het gebruik van uitgegraven bodem voor bouwkundig bodemgebruik en in een vormvast product wordt een technisch verslag opgemaakt en worden een grondverzettoelating en een bodembeheerrapport uitgereikt, behalve in de volgende gevallen : 1° de uitgegraven bodem is afkomstig van een niet-verdachte grond en de totale uitgraving bedraagt minder dan 250 m3;2° de uitgegraven bodem is afkomstig van een verdachte grond, de totale uitgraving bedraagt minder dan 250 m3 en de uitgegraven bodem wordt binnen de kadastrale werkzone gebruikt volgens de code van goede praktijk inzake het gebruik van uitgegraven bodem binnen een kadastrale werkzone;3° de uitgegraven bodem wordt binnen de zone voor het gebruik ter plaatse opnieuw gebruikt volgens de code van goede praktijk inzake het gebruik van uitgegraven bodem binnen een zone voor het gebruik ter plaatse;4° de uitgegraven bodem is afkomstig van een uitgraving in het kader van een bodemsanering en wordt gebruikt volgens de voorwaarden van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de gevallen, vermeld in § 1, 1° en 2°, wordt toch een technisch verslag opgemaakt en worden een grondverzettoelating en een bodembeheerrapport uitgereikt als de uitgegraven bodem afkomstig is van een samengestelde partij uitgegraven bodem die op zijn beurt afkomstig is van een of meer uitgravingen, het totale volume van de samengestelde partij uitgegraven bodem groter is of was dan 250 m3 en die partij niet binnen de kadastrale werkzone of de zone voor het gebruik ter plaatse opnieuw gebruikt wordt. § 3. Voor het transport van uitgegraven bodem naar een tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum moet geen technisch verslag worden opgemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-174\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 174</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemer grondwerken neemt in de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag of de contractuele documenten clausules op die waarborgen dat de regelen met betrekking tot het gebruik van uitgegraven bodem, vermeld in dit hoofdstuk, toegepast worden B. Opmaak van het technisch verslag Art. 175.§ 1. De verplichting om het technisch verslag op te maken berust bij de initiatiefnemer grondwerken. § 2. De verplichting om het technisch verslag op te maken kan met toestemming van de initiatiefnemer grondwerken door de volgende inrichtingen worden overgenomen : 1° een vergunde inrichting als vermeld in subrubriek 20.3.5 of rubriek 30 van bijlage 1 van Vlarem I, voor de door die inrichting aanvaarde uitgegraven bodem met het oog op de verwerking ervan. Ze legt een register aan voor de identificatie van de grond waar de te verwerken bodem uitgegraven werd; 2° een grondreinigingscentrum, vergund conform de bepalingen van de bevoegde overheid, voor de door dat centrum aanvaarde uitgegraven bodem met het oog op de reiniging ervan;3° een tussentijdse opslagplaats, waarbij aan de vergunnings- of meldingsplicht voldaan is, voor de door die opslagplaats aanvaarde uitgegraven bodem. Art. 176.Het technisch verslag wordt opgemaakt voordat de uitgegraven bodem wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Opmaak van de studie van de ontvangende grond Art. 177.Voor het gebruik van uitgegraven bodem als bodem overeenkomstig artikel 161, § 2, die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, wordt een studie van de ontvangende grond opgemaakt. Art. 178.De verplichting om de studie van de ontvangende grond op te maken berust bij de eigenaar, exploitant of gebruiker van de ontvangende grond, die opdracht heeft gegeven tot het gebruik van de uitgegraven bodem op de ontvangende grond. Art. 179.De studie van de ontvangende grond wordt opgemaakt voordat de uitgegraven bodem op de ontvangende grond gebruikt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Documenten grondverzet A. Technisch verslag Art. 180.§ 1. Het technisch verslag wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op basis van een representatieve bemonstering volgens de standaardprocedure voor de opmaak van een technisch verslag. § 2. Het technisch verslag bevat de volgende gegevens : 1° de identificatie van de grond waar de bodem uitgegraven werd of zal worden;2° de identiteit van de eigenaar van de grond waar de bodem uitgegraven werd of zal worden;3° de identiteit van de initiatiefnemer grondwerken;4° de beknopte omschrijving van de grondwerken;5° het zoneringsplan en de opmetingstabel, indien van toepassing;6° het verslag met de analyseresultaten van representatieve mengmonsters met vermelding van de naam van het laboratorium;7° de verklaring van de bodemsaneringsdeskundige dat de uitgegraven bodem werd bemonsterd en geanalyseerd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;8° de onderstaande gegevens, als de uitgegraven bodem binnen de kadastrale werkzone gebruikt zal worden : a) de afbakening van de kadastrale werkzone;b) de voorwaarden waaronder de uitgegraven bodem binnen de kadastrale werkzone gebruikt mag worden, indien van toepassing;c) de voorwaarden voor de tussentijdse opslag van de uitgegraven bodem, indien van toepassing;9° het gehalte aan stenen, steenachtig materiaal en andere bodemvreemde materialen in de uitgegraven bodem;10° de interpretatie en de besluiten op basis van de analyseresultaten;11° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de bodem kan worden uitgegraven;12° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de uitgegraven bodem kan worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Studie van de ontvangende grond Art. 181.§ 1. De studie van de ontvangende grond wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige volgens een standaardprocedure die vastgesteld wordt door de minister op voorstel van de OVAM. § 2. De studie van de ontvangende grond bepaalt op basis van de kenmerken van de ontvangende grond de kenmerken waaraan de aangevoerde uitgegraven bodem moet voldoen opdat het gebruik ervan als bodem geen bijkomende verontreiniging in het grondwater kan veroorzaken en mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico oplevert op de ontvangende grond. § 3. De studie van de ontvangende grond bevat de volgende gegevens : 1° de identificatie van de ontvangende grond;2° de identiteit van de eigenaar, exploitant en gebruiker van de ontvangende grond;3° de voorwaarden waaronder de te aanvaarden uitgegraven bodem op de ontvangende grond kan worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Grondverzettoelating Art. 182.