{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. § 2. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 12°, b), een subsidie verkrijgen voor een grasbufferstrook langs een kwetsbaar landschapselement. De subsidie bedraagt 1025 euro per hectare aangelegde grasbufferstrook. § 3. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 2, als gedurende de verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de grasbufferstrook bestaat uit een strook met gras.Het aangrenzende perceel is bouwland, en mag geen perceel grasland zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlakte van de grasbufferstrook is kleiner dan de oppervlakte van dat aangrenzende perceel; 2° de grasbufferstrook ligt langs een kwetsbaar landschapselement;3° de grasbufferstrook wordt in het najaar van het jaar dat het verbintenisjaar voorafgaat, ingezaaid of is dan aanwezig;4° de grasbufferstrook wordt aangehouden tot en met 31 december van het verbintenisjaar.Deze voorwaarde is niet verplicht als in die periode op de grasbufferstrook een winterteelt ingezaaid wordt of als de grasbufferstrook, opnieuw aangelegd wordt; 5° de grasbufferstrook in kwestie heeft een minimale breedte van 6 meter over de hele lengte van de strook, en heeft een maximale breedte van 12 meter.Daarop gelden de volgende uitzonderingen: a) als de grasbufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt met een medium, een lage of een heel lage erosiegevoeligheid, heeft de grasstrook een minimale breedte van 6 meter over de hele lengte van de strook met een maximale breedte van 24 meter;b) als de grasbufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt met een zeer hoge of een hoge erosiegevoeligheid, heeft de grasbufferstrook een minimale breedte van 9 meter en een maximale breedte van 30 meter;6° de grasbufferstrook wordt minstens een keer per jaar gemaaid;7° als de grasbufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt, wordt de ploegvoor of ploegwal die aanwezig is tussen het perceel bouwland en de grasstrook, genivelleerd, zodat afstromend water optimaal over de grasstrook kan vloeien;8° de grasbufferstrook mag gebruikt worden als wendakker, op voorwaarde dat dat gebruik geen impact heeft op de bufferende functie en de grasbufferstrook voldoende ontwikkeld is: 9° op de grasbufferstrook is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en bemesting niet toegestaan;10° als de grasbufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt, mag er een plantaardige dam op aanwezig zijn;11° de landbouwer heeft de grasbufferstrook in eigen gebruik gedurende de verbintenistermijn;12° de landbouwer geeft de grasbufferstrook als apart perceel aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verbintenissen die worden afgesloten in 2023, geldt, als uitzondering op de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3°, dat de grasbufferstrook moet ingezaaid worden voor 1 mei 2023. § 4. De minister kan bijkomende teelttechnische voorwaarden en voorwaarden voor het beheer van de grasbufferstrook en het perceel bouwland bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Grasbufferstrook langs waterlopen Art. 79.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 12°, c), een subsidie verkrijgen voor een grasbufferstrook langs een waterloop. De subsidie bedraagt 945 euro per hectare aangelegde grasbufferstrook. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de grasbufferstrook bestaat uit een strook met gras.Het aangrenzende perceel is bouwland, en mag geen perceel grasland zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het perceel mag geen perceel zijn met een zeer hoge of een hoge erosiegevoeligheid. De oppervlakte van de grasbufferstrook is kleiner dan de oppervlakte van het aangrenzende perceel; 2° de grasbufferstrook ligt langs een waterloop;3° de grasbufferstrook ligt niet langs een perceel bouwland met een zeer hoge of een hoge erosiegevoeligheid;4° de grasbufferstrook wordt in het najaar van het jaar dat het verbintenisjaar voorafgaat, ingezaaid of is dan aanwezig;5° de grasbufferstrook wordt aangehouden tot en met 31 december van het verbintenisjaar.Deze voorwaarde is niet verplicht als in die periode op de grasbufferstrook een winterteelt ingezaaid wordt of als de grasbufferstrook, opnieuw aangelegd wordt; 6° de grasbufferstrook heeft een minimale breedte van 3 meter en een maximale breedte van 6 meter over de hele lengte van de strook;7° op de grasbufferstrook is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en bemesting niet toegestaan;8° de grasbufferstrook wordt minstens eenmaal per jaar gemaaid;9° als de grasbufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt, wordt de ploegvoor of ploegwal die aanwezig is tussen het perceel bouwland en de grasbufferstrook genivelleerd, zodat afstromend water optimaal over de grasbufferstrook kan vloeien;10° de landbouwer heeft de grasbufferstrook in eigen gebruik gedurende de verbintenistermijn;11° de landbouwer geeft de grasbufferstrook als apart perceel aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verbintenissen die worden afgesloten in 2023, geldt, als uitzondering op de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3°, dat de grasbufferstrook moet ingezaaid worden voor 1 mei 2023. § 2. De minister kan bijkomende teelttechnische voorwaarden en voorwaarden voor het beheer van de grasbufferstrook en het perceel bouwland bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Bufferstrook met graskruidenmengsel Art. 80.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 12°, d), een subsidie verkrijgen voor een bufferstrook, die wordt ingezaaid met een graskruidenmengsel. De subsidie bedraagt 1095 euro per hectare aangelegde bufferstrook. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de bufferstrook bestaat uit een strook die wordt ingezaaid met een graskruidenmengsel.Het aangrenzende perceel is bouwland. De oppervlakte van de bufferstrook is kleiner dan de oppervlakte van dat aangrenzende perceel; 2° de vegetatie op de bufferstrook kan duidelijk onderscheiden worden van de vegetatie op het perceel bouwland;3° de bufferstrook wordt in het najaar van het jaar dat het verbintenisjaar voorafgaat, ingezaaid of is dan aanwezig;4° de bufferstrook mag gemaaid worden, als voldaan is aan een van de volgende voorwaarden: a) het maaien gebeurt niet voor 15 juli van het verbintenisjaar;b) minstens een derde van de breedte van de strook wordt niet gemaaid;5° de bufferstrook wordt aangehouden tot en met 31 december van het verbintenisjaar.Deze voorwaarde is niet verplicht als in die periode op de bufferstrook een winterteelt ingezaaid wordt of als de bufferstrook opnieuw aangelegd wordt; 6° de bufferstrook in kwestie heeft een minimale breedte van 6 meter over de hele lengte van de strook, en heeft een maximale breedte van 18 meter.Daarop gelden de volgende uitzonderingen: a) de minimale breedte mag minder dan 6 meter zijn, als de oppervlakte van de strook minstens 0,3 hectare is.b) als de bufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt met een medium, een lage of een heel lage erosiegevoeligheid, heeft de bufferstrook een minimale breedte van 6 meter over de hele lengte van de strook met een maximale breedte van 24 meter;c) als de bufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt met een zeer hoge of een hoge erosiegevoeligheid, heeft de bufferstrook een minimale breedte van 9 meter en een maximale breedte van 30 meter op percelen;7° op de bufferstrook is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en bemesting niet toegestaan;8° als de bufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt, wordt de ploegvoor of ploegwal die aanwezig is tussen het perceel bouwland en de grasstrook genivelleerd, zodat afstromend water optimaal over de grasstrook kan vloeien.9° als de bufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt, mag er een plantaardige dam op aanwezig zijn;10° de landbouwer heeft de bufferstrook in eigen gebruik gedurende de verbintenistermijn;11° de landbouwer geeft de bufferstrook als apart perceel aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verbintenissen die worden afgesloten in 2023, geldt, als uitzondering op de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3°, dat de grasbufferstrook moet ingezaaid worden voor 1 mei 2023. § 3. De minister bepaalt de samenstelling van het graskruidenmengsel, vermeld in het eerste lid, en kan bijkomende teelttechnische en voorwaarden voor het beheer van de bufferstrook en het perceel bouwland bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 5. - Bufferstrook met bloemenmengsel Art. 81.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 12°, e), een subsidie verkrijgen voor een bufferstrook, die wordt ingezaaid met een bloemenmengsel. De subsidie bedraagt 1745 euro per hectare aangelegde bufferstrook. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de bufferstrook bestaat uit een strook die is ingezaaid met een bloemenmengsel.Het aangrenzende perceel is bouwland. De oppervlakte van de bufferstrook is kleiner dan de oppervlakte van dat aangrenzende perceel; 2° de vegetatie op de bufferstrook kan duidelijk onderscheiden worden van de vegetatie op het perceel bouwland;3° de bufferstrook is ingezaaid voor 1 mei van het verbintenisjaar;4° de bufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland met een lage tot een zeer hoge erosiegevoeligheid komt alleen in aanmerking voor subsidie als ook een verbintenis voor een grasbufferstrook in het kader van erosiebestrijding als vermeld in artikel 3, eerste lid, 12°, a), wordt aangegaan, en de landbouwer in aanmerking komt voor subsidie.De grasbufferstrook moet, in afwijking van artikel 77, § 2, 7°, in alle gevallen een minimale breedte hebben van 6 meter; 5° de bufferstrook wordt gemaaid in de periode tussen 15 september en 15 oktober van het verbintenisjaar;6° de bufferstrook wordt aangehouden tot en met 31 december van het verbintenisjaar.Deze voorwaarde is niet verplicht als in die periode op de bufferstrook een winterteelt ingezaaid wordt of als de bufferstrook opnieuw aangelegd wordt; 7° de bufferstrook in kwestie heeft een minimale breedte van 6 meter over de hele lengte van de strook, en heeft een maximale breedte van 18 meter.Daarop gelden volgende uitzonderingen: a) de minimale breedte mag minder dan 6 meter zijn, als de oppervlakte van de strook minstens 0,30 hectare is;b) als de bufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt met een medium, een lage of een heel lage erosiegevoeligheid, heeft de bufferstrook een minimale breedte van 6 meter over de hele lengte van de strook met een maximale breedte van 24 meter;c) als de bufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt met een hoge of zeer hoge erosiegevoeligheid, heeft de bufferstrook een minimale breedte van 9 meter over de hele lengte van de strook met een maximale breedte van 30 meter.8° op de bufferstrook is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en bemesting niet toegestaan;9° als de bufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt, wordt de ploegvoor of ploegwal die aanwezig is tussen het perceel bouwland en de bufferstrook, genivelleerd, zodat afstromend water optimaal over de grasstrook kan vloeien;10° als de bufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland ligt, mag er een plantaardige dam op aanwezig zijn;11° de landbouwer heeft de bufferstrook in kwestie in eigen gebruik gedurende de verbintenistermijn;12° de landbouwer geeft de bufferstrook als apart perceel aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister bepaalt de samenstelling van het bloemenmengsel, vermeld in paragraaf 2, 1°, en kan bijkomende teelttechnische voorwaarden en voorwaarden voor het beheer van de strook en het perceel bouwland bepalen. HOOFDSTUK 1 3. - De toepassing van mechanische onkruidbestrijding Afdeling 1. - De verbintenis</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 13°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar De verbintenis, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten per perceel. Afdeling 2. - De voorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 83</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 13°, een subsidie verkrijgen voor de toepassing van mechanische onkruidbestrijding. De subsidie bedraagt 310 euro per hectare. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in de eerste paragraaf, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de landbouwer past mechanische onkruidbestrijding toe op het perceel in kwestie, zowel op de voor-, hoofd- als nateelt.De toepassing is niet verplicht op de nateelt, als die ook de hoofdteelt van het volgende jaar is; 2° bij de toepassing van de bestrijding, vermeld in punt 1°, is het gebruik van herbiciden en bodemontsmettingsmiddelen niet toegelaten;3° op de volledige oppervlakte van het perceel in kwestie is een openluchtteelt aanwezig, met uitzondering van grasland, grasklaver, klaver, luzerne, grasluzerne, vlinderbloemige mengsels, miscanthus en bebossing;4° de landbouwer kan het gebruik van mechanische onkruidbestrijding aantonen;5° de landbouwer houdt per teelt een teeltfiche bij met de actuele gegevens van de onkruidbestrijding;6° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de voor-, hoofd- en nateelt;7° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor de subsidie, vermeld in artikel 82, moet de mechanische onkruidbestrijding toegepast worden op minstens 0,50 hectare van het bedrijf De landbouwer mag een verbintenis sluiten voor verschillende percelen overeenkomstig artikel 82 en 83 om aan de oppervlaktevoorwaarde te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een of meerdere percelen niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 83, § 2, zal hij alleen een subsidie ontvangen voor de percelen die wel voldoen aan de voorwaarden, op voorwaarde dat die laatst vermelde percelen een totale oppervlakte van minstens 0,50 hectare hebben. HOOFDSTUK 1 4. - De toepassing van erosiebestrijdende teelttechnieken Afdeling 1. - De verbintenis</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 85</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 14°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar De verbintenis, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten per perceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De landbouwer kan maar een van de maatregelen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 14°, a) tot en met c), toepassen op een perceel. Afdeling 2. - De voorwaarden Onderafdeling 1. - De aanleg van drempels tussen de ruggen bij ruggenteelten Art. 86.§ 1.Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 14°, a), een subsidie verkrijgen voor de aanleg van drempels tussen de ruggen van ruggenteelten. De subsidie bedraagt 25 euro per hectare. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 2, als gedurende de verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° het perceel in kwestie heeft een medium, een lage of een heel lage erosiegevoeligheid;2° er is een ruggenteelt aanwezig op het perceel in kwestie;3° op het perceel in kwestie worden op regelmatige afstand drempels dwars aangelegd tussen de ruggen;4° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;5° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;6° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. § 3. De minister kan de teelttechnische voorwaarden, en de voorwaarden voor de aanleg en het beheer van de drempels bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - De toepassing van niet-kerende bodembewerking met bodembedekking Art. 87.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 14°, b), een subsidie verkrijgen voor de toepassing van niet-kerende bodembewerking met bodembedekking. De subsidie bedraagt 60 euro per hectare. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° het perceel in kwestie heeft een medium, een lage of een heel lage erosiegevoeligheid;2° op het volledige perceel in kwestie wordt de bodem niet kerend bewerkt bij de inzaai van de hoofdteelt;3° op het perceel in kwestie zijn geen ruggenteelten aanwezig;4° op het perceel in kwestie zijn op het moment van de niet-kerende bodembewerking voldoende gewasresten aanwezig;5° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;6° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;7° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. § 3. De minister kan de teelttechnische voorwaarden en de voorwaarden voor het beheer bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Het vollevelds inzaaien van maïs Art. 88.§ 1. In dit artikel wordt verstaan onder vollevelds inzaaien: de inzaai van maïs met een gangbare zaaihoeveelheid mais per hectare, waarbij de afstand tussen de rijen niet meer dan 25 centimeter bedraagt. § 2. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 14°, c), een subsidie verkrijgen voor het vollevelds inzaaien van maïs. De subsidie bedraagt 25 euro per hectare. § 3. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° het perceel in kwestie heeft een medium, een lage of een heel lage erosiegevoeligheid;2° op het volledige perceel in kwestie wordt maïs vollevelds ingezaaid;3° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;4° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;5° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. § 4. De minister kan de teelttechnische voorwaarden en de voorwaarden voor het beheer bepalen. HOOFDSTUK 1 5. - De toepassing van vruchtafwisseling met vlinderbloemigen Afdeling 1. - De verbintenis</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 89</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 15°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar De verbintenis, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten per perceel. Afdeling 2. - De voorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 90</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 15°, een subsidie verkrijgen voor de toepassing van vruchtafwisseling met vlinderbloemigen. De subsidie bedraagt 108 euro per hectare. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° het perceel in kwestie is in het jaar van de verbintenisaanvraag en in de twee jaar die voorafgaan aan dat jaar, als bouwland aangegeven in de verzamelaanvraag;2° het perceel is in het jaar van de verbintenisaanvraag en in minstens twee van de vier voorafgaande jaren in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt door de aanvrager van de subsidie.Van die voorwaarde kan alleen worden afgeweken als het perceel is overgenomen in het kader van een volledige bedrijfsovername; 3° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. § 3 De landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als tijdens het verbintenisjaar en de vier voorgaande jaren hoofdteelten zijn ingezaaid uit minstens drie verschillende vruchtafwisselingsgroepen waarvan minstens een keer uit de vlinderbloemigengroep of uit de groep van mengsels en mengteelten met vlinderbloemigen. § 4. De minister bepaalt de vruchtafwisselingsgroepen, vermeld in paragraaf 3, en kan de teelten die hiertoe behoren, de teelttechnische voorwaarden, de zaaidichtheid, en de voorwaarden voor het beheer bepalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 91</span><span class=\"lf-art-t\">Om in aanmerking te komen voor de subsidie, vermeld in artikel 89, moet de vruchtafwisseling toegepast worden op minstens 0,50 hectare van het bedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De landbouwer mag een verbintenis afsluiten voor verschillende percelen overeenkomstig artikel 89 en 90, om aan de oppervlaktevoorwaarde te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een of meerdere percelen niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 90, § 2, zal hij alleen een subsidie ontvangen voor de percelen die wel voldoen aan de voorwaarden, op voorwaarde dat die laatst vermelde percelen een totale oppervlakte van minstens 0,50 hectare hebben. HOOFDSTUK 1 6. - De toepassing van precisielandbouw Afdeling 1. - De verbintenis</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 16°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar. § 2. De verbintenis voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 16°, a), wordt gesloten voor alle subsidiabele hectaren van de landbouwer die in het Vlaamse Gewest liggen, en alle subsidiabele hectaren, die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest liggen, met uitzondering van: 1° het areaal met teelten op percelen waarvoor een beheerovereenkomst gesloten is, met uitzondering van de beheerovereenkomst waterkwaliteit;2° het areaal met teelten waarvoor de toediening van gewasbeschermingsmiddelen en korrelmeststoffen via precisielandbouw onvoldoende ontwikkeld is;3° het areaal met teelten waarop teelttechnieken worden toegepast die door hun aard de toepassing van precisielandbouw uitsluiten;4° percelen met grasland en meerjarige voedergewassen die in het kader van de biologische productiemethode zijn aangemeld en onder controle zijn van een controleorgaan dat erkend is door de Vlaamse overheid op basis van artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/12/2008 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/02/2009 numac 2009035162 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de biologische productie en de etikettering van biologische producten sluiten betreffende de biologische productie en de etikettering van biologische producten, en die niet gedeclasseerd zijn als gevolg van een inbreuk tijdens de hoofdteelt. De minister kan de teelten en de teelttechnieken, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, bepalen. § 3. De verbintenis voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 16°, b), wordt gesloten per perceel. De landbouwer kan voor een perceel maar een keer een subsidie ontvangen voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, b), 3) in een periode van drie jaar. Afdeling 2. - De voorwaarden Onderafdeling 1. - Precisielandbouw via automatische (RTK-)gps-aansturing Art. 93.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 16°, a), een subsidie verkrijgen voor de toediening door precisielandbouw via automatische gps-aansturing of RTK-gps-aansturing van de volgende middelen op de hoofdteelt: 1° gewasbeschermingsmiddelen;2° korrelmeststoffen. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als minstens 80 % van de verbintenisoppervlakte wordt behandeld, als vermeld in paragraaf 1. § 3. De subsidie, vermeld in paragraaf 1, wordt slechts uitbetaald voor maximaal 100 hectare en alleen voor de percelen waarop de maatregel daadwerkelijk is toegepast. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de landbouwer op ieder perceel in kwestie minstens een van de middelen, vermeld in paragraaf 1, toedient door precisielandbouw via automatische gps-aansturing, wordt de subsidie, met toepassing van paragraaf 3, op de volgende wijze berekend: 1° een bedrag van maximaal 60 euro per hectare voor de eerste 10 hectare;2° een bedrag van maximaal 35 euro per hectare voor de volgende 10 hectare;3° een bedrag van maximaal 7 euro per hectare voor de volgende 80 hectare. Als de landbouwer op ieder perceel in kwestie de beide middelen, vermeld in paragraaf 1, toedient door precisielandbouw via automatische gps-aansturing, wordt de subsidie, met toepassing van paragraaf 3, op de volgende wijze berekend: 1° een bedrag van maximaal 75 euro per hectare voor de eerste 10 hectare;2° een bedrag van maximaal 50 euro per hectare voor de volgende 10 hectare;3° een bedrag van maximaal 10 euro per hectare voor de volgende 80 hectare. § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de landbouwer op ieder perceel in kwestie minstens een van de middelen, vermeld in paragraaf 1, toedient door precisielandbouw via automatische RTK-gps-aansturing, wordt de subsidie, met toepassing van paragraaf 3, op de volgende wijze berekend: 1° een bedrag van maximaal 75 euro per hectare voor de eerste 10 hectare;2° een bedrag van maximaal 50 euro per hectare voor de volgende 10 hectare;3° een bedrag van maximaal 10 euro per hectare voor de volgende 80 hectare. Als de landbouwer op ieder perceel in kwestie de beide middelen, vermeld paragraaf 1, toedient door precisielandbouw via automatische RTK-gps-aansturing, wordt de subsidie, met toepassing van paragraaf 3, op de volgende wijze berekend: 1° een bedrag van maximaal 90 euro per hectare voor de eerste 10 hectare;2° een bedrag van maximaal 65 euro per hectare voor de volgende 10 hectare;3° een bedrag van maximaal 15 euro per hectare voor de volgende 80 hectare. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de landbouwer gewasbeschermingsmiddelen toedient via precisielandbouw als vermeld in paragraaf 1, is hij verplicht om vloeibare kunstmeststoffen die hij wil gebruiken, ook toe te dienen via die techniek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 94</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 93, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° als op de percelen waarop de verbintenis betrekking heeft, korrelmeststoffen worden toegediend via automatische (RTK-)gps-aansturing, is het kant afstrooien verplicht bij het strooien van die korrelmeststoffen op grasland en op percelen met akkerbouwteelten, voor er kan worden geplant of gezaaid, tenzij gebruikgemaakt wordt van een pneumatische strooier;2° de landbouwer houdt voor ieder perceel waarop de verbintenis betrekking heeft, een perceelfiche of teeltfiche bij waarin elke uitgevoerde handeling in het kader van de maatregel op het perceel of de percelen wordt opgenomen, met vermelding van de identificatie van het perceel, de hoofdteelt, de datum van elke handeling, de aard van de handeling, het gps-type (RTK of niet), het merk van de gps en de uitvoerder van de handeling;3° de landbouwer kan bij een controle aantonen dat de nodige machines onmiddellijk ter beschikking zijn met functionerende besturing;4° de landbouwer heeft minstens een betalingsrecht geactiveerd overeenkomstig artikel 20 van het besluit van 21 april 2023;5° de landbouwer heeft de percelen in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt tijdens de verbintenistermijn;6° de landbouwer geeft de percelen in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3°, is niet van toepassing als een loonwerker de precisielandbouw uitvoert en de landbouwer bij de controle de facturen van de loonwerker op zijn naam, met vermelding van elke uitgevoerde handeling, de datum van de handeling, het gps-type (RTK of niet), het merk van de gps en de verklaring dat de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, is nageleefd, kan voorleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister kan bijkomende voorwaarden voor de perceelfiche en teeltfiche, vermeld in het eerste lid, 2°, bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Precisielandbouw door opmaak van een taakkaart en plaatsspecifieke bekalking Art. 95.