{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding toe aan het stagedoend personeelslid binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het advies. Art. 55.Elke inspecteur-stagiair kan zijn stage vervroegd beëindigen met een opzegtermijn van maximaal drie maanden. Deze opzegtermijn kan altijd worden verkort in onderling overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan een reactie van de Regering binnen de maand na het verzoek van de inspecteur-stagiair, wordt het geacht te zijn aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt in vast verband weer op en kan hij, uitgezonderd in uitzonderlijke en behoorlijk gemotiveerde omstandigheden, slechts opnieuw worden toegelaten wanneer hij behoort tot een andere wervingsreserve bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2°, van onderhavig decreet dan die waarvoor hij werd toegelaten tot de stage. Hij verliest in elk geval het voordeel van de stage die hij vroegtijdig beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de continuïteit van het inspectie-ambt te garanderen en de stabiliteit van de pedagogische teams niet te verstoren, kan de Regering de wederopneming van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt maximaal zes maanden uitstellen vanaf de datum van het verzoek van het personeelslid. Art. 56.§ 1. Na de stage wordt het personeelslid dat geslaagd is voor de proef bedoeld in artikel 54, § 4, na afloop van de opleiding voor arbeidsintegratie bedoeld in paragraaf 1 van hetzelfde artikel, geëvalueerd volgens dezelfde nadere regels als in artikel 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat een vermelding `ongunstig' krijgt, kan per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze vermelding volgens dezelfde nadere regels als in artikel 53, § 3. § 2. Het personeelslid dat aan het einde van de stage een gunstige evaluatie heeft gekregen, krijgt een voorstel tot vaste benoeming in het ambt van inspecteur waarvan het model door de Regering wordt vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit voorstel wordt hem door de inspecteur-generaal ter kennis gebracht per aangetekend schrijven met een ontvangstbewijs met uitwerking drie werkdagen na verzending ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs met uitwerking op de datum vermeld op dat ontvangstbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid heeft een termijn van tien werkdagen om het ingevulde en ondertekende voorstel te overhandigen aan de inspecteur-generaal en erop te vermelden of hij een vaste benoeming in het ambt van inspecteur aanvaardt of weigert.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een weigering binnen de tien dagen van een vaste benoeming, neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en aanstelling weer op. § 3. De benoeming in een ambt van inspecteur door de Regering treedt voor de betrokkene in werking op de dag van de toelating tot de stage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrekking waarvan de inspecteur-stagiair titularis was binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht of de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra kan slechts vacant worden verklaard op de datum van de beslissing van de benoeming in het ambt van inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het benoemingsbesluit wordt gepubliceerd als uittreksel van het Belgisch Staatsblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING II. - Voorlopige aanstelling in een bevorderingsambt van inspecteur Art. 57.Als een personeelslid van de algemene inspectiedienst tijdelijk afwezig is of er een vacante betrekking van inspecteur is waarvoor geen stagiair kan worden aangesteld, kan de Regering overgaan tot de voorlopige aanstelling in een betrekking van een ambt van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval wordt het tijdelijk aangestelde personeelslid, behalve indien anders bepaald, voor de uitoefening van zijn functies, gelijkgesteld aan een personeelslid dat vast benoemd of aangeworven is in het ambt van inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeacht de datum vanaf wanneer het personeelslid wordt aangesteld krachtens lid 1, eindigt zijn tijdelijke aanstelling uiterlijk op 31 augustus.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanstelling bedoeld in lid 1 kan maximaal twee keer worden vernieuwd volgens de bepalingen van onderhavige afdeling. De totale duur van de tijdelijke aanstelling mag niet meer dan drie opeenvolgende schooljaren zijn. Art. 58.Niemand kan voorlopig worden aangesteld overeenkomstig artikel 57, indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 13, lid 1;2° zijn kandidatuur hebben ingediend in de vorm en binnen de termijnen overeenkomstig artikel 59. De periode tijdens dewelke een personeelslid tijdelijk wordt aangesteld in toepassing van de bepalingen van onderhavige afdeling, kan niet worden gelijkgesteld met de stage bedoeld in artikel 49. Art. 59.De Regering nodigt de personeelsleden uit de wervingsreserve per ambt bedoeld in artikel 27 uit met inachtneming van de opgestelde rangschikking om tijdelijk te worden aangesteld volgens de door haar vastgelegde nadere regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo niet, verzoekt de Regering de personeelsleden om hun kandidatuur voor een tijdelijk aanstelling in te dienen volgens de door haar vastgelegde nadere regels. Art. 60.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 143, kan de Regering, met een opzegtermijn van twee weken, in het belang van de dienst de aanstelling van een tijdelijk aangesteld personeelslid in een bevorderingsambt van inspecteur beëindigen. § 2. Voor elke beslissing van de Regering moet het personeelslid worden uitgenodigd om te worden gehoord door de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal of de coördinerende inspecteur-generaal die hij daartoe aanstelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oproeping voor een verhoor alsook de gronden waarvoor de Regering de tijdelijke aanstelling wil beëindigen worden minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting bekendgemaakt aan het personeelslid, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de hoorzitting worden notulen opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure verloopt rechtsgeldig wanneer het personeelslid, behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig is of wordt vertegenwoordigd op de hoorzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering neemt haar beslissing binnen de tien dagen na verzending van de notulen. Art. 61.Het personeelslid kan afzien van zijn voorlopige aanstelling mits een opzegtermijn van drie maanden. In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt in vast verband weer op en wordt het, uitgezonderd in uitzonderlijke en behoorlijk gemotiveerde omstandigheden, slechts opnieuw toegelaten tot de stage of voorlopig aangesteld in een ambt van inspecteur na te hebben gereageerd op een nieuwe oproep voor kandidaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het vorige lid bedoelde opzegtermijn kan worden verkort in onderling overleg. Art. 62.Er wordt van rechtswege een einde gemaakt aan de voorlopige aanstelling van het personeelslid wanneer dit personeelslid één van de tuchtsancties bedoeld in artikel 105, 4° tot 7° krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtsancties bedoeld in artikel 105, 6° en 7°, stellen overigens een einde aan elke statutaire band, zelfs in het oorspronkelijke ambt van het in het vorige lid bedoelde personeelslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING III. - Het bevorderingsambt van coördinerende inspecteurs binnen de algemene inspectiedienst Art. 63.§ 1. De Regering benoemt, op voordracht van de rangschikking van de examencommissie bedoeld in paragraaf 4: 1° vijf coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het onderwijs van het pedagogisch continuüm.Zij kunnen inzonderheid elk specifiek worden belast met de coördinatie van audits, de coördinatie van evaluatietaken, de coördinatie van toezichthoudende en onderzoekstaken, de coördinatie van taken in verband met gespecialiseerd onderwijs of de coördinatie van taken in verband met cours disciplinaires; 2° twee coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs;3° één coördinerende inspecteur belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het onderwijs voor sociale promotie en afstandsonderwijs;4° één coördinerende inspecteur belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het kunstonderwijs.5° één coördinerende inspecteur belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van de psychisch-medisch-sociale centra.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt het gemeenschappelijk competentieprofiel voor de uitoefening van het bevorderingsambt van coördinerende inspecteur binnen de algemene inspectiedienst. Dit gemeenschappelijk competentieprofiel bepaalt de specifieke, technische, generieke en gedragscompetenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt de nadere regels voor vorm en termijn volgens dewelke kandidaturen voor een van de ambten bedoeld in lid 1 moeten worden ingediend. Ze legt ook de nadere regels vast voor de openbaarheid van de opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5°. § 2. De coördinerende inspecteurs bedoeld in paragraaf 1 worden benoemd onder de personeelsleden die voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° vast benoemd zijn in een van de ambten van de algemene inspectiedienst bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° of 2° ;2° een ambtsanciënniteit van ten minste zes maanden hebben in het bevorderingsambt van inspecteur ofwel: a.binnen de inspectiedienst voor het onderwijs van het pedagogisch continuüm om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het onderwijs van het pedagogisch continuüm; b. binnen de inspectiedienst voor het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs;c. binnen de inspectiedienst voor het onderwijs voor sociale promotie en afstandsonderwijs om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het onderwijs voor sociale promotie en afstandsonderwijs;d. binnen de inspectiedienst voor het kunstonderwijs om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het kunstonderwijs;e. binnen de inspectiedienst voor de psychisch-medisch-sociale centra om te worden belast met de coördinatie op het niveau van de psychisch-medisch-sociale centra;3° de vermelding `gunstig' gekregen hebben bij de laatste evaluatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen evaluatieverslag beschikbaar is, wordt aangenomen dat de inspecteur de vermelding `gunstig' heeft gekregen; 4° geen tuchtsanctie of -straf hebben ondergaan gedurende de vijf vorige jaren;5° een opleiding van 30 uur hebben gevolgd voor het ontwikkelen van kader- en leadershipcompetenties en inzonderheid het vermogen om: a.een team te beheren en tot een hecht geheel te smeden, met name door de medewerkers te ondersteunen en motiveren, hun persoonlijke en professionele ontwikkeling en de ontwikkeling van het team te stimuleren vanuit het oogpunt van een lerende organisatie; b. de activiteiten van een team te organiseren, sturen, coördineren en evalueren;c. pistes voor het oplossen van problemen te analyseren en voor te stellen;d. projecten te beheren, te beslissen over doelgerichte acties om de beslissingen in de praktijk te brengen en deze ook te initiëren;6° geslaagd zijn voor de kwalificatieproef na afloop van de opleiding bedoeld onder 5°. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5°, wordt georganiseerd door de Regering op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, gebaseerd op de noodwendigheden van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze kan eventueel worden georganiseerd voor alle kandidaten voor een ambt van zonedirecteur en voor de kandidaten voor een ambt van coördinerende inspecteur. Op voordracht van het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan, en in overleg met de coördinerende inspecteur-generaal stelt de Regering een opleidingsplan op dat in voorkomend geval de inhoud en de nadere regels van de opleiding bepaalt alsook de te verwerven kennis en vaardigheden, zoals bepaald in paragraaf 2, 5°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het opleidingsplan bedoeld in lid 2, wordt de opleiding georganiseerd door het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan. De lesgevers van deze initiële opleiding zijn hoofdzakelijk afkomstig van universiteiten, hogescholen, onderwijsinrichtingen voor sociale promotie, het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan, de school voor overheidsbestuur of het algemeen bestuur onderwijs. § 4. De kwalificatieproef bedoeld in paragraaf 2, 6° wordt uiterlijk binnen de drie maanden na het beëindigen van de opleiding bedoeld in paragraaf 3 georganiseerd. Ze bestaat uit een zelf geschreven dossier dat wordt verdedigd voor een examencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geschreven dossier bestaat uit: 1° een analyse van een casestudy die betrekking heeft op een van de onderwerpen die werden behandeld tijdens de opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5° ;2° een overzicht van de competenties van de kandidaat met zijn voornaamste sterktes en zwaktes, ondersteund door zijn loopbaan en in verband gebracht met de kennis en vaardigheden die aan bod komen in het kader van de opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5°. De examencommissie baseert haar beoordeling van de kwalificatieproef op de volgende evaluatiecriteria: 1° de samenhang tussen het overzicht van de competenties en de weerspiegeling van deze competenties in de door de kandidaat verdedigde casestudy;2° de relevantie van de door de kandidaat in de casestudy voorgestelde acties;3° de graad van beheersing van de veronderstelde kennis en vaardigheden die werden ontwikkeld in het kader van de opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5° ;4° het vermogen om schriftelijk te communiceren;5° het vermogen om mondeling te communiceren. De Regering legt de weging tussen de evaluatiecriteria vast zonder dat ook maar één ervan de 40 % overschrijdt, alsook de nadere regels voor de organisatie en evaluatie van de proef.</p>\n<p class=\"lf-p\">De examencommissie wordt belast met het onderzoeken van het door de kandidaat ingediende professioneel dossier, het verhoren van de kandidaat en het evalueren van alle geleverde prestaties en het bekrachtigen van deze evaluatie met een getuigschrift van voltooiing of niet-voltooiing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze is ook belast met het opstellen van een rangschikking van de kandidaten die geslaagd zijn door de proef, per ambt. § 5. De examencommissie bedoeld in paragraaf 1 bestaat uit: 1° de coördinerende inspecteur-generaal als voorzitter;2° twee inspecteurs-generaal;3° twee ambtenaren van minstens rang 12 aangesteld door de Regering onder de personeelsleden van het algemeen bestuur onderwijs, waarvan minstens één als vertegenwoordiger van de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem;4° één externe deskundige, aangesteld door de Regering, met specifieke competenties die verband houden met de opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5°. Voor elk effectief lid van de examencommissie van de kwalificatieproef, stelt de Regering één plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, mogen de vertegenwoordigers van de vakorganisaties deze vergaderingen van deze examencommissie bijwonen als waarnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt de werkingsmodaliteiten van de examencommissie bedoeld in paragraaf 1. § 6. De taken van de coördinerende inspecteurs bedoeld in paragraaf 1 worden, in overleg met de betrokkenen, bepaald door de inspecteur-generaal bevoegd voor de inspecteurs bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, en door de coördinerende inspecteur-generaal voor de inspecteurs bedoeld in paragraaf 1, 3° tot 5°.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van hun taken kunnen de coördinerende inspecteurs instructies geven aan de inspecteurs van de betrokken inspectiedienst. Art. 64.Voor de berekening van de ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 63, § 2, 2°, worden enkel de diensten in aanmerking genomen die het personeelslid, ongeacht in welke hoedanigheid, werkelijk heeft gepresteerd in de bevorderingsfunctie van inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de duur van de diensten die in aanmerking komen voor een ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 63, § 2, 2°, worden de werkelijke diensten per kalendermaand geteld, waarbij de onvolledige maanden niet worden meegeteld. Art. 65.De coördinerende inspecteurs krijgen een vergoeding waarvan het bedrag wordt bepaald door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van de vergoeding mag in geen geval hoger zijn dan de helft van het verschil tussen de minimale weddeschaal van inspecteur-generaal en de minimale weddeschaal van inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering stelt de administratieve standplaats vast van de inspecteurs belast met de coördinatie van de inspectie, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal en de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal. Art. 66.De coördinerende inspecteurs blijven onderworpen aan de evaluatie bedoeld in hoofdstuk V. HOOFDSTUK IV. - Mandaat voor de uitoefening van de bevorderingsambten van inspecteur-generaal en coördinerende inspecteur-generaal AFDELING I. - Procedure en voorwaarden voor het verkrijgen van het mandaat Art. 67.De betrekkingen van inspecteur-generaal en coördinerende inspecteur-generaal bedoeld in artikel 32, lid 2, 4° en 5°, worden toegekend bij mandaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een mandaat kan slechts worden toegekend als een betrekking vacant is binnen het betrokken ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt het ambtsprofiel van de inspecteur-generaal en coördinerende inspecteur-generaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 68</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vacante betrekking van de te vervullen ambten van inspecteur-generaal en coördinerende inspecteur-generaal wordt ter kennis gebracht van de mogelijke kandidaten voor de uitoefening van een mandaat, volgens de nadere, door de Regering bepaalde regels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 69</span><span class=\"lf-art-t\">Slechts de kandidaten die de vorm en de termijn hebben nageleefd waarin de kandidaturen moeten worden ingediend, kunnen worden gemandateerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niemand kan een mandaat verkrijgen als hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet: 1° vast benoemd zijn in een bevorderingsambt van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° of 2° ;2° een ambtsanciënniteit hebben van ten minste zes maanden: a) in een bevorderingsambt van inspecteur binnen de inspectiedienst voor het onderwijs van het pedagogisch continuüm om te worden gemandateerd in het ambt van inspecteur-generaal van het onderwijs van het pedagogisch continuüm;b) in een bevorderingsambt van inspecteur binnen de inspectiedienst voor het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs om te worden gemandateerd in het ambt van inspecteur-generaal van het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs;3° een ambtsanciënniteit hebben van minstens negen jaar in een bevorderingsambt van inspecteur om te worden gemandateerd in het ambt van coördinerende inspecteur-generaal;4° de vermelding `gunstig' gekregen hebben bij de laatste evaluatie. Als er geen evaluatieverslag beschikbaar is, wordt aangenomen dat de inspecteur de vermelding `gunstig' heeft gekregen; 5° geen tuchtsanctie of -straf hebben ondergaan gedurende de vijf vorige jaren;6° een opleiding in hr-management van minstens 60 uur gevolgd hebben en ervoor geslaagd zijn, georganiseerd door de school voor overheidsbestuur.Het getuigschrift van voltooiing wordt uitgereikt door een examencommissie waarvan de samenstelling en de nadere regels voor de werking worden bepaald door de Regering Als er geen kandidaat is die aan de in het 1e lid, 6° bedoelde voorwaarde voldoet, kan de Regering een mandaat toekennen aan een kandidaat die niet aan die voorwaarde voldoet, voor zover deze laatste zich ertoe verbindt de volgende opleiding in human resources management te volgen. Er wordt van rechtswege een einde gemaakt aan zijn mandaat bij niet-naleving van die verbintenis of bij niet-voltooiing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niemand wordt toegelaten tot de opleiding als hij op de datum van indiening van zijn aanvraag tot deelneming niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in lid 1, 1°, 2°, 4° et 5°. Art. 71.Voor de berekening van de ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 70, lid 1, 2° en 3°, worden enkel de diensten in aanmerking genomen die het personeelslid, ongeacht in welke hoedanigheid, werkelijk heeft gepresteerd in de bevorderingsfunctie van inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de duur van de diensten die in aanmerking komen voor een ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 70, 2° en 3°, worden de werkelijke diensten per kalendermaand geteld, waarbij de onvolledige maanden niet worden meegeteld. Art. 72.