§ 1. De grondverzettoelating wordt opgemaakt door een erkende bodembeheerorganisatie. De grondverzettoelating kan ook worden opgemaakt door een erkende tussentijdse opslagplaats of een erkend grondreinigingscentrum voor de uitgegraven bodem die door haar werd aanvaard. § 2. De grondverzettoelating wordt uitgereikt op basis van een beschrijving van het beoogde gebruik van de uitgegraven bodem en de verklaringen ter zake, zoals opgelegd in de conformverklaring van het technisch verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met behoud van de toepassing van het eerste lid wordt de grondverzettoelating bij de procedure kleine hoeveelheden, vermeld in artikel 197 tot en met 199, uitgereikt op basis van een verklaring dat de uitgegraven bodem op verschillende bestemmingen geleverd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grondverzettoelating bevestigt het beoogde gebruik en staat toe dat de uitgegraven bodem verplaatst wordt. § 3. De grondverzettoelating bevat de volgende gegevens : 1° de identiteit van de uitvoerder grondwerken;2° de nodige verwijzingen naar het technisch verslag en de conformverklaring van het technisch verslag;3° de plaats van bestemming van de uitgegraven bodem;4° de beschrijving van het beoogde gebruik van de uitgegraven bodem;5° indien van toepassing : de nodige verwijzingen naar de studie van de ontvangende grond, de acceptatievoorwaarden van een groeve of graverij, de gebruiksvoorwaarden van het conformiteitsattest van een bodemsaneringsproject, of de gebruiksvoorwaarden voor het gebruik voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product;6° aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen die afhankelijk zijn van het beoogde gebruik, indien van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Transportdocument Art. 183.§ 1. Het transportdocument wordt opgemaakt door de vervoerder, de uitvoerder grondwerken, de tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum. § 2. Het transportdocument bevat de volgende gegevens : 1° de identiteit van de uitvoerder grondwerken, indien van toepassing;2° de identiteit van de vervoerder;3° de datum van transport van de uitgegraven bodem;4° de plaats van vertrek van de uitgegraven bodem;5° de plaats van bestemming van de uitgegraven bodem;6° de hoeveelheid uitgegraven bodem;7° de nodige verwijzingen naar de grondverzettoelating, indien van toepassing. § 3. De uitvoerder grondwerken bewaart het volledig ingevulde transportdocument gedurende een periode van minstens vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Bodembeheerrapport Art. 184.§ 1. Het bodembeheerrapport wordt opgemaakt door een erkende bodembeheerorganisatie. Het bodembeheerrapport kan ook worden opgemaakt door een erkende tussentijdse opslagplaats of een erkend grondreinigingscentrum voor de uitgegraven bodem die de opslagplaats of het centrum heeft aanvaard. § 2. Het bodembeheerrapport attesteert de levering van de uitgegraven bodem op de plaats van het beoogde gebruik en bevestigt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in de conformverklaring van het technisch verslag en in de grondverzettoelating. § 3. Het bodembeheerrapport bevat minstens de volgende gegevens : 1° de nodige verwijzingen naar de grondverzettoelating;2° de datum van de levering;3° het volume geleverde uitgegraven bodem. Onderafdeling III. - Administratieve procedure grondverzet A. Procedure via een erkende bodembeheerorganisatie Art. 185.De initiatiefnemer grondwerken of een inrichting als vermeld in artikel 175, § 2, bezorgt het technisch verslag aan een erkende bodembeheerorganisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erkende bodembeheerorganisatie registreert het technisch verslag en bevestigt uiterlijk binnen vijf werkdagen de ontvangst ervan aan de initiatiefnemer grondwerken of de inrichting, vermeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-186\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 186</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Binnen een termijn van dertig werkdagen na ontvangst van het technisch verslag spreekt de erkende bodembeheerorganisatie zich uit over de conformiteit ervan met de bepalingen van dit besluit en bezorgt het conformiteitsattest aan de initiatiefnemer grondwerken of de inrichting, vermeld in artikel 175, § 2, 1° tot en met 3°, of legt aanvullingen op. § 2. De erkende bodembeheerorganisatie beoordeelt de conformiteit van het technisch verslag met de bepalingen van dit besluit op basis van de volgende elementen : 1° de controle op de administratieve volledigheid;2° de controle op de representatieve bemonstering volgens de standaardprocedure van het technisch verslag;3° de interpretatie van de besluiten van het technisch verslag, met inbegrip van de vertaling van de beoordeling van de analyseresultaten naar de opmetingstabel, en indien van toepassing het zoneringsplan;4° de controle op de uitvoerbaarheid van de selectieve uitgraving van de verschillende ontgravingsvakken, indien van toepassing;5° de controle op de afbakening van de kadastrale werkzone, indien van toepassing. § 3 Als in het technisch verslag de gebruiksmogelijkheden van de uitgegraven bodem overeenkomstig dit hoofdstuk, de bijbehorende codes van goede praktijk en de bijbehorende standaardprocedures onvoldoende onderzocht werden, kan de erkende bodembeheerorganisatie in de conformverklaring van het technisch verslag voorwaarden en uitvoeringsbepalingen opleggen voor het beoogde gebruik van de uitgegraven bodem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-187\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 187</span><span class=\"lf-art-t\">Als de erkende bodembeheerorganisatie aanvullingen op het technisch verslag oplegt, wordt de termijn, vermeld in artikel 186, § 1, gestuit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de erkende bodembeheerorganisatie het technisch verslag gemotiveerd niet- conform verklaart, wordt de procedure hervat vanaf artikel 185, eerste lid. Art. 188.Een conformverklaring van het technisch verslag door een erkende bodembeheerorganisatie is tegenstelbaar aan andere erkende bodembeheerorganisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erkende bodembeheerorganisatie die niet akkoord gaat met de conformverklaring van het technisch verslag door een andere erkende bodembeheerorganisatie, kan binnen een termijn van dertig dagen nadat de conformverklaring haar werd aangeboden, tegen die conformverklaring beroep aantekenen bij de OVAM. Het beroepschrift wordt aangetekend met ontvangstbewijs verzonden. Het beroep is schorsend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OVAM doet uitspraak binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het beroepschrift. Art. 189.Voor de start van de grondwerken meldt de uitvoerder grondwerken de startdatum aan een erkende bodembeheerorganisatie. Art. 190.Voordat de uitgegraven bodem wordt verplaatst, vraagt de uitvoerder grondwerken een grondverzettoelating aan bij de erkende bodembeheerorganisatie, aan wie de startdatum van de grondwerken werd gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een termijn van vijf werkdagen na de aanvraag reikt de erkende bodembeheerorganisatie een grondverzettoelating uit. In geval van beroep tegen de conformverklaring van het technisch verslag overeenkomstig artikel 188, tweede lid, wordt de termijn opgeschort. Art. 191.Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de uitgegraven bodem gevoegd. Art. 192.De uitvoerder grondwerken, de tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum bezorgt een ontvangstverklaring aan de erkende bodembeheerorganisatie. Daarin wordt bevestigd dat de uitgegraven bodem overeenkomstig de grondverzettoelating is geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de ontvangstverklaring levert de erkende bodembeheerorganisatie het bodembeheerrapport af aan de uitvoerder grondwerken, de tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoerder grondwerken, de tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum bezorgt een kopie van het bodembeheerrapport aan de initiatiefnemer grondwerken en aan de eindgebruiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Procedure bij gebruik of verhandeling van uitgegraven bodem door een erkende tussentijdse opslagplaats of door een erkend grondreinigingscentrum Art. 193.§ 1. De erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum beschikt over een technisch verslag van de aanvaarde uitgegraven bodem en spreekt zich uit over de conformiteit ervan met de bepalingen van dit besluit, of legt aanvullingen op. § 2. De erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum beoordeelt de conformiteit van het technisch verslag met de bepalingen van dit besluit op basis van de volgende elementen : 1° de controle op de administratieve volledigheid;2° de controle op de representatieve bemonstering volgens de standaardprocedure van het technisch verslag;3° de interpretatie van de besluiten van het technisch verslag, met inbegrip van de vertaling van de beoordeling van de analyseresultaten naar de opmetingstabel, en indien van toepassing het zoneringsplan. Art. 194.Voordat de uitgegraven bodem wordt verhandeld, maakt de erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum een grondverzettoelating op. Art. 195.Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de uitgegraven bodem gevoegd. Art. 196.Op basis van de ontvangstverklaring maakt de erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum het bodembeheerrapport op en bezorgt een kopie ervan aan de eindgebruiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Procedure kleine hoeveelheden Art. 197.In afwijking van artikelen 192 en 196 kan voor het gebruik van een hoeveelheid uitgegraven bodem kleiner dan 250 m3 die voldoet aan de voorwaarden van artikel 161, § 1 en 162 of aan de voorwaarden van artikelen 168 en 169, voor het uitreiken van een bodembeheerrapport de procedure, vermeld in artikel 198 en 199, gevolgd worden. Art. 198.De uitvoerder grondwerken, de tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum bezorgt een ontvangstverklaring aan de erkende bodembeheerorganisatie, erkende tussentijdse opslagplaats of erkend grondreinigingscentrum die de grondverzettoelating heeft uitgereikt. Daarin wordt bevestigd dat de uitgegraven bodem op de plaats van bestemming is geleverd of gebruikt zal worden overeenkomstig de grondverzettoelating. Art. 199.Op basis van de ontvangstverklaring en een lijst met verschillende bestemmingen reikt de erkende bodembeheerorganisatie, de erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum een bodembeheerrapport uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoerder grondwerken bezorgt een kopie van het bodembeheerrapport aan de initiatiefnemer grondwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Procedure bij transport van uitgegraven bodem naar een tussentijdse opslagplaats of een grondreinigingscentrum Art. 200.Bij het transport naar een tussentijdse opslagplaats of een grondreinigingscentrum van meer dan 250 m3 uitgegraven bodem of van meer dan 50 m3 uitgegraven bodem waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, meldt de uitvoerder grondwerken dat transport aan een erkende bodembeheerorganisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de uitgegraven bodem gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum meldt de ontvangst van de uitgegraven bodem aan de erkende bodembeheerorganisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de opslag van de uitgegraven bodem volgt de niet-erkende tussentijdse opslagplaats of het niet-erkende grondreinigingscentrum een procedure die een erkende bodembeheerorganisatie in staat stelt de uitgegraven bodem te traceren. Art. 201.§ 1. Voor het gebruik van de aangevoerde uitgegraven bodem, waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, volgt de niet-erkende tussentijdse opslagplaats of het niet-erkende grondreinigingscentrum de procedure via een erkende bodembeheerorganisatie, vermeld in artikelen 185 tot en met 192. § 2. Voor het gebruik van de aangevoerde uitgegraven bodem, waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, volgt de erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum de procedure, vermeld in artikelen 193 tot en met 196. Afdeling V. - Bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats en grondreinigingscentrum : erkenning in het kader van de regeling over het gebruik van uitgegraven bodem Onderafdeling I. - Voorwaarden voor de erkenning en het gebruik van de erkenning Art. 202.