{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Indien één van de twee buren wenst dat een muur opgericht wordt die kan dienen als ondersteuning voor een bouwwerk, kan hij opleggen aan zijn nabuur dat de afsluiting bestaat uit een muur met een normale stevigheid, breedte en hoogte in functie van de bestemming van de goederen. Indien de aangezochte nabuur echter aantoont dat hij geen enkel nut heeft bij een dergelijke muur en er geen gebruik van zal maken, wordt de muur op uitsluitende kosten van de verzoeker opgericht en is deze privatief aan deze laatste. In dat geval kan de muur wel schrijlings over de perceelsgrens worden opgericht, zonder dat enige vergoeding verschuldigd is voor het ingenomen gedeelte van het perceel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3107\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.107</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedwongen verkoop van mandeligheid Iedere eigenaar van een perceel dat aan een afsluiting grenst, kan deze geheel of gedeeltelijk gemeen maken door aan de eigenaar van de afsluiting ofwel de helft van de waarde ervan, ofwel de helft van de waarde van het deel van de afsluiting dat hij gemeen wenst te maken, samen met de helft van de waarde van de overeenkomstige onderliggende grond te betalen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3108\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.108</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedwongen aankoop van mandeligheid Eenieder die een feitelijkheid pleegt of een inneming doet die geldt als inbezitneming van een privatieve afsluiting en die daaraan geen einde maakt binnen een redelijke termijn, kan worden gedwongen de mandeligheid ervan aan te kopen en de eigenaar van de afsluiting de helft van de waarde van het deel dat hij in bezit neemt en de helft van de waarde van de ingenomen grond te vergoeden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3109\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.109</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergoeding in geval van aankoop of overdracht Voor de toepassing van de artikelen 3.107 en 3.108 worden de waarden vastgesteld op het tijdstip van de aankoop van de mandeligheid In het geval waarin een muur op privatieve wijze werd opgetrokken met toepassing van artikel 3.106, derde lid, moet diegene die de mandeligheid aankoopt de helft van de waarde van de muur of van het aangekochte deel van de muur betalen, waarbij het betaalde bedrag niet lager kan zijn dan, naargelang het geval, de helft van de kosten voor de oprichting van de muur of van het aangekochte deel van de muur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bevoegdheden op een gemene afsluiting Elkeen maakt gebruik en heeft het genot van de gemene afsluiting overeenkomstig de bestemming ervan en zonder afbreuk te doen aan de rechten van de andere. Hij kan alleen alle daden van bewaring of van tijdelijk beheer verrichten In de verhoudingen tussen mede-eigenaars is voor de andere daden van beheer en de daden van beschikking over de afsluiting de toestemming van beide eigenaars vereist, tenzij indien de rechter oordeelt dat een weigering rechtsmisbruik zou uitmaken. Wat het gebruik en genot betreft, kunnen de mede-eigenaars evenwel onderling handelen alsof zij alleen eigenaar zijn van hun zijde van de afsluiting indien zij handelen met inachtneming van de bestemming van de afsluiting en zonder afbreuk te doen aan de rechten van de andere.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3111\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.111</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere bevoegdheden op de gemene muur Iedere mede-eigenaar mag tegen een gemene muur aanbouwen en daarin alle werken of beplantingen aanbrengen tot de helft van de dikte ervan, met het voorafgaande akkoord van de aangrenzende mede-eigenaar of, in geval van weigering, na bij vonnis de noodzakelijke modaliteiten te hebben laten vastleggen om niet aan de rechten van de andere te schaden Iedere mede-eigenaar mag de gemene muur hoger doen optrekken onder verplichting om alle kosten die aan de verhoging verbonden zijn, te betalen, alsmede, in voorkomend geval, een vergoeding voor de last die eruit voortvloeit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de al bestaande muur de normale stevigheid heeft maar niet in staat is de verhoging te dragen, moet hij die de muur wil optrekken hem op zijn kosten geheel opnieuw doen opbouwen en de eventuele meerdere dikte moet van de grond aan zijn kant worden afgenomen. In het andere geval is artikel 3.106 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opgetrokken gedeelte van de muur behoort toe aan diegene die het tot stand heeft gebracht. Hij draagt de kosten voor het onderhoud, de herstelling en de heropbouw ervan. De mandeligheid van die verhoging of van een gedeelte ervan kan worden aangekocht overeenkomstig de artikelen 3.107 en 3.108, tegen betaling van de helft van de waarde van de verhoging of een gedeelte van de verhoging, waarbij het betaalde bedrag niet lager kan zijn dan de helft van de kosten voor de bouw van het aan te kopen gedeelte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.112</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen van de mede-eigenaars en afstand De herstellingen tot onderhoud en de grove herstellingen in de zin van de artikelen 3.153 en 3.154, evenals de heropbouw van een gemene afsluiting zijn ten laste van de mede-eigenaars, elk naar verhouding tot hun rechten, behalve indien zij uitsluitend aan één van hen zijn te wijten Behalve indien een mede-eigenaar de gemene afsluiting daadwerkelijk blijft gebruiken of de beschadigingen heeft veroorzaakt, kan hij zich bevrijden van de verplichting om bij te dragen aan de grove herstellingen of de heropbouw door zijn recht van mandeligheid af te staan aan de andere mede-eigenaar, niettegenstaande artikel 3.17, tweede lid. Die laatste kan, als hij zulks verkiest, de verwijdering van de afsluiting voor gezamenlijke rekening eisen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3113\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.113</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking op de verdeling De gemene afsluiting is enkel met het akkoord van alle mede-eigenaars vatbaar voor verdeling, behalve indien zij ieder, zelfs toekomstig of potentieel, nut verloren heeft ten aanzien van de goederen waarvan zij een accessorium is Ondertitel 3. - Erfdienstbaarheden HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Art. 3.114. Definitie Een erfdienstbaarheid is een last op een onroerend goed, het lijdend erf, tot gebruik en tot nut van andermans onroerend goed, het heersend erf. Een erfdienstbaarheid kan ook worden gevestigd tussen: 1° onroerende goederen die aan dezelfde persoon toebehoren indien één van hen bezwaard is met een zakelijk gebruiksrecht ten voordele van een derde;2° onroerende goederen waarvan het ene in eigendom en het andere in mede-eigendom is bij dezelfde persoon. Een erfdienstbaarheid kan voor de titularis van het lijdend erf bestaan in een plicht om zich te onthouden van een bepaald gebruik of om een bepaald gebruik vanwege het heersend erf toe te laten. In beide gevallen moet de erfdienstbaarheid in een rechtstreeks en onmiddellijk verband staan met het gebruik en nut van het heersend erf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een erfdienstbaarheid kan positieve of negatieve verbintenissen met zich meebrengen die aanvullend zijn op de hoofdlast die de erfdienstbaarheid uitmaakt en die het zakelijke regime hiervan volgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3115\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.115</span><span class=\"lf-art-t\">Zichtbaarheid van de erfdienstbaarheid Erfdienstbaarheden zijn zichtbaar of niet zichtbaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zichtbare erfdienstbaarheden zijn voor een normaal voorzichtige en redelijke titularis van een zakelijk recht op het lijdend erf zichtbaar door duurzame en zichtbare bouwwerken of een geregelde activiteit, waarvan er sporen zijn op het lijdende erf. De overige erfdienstbaarheden zijn niet zichtbaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3116\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.116</span><span class=\"lf-art-t\">Bronnen van erfdienstbaarheden Erfdienstbaarheden worden gevestigd bij wet of door menselijk handelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behalve de wettelijke erfdienstbaarheden die in hoofdstuk 3 zijn opgenomen, geniet de titularis van een zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed op grond van de wet van alle erfdienstbaarheden die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn recht op het bezwaarde onroerend goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke bepalingen betreffende de erfdienstbaarheden die ontstaan door menselijk handelen zijn ook van toepassing op de wettelijke erfdienstbaarheden, behoudens andersluidende bepalingen of onverenigbaarheid met de bedoeling van de wetgever. HOOFDSTUK 2. - Erfdienstbaarheden door menselijk handelen Afdeling 1. - Specifieke wijzen van verkrijging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3117\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.117</span><span class=\"lf-art-t\">Rechtshandeling Alle erfdienstbaarheden kunnen gevestigd worden door rechtshandeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Erfdienstbaarheden die ontstaan door rechtshandeling kunnen worden bewezen door een titel van erkenning uitgaande van de titularis van het lijdend erf op het tijdstip van de opmaak ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze kunnen worden gevestigd door de eigenaar of titularis van een zakelijk gebruiksrecht binnen de grenzen van zijn recht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3118\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.118</span><span class=\"lf-art-t\">Verkrijgende verjaring Zichtbare erfdienstbaarheden kunnen ontstaan door verkrijgende verjaring onder de voorwaarden van de artikelen 3.26 en 3.27</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3119\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.119</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemming door de eigenaar Een erfdienstbaarheid ontstaat door bestemming door de eigenaar wanneer twee thans van elkaar gescheiden percelen aan dezelfde eigenaar hebben toebehoord en er op het moment van de verdeling een dienstbaarheid bestaat tussen de percelen die tot stand gebracht of behouden werd door die enige eigenaar Die wijze van verkrijging geldt enkel voor erfdienstbaarheden die zichtbaar zijn op het tijdstip van de verdeling. Afdeling 2. - Rechten en verplichtingen van de partijen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3120\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.120</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik en omvang Het gebruik en de omvang van een erfdienstbaarheid door menselijk handelen worden bepaald door de bedoeling van de partijen, zoals uitgedrukt in de vestigingsakte of erkenningsakte, door de feitelijke uitoefening van de erfdienstbaarheid of door de plaatselijke gesteldheid van de dienstbaarheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3121\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.121</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud en bouwwerken De titularis van een erfdienstbaarheid mag alle werkzaamheden en bouwwerken uitvoeren die nodig zijn voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid en voor het behoud ervan Die werkzaamheden en bouwwerken worden door hem en op zijn kosten uitgevoerd tenzij die uitsluitend aan de fout van de titularis van het lijdend erf te wijten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien die werkzaamheden en bouwwerken ook nuttig zijn voor het lijdend erf, worden deze kosten gedeeld volgens het nut ervan voor elk perceel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3122\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.122</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afstand Wanneer de eigenaar van het lijdend erf door de titel verplicht is de werkzaamheden en bouwwerken nodig voor de uitoefening en het behoud van de erfdienstbaarheid op zijn kosten uit te voeren, kan hij afstand doen van het gehele lijdend erf, of het gedeelte van het lijdend erf dat noodzakelijk is voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid, ten voordele van de eigenaar van het heersend erf. In dat geval eindigt de erfdienstbaarheid door vermenging. Die afstand vergt de instemming van de eigenaar van het heersend erf Indien de eigenaar van het heersend erf zijn instemming weigert, behoudt de eigenaar van het lijdend erf zijn eigendom maar gaat de erfdienstbaarheid teniet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide gevallen is de eigenaar van het lijdend erf, niettegenstaande artikel 3.17, tweede lid, bevrijd van elke bestaande of toekomstige verbintenis en is de eigenaar van het heersend erf bevrijd van zijn toekomstige verbintenissen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3123\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.123</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verdeling van de onroerende goederen Bij verdeling van het heersend erf blijft de erfdienstbaarheid verschuldigd volgens dezelfde modaliteiten ten voordele van elke partij, zonder dat de toestand van het lijdend erf gevoelig mag worden verzwaard Bij verdeling van het lijdend erf mag de toestand van het heersend erf daar verminderd noch vermeerderd uit komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter bepaalt, indien nodig, de nieuwe modaliteiten van de erfdienstbaarheid ten laste en ten voordele van elk onroerend goed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3124\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.124</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van het lijdend erf De titularis van het lijdend erf mag niets doen dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid vermindert of minder gemakkelijk maakt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hij mag de plaatsgesteldheid niet wijzigen, noch de uitoefening van de erfdienstbaarheid verplaatsen, tenzij daartoe een objectief belang bestaat. In geval van verplaatsing moet hij op eigen kosten aan de eigenaar van het heersend erf een plaats op het lijdend erf aanbieden waarop de rechten even gemakkelijk kunnen worden uitgeoefend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3125\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.125</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toestand van het heersend erf De titularis van het heersend erf mag de uitoefening van de erfdienstbaarheid wijzigen, rekening houdend met de technische en maatschappelijke evoluties sinds het ontstaan van de erfdienstbaarheid, onder voorbehoud van de wil van de partijen en het doel van de erfdienstbaarheid. Afdeling 3. - Specifieke wijzen van tenietgaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3126\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bevrijdende verjaring Erfdienstbaarheden doven geheel of gedeeltelijk uit door het niet uitoefenen daarvan gedurende dertig jaar, ongeacht of zulks het gevolg is van een menselijk handelen, een materiële belemmering of overmacht De bewijslast voor het uitdoven, rust op de eigenaar van het lijdend erf. De erfdienstbaarheid gaat slechts teniet in de mate van dat onbruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn van dertig jaar begint te lopen vanaf het onbruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3127\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.127</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vermenging Alle erfdienstbaarheden doven uit wanneer het lijdend en het heersend erf in dezelfde hand worden verenigd, zonder afbreuk te doen aan artikel 3.119 wanneer de onroerende goederen opnieuw gescheiden worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3128\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.128</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verlies van nut Op verzoek van de eigenaar van het lijdend erf kan de rechter de afschaffing van een erfdienstbaarheid bevelen wanneer deze ieder nut, zelfs voor de toekomst, voor het heersend erf heeft verloren. HOOFDSTUK 3. - Wettelijke erfdienstbaarheden Afdeling 1. - Water</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3129\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.129</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Waterafvloeiing tussen naburige percelen Zonder afbreuk te doen aan artikel 3.131, moeten de lager gelegen percelen het natuurlijke water en andere zaken die het meevoert, afkomstig van de hoger liggende percelen, ontvangen De titularis van een lager gelegen perceel mag geen enkel bouwwerk tot stand brengen dat de afvloeiing bemoeilijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titularis van een hoger gelegen perceel mag die afvloeiing niet kwantitatief of kwalitatief verzwaren; die verplichting verhindert hem niet zijn perceel normaal te gebruiken volgens de bestemming ervan indien de omvang van de verzwaring redelijk is. Het onderhoud van de erfdienstbaarheid van afvloeiing gebeurt op kosten van de titularis van het heersend erf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voormelde rechten en verplichtingen zijn niet van toepassing in geval van overmacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3130\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.130</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Regeling voor bronnen en waterlopen Een eigenaar van een bron of een oevereigenaar kan gebruik maken van het water voor zijn eigen behoeften en op voorwaarde dat hij de loop, de kwantiteit en de kwaliteit van het water niet substantieel wijzigt Hij mag door dit gebruik de rechten van de naburige eigenaars niet in het gedrang brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3131\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.131</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dakdrop Iedere eigenaar moet zijn daken zodanig aanleggen dat het regenwater op zijn grond of op de openbare weg afloopt. Hij mag het niet doen neerkomen op een aanpalend perceel. Afdeling 2. - Afstanden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3132\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.132</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afstanden voor vensters, muuropeningen en soortgelijke werken § 1. De eigenaar van een gebouw mag vensters met doorzichtige beglazing, muuropeningen, balkons, terrassen of soortgelijke werken aanbrengen voor zover deze op een rechte afstand van minstens negentien decimeter van de perceelsgrens zijn aangebracht. Deze afstand wordt gemeten met een loodrechte lijn op de dichtste plaats aan de buitenkant van het venster, de muuropening, het balkon, het terras of soortgelijke werken tot aan de perceelsgrens In of op een gemene muur kan een eigenaar geen vensters, muuropeningen, balkons, terrassen of soortgelijke werken aanbrengen. § 2. De nabuur kan de verwijdering vorderen van de werken die in strijd met deze afstand zijn opgetrokken, behalve indien: 1° hierover een akkoord bestaat tussen de buren;2° zijn perceel op het ogenblik van de oprichting ervan tot het openbare domein behoorde of een onverdeeld goed was dat accessoir was aan het gebouw waarvan het betrokken werk deel uitmaakt;3° de werken geen enkel risico voor het privéleven en het goede nabuurschap kunnen opleveren, bijvoorbeeld omdat het uitzicht niet verder reikt dan negentien decimeter vanaf deze werken;4° het venster, de muuropening, het terras, het balkon of de soortgelijke werken zich al minstens dertig jaar op de betrokken plaats bevinden. Art. 3.133. Afstanden van beplantingen Alle beplantingen moeten minimaal op de hierna bepaalde afstanden van de perceelsgrens staan, tenzij indien partijen hierover een contract hebben gesloten of indien de beplantingen al meer dan dertig jaar op dezelfde plaats staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde afstand bedraagt voor bomen die minstens twee meter hoog zijn, twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de andere bomen, struiken en hagen een halve meter. De nabuur kan de snoeiing of rooiing eisen van de beplantingen die op een kortere