← België

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringe

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit wijzigt een eerder besluit uit 1996 over overheidsopdrachten om Europese richtlijnen en internationale overeenkomsten te implementeren, en om de regels voor overheidsopdrachten te verduidelijken en aan te passen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
25 MAART 1999. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/01/1996 pub. 29/10/2013 numac 2013000671 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken Verslag aan de Koning Sire, Dit ontwerp van koninklijk besluit beoogt in de eerste plaats de omzetting van de richtlijn 97/52/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 13 oktober 1997. Die richtlijn wijzigt immers respectievelijk de richtlijnen 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor aanneming van diensten, leveringen en werken. De Overeenkomst inzake overheidsopdrachten gesloten in 1994 in het kader van het Algemeen Akkoord over de Douane- en Handelstarieven (voortaan Wereldhandelsorganisatie) heeft met sommige van haar bepalingen gunstiger voorwaarden geschapen voor de derde landen dan die van de Europese richtlijnen voor het klassieke stelsel. Dat is de reden waarom die richtlijnen gewijzigd werden door de richtlijn 97/52/EG teneinde binnen de Gemeenschap, aan de ondernemingen en de producten van de Lid-Staten toegangsmogelijkheden te bieden die minstens even gunstig zijn dan die in de bepalingen van de Overeenkomst voor de ondernemingen en de producten van derde landen die de Overeenkomst hebben ondertekend. Meerdere bepalingen van de Overeenkomst werden reeds opgenomen in het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/01/1996 pub. 29/10/2013 numac 2013000671 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Sommige bijkomende wijzigingen dienen evenwel te worden aangebracht, met name voor de invoering van nieuwe drempels voor de bekendmaking op Europees niveau. De bij het besluit gevoegde modellen van aankondiging worden ook aangepast. Naar aanleiding van deze omzetting en rekening houdend met de ervaring die opgedaan werd bij de toepassing van de nieuwe regelgeving betreffende de overheidsopdrachten, heeft de Commissie voor de overheidsopdrachten eveneens bepaalde aanpassingen en verduidelijkingen van de tekst van het koninklijk besluit voorgesteld. Die zullen in de toelichting per artikel worden uiteengezet. Behalve de zuiver formele aanpassingen, werden de door de Raad van State geformuleerde opmerkingen in aanmerking genomen, zoals uiteengezet in dit verslag. Artikel 1.Dit artikel wijzigt artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/01/1996 pub. 29/10/2013 numac 2013000671 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Het bepaalt de drempel vanaf dewelke de overheidsopdrachten voor aanneming van werken die te gunnen zijn volgens een procedure die de bekendmaking vereist, op Europees niveau moeten worden aangekondigd. Het bedrag beloopt voortaan 203 miljoen frank zonder belasting over de toegevoegde waarde voor de opdrachten die terzelfdertijd in het toepassingsgebied van de richtlijn 93/37/EEG en de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten vallen. In de praktijk belangt dit de opdrachten van de aanbestedende overheden in het klassieke stelsel aan, met uitzondering van de opdrachten in de zin van artikel 1, § 2, gegund door privaatrechtelijke personen en voor meer dan 50 pct. gesubsidieerd door de openbare sector. Die laatste opdrachten zijn immers onderworpen aan de Europese richtlijn maar niet aan de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten en de van toepassing zijnde drempel bedraagt in dat geval 197 miljoen frank. Deze uiteenlopende drempels zijn het gevolg van de nieuwe bepaling in artikel 6, 2, van de richtlijn 93/37/EEG. Volgens die richtlijn wordt het bedrag van de overheidsopdrachten die in het toepassingsgebied van zowel de richtlijn als de Overeenkomst vallen berekend in het licht van het equivalent in ecu van 5 miljoen speciale trekkingsrechten, thans dus 203 miljoen frank. Voor de opdrachten onderworpen aan de richtlijn maar niet aan de Overeenkomst, wordt het bedrag uitsluitend vastgesteld in ecu en bedraagt de tegenwaarde thans in Belgische frank 197 miljoen frank. Art. 2.Dit artikel past het bedrag aan dat in artikel 2 van het besluit toelaat een of meer percelen van