§ 1. Om als bodembeheerorganisatie erkend te worden en erkend te blijven moet de organisatie aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° opgericht zijn als een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/06/1921 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, gewijzigd bij de wet van 2 mei 2002;2° voldoende representatief zijn voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij het gebruik van uitgegraven bodem.Een bodembeheerorganisatie is representatief als in de raad van bestuur twee of meer beroepsorganisaties die voldoende representatief zijn voor de sectoren die bij het gebruik van uitgegraven bodem betrokken zijn, een mandaat bekleden; 3° uitsluitend als statutair doel hebben, het uitvoeren van de taken die in dit besluit zijn toegewezen, het leveren van studiewerk over uitgegraven of uit te graven bodem en het verstrekken van informatie en advies over uitgegraven bodem;4° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van bodemkunde of geologie, fysica en scheikunde;5° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor de uitvoering van bodemsanering of het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof gedurende de zes jaar die aan de datum van de erkenningsaanvraag voorafgaan;6° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die een grondige kennis hebben van dit hoofdstuk;7° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben met de nodige ervaring in het beoordelen van bemonsteringsprocedures en analyseresultaten en in het beoordelen van het technisch verslag op de praktische uitvoerbaarheid ervan;8° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die samen een grondige kennis en ervaring hebben om het gebruik van uitgegraven bodem overeenkomstig dit hoofdstuk te garanderen;9° voldoen aan een intern systeem dat de organisatie in staat stelt de taken die opgelegd zijn door of krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van het uitvoeren van steekproefsgewijze werfcontroles en van het bijhouden van de volgende registers die ter inzage van de toezichthoudende overheid liggen : a) een klachtenregister;b) een register van de technische verslagen, met inbegrip van de opmerkingen van de organisatie op die technische verslagen.De technische verslagen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; c) een register van de grondverzettoelatingen.De grondverzettoelatingen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; d) een register van conformverklaringen van technische verslagen.De conformverklaringen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; e) een register van bodembeheerrapporten.De bodembeheerrapporten worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; 10° beschikken over een procedure die de organisatie in staat stelt uitgegraven bodem te traceren, met inbegrip van het traceren van uitgegraven bodem via een niet-erkende tussentijdse opslagplaats of een niet-erkend grondreinigingscentrum;11° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;12° wat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden betreft : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;13° op verzoek van de OVAM de gegevens betreffende verontreinigde gronden, optredende grondstromen en hun kwaliteit ter beschikking stellen van de OVAM.Als documenten door middel van een geïnformatiseerd systeem worden opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, worden die op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grondige kennis, vermeld in § 1, 4°, wordt aangetoond met academische diploma's, diploma's van het hoger onderwijs van het lange type of met daarmee gelijkgestelde diploma's, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie. § 3. De ervaring, vermeld in § 1, 5°, 7° en 8°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae. § 4. De grondige kennis, vermeld in § 1, 6° en 8°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of aan de hand van een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-203\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 203</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Om als tussentijdse opslagplaats of als grondreinigingscentrum voor uitgegraven bodem erkend te worden en erkend te blijven, moet de opslagplaats of het centrum aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° a) als tussentijdse opslagplaats : een rechtspersoon zijn, opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest, of een openbaar bestuur of intergemeentelijk samenwerkingsverband in het Vlaamse Gewest zijn;b) als grondreinigingscentrum : een rechtspersoon zijn die opgericht is in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest;2° voor de handelsvennootschappen : niet in staat van faillissement verkeren, noch het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, noch een gerechtelijk akkoord hebben aangevraagd of verkregen;3° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van fysica en scheikunde;4° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor de uitvoering van bodemsanering of het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof gedurende de zes jaar die aan de datum van de erkenningsaanvraag voorafgaan;5° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die een grondige kennis hebben van dit hoofdstuk;6° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben met de nodige ervaring in het beoordelen van bemonsteringsprocedures en analyseresultaten en voor het beoordelen van het technisch verslag op de praktische uitvoerbaarheid ervan;7° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die samen een grondige kennis en ervaring hebben om het gebruik van uitgegraven bodem overeenkomstig dit hoofdstuk te garanderen;8° voldoen aan een door de OVAM goedgekeurd kwaliteitsreglement dat administratieve en technische bepalingen bevat over de interne organisatie van de verhandeling van uitgegraven bodem.Dat kwaliteitsreglement bevat minstens : a) een procedure voor het in ontvangst nemen van, het opslaan van, het fysisch scheiden of reinigen en het afleveren van uitgegraven bodem;b) bepalingen in verband met de opmaak van registers voor aan- en afvoer van uitgegraven bodem;c) bepalingen in verband met de