{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Wanneer het goed waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, gelegen is langs een gewestelijke of een provinciale weg, onderwerpt het College van burgemeester en schepenen de aanvraag aan het advies van het betrokken bestuur. Art. 129.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 57, eerste lid, wanneer het College van burgemeester en schepenen vaststelt dat de vergunning kan worden verleend, is de behandeling van de aanvraag aan de volgende bijkomende regels onderworpen : 1. het College van burgemeester en schepenen onderwerpt de aanvraag aan een openbaar onderzoek op kosten van de aanvrager;2. de gemeenteraad neemt kennis van de resultaten van het onderzoek en beraadslaagt over de wegenkwesties vooraleer het College van burgemeester en schepenen uitspraak doet over de vergunningsaanvraag. § 2. Indien de gemeenteraad niet werd verzocht zich uit te spreken over de wegenkwestie of wanneer hij heeft nagelaten zulks te doen en indien een beroep werd ingediend, wordt de gemeenteraad op verzoek van de Regering door de provinciegouverneur opgeroepen. De gemeenteraad moet zich dan over de wegenkwestie uitspreken en zijn beslissing meedelen binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de oproeping door de Regering. In voorkomend geval gaat het College van burgemeester en schepenen over tot het openbaar onderzoek bedoeld in paragraaf 1, 1°.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval wordt de in artikel 121, eerste lid, bedoelde termijn van vijfenzeventig dagen waarover de Regering beschikt om zich over het beroep uit te spreken, verlengd met de termijn die de gemeenteraad daadwerkelijk nodig heeft gehad om zich over de wegenkwestie uit te spreken. Afdeling XI - Vergunningen in verband met andere administratieve diensten Art. 130.§ 1. In afwijking van artikel 84 wordt de onderzoeksvergunning afgegeven door de Regering wanneer ze wordt aangevraagd door de houder van een mijnprospectievergunning of door de houder van een mijnconcessie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College van burgemeester en schepenen brengt vooraf advies uit binnen een termijn van dertig dagen. Wordt deze termijn niet in acht genomen, dan wordt het advies geacht gunstig te zijn. Indien het advies ongunstig is, beslist de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering of haar afgevaardigde kunnen de vergunning afgeven in afwijking van het plan van aanleg, een gemeentelijk reglement of het rooiplan voor een gemeenteweg. § 2. In afwijking van artikel 84 wordt de ontginningsvergunning afgegeven op de wijze bedoeld in artikel 14 van het decreet van 27 oktober 1988 op de groeven. § 3. In afwijking van artikel 14 van het decreet van 27 oktober 1988 op de groeven, kan eenieder die, bij de inwerkingtreding van dit decreet, houder was van een machtiging tot exploitatie van een groef of van een vergunning tot exploitatie van een mijn zonder evenwel over de vereiste stedebouwkundige vergunning te beschikken, een vergunningsaanvraag indienen overeenkomstig artikel 84.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningsaanvragen moeten aan de bevoegde overheid gericht worden binnen een termijn van één jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het tweede lid bedoelde aanvragen mogen alleen betrekking hebben op de exploitatie-oppervlakte waarvan de grenzen vermeld staan in de machtiging of de vergunning bedoeld in artikel 26 van het decreet van 27 oktober 1988, en op de aanhorigheden ervan. Art. 131.In afwijking van artikel 84, wanneer de uitvoering van een project een machtiging tot exploitatie vereist krachtens de wetgeving op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen, wordt de stedebouwkundige vergunning, op eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, afgegeven overeenkomstig de bepalingen tot coördinatie van die wet en dit Wetboek. Art. 132.Wanneer de uitvoering van een project de machtiging vereist waarvan sprake in artikel 2 van de wet van 29 juni 1975 betreffende commerciële vestigingen, mogen de handelingen en werken die toegelaten worden door de vergunning of door wat daarvoor in de plaats staat, niet uitgevoerd worden door de houder zolang hij niet in het bezit is van een definitieve machtiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 87 bedoelde vervaltermijn wordt geschorst zolang de beslissing i.v.m. de machtiging niet is toegezonden. Wordt de machtiging geweigerd, dan vervalt de vergunning van rechtswege de dag waarop de machtiging in laatste instantie wordt geweigerd. Afdeling XII - Diverse bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 133</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt de vorm van de vergunningen, de vorm van de beslissingen tot weigering van een vergunning, alsook de regels voor de toepassing van dit hoofdstuk. Art. 134.De aanvrager moet een leesbaar bericht laten aanplakken op het terrein langs de openbare weg, waarbij wordt aangekondigd dat de vergunning is verleend, hetzij vóór de aanvang van de werken en tijdens de hele duur ervan wanneer het om werken gaat, hetzij, in de andere gevallen, vanaf de voorbereidingen, vooraleer de handeling(en) is (zijn) uitgevoerd en tijdens de hele duur van de uitvoering ervan Gedurende die periode moeten de vergunning en het bijgevoegde dossier of een door de gemeente of de gemachtigde ambtenaar voor echt verklaard afschrift van deze documenten permanent ter beschikking liggen van de in artikel 159 bedoelde ambtenaren op de plaats waar de werken en handelingen worden uitgevoerd. Art. 135.Onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 108, § 2, en 127, mag de vergunning niet verleend worden voor de bouw of herbouw op een terreingedeelte dat onderhevig is aan de reglementering op rooilijnen, noch voor andere werken dan instandhoudings- en onderhoudswerken betreffende een gebouw dat aan dezelfde reglementering onderhevig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat laatste geval kan desalniettemin een vergunning afgegeven worden, wanneer uit de adviezen van de bevoegde overheden blijkt dat de rooilijn pas binnen minimum vijf jaar uitgevoerd kan worden ter hoogte van het bedoelde gebouw, te rekenen vanaf de afgifte van de vergunning. In geval van onteigening na afloop van deze termijn, wordt de meerwaarde die uit de toegelaten werken resulteert, niet in aanmerking genomen voor de berekening van de vergoeding. Art. 136.Wanneer de in artikel 84 bedoelde handelingen en werken of de in artikel 89 bedoelde vergunning betrekking hebben op onroerende goederen die onderhevig zijn aan een zware fysische druk zoals overstroming, bergwandafschuiving, aardverschuiving, karst- of mijnverzakking, aardbevingsgevaar en bescherming van de ondergrondse wateren, kan de uitvoering van deze handelingen en werken hetzij verboden worden, hetzij aan bijzondere beveiligingsmaatregelen onderworpen worden. Art. 137.De vergunning kan bepalen in welke volgorde de werken uitgevoerd moeten worden en binnen welke termijn moet worden voldaan aan de voorwaarden waaraan ze is onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vestiging van nieuwe gebouwen wordt ter plaatse vermeld door het College van burgemeester en schepenen. Art. 138.De Regering kan bepalen dat de bouwwerkzaamheden en werken waarvan de geschatte waarde hoger ligt dan de door haar vastgestelde bedragen en die het voorwerp zijn van een stedebouwkundige of een verkavelingsvergunning die na de inwerkingtreding van het besluit definitief geworden is, niet zonder haar toestemming uitgevoerd mogen worden vóór het verstrijken van een termijn die begint te lopen de dag waarop de vergunning definitief is geworden. Deze termijn, die door de Regering wordt vastgesteld, mag niet langer duren dan één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op stedebouwkundige of verkavelingsvergunningen betreffende sociale wooncomplexen, kleine landeigendommen of woningen die daarmee gelijkgesteld zijn krachtens het Huisvestingswetboek, noch op middelgrote woningen, zoals omschreven in het derde lid hieronder, voor zover het gaat om de aankoop van een eerste woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als middelgrote woningen worden beschouwd de gebouwen of gedeelten van gebouwen, met inbegrip van appartementen, die bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of van een alleenstaande, en waarvan de verkoopwaarde door de Regering wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De machtigingsaanvragen moeten ingediend worden en door de Regering behandeld worden op de door haar bepaalde wijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de in het eerste lid bedoelde bouwwerkzaamheden en werken, worden de termijnen die in de artikelen 87 en 98 tot 100 worden vermeld of die in uitvoering van artikel 91 worden vastgelegd, alsmede de toepassing van de fiscale reglementen, die krachtens artikel 160 worden genomen, geschorst voor de periode waarin de bouwwerkzaamheden en werken niet uitgevoerd kunnen worden. Art. 139.Binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de voltooiing van de ruwbouwwerken met dak die aan een vergunning zijn onderworpen, of bij gebreke hiervan, vanaf het einde van de termijn binnen dewelke ze voltooid moesten zijn, stuurt de houder van de vergunning een ter post aangetekende verklaring tegelijkertijd naar het College van burgemeester en schepenen en naar de gemachtigde ambtenaar, waarin hij bevestigt dat : 1. de werken al dan niet voltooid zijn;2. de werken al dan niet overeenkomstig de afgegeven vergunning werden uitgevoerd. Indien de werken niet voltooid zijn binnen de voorgeschreven termijn of niet in overeenstemming zijn met de vergunning, dan moet de verklaring een lijst bevatten van de werken die niet werden uitgevoerd of vermelden op welke punten de vergunning niet in acht werd genomen, al naar gelang het geval. HOOFDSTUK IV - Bijzondere bepalingen voor de toeristische accomodatie Afdeling I - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-140\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 140</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een stedebouwkundige of verkavelingsvergunning voor toeristische accomodatie mag alleen worden afgegeven in woongebieden of gedeelten daarvan, in woongebieden met een landelijk karakter