beperkte waarde vrij te stellen van de Europese bekendmaking hoewel hun waarde in aanmerking komt om te bepalen of de werken of het bouwwerk voor het overige dienen te worden bekendgemaakt op Europees niveau. Daar die bepaling enkel voortvloeit uit de richtlijn, stemt het erin vermelde bedrag van 39,5 miljoen frank overeen met de tegenwaarde in Belgische frank van een bedrag uitgedrukt in ecu. Het tweede lid van hetzelfde artikel voert een bepaling in waarin in geval van nieuwe werken die bestaan uit de herhaling van soortgelijke werken in de zin van artikel 17, § 2, 2°, b, van de wet van 24 december 1993 vermeld wordt dat het totale geraamde bedrag voor de volgende werken eveneens toegevoegd wordt om te bepalen of de opdracht al dan niet de drempel bereikt voor bekendmaking op Europees niveau. Art. 3.Meerdere verduidelijkingen worden aangebracht in artikel 16 van het besluit. De eerste verduidelijking sluit in het referentiegebied artikel 20 in omdat dit voortaan eveneens inlichtingen en documenten behandelt die kunnen worden opgeëist in het stadium van de selectie. De tweede verduidelijking betreft het gebruik van de eisen inzake erkenning van aannemers van werken in het stadium van de kwalitatieve selectie voor de procedures van openbare aanbesteding en van algemene offerteaanvraag. Het eerste lid van artikel 16 wordt aangevuld met een bepaling volgens dewelke de minimumvoorwaarden van financiële, economische en technische aard, geëist krachtens de wetgeving inzake de erkenning van aannemers van werken, als voldoende kunnen worden geoordeeld door de aanbestedende overheid. Deze laatste is in dat geval dus niet verplicht bijkomende eisen te voorzien die zouden steunen op de artikelen 18 en volgende van het besluit, gezien in de erkenning reeds minimumvoorwaarden voorkomen die terzake dienen te worden nageleefd. Wat dit punt betreft, is de Raad van State in zijn verslag van mening dat deze verduidelijking overbodig is en dat zij bovendien twijfels zou kunnen doen ontstaan wat de kwalitatieve selectie betreft bij beperkte procedure. Na dit opnieuw te hebben onderzocht, werd het beter geacht deze verduidelijking te behouden. Onverminderd de uitsluitingsoorzaken van artikel 17, bepaalt zij immers dat de aanbestedende overheid bij een openbare procedure kan oordelen dat de minimumvoorwaarden van de wetgeving betreffende de erkenning volstaan. Bij een beperkte procedure of onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvraag van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, worden de kandidaten die de minimumvoorwaarden vervullen waarin de kwalitatieve selectie voorziet, daarentegen niet automatisch geselecteerd, aangezien de aanbestedende overheid het aantal kandidaten kan verminderen. De minimumvoorwaarden die voortvloeien uit de erkenning zijn dus niet voldoende om een selectie te verrichten in deze procedures. De in artikel 17 van het besluit vermelde uitsluitingstoestanden kunnen op elk ogenblik toegepast worden, zoals vermeld staat in de toelichting bij het volgende artikel, en dat zelfs wanneer de overheid die bevoegd is voor de erkenning nog geen sanctie getroffen heeft in het kader van de erkenning. Rekening houdend met een opmerking van de Raad van State moet bovendien worden beklemtoond dat de regels inzake kwalitatieve selectie van toepassing kunnen zijn op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, behalve wanneer die gewoon met een aangenomen factuur tot stand komt. Het gebruik van de criteria die de mogelijkheid bieden om de financiële en economische draagkracht en de technische bekwaamheid te beoordelen, dringt zich echter slechts op indien de aanbestedende overheid beslist haar procedure inzake kwalitatieve selectie te formaliseren. De selectie zal in dat geval plaatsvinden uitgaande van de referenties en de bewijzen die, overeenkomstig de reglementering, vereist zijn uitgaande van een selectiedossier dat door de geraadpleegde ondernemingen wordt ingediend of op basis van de vereisten vastgelegd in de uitnodiging tot het indienen van een offerte. Dit is de reden waarom een nieuw lid werd ingevoegd na lid 2, waarin wordt verduidelijkt dat de aanbestedende overheid, bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in de zin van artikel 17, § 2, van de wet, kan bepalen dat de artikelen 17 tot 20 van dit besluit volledig of gedeeltelijk van toepassing zijn. Bijgevolg werd lid 2 aangepast