opmaak van een dossier per aanvaarde partij uitgegraven bodem;d) bepalingen in verband met het naleven van de codes van goede praktijk inzake aanvaarding, opslag, samenvoeging, reiniging, bemonstering en analyse van uitgegraven bodem;9° voldoen aan een intern systeem dat de opslagplaats of het centrum in staat stelt de taken die opgelegd zijn door of krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van het bijhouden van de volgende registers die ter inzage van de toezichthoudende overheid liggen : a) een klachtenregister;b) een register van de technische verslagen, met inbegrip van de opmerkingen van de organisatie op die technische verslagen.De technische verslagen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; c) een register van de grondverzettoelatingen.De grondverzettoelatingen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; d) een register van conformverklaringen van technische verslagen.De conformverklaringen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; e) een register van bodembeheerrapporten.De bodembeheerrapporten worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; 10° beschikken over een procedure die de opslagplaats of het centrum in staat stelt de door haar verhandelde uitgegraven bodem te traceren;11° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;12° wat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden betreft : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;13° op verzoek van de OVAM de gegevens betreffende verontreinigde gronden, optredende grondstromen en hun kwaliteit ter beschikking stellen van de OVAM.Als documenten door middel van een geïnformatiseerd systeem worden opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, worden die op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd; 14° beschikken over de nodige infrastructuur en installaties voor de exploitatie van de inrichting;15° beschikken over de nodige vergunningen overeenkomstig de bepalingen van de geldende wetgeving;16° beschikken over een keuringsattest waarin een erkende bodembeheerorganisatie attesteert dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 15°, is voldaan.Het keuringsattest is maximaal honderd zestig dagen oud</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuring voldoet aan de procedure die de OVAM heeft goedgekeurd; 17° voldoen aan de voorwaarden die opgelegd zijn door of krachtens Vlarem I en II. § 2. De grondige kennis, vermeld in § 1, 3°, wordt aangetoond met academische diploma's, met diploma's van het hoger onderwijs van het lange type of met daarmee gelijkgestelde diploma's, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie. § 3. De ervaring, vermeld in § 1, 4°, 6° en 7°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae. § 4. De grondige kennis, vermeld in § 1, 5° en 7°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of aan de hand van een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM. Onderafdeling II. - Procedure tot erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning Art. 204.De aanvraag om erkend te worden als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum, vermeld in artikelen 202 en 203, wordt bij aangetekende brief gericht aan de minister, op het adres van de OVAM.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-205\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 205</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om ontvankelijk te zijn, bevat de aanvraag voor erkenning minstens de volgende gegevens : 1° de statuten van de rechtspersoon;2° de namen van de natuurlijke personen die door de rechtspersoon aangesteld zijn als verantwoordelijk persoon;3° een kopie van de diploma's, vermeld in artikel 202, § 2, respectievelijk artikel 203, § 2;4° een curriculum vitae van de personen die over de kennis en ervaring, vermeld in artikel 202, § 1, 4° tot en met 8°, respectievelijk artikel 203, § 1, 3° tot en met 7°, beschikken, waaruit die kennis en ervaring blijkt;5° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij de gegevens waarover hij zal beschikken, toegankelijk zal beheren;6° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen dertig dagen na de erkenning een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid zal sluiten, als vermeld in artikel 202, § 1, 11°, respectievelijk artikel 203, § 1, 11°, en de OVAM van de gesloten polis op de hoogte zal brengen;7° een recent getuigschrift van goed zedelijk gedrag van de personen, als vermeld in artikel 202, § 1, 12°, respectievelijk artikel 203, § 1, 12°;8° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen drie maanden na de erkenning de personen, vermeld in artikel 202, § 1, 4° tot en met 8° en artikel 203, § 1, 3° tot en met 7°, in dienst zal hebben;9° wat de handelsverenigingen en de verenigingen zonder winstgevend oogmerk betreft : een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft;10° wat de tussentijdse opslagplaatsen en grondreinigingscentra betreft : een beschrijving van de infrastructuur en installaties als vermeld in artikel 203, § 1, 14° B. Behandeling, advies en beslissing over de aanvraag tot erkenning Art. 206.De procedure voor de behandeling van de aanvragen tot erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum is als volgt : 1° de OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs aan de aanvrager, waarbij ze zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;2° de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen.Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn. Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw bij aangetekende brief aan de OVAM toegestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs aan de aanvrager, waarbij de OVAM zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag; 3° de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen een termijn van negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;4° de minister neemt binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;5° binnen een termijn van honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag wordt de beslissing over de erkenning door de OVAM bij aangetekende brief aan de aanvrager betekend.De erkenningsbeslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling III. - Schorsing, opheffing en niet-overdraagbaarheid van de erkenning A. Schorsing van de erkenning Art. 207.