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 16°, b), een subsidie verkrijgen voor de aanmaak van een taakkaart en de plaatsspecifieke bekalking per perceel op basis van de taakkaart. De subsidie bedraagt 100 euro per hectare. § 2. De landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de taakkaart is opgemaakt vanaf 30 september 2021 en mag niet ouder zijn dan drie jaar bij de start van de verbintenis;2° op basis van de taakkaart werd niet eerder een subsidie verleend voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 16°, b), of de maatregel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, c), van het besluit van 10 september 2021;3° het perceel in kwestie wordt plaatsspecifiek bekalkt gedurende de verbintenistermijn en op basis van de taakkaart, vermeld in punt 1;4° de landbouwer houdt een perceelfiche bij waarin elke uitgevoerde handeling in het kader van de maatregel wordt opgenomen, met vermelding van de identificatie van het perceel, de datum van elke handeling, het merk van de gps en de uitvoerder van de handeling;5° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;6° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt tijdens de verbintenistermijn;7° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet;8° als een loonwerker de plaatsspecifieke bekalking uitvoert, moet de landbouwer bij de controle de facturen van de loonwerker op zijn naam, met vermelding van elke uitgevoerde bekalking, de datum van de bekalking en het merk van de gps kunnen voorleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister kan bijkomende voorwaarden voor de perceelfiche, vermeld in het eerste lid, 4°, bepalen. HOOFDSTUK 1 7. - Het actieve gebruik van het bodempaspoort Afdeling 1. - De verbintenis</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 96</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 17°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar De verbintenis, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten voor alle subsidiabele hectaren van de landbouwer, die in het Vlaamse Gewest liggen, en alle subsidiabele hectaren van de landbouwer, die in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest liggen. Afdeling 2. - De voorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 97</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1.Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 17°, een subsidie verkrijgen voor het actieve gebruik van het bodempaspoort. § 2. De subsidie, vermeld in paragraaf 1, wordt slechts uitbetaald voor maximaal 100 hectare van de verbintenisoppervlakte en wordt op de volgende wijze berekend: 1° een bedrag van maximaal 15 euro per hectare voor de eerste 20 hectare;2° een bedrag van maximaal 10 euro per hectare voor de volgende 25 hectare;3° een bedrag van maximaal 5 euro per hectare voor de volgende 55 hectare. § 3. De landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de maatregel wordt toegepast op alle percelen in kwestie;2° op de eerste 10 hectare worden op minstens twee percelen bodemanalyses uitgevoerd om het organischekoolstof-, fosfor- en kaliumgehalte, en de zuurtegraad te bepalen;3° op iedere volgende 10 hectare worden op minstens een perceel bodemanalyses uitgevoerd om het organischekoolstof-, fosfor- en kaliumgehalte en de zuurtegraad te bepalen;4° de landbouwer zorgt ervoor dat de bodemanalyses, vermeld in punt 2° en 3°, beschikbaar zijn via het bodempaspoort;5° de landbouwer heeft een verbintenis afgesloten voor minstens een van de maatregelen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 7°, a) en b), 11°, 12°, a), 13° tot en met 16°, en vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot het verlenen van subsidies voor de aanplant en het onderhoud van boslandbouwsystemen, en komt in aanmerking voor de subsidie in kwestie;6° de landbouwer heeft minstens een betalingsrecht geactiveerd overeenkomstig artikel 20 van het besluit van 21 april 2023;7° de landbouwer heeft alle percelen in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt In afwijking van het eerste lid, punten 2° en 3°, moet de landbouwer: 1° die slechts beschikt over één perceel, waarvan de oppervlakte kleiner of gelijk is aan 5 hectare, een bodemanalyse uitvoeren;2° die slechts beschikt over één perceel, waarvan de oppervlakte groter is dan 5 hectare, maar kleiner of gelijk aan 10 hectare, twee bodemanalyses uitvoeren;3° die slechts beschikt over één perceel, waarvan de oppervlakte groter is dan 10 hectare, twee bodemanalyses uitvoeren op de eerste 10 hectare, en moet hij op iedere volgende 10 hectare een bodemanalyse uitvoeren;4° waarvan alle percelen groter zijn dan 10 hectare, twee bodenanalyses uitvoeren op de eerste 10 hectare en moet hij op iedere volgende 10 hectare minstens een bodemanalyse uitvoeren;5° die beschikt over meerdere percelen waarbij elke combinatie van twee percelen samen meer dan 10 hectare vormt, twee bodenanalyses uitvoeren op de eerste 10 hectare en moet hij op iedere volgende 10 hectare minstens een bodemanalyse uitvoeren. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister kan bijkomende voorwaarden voor de bodemanalyses en de datum, waarop deze analyses ten laatste beschikbaar moeten zijn via het bodempaspoort, bepalen. HOOFDSTUK 1 8. - De reductie van antibioticagebruik Afdeling 1. - De verbintenis</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 98</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 18°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar De verbintenis, vermeld in het eerste lid, kan enkel gesloten worden voor een actief vleeskalver- of pluimvee- of varkensbeslag dat aan de landbouwer toebehoort, en waarbij het adres van dat beslag in het Vlaamse Gewest ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verbintenis, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten per diercategorie en kan maximaal drie keer worden aangegaan. De laatste verbintenis moet uiterlijk worden gesloten binnen de twee jaar na de eerste verbintenis. Afdeling 2. - De voorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 99</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In dit artikel wordt verstaan onder BD100-waarde: het aantal behandeldagen met antibiotica per honderd dagen voor een diercategorie, berekend in het kader van het Belgisch nationaal actieplan \"One Health\" voor de bestrijding van antimicrobiële resistentie Voor dit besluit gelden de volgende diercategorieën: 1° biggen niet-gespeend;2° biggen gespeend;3° vleesvarkens;4° fokvarkens;5° vleeskalveren;6° vleeskippen;7° leghennen. § 2. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 18°, een subsidie verkrijgen van maximaal 2600 euro per verbintenisjaar om het gebruik van antibiotica op zijn bedrijf te verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De landbouwer ontvangt de subsidie, vermeld in het eerste lid, voor elke diercategorie, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 5° tot en met 7°, waarvoor hij de verbintenis afsluit en waarbij hij de verbetering, vermeld in paragraaf 3, voor dat jaar behaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De landbouwer ontvangt maar een keer de subsidie, vermeld in het eerste lid, voor alle diercategorieën, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° tot en met 4°, samen. Hij moet de verbintenis afsluiten voor elk van die diercategorieën en de verbetering, vermeld in paragraaf 3, voor elk van die diercategorieën voor dat jaar behalen om in aanmerking te komen voor die subsidie. § 3. Voor de eerste verbintenistermijn moet de BD100-waarde in die periode voor de diercategorie in kwestie met minstens 10% verbeterd zijn ten opzichte van de gemiddelde BD100-waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het tweede jaar dat volgt op de referentieperiode moet de BD100-waarde in die verbintenisperiode voor de diercategorie in kwestie met minstens 20% verbeterd zijn ten opzichte van de gemiddelde BD100-waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het derde jaar dat volgt op de referentieperiode moet de BD100-waarde in die verbintenisperiode voor de diercategorie in kwestie met minstens 30% verbeterd zijn ten opzichte van de gemiddelde BD100-waarde. § 4. De minister bepaalt hoe de gemiddelde BD-100 waarde wordt berekend en wat de referentieperiode is. Hij kan voorwaarden bepalen waaraan de dieren en diercategorieën moeten voldoen, en kan de diercategorieën verder indelen in subcategorieën en daarvoor bijkomende voorwaarden bepalen. Art. 100.De bevoegde entiteit onderzoekt de naleving van de voorwaarden onder meer op basis van de BD100-waarde en de gemiddelde BD100-waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De landbouwer die een verbintenis wil sluiten overeenkomstig artikel 98, moet ervoor zorgen dat de bevoegde entiteit over de nodige informatie beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 4. - Stopzetten of opschorten van de verbintenis Art. 101.