of recreatiegebieden die het voorwerp zijn geweest van een gemeentelijk plan van aanleg dat van toepassing is. Afdeling II - Oprichting van vakantiedorpen Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen Art. 141.Onder vakantiedorpen verstaat men een gegroepeerd geheel van minstens vijftien vaste woningen die gebouwd worden door dezelfde privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon en die bestemd zijn voor ontspanningsverblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2 - Oprichtingsvoorwaarden voor vakantiedorpen Art. 142.Alle vakantiedorpen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen : 1. onverminderd elke andere wetgeving of reglement, moet een vakantiedorp zodanig opgericht worden dat het zich in het milieu integreert, hetzij d.m.v. afzonderingsmarges, hetzij door een functionele en architecturale integratie t.o.v. het bestaande gebouw; behoudens in het geval van natuurlijke afzonderingsmarges, kan geëist worden dat het vakantiedorp omgeven wordt met een scherm van aanplantingen van inheemse struiken en bomen die in het landschap passen; 2. indien het vakantiedorp gelegen is langs een waterloop of -vlak, moet voorzien worden in een voor het publiek toegankelijke zone die geen installaties bevat en minstens 20 meter breed is, te rekenen vanaf de oever of de gemiddelde waterpeil;3. indien het vakantiedorp gelegen is in de buurt van een bos dat al dan niet onderworpen is aan het bosstelsel, moet in een afzonderingsmarge worden voorzien;4. de vlotte afvloeiing van de oppervlaktewateren moet verzekerd worden;5. het vakantiedorp moet op de openbare weg aangesloten zijn via een toegangsweg met een grondslag van minstens 6 meter breed en een bedekking van minstens 4 meter breed;hetzelfde geldt voor de interne hoofdverbindingsweg als er één is; verloopt het binnenverkeer in één richting, dan volstaan een bedekking van 3 meter breed en een grondslag van 4 meter; elke weg moet bovendien aan de volgende voorwaarden voldoen : a. de drainering van de grondslag moet verzekerd worden;b. de fundering moet met steenslag verhard of gestabiliseerd worden en aan de stevigheid van de grond aangepast worden;c. de bedekking moet zodanig behandeld worden dat stofvorming wordt voorkomen;6. het vakantiedorp moet beschikken over één of meer parkeerruimtes waarvan de capaciteit en de ligging door de aanvrager gerechtvaardigd moeten worden;7. indien het rioolnet van het vakantiedorp niet aangesloten is op een openbaar rioolnet met een waterzuiveringsstation dat de bijkomende last van het vakantiedorp kan verwerken, dan moet het uitgerust worden met een waterzuiveringsinstallatie;8. alle gemeenschappelijke bouwwerken en hoofdwegen die ernaartoe leiden, moeten voorzien zijn van een verlichtingsinstallatie;9. er kunnen gemeenschappelijke recreatie-uitrustingen verlangd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3 - Dossier betreffende het vakantiedorp Art. 143.Het dossier betreffende de aanvraag van een stedebouwkundige vergunning voor een vakantiedorp bevat naast de in artikel 115 bedoelde documenten : 1. een plan van de ligging in de streek, met de belangrijkste verbindingswegen; 2. een plan van de bestaande ligging met gegevens i.v.m. het reliëf, de geologie, de pedologie, de waterlopen, de plantengroei; een landschapsplan met de te behouden of te verbergen zichten (foto's).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit plan geeft een overzicht van de te beschermen gebieden, de voor bebouwing ongeschikte gebieden en de zonnige gebieden; 3. een overzichtsplan met de verschillende bestemmingen van de grond : ruimtes voor woningen, wegen, parkeerruimtes, gemeenschappelijke uitrustingen, te behouden groene ruimtes, nieuwe aanplantingen (op een schaal van 1/1.000 of 1/500, waarbij deze laatste opgelegd kan worden indien de complexiteit van het project het rechtvaardigt); 4. de geplande toegangsmogelijkheden naar het uit te rusten gebied;5. een toelichtend verslag over het gekozen project, met minstens volgende gegevens : a.de grondgebruikscoëfficiënt (C.O.S.) en de verhouding vloer/grond (P/S); b. een overzicht van de voorgestelde oplossingen voor de problemen i.v.m. water- en stroomvoorziening, waterzuivering, riolering, huisvuilophaal; c. de eindpunten van de bestaande waterleidingen en rioleringen, de mogelijkheden i.v.m. stroomvoorziening; d. het bestaande openbaar vervoer;e. een plan van de voetpaden en dergelijke;f. indien het vakantiedorp gelegen is in een woongebied of in een woongebied met een landelijk karakter of indien het aan dergelijke gebieden grenst, de geplande integratie met wat reeds bestaat aan gebouwde infrastructuur, gemeenschappelijke uitrustingen, \"woonmassa's\" en stedebouwkundige, architecturale en landschappelijke elementen;6. het soort gebouwen, het architecturale project, de profielen, het soort materialen en de kleur van de gevels en daken;7. indien verschillende uitvoeringsfases gepland zijn, moet de aaneenschakeling in de tijd van de bouw van de woningen, de gemeenschappelijke uitrustingen en de infrastructuur in een programma vermeld worden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling III - Inrichting van weekendverblijfparken</h3>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen Art. 144.Onder weekendverblijfpark wordt verstaan elk geheel van percelen gelegen op een verkaveling dat voor weekendverblijven bestemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder weekendverblijf wordt verstaan elk bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van maximum zestig vierkante meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2 - Inrichtings- en verkavelingsvoorwaarden voor weekendverblijfparken Art. 145.§ 1. Het weekendverblijfpark mag onder geen beding gelegen zijn in een beschermd landschap, noch op een plaats die ongezond is of die onder water kan komen te staan. § 2. Het weekendverblijfpark moet omgeven zijn met afzonderingsmarges.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens in het geval van natuurlijke afzonderingsmarges, kan geëist worden dat het weekendverblijfpark omgeven wordt met een scherm van aanplantingen van inheemse struiken en bomen die in het landschap passen. § 3. Indien het weekendverblijfpark gelegen is langs een waterloop of -vlak, moet voorzien worden in een voor het publiek toegankelijke zone die geen installaties bevat en minstens 20 meter breed is, te rekenen vanaf de oever of de gemiddelde waterpeil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat geldt eveneens wanneer een waterloop of -vlak binnen het weekendverblijfpark gelegen is. In dat geval kan de bouwvrije strook evenwel tot 8 meter teruggebracht worden. Art. 146.§ 1. Het weekendverblijfpark moet op de openbare weg aangesloten zijn via een toegangsweg met een grondslag van minstens 6 meter breed en een bedekking van minstens 4 meter breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de hoofdverbindingsweg binnen het park, als er één bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verloopt het binnenverkeer in één richting, dan volstaan een bedekking van 3 meter en een grondslag van 4 meter breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke weg moet bovendien aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° de drainering van de grondslag moet verzekerd worden;2° de fundering moet met steenslag verhard of gestabiliseerd worden en aan de stevigheid van de grond aangepast worden;3° de bedekking moet zodanig behandeld worden dat stofvorming wordt voorkomen. § 2. Het weekendverblijfpark moet beschikken over één of meer parkeerruimtes waarvan de capaciteit en de ligging door de aanvrager gerechtvaardigd moeten worden. Art. 147.Het weekendverblijfpark moet voorzien zijn van uitrustingen waarvan de lijst door de Regering wordt opgemaakt. Art. 148.Indien het rioolnet van het weekendverblijfpark niet aangesloten is op een openbaar rioolnet met een waterzuiveringsstation dat de bijkomende last van het weekendverblijfpark kan verwerken, dan moet het uitgerust worden met een waterzuiveringsinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk perceel dat voor een verblijf bestemd is, moet een minimale oppervlakte van 200 vierkante meter hebben. De inrichtingen voor gemeenschappelijk gebruik, de wegen en de parkeerruimtes worden buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de oppervlakte van de percelen. Het over de gehele eigendom berekend aantal percelen per hectare mag niet lager zijn dan vijftien en niet hoger dan vijfendertig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenschappelijke oppervlakte voor sportbeoefening, spelen en groene ruimtes moet minstens 15 % van de totale oppervlakte uitmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanplantingen in de afzonderingsmarges worden buiten beschouwing gelaten bij de berekening van die 15%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dezelfde dichtheidsbeperkingen moeten in acht genomen worden in weekendverblijfparken waar de woningen opgericht worden zonder duidelijke afbakening van de individuele percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van oprichting van losstaande verblijven, moeten de bouwvrije stroken op minstens 2 meter van de perceelgrenzen liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het weekendverblijfpark onderverdeeld is in concreet afgebakende en individueel geïdentificeerde percelen, dan mogen deze alleen met gelijksoortige omheiningen afgesloten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebouwen voor gemeenschappelijke sanitaire inrichtingen moeten worden opgetrokken op hoogstens 100 meter en minstens 10 meter van elk perceel dat voor een verblijf bestemd is; ze moeten met aanplantingen omgeven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3 - Dossier betreffende de weekendverblijfparken Art. 149.Het dossier betreffende de aanvraag van een verkavelingsvergunning m.b.t. een weekendverblijfpark bevat naast de in artikel 115 bedoelde documenten : 1° een plan van de ligging in de streek, met de belangrijkste verbindingswegen en de nabijgelegen agglomeraties, alsmede een lijst van de punten vanaf dewelke het terrein zichtbaar is binnen een straal van 10 kilometer; 2° een plan van de bestaande ligging met gegevens i.v.m. het reliëf, de geologie, de pedologie, de waterlopen, de plantengroei, alsmede een kadaster van de merkwaardige bomen; een landschapsplan met de te behouden of te verbergen zichten (foto's). Dit plan geeft een overzicht van de te beschermen gebieden, de voor bebouwing ongeschikte gebieden en de zonnige gebieden; 3° een overzichtsplan met de verschillende bestemmingen van de grond : ruimtes voor weekendverblijfparken, wegen, parkeerruimtes, gemeenschappelijke uitrustingen, te behouden groene ruimtes, nieuwe aanplantingen (op een schaal van 1/1.000 of 1/500, waarbij deze laatste opgelegd kan worden indien de complexiteit van het project het rechtvaardigt); 4° de geplande perceelindeling;5° de geplande toegangsmogelijkheden naar het uit te rusten gebied;6° een toelichtend verslag van het gekozen project, met hoogstens de volgende gegevens : a.de bezettingsdichtheid; b. een overzicht van de voorgestelde oplossingen voor problemen i.v.m. water- en stroomvoorziening, waterzuivering, riolering, huisvuilophaal en brandbeveiliging; c. de eindpunten van de bestaande waterleidingen en rioleringen;d. het bestaande openbaar vervoer;7° indien verschillende uitvoeringsfases gepland zijn, moet de aaneenschakeling in de tijd van de oprichting van de weekendverblijven, de gemeenschappelijke uitrustingen en de infrastructuur in een programma vermeld worden.8° de stedebouwkundige voorschriften voor de toekomstige verkaveling.