§ 1. Er wordt bij de Regering een commissie voor selectie en evaluatie, hierna `de Commissie', opgericht. § 2. De Commissie is bevoegd om de adviezen bedoeld bij toepassing van de artikelen 81 te geven, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering. § 3. De Commissie bestaat uit: 1° de directeur-generaal van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem;2° vier leden aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering, die minstens titularis zijn van een graad van rang 16;3° vijf leden aangesteld door de Regering onder de titularissen van het ambt van gewoon hoogleraar, hoogleraar of docent, voltijds in vast verband benoemd of aangeworven binnen een universiteit georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of onder de titularissen van een verkiezingsambt binnen een hogeschool georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. De leden van de Commissie worden aangesteld voor een hernieuwbare periode van vijf jaar. § 4. De directeur-generaal van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem zit de Commissie voor. De Regering stelt een ondervoorzitter van de Commissie aan onder de vier ambtenaren-generaal bedoeld in paragraaf 3, 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering stelt een secretaris en plaatsvervangend secretaris van de Commissie aan onder de ambtenaren van minstens niveau 2+ van de diensten van de Regering. § 5. Voor elk werkend lid stelt de Regering een plaatsvervangend lid aan, gekozen volgens dezelfde nadere regels als het werkend lid dat het vervangt. De Regering stelt een plaatsvervangende directeur-generaal aan van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem onder de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering, die minstens titularis zijn van een graad van rang 16; § 6. De Commissie geeft advies bij meerderheid van de aanwezige leden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering stelt andere nadere regels vast voor de werking van de Commissie, alsmede haar intern reglement, op de voordracht van de Commissie. § 7. Elk lid van de Commissie dat zijn hoedanigheid waarvoor het aangesteld werd binnen de Commissie verliest, wordt onverwijld vervangen door de Regering volgens dezelfde nadere regels. De plaatsvervanger voleindigt het mandaat van zijn voorganger. Art. 73.Bij de verklaring van vacature van de bij mandaat te vervullen betrekking stelt de Regering op voordracht van de directeur-generaal van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem een opdrachtenblad op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opdrachtenblad bevat ten minste de beschrijving van de volgende elementen: 1° de nauwkeurige definitie van de opdrachten die aan de mandataris worden toegewezen;2° de te bereiken doelstellingen. Art. 74.De kandidaturen voor een mandaat worden onderzocht door de Commissie, die kan beslissen om de verschillende kandidaten te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie stelt aan de Regering, per te vervullen mandaat, een lijst van maximaal vijf kandidaten voor, in volgorde van hun verdiensten en relationele bekwaamheden. Om de kandidaten te rangschikken volgens de volgorde van hun verdiensten, neemt de Commissie inzonderheid het volgende in aanmerking: opleidingen tijdens de loopbaan en aanvullende opleidingen, publicaties, behaalde diploma's, getuigschriften en brevetten, projecten uitgevoerd tijdens de uitoefening van hun ambt van inspecteur of een vroeger mandaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING II. - Duur en uitoefening van het mandaat Art. 75.§ 1. Het mandaat van inspecteur-generaal, met een duur van vijf jaar, wordt door de Regering toegekend aan de kandidaat die zij kiest uit een lijst voorgesteld door de commissie voor selectie en evaluatie bedoeld in artikel 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat mandaat is hernieuwbaar op basis van de evaluatie toegekend door de Regering op voordracht van de commissie voor selectie en evaluatie. § 2. Het mandaat van coördinerende inspecteur-generaal, met een duur van vijf jaar, wordt door de Regering toegekend aan de kandidaat die zij kiest uit een lijst voorgesteld door de commissie voor selectie en evaluatie bedoeld in artikel 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat mandaat is hernieuwbaar op basis van de evaluatie toegekend door de Regering op voordracht van de commissie voor selectie en evaluatie. Art. 76.Het mandaat is tijdelijk. Het geeft geen recht op een vaste benoeming in het ambt dat het toekent Het bij mandaat te vervullen ambt is ondeelbaar. Het wordt voltijds uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de uitoefening van zijn mandaat is het personeelslid in dienstactiviteit, behoudens formele bepaling die hem in een andere administratieve stand zet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn administratieve standplaats wordt gevestigd op de administratieve zetel van de algemene inspectiedienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de duur van zijn mandaat, kan de mandataris: 1° geen verlof krijgen voor de onderbreking van de beroepsloopbaan, met uitzondering van loopbaanonderbreking om palliatieve zorgen te verstrekken, voor bijstand of verlening van zorgen aan een gezins- of familielid tot de tweede graad die lijdt aan een ernstige ziekte of bij de geboorte of adoptie van een kind in het kader van ouderschapsverlof;2° geen verlof krijgen voor taak of terbeschikkingstelling voor bijzondere taak;3° geen verlof krijgen om stage te lopen binnen een andere betrekking van de Staat, de provincies, gemeenten, van daarmee gelijkgestelde openbare instellingen, een officiële school of een gesubsidieerde vrije school;4° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor de parlements- of provincieraadsverkiezingen;5° geen verlof krijgen om cursussen te volgen, zich voor te bereiden voor examens en examens af te leggen;6° geen verlof krijgen om voorlopig een ander ambt uit te oefenen in het onderwijs;7° geen verlof verkrijgen voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden noch verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden, toegekend aan het personeelslid dat minstens twee kinderen ten laste heeft die niet ouder zijn dan 14 jaar, noch verlof krijgen voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden, toegekend aan het lid van het personeel vanaf 50 jaar;8° geen politiek verlof krijgen;9° geen terbeschikkingstelling krijgen wegens persoonlijke aangelegenheden; 10° geen terbeschikkingstelling krijgen wegens persoonlijke aangelegenheden vóór het rustpensioen op basis van de bepalingen van het koninklijk besluit nr.297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psychisch-medisch-sociale centra</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 78</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de uitoefening van zijn mandaat geniet de inspecteur-generaal de weddeschaal die toegekend is aan een ambtenaar van de diensten van de Regering van rang 15 Tijdens de uitoefening van zijn mandaat geniet de coördinerende inspecteur-generaal de weddeschaal die toegekend is aan een ambtenaar van de diensten van de Regering van rang 16. Art. 79.Elk personeelslid in dienstactiviteit van minstens 57 jaar oud die het maximum van zijn weddeschaal geniet, ziet de waarde van dit maximum verhoogd met de waarde van de laatste tussentijdse verhoging van zijn weddeschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk personeelslid in dienstactiviteit van minstens 58 jaar oud die het maximum van zijn weddeschaal geniet, ziet de waarde van dit maximum verhoogd met het dubbele van de waarde van de laatste tussentijdse verhoging van zijn weddeschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing voor personeelsleden die, op 1 januari 2015, nog niet de leeftijd hebben bereikt van respectievelijk 57 en 58 jaar. Art. 80.Elk personeelslid in dienstactiviteit van minstens 61 jaar oud die het maximum van zijn weddeschaal geniet, ziet de waarde van dit maximum verhoogd met de waarde van de laatste tussentijdse verhoging van zijn weddeschaal op voorwaarde dat hij de tussentijdse verhoging bedoeld in artikel 2bis, lid 1 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 de schalen worden vastgelegd verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de onderwijsinrichtingen van de Staat, aan de personeelsleden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de personeelsleden van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psychisch-medisch-sociale centra van de Staat, niet geniet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk personeelslid in dienstactiviteit van minstens 62 jaar oud die het maximum van zijn weddeschaal geniet, ziet de waarde van dit maximum verhoogd met het dubbele van de waarde van de laatste tussentijdse verhoging van zijn weddeschaal op voorwaarde dat hij de tussentijdse verhoging bedoeld in lid 2 van artikel 79 niet geniet. Art. 81.De evaluatie van de mandatarissen vindt plaats om de dertig maanden. Deze wordt toegekend door de Regering op de voordracht van de commissie voor selectie en evaluatie bedoeld in artikel 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatie is gebaseerd op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in artikel 73.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bevat een van de volgende vermeldingen: 1° `gunstig';2° `met voorbehoud';3° `ongunstig'. Art. 82.De mandataris aan wie een `gunstige' evaluatie gegeven wordt tijdens zijn mandaat, zet de uitoefening van zijn mandaat voort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toekenning van een evaluatie `met voorbehoud' tijdens het mandaat vindt een nieuwe evaluatie plaats binnen de volgende zes tot twaalf maanden en deze leidt tot de toekenning van een vermelding `gunstig' of `ongunstig'. De toekenning van een vermelding `met voorbehoud' kan de Regering brengen tot het aanpassen van het opdrachtenblad en het aan de mandataris opleggen om gepaste opleidingen te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een evaluatievermelding `ongunstig' tijdens het mandaat wordt het mandaat vervroegd beëindigd. Art. 83.Als er geen inspecteur-generaal van de inspectiedienst voor het onderwijs van het pedagogisch continuüm is, kan de Regering de inspecteurs belast met de coördinatie van de inspectie op het niveau van het onderwijs van het pedagogisch continuüm, gezamenlijk belasten met de taken van de inspecteur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen inspecteur-generaal van de inspectiedienst voor het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs is, kan de Regering de inspecteurs belast met de coördinatie van de inspectie op het niveau van het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs, gezamenlijk belasten met de taken van de inspecteur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen coördinerende inspecteur-generaal is, kan de Regering een ambtenaar-generaal belasten met de taken van de coördinerende inspecteur-generaal. Art. 84.De mandataris kan zijn mandaat vrijwillig beëindigen, mits een opzeggingstermijn van drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt van rechtswege op vervroegde wijze een einde gemaakt aan het mandaat wanneer de mandataris een van de tuchtsancties bedoeld in artikel 105, lid 1, 4° tot 7° krijgt. Art. 85.Wanneer een mandaat, om welke reden dan ook, vroegtijdig wordt beëindigd, wordt de mandataris vervangen. De vervanger, die door de Regering volgens de in de artikelen 67 tot 74 vastgestelde nadere regels wordt aangesteld, eindigt het lopende mandaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING III. - Einde van het mandaat Art. 86.Het mandaat van de mandataris van wie de laatste evaluatie de vermelding `gunstig' bevatte, wordt van ambtswege door de Regering verlengd, zonder dat de vacantverklaring bedoeld in artikel 68 wordt verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het einde van zijn mandaat wordt het mandaat van de mandataris van wie de laatste evaluatie de vermelding `met voorbehoud' bevatte, opnieuw open voor concurrentie verklaard, en kan hij zich gedurende vijf jaar niet meer kandidaat stellen voor een aanstelling in het mandaat van coördinerende inspecteur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het einde van zijn mandaat kan de mandataris van wie de laatste evaluatie de vermelding `ongunstig' bevatte, zich niet meer kandidaat stellen voor een aanstelling in het mandaat dat hij heeft uitgeoefend noch zich gedurende vijf jaar kandidaat stellen voor een aanstelling in het mandaat van inspecteur-generaal noch in het mandaat van coördinerende inspecteur-generaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 87</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvaardt een mandataris in het ambt van inspecteur-generaal een mandaat van coördinerende inspecteur-generaal, wordt aangenomen dat hij ontslag neemt uit zijn mandaat van inspecteur-generaal</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het personeelslid zijn hoedanigheid van mandataris verliest, wordt het in zijn bevorderingsambt van inspecteur hersteld. HOOFDSTUK V. - Evaluatie in de loop van de loopbaan van vast benoemde inspecteurs Art. 89.