in die zin dat het, naast de beperkte procedures, enkel nog betrekking heeft op de onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet. Een andere verduidelijking betreft het laatste lid van artikel 16. Die bepaling vermeldt dat het beginsel van gelijke behandeling van toepassing is niet alleen op de nationale aannemers of op aannemers afkomstig uit de Europese Gemeenschap maar voortaan eveneens, onder de voorwaarden van de hen betreffende internationale akte, op de aannemers van derde landen in de zin van artikel 24 van het koninklijk besluit. In de omzendbrief van 4 december 1997Relevante gevonden documenten type omzendbrief prom. 04/12/1997 pub. 13/12/1997 numac 1997021256 bron diensten van de eerste minister Omzendbrief. - Overheidsopdrachten. - Toegang van ondernemingen van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap tot de overheidsopdrachten sluiten, in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt op 10 december 1997, wordt overigens herinnerd aan de draagwijdte van de internationale akten die thans op dat vlak van toepassing zijn. Vallen niet onder deze bepaling de werken die geheim verklaard zijn of waarvan de uitvoering dient gepaard te gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen overeenkomstig geldende wettelijke of reglementaire bepalingen, of indien de bescherming van de fundamentele belangen van de veiligheid van het land dit vereist. Er wordt inderdaad bepaald, zowel in de Europese richtlijn als in de afgesloten internationale akkoorden, dat de opdrachten gegund in deze verschillende hypothesen, niet in het toepassingsgebied vallen van de richtlijn of de betrokken internationale akte. Art. 4.Artikel 4 wijzigt op twee punten artikel 17 van het koninklijk besluit. Ter verduidelijking, wordt in het eerste lid vermeld dat de uitsluitingsgronden in eender welk stadium van de procedure van toepassing zijn, dit wil zeggen vanaf het begin van de selectie tot bij de gunning van de opdracht. Dit is al de draagwijdte van de huidige tekst maar deze formele vermelding zou een einde moeten maken aan sommige vragen terzake. Overigens, alhoewel in artikel 17 niet opgelegd wordt dat een aannemer die zich in een uitsluitingstoestand bevindt, automatisch uitgesloten wordt van deelneming aan een opdracht, blijft het niettemin zo dat de aanbestedende overheid slechts bij uitzondering een opdracht kan gunnen aan een dergelijke aannemer, en dat haar beslissing tot niet-uitsluiting van deze laatste dient te worden gemotiveerd. Wat dit laatste punt betreft, heeft de Raad van State voorgesteld om een verduidelijking in die zin in te voegen in het beschikkend gedeelte van het ontwerp. Bij nader onderzoek werd deze verduidelijking evenwel niet zeer opportuun geacht, aangezien elke beslissing inzake selectie moet worden gemotiveerd. Bovendien zou dit ertoe leiden dat dezelfde verduidelijking moet worden aangebracht in diverse bepalingen van het besluit om te vermijden dat er een rechtsonzekerheid zou ontstaan bij de toepassing van andere bepalingen. Punt 5° van hetzelfde lid wordt licht aangepast. Punt 5° behandelt immers de mogelijkheid om een aannemer uit te sluiten die niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen inzake betaling van de bijdragen van de sociale zekerheid. De in ontwerp zijnde tekst verwijst voortaan naar een artikel 17bis en niet meer naar artikel 90, § 3 en 4. De invoering van een artikel 17bis wordt behandeld in de toelichting bij het volgende artikel. Art. 5.De invoering van een artikel 17bis in het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/01/1996 pub. 29/10/2013 numac 2013000671 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten is gegrond om de volgende redenen. Het stelsel van het attest van sociale zekerheid ontstond in een periode, die van het koninklijk besluit van 14 oktober 1964, waarin de enige denkbare strafmaatregel in geval van niet-naleving door de aannemer van de bepalingen van de regelgeving, de nietigheid van de inschrijving was. Met de nieuwe regelgeving en de vormelijke regeling van de kwalitatieve selectie is de toestand geëvolueerd. De teksten voorzien voortaan inderdaad een reeks uitsluitingsgronden in verband met de persoonlijke toestand van de kandidaat of inschrijver, in eender welk stadium van de procedure. Daar de niet-betaling van de bijdragen van de sociale zekerheid een mogelijke uitsluitingsgrond vormt, leek het