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK V - Stedebouwkundige attesten en door de overheid en de notarissen te verstrekken gegevens Art. 150.De Regering bepaalt : 1. de voorwaarden waaronder bij de betrokken besturen afschriften en uittreksels worden verkregen van plannen van aanleg, van de desbetreffende reglementaire voorschriften, van rooiplannen, gewestelijke en gemeentelijke stedebouwkundige reglementen, alsmede van oppervlakten die aan een voorkooprecht zijn onderworpen;2. de voorwaarden waaronder belangstellende derden bij diezelfde besturen gegevens kunnen verkrijgen over de inhoud van de afgegeven stedebouwkundige of verkavelingsvergunningen;3. de voorwaarden waaronder naburige eigenaars bij diezelfde besturen gegevens kunnen verkrijgen over een aanvraag om stedebouwkundige of verkavelingsvergunning;4. de voorwaarden waaronder belangstellenden bij diezelfde besturen inlichtingen kunnen verkrijgen over de bestemming van een goed dat ze wensen te kopen, voor meer dan negen jaar wensen te huren of waarop ze een erfpacht of opstal willen vestigen;5. de vorm en de inhoud van de stedebouwkundige attesten, alsmede de besturen die ze afgeven;de bestemming, die zonder beperking wordt vermeld in een stedebouwkundig attest, en de voorwaarden die het oplegt voor een perceel of perceelgedeelte, blijven twee jaar geldig, te rekenen vanaf de afgifte van dat stedebouwkundig attest; 6. de termijnen binnen dewelke de stedebouwkundige attesten worden afgegeven en de gegevens worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stedebouwkundig attest bevat o.a. de volgende gegevens i.v.m. het kadastrale perceel of het deel ervan waarop het betrekking heeft : a. of dat perceel opgenomen is binnen de grenzen van een plan van aanleg of van een ontwerp-plan van aanleg, een gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijk stedebouwkundig reglement of een verkavelingsvergunning;b. wat volgens het plan van aanleg of ontwerp-plan van aanleg, het gemeentelijke structuurplan of de verkavelingsvergunning, de bestemming is van het perceel en of bebouwing er toegelaten is;c. aan welke voorwaarden de bebouwing onderworpen is;d. of het onroerend goed onderworpen is aan het recht van voorkoop of opgenomen is binnen de grenzen van een onteigeningsplan en, al naar gelang het geval, de identiteit van de begunstigden van het recht van voorkoop of die van de onteigenende macht, alsmede de datum van het desbetreffende besluit van de Regering;e. of het onroerend goed : - gelegen is binnen één van de gebieden bedoeld in de artikelen 168, § 4, 172 of 173; - voorkomt op de beschermingslijst bedoeld in artikel 189; - beschermd is krachtens artikel 192; - gelegen is in een beschermingsgebied bedoeld in artikel 205; - gelegen is in een landschap dat voorkomt in de in artikel 215 bedoelde atlas; f. of het onroerend goed geheel of gedeeltelijk onder de toepassing van een gewestelijk stedebouwkundig reglement valt;g. of het onroerend goed voorzien is van een waterzuiveringsinstallatie, en of het aangesloten is op een weg met de nodige water- en stroomvoorzieningen, een stevige bedekking en de nodige breedte, gelet op de ligging van de plaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 151</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten maken een inventaris op van alle op hun grondgebied gelegen onbebouwde terreinpercelen waarvoor een niet-vervallen verkavelingsvergunning bestaat, alsook van alle onbebouwde terreinpercelen die gelegen zijn binnen de omvang van het woongebied zoals voorzien in het gewestplan of in het gemeentelijk plan van aanleg. Iedereen die daarom verzoekt, kan deze inventaris ter plaatse inzien De Regering regelt de toepassing van deze bepaling, en met name de wijze waarop de inventaris wordt opgemaakt en de percelen worden geïdentificeerd. Art. 152.In de openbaarmaking betreffende de verkoop, de verhuur voor meer dan negen jaar of de vestiging van een huurpacht of opstal op onroerende goederen, moet de notaris, de verkoper of zijn lasthebber de meest recente stedebouwkundige bestemming van deze goederen ondubbelzinnig vermelden, daarbij gebruik makend van de in artikel 25 bedoelde benamingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze personen moeten eveneens uitvoerig melding maken van de geldende vergunningen of stedebouwkundige attesten betreffende de te verkopen goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VI - Overtredingen en straffen Art. 153.Overtredingen van de in uitvoering van artikel 138 genomen besluiten worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een boete van 10.000 tot 500.000 frank of met slechts één van deze straffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en artikel 85, en artikel 158 van dit Wetboek zijn van toepassing op voormelde overtredingen. Art. 154.Met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een boete van 100 frank tot 300.000 frank of slechts met één van deze straffen worden gestraft degenen die : 1. de in artikel 84 bedoelde handelingen en werken uitvoeren of een terrein in de zin van artikel 89 verkavelen zonder voorafgaande vergunning, na het verval ervan of na de akte of het besluit tot opschorting van de vergunning;2. zonder vergunning, na de geldigheidsduur of na het verval van de vergunning of na de akte of het besluit tot opschorting van de vergunning doorgaan met handelingen of met de verkaveling van een terrein;3. werkzaamheden handhaven die zonder vergunning zijn uitgevoerd;4. de voorschriften van de gewestplannen of de gemeentelijke plannen van aanleg, van de stedebouwkundige of verkavelingsvergunningen en de stedebouwkundige reglementen op de één of andere manier overtreden of de krachtens artikel 4 genomen bepalingen inzake de openbaarmaking niet naleven;5. zich niet schikken naar de bepalingen van artikel 134 en van boek III van dit Wetboek. Indien bij de ingebruikneming van een terrein ongeoorloofde vaste of mobiele installaties geplaatst worden, kan de overtreding ten laste worden gelegd van degene die ze geplaatst heeft, alsook van de eigenaar die daarmee instemde of zulks gedoogde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De straffen bedragen echter vijftien tot zes maanden opsluiting en 2.000 tot 600.000 frank boete of slechts één van deze straffen, indien degenen die zich schuldig maken aan de overtredingen bedoeld in het eerste lid, beroepshalve of in het kader van hun activiteit onroerende goederen kopen, verkavelen, te koop bieden of in huur geven, verkopen of verhuren, vaste of mobiele installaties bouwen of plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor diegenen die in deze handelingen tussenkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op voormelde overtredingen, alsook op die bepaald in de artikelen 156 en 158. Art. 155.§ 1. De gemachtigde ambtenaar of het College van burgemeester en schepenen kunnen op eigen initiatief of binnen de door de gemachtigde ambtenaar opgelegde termijn, één van de in paragraaf 2 bedoelde wijzen van herstel voor de correctionele rechtbank vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze brengen elkaar gelijktijdig daarvan op de hoogte. § 2. Naast de straf, beveelt de rechtbank op verzoek van de gemachtigde ambtenaar of het College van burgemeester en schepenen : 1. ofwel het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de stopzetting van het onrechtmatige gebruik;2. ofwel de uitvoering van werkzaamheden of inrichtingswerken;3. ofwel de betaling van een som gelijk aan de meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verworven heeft, voor zover het noch op de beschermingslijst voorkomt, noch beschermd is. De rechtbank bepaalt daartoe een termijn, die in de gevallen bedoeld in 1° en 2°, niet langer mag zijn dan één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van veroordeling tot betaling van een som, legt de rechtbank deze vast op de gehele of gedeeltelijke meerwaarde die het goed verworven heeft, en beveelt dat de veroordeelde op geldige wijze voldoening kan geven door de plaats binnen één jaar in haar oorspronkelijke staat te herstellen. De som wordt betaald in handen van de ontvanger der registraties en gestort op een speciale rekening van de begroting van het Gewest. § 3. Wat het onmiddellijke herstel betreft, zijn de rechten van de burgerlijke partij beperkt tot het door de bevoegde overheid gekozen herstel, onverminderd het recht op schadevergoeding ten laste van de veroordeelde. § 4. Onverminderd de toepassing van hoofdstuk XXIII van boek IV van het vierde deel van het Strafwetboek, beveelt het vonnis dat, wanneer de plaats niet in haar oorspronkelijke staat wordt hersteld of wanneer de werken en werkzaamheden niet binnen de voorgeschreven termijn worden uitgevoerd, de gemachtigde ambtenaar, het College van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij, van ambtswege de uitvoering daarvan kunnen vorderen. Het bestuur of de burgerlijke partij die het vonnis ten uitvoer legt, heeft het recht om de na het herstel van