§ 1. De inspecteur wordt minstens om de twee jaar geëvalueerd door de coördinerende inspecteur-generaal of zijn afgevaardigde en de inspecteur-generaal of een van de coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de dienst waaronder de inspecteur ressorteert. Deze evaluatie is gebaseerd op de vervulling van de taken die hun toegewezen zijn overeenkomstig de bepalingen van Titel I. § 2. De voorlopig aangestelde inspecteur krachtens artikel 57 wordt minstens om de twee jaar geëvalueerd door de coördinerende algemeen-inspecteur of zijn afgevaardigde en de inspecteur-generaal of een van de coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de dienst waaronder de inspecteur ressorteert. Deze evaluatie is gebaseerd op de vervulling van de taken die hun toegewezen zijn overeenkomstig de bepalingen van Titel I. § 3. De coördinerende inspecteur wordt minstens om de twee jaar geëvalueerd door de coördinerende inspecteur-generaal en een inspecteur-generaal. Deze evaluatie is gebaseerd op de vervulling van de taken die hun toegewezen zijn overeenkomstig de bepalingen van Titel I</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 90</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatie bevat een van de volgende vermeldingen: 1° `gunstig';2° `met voorbehoud';3° `ongunstig'. Wanneer de evaluatie leidt tot de toekenning van de vermelding `met voorbehoud', is de vermelding toegekend tijdens de volgende evaluatie ofwel `gunstig' ofwel `ongunstig' Bij een evaluatie `met voorbehoud' krijgt het personeelslid bijkomende aanbevelingen voor de verplichte individuele opleiding bedoeld in artikel 94, § 2. Art. 91.Met het oog op de toekenning van de evaluatie wordt een onderhoud met het personeelslid georganiseerd en wordt een evaluatieverslag opgesteld waarvan de Regering het model vastlegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering legt de nadere regels vast volgens dewelke het gesprek verloopt, het verslag ter kennis wordt gebracht van het personeelslid en de manier waarop deze opmerkingen kan formuleren. Art. 92.Het personeelslid dat een vermelding `met voorbehoud' of `ongunstig' krijgt, kan binnen de tien dagen na kennisgeving per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze vermelding bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding toe aan het stagedoend personeelslid binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het advies. Art. 93.Het ambt van inspecteur van het personeelslid dat twee opeenvolgende ongunstige evaluatie heeft gekregen, wordt beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ambt van coördinerende inspecteur van het personeelslid dat twee opeenvolgende ongunstige evaluatie heeft gekregen, wordt beëindigd. In dat geval neemt het personeelslid opnieuw zijn ambt van inspecteur op. HOOFDSTUK VI. - Opleiding tijdens de loopbaan Art. 94.§ 1. De leden van de algemene inspectiedienst die een bevorderingsambt van inspecteur uitoefenen bedoeld in artikel 32, lid 2, 1°, 2° en 3°, volgen een opleiding tijdens hun loopbaan met het oog op: 1° het delen en analyseren van de praktijken en hulpmiddelen die de individuele en gezamenlijke ontwikkeling ten goede komen;2° de perfectionering, aanpassing en actualisatie van de ontwikkeling van de competenties van de initiële opleiding bedoeld in artikel 22 en de opleiding voor arbeidsintegratie bedoeld in artikel 54;3° de verwerving en integratie van de bijkomende kennis en vaardigheden die moeten worden ontwikkeld met het oog op de prioritaire richtingen van het onderwijssysteem, de wetenschappelijke vooruitgang van het onderzoek hiernaar, de evolutie van de taken van de inspecteurs en de opleidingsbehoeften die worden vastgesteld bij de analyse van de jaarverslagen van de inspecteurs- generaal en coördinerende inspecteurs;4° de verwerving van bijkomende vaardigheden, met inbegrip van pedagogische vaardigheden naargelang het individuele opleidingsproject en hun individuele evaluatie; 5° het afstand nemen van en een denkanalyse over de eigen werking, inzonderheid door de eigen beroepspraktijk te toetsen aan die van zijn collega's, de persoonlijke formele en informele opleidingen (lezingen, congressen, Mooc enz.), en het schrijven van een professionele portfolio. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op voordracht van de algemene inspectiedienst bepaalt het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan een verplicht jaarlijks opleidingsplan: 1° daarbij genieten methodes die de professionele ontwikkeling ten goede komen de voorkeur, inzonderheid het delen van praktijkervaring, het analyseren van casussen, rollenspellen, intervisie alsmede het opstellen van samenvattingen, werkinstrumenten en een professionele portfolio door de personeelsleden;2° die de nadere regels omvatten volgens dewelke de opleiding is georganiseerd. De lesgevers van deze opleiding tijdens de loopbaan zijn in de eerste plaats afkomstig van de universiteiten, hogescholen, instellingen voor hoger onderwijs voor sociale promotie, het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan of het algemeen bestuur onderwijs, of elke opleidingsoperator die door het instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan wordt erkend of aanvaard. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opleiding tijdens de loopbaan van inspecteurs wordt georganiseerd op verplichte en op vrijwillige basis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze gaat één jaar na de benoeming van het personeelslid van start. § 4. De opleiding tijdens de loopbaan omvat 12 tot 20 halve dagen jaarlijkse verplichte opleiding waarvan: - 4 tot 8 halve dagen verplichte individuele opleiding waarvan de inhoud en de nadere regels worden vastgelegd tijdens het tweejaarlijkse evaluatiegesprek in een persoonlijk opleidingsproject; - voor inspecteurs met minstens tien jaar ervaring in het ambt: 4 halve dagen voor het opstellen van een persoonlijke samenvatting van wat de gevolgde opleidingen hebben bijgebracht en een denkanalyse over de eigen werking in de vorm van een professionele portfolio. Het opstellen van een professionele portfolio wordt voorgelegd aan personeelsleden met meer dan tien jaar ervaring in het ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op voorwaarde dat zijn hiërarchische lijn hiermee instemt, kan het personeelslid het aantal halve dagen verplichte individuele opleiding verspreiden over de prestatiedagen van drie opeenvolgende jaren. § 5. De op vrijwillige basis georganiseerde opleidingen buiten de werkuren van het personeelslid zijn niet beperkt qua aantal halve opleidingsdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer ze plaatsvinden tijdens de werkuren van de personeelsleden, mogen ze niet meer bedragen dan 6 halve dagen per jaar, tenzij de Regering een afwijking toestaat op verzoek van de coördinerende inspecteur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwillige opleidingen zijn ten laste van de algemene inspectiedienst. § . 6. Na de opleidingen ontvangen de leden van de algemene inspectiedienst een attest van bijwoning volgens de door de Regering bepaalde nadere regels. § 7. Het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan verstrekt op eigen initiatief of op verzoek van de Regering advies over de toepassing van dit artikel. Art. 95.De leden van de algemene inspectiedienst die een bevorderingsambt van inspecteur-generaal of coördinerende inspecteur-generaal bedoeld in artikel 32, lid 2, 4° en 5° uitoefenen volgen jaarlijks een opleiding tijdens de loopbaan van minstens 10 halve dagen, georganiseerd door de school voor overheidsbestuur waarvan het programma en de ontwikkeling van te verwerven competenties worden bepaald door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opleiding kan worden gespreid over een periode van drie opeenvolgende jaren. HOOFDSTUK VII. - Administratieve standen AFDELING I. - Algemene bepalingen Art. 96.De personeelsleden van de algemene inspectiedienst bevinden zich in een van de volgende administratieve standen: 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° terbeschikkingstelling. AFDELING II. - Dienstactiviteit Art. 97.Het personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens uitdrukkelijke bepaling waarbij hij in een andere administratieve stand wordt ingedeeld. Art. 98.De voorwaarden waarin het personeelslid van de algemene inspectiedienst recht heeft op een wedde en op bevordering tot een hogere wedde zijn dezelfde als die van de hoofden van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap die hij inspecteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspecteurs-generaal en de coördinerende inspecteur-generaal kunnen tijdens hun mandaat verlof genieten zoals de ambtenaren van de diensten van de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING III. - Non-activiteit Art. 99.Het personeelslid van de algemene inspectiedienst bevinden zich in de stand van non-activiteit: 1° wanneer hij onder de door de Regering bepaalde voorwaarden sommige militaire prestaties in vredestijd vervult, bij de civiele bescherming is ingedeeld of is bedeeld met taken van openbaar nut op grond van de wet houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;2° wanneer bij tuchtmaatregel een schorsing of non-activiteit op hem is toegepast;3° wanneer hij om gezinsredenen toelating gekregen heeft om tijdens een lange periode afwezig te blijven. Art. 100.Tenzij anders uitdrukkelijk wordt bepaald, heeft het personeelslid van de algemene inspectiedienst in de stand non-activiteit geen recht op wedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien hij zich in de stand non-activiteit bevindt ingevolge de bepalingen van artikel 99, 2° heeft hij geen recht op bevordering tot een hogere wedde. Art. 101.Niemand kan op non-activiteit worden gesteld of gehouden wanneer hij zich in de vereiste omstandigheden bevindt om een rustpensioen te genieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING IV. - Terbeschikkingstelling Art. 102.Onverminderd de bepalingen van artikel 77 kan het personeelslid van de algemene inspectiedienst in een van de volgende terbeschikkingstellingsstanden worden gezet onder dezelfde voorwaarden als de hoofden van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap die hij inspecteert: 1° wegens een bijzondere opdracht;2° wegens ziekte of invaliditeit waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan voor verlof wegens ziekte of invaliditeit;3° wegens persoonlijke aangelegenheden;4° wegens persoonlijke aangelegenheden vóór het rustpensioen;5° wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en van het onderwijs. Bij terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden blijft de betrekking van het personeelslid evenwel niet-vacant gedurende de periode van deze terbeschikkingstelling. Art. 103.Niemand kan ter beschikking worden gesteld of gehouden wanneer hij zich in de vereiste omstandigheden bevindt om een rustpensioen te genieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling van lid 1 is niet van toepassing op personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens een bijzondere opdracht. Art. 104.Er kan aan ter beschikking gestelde personeelsleden van de algemene inspectiedienst wachtgeld worden verleend onder dezelfde voorwaarden als de hoofden van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap die ze inspecteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wachtgeld, de toelagen en vergoedingen die eventueel worden toegekend aan die personeelsleden, worden onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de bezoldiging van de personeelsleden in dienstactiviteit. HOOFDSTUK VIII. - Tuchtregeling AFDELING I. - Tuchtsancties Art. 105.De tuchtsancties die opgelegd kunnen worden aan de personeelsleden van de algemene inspectiedienst zijn de volgende: 1° de terechtwijzing;2° de berisping;3° de afhouding op de wedde;4° de schorsing bij tuchtmaatregel;5° de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;6° het ontslag bij tuchtmaatregel;7° de afzetting. Daarnaast kunnen de coördinerende inspecteurs ook worden bestraft met een terugzetting. Art. 106.Voor de personeelsleden die vast benoemd zijn in een bevorderingsambt van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2°, worden de tuchtsancties voorgesteld door de coördinerende inspecteur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de personeelsleden die vast benoemd zijn in een bevorderingsambt van coördinerende inspecteur bedoeld in artikel 63, worden de tuchtsancties voorgesteld door de coördinerende inspecteur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de inspecteurs-generaal en de coördinerende inspecteur-generaal, worden de tuchtsancties voorgesteld door de ambtenaar-generaal aangesteld door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de inspecteurs voor een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer, worden de tuchtsancties voorgesteld na overleg met de betrokken leider van de godsdienst of het hoofd van de niet-confessionele zedenleer. In geval van afwezigheid of vacature van de leider van een godsdienst of de niet-confessionele morele organisatie, is deze stempel niet vereist op voorwaarde dat dit kan worden aangetoond;</p>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtsancties worden door de Regering uitgesproken. Art. 107.De afhouding op de wedde mag niet worden uitgesproken voor meer dan drie maanden. Zij mag niet meer bedragen dan één vijfde van de wedde. Art. 108.De schorsing bij tuchtmaatregel mag niet worden uitgesproken voor meer dan één jaar. Zij heeft de halvering van de wedde tot gevolg. Art. 109.De duur van de op non-activiteitsstelling bij tuchtmaatregel wordt bepaald door de Regering: zij mag niet minder dan één jaar en niet meer dan vijf jaar bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de eerste twee jaar geniet het personeelslid wachtgeld waarvan het bedrag gelijk is aan de helft van de activiteitswedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder dat het laatst vermelde bedrag mag worden overschreden, wordt het bedrag van het wachtgeld vervolgens vastgesteld op het bedrag van het pensioen dat de betrokkene zou krijgen indien hij voortijdig op rustpensioen was gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid mag zijn wederopneming binnen de algemene inspectiedienst aanvragen na het verstrijken van de helft van de duur van zijn sanctie. Art. 110.Geen enkele sanctie mag worden voorgesteld zonder dat het personeelslid voordien gehoord of behoorlijk opgeroepen werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan door een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging. De procedure verloopt rechtsgeldig wanneer het personeelslid, behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig is of wordt vertegenwoordigd op de hoorzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk personeelslid dat uitgenodigd wordt om een voorstel tot tuchtsanctie te viseren, heeft het recht langs hiërarchische weg een schriftelijke klacht in te dienen bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116, binnen de twintig werkdagen vanaf de datum van voorlegging van het voorstel voor visum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de betrokkene geen beroep heeft ingediend binnen de vastgestelde termijn, wordt het voorstel tot tuchtsanctie onmiddellijk overgemaakt aan de Regering. Art. 111.Het voorstel voor een tuchtsanctie en het beroep ingediend door het betrokken personeelslid worden overgemaakt aan de Raad van beroep binnen een termijn van één maand vanaf de datum van ontvangst van het beroep. Art. 112.Behoudens gegronde verhindering verschijnt de eiser persoonlijk. Hij kan worden bijgestaan door een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens in geval van strafrechtelijke vervolging, geeft de Raad van beroep advies aan de Regering binnen een termijn van maximaal drie maanden vanaf de datum van ontvangst van het volledige dossier van de zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering kan evenwel dringend advies aanvragen. In dat geval kan de termijn echter niet minder dan één maand bedragen. De Regering neemt haar beslissing binnen een termijn van één maand vanaf ontvangst van het advies van de Raad van beroep. Art. 113.Geen enkele sanctie kan uitwerking hebben voor de periode die aan de uitspraak voorafgaat. Art. 114.De strafvordering betreffende feiten waarvoor een tuchtvordering is ingesteld, schorst de tuchtvordering en de tuchtuitspraak. De tuchtoverheid alleen oordeelt over de toepassing van de tuchtsancties, ongeacht de uitslag van de strafvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING II. - Schrapping van tuchtsancties Art. 115.De tuchtsanctie wordt ambtshalve geschrapt na een termijn van: 1° één jaar voor de terechtwijzing en de berisping;2° drie jaar voor de afhouding op de wedde;3° vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;4° zeven jaar voor de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel. De in het eerste lid bedoelde termijn gaat in op de dag dat een beslissing werd genomen inzake de tuchtsanctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de uitvoering van de tuchtsanctie heeft de doorhaling tot gevolg dat de sanctie geen gevolgen meer kan hebben, met name op de rechten op toegang tot een bevorderingsambt. HOOFDSTUK IX. - Raad van beroep Art. 116.Er wordt bij de Regering een Raad van beroep ingesteld voor de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, hierna `de Raad van beroep' genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad van beroep stelt zijn intern reglement op dat hij ter goedkeuring aan de Regering voorlegt. Art. 117.De Raad van beroep behandelt beroepen ingediend inzake onverenigbaarheid, evaluatie en tuchtsancties. Art. 118.De Raad van beroep bestaat uit: 1° één voorzitter aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van minstens rang 16;2° drie leden aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van het ministerie van minstens rang 15;3° drie leden aangesteld door vertegenwoordigers van erkende vakverenigingen onder de leden van de algemene inspectiedienst, waarbij elke vakvereniging minstens één vertegenwoordiger heeft;4° een secretaris aangesteld door de Regering onder de ambtenaren van minstens niveau 2+ van de diensten van de Regering. Art. 119.Voor elk werkend lid stelt de Regering een plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels als die bedoeld in artikel 118, 1°, 2° en 4°. Art. 120.Bij vervanging van een lid eindigt de plaatsvervanger het mandaat van de persoon die hij vervangt. Art. 121.De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, werkende leden en plaatsvervangende leden worden voor vijf jaar aangesteld. Hun mandaat is hernieuwbaar. Art. 122.De Raad van beroep wordt voorgezeten door de voorzitter en, bij ontstentenis daarvan, door de plaatsvervangend voorzitter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter is stemgerechtigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris en de plaatsvervangend secretaris van de Raad van beroep nemen het secretariaat waar. Zij zijn niet stemgerechtigd. Art. 123.Geen enkel beroep kan voor deliberaties van de Raad van beroep vatbaar zijn als de eiser de mogelijkheid niet gekregen heeft om zijn verweermiddelen te laten gelden en als het dossier de elementen die de raad toelaten een advies te geven niet bevat, inzonderheid het verslag van de onderzoekers, de processen-verbaal van de verhoren van getuigen en van de onontbeerlijke confrontaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eiser kan worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet ter hoorzitting verschijnt, neemt de Raad van beroep toch een beslissing. Art. 124.Zodra een beroep wordt ingediend, deelt de voorzitter aan de verzoeker de lijst van de werkende en plaatsvervangende leden van de Raad van beroep mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de tien werkdagen na ontvangst van deze lijst kan de verzoeker de wraking van een of meerdere leden aanvragen, maar van maximaal twee leden aangesteld op de voordracht van de vakverenigingen en van twee leden rechtstreeks door de Regering aangesteld. Hij kan evenwel geen werkend lid en zijn plaatsvervanger wraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ieder lid dat weet dat het de oorzaak van een wraking kan zijn, is ertoe gehouden zich te onthouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een lid mag eveneens vragen ontlast te worden als hij meent dat hij in de zaak een zedelijk belang zou kunnen hebben of als hij denkt dat men aan zijn onpartijdigheid zou kunnen twijfelen. De voorzitter beslist over het gevolg dat aan dit verzoek moet worden gegeven. Om dezelfde redenen kan hij ook een lid ontslaan van ambtshalve. Art. 125.De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter mogen geen zitting hebben in een zaak die een personeelslid betreft dat onder hun bestuur ressorteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, werkende leden en plaatsvervangende leden mogen geen zitting houden in een zaak betreffende hun echtgeno(o)t(e), de persoon waarmee ze samenleven, een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad. Art. 126.De Raad van beroep beraadslaagt en beslist geldig als de voorzitter en minstens vier leden aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het quorum bedoeld in lid 1 niet bereikt is, roept de voorzitter een nieuwe vergadering bijeen binnen de twee weken. Tijdens die vergadering zal een beslissing genomen kunnen worden ongeacht het aantal aanwezige leden. Art. 127.Voor iedere zaak stelt de Regering een verslaggever aan onder de ambtenaren van niveau 1 van de diensten van de Regering die niet hebben deelgenomen aan het onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verslaggever zet aan de Raad van beroep objectief de voorgeschiedenis van de zaak en de resultaten van het onderzoek uiteen. Hij heeft recht van repliek. Hij is niet stemgerechtigd. Art. 128.De Raad van beroep kan een bijkomend onderzoek bevelen, alsmede bezwarende en ontlastende getuigen horen. Na te hebben beraadslaagd, brengt hij zijn gemotiveerd advies aan de Regering over.