§ 1. De minister kan te allen tijde de erkenning, vermeld in artikelen 202 en 203, schorsen voor een termijn van maximaal zes maanden in de volgende gevallen : 1° de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit niet reglementair of niet objectief uit;2° de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 202 of 203;3° de houder van de erkenning begaat onregelmatigheden bij het conform verklaren van technische verslagen, bij het uitreiken van grondverzettoelatingen en bodembeheerrapporten, en bij het toepassen van de procedures van dit besluit;4° de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon aantast;5° bij een erkende bodembeheerorganisatie wordt de onafhankelijkheid tegenover de betrokkenen bij een project niet gegarandeerd. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister brengt de houder van de erkenning bij aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. § 3. De beslissing tot schorsing wordt door de OVAM bij aangetekende brief aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 4. De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Opheffing van de erkenning Art. 208.§ 1. De minister kan te allen tijde de erkenning, vermeld in artikelen 202 en 203, opheffen in de volgende gevallen : 1° als de houder van de erkenning de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uitvoert;2° als de houder van de erkenning bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog steeds niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij op grond van artikel 207, § 1, 2°, geschorst werd;3° als de houder van de erkenning ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden begaat bij het conform verklaren van technische verslagen, bij het uitreiken van grondverzettoelatingen en van bodembeheerrapporten, en bij het toepassen van de procedures van dit besluit;4° als de houder van de erkenning bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon in ernstige mate aantast;5° als bij een erkende bodembeheerorganisatie de onafhankelijkheid tegenover de betrokkenen bij een project bij herhaling niet gegarandeerd wordt. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister brengt de houder van de erkenning bij aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. § 3. De beslissing tot opheffing wordt door de OVAM bij aangetekende brief aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 4. De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Overdraagbaarheid van de erkenning Art. 209.Erkenningen zijn niet overdraagbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling IV. - Overname door de OVAM van de taken van een erkende bodembeheerorganisatie Art. 210.De OVAM kan in geval van schorsing of opheffing van de erkenning van een bodembeheerorganisatie de volgende taken overnemen : 1° technische verslagen conform verklaren;2° grondverzettoelatingen uitreiken;3° bodembeheerrapporten uitreiken;4° keuringsattesten als vermeld in artikel 203, § 1, 16°, uitreiken. Hoofdstuk XV. - Administratief beroep Afdeling I. - Ontvankelijkheid van het beroep</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 211</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep, vermeld in artikel 146 en 153 van het Bodemdecreet, wordt bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs betekend of tegen ontvangstbewijs afgegeven aan de Vlaamse Regering, per adres van de juridische dienst Bij het beroep, vermeld in artikel 153 van het Bodemdecreet, wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd. Art. 212.De juridische dienst onderzoekt de ontvankelijkheid van het beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de juridische dienst van oordeel is dat het beroep onontvankelijk is, deelt het hoofd van de juridische dienst die beslissing bij aangetekende brief mee aan de indiener van het beroep en de OVAM. Als de juridische dienst van oordeel is dat het beroep ontvankelijk is, deelt ze die beslissing bij aangetekende brief mee aan de indiener van het beroep, de OVAM en de volgende personen : 1° als het gaat om een beroep als vermeld in artikel 146 van het Bodemdecreet, dat schorsend is : de personen, vermeld in artikel 50, § 2, van het Bodemdecreet;2° in de andere gevallen : a) de plichtige, vermeld in artikel 11 of 22 van het Bodemdecreet;b) de opdrachtgever van het beschrijvend bodemonderzoek, het oriënterende en beschrijvend bodemonderzoek, het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject, het risicobeheer of het waterbodemonderzoek waarop het beroep betrekking heeft. Afdeling II. - Nota met opmerkingen en stavingsstukken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 213</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van ontvankelijkheid van het beroep kunnen de personen, vermeld in artikel 212, met uitzondering van de indiener van het beroep, bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs een nota met opmerkingen en stavingstukken indienen bij de Vlaamse Regering, per adres van de juridische dienst</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk XVII. - Retributies Afdeling I. - Toegang tot het Grondeninformatieregister</h3>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling I. - Algemene bepaling Art. 214.De toegankelijkheid van het Grondeninformatieregister is afhankelijk van de betaling van een retributie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Bodemattest Art. 215.