de plaats overblijvende materialen en voorwerpen te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen op een plaats die ze zelf kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veroordeelde is gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten, na aftrek van de verkoopprijs van de materialen en voorwerpen, op vertoon van een door de beslagrechter uitvoerbaar verklaarde geschatte staat. § 5. Wanneer het vonnis, op verzoek van de gemachtigde ambtenaar of het College van burgemeester en schepenen overeenkomstig artikel 1, beveelt hetzij het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat, hetzij de uitvoering van werkzaamheden of inrichtingswerken, worden deze door de veroordeelde uitgevoerd zonder dat hij in het bezit van de in artikel 84 bedoelde vergunning moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veroordeelde moet het College van burgemeester en schepenen evenwel acht dagen voor de aanvang van de werken verwittigen. Het College kan uitvoeringsvoorwaarden opleggen, met name wat betreft de openbare veiligheid en volksgezondheid. § 6. Wanneer de overtreding niet slaat op de uitvoering van werken of handelingen die in strijd zijn met de voorschriften van de plannen van aanleg, de in uitvoering van dit boek genomen reglementen of een verkavelingsvergunning en indien de vereiste stedebouwkundige vergunning verkregen kan worden voor deze werken en handelingen, rekening houdende met de algemene bestemming van het gebied en het architecturale karakter ervan, kan de Regering of de gemachtigde ambtenaar in overleg met het College van burgemeester en schepenen tot een vergelijk komen met de overtreder, mits betaling binnen een door haar bepaalde termijn van een som gelijk aan het dubbele van het bedrag van de belasting op bouwwerken, die evenwel verschuldigd blijft aan de gemeente. De Regering bepaalt de te betalen sommen per categorie werken en handelingen die niet onderworpen zijn aan de belasting op bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering of de gemachtigde ambtenaar kan een dading slechts op geldige wijze voorstellen, indien de Procureur des Konings geen intentie tot vervolging te kennen heeft gegeven binnen negentig dagen na het verzoek dat aan hem werd gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van de dading wordt betaald in handen van de ontvanger der registraties op een bijzondere rekening van de begroting van het Gewest. De betaling doet de strafvordering vervallen alsmede het recht van de overheid op elke andere schadeloosstelling. § 7. Op verzoek van de kopers of huurders, kan de rechtbank hun koop- of verhuurtitel nietig verklaren, onverminderd het recht op schadeloosstelling ten laste van de schuldige. Art. 156.Buiten de officieren van de gerechtelijke politie, de ambtenaren en personeelsleden van de administratie en de wegenpolitie, hebben de door de provinciegouverneur aangewezen technische ambtenaren en beambten van de gemeenten, alsmede de daartoe door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden van het Gewest, de bevoegdheid om de in de artikelen 153 en 154, in dit artikel, vierde lid, en in artikel 158, vijfde lid, bepaalde overtredingen op te sporen en bij proces-verbaal vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voornoemde ambtenaren en beambten hebben toegang tot de werken en de gebouwen om alle nuttige onderzoeken en vaststellingen te doen. Ze mogen alle ruimtes bezichtigen, zelfs gesloten en overdekte, waar boringen en opgravingen plaatsvinden, en zich alle gegevens laten verstrekken die zij nuttig achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bezichtiging het karakter aanneemt van een huiszoeking, mogen de ambtenaren en beambten alleen te werk gaan als er aanwijzingen van een overtreding zijn en op voorwaarde dat ze daartoe door de politierechter gemachtigd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de toepassing van de zwaardere straffen bepaald in de artikelen 269 en 275 van het Strafwetboek, zal eenieder die de uitoefening van het bovendoelde bezichtigingsrecht belemmert, gestraft worden met een boete van 50 tot 300 frank en een gevangenisstraf van acht tot vijftien dagen of met slechts één van deze straffen. Art. 157.De gemachtigde ambtenaar of het College van burgemeester en schepenen kan het volgende vorderen voor de burgerlijke rechtbank : 1. hetzij het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de stopzetting van het onrechtmatige gebruik;2. hetzij de uitvoering van werkzaamheden of inrichtingswerken;3. hetzij de betaling van een som gelijk aan de geheele of gedeeltelijke meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verkregen heeft. De bepalingen van artikel 155, § 1, § 3, § 4, § 5 en § 6 zijn eveneens van toepassing wanneer een rechtsvordering bij de burgerlijke rechtbank wordt ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechten van de benadeelde derde die ofwel samen met de overheid ofwel afzonderlijk optreedt, blijven, wat het onmiddellijke herstel betreft, beperkt tot het door de bevoegde overheid gekozen herstel, onverminderd het recht op schadeloosstelling ten laste van de veroordeelde. Art. 158.De ambtenaren en beambten bedoeld in artikel 156, eerste lid, kunnen mondeling en ter plaatse de onderbreking van de werken bevelen, alsmede de stopzetting van het gebruik van het gebouw of van de uitvoering van handelingen wanneer ze vaststellen dat deze niet in overeenstemming zijn met de verleende vergunning of zonder vergunning uitgevoerd worden. Het bevel moet binnen vijf dagen bevestigd worden door de burgemeester of de gemachtigde ambtenaar, op straffe van verval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal tot vaststelling en de beslissing tot bevestiging worden bij aangetekend schrijven met ontvangbewijs betekend aan de bouwheer, aan de persoon of de aannemer die de werken uitvoert of aan de persoon die gebruik maakt van het gebouw. Een afschrift van deze documenten wordt gelijktijdig verstuurd naar de gemachtigde ambtenaar die de hem krachtens de artikelen 155 en 157 toegekende bevoegdheden mag uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene kan in kort geding de afschaffing vragen van de maatregel t.o.v. het Gewest of de gemeente, naargelang de beslissing tot bevestiging door de gemachtigde ambtenaar of door de burgemeester wordt betekend. Het verzoek wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waar de handelingen en werken werden uitgevoerd. De artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de indiening en de behandeling van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voornoemde officiers, ambtenaren en beambten zijn bevoegd om alle maatregelen te nemen, met inbegrip van de zegellegging, met het oog op de onmiddellijke toepassing van het bevel tot verbreking, de beslissing tot bevestiging of, in voorkomend geval, de beschikking van de voorzitter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die werken of handelingen voortzet in overtreding van het bevel tot onderbreking, van de beslissing tot bevestiging of van de beschikking van de voorzitter wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een maand, ongeacht de straffen waarin artikel 154 voorziet voor de overtredingen. Art. 159.De dagvaarding voor de correctionele rechtbank krachtens artikel 154 of het exploot van rechtsingang bedoeld in artikel 157 wordt overgeschreven op het kantoor van de hypotheekbewaarder van het gebied waar de goederen gelegen zijn, door toedoen van de gerechtsdeurwaarder die het exploot opstelde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dagvaarding of het exploot moet melding maken van de kadastrale aanduiding van het onroerend goed dat het voorwerp is van de overtreding, en de eigenaar ervan identificeren in de vorm en onder de sanctie bepaald in artikel 12 van de wet van 10 oktober 1913.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle beslissingen gewezen in casu worden vermeld in de rand van de overschrijving van de dagvaarding of het exploot, volgens de procedure bepaald bij artikel 84 van de wet van 16 december 1851 op de herziening van het hypothecaire stelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor het attest van de gemachtigde ambtenaar waarbij wordt bevestigd dat het vonnis is uitgevoerd, dat een dading werd aangegaan of dat de betrokkene de voorgeschreven vergunning definitief heeft verkregen en de werken heeft uitgevoerd overeenkomstig de reglementaire voorschriften en de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de overheid of derden verplicht zijn om, ingevolge de tekortkoming van de veroordeelde, de uitvoering van het vonnis te vorderen, wordt de vordering die daardoor in hun voordeel ontstaat, gewaarborgd door een wettelijke hypotheek die ingeschreven, vernieuwd, verminderd en geheel of gedeeltelijk doorgehaald wordt overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van de wet van 16 december 1851 op de herziening van het hypothecaire stelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze waarborg geldt eveneens voor de vordering die voorvloeit uit het voorschot dat zij betaalden voor de kosten van de hypothecaire formaliteiten, die ten laste zijn van de veroordeelde.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VIII - Fiscale bepalingen Art. 160.§ 1. De gemeenten zijn gemachtigd om, naast de opcentiemen van de onroerende voorheffing, volgende belastingen te heffen : 1. een jaarlijkse belasting op onbebouwde percelen gelegen in een niet-vervallen verkaveling;2. een jaarlijkse belasting op onbebouwde terreinen gelegen in woongebieden, woongebieden met een landelijk karakter waar de bij een geldend plan van aanleg voorziene bouwwerken gelegen zijn langs een openbare weg met de nodige water- en stroomvoorzieningen, een stevige bedekking en de nodige breedte, rekening houdende met de ligging van de plaats; § 2. Zijn vrijgesteld : a. van de belasting bedoeld in paragraaf 1, § 1, de eigenaars van één enkel onbebouwd perceel met uitsluiting van elk ander onroerend goed;b. van de belasting bedoeld in paragraaf 1, § 2, de eigenaars van één enkel onbebouwd terrein met uitsluiting van elk ander onroerend goed;c. van beide belastingen, de erkende gewestelijke maatschappijen die de bouw van sociale woningen tot doel hebben. De vrijstelling bedoeld in a en b geldt slechts voor de eerste vijf boekjaren na de aankoop van het goed. Ze geldt gedurende de eerste vijf boekjaren na de inwerkingtreding van het fiscaal reglement indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is. § 3. De belasting bedoeld in paragraaf 1, § 1, is niet van toepassing op percelen die, ingevolge de bepalingen van de wet op de huurpacht, thans niet voor bebouwing kunnen worden bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belasting bedoeld in paragraaf 1, § 2, is niet van toepassing op terreinen waarop het verboden is te bouwen krachtens een beslissing van de overheid of wanneer het onmogelijk is te bouwen of wanneer de terreinen daadwerkelijk beroepsmatig worden gebruikt voor landbouw- en tuinbouwdoeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">BOEK II - Bepalingen betreffende de daadwerkelijke ruimtelijke ordening en stedebouw TITEL I - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I - Sanering en vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimtes Artikel 167.