wenselijk, met het oog op een samenhangende tekst, de bepalingen terzake in te lassen in het hoofdstuk over de kwalitatieve selectie. Evenwel, wegens het belang dat gehecht wordt aan die sociale verplichtingen, bepaalt het nieuwe artikel 90, § 3, dat in het stadium van de offerte de naleving ervan eveneens een regelmatigheidsvoorwaarde van de offerte vormt. Dat maakt dat artikel 17bis de tekst van het huidige artikel 90, §§ 3 en 4, overneemt in een aangepaste vorm om rekening te houden met de verschillende gunningswijzen. Een laatste paragraaf werd toegevoegd die de aanbestedende overheid de mogelijkheid biedt om in het even welk stadium van de procedure inlichtingen in te winnen bij de kandidaat, de inschrijver of de bevoegde sociale zekerheidsinstelling over de toestand inzake betaling van de bijdragen. Deze bepaling is gelijkluidend met die welke vroeger vervat was in artikel 90, § 5, van hetzelfde besluit en maakt een controle mogelijk tijdens de periode die niet door artikelen 17bis, § 1 en 2 en 90 gedekt is en die zich na de uiterste ontvangstdatum vóór de kandidaturen of de offertes en van de gunning van de opdracht. Wat de vormgeving betreft, werd de door de Raad van State geformuleerde suggestie niet in aanmerking genomen. Het was immers de bedoeling van deze suggestie om in de laatste zin van § 1 van artikel 17bis de woorden « vóór de beslissing tot selecteren van de kandidaten of tot het gunnen van de opdracht » te vervangen door de woorden « vóór de beslissing tot selecteren van de kandidaten bij een beperkte procedure of onderhandelingsprocedure of tot het gunnen van de opdracht bij een openbare procedure ». Wat de onderhandelingsprocedure betreft, kan het in aanmerking te nemen ogenblik immers variëren naargelang het een procedure betreft die al dan niet gepaard gaat met een voorafgaande selectiefase.Zelfs bij een openbare procedure kan het interne beoordelingsproces van de offertes bepalen dat de bevoegde overheid zich tijdens een eerste stadium moet uitspreken over de kwalitatieve selectie. Art. 6.Dit artikel is een aanpassing van artikel 20 van het besluit. De eerste paragraaf vloeit voort uit de samenvoeging van de tekst van artikel 90, § 1, 3°, over de erkenning van de aannemers en de tekst die tot hiertoe § 2 van artikel 20 vormt. Daar de erkenning een kwalificatiestelsel is voor de minimale draagkracht van de aannemers, is deze materie beter op zijn plaats in het hoofdstuk gewijd aan de kwalitatieve selectie. Paragraaf 2 integreert in ditzelfde hoofdstuk het probleem van de inschrijving in het beroeps- of handelregister dat tot nu behandeld werd in artikel 92 en dit om dezelfde reden als voor de erkenning. Paragraaf 3 tenslotte neemt een bepaling over die gelijkluidend is met die van artikel 20, § 1, dat thans van kracht is. Art. 7.In deze bepaling wordt punt 5° van artikel 21 van het besluit inzake promotie voor aanneming van werken aangepast. Onder de promotiewijzen bevindt zich inderdaad die van de erfpacht. Naast de toekenning van een erfpachtrecht, moet ook de erfpachtneming van bouwwerken vermeld worden, evenals de toekenning van een recht van opstal of het nemen van dergelijk recht. Art. 8.Het eerste en het tweede lid van artikel 22 van het besluit van 8 januari 1996 worden voortaan over twee paragrafen verdeeld. In de eerste paragraaf worden de voorschriften vermeld die van toepassing zijn voor de kwalitatieve selectie. Vermits het om een overheidsopdracht voor aanneming van werken gaat, mogen deze voorschriften niet verschillen van die in de artikelen 17 tot 20 van het besluit. De aanbestedende overheid zal er bij de bepaling van deze eisen nochtans rekening mee houden dat de promotor nu eens een financier kan zijn, dan een aannemer van werken, of een vereniging gevormd door een financier en een aannemer. Anderzijds werd een verduidelijking aangebracht in het artikel over het ogenblik waarop de promotor moet voldoen aan de eisen van de selectie volgens de gebruikte gunningswijze. Paragraaf 2 verduidelijkt dat het, volgens het geval, bij de aanvraag tot deelneming of bij de offerte is dat de promotor die niet zelf het werk geheel of gedeeltelijk uitvoert, een lijst moet voegen met maximum drie aannemers die voldoen aan de eisen en aan wie hij de uitvoering van de werken denkt toe te vertrouwen. Art. 9.Voortaan wordt in artikel 24 een bedrag vastgesteld vanaf hetwelk de verplichtingen ten opzichte