§ 1. De bevoegde entiteit kan in de gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden, vermeld in verordening (EU) 2021/2116, beslissen dat de verbintenis voor het jaar in kwestie helemaal niet of alleen gedeeltelijk hoeft te worden uitgevoerd. In geval van een meerjarige verbintenis moet de verbintenis in kwestie dan vanaf het volgende jaar voor de nog resterende looptijd integraal verder worden uitgevoerd. Als het om redenen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is de verbintenis het volgende jaar integraal verder uit te voeren, kan de verbintenis gedeeltelijk worden uitgevoerd. Als de gedeeltelijke uitvoering evenmin mogelijk is, zal de verbintenis worden verbroken zonder dat de al ontvangen steun volledig of gedeeltelijk wordt teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met uitzondering van het geval van overmacht, vermeld in artikel 3, eerste lid, c), van Verordening (EU) nr. 2021/2116, wordt voor het jaar waarvoor overmacht aanvaard is, geen subsidie uitbetaald. § 2. Een meerjarige verbintenis kan alleen voortijdig worden beëindigd of opgeschort zonder dat dat de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de door de landbouwer ontvangen steun tot gevolg heeft als een van de volgende voorwaarden is vervuld: 1° er is sprake van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden;2° het volledige areaal of een deel van het areaal dat onder de verbintenis of de verbintenissen voor eenzelfde maatregel valt, of het volledige bedrijf wordt definitief overgedragen gedurende de looptijd van de verbintenis.De verbintenis, of het deel ervan dat overeenstemt met de areaaloverdracht, kan worden overgenomen door de overnemer of kan vervallen. Een verbintenis kan niet overgedragen worden als het bedrijf van de overlater geschorst is overeenkomstig artikel 56, 8° en 9° van het besluit van 29 oktober 2021;3° het bedrijf of een deel ervan wordt herkaveld en valt binnen een ruilverkaveling van overheidswege of valt binnen een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde ruilverkaveling.De verbintenis kan dan aangepast worden aan de nieuwe bedrijfssituatie of wordt beëindigd als die aanpassing niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 5. - Controles en sancties HOOFDSTUK 1. - Definities en algemene bepalingen Art. 102.In deze titel wordt verstaan onder: 1° aangegeven dieren: dieren waarvoor in het kader van een diergebonden maatregel een steun- of betalingsaanvraag is ingediend;2° geconstateerd dier: een dier waarvoor aan alle gestelde voorwaarden die gekoppeld zijn aan het dier, is voldaan;3° gewasgroep: een groep voor elk van de arealen die worden aangegeven voor de toepassing van een andere areaalgebonden maatregel.Indien binnen dezelfde areaalgebonden maatregel verschillende steunbedragen gelden worden deze ook als aparte groep beschouwd behalve in het geval van degressieve steunbedragen. Als hetzelfde areaal als basis voor een steunaanvraag of een betalingsaanvraag in het kader van meer dan een areaalgebonden maatregel dient, wordt dat areaal voor elk van die maatregelen afzonderlijk in aanmerking genomen; 4° geconstateerd areaal: het areaal waarvoor is voldaan aan alle subsidiabiliteitscriteria of andere verplichtingen die verband houden met de voorwaarden voor de verlening van de steun. Art. 103.De bevoegde entiteit is verantwoordelijk voor de coördinatie en voor de uitvoering van de controles, vermeld in verordening (EU) 2021/2115, verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controles, vermeld in het eerste lid, bestaan uit administratieve controles, opvolging door monitoringtechnieken, met in begrip van het areaalmonitoringsysteem, vermeld in artikel 65, vierde lid, d), van verordening (EU) 2021/2116, en controles ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde entiteit kan het voorwerp van de verbintenis, de verbintenisaanvraag, de verbintenisvoorwaarden en de eisen en normen die in het kader van de conditionaliteit relevant zijn, controleren, en kan de nodige vaststellingen over het nakomen van de verbintenis doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde entiteit kan rekening houden met vaststellingen die andere bevoegde autoriteiten gedaan hebben bij de uitoefening van de opdrachten die hun wettelijk toegewezen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde entiteit kan de uitvoering van de controles overdragen aan derden. Art. 104.Als de bevoegde entiteit naar aanleiding van een controle vaststelt dat niet voldaan is aan een van de voorwaarden, neemt ze die vaststelling op in het verbintenisjaar waarvoor de controle is uitgevoerd, en, als de vaststelling daarvoor relevant is, ook in de drie voorafgaande verbintenisjaren. HOOFDSTUK 2. - Verantwoordingsstukken Art. 105.De minister kan bepalen over welke verantwoordingsstukken en informatie de landbouwer moet beschikken. Art. 106.De landbouwer houdt alle verantwoordingsstukken die bij dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgelegd, op zijn bedrijf ter beschikking voor controle tot minimaal tien jaar na de laatste betaling voor de verbintenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde entiteit kan op elk ogenblik de documenten en de stukken, vermeld in het eerste lid, en bijkomende informatie opvragen. In dat geval bezorgt de landbouwer de gevraagde stukken of informatie onmiddellijk aan de bevoegde entiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de landbouwer de gevraagde stukken of informatie niet of niet onmiddellijk bezorgt, of als de stukken of informatie onvolledig of foutief zijn, kan de bevoegde entiteit de verbintenis-, steun- of betalingsaanvraag volledig of gedeeltelijk weigeren. HOOFDSTUK 3. - Controles ter plaatse Art. 107.De controles ter plaatse mogen worden aangekondigd op voorwaarde dat het doel of de doeltreffendheid ervan daardoor niet in het gedrang komt. De periode tussen de aankondiging en de controle wordt strikt beperkt tot het noodzakelijke minimum en bedraagt niet meer dan veertien dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor controles ter plaatse met betrekking tot steunaanvragen voor dieren bedraagt de periode tussen de aankondiging en de controle evenwel, behalve in gemotiveerde gevallen, niet meer dan 48 uur. Als de regelgeving voor eisen en normen die relevant zijn voor de conditionaliteit, voorschrijft dat controles ter plaatse onaangekondigd moeten worden uitgevoerd, gelden die voorschriften ook als voor de controles ter plaatse van een verbintenis de eisen en normen in kwestie relevant zijn. Art. 108.De controles ter plaatse worden uitgevoerd op basis van een steekproef.</p>\n<p class=\"lf-p\">De steekproef van de te controleren landbouwers wordt genomen per maatregel of per groep van maatregelen, met inbegrip van de maatregel het onderhoud van boslandbouwsystemen als vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot het verlenen van subsidies voor de aanplant en het onderhoud van boslandbouwsystemen. Art. 109.Als een verbintenisvoorwaarde, een subsidiabiliteitsvoorwaarde of een conditionaliteitsverplichting opgevolgd wordt via monitoringstechnieken, met inbegrip van het areaalmonitoringsysteem, vermeld in artikel 65, lid 4, b), van verordening (EU) 2021/2116, verricht de bevoegde entiteit, als dat nodig is en om te concluderen of voldaan is aan de voorwaarde, passende follow-upactiviteiten. HOOFDSTUK 4. - Administratieve sancties als vermeld in verordening (EU) 2021/2115 en verordening (EU) 2021/2116 Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De bevoegde entiteit staat in voor het bepalen en opleggen van de administratieve sancties, vermeld in verordening (EU) 2021/2115, verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan. § 2. In de volgende gevallen kan de bevoegde entiteit een of meer van de administratieve sancties, vermeld in paragraaf 1, opleggen: 1° de voorwaarden, waaronder de subsidie is verleend, worden niet nageleefd;2° de landbouwer beschikt niet over de vereiste bewijsstukken, die correct en volledig moeten zijn, of bezorgt de gevraagde bewijsstukken of informatie niet of niet onmiddellijk aan de bevoegde entiteit;3° de controle wordt verhinderd;4° de landbouwer heeft valse informatie verstrekt of kunstmatig voorwaarden gecreëerd om steun te ontvangen;5° de steun- of betalingsaanvraag is onvolledig of niet tijdig ingediend;6° de aangegeven oppervlakte is groter dan de geconstateerde oppervlakte, waardoor er sprake is van overaangifte;7° de aangegeven oppervlakte is kleiner dan de geconstateerde oppervlakte;8° de landbouwer heeft niet alle percelen die hij in eigen gebruik heeft in dat jaar, aangegeven in de verzamelaanvraag, waardoor er sprake is van onderaangifte;9° de verzamelaanvraag is niet tijdig ingediend;10° het aangegeven aantal dieren is groter dan het geconstateerde aantal dieren;11° het aangevraagde subsidiebedrag is hoger dan het bedrag waarop de landbouwer recht heeft. § 3 De administratieve sancties, vermeld in paragraaf 1, kunnen een van de volgende vormen aannemen: 1° een vermindering van het aan steun uit te keren bedrag, al dan niet beperkt tot de steun- of betalingsaanvraag waarop de niet-naleving van toepassing is, dan wel op volgende aanvragen, van zowel de subsidie waarop de niet-naleving betrekking heeft als van andere subsidies die de betrokken landbouwer van de bevoegde entiteit ontvangt;2° de schorsing of intrekking van een goedkeuring, erkenning of toelating;3° de uitsluiting van het recht om aan de steunregeling of steunmaatregel in kwestie of aan een andere maatregel deel te nemen of die te genieten, zowel in het jaar van de vaststelling als in het jaar nadien. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de landbouwer geen recht heeft op de steun en die al is uitbetaald, vordert de bevoegde entiteit de reeds uitbetaalde steun geheel of gedeeltelijk terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingevorderde bedragen worden binnen maximaal zestig dagen betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betalingstermijn wordt opgenomen in de invorderingsbrief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rente over de bedragen, vermeld in het eerste lid, wordt berekend voor de periode tussen de datum waarop de betalingstermijn in de invorderingsbrief, vermeld in het tweede lid, verstrijkt, en de datum van de terugbetaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de rente, vermeld in het derde lid, wordt de wettelijke rentevoet, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 mei 1865Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/05/1865 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/09/2011 numac 2011000565 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de lening tegen intrest sluiten betreffende de lening tegen interest, toegepast. § 5. De administratieve sancties, vermeld in paragraaf 1, zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend en staan in verhouding tot de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving, overeenkomstig artikel 59 van verordening (EU) 2021/2116, binnen de volgende grenzen: 1° het bedrag van de sanctie, vermeld in paragraaf 3, 1°, is niet hoger dan 200 % van het bedrag van de steun- of betalingsaanvraag.Als het bedrag van de sanctie meer dan 100% is, kan dat worden verrekend in het kalenderjaar van de vaststelling en in de drie kalenderjaren die daarop volgen. Als dat niet volledig verrekend kan worden, vervalt het saldo dat nog uitstaat; 2° de schorsing en intrekking, vermeld in paragraaf 3, 2°, beslaat ten hoogste een periode van drie opeenvolgende jaren die in geval van een nieuwe niet-naleving kan worden verlengd. Afdeling 2. - Berekening van steun en administratieve sancties bij te hoge en te lage aangifte voor areaalgebonden maatregelen Art. 111.§ 1 Voor steun- en betalingsaanvragen in het kader van areaalgebonden steunregelingen geldt, onverminderd de mogelijkheid om bijkomende administratieve sancties als vermeld in artikel 110 op te leggen, het volgende: 1° als het geconstateerde areaal van een gewasgroep groter blijkt dan het areaal dat in de steunaanvraag aangegeven is, wordt de steun berekend op basis van het aangegeven areaal;2° als het geconstateerde areaal van een gewasgroep kleiner blijkt dan het areaal dat in de steunaanvraag aangegeven is, wordt de steun berekend op basis van het areaal dat voor die gewasgroep geconstateerd is. § 2. Als voor een gewasgroep het areaal dat in het kader van een areaalgebonden steunregeling is aangegeven zoals vermeld in artikel 110, § 2, 6°, groter dan het geconstateerde areaal is, wordt, onverminderd de mogelijkheid om bijkomende administratieve sancties als vermeld in artikel 110 op te leggen, het steunbedrag als volgt berekend: 1° als het verschil tussen het geconstateerde areaal en het aangegeven areaal meer dan 3% of twee hectare is, maar niet meer dan 20 % van het geconstateerde areaal is, wordt het steunbedrag berekend op basis van het geconstateerde areaal, dat verlaagd wordt met twee keer het verschil;2° als het verschil tussen het geconstateerde areaal en het aangegeven areaal meer dan 20 % van het geconstateerde areaal bedraagt, wordt voor de gewasgroep geen areaalgebonden steun verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het verschil tussen het geconstateerde areaal en het aangegeven areaal meer dan 50 % van het geconstateerde areaal bedraagt, wordt bijkomend een sanctie opgelegd, die gelijk is aan het bedrag aan steun dat overeenstemt met het verschil tussen het aangegeven areaal en het geconstateerde areaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De extra sanctie, vermeld in het tweede lid, wordt verrekend met alle betalingen waarop de landbouwer recht heeft in de drie kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar van de vaststelling. Als het bedrag niet verrekend kan worden, vervalt het. Art. 112.In geval van niet-aangifte van alle arealen in de verzamelaanvraag zoals vermeld in artikel 110, § 2, 8°, en als het verschil tussen het totale aangegeven areaal enerzijds, en de som van het aangegeven areaal en het totale areaal van niet-aangegeven percelen anderzijds, groter dan 3% van het aangegeven areaal is, wordt de betaling voor alle areaalgebonden maatregelen, vermeld in dit besluit, die in dat jaar aan de landbouwer moeten worden betaald, verlaagd afhankelijk van de ernst van het verzuim: 1° met 3% als het verschil groter dan 20% is;2° met 2% als het verschil groter dan 10% is, maar kleiner is dan of gelijk is aan 20%;3° met 1% als het verschil groter dan 3% is, maar kleiner is dan of gelijk is aan 10%. Art. 113.In dit artikel wordt verstaan onder werkdag: een dag die geen zaterdag, zondag, of wettelijke of decretale feestdag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve in geval van overmacht en in uitzonderlijke omstandigheden wordt, indien de verzamelaanvraag waarin een steun- of betalingsaanvraag in is opgenomen, is ingediend na de uiterste indieningsdatum als vermeld in artikel 7 van het ministerieel besluit van 23 juni 2015Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/06/2015 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/2015 numac 2015035918 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten, een verlaging met 1% per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt ook voor documenten, contracten of andere verklaringen die bij de bevoegde entiteit moeten worden ingediend, als die documenten, contracten of verklaringen onmisbaar zijn om voor de betrokken steun in aanmerking te komen. In dat geval wordt de verlaging toegepast op het bedrag dat betaald zou zijn voor de steun in kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de uiterste indieningsdatum met meer dan 25 dagen overschreden wordt, wordt de aanvraag niet ontvankelijk geacht en wordt er geen steun aan de landbouwer verleend. Afdeling 3. - Berekening van steun en administratieve sancties bij te hoge aangifte voor diergebonden maatregelen of niet-naleving van de voorwaarden Art. 114.Als het aantal dieren dat in een steun- of een betalingsaanvraag in het kader van een diergebonden maatregel aangegeven is, groter is dan het aantal dat geconstateerd is bij administratieve controles of controles ter plaatse, wordt, onverminderd de mogelijkheid om bijkomende administratieve sancties als vermeld in artikel 110, op te leggen, de steun berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dieren die gedurende het verbintenisjaar zijn overgebracht naar een andere plaats dan de plaats die is aangegeven in de laatste verzamelaanvraag van de landbouwer, worden toch als geconstateerd beschouwd als zij bij de controle ter plaatse onmiddellijk zijn gelokaliseerd op het bedrijf. Art. 115.§ 1. Als een niet-naleving met betrekking tot de identificatie- en registratieregeling voor runderen, schapen of geiten wordt vastgesteld, geldt het volgende: 1° een dier dat op het bedrijf aanwezig is en waarvan een van de twee identificatiemiddelen kwijtgeraakt of onleesbaar is, wordt als geconstateerd beschouwd als het nog duidelijk en individueel is geïdentificeerd door het tweede identificatiemiddel en alle andere middelen van de identificatie- en registratieregeling, vermeld in het koninklijk besluit van 20 mei 2022Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/05/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/06/2022 numac 2022041385 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/05/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/06/2022 numac 2022032282 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/05/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/2022 numac 2022032313 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot bepaling van de modaliteiten van de vereenvoudigde administratieve procedure van betaling van geldboetes ingesteld door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/05/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/2022 numac 2022032326 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer sluiten;2° een enkel dier dat op het bedrijf aanwezig is en waarvan beide identificatiemiddelen kwijtgeraakt of onleesbaar zijn, wordt als geconstateerd beschouwd als het nog duidelijk en individueel kan worden geïdentificeerd door alle andere middelen van de identificatie- en registratieregeling, vermeld in het koninklijk besluit van 20 mei 2022Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/05/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/06/2022 numac 2022041385 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/05/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/06/2022 numac 2022032282 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/05/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/2022 numac 2022032313 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot bepaling van