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat advies vermeldt het aantal stemmen voor en tegen. Art. 129.Het advies wordt gegeven bij gewone meerderheid van stemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stemming over het advies is geheim. De leden aangesteld door de Regering en de leden aangesteld op voordracht van de vakverenigingen moeten in gelijk aantal zijn om aan de stemming deel te nemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van een of meerdere leden na loting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij staking van stemmen beslist de voorzitter. Art. 130.De beslissing genomen door de Regering vermeldt het gemotiveerde advies van de Raad van beroep. Elke beslissing die niet overeenstemt met het advies van de Raad van beroep is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering brengt haar beslissing ter kennis van de Raad van beroep en van de eiser. Art. 131.Het mandaat van de leden van de Raad van beroep is kosteloos. Reis- en verblijfkosten kunnen hun evenwel worden toegekend volgens de reglementsbepalingen ter zake. Er is aan de voorzitter of aan de plaatsvervangend voorzitter evenwel geen enkele vergoeding verschuldigd. Art. 132.De werking van de Raad van beroep wordt door de Regering bepaald, met inachtneming van de rechten van de verdediging en van het karakter op tegenspraak van de debatten. HOOFDSTUK X. - Preventieve schorsing: administratieve maatregel Art. 133.§ 1. De preventieve schorsing bepaald in dit hoofdstuk is een zuiver administratieve maatregel die geen strafbaar karakter heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze wordt uitgesproken door de Regering en is gemotiveerd. Ze heeft tot doel het personeelslid uit zijn ambt te ontheffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de duur van de preventieve schorsing blijft het personeelslid in de administratieve stand dienstactiviteit. § 2. Voor elke maatregel van preventieve schorsing moet het personeelslid uitgenodigd zijn om te worden gehoord door de ambtenaar-generaal aangesteld door de Regering of de coördinerende inspecteur-generaal die hij daartoe aanstelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oproeping voor de hoorzitting alsmede de motieven die de preventieve schorsing wettigen, worden minstens drie werkdagen voor de hoorzitting ofwel met een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs met uitwerking drie werkdagen na de datum van verzending, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs met uitwerking op de datum vermeld op dat ontvangstbewijs, meegedeeld aan het personeelslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de hoorzitting wordt de beslissing per aangetekend schrijven naar het personeelslid opgestuurd, zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet vertegenwoordigd was op de hoorzitting zonder omstandigheden van overmacht die hun afwezigheid op de hoorzitting rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht voor hun afwezigheid op de hoorzitting kunnen laten gelden, wordt het personeelslid opgeroepen op een nieuwe hoorzitting die wordt bekendgemaakt overeenkomstig lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval, en zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet aanwezig is op de hoorzitting, wordt de beslissing met een aangetekend schrijven aan het personeelslid meegedeeld binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de oorspronkelijke hoorzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de beslissing uitloopt op de preventieve schorsing van het personeelslid, heeft deze uitwerking op de derde werkdag die volgt op de datum van verzending. § 3. In afwijking van paragraaf 2, lid 1, kan het personeelslid meteen uit zijn ambt worden ontheven om dringende reden wanneer er sprake is van heterdaad of wanneer de feiten die hem ten laste worden gelegd zo erg zijn dat het in het belang van de dienst is dat het personeelslid niet meer op de dienst aanwezig zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de tien werkdagen volgend op de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke schorsing getroffen werd, moet de maatregel voor preventieve schorsing worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Bij ontstentenis daarvan, zal de maatregel voor onmiddellijke schorsing eindigen na het verstrijken van voornoemde termijn en zal het personeelslid van de dienst enkel opnieuw kunnen worden verwijderd om dezelfde dringende reden of dezelfde bezwaren mits de naleving van de procedure voor preventieve schorsing zoals bedoeld in paragraaf 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatregel voor het onmiddellijk verwijderen wordt uitgesproken door de Regering. Het personeelslid dat onmiddellijk wordt verwijderd, blijft in de administratieve stand dienstactiviteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 134</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Wanneer het in het belang van de dienst of van het onderwijs is, kan een procedure voor preventieve schorsing worden ingeleid voor een personeelslid van de algemene inspectiedienst: 1° als hij strafrechtelijk vervolgd wordt;2° voor het instellen van een tuchtvordering of als hij aan een tuchtsanctie onderworpen wordt;3° zodra de Regering hem per aangetekend schrijven de vaststelling van een onverenigbaarheid meedeelt. § 2. In het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid of in het kader van een tuchtvordering of voor de eventuele uitoefening van een tuchtvordering, kan de duur van de preventieve schorsing niet meer bedragen dan één jaar en vervalt die in ieder geval in het kader van een tuchtvordering: 1° na zes maanden als geen enkel voorstel tot tuchtstraf werd geformuleerd en meegedeeld aan het personeelslid binnen die termijn;2° de derde werkdag volgend op de mededeling van het voorstel tot tuchtsanctie als dat voorstel de terechtwijzing, de berisping of de afhouding op de wedde is;3° voor een ander voorstel tot tuchtsanctie dan dat bedoeld in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling van het voorstel tot tuchtsanctie aan het personeelslid als dit laatste geen beroep heeft ingediend tegen het bedoelde voorstel;4° voor een ander voorstel tot tuchtsanctie dan dat bedoeld in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling aan de Minister van het advies van de Raad van beroep over het voorstel tot tuchtsanctie geformuleerd tegen het personeelslid;5° de dag waarop de tuchtstraf uitwerking krijgt In het kader van een strafrechtelijke vervolging is de duur van de preventieve schorsing niet beperkt tot één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een tuchtvordering wordt ingesteld of vervolgd na een rechterlijke beslissing van een strafrechtelijke veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan, begint de termijn van één jaar bedoeld in het lid 1 slechts te lopen vanaf de uitspraak van de definitieve veroordeling. § 3. In het kader van een tuchtvordering of vóór de eventuele instelling van een tuchtvordering, moet de preventieve schorsing om de drie maanden schriftelijk bevestigd worden vanaf de datum van uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die bevestiging wordt per aangetekend schrijven aan de betrokkene meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bevestiging van de preventieve schorsing niet gebeurt binnen de vereiste termijn, kan het betrokken personeelslid zijn ambt hervatten nadat hij de Regering hiervan minstens tien werkdagen voor de werkelijke hervatting van het werk per aangetekend schrijven op de hoogte heeft gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na ontvangst van die kennisgeving, kan de Regering het behoud in preventieve schorsing bevestigen volgens de procedure bedoeld in het lid 2. Art. 135.Elk preventief geschorst personeelslid behoudt zijn recht op de wedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van lid 1 wordt de wedde vastgesteld op de helft van zijn activiteitswedde van elk preventief geschorst personeelslid, dat: 1° aangeklaagd is of in voorlopige hechtenis zit in het kader van een strafrechtelijke vervolging;2° niet-definitief strafrechtelijk veroordeeld is en hiertegen zijn recht op gewoon recht op beroep heeft gebruikt;3° een tuchtvordering ondergaat die wordt ingesteld of voortgezet na een definitieve strafrechtelijke veroordeling;4° tuchtsancties gekregen heeft wegens dringende reden waarvoor er ofwel heterdaad ofwel bewijzen bestaan en waarvan de beoordeling tot de Regering behoort;5° een voorstel tot tuchtstraf gekregen heeft bedoeld in artikel 105, lid 1, 4°, 5°, 6° en 7°, of lid 2. Die weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde wordt herleid tot het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop het personeelslid recht zou hebben als hij het stelsel voor sociale veiligheid van de loontrekkers zou genieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van lid 2, 1° en 2°, heeft die weddevermindering uitwerking de eerste dag volgend op de aanklacht of de preventie of de uitspraak van de niet-definitieve veroordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van lid 2, 3°, wordt die weddevermindering die reeds gevoerd is krachtens lid 2, 1° of 2°, behouden na de definitieve veroordeling als de Minister aan het personeelslid zijn voornemen meedeelt de tuchtvordering voort te zetten of in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van lid 2, 4°, heeft die weddevermindering uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van de Minister aan het personeelslid in toepassing van dit lid 2, 4°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van lid 2, 5°, heeft die weddevermindering uitwerking op de dag dat het voorstel tot tuchtsanctie aan het personeelslid wordt voorgelegd of meegedeeld. Art. 136.Op het einde van de tuchtvordering of de strafrechtelijke procedure wordt de maatregel voor weddevermindering ingetrokken, behalve: 1° als de Regering het personeelslid een straf oplegt bedoeld in artikel 105, lid 1, 4°, 5°, 6° en 7° of lid 2;2° als artikel 137, § 1, 2°, b), en 5° wordt toegepast;3° als het personeelslid definitief strafrechtelijk veroordeling wordt, al dan niet gevolgd door een tuchtvordering. Wanneer de maatregel om weddevermindering wordt ingetrokken bij toepassing van het lid 1, krijgt het personeelslid het aanvullend deel van zijn wedde dat oorspronkelijk ingehouden was, vermeerderd met de verwijlintresten berekend volgens het wettelijke tarief en verschuldigd sinds de dag waarop de vermindering verricht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen ontvangen door het personeelslid tijdens de preventieve schorsing blijven verworven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de wedde van het personeelslid verminderd is bij toepassing van artikel 135, lid 2, 4° of 5°, en er op het einde van de tuchtvordering een sanctie van schorsing bij tuchtmaatregel uitgesproken wordt voor een minder lange duur dan de maatregel tot weddevermindering, wordt die laatste ingetrokken voor de periode na de duur van de schorsing bij tuchtmaatregel en krijgt het personeelslid in dat geval het aanvullende deel van zijn wedde dat onterecht ingehouden was tijdens die periode, vermeerderd met de verwijlintresten berekend volgens het wettelijke tarief en verschuldigd sinds de dag waarop de vermindering verricht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het 4e lid wordt niet toegepast in het kader van een tuchtvordering ingesteld of voortgezet na een definitieve strafrechtelijke veroordeling. HOOFDSTUK XI. - Ambtsneerlegging Art. 137.