van derde landen ten aanzien van de Europese Gemeenschap van toepassing zijn. Gezien twee bedragen opgenomen zijn in artikel 1 werd het inderdaad verkieselijk geacht, en dit omwille van de duidelijkheid, het bedrag dat van toepassing is in dit artikel te vermelden en zich niet te beperken tot een eenvoudige verwijzing. Art. 10.Dit artikel brengt verschillende verduidelijkingen aan in artikel 25 betreffende de informatie en de motivering van de beslissingen. Aldus - vermeldt het eerste lid van § 1 dat de informatie bij openbare procedure onverwijld moet worden verstrekt en dit zowel aan de niet- geselecteerde inschrijvers, diegene van wie de offerte als niet regelmatig werd beschouwd als aan diegenen van wie de regelmatige offerte niet werd gekozen. Bij een openbare procedure zullen deze diverse beslissingen gewoonlijk op hetzelfde ogenblik worden genomen, waardoor wordt vermeden dat het dossier herhaaldelijk aan de bevoegde overheid moet worden voorgelegd. Als dit niet het geval is, zal aan de betrokken inschrijvers in elk stadium dat aanleiding geeft tot een beslissing, de informatie onverwijld moeten verstrekt worden. Rekening houdend met een opmerking van de Raad van State werden de woorden « en ten laatste wanneer de opdracht gegund wordt » geschrapt. - in lid 2 van dezelfde § 1 en rekening houdend met een opmerking van de Raad van State, werd de voorwaarde die inhield dat de motieven slechts konden worden medegedeeld na de gunning van de opdracht afgeschaft. De tekst van de richtlijn 97/52/EG verwijst immers naar de beslissingen die door de bevoegde overheid worden genomen in het kader van een procedure en deze beslissingen gaan vooraf aan de gunning van de opdracht, met inbegrip van de gunningsbeslissing wanneer de contractuele band gebaseerd is op een kennisgeving overeenkomstig artikel 117 van het koninklijk besluit; - hetzelfde lid 2 bepaalt dat de gemotiveerde gunningsbeslissing eveneens wordt medegedeeld aan de aannemer op diens verzoek. In zijn advies heeft de Raad van State voorgesteld om deze bepaling in te voegen in artikel 117 en in de Nederlandse tekst de woorden « aan de aannemer » te vervangen door de woorden « aan de gekozen aannemer ». Bij nader onderzoek werd beslist dat deze bepaling beter zou worden opgenomen in artikel 25 betreffende de motivering en dat het begrip « aannemer » in de Nederlandse tekst van dit gedeelte van de reglementering overeenstemt met het begrip « adjudicataire » in de Franse tekst. Teneinde de nagestreefde coherentie inzake terminologie te verbeteren, werden de woorden « de betrokken inschrijver, hierna aannemer te noemen » in artikel 117 evenwel vervangen door de woorden « de gekozen inschrijver, hierna aannemer te noemen »; - wordt § 2 in dezelfde zin als § 1 aangepast wat betreft de opdrachten gegund bij beperkte procedure of bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking in de zin van artikel 17, § 3, van de wet; - zoals gevraagd door de Raad van State, verduidelijkt § 3 in een eerste lid dat de niet weerhouden kandidaten of inschrijvers bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking eveneens spontaan door de aanbestedende overheid zouden worden geïnformeerd over haar beslissing. Deze aanpassing is gerechtvaardigd door het feit dat de richtlijn 97/52/EG inzake informatie geen enkel onderscheid maakt naargelang van de gunningsprocedure. Teneinde de taak van de aanbestedende overheden niet te verzwaren en toch de Europese richtlijn om te zetten, wordt verduidelijkt dat deze informatieplicht in het kader van deze procedure enkel van toepassing is op de opdrachten die de Europese drempel bereiken; - bepaalt § 3 voortaan dat het voorschrift volgens hetwelk de gemotiveerde beslissing moet meegedeeld worden aan elke inschrijver van wie de offerte niet gekozen werd en aan de aannemer zo zij erom vragen, niet van toepassing is in geval van opdracht via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, die tot stand komt gewoon met een aangenomen factuur overeenkomstig artikel 122, 1°, van het besluit. Immers, in geval van vaststelling van de opdracht gewoon met een aangenomen factuur is de procedure niet geformaliseerd en geeft ze dus geen aanleiding tot het opstellen van een formele beslissing van selectie of toewijzing. Naast wat voorafgaat bepaalt de tekst, zoals in de andere paragrafen van artikel 25, dat de aannemer eveneens de gemotiveerde