§ 1. Het bedrag van de retributie voor de uitreiking van een bodemattest op aanvraag krachtens artikel 5, § 2, tweede lid, en artikel 101, § 1, van het Bodemdecreet is vastgesteld als volgt : 1° voor een grond die een of meer kadastrale percelen omvat, bedraagt de retributie 30 euro per kadastraal perceel;2° voor een grond zonder kadastraal perceelnummer : a) als er in het Grondeninformatieregister geen gegevens met betrekking tot delen van die grond beschikbaar zijn, bedraagt de retributie 30 euro per sectie, of bij gebrek aan indeling per sectie, 30 euro per afdeling;b) als er in het Grondeninformatieregister gegevens met betrekking tot delen van die grond beschikbaar zijn, bedraagt de retributie 30 euro per deel van die grond waarvoor gegevens beschikbaar zijn;3° voor een grond die een of meer delen van een kadastraal perceel omvat, bedraagt de retributie 120 euro per deel van een kadastraal perceel. § 2. Voor de vaststelling van het bedrag van de retributie voor de uitreiking van een bodemattest op aanvraag krachtens artikel 119 van het Bodemdecreet zijn de bepalingen van § 1, 2°, a) en b), van overeenkomstige toepassing. Art. 216.De aanvrager moet de verschuldigde retributie storten op het rekeningnummer van de OVAM met vermelding van zijn naam en de identificatie van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een onontvankelijke aanvraag wordt de retributie niet teruggestort, tenzij de aanvrager hierom schriftelijk verzoekt binnen een termijn van zestig dagen na datum van ontvangst van de beslissing van de OVAM waarbij de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. In ieder geval wordt een retributie van 30 euro per aanvraag ingehouden. Art. 217.Het bedrag van de retributie wordt tweejaarlijks aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex en wel als volgt : het bedrag van de retributie wordt vermenigvuldigd met een factor met in de teller de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 november van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het bedrag wordt gewijzigd, en met in de noemer de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 november van het jaar dat voorafgaat aan de vaststelling van het vigerende bedrag; het zo verkregen getal wordt afgerond tot het gehele getal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk op 1 januari wordt het aangepaste bedrag van de retributie door de minister bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling III. - Specifieke informatie Art. 218.§ 1. Het bedrag van de retributie voor specifieke informatie als vermeld in artikel 20 is gelijk aan de kosten voor het verstrekken van de gevraagde informatie en wordt bepaald door de OVAM na de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vraag tot maatwerk. § 2. Voor de berekening van de kosten doet de OVAM een zo realistisch mogelijke inschatting van het aantal werkuren die verricht zullen moeten worden om de gevraagde informatie aan te leveren, en vermenigvuldigt ze die met het uurtarief van de in te zetten personeelsleden. Dit uurtarief is enkel afhankelijk van het niveau van de ingezette personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per niveau is dit uurtarief gelijk aan de gemiddelde kost van een werkuur van de diverse personeelsleden van de OVAM binnen dit niveau, met inbegrip van de overheadkosten. De OVAM maakt deze uurtarieven bekend op haar website en bezorgt ze op eerste verzoek aan iedereen die er om vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling IV. - Digitale informatie via het e-loket van de OVAM Art. 219.Het bedrag van de retributie voor verstrekken van digitale informatie uit het Grondeninformatieregister via het e-loket van de OVAM krachtens artikel 20 is vastgesteld als volgt : 1° voor het verstrekken van de informatie opgenomen in een rapport dat reeds volledig werd gedigitaliseerd in het Grondeninformatieregister : 50 euro per rapport;2° voor het verstrekken van de informatie opgenomen in een rapport dat nog niet volledig werd gedigitaliseerd in het Grondeninformatieregister : 100 euro per rapport. Het bedrag van de retributie wordt betaald via een lopende rekening bij de OVAM. De bepalingen van artikel 217 zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling II. - Ambtshalve optreden van de OVAM ten laste van een in gebreke blijvende plichtige Art. 220.De retributie, vermeld in artikel 162, § 8, van het Bodemdecreet, bedraagt 10 % van de kosten van het ambtshalve uitgevoerde oriënterend bodemonderzoek, het siteonderzoek, het beschrijvend bodemonderzoek, de bodemsanering of andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van het Bodemdecreet. Art. 221.De in gebreke blijvende moet de verschuldigde retributie storten op het rekeningnummer van de OVAM met vermelding van zijn naam en de identificatie van de grond waarop het ambtshalve optreden van de OVAM betrekking heeft. Afdeling III. - Beoordeling van een aanvraag tot toepassing van bevoegdheden van de Vlaamse Regering Art. 222.De beoordeling van een aanvraag tot het toestaan van een afwijking door de Vlaamse Regering krachtens artikel 164 of 165 van het Bodemdecreet is afhankelijk van de betaling van een retributie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon die een aanvraag als vermeld in het eerste lid wenst in te dienen, contacteert voorafgaandelijk de OVAM met het verzoek het bedrag van de retributie vast te stellen. Het bedrag van de retributie is gelijk aan de kosten voor het behandelen van de aanvraag en wordt door de OVAM binnen tien dagen na hogervermeld verzoek meegedeeld aan deze persoon. De bepalingen van artikel 218, § 2, zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager moet de verschuldigde retributie storten op het rekeningnummer van de OVAM met vermelding van zijn naam en de identificatie van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk XVIII. - Bevoegdheden van de Vlaamse Regering Art. 223.Het verzoek tot toepassing van de bevoegdheden, vermeld in artikelen 164 en 165 van het Bodemdecreet, wordt bij aangetekende brief bij de Vlaamse Regering ingediend, per adres van de OVAM. Titel V. - Toezicht Art. 224.De minister wijst de ambtenaren en de contractuele personeelsleden van de OVAM aan die toezicht uitoefenen op de uitvoering van de bodemsanering en op de naleving van de bepalingen van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel VI. - Slotbepalingen Hoofdstuk I. - Opheffingsbepalingen Art. 225.Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 december 1998, 9 februari 1999, 12 oktober 2001, 7 december 2001, 14 juni 2002, 28 november 2003, 5 december 2003, 9 januari 2004, 23 april 2004, 22 september 2006, 15 december 2006 en 7 september 2007, wordt opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk II. - Overgangsbepalingen Art. 226.Artikel 45, eerste lid, is alleen van toepassing op bodemsaneringsdeskundigen die krachtens dit besluit werden erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemsaneringsdeskundigen die krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering werden erkend, moeten binnen het jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voldoen aan de volgende erkenningsvoorwaarden : 1° voor een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : a) natuurlijk persoon : de voorwaarden, vermeld in artikel 30, § 1, 1° tot en met 3°, en 5°;b) rechtspersoon : de voorwaarden, vermeld in artikel 30, § 2, 3° tot en met 5° en 7°;2° voor een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : de voorwaarden, vermeld in artikel 31, § 1, 3°, 5° tot en met 9°.