§ 1. De personeelsleden van de algemene inspectiedienst die vast benoemd zijn, als stagiair of tijdelijk personeelslid zijn aangesteld, worden ambtshalve en zonder opzegtermijn ontheven uit hun ambt: 1° als zij niet regelmatig vast benoemd, toegelaten tot de stage of tijdelijk aangesteld zijn;2° als zij niet langer voldoen aan de volgende voorwaarden: a) Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens vrijstelling toegestaan door de Regering;b) burgerlijke en politieke rechten genieten;c) voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;d) van onberispelijk gedrag zijn;3° als zij, na een gewettigde afwezigheid, nalaten, zonder enige geldige reden, hun werk te hervatten en afwezig blijven gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen;4° als zij, zonder enige geldige reden, hun werk verlaten en gedurende meer dan tien dagen ononderbroken afwezig blijven;5° als zij zich in een geval bevinden waar de toepassing van de burgerlijke en strafwetten tot de ambtsneerlegging leidt;6° als zij lijden aan een vroegtijdige invaliditeit die onder de door de wet bepaalde voorwaarden behoorlijk is vastgesteld en waardoor zij niet meer in staat zijn hun ambt volledig, op regelmatige basis en onafgebroken uit te oefenen;7° wanneer een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen enkel beroep bedoeld in artikel 48 werd ingediend of het personeelslid weigert, na de uitputting van de procedure, een onverenigbare bezigheid stop te zetten;8° als zij op rustpensioen worden gesteld wegens leeftijdslimiet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 138</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vast benoemde personeelsleden of stagiairs van de algemene inspectiedienst leiden volgende elementen ook tot de definitieve ambtsneerlegging: 1° vrijwillig ontslag: het personeelslid mag zijn dienst slechts verlaten wanneer hij hiervoor behoorlijk toestemming heeft gekregen overeenkomstig artikel 55;2° de tuchtsanctie van ontslag bij tuchtmaatregel of afzetting bedoeld in artikel 105</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 139</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de toepassing van artikel 137 van onderhavig decreet, kan de Regering, met een opzegtermijn van twee weken, de stage van een personeelslid aangesteld als stagiair in een bevorderingsambt van inspecteur beëindigen Voor elke beslissing van de Regering moet het personeelslid worden uitgenodigd om te worden gehoord door de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal of de coördinerende inspecteur-generaal die hij daartoe aanstelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oproeping voor een verhoor alsook de gronden waarvoor de Regering de stage wil beëindigen worden minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting bekendgemaakt aan het personeelslid, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de hoorzitting worden notulen opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure verloopt rechtsgeldig wanneer het personeelslid, behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig is of wordt vertegenwoordigd op de hoorzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering neemt haar beslissing binnen de tien dagen na verzending van de notulen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL IV. - OVERGANGS- EN WIJZIGINGSBEPALINGEN, OPHEFFINGSBEPALING EN SLOTBEPALING HOOFDSTUK I. - Overgangsbepalingen Art. 140.In afwijking van artikel 3, lid 3, 1° en 2°, telt de algemene inspectiedienst tot 1 september 2020: a) een inspectiedienst voor gewoon basisonderwijs, onder leiding van een inspecteur-generaal bijgestaan door drie inspecteurs belast met de coördinatie van de inspectie op het niveau van het gewoon basisonderwijs;b) een inspectiedienst voor gewoon middelbaar onderwijs, onder leiding van een inspecteur-generaal bijgestaan door drie inspecteurs belast met de coördinatie van de inspectie op het niveau van het gewoon middelbaar onderwijs;c) inspectiedienst voor het gespecialiseerd onderwijs, onder leiding van een inspecteur belast met de coördinatie van de inspectie op het niveau van het gespecialiseerd onderwijs; De diensten bedoeld in lid 1, worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met taken bedoeld in artikel 4. Art. 141.Onder voorbehoud van lid 2 worden de personeelsleden die, op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, vast benoemd zijn in het ambt van inspecteur krachtens het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs sluiten betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en pedagogische adviseurs, beschouwd als vast benoemd binnen de algemene inspectiedienst in hetzelfde ambt, op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden die, op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, vast benoemd zijn in het ambt van inspecteur voor een godsdienstles krachtens artikel 9, lid 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, worden beschouwd als vast benoemd binnen de algemene inspectiedienst op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet, in het ambt van de overeenkomende inspecteur (zie tabel in bijlage I).</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden die, op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, zijn aangesteld en benoemd door het hoofd van hun godsdienst voor de inspectie van een godsdienstles krachtens artikel 9, lid 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, worden beschouwd als vast benoemd binnen de algemene inspectiedienst op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet, in het ambt van de overeenkomende inspecteur (zie tabel in bijlage I). Art. 142.De coördinerende inspecteur-generaal, de inspecteurs-generaal en de inspecteurs belast met de coördinatie van de inspectie die in deze hoedanigheid zijn aangesteld op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, worden op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet beschouwd als aangesteld als respectievelijk coördinerende inspecteur-generaal, inspecteurs-generaal en coördinerende inspecteurs binnen dezelfde dienst tot na het verstrijken van hun lopende mandaat. Art. 143.In afwijking van artikel 57 blijven de personeelsleden die voorlopig zijn aangesteld als inspecteur op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet genieten van hun voorlopige aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de personeelsleden die voorlopig zijn aangesteld bedoeld in lid 1, blijven diegenen die een betrekking hebben die niet langer is opgenomen in het kader bedoeld in artikel 9, lid 2, genieten van hun voorlopige aanstelling tot 31 augustus 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de personeelsleden die voorlopig zijn aangesteld bedoeld in lid 1, blijven diegenen die een betrekking hebben die niet langer is opgenomen in het kader bedoeld in artikel 9, lid 2, genieten van hun voorlopige aanstelling tot aan de start van de stage van inspecteurs-stagiairs aangesteld krachtens onderhavig decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is het aantal stagiairs per ambt overeenkomstig het vastgestelde kader voor de eerste keer na de inwerkingtreding van onderhavig decreet krachtens artikel 9, lid 2, kleiner dan het aantal voorlopig aangestelde personeelsleden in het overeenkomende ambt, worden eerste de meest recente voorlopig aangestelde stagiairs beëindigd. Art. 144.§ 1. In afwijking van artikel 21 zijn de voorlopig in het ambt van inspecteur aangestelde personeelsleden op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet vrijgesteld van de proef bedoeld in artikel 17 op voorwaarde dat ze de vermelding `gunstig' hebben gekregen op hun evaluatie bedoeld in artikel 89 van onderhavig decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inspecteur die voorlopig is aangesteld en zich beroept op het voordeel van lid 1 niet is geëvalueerd zoals bedoeld in artikel 89, § 2, voor 1 januari 2020, wordt aangenomen dat de evaluatie gunstig was. § 2 - In afwijking van artikel 18, lid 1, maken de personeelsleden bedoeld in paragraaf 1 die reageren op een oproeping voor kandidaten in toepassing van artikel 12 voor een ambt van inspecteur dat ze voorlopig uitoefenen, van rechtswege deel uit van het aantal kandidaten dat wordt weerhouden in de eerste toelatingsrangschikking opgesteld voor dit ambt en volgend op de inwerkingtreding van onderhavig decreet. Zij bekleden de eerste plaatsen in volgorde van anciënniteit in de dienst. HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen Art. 145.In artikel 9, lid 1 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt het volgende vervangen: \"De inspectie van godsdienstlessen in onderwijsinrichtingen georganiseerd en gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap wordt verzekerd door de inspecteurs van de godsdienstlessen die zijn benoemd overeenkomstig het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst.\".