afstand zijn aangebracht, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nabuur kan zich evenwel niet verzetten tegen de aanwezigheid van beplantingen die niet hoger reiken dan de afsluiting tussen de percelen. Gaat het in dat geval om een niet-gemene afsluiting, dan heeft de eigenaar het recht deze als steun voor zijn beplantingen te gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3134\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.134</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overhangende takken en wortels Indien een eigenaar van beplantingen waarvan de takken of wortels doorschieten over de perceelsgrens, nalaat de doorschietende takken of wortels te verwijderen binnen zestig dagen na een ingebrekestelling per aangetekende zending van de nabuur, kan deze laatste eigenmachtig, op kosten van de eigenaar van de beplantingen, deze takken of wortels wegsnijden en zich toe-eigenen. Als de nabuur het doorschietende zelf wegsnijdt, draagt hij zelf het risico voor de schade die hij aan de beplantingen toebrengt. Hij kan eveneens eisen dat de eigenaar dit wegsnijdt, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang Het recht om de verwijdering te eisen, kan niet uitdoven door verjaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vruchten die op natuurlijke wijze van de bomen op een aanpalend onroerend goed vallen, behoren toe aan degene die het genot van dit laatste onroerend goed heeft. Afdeling 3. - Ingeslotenheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3135\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.135</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg: definitie De eigenaar wiens perceel ingesloten ligt omdat het geen toegang heeft tot de openbare weg of omdat geen voldoende toegang kan worden ingericht zonder overdreven onkosten of ongemakken, kan een uitweg eisen op, over of onder het perceel van de naburen voor het normale gebruik van zijn perceel volgens de huidige of toekomstige bestemming ervan De wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg is slechts uitgesloten indien: 1° de eigenaar van het perceel over een niet-ingesloten aanpalend perceel beschikt;2° het ingesloten perceel een eenheid van uitbating vertoont met andere percelen waartoe hij toegang heeft, die niet ingesloten zijn;3° de eigenaar van het perceel over een voldoende erfdienstbaarheid van overgang door menselijk handelen beschikt;4° de ingeslotenheid het gevolg is van een fout van de eigenaar die het recht van uitweg vordert of van zijn handelen dat niet kan worden verantwoord door het normale gebruik van het perceel volgens de huidige bestemming ervan. Art. 3.136. Wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg: verkrijging en vaststelling De eigenaar van het ingesloten perceel treedt in rechte om de wettelijke uitweg te verkrijgen. Bij stilzitten van de eigenaar kan de titularis van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht op het perceel, onder dezelfde voorwaarden, de uitweg eisen, waarbij de eigenaar in tussenkomst wordt geroepen. Die vordering is onverjaarbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ligging van de uitweg wordt door de rechter bepaald op zodanige wijze dat deze het minst schadelijk is, tegen een vergoeding die evenredig is aan de veroorzaakte schade. De procedure wordt gevoerd tegen de eigenaars van de aangrenzende percelen die, op het eerste gezicht, de minst schadelijke uitweg bieden, overeenkomstig de regels voorgeschreven in de artikelen 1345 en 1371bis van het Gerechtelijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ingeslotenheid het gevolg is van de splitsing van een niet-ingesloten perceel, kan de uitweg slechts worden gevorderd van de eigenaars van de percelen die vóór de splitsing tot het perceel behoorden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3137\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.137</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg: verplaatsing en afschaffing De ligging van de uitweg kan door de rechter worden gewijzigd indien deze, door gewijzigde omstandigheden, het normale gebruik van het heersend erf niet langer mogelijk maakt of indien de erfdienstbaarheid kan worden uitgeoefend op een andere plaats die minder schadelijk is De wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg houdt op wanneer deze niet meer noodzakelijk is overeenkomstig artikel 3.135, wat ook de duurtijd van deze uitweg is geweest, of indien deze werd verleend omwille van een toekomstige bestemming, ingeval die bestemming niet ten uitvoer is gelegd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf het vonnis waarbij de uitweg werd verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering tot verplaatsing of afschaffing van de uitweg kan worden ingesteld door de eigenaar of, bij stilzitten van deze, door de titularis van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht, waarbij de eigenaar in de zaak wordt geroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de uitweg wordt gewijzigd of afgeschaft, kan de rechter bevelen dat de vergoeding opnieuw wordt vastgesteld of dat de ontvangen vergoeding geheel of gedeeltelijk wordt terugbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel 6. - Recht van vruchtgebruik Ondertitel 1. - Definitie, voorwerp en duurtijd Art. 3.138. Definitie Vruchtgebruik verleent aan zijn titularis het tijdelijk recht op het gebruik en genot van een goed van de blote eigenaar, zoals een voorzichtig en redelijk persoon, in overeenstemming met de bestemming van dat goed en onder de verplichting om het goed bij het einde van zijn recht terug te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een recht van bewoning wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed een onoverdraagbaar recht van vruchtgebruik te zijn dat beperkt is tot wat als woning noodzakelijk is voor de titularis van het recht en zijn gezin.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3139\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.139</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwerp Het vruchtgebruik kan een roerend of onroerend, lichamelijk of onlichamelijk goed, of een bepaald geheel van dergelijke goederen, tot voorwerp hebben, zonder afbreuk te doen aan de artikelen 3.162 tot 3.166</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3140\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.140</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoedanigheid van de vestiger Het recht van vruchtgebruik kan worden gevestigd door de eigenaar of door een titularis van een zakelijk gebruiksrecht binnen de grenzen van zijn recht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3141\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.141</span><span class=\"lf-art-t\">Duurtijd Een vruchtgebruik kan worden gevestigd voor bepaalde of onbepaalde duur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niettegenstaande enig andersluidend beding, kan het vruchtgebruik: 1° maximaal negenennegentig jaar duren, behalve indien de natuurlijke persoon op wiens hoofd het is gevestigd, langer leeft;en 2° niet voortbestaan na het overlijden van de persoon op wiens hoofd het vruchtgebruik is gevestigd. De faillietverklaring of de vrijwillige, wettelijke of gerechtelijke ontbinding van de rechtspersoon zijn beëindigingsgronden in de zin van het tweede lid. Behoudens andersluidend beding eindigt het recht van vruchtgebruik niet in geval van fusie, splitsing of gelijkgestelde verrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking op het tweede lid, 2°, en behoudens andersluidend beding wast het onverdeeld of gemeenschappelijk vruchtgebruik gevestigd op het hoofd van twee of meer personen bij het einde van het bestaan van één van hen bij dat van de anderen aan, naar evenredigheid van hun aandeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vruchtgebruik kan worden verlengd, evenwel zonder dat zijn totale duurtijd meer mag bedragen dan het bepaalde in het tweede lid. Het kan worden hernieuwd met het uitdrukkelijk akkoord van de partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 2. - Rechten van de partijen Art. 3.142. Rechten op het recht De vruchtgebruiker kan zijn recht van vruchtgebruik overdragen, daarop een vruchtgebruik toestaan, het verpanden als zijn recht van vruchtgebruik roerend is of het met hypotheek bezwaren als het onroerend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan de onroerende goederen waarvan hij eigenaar is in het kader van een accessoir opstalrecht zoals bedoeld in artikel 3.182, slechts overdragen of met hypotheek bezwaren door tegelijk, gedeeltelijk of geheel, het recht van vruchtgebruik waarvan hij titularis is over te dragen of met hypotheek te bezwaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3143\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.143</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van het bezwaarde goed De vruchtgebruiker heeft het gebruik van het bezwaarde goed voor zover hij, niettegenstaande enig andersluidend beding, daarbij voorzichtig en redelijk optreedt en de bestemming van het goed eerbiedigt. De bestemming van het goed is deze die daar bij contract aan is gegeven of die, bij gebreke van contract, volgens de aard van de goederen en het eerdere gebruik door de blote eigenaar, vermoed wordt Die gebruiksbevoegdheid geldt ook indien het bezwaarde goed in waarde daalt door het voorzichtige en redelijke gebruik dat men ervan maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de grenzen van het eerste lid, kan de vruchtgebruiker ook veranderingen aanbrengen en bouwwerken en beplantingen uitvoeren aan het bezwaarde goed. Indien de veranderingen, bouwwerken en beplantingen voortbestaan bij het einde van zijn recht, wordt hun lot door artikel 3.160 geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3144\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.144</span><span class=\"lf-art-t\">Behoud Het behoud van de bezwaarde goederen is in het gemeenschappelijk belang van de vruchtgebruiker en de blote eigenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vruchtgebruiker, of indien hij in gebreke blijft, de blote eigenaar zijn bevoegd om daden van behoud en voorlopig beheer te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het vruchtgebruik rust op goederen die vatbaar zijn voor bederf of die onderhevig zijn aan snelle waardevermindering, kan dit, in geval van noodzakelijkheid, ook daden van beschikking inhouden. De vruchtgebruiker of de blote eigenaar die de handeling heeft gesteld, moet hiervan onverwijld kennis geven aan de andere.