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 227</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De formaliteit, vermeld in artikel 19, § 3, van het Bodemdecreet, hoeft niet te worden vervuld voor de gronden die krachtens artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering door de Vlaamse Regering of bij delegatie door de minister werden aangewezen als gronden met historische bodemverontreiniging waar bodemsanering moet plaatsvinden en waarop bij de inwerkingtreding van het Bodemdecreet bodemsanering of nazorg in uitvoering was voor die historische bodemverontreiniging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 228</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bodemverontreiniging die in het kader van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering door de OVAM werd gekwalificeerd als een niet te onderscheiden gemengde bodemverontreiniging, blijven uitsluitend de bepalingen voor nieuwe bodemverontreiniging gelden tot wanneer de OVAM, op initiatief van de saneringsplichtige op basis van een gemotiveerd voorstel van een bodemsaneringsdeskundige in een verslag van bodemonderzoek, een uitspraak heeft gedaan over een verdeling als vermeld in artikel 27, § 1, van het Bodemdecreet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-229\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 229</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bodemonderzoeken, bodemsaneringsprojecten en eindevaluatieonderzoeken die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij de OVAM werden ingediend en die na de inwerkingtreding ervan door de OVAM worden beoordeeld, worden getoetst aan de decretale bepalingen en aan de standaardprocedures of codes van goede praktijk die golden op het ogenblik dat het bodemonderzoek, bodemsaneringsproject of eindevaluatieonderzoek werd ingediend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-230\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 230</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De meldingen van de overdracht van een risicogrond, van de onteigening van een grond en van de sluiting van een risico-inrichting die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij de OVAM werden ingediend, worden door de OVAM beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de melding werd ingediend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 231</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De technische verslagen die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij een erkende bodembeheerorganisatie of bij een tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum voor uitgegraven bodem werden ingediend, worden beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de procedures en normen die van toepassing waren op het ogenblik dat het technisch verslag werd ingediend, voor zover de uitgegraven bodem wordt gebruikt binnen hondertachtig dagen na de inwerkingtreding van dit besluit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-232\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 232</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ontvankelijkheid van de administratieve beroepen die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit werden ingediend, wordt beoordeeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat het administratief beroep werd ingediend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-233\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 233</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvragen voor een bodemattest die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij de OVAM werden ingediend, worden beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de aanvraag voor een bodemattest werd ingediend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-234\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 234</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met behoud van de toepassing van artikelen 61 en 62 zijn de exploitanten die hun periodieke onderzoeksplicht als bepaald in artikel 2 en 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering nog niet zijn nagekomen voor de inwerkingtreding van dit besluit, ertoe gehouden om die verplichting alsnog uit te voeren binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-235\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 235</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvragen tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige, als bodembeheerorganisatie, als tussentijdse opslagplaats, als grondreinigingscentrum of als bodemsaneringsorganisatie die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit werden ingediend en waarover nog geen beslissing genomen werd, worden beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de aanvraag werd ingediend</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk III. - Inwerkingstredingsbepalingen Art. 236.Het</h3>\n<p class=\"lf-p\">decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/10/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/01/2007 numac 2006037062 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming sluiten betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, met uitzondering van artikel 176, § 2, en dit besluit treden in werking op 1 juni 2008.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk IV. - Uitvoeringsbepaling Art. 237.De Minister, bevoegd voor het Leefmilieu en het Waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Brussel, 14 december 2007 De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS Bijlage I. - Lijst van risico-inrichtingen Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brussel, 14 december 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brussel, 14 december 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Brussel, 14 december 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Brussel, 14 december 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS</p></div>", "next": 0}