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder : 1. \"Afgedankte bedrijfsruimte\" : een geheel van goederen, hoofdzakelijk al dan niet bebouwde onroerende goederen, die de zetel van een economische activiteit zijn geweest en waarvan het behoud in hun huidige toestand strijdig is met de goede inrichting van de bedrijfsruimte. De activiteiten die in aanmerking worden genomen, hebben betrekking op nijverheid, ambachten, handel, dienstverlening of andere takken voor zover ze van economische aard zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedrijfsruimte ligt binnen een omvang die bovenbedoelde goederen omvat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze omvang kan ook het volgende bevatten : a. onroerende goederen of delen van onroerende goederen die nog bestemd zijn voor een economische activiteit, op voorwaarde dat een vernieuwing de voortzetting ervan toelaat;b. onroerende goederen of delen van onroerende goederen gebruikt als zetel van een economische activiteit, maar waarvan de bestemming herroepbaar is;c. onroerende goederen of delen van onroerende goederen met een niet economische bestemming, maar waarvan de terbeschikkingstelling noodzakelijk is voor de goede inrichting van de bedrijfsruimte, op voorwaarde dat die noodzaak wordt gewettigd in een verslag waarvan de inhoud door de Regering wordt bepaald;2. \"sanering\" : geheel van de werken die nodig zijn voor de afschaffing van de oorzaken die het hergebruik van een bedrijfsruimte in de weg staan of een hinder vormen voor zijn goede integratie in de al dan niet bebouwde omgeving;3. \"vernieuwing\" : geheel van de verstevigingswerken aan de draagstructuur, alsook de vochtwerende werken binnen en buiten een gebouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-168\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 168</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De Regering bepaalt, op eigen initiatief of op voorstel van een gemeente, een vereniging van gemeenten, één of meer eigenaars, wanneer een bedrijfsruimte waarvan zij de omvang vastlegt, afgedankt en gesaneerd of vernieuwd moet worden. § 2. Wanneer de bestemming die vastgelegd is bij het in paragraaf 4 bedoelde ontwerp-besluit, betrekking heeft op één of meer gebieden bedoeld in artikel 25, tweede lid, laat de Regering het in artikel 50 bedoelde effectenonderzoek uitvoeren Onder de personen erkend krachtens de wetgeving op de milieu-effectenevaluatie, wijst de Regering een persoon aan die het onderzoek zal uitvoeren. § 3. Het besluit wordt, eventueel samen met het effectenonderzoek, door de Regering betekend aan de gemeenten op het grondgebied waarvan de te vernieuwen bedrijfsruimte zich uitstrekt en aan de betrokken eigenaars op basis van de kadastrale aanduidingen; het besluit wordt ingeschreven in het register van de hypotheekbewaarder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het met redenen omklede advies van de gemeenten en de opmerkingen en bezwaren van de eigenaars moeten de Regering toekomen binnen zestig dagen na de betekening bedoeld in het eerste lid. § 4. Na afloop van deze termijn legt de Regering de omvang van de afgedankte bedrijfsruimte definitief vast en beslist zij dat ze gesaneerd of vernieuwd moet worden. Dit besluit vervangt het besluit bedoeld in paragraaf 1. De Regering legt de bestemming van de bedrijfsruimte ook vast bij een gelijktijdig of achteraf genomen besluit. § 5. Indien de overeenkomstig paragraaf 4 vastgelegde bestemming niet in overeenstemming is met die welke bij een geldend plan van aanleg is vastgelegd, besluit de Regering : 1. ofwel tot de herziening van het plan van aanleg;2. ofwel, op eigen initiatief bij een met redenen omkleed besluit of op verzoek van de gemeenteraad, tot de opstelling door de gemeente van een gemeentelijk plan van aanleg dat van het gewestplan afwijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra : 1. hetzij de Regering besloten heeft tot de herziening van het gewestplan, 2.hetzij de gemeenteraad het gemeentelijk plan van aanleg voorlopig aangenomen heeft, kan de Regering of de gemachtigde ambtenaar, aan wie een stedebouwkundige of verkavelingsvergunning wordt gevraagd, een vergunning afgeven overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 127, op voorwaarde dat ze in overeenstemming is met de krachtens paragraaf 4 vastgelegde bestemming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-169\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 169</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een afschrift van het besluit bedoeld in artikel 168, § 4, wordt bij aangetekend schrijven betekend aan de eigenaar, alsmede aan elke houder van een hypothecaire inschrijving op een onroerend goed dat in de bedrijfsruimte gelegen is. Het besluit wordt overgeschreven in het register van de hypotheekbewaarder. Deze overschrijving vervangt die welke bedoeld is in artikel 168, § 3. § 2. Bij de betekening bedoeld in paragraaf 1, wordt de eigenaar verzocht een programma en een kalender op te stellen voor de werken die hij wil uitvoeren met het oog op de sanering of de vernieuwing van zijn goed. Indien in de bedrijfsruimte gelegen eigendommen aan verschillende personen toebehoren, worden de eigenaars verzocht voor alle eigendommen een programma en een kalender op te stellen. § 3 De eigenaar stuurt zijn voorstellen naar de Regering binnen negentig dagen na ontvangst van het aangetekend schrijven bedoeld in paragraaf 1. Wanneer hij zelf het initiatief genomen heeft voor de in artikel 168, § 1, bedoelde procedure, kan hij een programma van de werken bij zijn voorstellen voegen. § 4. Vooraleer de in paragraaf 3 bedoelde termijn van negentig dagen verstrijkt, moet de eigenaar die afziet van de uitvoering van de werken, zijn beslissing en een afschrift van het in paragraaf 1 bedoelde besluit betekenen aan de houders van een recht op vruchtgebruik, gebruik, bewoning, erfpacht of opstal, op straffe van schadeloosstelling. § 5. Na afloop van de in paragraaf 3 bedoelde termijn van negentig dagen betekent de Regering de eventuele weigering of onthouding van de eigenaar aan de hypotheekbewaarder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewaarder maakt melding van de weigering of onthouding op de kant van de overschrijving bedoeld in paragraaf 1. § 6. In geval van weigering of onthouding van de eigenaar, kunnen de in paragraaf 4 bedoelde personen en de houders van een hypothecaire inschrijving binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen van de inschrijving bedoeld in paragraaf 5, de Regering voorstellen deze werken zelf uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze bezorgen de Regering het programma en de kalender van de werken die ze willen uitvoeren overeenkomstig de door haar bepaalde bestemming en, in voorkomend geval, volgens de voorschriften van het plan van aanleg. § 7. Aan de hypothecaire schuldeisers wordt een wettelijke hypotheek toegekend ten belope van hun uitgaven. Deze hypotheek wordt ingeschreven en neemt rang in op de dag van de inschrijving. § 8. De Regering bepaalt het programma en de kalender van de werken in overeenstemming met de personen die bereid zijn die werken uit te voeren. Art. 170.De Regering kan procedureregels voorschrijven voor de verzameling van gegevens die moeten dienen voor de toepassing van deze titel en de uitvoeringsbesluiten ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beambten die aangewezen worden om deze onderzoeken en controles uit te voeren, kunnen o.a. : 1. zich op hun eerste verzoek alle documenten, stukken of boeken laten bezorgen die nuttig zijn voor de uitvoering van hun taak, of die zelf opzoeken;2. fotokopieën nemen of laten nemen van de documenten die aan hun controle worden onderworpen en de nodige vaststellingen doen op basis van fotografische opnames;3. tussen 8 uur en 18 uur binnendringen in de gebouwen die in de te vernieuwen bedrijfsruimte gelegen zijn, mits toestemming van de politierechter;4. in de bedrijfsruimte binnendringen om een bodemanalyse te verrichten of te laten verrichten en de eventuele bodemvervuiling te meten. Om hun taak te vervullen kunnen de in dit artikel bedoelde beambten de hulp inroepen van agenten van de openbare macht. Art. 171.§ 1. Vanaf de betekening bedoeld in artikel 169, § 1, tot aan het einde van de werken, dat vastgesteld wordt op de door de Regering bepaalde wijze, mogen de eigenaars de in de te vernieuwen bedrijfsruimte gelegen goederen niet zonder haar toestemming vervreemden of met zakelijke rechten bezwaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering betekent haar beslissing binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek erom. Bij gebreke hiervan wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Regering heeft ingestemd met de vervreemding of de vestiging van zakelijke rechten, of wanneer haar beslissing als gunstig wordt beschouwd, is de nieuwe houder van de zakelijke rechten gehouden tot nakoming van dezelfde verplichtingen als de vroegere eigenaar. § 2. In geval van niet-nakoming van de verplichtingen die uit paragraaf 1 voortvloeien, kan de vestiging van een zakelijk recht nietig verklaard worden op verzoek van het Gewest. § 3. De openbare ambtenaar die de akte tot vestiging van een zakelijk recht verlijdt zonder dat vooraf de in paragraaf 1 bedoelde toestemming werd verkregen, is strafbaar met een boete van 500 tot 5.000 frank, onverminderd schadeloosstelling. HOOFDSTUK II - Stadsheropleving Art. 172.