toewijzingsbeslissing kan bekomen. Anderzijds werd nagegaan of het raadzaam zou zijn in ditzelfde artikel een bepaling op te nemen van richtlijn 97/52/EG volgens dewelke onverwijld en op zijn schriftelijk verzoek, aan elke inschrijver die een ontvankelijke offerte heeft ingediend, de eigenschappen en de voordelen van de gekozen offerte moeten worden meegedeeld. Het begrip gemotiveerde beslissing in het Belgische recht omvat deze aspecten en blijkt zelfs ruimer te zijn vermits deze beslissing een vergelijking van verschillende offertes veronderstelt. Het werd dus nuttig geacht te verwijzen naar het begrip gemotiveerde beslissing zoals het in ons recht bestaat, temeer daar een tegenovergestelde houding de practici er zou kunnen toe brengen zich af te vragen waarom deze bijzondere bepaling ingevoerd werd. Nu is het wel degelijk de bedoeling de aanbestedende overheid te verplichten in de akte zelf de overwegingen aan te geven die feitelijk en rechtens aan de grondslag liggen van deze beslissing. Bij deze gelegenheid werd eveneens een andere kwestie onderzocht die tot controverses leidt, namelijk de vraag of de aanbestedende overheid zou kunnen overgaan tot een loting en haar beslissing zou kunnen motiveren op grond van het resultaat van deze loting, wanneer bij een beperkte procedure of onderhandelingsprocedure met bekendmaking in de zin van artikel 17, § 3, van de wet, sommige ontvangen kandidaturen als evenwaardig worden beschouwd, maar dat hun aantal het vooropgestelde maximumcijfer overschrijdt. In dat verband wordt in artikel 113 van het koninklijk besluit reeds uitdrukkelijk de oplossing van de loting toegestaan in het uitzonderlijke geval van behoud van een gelijke prijs bij een aanbestedingsprocedure. Er kan dus worden van uitgegaan dat zelfs bij afwezigheid van een uitdrukkelijke bepaling de loting een mogelijkheid kan zijn die toelaat om, bij gelijke kwalificatie, een keuze te kunnen maken tussen de kandidaten. Deze mogelijkheid dient evenwel een uitzondering te blijven en mag er niet toe leiden dat aanbestedende overheden, zonder ernstig onderzoek en rechtvaardiging, besluiten tot het bestaan van een dergelijke gelijkheid. De omstandigheden die de loting rechtvaardigen moeten dus bewezen worden en, in tegenstelling tot wat uit het advies van de Raad van State zou kunnen blijken, impliceert het gebruik van een dergelijke mogelijkheid niet dat de beslissing niet werd gemotiveerd. Art. 11.In deze bepaling wordt artikel 26 van het besluit betreffende de beslissing van de aanbestedende overheid om een opdracht niet te gunnen of om de procedure te herbeginnen licht aangepast. Overeenkomstig de tekst van de richtlijn 97/52/EG, licht de aanbestedende overheid onverwijld, niet alleen het Bureau voor Officiële Publicaties van de Europese Gemeenschappen in -indien de opdracht het voorwerp was van een aankondiging bekendgemaakt op dit niveau- maar eveneens de kandidaten of inschrijvers. Art. 12.In dit artikel worden de drempels gewijzigd die van toepassing zijn voor de bekendmaking van de opdrachten voor aanneming van leveringen op Europees niveau. Die drempel bedraagt voortaan 8,1 miljoen frank zonder belasting over de toegevoegde waarde. Hij bedraagt evenwel 5,2 miljoen frank voor de opdrachten van sommige aanbestedende overheden van het federale niveau, vermeld in artikel 50, 2°, a, van het besluit. De toelichting bij artikel 1 van dit besluit is, mutatis mutandis, van toepassing voor de tegenwaarde van de drempels in Belgische frank. Art. 13.In artikel 29 van het besluit wordt de drempel vanaf dewelke het geheel van de opdrachten, verdeeld per groep van produkten, het voorwerp moet uitmaken van een enuntiatieve aankondiging, voortaan vastgesteld op 29,6 miljoen frank zonder belasting over de toegevoegde waarde. Art. 14.In verband met de aanpassing van artikel 42 van het besluit kan worden verwezen naar de toelichting gewijd aan de wijziging van artikel 16 van het besluit, in artikel 3 van dit ontwerp. Zijn evenwel uitgesloten van het toepassingsgebied van de verplichtingen ten opzichte van leveranciers van derde landen, niet alleen de geheim verklaarde leveringen of diegene waarvan de uitvoering moet gepaard gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen, maar eveneens de leveringen in de zin van artikel 3, § 3, van de wet. Art. 15.In verband met de aanpassing van artikel 43 van het besluit kan worden verwezen naar de toelichting