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3145\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.145</span><span class=\"lf-art-t\">Beheer De vruchtgebruiker kan daden van beheer stellen voor de duurtijd van zijn recht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan op de bezwaarde goederen gebruiksrechten aan derden toestaan, verlengen of hernieuwen. Indien het vruchtgebruik ten einde komt omdat de vruchtgebruiker ophoudt te bestaan, duurt dit lopende gebruiksrecht onder bezwarende titel, nog door voor zijn resterende duurtijd, en ten hoogste drie jaar, waarna het van rechtswege ten einde komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiksrechten die nog niet in uitvoering zijn bij het einde van het vruchtgebruik krijgen geen uitwerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3146\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.146</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Genot: vruchten De vruchtgebruiker heeft recht op alle vruchten van het bezwaarde goed die tijdens het vruchtgebruik afgescheiden of opeisbaar worden; dat is ook het geval voor de vruchten die nog niet afgescheiden of opeisbaar waren op het ogenblik van het ontstaan van het vruchtgebruik. Vruchten die nog niet afgescheiden of opeisbaar waren bij het einde van het vruchtgebruik, komen toe aan de blote eigenaar Indien de partij die geen aanspraak heeft op de vruchten hiervoor prestaties heeft geleverd, kan deze lastens de andere partij een vergoeding eisen overeenkomstig de ongerechtvaardigde verrijking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3147\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.147</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Genot: opbrengsten De vruchtgebruiker heeft geen recht op de opbrengsten die het kapitaal van het bezwaarde goed verminderen, tenzij indien deze volgen uit een exploitatie die de vruchtgebruiker op dezelfde wijze en in dezelfde mate voortzet als deze die de eigenaar reeds vóór aanvang van het vruchtgebruik had ingezet Indien het vruchtgebruik bij zijn ontstaan bomen omvat, mag de vruchtgebruiker deze bomen geregeld kappen op dezelfde wijze en in de mate dat de eigenaar deze bomen al aan geregelde kappingen onderwierp vóór het ontstaan van het vruchtgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vruchtgebruiker mag ook, op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de eigenaar, tot ontginning overgaan van de mijnen en groeve waarop het recht betrekking heeft en die reeds bij de aanvang van het vruchtgebruik in ontginning zijn, in voorkomend geval volgens de wettelijke en reglementaire voorschriften terzake.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3148\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.148</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking Zonder afbreuk te doen aan artikel 3.165, mag een vruchtgebruiker over het bezwaarde goed buiten de grenzen van zijn bevoegdheden beschikken indien: 1° een bijzondere wettelijke bepaling dit toelaat;2° dit in overeenstemming is met de bestemming van de goederen die reeds bestond op het moment dat het vruchtgebruik is ontstaan of contractueel tussen partijen is bedongen, én kadert binnen zijn verplichting tot een voorzichtig en redelijk beheer;of 3° het vruchtgebruik op verbruikbare goederen betrekking heeft. In die drie gevallen vindt artikel 3.159 toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3149\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.149</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoekrecht van de blote eigenaar De blote eigenaar van een onroerend goed heeft het recht om eenmaal per jaar het onroerend goed te bezichtigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 3. - Verplichtingen van de partijen Art. 3.150. Beschrijving van de goederen Niettegenstaande enig andersluidend beding, maken de vruchtgebruiker en de blote eigenaar bij aanvang van het vruchtgebruik, een beschrijving van de bezwaarde goederen op. Bij gebreke van akkoord wordt een beschrijving en schatting opgesteld door een deskundige die zij gezamenlijk aanstellen of, bij gebreke van akkoord, laten aanstellen door de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang dergelijke beschrijving niet is opgemaakt, heeft de blote eigenaar recht op de vruchten en kan hij de afgifte van het bezwaarde goed aan de vruchtgebruiker opschorten, overeenkomstig artikel 73 van titel XVII van boek III van het oude Burgerlijk Wetboek, tenzij indien de vruchtgebruiker van rechtswege in het bezit van de goederen treedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de vruchtgebruiker de bevoegdheid krijgt om de bezwaarde goederen of een deel van de bezwaarde goederen te vervreemden, moet de beschrijving gepaard gaan met een schatting van de bezwaarde goederen of het bezwaarde geheel. Bovendien moet de vruchtgebruiker in dat geval eenmaal per jaar, op eerste verzoek van de blote eigenaar, opgave doen van de goederen die niet meer aanwezig zijn en van de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3151\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.151</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verzekeringsplicht van de vruchtgebruiker De vruchtgebruiker is verplicht het goed in volle eigendom te verzekeren voor de gebruikelijke risico's, en hiervoor de premies te betalen. In ieder geval is de vruchtgebruiker van een onroerend goed verplicht dit tegen brand te verzekeren. De vruchtgebruiker moet het bewijs van de verzekeringspolis aan de blote eigenaar voorleggen op diens eerste verzoek Indien de vruchtgebruiker niet aan de in het eerste lid omschreven verplichtingen voldoet, mag de blote eigenaar zelf een verzekering nemen en is de vruchtgebruiker verplicht hem de kosten daarvan onmiddellijk te vergoeden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3152\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.152</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vordering in rechte Zowel de vruchtgebruiker als de blote eigenaar zijn gerechtigd om een rechtsvordering in te stellen betreffende de bezwaarde goederen die zowel aan hun eigen recht als aan het recht van de andere partij raakt, zij het dat hij er dan toe gehouden is om de andere partij onverwijld in tussenkomst in de procedure te betrekken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3153\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.153</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoudsherstellingen De vruchtgebruiker is ertoe gehouden om onderhoudsherstellingen ten aanzien van het goed te verrichten die, op korte of lange termijn, nodig zijn om de waarde van het goed te vrijwaren, onder voorbehoud van normale slijtage, ouderdom of overmacht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3154\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.154</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Grove herstellingen § 1. Grove herstellingen zijn herstellingen die betrekking hebben op de structuur van het goed of van zijn inherente bestanddelen of waarvan de kosten manifest de vruchten van het goed te boven gaan. § 2. De blote eigenaar moet deze herstellingen uitvoeren na overleg met de vruchtgebruiker. Deze laatste kan hiervoor geen aanspraak maken op een gebruiksvergoeding In afwijking op het eerste lid, is de blote eigenaar noch gehouden tot de grove herstellingen die betrekking hebben op de bouwwerken en beplantingen die de vruchtgebruiker zelf heeft aangebracht, noch tot de herstellingen die uitsluitend aan de vruchtgebruiker te wijten zijn. § 3. De blote eigenaar die de grove herstellingen uitvoert, kan van de vruchtgebruiker eisen dat hij proportioneel bijdraagt in de kosten van deze herstellingen. Deze bijdrage wordt bepaald in verhouding tot de waarde van het vruchtgebruik tegenover de waarde van de volle eigendom, berekend overeenkomstig artikel 745sexies, § 3, van het oude Burgerlijk Wetboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3155\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.155</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afdwinging Indien de vruchtgebruiker of de blote eigenaar zijn herstellingsplicht niet nakomt, kan de andere partij de rechter verzoeken om hem reeds tijdens de duur van het vruchtgebruik daartoe te verplichten, in voorkomend geval onder verbeurte van een dwangsom. Alternatief kan hij aan de rechter vragen om zelf de noodzakelijke werken te mogen uitvoeren waarbij de kosten overeenkomstig het wettelijke regime op de andere partij kunnen verhaald worden Elk van de partijen kan aan de rechter vragen om een zakelijke zekerheid op het bezwaarde goed te mogen toestaan die tegenwerpelijk is aan de andere, indien dat noodzakelijk is om die herstellingen uit te voeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3156\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.156</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lasten van het bezwaarde goed De vruchtgebruiker is gehouden alle periodieke lasten van het bezwaarde goed te dragen die verband houden met het gebruik en genot ervan De blote eigenaar staat in voor de buitengewone lasten van het bezwaarde goed, zelfs indien ze periodiek moeten worden betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de vruchtgebruiker zelf bouwwerken of beplantingen aangebracht, dan moet hij hiervoor tijdens de duur van het vruchtgebruik zowel de gewone als de buitengewone lasten dragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3157\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.157</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Correlatieve schulden De algemene vruchtgebruiker of de vruchtgebruiker onder algemene titel moet in de betaling van de schulden van de boedel bijdragen naar verhouding tot de waarde van zijn vruchtgebruik, berekend overeenkomstig artikel 745sexies, § 3, van