§ 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stadsheroplevingsoperaties beogen de verbetering en de geïntegreerde ontwikkeling van de huisvesting binnen een bepaald gebied, met inbegrip van de handels- en dienstenfuncties, d.m.v. overeenkomsten die tussen de gemeente en de privé-sector worden gesloten. § 2. Wanneer één of meer privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen een overeenkomst sluiten in het kader van de stadsheropleving, kan het Gewest, onder de door de Regering bepaalde voorwaarden, de gemeente een subsidie verlenen die voor 100 % de kosten dekt van : 1. inrichtingen van het openbaar domein i.v.m. : a. de uitrusting of de aanleg van wegen, rioleringen, openbare verlichting, distributienetwerken en omgeving;b. de inrichting van groene ruimtes;c. stadsuitrusting voor gemeenschappelijk gebruik, zoals bepaald door de Regering;2. de honoraria van de ontwerper van de inrichtingen van het openbaar domein, onder de door de Regering bepaalde voorwaarden. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichtingen en onroerende goederen bedoeld in paragraaf 1, zijn gelegen binnen een zone van stadsheropleving die de Regering op voorstel van de gemeenteraad vastlegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De openbare en privé handelingen en werken betreffende de stadsherwaardering zijn onderworpen aan de voorschriften van het gewestelijk reglement op de bouwwerken die in bepaalde gemeenten van toepassing zijn op zones die in aanmerking komen voor stedebouwkundige bescherming. § 4. De overeenkomst bedoeld in paragraaf 2 moet het beginsel in acht nemen volgens hetwelk, voor elke frank die de Regering voor haar rekening neemt, de privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen bedoeld in datzelfde artikel minstens twee frank moeten investeren, waarvan minstens één in één of meer van de volgende werkzaamheden : 1. de verbouwing en de verbetering van verbeterbare onbewoonbare woningen;2. de afbraak van onbewoonbare woningen en de bouw van woningen op dezelfde plaats;3. de verbouwing van gebouwen om er woningen in te richten;4. de bouw van woningen. § 5. Opdat de gemeente de in paragraaf 4 bedoelde subsidies zou kunnen genieten, moet de gemeenteraad een stadsheroplevingsdossier aanleggen en bij de Regering indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt de samenstelling en de procedure voor de goedkeuring van de stadsheroplevingsdossiers, alsook de voorwaarden voor de toekenning of de terugbetaling van de subsidie. HOOFDSTUK III - Stadsvernieuwing Art. 173.§ 1. Stadsvernieuwing is een globaal overlegde actie die van de gemeente uitgaat en de herstructurering, sanering of vernieuwing van een stadsgebied beoogt om er het behoud of de toename van de plaatselijke bevolking te bevorderen en om de sociale, economische en culturele functie te stimuleren met inachtneming van de eigen culturele en architecturale kenmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stadsvernieuwing beoogt het behoud en de verbetering van de huisvesting d.m.v. één of meer van de volgende werkzaamheden : 1. de vernieuwing of de bouw van woningen;2. de bouw of de verbetering van gemeenschappelijke uitrustingen zoals bepaald door de Regering;3. de inrichting of verfraaiing van groene ruimtes;4. de bouw of verfraaiing van gebouwen voor handels- of dienstenactiviteiten. § 2. Wanneer een gemeente een stadsvernieuwingsoperatie uitvoert, kan de Regering haar een subsidie verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt hoe het stadsvernieuwingsdossier moet worden aangelegd alsook de procedure voor de goedkeuring ervan en de voorwaarden voor de toekenning of de terugbetaling van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad legt het stadsvernieuwingsdossier aan met de gemeentelijke commissie of met de plaatselijke commissie voor stadsvernieuwing en afgevaardigden van de bewoners van de buurt waar de vernieuwing moet plaatsvinden. HOOFDSTUK IV - Bevoorrechte initiatiefgebieden Art. 174.§ 1. De bevoorrechte initiatiefgebieden worden onder de door de Regering bepaalde voorwaarden opgericht om specifieke hulp te kunnen verlenen in wel bepaalde geografische gebieden en om er de reeds verleende hulp aan te passen. § 2. De bevoorrechte initiatiefgebieden worden door de Regering afgebakend, met name : 1. gebieden met hoge grondbelasting gelegen in gemeenten waar de prijs van de bouwgrond hoger ligt dan het gewestelijk gemiddelde;2. gebieden voor de herkwalificering van woonkernen in buurten waar de geleidelijke verloedering tot gevolg heeft dat de bevolking wegtrekt;3. gebieden voor globale buurtontwikkeling in het kader van een geïntegreerd heroplevingsbeleid dat gevoerd wordt in buurten waar de samenstelling van de bevolking en de bescheiden huisvestingskwaliteit sociale problemen veroorzaken;4. gebieden met te herkwalificeren sociale woonwijken waar zich dezelfde problemen als in 3° voordoen. § 3. De Regering bepaalt de operaties die zij nuttig acht in de bevoorrechte initiatiefgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL II - Bijzondere bepalingen HOOFDSTUK I - Recht van voorkoop Art. 175.Alle onroerende goederen die gelegen zijn in een gebied waarvan de bestemming nog niet vaststaat, in een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, binnen de omvang van een gemeentelijk plan van aanleg, de omvang van een afgedankte bedrijfsruimte, een gebied van stadsvernieuwing of elke ander gebied opgenomen in een gewestplanherziening met het oog op de opneming van een nieuw bebouwingsgebied, kunnen onderworpen worden aan het recht van voorkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijke begunstigden van een recht van voorkoop : 1. het Gewest;2. de gemeenten, gemeentebedrijven en openbare centra voor maatschappelijk welzijn;3. de Waalse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende openbare vastgoedmaatschappijen;4. de intercommunales die ruimtelijke ordening of huisvesting tot maatschappelijk doel hebben. De Regering houdt op de door haar bepaalde wijze een inventaris van alle gebieden en oppervlakten die aan het recht van voorkoop onderworpen zijn. Art. 176.§ 1. Het recht van voorkoop is van toepassing op alle vervreemdingen ten bezwarende titel van al dan niet bebouwde onroerende goederen en op alle zakelijke rechten die betrekking hebben op onroerende goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht van voorkoop is echter niet van toepassing op : 1. vervreemdingen tussen echtgenoten, bloed- of aanverwanten in rechte lijn, noch tussen bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad;2. de verkoop van te bouwen of in aanbouw zijnde woningen onderworpen aan de wet van 9 juli 1971 tot regeling van de bouw van woningen en de verkoop van te bouwen of in aanbouw zijnde woningen;3. inbrengen in vennootschappen en de overdrachten voortvloeiend uit fusies, splitsingen en opslorpingen van handelsvennootschappen;4. uitwisselingen met of zonder bijbetalingen verricht in het kader van de stadsverkavelingsoperaties bedoeld in de artikelen 72 tot 75;5. overdrachten van gebouwen in uitvoering van een in een leasingcontract opgenomen verkoopbelofte. § 2. Het recht van voorkoop is niet van toepassing op goederen die het voorwerp zijn van een besluit waarbij hun onteigening ten algemenen nutte wordt bepaald. § 3. De Regering bepaalt het toepassingsveld van het recht van voorkoop, het doel waarvoor het kan worden uitgeoefend, de begunstigden van het recht en in welke volgorde, alsmede hoelang het kan worden uitgeoefend. Het recht van voorkoop mag niet meer dan vijf jaar duren; het kan verlengd worden met periodes van hoogstens vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen tien dagen na de goedkeuring door de Regering, wordt het besluit bij aangetekend schrijven betekend aan de eigenaars en aan de houders van een zakelijk onroerend recht op goederen gelegen in het gebied waarop het recht van voorkoop van toepassing is, alsmede aan de gemeente. Bovendien wordt het besluit bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en overgeschreven op het kantoor van de hypotheekbewaarder. § 4. Het besluit ligt voor een ieder ter inzage in het gemeentehuis vanaf de derde dag na zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Art. 177.§ 1. Elke vervreemding van een zakelijk onroerend recht dat het voorwerp is van een recht van voorkoop, is onderworpen aan een voorafgaandelijke intentieverklaring die de houder bij ter post aangetekend schrijven gelijktijdig aan de Regering en aan de gemeente richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intentieverklaring tot vervreemding, waarvan het formulier door de Regering wordt bepaald, moet de volgende gegevens bevatten : 1. de identiteit en de woonplaats van de houder van een zakelijk onroerend recht;2. de lokalisering van het onroerend goed waarvan de vervreemding is gepland;3. de beschrijving van het onroerend goed en meer bepaald de kadastrale aanduiding, de oppervlakte van het perceel, de grondoppervlakte van het gebouwde, de vloeroppervlakte en het aantal verdiepingen;4. de andere zakelijke rechten en de persoonlijke rechten die eraan verbonden zijn;5. een uitvoerige lijst van de stedebouwkundige of verkavelingsvergunningen, de stedebouwkundige attesten betreffende het goed, alsook de meest recente en meest nauwkeurige stedebouwkundige bestemming, met de benaming die in de verschillende plannen van aanleg voorkomt;6. de prijs en de voorwaarden van de geplande vervreemding, of, in het geval van een openbare verkoop, de eventuele inzet;7. bij gebrek aan de prijs, de conventionele waarde van de tegenprestatie die vastgesteld is ten laste van de koper van het zakelijk onroerend recht;8. de vermelding dat de houders van het recht van voorkoop het recht hebben het goed te bezichtigen. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een openbare verkoop, wordt de in paragraaf 1 bedoelde verklaring ten minste zestig dagen voor de eerste aanbestedingsdag opgemaakt door de notaris die met de verkoop belast is. In geval van herverkoop ingevolge de uitoefening van hoger bod, wordt de verklaring vlak na de ontvangst van het hoger bod door de notaris opgemaakt. Ze vermeldt bovendien de datum en de regels van de verkoop.