</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-146\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 146</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 9 van dezelfde wet worden lid 2, 3 en 4 opgeheven</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-147\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 147</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De titel van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlische, orthodoxe en islamitische godsdiensten van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap wordt als volgt gewijzigd; \"Koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters en leraars katholieke, protestantse, Israëlische, orthodoxe en islamitische godsdiensten van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap\"</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 148</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1, lid 1 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door een nieuw lid dat als volgt wordt opgesteld: \"Onderhavig besluit is van toepassing op leermeesters en leraars katholieke, protestantse, Israëlische, orthodoxe en islamitische godsdiensten van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap\"</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-149\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 149</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 31 en artikel 32, lid 2, van hetzelfde koninklijk besluit worden opgeheven</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-150\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 150</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3, paragraaf 1, 2°, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel wordt als volgt aangevuld: \"e) van de algemene inspectiedienst die ressorteert onder de Regering van de Franse Gemeenschap\"</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 151</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 61 van het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">decreet van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1997 numac 1997029337 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren sluiten dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, opgeheven door het decreet van 27 maart 2002Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/03/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/05/2002 numac 2002029247 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de begeleiding van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/03/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/05/2002 numac 2002029228 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet tot wijziging van sommige bepalingen betreffende het administratief statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel en van het sociaal personeel van de inrichtingen voor kleuter-, lager, bijzonder, middelbaar, technisch en kunstonderwijs van de Franse Gemeenschap, van de internaten die van deze instellingen afhangen en van de personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen sluiten, wordt als volgt hersteld: \"Artikel 61.§ 1. Binnen het Ministerie wordt een cel voor coördinatiebemiddeling opgericht die bestaat uit: 1° de ambtenaar-generaal belast met de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem of zijn afgevaardigde;2° de coördinerende inspecteur-generaal van de algemene inspectiedienst of zijn afgevaardigde;3° de coördinerende afgevaardigde van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra of zijn afgevaardigde. De cel voor coördinatiebemiddeling: 1° voert de coördinatie tussen de algemene inspectiedienst en de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra, alsook de coördinatie tussen beide hiervoor genoemde algemene diensten en de diensten en directies binnen de algemene directie voor begeleiding van het onderwijssysteem;2° oefent de taken uit die aan haar werden toevertrouwd met het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst;3° oefent de taken uit die aan haar werden toevertrouwd met het decreet van 13 september 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/1998 numac 1998029331 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten0 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en afgevaardigden voor de doelstellingenovereenkomst;4° oefent elke andere taak uit die aan haar werden toevertrouwd door de Regering. § 2. De cel voor coördinatiebemiddeling stelt haar eigen intern reglement op. Dit wordt goedgekeurd door de Regering. Het stelt ten minste: 1° de ambtenaar belast met de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem of zijn afgevaardigde optreedt als voorzitter en de agenda bepaalt;2° de cel voor coördinatiebemiddeling komt minstens één keer per maand samen, behalve tijdens de maande juli en augustus, en bepaalt de andere regels voor spoedoverleg, inzonderheid in geval van specifieke onderzoeks- en toezichthoudende taken;3° de beslissingen worden genomen met naleving van de consensusregeling;4° wanneer de cel voor coördinatiebemiddeling een taak uitvoert bedoeld in paragraaf 1, lid 2, 2°, zetelt de coördinerende afgevaardigde van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra of zijn afgevaardigde als waarnemer;5° wanneer de cel voor coördinatiebemiddeling een taak uitvoert bedoeld in paragraaf 1, lid 2, 3°, zetelt de coördinerende inspecteur-generaal van de algemene inspectiedienst of zijn afgevaardigde als waarnemer;6° als de cel voor coördinatiebemiddeling een taak die verband houdt met artikel 4, §§ 2 en 5, 5, §§ 2, 3, en 8, 6, §§ 1 en 4, en 7, §§ 2 en 5, van het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst, nodigt ze de directeur van de directie voor educatieve standaards en evaluaties alsook de ambtenaar-generaal belast met de algemene dienst voor analyses en prospecties uit om te zetelen als waarnemers; 7° als de cel voor coördinatiebemiddeling een taak die verband houdt met artikel 5, § 1, 5° en 7, § 1, 4, van het decreet van 13 september 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/1998 numac 1998029331 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten0 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en afgevaardigden voor de doelstellingenovereenkomst, nodigt ze de directeur van de directie voor educatieve standaards en evaluaties alsook de ambtenaar-generaal belast met de algemene dienst voor analyses en prospectief onderzoek uit om te zetelen als waarnemers.\" Art. 152.Artikel 1, § 2, van het decreet van 13 september 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/06/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/08/1998 numac 1998029331 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten0 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en wordt aangevuld met het volgende punt: \"13° \"De cel voor coördinatiebemiddeling': de cel opgericht door artikel 61 van het takendecreet.\" Art. 153.Artikel 3, § 1, lid 2, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling: \"De cel voor coördinatiebemiddeling voert de coördinatie tussen de algemene inspectiedienst en de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra, alsook de coördinatie tussen beide hiervoor genoemde algemene diensten en de diensten en directies binnen de algemene directie voor begeleiding van het onderwijssysteem.\" Art. 154.Artikel 37 van hetzelfde decreet wordt vervangen door: \"Art. 37.Met de hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar, de uitoefening van elk mandaat, met inbegrip van een syndicaal mandaat, bij een inrichtende macht of een federatie van inrichtende machten waarvan één of meer onderwijsinrichtingen zich bevinden op het grondgebied waarop het personeelslid het ambt van zonedirecteur of zijn afgevaardigde bij de doelstellingenovereenkomst uitoefent.\" Art. 155.In de artikels 67 en 82 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 4 telkens aangevuld met het volgende lid: \"Het personeelslid bedoeld in lid 1, kan binnen de tien dagen na kennisgeving langs hiërarchische weg per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen de beslissing van niet-voltooiing bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 121.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit beroep is opschortend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding toe aan het stagedoend personeelslid binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het advies.\" Art. 156.Artikel 123 van hetzelfde decreet wordt vervangen door: \"Art. 123.De Raad van beroep bestaat uit: 1° één voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van minstens rang 16;2° drie leden aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van het algemeen bestuur onderwijs van minstens rang 15;3° drie leden aangesteld door vertegenwoordigers van erkende vakverenigingen onder de leden van de zonedirecteurs, waarbij elke vakvereniging minstens één vertegenwoordiger heeft; 4° een secretaris aangesteld door de Regering onder de ambtenaren van minstens niveau 2+ van de diensten van de Regering.\" Art. 157.Artikel 146 van hetzelfde decreet wordt vervangen door: \"Art. 146.Het mandaat van coördinerende afgevaardigde is voor de eerste keer voorzien wanneer de algemene dienst is voorzien overeenkomstig artikel 143 en de personeelsleden die toegang hebben tot de stage krachtens artikel 144 deze hebben voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de eerste aanstelling in de betrekking van coördinerende afgevaardigde, wordt afgeweken van de voorwaarde bedoeld in artikel 44, lid 1, 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwachting hiervan voert de directeur-generaal de taken van de coördinerende afgevaardigde uit.\" HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepaling Art. 158.Het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs sluiten betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en pedagogische adviseurs, met uitzondering van de artikels 4, 5, 17 tot 25, en 149 tot 156, wordt opgeheven op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet wordt afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van lid 1 wordt op 1 september 2022 afgeweken van artikel 162 van het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs sluiten hierboven. HOOFDSTUK IV. - Slotbepaling Art. 159.Artikel 7, § 1, treedt in werking op de door de Regering vastgelegde datum. Art. 160.Artikels 152 tot 157 treden in werking op de dag van de publicatie van onderhavig decreet in het Belgisch Staatsblad. Art. 161.Met uitzondering van de bepalingen waarvan de inwerkingtreding is vastgelegd door artikels 159 en 160, treedt onderhavig decreet in werking op 1 september 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kondigen onderhavig decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brussel, 10 januari 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister-President en de Minister van Gelijke Kansen en Vrouwenrechten, R. DEMOTTE De Viceminister-president en Minister van Cultuur en Kleine Kinderen, A. GREOLI De Viceminister-president en Minister van Hoger Onderwijs, Onderwijs voor Sociale Promotie, Onderzoek en Media, J.-Cl. MARCOURT De Minister van Jeugd, Jeugdbijstand, Justitiehuizen, Sport en Brussel, belast met de voogdij over de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, R. MADRANE De Minister van Onderwijs, M.-M. SCHYNS De Minister van Begroting, Ambtenarenzaken en Administratieve Vereenvoudiging, A. FLAHAUT _______ Nota Sessie 2018-2019 Documenten van het Parlement. Decreetontwerp, nr. 720-1. - Commissiewijziging, nr. 720-2. - Commissieverslag, nr. 720-3. - Tekst aangenomen in de commissie, nr. 720-4. -Tekst aangenomen in de plenaire vergadering, nr. 720-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledig verslag. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 9 januari 2019.</p></div>", "next": 0}