het oude Burgerlijk Wetboek Ondertitel 4. - Specifieke bepalingen inzake het tenietgaan Art. 3.158. Voorwerp van restitutie Bij het einde van het vruchtgebruik is de vruchtgebruiker gehouden de bezwaarde goederen in dezelfde staat terug te geven, met uitzondering van de waardeverminderingen die het gevolg zijn van normale slijtage, ouderdom of overmacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij aanvang van het vruchtgebruik geen beschrijving is opgemaakt, wordt de vruchtgebruiker vermoed, behoudens tegenbewijs, het goed in goede staat van onderhoud en zonder enig gebrek te hebben ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3159\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.159</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Teruggaveplicht na bevoegde vervreemding Indien, met toepassing van artikel 3.148, de vruchtgebruiker de goederen heeft vervreemd, is hij ertoe gehouden de waarde van de bezwaarde goederen op het ogenblik van de vervreemding terug te geven, indien op dat ogenblik een schatting is opgemaakt. Is dat niet het geval, dan moet hij de waarde op het ogenblik van de vestiging van het vruchtgebruik teruggeven. Is ook geen beschrijving opgesteld bij de vestiging van het vruchtgebruik, dan moet de vruchtgebruiker de hoogste van twee bedragen betalen, namelijk de waarde bij het begin dan wel de waarde bij het einde Gaat het om soortgoederen, dan heeft de vruchtgebruiker bovendien de mogelijkheid om een gelijke hoeveelheid zaken van dezelfde hoedanigheid terug te geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3160\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.160</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Natrekking en vergoeding De blote eigenaar moet de vruchtgebruiker, op grond van de ongerechtvaardigde verrijking, vergoeden voor de bouwwerken en beplantingen die hij binnen de grenzen van zijn recht heeft uitgevoerd, zonder daartoe verplicht te zijn en met de toestemming van de blote eigenaar. Tot de betaling van de vergoeding heeft de vruchtgebruiker een retentierecht op die bouwwerken en beplantingen De blote eigenaar wordt eigenaar van die bouwwerken en beplantingen en kan de verwijdering ervan niet vragen. De vruchtgebruiker kan die bouwwerken en beplantingen echter verwijderen tijdens de duur van zijn recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In alle andere gevallen verkrijgt de blote eigenaar aan het einde van het recht, zonder vergoeding, de eigendom van de bouwwerken en beplantingen, dit onverminderd artikel 3.16, 4°.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3161\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.161</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omzetting Zonder afbreuk te doen aan bijzondere wetten zoals vervat in artikel 745quater tot artikel 745sexies van het oude Burgerlijk Wetboek, kunnen de vruchtgebruiker en de blote eigenaar op ieder ogenblik bij de rechtbank vorderen dat het wettelijke vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geïndexeerde rente Dit recht is persoonlijk en niet vatbaar voor overdracht. Het kan niet worden uitgeoefend door de schuldeisers van de rechthebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank kan de omzetting geheel of gedeeltelijk toestaan, rekening houdend met de belangen van alle partijen. De omzetting geschiedt overeenkomstig artikel 745sexies van het oude Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 5. - Specifieke bepalingen betreffende bijzondere goederen Art. 3.162. Vruchtgebruik op soortgoederen Indien een vruchtgebruik betrekking heeft op soortgoederen, is de vruchtgebruiker ertoe gehouden om die goederen fysiek afgescheiden te houden van andere goederen van dezelfde soort die niet aan dit vruchtgebruik onderworpen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft het vruchtgebruik betrekking op geld of krijgt het daarop betrekking door de vervreemding door de vruchtgebruiker in overeenstemming met artikel 3.148, dan moet de vruchtgebruiker dit geld beleggen of in het belang van de overige aan het vruchtgebruik onderworpen goederen besteden, na instemming van de blote eigenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kunnen zij geen akkoord bereiken, dan kan de meest gerede partij zich tot de rechter wenden om een derde te doen aanstellen die met het beheer van die gelden wordt belast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3163\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.163</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vruchtgebruik op financiële instrumenten - lidmaatschapsrechten Indien aan de financiële instrumenten lidmaatschapsrechten zijn verbonden, zoals het stemrecht op de algemene vergadering, worden deze uitgeoefend overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen Dividenden die uitgekeerd worden zonder in te teren op het kapitaal, behoren aan de vruchtgebruiker toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderlijke opbrengsten die aan het financieel instrument toekomen, zoals de premie die toegekend wordt bij een inkoop van eigen aandelen, worden geïnd door de vruchtgebruiker. Deze maken deel uit van zijn restitutieplicht bij het einde van het vruchtgebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3164\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.164</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vruchtgebruik op schuldvorderingen De vruchtgebruiker kan in en buiten rechte nakoming vorderen van de opeisbare schuldvorderingen en de betaling in ontvangst nemen. De blote eigenaar mag slechts de schuldvordering uitoefenen of de betaling innen indien hij daartoe toestemming heeft verkregen van de vruchtgebruiker of, bij gebreke daarvan, machtiging heeft bekomen van de rechtbank Indien de vruchtgebruiker met toepassing van het eerste lid een geldsom ontvangt, oefent hij zijn vruchtgebruik uit in overeenstemming met de artikelen 3.148 en 3.162.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3165\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.165</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vruchtgebruik op een geheel van goederen Indien het vruchtgebruik betrekking heeft op een bepaald geheel van goederen kan de vruchtgebruiker over de afzonderlijke goederen uit dat geheel beschikken indien dat kadert in het goede beheer van het geheel en op voorwaarde dat de goederen die ervoor in de plaats komen opnieuw tot het geheel worden bestemd De gebeurlijke meerwaarde die het geheel bij de restitutie zou blijken te hebben ondergaan, komt aan de vruchtgebruiker dan wel aan de blote eigenaar toe met toepassing van de ongerechtvaardigde verrijking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3166\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.166</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vruchtgebruik op intellectuele rechten Het vruchtgebruik met betrekking tot een intellectueel eigendomsrecht verleent aan de vruchtgebruiker het recht op normale uitbating hiervan. In dat kader kan de vruchtgebruiker alleen contracten sluiten voor zover de betaling van de vergoeding is gespreid over de totale duur van het contract. Anders is de toestemming van de blote eigenaar vereist Bij het einde van het vruchtgebruik blijven de contracten die uitsluitend door de vruchtgebruiker zijn afgesloten, hun uitwerking behouden, onverminderd het recht van de blote eigenaar om ze te beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij de morele rechten toebehoren aan een derde, moeten zij worden uitgeoefend in akkoord tussen de vruchtgebruiker en de blote eigenaar; indien geen overeenstemming kan worden bereikt, richt de meest gerede partij zich tot de rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel 7. - Erfpachtrecht Ondertitel 1. - Definitie, voorwerp en duurtijd Art. 3.167. Definitie Het erfpachtrecht is een zakelijk gebruiksrecht dat een vol gebruik en genot verleent van andermans goed dat onroerend is uit zijn aard of door incorporatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erfpachter mag niets doen dat de waarde van het onroerend goed vermindert, onder voorbehoud van normale slijtage, ouderdom of overmacht. Hij kan, behoudens andersluidend beding, de bestemming van het onroerend goed wijzigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3168\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.168</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoedanigheid van de vestiger Het erfpachtrecht kan worden gevestigd door de eigenaar of door een titularis van een zakelijk gebruiksrecht binnen de grenzen van zijn recht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3169\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.169</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Duurtijd Niettegenstaande enig andersluidend beding, kan de duurtijd van een erfpachtrecht niet korter dan vijftien jaar en niet langer dan negenennegentig jaar zijn. Het erfpachtrecht kan worden verlengd, evenwel zonder dat zijn totale duurtijd meer dan negenennegentig jaar mag bedragen. Het kan worden hernieuwd met het uitdrukkelijk akkoord van de partijen Het erfpachtrecht kan eeuwigdurend zijn wanneer en zolang het voor doeleinden van het openbaar domein door de eigenaar van het onroerend goed gevestigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 2. - Specifieke wijzen van verkrijging Art. 3.170. Verkrijgende verjaring Ingeval van verkrijging door verjaring wordt het erfpachtrecht geacht te zijn gevestigd voor negenennegentig jaar, tenzij een rechtshandeling een kortere duurtijd vastlegt. De duurtijd van het recht loopt vanaf de aanvang van het deugdelijke bezit of vanaf een later tijdstip bepaald in de rechtshandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 3. - Rechten en verplichtingen van de partijen Art. 3.171. Rechten op het recht De erfpachter kan zijn erfpachtrecht overdragen en met een hypotheek bezwaren. Hij kan de onroerende goederen waarvan hij eigenaar is in het kader van een accessoir opstalrecht zoals bepaald in artikel 3.182 slechts vervreemden of met een hypotheek bezwaren door gelijktijdig, gedeeltelijk of geheel, het erfpachtrecht waarvan hij titularis is te vervreemden of met een hypotheek te bezwaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3172\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.172</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rechten op het onroerend goed De erfpachter heeft het gebruik en genot, zowel materieel als juridisch, van het onroerend goed waarop zijn recht betrekking heeft, zonder afbreuk te doen aan de overige bestaande rechten op het onroerend goed. Hij kan alle bouwwerken en beplantingen uitvoeren, zelfs indien hij de bestemming van het onroerend goed wijzigt, voor zover hij de waarde ervan niet vermindert Hij heeft recht op de vruchten en, voor zover de uitbating een aanvang heeft genomen vóór het ontstaan van het erfpachtrecht, op de opbrengsten die in vruchten zijn omgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de erfpachter bouwwerken of beplantingen verkrijgt of uitvoert, al dan niet zonder daartoe gehouden te zijn, zijn zij zijn eigendom, met toepassing van artikel 3.182. Hij mag de bouwwerken en beplantingen waartoe hij gehouden was, niet verwijderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3173\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.173</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen Tijdens de duur van de erfpacht is de erfpachter gehouden tot alle lasten en belastingen met betrekking tot het onroerend goed dat het voorwerp is van zijn erfpachtrecht en met betrekking tot de bouwwerken en beplantingen waarvan hij eigenaar is overeenkomstig artikel 3.182 Hij moet alle onderhoudsherstellingen en grove herstellingen in de zin van de artikelen 3.153 en 3.154 uitvoeren aan het onroerend goed waarop zijn recht betrekking heeft en aan de bouwwerken en beplantingen die hij moet oprichten, teneinde de waarde ervan niet te verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij zorgt ook voor alle herstellingen met betrekking tot de bouwwerken en beplantingen die hij verkregen heeft of zonder enige verplichting heeft uitgevoerd en noodzakelijk zijn geworden voor de uitoefening van de andere zakelijke gebruiksrechten op het onroerend goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 4. - Specifieke wijzen van tenietgaan Art. 3.174. Algemeen Het erfpachtrecht gaat teniet door de oorzaken bedoeld in de artikelen 3.15 en 3.16, ook al gebeurt dit vóór de minimumtermijn van vijftien jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een erfpachtrecht kan echter niet tenietgaan vooraleer de minimumtermijn van vijftien jaar is verstreken op grond van de enkele wil van één van de partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3175\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.175</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verlies van nut In geval van een eeuwigdurend erfpachtrecht zoals bedoeld in artikel 3.169, tweede lid, dat sinds minstens negenennegentig jaar bestaat, kan de rechter de opheffing ervan bevelen wanneer dat recht ieder nut, zelfs toekomstig of potentieel, heeft verloren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3176\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.176</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Natrekking en vergoeding Bij het tenietgaan van het erfpachtrecht gaat het eigendomsrecht van de bouwwerken en beplantingen uitgevoerd met toepassing van artikel 3.172 over op de erfpachtgever of diens rechtsopvolger De erfpachtgever moet de erfpachter vergoeden voor de bouwwerken en beplantingen opgericht binnen de grenzen van zijn recht, op grond van de ongerechtvaardigde verrijking. Tot de betaling van de vergoeding heeft de erfpachter een retentierecht op de bouwwerken en beplantingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van algemene rechtsovergang, rechtsovergang onder algemene titel of overdracht van het recht van de erfpachtgever, rust de vergoedingsverplichting op de rechtverkrijgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel 8. - Opstalrecht Ondertitel 1. - Definitie, voorwerp en duurtijd Art. 3.177. Definitie Het opstalrecht is een zakelijk gebruiksrecht dat het eigendomsrecht verleent op al dan niet gebouwde volumes, voor het geheel of een deel, op, boven of onder andermans grond om er bouwwerken of beplantingen te hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3178\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.178</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoedanigheid van de vestiger Een opstalrecht kan worden gevestigd door de eigenaar of door elke titularis van een zakelijk gebruiksrecht binnen de grenzen van zijn recht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3179\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.179</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwerp Behoudens andersluidend beding in de akte tot vestiging of overdracht van een opstalrecht op een bebouwd of beplant onroerend goed, brengt een dergelijke akte contractuele verkrijging teweeg, door de opstalhouder of de overnemer en voor de duur van zijn opstalrecht, van de eigendom van de eerder bestaande bouwwerken en beplantingen. Voor die bouwwerken en beplantingen gelden dezelfde regels als wanneer de opstalhouder deze zelf zou hebben opgericht De opstalhouder heeft geen enkele bevoegdheid met betrekking tot de volumes op, boven of onder de grond die uitdrukkelijk buiten zijn recht zijn gehouden, zonder afbreuk te doen aan artikel 3.116.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3180\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.180</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Duurtijd Niettegenstaande enig andersluidend beding, kan de duurtijd van een opstalrecht niet langer dan negenennegentig jaar zijn. Het opstalrecht kan worden verlengd, evenwel zonder dat zijn totale duurtijd meer dan negenennegentig jaar mag bedragen. Het kan worden hernieuwd met het uitdrukkelijk akkoord van de partijen Het opstalrecht kan eeuwigdurend zijn wanneer en zolang het door de eigenaar van de grond gevestigd is: 1° hetzij voor doeleinden van het openbaar domein;2° hetzij om de verdeling in volumes mogelijk te maken van een complex en heterogeen onroerend geheel dat verschillende volumes omvat die in aanmerking komen voor zelfstandig en verscheiden gebruik en onderling geen enkel gemeenschappelijk deel hebben. Wanneer het opstalrecht het gevolg is van een hoofdrecht, overeenkomstig artikel 3.182, is de duur ervan identiek aan de duur van dat hoofdrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 2. - Specifieke wijzen van verkrijging Art. 3.181. Verkrijgende verjaring In geval van verkrijgende verjaring wordt het opstalrecht geacht te zijn gevestigd voor negenennegentig jaar, tenzij een rechtshandeling een kortere duurtijd bepaalt. De duurtijd van het recht loopt vanaf de dienstige inbezitstelling of vanaf een later tijdstip bepaald in de rechtshandeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3182\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.182</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Accessoir opstalrecht Het opstalrecht kan ook ontstaan als gevolg van een gebruiksrecht op een onroerend goed verleend met bevoegdheid om er bouwwerken of beplantingen op te plaatsen. In dat geval is het opstalrecht onderworpen aan de wettelijke regeling die van toepassing is op het recht waaruit het voortvloeit Het accessoir opstalrecht en het eigendomsrecht op de bouwwerken en beplantingen dat eruit voortvloeit, kunnen niet worden overgedragen, in beslag worden genomen of met een hypotheek worden bezwaard los van het recht waaruit zij voortvloeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 3. - Rechten en verplichtingen van de partijen Art. 3.183. Rechten op het recht De opstalhouder kan zijn opstalrecht overdragen en met een hypotheek bezwaren; hij kan de onroerende goederen waarvan hij eigenaar is slechts vervreemden of met een hypotheek bezwaren door tegelijk, gedeeltelijk of geheel, het opstalrecht waarvan hij titularis is te vervreemden of met een hypotheek te bezwaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3184\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.184</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rechten op de volumes Tijdens de duurtijd van zijn recht oefent de opstalhouder op zijn volume alle bevoegdheden van eigenaar uit, binnen de grenzen van de rechten van de opstalgever en zonder afbreuk te doen aan de overige bestaande rechten op de grond. Hij mag de bouwwerken en beplantingen waartoe hij gehouden was, niet verwijderen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3185\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.185</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen Tijdens de duur van zijn recht is de opstalhouder gehouden tot betaling van alle lasten en belastingen met betrekking tot de volumes, bouwwerken en beplantingen waarvan hij eigenaar is. De opstalgever, de grondeigenaar of hun rechtsopvolgers dragen die lasten en belastingen voor hetgeen waarvan zij eigenaar zijn Elkeen moet, wat zijn eigendom betreft, de onderhoudsherstellingen en grove herstellingen in de zin van de artikelen 3.153 en 3.154 uitvoeren waartoe hij wettelijk of contractueel gehouden is, evenals de herstellingen die noodzakelijk zijn met het oog op de uitoefening van de andere bestaande gebruiksrechten op de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 4. - Specifieke wijzen van tenietgaan Art. 3.186. Algemeen Het opstalrecht gaat niet teniet door het loutere feit van het tenietgaan van de bouwwerken of beplantingen van de opstalhouder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3187\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.187</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verlies van nut Indien een eeuwigdurend opstalrecht zoals bedoeld in artikel 3.180 sinds minstens negenennegentig jaar bestaat, kan de rechter de opheffing ervan bevelen wanneer dat recht ieder nut, zelfs toekomstig of potentieel, heeft verloren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3188\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.188</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Natrekking en vergoeding Bij het tenietgaan van het opstalrecht gaat het eigendomsrecht op het volume over op de opstalgever of diens rechtsopvolger. De opstalgever moet de opstalhouder vergoeden voor de bouwwerken en beplantingen opgericht of verkregen binnen de grenzen van zijn recht, op grond van de ongerechtvaardigde verrijking. Tot de betaling van de vergoeding heeft de opstalhouder een retentierecht op het volume In geval van algemene rechtsovergang, rechtsovergang onder algemene titel of overdracht van het recht van de opstalgever, rust de vergoedingsverplichting op de rechtverkrijgende.