de modaliteiten van de vereenvoudigde administratieve procedure van betaling van geldboetes ingesteld door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/05/2022 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/2022 numac 2022032326 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer sluiten, en de landbouwer kan aantonen dat hij al vóór de aankondiging van de controle ter plaatse actie heeft ondernomen om de situatie te corrigeren;3° als het bij de vastgestelde niet-naleving om onjuiste vermeldingen in het register of Sanitel gaat, die evenwel niet van belang zijn voor de naleving van de andere subsidiabiliteitsvoorwaarden in het kader van de maatregel in kwestie, wordt het dier in kwestie alleen als niet geconstateerd beschouwd als die onjuiste vermeldingen bij ten minste twee controles binnen een periode van 24 maanden worden vastgesteld. In alle overige gevallen worden de dieren in kwestie na de eerste vaststelling als niet geconstateerd beschouwd. § 2. Een niet-naleving met betrekking tot de identificatie- en registratieregeling voor runderen, schapen of geiten heeft geen gevolg voor de landbouwer, als het gaat om een kennelijke fout die de bevoegde entiteit heeft erkend op basis van een algemene beoordeling van het specifieke geval en als de landbouwer te goeder trouw heeft gehandeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 116</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het totale bedrag aan steun waarop de landbouwer in het kader van een diergebonden maatregel voor het verbintenisjaar in kwestie recht heeft, wordt bepaald op basis van het geconstateerde aantal dieren, op voorwaarde dat bij administratieve controles of controles ter plaatse voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° er zijn niet meer dan drie dieren niet geconstateerd;2° de niet-geconstateerde runderen, schapen of geiten kunnen individueel worden geïdentificeerd aan de hand van middelen die in de identificatie- en registratieregeling voor die dieren vastgesteld zijn. § 2. Als er meer dan drie niet-geconstateerde dieren zijn of als de niet-geconstateerde runderen, schapen of geiten niet individueel geïdentificeerd kunnen worden aan de hand van middelen die in de identificatie- en registratieregeling voor die dieren vastgesteld zijn, wordt het totale bedrag aan steun waarop de landbouwer voor het verbintenisjaar in kwestie recht heeft, bepaald op basis van het geconstateerde aantal dieren en verlaagd met: 1° het percentage, berekend overeenkomstig het tweede lid, als dat niet hoger is dan 20%;2° twee keer het percentage, berekend overeenkomstig het tweede lid, als dat hoger dan 20% is, maar niet hoger dan 30% is. Het percentage van de verlaging, vermeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het aantal dieren dat als niet geconstateerd wordt beschouwd, gedeeld door het aantal dieren dat is geconstateerd Als het overeenkomstig het tweede lid bepaalde percentage hoger dan 30% is, wordt de steun niet verleend waarop de landbouwer voor het verbintenisjaar in kwestie recht zou hebben gehad op grond van de maatregel in kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het overeenkomstig het tweede lid bepaalde percentage hoger dan 50% is, wordt de steun niet verleend waarop de landbouwer voor het verbintenisjaar in kwestie recht zou hebben gehad op grond van de maatregel in kwestie. Bovendien wordt aan de landbouwer een extra sanctie opgelegd die gelijk is aan het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het aantal aangegeven dieren en het geconstateerde aantal dieren. Als dat bedrag niet volledig kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar van de bevinding, vervalt het saldo dat nog uitstaat. § 3. Als de berekening van het totale steunbedrag waarop de landbouwer voor het verbintenisjaar in kwestie recht heeft, gebaseerd is op het aantal dagen dat de dieren aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voldoen, wordt dat aantal dagen mee in aanmerking genomen in de berekening van het aantal dieren dat als niet geconstateerd wordt beschouwd als vermeld in paragraaf 2. Afdeling 4. - Sancties in het kader van de conditionaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 117</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De sancties in het kader van de conditionaliteit, vermeld in hoofdstuk IV van verordening (EU) 2021/2116 worden opgelegd als op enig moment in het kalenderjaar de voorwaarden in het kader van conditionaliteit niet worden nageleefd en de niet-naleving in kwestie rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de landbouwer die de betalingsaanvraag in het betrokken kalenderjaar heeft ingediend Indien het perceel waarop de niet-naleving werd vastgesteld tijdens dat kalenderjaar is overgedragen, zijn de administratieve sancties, vermeld in het eerste lid, ook van toepassing wanneer de betrokken niet-naleving het gevolg is van een handelen of nalaten dat rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de persoon aan wie of door wie het perceel is overgedragen. In afwijking van de eerste zin, worden de sancties opgelegd aan de persoon aan wie het handelen of nalaten rechtstreeks kan worden toegeschreven, indien deze een steunaanvraag of betalingsaanvraag in het betrokken kalenderjaar heeft ingediend, op basis van de aan die persoon toegekende of toe te kennen totale bedragen voor dat kalenderjaar, op basis van hoofdstuk II van verordening (EU) 2021/2115 en artikel 70 van diezelfde verordening. Afdeling 5. - Volgorde van sancties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 118</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1 Er worden geen rechtstreekse betalingen uitgekeerd als vermeld in artikel 16, lid 2, van verordening (EU) 2021/2115, aan de actieve landbouwers voor wie het totaal van de rechtstreekse betalingen die zijn aangevraagd of zijn toe te kennen in een bepaald kalenderjaar vóór de toepassing van verlagingen of uitsluitingen als vermeld in artikel 85, lid 1, van verordening (EU) 2021/2116, minder dan 400 euro bedraagt. § 2 Als bij een landbouwer verschillende administratieve sancties als vermeld in artikel 110 worden toegepast, wordt de volgende volgorde nageleefd; 1° de verlagingen en sancties, vermeld in artikel 111 en in artikel 114 tot en met 116, worden toegepast in geval van niet naleving;2° het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt 1°, dient als basis voor de berekening van sancties, vermeld in art 110, § 3, 1° ;3° het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt 2°, dient als basis voor de berekening van verlagingen die overeenkomstig artikel 113 moeten worden toegepast in geval van te late indiening;4° het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt 3°, dient als basis voor de berekening van verlagingen die overeenkomstig artikel 112 moeten worden toegepast in geval van niet-aangifte van landbouwpercelen;5° het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt 4°, dient als basis voor de berekening van de intrekkingen, vermeld artikel 110, § 3 2°. § 3 Het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van paragraaf 1, 5°, dient als basis voor de toepassing van: 1° het percentage van de lineaire verlaging, vastgesteld overeenkomstig artikel 87, § 1, van Verordening (EU) nr.2021/2115; 2° het aanpassingspercentage, vermeld in artikel 17 van Verordening (EU) nr.2021/2116. § 4. Het bedrag van de betaling dat voortvloeit uit de toepassing van paragraaf 2 dient als basis voor de berekening van de verlagingen die overeenkomstig artikel 85 van verordening (EU) 2021/2116 en hoofdstuk III van gedelegeerde verordening (EU) 2022/1172 wegens niet-naleving van de conditionaliteitsverplichtingen moeten worden toegepast. HOOFDSTUK 5. - Administratieve sancties als vermeld in het landbouwdecreet Art. 119.De bevoegde entiteit kan, boven op de administratieve sancties, vermeld in artikel 110, administratieve sancties opleggen conform artikel 56 van het decreet van 28 juni 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/06/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/09/2013 numac 2013204905 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het landbouw- en visserijbeleid sluiten betreffende het landbouw- en visserijbeleid, als ze vaststelt dat een of meer verplichtingen, vermeld in dit besluit, niet of niet volledig worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 6. - Wijze van uitwisseling van berichten Art. 120.Berichten ter uitvoering van dit besluit worden op elektronische wijze uitgewisseld. De bevoegde entiteit bepaalt de te volgen elektronische procedure en maakt die bekend. De bevoegde entiteit kan daarbij beperkingen en technische eisen opleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister kan bepalen wanneer analoge uitwisseling mogelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tijdstip van verzending en ontvangst van berichten die op elektronische wijze worden uitgewisseld, wordt bepaald conform artikel II. 23 van het Bestuurs decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/12/2018 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/12/2018 numac 2018032457 bron vlaamse overheid Bestuursdecreet sluiten. Voor de verzendingen die uitgaan van de bevoegde entiteit, geldt de dag na de dag van de verzending als begin van de termijnen die worden opgelegd in het kader van de procedures ter uitvoering van dit besluit. Als voor bepaalde berichten bepaald is dat ze voor een bepaalde datum meegedeeld of ingediend moeten worden bij de bevoegde entiteit, moeten de berichten die elektronisch uitgewisseld worden uiterlijk op die datum ontvangen zijn door de bevoegde entiteit. Berichten die via analoge weg uitgewisseld worden, moeten op die datum verzonden zijn aan de bevoegde entiteit. De datum van de poststempel geldt daarbij als tijdstip waarop een bericht verzonden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 7. - Bezwaarprocedure Art. 121.