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-178\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 178</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Wanneer een intentieverklaring tot vervreemding aan de Regering wordt gericht, bericht deze binnen twintig dagen ontvangst bij een ter post aangetekend schrijven en stuurt ze onmiddellijk een afschrift van de verklaring naar de begunstigden van het recht van voorkoop betreffende de goederen die in het gebied gelegen zijn, met vermelding van de volgorde bedoeld in artikel 176, § 3 De Regering stuurt, eveneens onmiddellijk, een afschrift van de verklaring naar hetzij de ontvanger der Registraties en Domeinen, hetzij het aankoopcomité, dat verzocht wordt binnen dertig dagen advies uit te brengen. Zodra de Regering het advies heeft ontvangen, stuurt ze een afschrift ervan naar de begunstigden. Bij gebrek aan een advies binnen de voorgeschreven termijn, wordt de procedure voortgezet. § 2. Elke begunstigde stuurt de Regering uiterlijk vijftig dagen na ontvangst van de intentieverklaring tot vervreemding, een document toe met zijn beslissing het goed te kopen tegen de voorgestelde prijs en onder de gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke hiervan wordt de begunstigde geacht af te zien van de uitoefening van zijn recht van voorkoop. § 3. In geval van openbare verkoop, moet de instrumenterende notaris, na het opbod en vóór de aanbesteding, in het openbaar vragen of één van de begunstigden het voornemen heeft zijn recht van voorkoop tegen de prijs van het laatste aanbod uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begunstigde wordt in de plaats van de laatste bieder gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van herverkoop ten gevolge van hoger bod, moet dezelfde vraag in het openbaar gesteld worden tijdens de opbodzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1592 van het Gerechtelijk Wetboek, beschikt de begunstigde of zijn afgevaardigde, wanneer hij zijn recht van voorkoop niet onmiddellijk uitoefent, over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de aanbesteding, om de instrumenterende notaris te verwittigen dat hij beslist heeft zich in de plaats te stellen van de laatste bieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afschrift van deze beslissing wordt bij de aanbestedingsakte gevoegd. Art. 179.Wanneer de begunstigde van het recht van voorkoop er afstand van doet, kan de houder van een zakelijk onroerend goed dat goed vervreemden zonder te voldoen aan de bepalingen van artikel 177, op voorwaarde dat : 1. de authentieke akte tot vaststelling van de vervreemding werd verleden binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de afstand;2. de prijs van de vervreemding niet lager is dan die welke vermeld is in de overeenkomstig artikel 177 ingediende verklaring. De instrumenterende officier moet de Regering laten weten of de voorwaarden bedoeld in het eerste lid vervuld zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van aankoop, betaalt de voorkoper de prijs binnen vier maanden na hetzij besloten te hebben het goed te kopen, hetzij de definitieve gerechtelijke beslissing, ofwel op de datum van de aanbestedingsakte, en uiterlijk de dag waarop de akte wordt verleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorkoper bezorgt de Regering en de gemeente een afschrift van de verkoopakte. Art. 180.§ 1. Wanneer een zakelijk onroerend goed wordt vervreemd in overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk, kan de begunstigde de rechtbank vragen de nietigheid van de akte vast te stellen en de begunstigde als koper te erkennen in de plaats van de derde, mits inachtneming van de prijs en de voorwaarden bepaald in de akte. § 2. De nietigheidsakte vervalt om de vijf jaar. § 3. Geen enkele authentieke akte betreffende de vervreemding, ten gunste van een andere persoon dan de begunstigde, van een goed dat onderworpen is aan een recht van voorkoop, kan verleden worden zolang niet vast staat dat de bepalingen van dit hoofdstuk in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te dien einde bezorgt de Regering aan elke notaris of openbare ambtenaar die erom verzoekt, binnen dertig dagen na hun verzoek, een attest opgemaakt op grond van het door haar bepaalde model, waarbij het bestaan van elke verklaring van tekoopaanbieding en de hieraan voorbehouden gevolgen wordt bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na deze termijn kan de akte opgemaakt worden, zelfs bij gebrek aan attest. § 4. Elke minnelijke schikking of onderhandse akte betreffende de vervreemding van een goed dat onderworpen is aan een recht van voorkoop ten gunste van een andere persoon dan de begunstigde, wordt onweerlegbaar geacht bezwaard te zijn met een opschortende voorwaarde van niet-uitoefening van het recht van voorkoop. HOOFDSTUK II - Onteigening ten algemenen nutte Art. 181.De Regering kan besluiten tot de onteigening ten algemenen nutte van onroerende goederen die gelegen zijn binnen de omvang van een afgedankte bedrijfsruimte, een gebied van stadsheropleving of -vernieuwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze worden onteigend op de wijze bepaald bij de wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/07/1962 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake de onteigening ten algemenen nutte. HOOFDSTUK III - Bedrijfsruimten van gewestelijk belang en sanering van landschappen Art. 182.§ 1. De Regering kan besluiten tot het gewestelijk belang van de sanering van afgedankte bedrijfsruimtes waarvan ze de lijst opmaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van hoofdstuk I van titel I van dit boek, bepaalt de Regering wanneer een bedrijfsruimte afgedankt en gesaneerd moet worden. Ze legt er de omvang van vast, besluit tot het algemeen nut van de onteigening zoals bedoeld in artikel 181, en zorgt voor de aankoop ervan en voor de volgende saneringswerken : 1. de afbraak van het geheel of een gedeelte van de gebouwen, met inbegrip van de ondergrondse;2. de voor de operatie vereiste grondverplaatsingen, met inbegrip van de grondaanvoer of -afvoer;3. de verwijdering van producten, materialen, materieel en puin die achtergelaten werden of na de afbraak overblijven;4. de zaden, aanplantingen en bosaanplantingen. § 2. De eigenaar of houder van een zakelijk onroerend recht op goederen die gelegen zijn binnen het bereik van een afgedankte bedrijfsruimte, moet de plaats in haar oorspronkelijke staat herstellen. Daartoe moet hij de gebouwen geheel of gedeeltelijk afbreken en voor aanplantingen zorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigenaar of de houder van een zakelijk onroerend recht die zich niet schikt naar het eerste lid, kan er door de bevoegde rechtbank toe gedwongen worden op verzoek van het Gewest, de gemeente of een belanghebbende derde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in het eerste lid bedoelde werken niet uitgevoerd worden binnen de door de rechtbank voorgeschreven termijn, worden ze ambtshalve uitgevoerd door toedoen van het Gewest op kosten van de eigenaar of de houder van het zakelijk onroerend recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de kosten niet terugbetaald worden op zijn eerste verzoek, gaat het Gewest over tot de onteigening van de goederen; in dat geval kan geen rekening worden gehouden met de meerwaarde die voortspruit uit de reeds uitgevoerde werken. § 3. De waarde die in aanmerking wordt genomen voor de goederen bedoeld in de paragrafen 1 en 2, wordt geschat m.i.v. de kosten van de uit te voeren werken bedoeld in diezelfde paragrafen, met uitsluiting van de waarde die voortvloeit uit de bestemming die in de geldende plannen van aanleg is vastgelegd. § 4. De werken bedoeld in paragraaf 1 of opgelegd door de rechtbank in toepassing van paragraaf 2, tweede lid, worden uitgevoerd zonder de in artikel 84 bedoelde vergunning. HOOFDSTUK IV - Fonds voor daadwerkelijke ruimtelijke ordening Art. 183.Op de begroting van het Gewest wordt voorzien in een \"Fonds voor daadwerkelijke ruimtelijke ordening\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvangsten van het Fonds bestaan uit : 1. ontvangsten ten laste van de middelenbegroting die aangewend worden voor uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van dit boek;2. de opbrengst van verkopen, inkomsten, schuldvorderingen, terugbetalingen, die overeenkomstig dit boek door het Gewest worden verricht en ingevorderd;3. de opbrengst van leningen die speciaal uitgegeven worden om de in dit boek bedoelde aankoop, sanering of vernieuwing te bevorderen;4. alle middelen die nuttig zijn voor de in dit boek bedoelde aankoop, sanering of vernieuwing en die aangewend worden krachtens de wettelijke en conventionele bepalingen. De uitgaven van het Fonds zijn die welke uit de toepassing van dit boek voortvloeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vastlegging en de ordonnancering van de uitgaven ten laste van het fonds worden door de regering uitgevoerd. HOOFDSTUK V - Financiële bepalingen Art. 184.Het Gewest kan, onder de door de Regering bepaalde voorwaarden, een subsidie verlenen : 1. met het oog op de aankoop door een publiekrechtelijk rechtspersoon van het geheel of van een gedeelte van de onroerende goederen gelegen binnen één van de in artikel 175 bedoelde gebieden;2. aan alle publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke en rechtspersonen van openbaar nut, voor handelingen en werken met het oog op hetzij de sanering en de vernieuwing van onroerende goederen die gelegen zijn binnen het gebied bedoeld in artikel 168, § 4, hetzij de uiterlijke vernieuwing en verfraaiing van woongebouwen.»