gewijd aan de wijziging van artikel 17 van het besluit, in artikel 4 van dit besluit. Art. 16.Voor de invoering van een artikel 43bis in het besluit kan worden verwezen naar de toelichting bij de invoering van een artikel 17 bis in het besluit, in artikel 5 van dit besluit. Art. 17.De toelichting gewijd aan de wijziging van artikel 20 van het besluit, in artikel 6 van dit besluit, geldt, mutatis mutandis, voor de wijziging aangebracht in artikel 46 van het besluit. Art. 18.Artikel 18 voert in het besluit een artikel 48bis in dat handelt over de kwalitatieve selectie in geval van promotieopdracht voor leveringen. Art. 19.Dit artikel beperkt zich tot de inlassing in artikel 50 van het besluit, van de drempels van 8,1 en 5,2 miljoen frank vastgesteld voor de bekendmaking op Europees niveau. Die drempels worden eveneens weerhouden om een van de voorwaarden vast te stellen die de verplichtingen afbakenen die van toepassing zijn voor de overheidsopdrachten ten opzichte van de produkten en leveranciers van derde landen. Art. 20.Om de draagwijdte van de aanpassing van artikel 51 van het besluit te beoordelen kan worden verwezen naar de toelichting bij de wijziging van artikel 25 van het besluit, in artikel 10 van dit besluit. Art. 21.Voor dit artikel waarin artikel 52 van het besluit wordt gewijzigd, wordt verwezen naar de toelichting bij de wijziging van artikel 26 van het besluit, in artikel 11 van dit besluit. Art. 22.Zoals artikel 1 van het besluit dat van toepassing is op de werken, wordt artikel 53 eveneens, inzake diensten, aangepast om voortaan rekening te houden met de twee berekeningswijzen van de drempels : ofwel in functie van de tegenwaarde in de nationale munt van een bedrag vastgesteld in ecu voor de opdrachten die enkel op Europees niveau onderworpen zijn aan de mededinging, ofwel in het licht van dezelfde tegenwaarde ten opzichte van het equivalent in ecu van een bedrag uitgedrukt in speciale trekkingsrechten voor de overheidsopdrachten die terzelfdertijd onderworpen zijn aan de richtlijn en aan de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten. In de praktijk zijn voor de opdrachten voor aanneming van diensten die onderworpen zijn aan de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen dus de volgende drempels te onderscheiden : - voor de opdrachten voor aanneming van gesubsidieerde diensten van privaatrechtelijke personen onder de voorwaarden van artikel 53, § 2, van het besluit, wordt die drempel vastgesteld op 7,9 miljoen frank zonder belasting over de toegevoegde waarde, hetzij de tegenwaarde van 200.000 ecu; - voor de overheidsopdrachten voor aanneming van diensten bedraagt die drempel 8,1 miljoen frank zonder belasting over de toegevoegde waarde. Die drempel bedraagt evenwel 5,2 miljoen frank voor de federale aanbestedende overheden, vermeld in artikel 79, 2°, a, en voor de erin bedoelde opdrachten. De drempel van 8,1 of 5,2 miljoen frank stemt overeen met de tegenwaarde in de nationale munt van het equivalent in ecu van 130.000 of 200.000 speciale trekkingsrechten. De drempel beloopt evenwel 7,9 miljoen frank zonder belasting over de toegevoegde waarde voor de drie categorieën van diensten, vermeld op het einde van het eerste lid die niet in het toepassingsveld van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten vallen maar enkel in dat van de Europese richtlijn. De drempel stemt dus overeen met de tegenwaarde in de nationale munt van 200.000 ecu en is van toepassing op alle aanbestedende overheden. Art. 23.De wijzigingen aangebracht in artikel 54 van het besluit zijn de volgende : - een nieuw lid wordt ingevoerd na het tweede lid. Die bepaling vermeldt dat voor nieuwe diensten die bestaan uit de herhaling van gelijkaardige diensten in de zin van artikel 17, § 2, 2°, b, van de wet van 24 december 1993, het totale geraamde bedrag voor het vervolg van de diensten eveneens wordt toegevoegd aan de oorspronkelijke opdracht om te bepalen of de opdracht al dan niet de bekendmakingsdrempel op Europees niveau bereikt; - het derde lid wordt het vierde lid, waarin het bedrag waarvoor een of meerdere percelen van beperkte waarde vrijgesteld kunnen worden van de Europese bekendmaking, op 3,1 miljoen frank gebracht wordt. Zoals voor de werken in artikel 2, van het besluit, wordt de waarde van deze percelen alleszins in aanmerking genomen om te bepalen of de diensten het voorwerp moeten uitmaken