\". HOOFDSTUK 3. - Wijzigingsbepalingen Afdeling I. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 591, enig lid, van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 18 juni 2018Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten4, wordt een bepaling onder 2° ter ingevoegd, luidende: \"2° ter van geschillen inzake bovenmatige burenhinder, zoals bedoeld in de artikelen 3.101 en 3.102 van het Burgerlijk Wetboek;\" Art. 4.In artikel 594, 21°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/01/2013 numac 2013000051 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/01/2009 numac 2008001061 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten. - Duitse vertaling van wijzigings- en uitvoeringsbepalingen sluiten, worden de woorden \"577-8, § 1 of § 7\" vervangen door de woorden \"3.89, § 1 of § 8\". Art. 5.In artikel 1287, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 1 juli 1972 en gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten6, worden de woorden \"2 van de hypotheekwet van 16 december 1851, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1913\" vervangen door de woorden \"3.31 van het Burgerlijk Wetboek\". Art. 6.In artikel 1371bis, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 maart 1978 en gewijzigd bij de wet van 21 december 2018, wordt het cijfer \"682\" vervangen door het cijfer \"3.136, tweede lid\". Afdeling II. - Wijzigingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen Art. 7.In de artikelen 5:38, 6:37 en 7:43 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen worden de woorden \"De artikelen 2279 en 2280 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing\" telkens vervangen door de woorden \"Het artikel 3.28 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing\". Art. 8.In artikel 12:14, tweede lid, artikel 12:98, tweede lid, en artikel 13:5, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden \"1 van de hypotheekwet van 16 december 1851\" telkens vervangen door de woorden \"3.30 van het Burgerlijk Wetboek\". Afdeling III. - Wijzigingen van het oude Burgerlijk Wetboek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1138 van het oude Burgerlijk Wetboek wordt vervangen als volgt: \"Art. 1138.De verbintenis tot geven wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 3.14, § 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Behoudens andersluidend akkoord van partijen heeft de eigendomsovergang tot gevolg dat het risico van het goed voor de eigenaar is, ook al heeft de overgave van het goed niet plaatsgehad, tenzij de schuldenaar in gebreke is het te leveren; in dit geval blijft het risico van het goed voor de laatstgenoemde.\". Art. 10.In artikel 1388, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wetten van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wetten van 22 april 2003 en 22 juli 2018, worden de woorden \"recht van gebruik van het daarin aanwezige huisraad\" vervangen door de woorden \"onoverdraagbare recht van vruchtgebruik van het daarin aanwezige huisraad, dat beperkt is tot dat wat noodzakelijk is voor zijn titularis en zijn gezin,\". Art. 11.In artikel 1690, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 1994 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, worden de woorden \"komt tot stand overeenkomstig artikel 3.14, § 2, van het Burgerlijk Wetboek en\" ingevoegd tussen de woorden \"De overdracht van schuldvordering\" en \"kan worden ingeroepen\". Art. 12.In titel XVII van boek III van hetzelfde Wetboek, betreffende zakelijke zekerheden op roerende goederen, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in artikel 18, tweede lid, ingevoegd bij de wet van 11 juli 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2013 numac 2013009377 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffingvan diverse bepalingen ter zake sluiten, worden de woorden \"de artikelen 570 en volgende\" vervangen door de woorden \"de artikelen 3.11 en 3.56 van het Burgerlijk Wetboek\"; 2° in artikel 18, derde lid, ingevoegd bij de wet van 11 juli 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2013 numac 2013009377 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffingvan diverse bepalingen ter zake sluiten, worden de woorden \"het voornaamste is in de zin van artikel 567\" vervangen door de woorden \"het hoofdgoed is in de zin van artikel 3.57 van het Burgerlijk Wetboek\"; 3° in artikel 24, tweede lid, ingevoegd bij de wet van 11 juli 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2013 numac 2013009377 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffingvan diverse bepalingen ter zake sluiten, wordt het cijfer \"2279\" vervangen door de woorden \"3.28 van het Burgerlijk Wetboek\"; 4° in artikel 25, ingevoegd bij de wet van 11 juli 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2013 numac 2013009377 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffingvan diverse bepalingen ter zake sluiten, wordt het cijfer \"2279\" vervangen door de woorden \"3.28 van het Burgerlijk Wetboek\". Art. 13.In titel XVIII van boek III van het hetzelfde Wetboek, betreffende voorrechten en hypotheken, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in artikel 5, eerste lid, worden de woorden \"in artikel 2\" vervangen door de woorden \"in artikel 3.31 van het Burgerlijk Wetboek\"; 2° in artikel 45, vierde lid, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, wordt het cijfer \"595\" vervangen door het cijfer \"3.145\"; 3° in artikel 84, tweede lid, inleidende zin, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/01/2013 numac 2013000051 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/01/2009 numac 2008001061 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten. - Duitse vertaling van wijzigings- en uitvoeringsbepalingen sluiten en gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten6, wordt het cijfer \"577-12\" vervangen door het cijfer \"3.97\"; 4° in artikel 84, tweede lid, 1°, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/01/2013 numac 2013000051 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/01/2009 numac 2008001061 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten. - Duitse vertaling van wijzigings- en uitvoeringsbepalingen sluiten en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt het cijfer \"577-4\" vervangen door het cijfer \"3.85\"; 5° in artikel 127, derde lid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten6, wordt het cijfer \"577-4\", vervangen door het cijfer \"3.85\"; 6° in artikel 141, tweede lid, ingevoegd bij de wet van 9 februari 1995, wordt het cijfer \"577bis, § 11,\" vervangen door het cijfer \"3.84\". Afdeling IV. - Wijziging van het Wetboek van strafvordering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 14</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 464/1, § 8, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 11 februari 2014Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten1 en gewijzigd bij de wet van 4 februari 2018, worden de woorden \"boek III, titel XVIII, artikelen 7 en 8,\" vervangen door de woorden \"artikel 3.36\". Afdeling V. - Wijziging van het Strafwetboek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 43bis, zesde lid, van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wetten van 17 juli 1990 en 27 november 2013, worden de woorden \"1, eerste en tweede lid, van de hypotheekwet van 16 december 1851\" vervangen door de woorden \"3.30, § 1, van het Burgerlijk Wetboek\". Afdeling VI. - Wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 16.In artikel 29, § 2, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/01/1999 numac 1998003665 bron ministerie van financien Wet houdende fiscale en andere bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/02/1999 numac 1999009006 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem sluiten, wordt het cijfer \"577-5\" vervangen door het cijfer \"3.86\". Afdeling VII. - Wijziging van de gecoördineerde wetten van 15 september 1919 op de mijnen, de graverijen en de groeven Art. 17.In artikel 12 van de gecoördineerde wetten van 15 september 1919 op de mijnen, de graverijen en de groeven worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het tweede lid, wordt het cijfer \"524\" vervangen door het cijfer \"3.47\"; 2° in het vijfde lid, wordt het cijfer \"529\" vervangen door het cijfer \"3.46\". Afdeling VIII. - Wijziging van het gecoördineerd koninklijk besluit 62 van 27 januari 2004 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten Art. 18.In artikel 19 van het gecoördineerd koninklijk besluit 62 van 27 januari 2004 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, ingevoegd bij de wet van 14 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/12/2005 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/12/2005 numac 2005009962 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende afschaffing van de effecten aan toonder type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/12/2005 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/2005 numac 2005021173 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende administratieve vereenvoudiging II sluiten, worden de woorden \"De artikelen 2279 en 2280 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing\" vervangen door de woorden \"Het artikel 3.28 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing\". Afdeling IX. - Wijziging van de wet van 2 januari 1991Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten5 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium Art. 19.In artikel 13bis van de wet van 2 januari 1991Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten5 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium, ingevoegd bij de wet van 14 december 2004, worden de woorden \"De