§ 1. De bevoegde entiteit is belast met de behandeling van bezwaren tegen beslissingen die rechtsgevolgen tot stand brengen bij de uitvoering van dit besluit, de uitvoeringsbesluiten ervan, de verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan. § 2. Het bezwaar wordt binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing ingediend bij de bevoegde entiteit, die over het bezwaar beslist. Het bezwaarschrift voldoet aan al de volgende ontvankelijkheidsvoorwaarden: 1° het wordt op schriftelijke wijze ingediend;2° het vermeldt de naam en de woonplaats van de indiener van het bezwaar.Als de woonplaatskeuze bij een raadsman wordt gedaan, wordt dat in het bezwaarschrift aangegeven; 3° het is ondertekend door de indiener van het bezwaar of zijn raadsman.Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair; 4° het vermeldt het voorwerp van het bezwaar, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten. § 3. Als niet voldaan is aan de vereisten, vermeld in paragraaf 2, wordt het bezwaar onontvankelijk verklaard. § 4. De beslissing van de bevoegde entiteit wordt binnen de honderdtwintig dagen ter kennis gebracht aan de bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger. Die termijn wordt gerekend vanaf de dag na de dag waarop de termijn voor de indiening van het bezwaar verstreken is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen die beslissing staat geen nieuwe bezwaarmogelijkheid open.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn, vermeld in het eerste lid, kan eenmalig verlengd worden met een nieuwe termijn van honderdtwintig dagen, die begint de dag nadat de eerste termijn, vermeld in het eerste lid, verstreken is. De bevoegde entiteit brengt de bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger daarvan op de hoogte voor de eerste termijn van honderdtwintig dagen verstreken is, en vermeldt de reden of de redenen van de verlenging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bevoegde entiteit bij de bezwaarindiener of via derden informatie of bewijzen opvraagt, wordt de termijn van honderdtwintig dagen geschorst tot op de datum dat de informatie of het bewijs ontvangen is. De bevoegde entiteit meldt de schorsing, die het gevolg is van het inwinnen van informatie of het opvragen van bewijzen bij derden, aan de bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger en vermeldt deze reden van de schorsing. Voor de behandeling van het bezwaar kan rekening gehouden worden met informatie die van derden verkregen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 8. - Verwerking en bescherming van de gegevens Art. 122.De bevoegde entiteit is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, punt 7, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, hierna \"algemene verordening gegevensbescherming\" te noemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De categorieën betrokkenen van wie persoonsgegevens verwerkt kunnen worden zijn de volgende: 1° de landbouwers in kwestie;2° de personen die de landbouwers in kwestie kunnen vertegenwoordigen op het e-loket van de bevoegde entiteit. Voor de uitvoering van dit besluit en haar uitvoeringsbesluiten kunnen de volgende categorieën van gegevens, die direct of indirect gekoppeld zijn aan persoonsgegevens, verwerkt worden: 1° identificatiegegevens;2° diergegevens;3° perceelsgegevens;4° betalingsgegevens;5° bemestingsgegevens;6° bodemgegevens;7° voedermanagementgegevens;8° antibioticagegevens;9° gegevens over de biologische toepassing;10° ondernemingsgegevens. De persoonsgegevens worden verwerkt op basis van de rechtvaardigingsgrond, vermeld in artikel 6, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming, namelijk `de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de gegevensverwerking is het verlenen van subsidies.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 9. - Opheffings- en overgangsbepalingen Art. 123.Het besluit van 5 september 2014, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, 26 juni 2015, 8 december 2017, 14 september 2018 en 22 januari 2021, wordt opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid blijft het besluit van 5 september 2014 van toepassing op verbintenissen voor de maatregel de teelt van vezelvlas en vezelhennep met verminderde bemesting en de maatregel de verwarringstechniek in de fruitteelt, die nog lopen op 1 januari 2023 en die gesloten zijn overeenkomstig artikel 2, eerste lid, 2°, respectievelijk artikel 2, eerste lid, 4°, van het besluit van 5 september 2014. Art. 124.Het besluit van 4 juli 2014, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, 27 maart 2015, 14 september 2018, 22 januari 2021 en 28 januari 2022, wordt opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid blijft het besluit van 4 juli 2014 van toepassing op verbintenissen voor de maatregel de voortzetting van de biologische productiemethode, die nog lopen op 1 januari 2023 en die gesloten zijn overeenkomstig artikel 2, eerste lid, 2°, van het besluit van 4 juli 2014. Art. 125.Dit besluit is van toepassing op de verbintenissen die worden aangegaan vanaf 1 januari 2023. Art. 126.In afwijking van artikel 125 is dit besluit ook van toepassing op de verbintenissen tot omschakeling naar de biologische productiemethode die nog lopen op 1 januari 2023 en die gesloten zijn overeenkomstig artikel 2, eerste lid, 1° van het besluit van 4 juli 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden van de verbintenissen, vermeld in het eerste lid worden aangepast aan de bepalingen van dit besluit. Als de landbouwer die aanpassing niet aanvaardt, of als hij niet voldoet aan de voorwaarden van dit besluit, eindigt de verbintenis zonder dat terugbetaling wordt verlangd voor de periode waarin de verbintenis al is nagekomen. Art. 127.in afwijking van artikel 125, is dit besluit ook van toepassing op de verbintenissen voor de maatregel de teelt van vlinderbloemigen, de maatregel mechanische onkruidbestrijding, de maatregel het behoud van lokale schapenrassen en lokale rundveerassen, die nog lopen op 1 januari 2023 en die gesloten zijn overeenkomstig artikel 2, eerste lid, 1°, respectievelijk artikel 2, eerste lid, 3° en 5°, van het besluit van 5 september 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden van de verbintenissen, vermeld in het eerste lid, worden aangepast aan de bepalingen van dit besluit voor de resterende looptijd van de verbintenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid, is de voorwaarde, vermeld in artikel 45, 2°, niet van toepassing op de verbintenissen, vermeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de landbouwer de aanpassing, vermeld in het tweede lid, niet aanvaardt, of als hij niet voldoet aan de voorwaarden van dit besluit, eindigt de verbintenis zonder dat de terugbetaling wordt verlangd voor de periode waarin de verbintenis al is nagekomen. Art. 128.De landbouwer die een verbintenis voor de maatregel de inzaai van productief kruidenrijk grasland, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, van het besluit van 10 september 2021 heeft afgesloten voor het jaar 2022, kan een verbintenis sluiten voor de maatregel de inzaai van graskruiden, vermeld in artikel 3, eerste lid, 7°, a), 2), en kan daarbij onmiddellijk instappen in het tweede verbintenisjaar. Art. 129.Als wijzigingen van de bepalingen voor de agromilieuverbintenissen, opgenomen in dit besluit, die het gevolg zijn van wijzigingen van de verplichte normen, vereisten of verplichtingen, vermeld in artikel 70, lid 7, van verordening (EU) 2021/2115, een invloed hebben op de verbintenissen die zijn aangegaan voor die maatregelen, kan de landbouwer ervoor kiezen om de verbintenis stop te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval behoudt hij het recht op steun voor de periode waarin de verbintenis werd toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 10. - Slotbepalingen Art. 130.Dit besluit heeft uitwerking vanaf 1 januari 2023. Art. 131.De minister, bevoegd voor de landbouw, is belast met de uitvoering van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brussel, 21 april 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister-president van de Vlaamse Regering, J. JAMBON De Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw, J. BROUNS</p></div>", "next": 0}