</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk VI van titel IV in boek I van hetzelfde Wetboek, met het opschrift \"Opheffings- en overgangsbepalingen\", en de artikelen 73 tot 78 worden in het nieuwe boek I van hetzelfde Wetboek ingevoegd als titel VIII \"Opheffings- en overgangsbepalingen van de wetten van 29 maart 1962 en van 22 december 1970\", met inbegrip van de artikelen 161 tot 166</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Boek V van hetzelfde Wetboek, met het opschrift \"Bepalingen betreffende monumenten, landschappen en opgravingen\", en de artikelen 345, 346, 346bis, 347 tot 367, 367bis, 368 tot 392, 392bis, 393 en 394 worden in hetzelfde Wetboek ingevoegd als een nieuw boek III met hetzelfde opschrift en met inbegrip van de artikelen 185 tot 237</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In boek IV van hetzelfde Wetboek, met het opschrift \"Uitvoeringsmaatregelen\" worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1. hoofdstuk I van titel I, met het opschrift \"Presentatie en toepassing van ontwerpen van gewestplannen en gewestplannen\", en de artikelen 166 tot 188/3 worden opgeheven;2. titel IV van boek III, met het opschrift \"Samenstelling en werkingsmodaliteiten van de gewestelijke commissie ruimtelijke ordening en haar afdelingen\", en titel V van boek III, met het opschrift \"Samenstelling en werkingsmodaliteiten van de gemeentelijke overlegcommissie ruimtelijke ordening\", worden in titel I van boek IV van hetzelfde Wetboek ingevoegd als hoofdstuk I, met het opschrift \"Samenstelling en werkingsregels van de commissies ruimtelijke ordening\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk I bevat een afdeling I, met het opschrift \"Gewestelijke commissie en haar afdelingen\", waarin de artikelen 151 tot 163 de artikelen 238 tot 250 worden, en een afdeling II, met het opschrift \"Gemeentelijke commissie en haar afdelingen\", waarin de artikelen 165/1 tot 165/3 de artikelen 251 tot 253 worden; 3. de artikelen 188/4 tot 188/9, 190 tot 195, 195/1 tot 195/6, 196 tot 202, 202/1 tot 202/5, 203 tot 217, 217/1 tot 217/2, 218 tot 317, 319 tot 322, 322/1 tot 322/37, 323 tot 338, 338bis en 338ter, 339 tot 343, 343bis tot 343quinquies, 344, 344bis tot 344septies worden genummerd van 254 tot 506. HOOFDSTUK II - Opheffingsbepalingen Art. 5.In hetzelfde Wetboek worden opgeheven : 1. punt 6° van artikel 192 en punt 8° van artikel 194;2. in artikel 194, 1°, de nummering \"1° tot 5° en 7°\".</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK III - Overgangs- en slotbepalingen Art. 6.§ 1. In de geldende gewestplannen zijn de volgende voorschriften van toepassing : 1. op woongebieden, het voorschrift bedoeld in artikel 26;2. op woongebieden met een landelijk karakter, het voorschrift bedoeld in artikel 27;3. op woonuitbreidingsgebieden en woonuitbreidingsgebieden met een landelijk karakter, het voorschrift bedoeld in artikel 33;4. op gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, op militaire domeinen en op andere gebieden voor voorzieningen, openbare diensten en infrastructuren, het voorschrift bedoeld in artikel 28;5. op recreatiegebieden en uitbreidingen van recreatiegebieden, het voorschrift bedoeld in artikel 29;6. op gebieden voor ambachtelijke bedrijven of voor kleine en middelgrote ondernemingen, op uitbreidingen van gebieden voor ambachtelijke bedrijven of voor kleine en middelgrote ondernemingen, op gebieden van industriële ontwikkeling, op dienstverleningsgebieden en uitbreidingen van dienstverleningsgebieden, het voorschrift bedoeld in artikel 30, eerste en derde lid;7. op industriegebieden, het voorschrift bedoeld in artikel 30, tweede en derde lid;8. op uitbreidingen van industriegebieden, het voorschrift bedoeld in artikel 34;9. op ontginningsgebieden, het voorschrift bedoeld in artikel 32;10. op uitbreidingen van ontginningsgebieden, het voorschrift bedoeld in artikel 32;11. op landelijke gebieden en landbouwgebieden, het voorschrift bedoeld in artikel 35;12. op bosgebieden, het voorschrift bedoeld in artikel 36;13. op groengebieden en bufferzones, het voorschrift bedoeld in artikel 37;14. op natuurgebieden en natuurgebieden van wetenschappelijk belang, het voorschrift bedoeld in artikel 38;15. op parkgebieden, het voorschrift bedoeld in artikel 39;16. in gebieden en landschappen van cultureel, historisch of esthetisch belang, de oppervlakte bedoeld in artikel 40, 4°;17. in landschappelijk waardevolle gebieden, de oppervlakte bedoeld in artikel 40, 3°;18. in waterwinningsgebieden en op waterwinningsplaatsen, de waterwinningspreventie-omvang, bedoeld in artikel 40, 9°;19. in reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden, de oppervlakte bedoeld in artikel 40, 6°;20. in overstromingsgebieden, de oppervlakte bedoeld in artikel 40, 5°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere gebieden, bijkomende aanduidingen of overdrukken in de geldende gewestplannen zijn onderworpen aan de voorschriften betreffende de bestemming die overeenstemt met de achtergrondkleur van het plan. § 2. De herziening van een gewestplan die vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet voorlopig wordt bepaald door de Regering na advies van de gewestelijke commissie, kan worden voortgezet volgens de procedure die vóór die datum werd toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opmaak of de herziening van een bijzonder plan van aanleg dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet voorlopig is aangenomen door de gemeenteraad, kan worden voortgezet volgens de procedure die vóór die datum werd toegepast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet behoorlijk goedgekeurde stuur- of streekplan blijft van toepassing totdat het vervangen wordt door een gemeentelijk plan van aanleg dat van kracht wordt</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De besluiten die door de Regering genomen worden ter uitvoering van de decreetsbepalingen van hetzelfde Wetboek blijven van toepassing tot ze bij andere besluiten worden opgeheven, vervangen of gewijzigd</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De overeenkomsten bedoeld in het decreet van 20 december 1990 betreffende de herwaardering van stadscentra en gesloten vóór de inwerkingtreding van dit decreet, blijven uitvoerbaar. Het Gewest kan het bedrag van de honoraria van de ontwerper voor zijn rekening nemen. § 2. In het geval van verrichtingen die het voorwerp zijn of zijn geweest van een tegemoetkoming die vóór 25 augustus 1995 werd vastgelegd, kan de publiekrechtelijke rechtspersoon die eigenaar is van een met gewestelijke subsidies gesaneerde of vernieuwde bedrijfsruimte, deze met instemming van de Regering geheel of gedeeltelijk vervreemden, er opstal- of erfpachtrechten op toestaan of ze verhuren De ontvangsten die voortvloeien uit krachtens het eerste lid gesloten overeenkomsten, worden ten belope van de gewestelijke tegemoetkoming gestort op het Fonds voor daadwerkelijke ruimtelijke ordening bedoeld in artikel 183 van hetzelfde Wetboek. Met instemming van de Regering kunnen ze echter aangewend worden om andere lopende werken voort te zetten, of bij gebreke hiervan, voor toekomstige sanerings- of vernieuwingwerkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeentelijke adviescommissie waarvan de instelling vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet door de gemeenteraad is aangenomen, kan de vóór die datum geldende procedure voortzetten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van aanvragen om bouw- of verkavelingsvergunningen waarvan de datum van ontvangbewijs voorafgaat aan die van de inwerkingtreding van dit decreet, kan de vóór die datum geldende procedure worden voortgezet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 13</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 130, § 3, van hetzelfde Wetboek blijft van toepassing op vergunningsaanvragen waarvan vóór 31 januari 1995 ontvangst is bericht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 14</span><span class=\"lf-art-t\">De Regering bepaalt de datum waarop artikel 131 van hetzelfde Wetboek in werking treedt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzingen naar bepalingen uit hetzelfde Wetboek, die in andere decreten zijn opgenomen, kunnen door de Regering worden aangepast. HOOFDSTUK IV - Wijzigings- en opheffingsbepalingen van het decreet van 27 juni 1996 betreffende afvalstoffen Art. 16.De paragrafen 1 en 2 van artikel 26 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende afvalstoffen worden vervangen door de volgende bepalingen : § 1. De Regering bepaalt het plan van de centra voor technische ingraving voorlopig, alsook de herziening van de betrokken gewestplannen Het plan wordt vastgesteld en de betrokken gewestplannen herzien volgens de procedure bedoeld in de artikelen 43 en 44 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overlegvergadering bedoeld in artikel 43, § 2, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, wordt belegd tussen vertegenwoordigers van de Regering, van de openbare maatschappij bedoeld in artikel 39 en van de eisers. § 2. De Regering bepaalt het plan van de centra voor technische ingraving definitief bij de akte bedoeld in artikel 44 van hetzelfde Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel treedt in werking op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het plan van de centra voor technische ingraving waarvan het voorontwerp door de Regering werd opgemaakt vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet, of uiterlijk 1 juni 1999. Art. 17.De gebieden met centra voor technische ingraving en de gebieden met buiten dienst gestelde centra voor technische ingraving, zoals bedoeld in artikel 63 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende afvalstoffen, die de Regering definitief heeft bepaald aan het einde van de procedure voor het opmaken van het plan van de centra voor technische ingraving die vóór de inwerkingtreding van dit decreet werd ingezet, worden gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk \"C.E.T\" en \"C.E.T.D. » bedoeld in artikel 28, § 2, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium. Art. 18.Artikel 63 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende afvalstoffen wordt opgeheven. Art. 19.Dit decreet treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namen, 27 november 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, Buitenlandse Handel, KMO's, Toerisme en Patrimonium, R. COLLIGNON De Minister van Ruimtelijke Ordening, Uitrusting en Vervoer, M. LEBRUN De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken, B. ANSELME De Minister van Begroting en Financiën, Tewerkstelling en Vorming, J.-C. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw, G. LUTGEN De Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, W. TAMINIAUX De Minister van Onderzoek, Technologische Ontwikkeling, Sport en Internationale Betrekkingen, W. ANCION. Voor de raadpleging van de voetnoot, zie beeld</p></div>", "next": 0}