artikelen 2279 en 2280 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing\" vervangen door de woorden \"Het artikel 3.28 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing\". Afdeling X. - Wijziging van de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisieomroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad Art. 20.In artikel 4, eerste lid, tweede streepje, van de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisieomroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, wordt het cijfer \"619\" vervangen door het cijfer \"3.141\". Afdeling XI. - Wijziging van de wet van 25 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/04/2007 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/05/2007 numac 2007201376 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten houdende diverse bepalingen Art. 21.In artikel 73, eerste lid, van de wet van 25 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/04/2007 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/05/2007 numac 2007201376 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden \"van de artikelen 7 en 8 van de hypotheekwet van 16 december 1851\" worden vervangen door de woorden \"van artikel 3.36 van het Burgerlijk Wetboek\"; 2° de woorden \"het gebruiksrecht en\" worden opgeheven. Afdeling XII. - Wijziging van de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied Art. 22.In artikel 28, derde lid, van de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied worden de woorden \"van de wetten van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht en het recht van opstal\" vervangen door de woorden \"van titels 7 en 8 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek\". Afdeling XIII. - Wijziging van de wet van 11 februari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/2013 numac 2013011368 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar sluiten houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar Art. 23.In artikel 2, 6°, van de wet van 11 februari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/02/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/2013 numac 2013011368 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar sluiten houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar, worden de woorden \"van de artikelen 577-2 en volgende\" vervangen door de woorden \"van de artikelen 3.78 en volgende\". Afdeling XIV. - Wijziging van de wet van 15 januari 2014Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten3 houdende diverse bepalingen inzake kmo's Art. 24.In artikel 3, 3°, van de wet van 15 januari 2014Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten3 houdende diverse bepalingen inzake kmo's worden de woorden \"artikel 577-3\" vervangen door de woorden \"artikel 3.84\". Afdeling XV. - Wijziging van de wet van 12 mei 2014Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten0 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen Art. 25.In artikel 2, 5°, i, van de wet van 12 mei 2014Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten0 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen, worden de woorden \"in artikel 517 en volgende\" vervangen door de woorden \"in artikelen 3.47 en 3.49\". Afdeling XVI. - Wijzigingen van het Belgisch Scheepvaartwetboek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.2.4.5., § 3, tweede lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek worden de woorden \"overeenkomstig artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek\" vervangen door de woorden \"overeenkomstig de artikelen 3.26 en 3.27 van het Burgerlijk Wetboek\". Art. 27.In artikel 2.3.1.3., § 1er, van hetzelfde Wetboek wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt: \"1° titel 4 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;\". Art. 28.In artikel 3.2.2.5., § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden \"overeenkomstig artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek\" vervangen door de woorden \"overeenkomstig de artikelen 3.26 en 3.27 van het Burgerlijk Wetboek\". HOOFDSTUK 4. - Opheffingsbepalingen Art. 29.In het oude Burgerlijk Wetboek worden opgeheven: 1° boek II, dat de artikelen 516 tot 710bis bevat, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten8;2° de titel \"Algemene bepalingen\" van boek III, die de artikelen 711 tot 717 bevat;3° artikel 1, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten6, artikel 2, vervangen bij de wet van 10 oktober 1913 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 april 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten7, artikel 3, gewijzigd bij de wetten van 10 oktober 1913 en 30 juni 1994, en artikel 4 van titel XVIII van boek III;4° hoofdstuk I van titel XVIII van boek III, dat de artikelen 7 en 8, artikel 8/1, ingevoegd bij de wet van 22 november 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/11/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/12/2013 numac 2013022601 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet houdende hervorming van de berekening van de sociale bijdragen voor zelfstandigen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/11/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/2014 numac 2014015001 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Wijziging van artikel 8 van het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, aangenomen te Kampala op 10 juni 2010 tijdens de Herzieningsconferentie van het Statuut van Rome sluiten en gewijzigd bij de wet van 21 december 2017, artikel 9 en artikel 10, vervangen bij de wet van 25 juni 1992, bevat;5° hoofdstuk II van titel XX van boek III, dat de artikelen 2228 tot 2235 bevat;6° de artikelen 2236 tot 2240;7° artikel 2243;8° de artikelen 2265 tot 2269;9° artikel 2279, gewijzigd bij de wet van 22 juni 1953;10° artikel 2280. Art. 30.Artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten2, wordt opgeheven. Art. 31.In het Veldwetboek worden opgeheven: 1° de artikelen 29 tot 34;2° artikel 35, gewijzigd bij de wet van 8 april 1969;3° artikel 36;4° artikel 37;5° artikel 38, gewijzigd bij de wet van 8 april 1969;6° artikel 39. Art. 32.In het Belgisch Scheepvaartwetboek worden opgeheven: 1° artikel 2.2.4.2., 1° ; 2° artikel 3.2.2.2., 1°. Art. 33.De wet van 10 januari 1824Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000361 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van erfpacht type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000362 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van opstal sluiten over het recht van opstal, gewijzigd bij de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluiten2, wordt opgeheven. Art. 34.De wet van 10 januari 1824Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000361 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van erfpacht type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000362 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van opstal sluiten over het recht van erfpacht wordt opgeheven. Art. 35.De wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, gewijzigd bij de wetten van 30 november 1998 en 8 mei 2013, wordt opgeheven. Art. 36.De wet van 21 februari 1983 betreffende de verkoop van sommige achtergelaten voorwerpen wordt opgeheven. HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepalingen Art. 37.§ 1. Deze wet is van toepassing op alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na haar inwerkingtreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij partijen anders zijn overeengekomen, is deze wet niet van toepassing: 1° op de toekomstige gevolgen van rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden voor haar inwerkingtreding;2° op rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na haar inwerkingtreding die betrekking hebben op zakelijke rechten die ontstaan uit een rechtshandeling of rechtsfeit dat heeft plaatsgevonden voor haar inwerkingtreding. De bepalingen van deze wet kunnen geen afbreuk doen aan de rechten die zouden zijn verworven voor de inwerkingtreding van deze wet. § 2. Wanneer de verjaring is beginnen lopen voor de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringstermijnen waarin deze wet voorziet, begint de verjaring slechts te lopen vanaf deze inwerkingtreding. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan deze die van toepassing was voor de inwerkingtreding van deze wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38-157\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Elke overeenkomst die een opstalrecht vestigt of iedere andere overeenkomst die afwijkt van de verticale natrekking, die gesloten is vóór de inwerkingtreding van deze wet en die voldoet aan de vereisten als omschreven in artikel 3.180, tweede lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek wordt van rechtswege geacht een eeuwigdurend opstalrecht te vestigen, als deze is gesloten zonder bepaling van de duurtijd of voor een onbepaalde duurtijd. § 2. Elke overeenkomst die een opstalrecht vestigt of iedere andere overeenkomst die afwijkt van de verticale natrekking, die gesloten is vóór de inwerkingtreding van deze wet en die voldoet aan de vereisten als omschreven in artikel 3.180, tweede lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek waarvan de duurtijd langer is dan 50 jaar, maar de maximumduurtijd voorzien in artikel 3.180, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek niet overschrijdt, is geldig voor de contractueel overeengekomen duurtijd. HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding Art. 39.Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de achttiende maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 3.30, § 1, 3°, 3.30, § 1, 5°, 3.30, § 1, 7°, en 3.30, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2, treden in werking op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 juli 2022 Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegeven te Brussel, 4 februari 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">FILIP Van Koningswege : De Minister van Justitie, K. GEENS Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, K. GEENS _______ Nota (1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken: 55-173 Integraal Verslag : 30 januari 2020</p></div>", "next": 0}