van een bekendmaking op Europees niveau; - een nieuw lid wordt ingelast na het voorlaatste lid en daarin wordt vermeld dat in geval van een opdracht inzake dienstverlening en leveringen, die opdracht wordt gegund overeenkomstig de voorschriften die van toepassing zijn op de diensten wanneer de waarde van de diensten die van de leveringen overschrijdt. Art. 24.In artikel 55 van het besluit wordt het totale bedrag waardoor de bekendmaking van een enuntiatieve aankondiging verplicht wordt voor elke categorie van diensten bedoeld in bijlage 2, A, van de wet, vastgesteld op 29,6 miljoen frank zonder belasting over de toegevoegde waarde. Art. 25.De wijziging aangebracht in de artikelen 60 en 62 van het besluit is zuiver vormelijk. Art. 26.Voor de verduidelijkingen aangebracht in artikel 68 van het besluit kan worden verwezen naar de toelichting bij de wijziging van respectievelijk de artikelen 16 en 42 van het besluit, in de artikelen 3 en 14 van dit besluit. Art. 27.Voor de aanpassing van artikel 69 van het besluit, wordt verwezen naar de toelichting bij de wijziging van artikel 17 van het besluit, in artikel 4 van dit besluit. Art. 28.Voor de invoering van een artikel 69bis in het besluit kan worden verwezen naar de toelichting bij de invoering van een artikel 17bis in het besluit, in artikel 5 van dit besluit. Art. 29.De toelichting bij de wijziging van artikel 20 van het besluit, in artikel 6 van dit besluit, geldt, mutatis mutandis, voor de wijziging aangebracht in artikel 72 van het besluit. Art. 30.De opheffing van artikel 74, tweede lid, van het besluit is gegrond omdat een gelijkaardige bepaling voortaan paragraaf 4 van artikel 72 vormt zoals het werd gewijzigd. Art. 31.De wijziging aangebracht in artikel 76 van het besluit is zuiver vormelijk. Art. 32.In artikel 32 wordt artikel 78 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/01/1996 pub. 29/10/2013 numac 2013000671 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten gewijzigd, dat handelt over het probleem van de onverenigbaarheden. In dit artikel 78 wordt een gelijkaardige bepaling die vroeger in artikel 50, § 1 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten voorkwam, hernomen en uitgebreid tot de opdrachten voor aanneming van leveringen en diensten. Rekening houdend met de ervaring die voortvloeit uit de toepassing van de nieuwe regelgeving, leek het nuttig de bepaling te herwerken om enerzijds sommige punten op te helderen en er anderzijds enkele versoepelingen in aan te brengen, zonder dat de nagestreefde doelstelling, het behoud van een eerlijke concurrentie, echter in het gedrang komt. In § 1 werd het verkieslijk geacht van de huidige tekst af te wijken. Het bleek namelijk dat de tekst vragen opriep, met name wat de voorbereiding van een opdracht betreft. Voortaan bepaalt de tekst dat er onverenigbaarheid is voor elke persoon die belast werd met het onderzoek, de proeven, de studie of de ontwikkeling van een opdracht. Deze bepaling heeft niet enkel betrekking op de aannemer, maar ook op elke persoon die heeft deelgenomen aan de studie, bijvoorbeeld in de hoedanigheid van onderaannemer, alsook op elke persoon die kosteloos prestaties heeft verricht. De studie van een opdracht bevat normaal gezien immers de verrichtingen inzake ontwerp en opmaken van het bestek, en dat brengt mee dat een persoon die dit gedeelte van een opdracht op zich nam, geen offerte mag indienen. Zo ook bezorgt een taak van onderzoek, proeven of ontwikkeling van werken, leveringen of diensten een voordeel aan degene die ermee belast was, zodat de concurrentie vervalst wordt indien hij deelneemt aan een latere opdracht die nauw verband houdt met deze taak. Deze taak moet evenwel rechtstreeks gebonden zijn aan de betrokken opdracht. Zo zal een architect aannemer van een opdracht voor aanneming van diensten die slaat op het opstellen van een streekplan van een te renoveren stadswijk, niet getroffen worden door onverenigbaarheid voor de opdrachten die slaan op architectuurdiensten met betrekking tot werken die zich in deze wijk bevinden. Paragraaf 2 van artikel 78 werd herwerkt teneinde rekening te houden met de aanpassingen aangebracht in § 1. Het begrip gebonden onderneming werd niet gewijzigd. Paragraaf 3 werd nogal drastisch herwerkt omdat uit de ervaring gebleken is dat de hypothesen die een afwijking van het in §§ 1 en 2 voorziene voorschrift van onverenigbaarheid mogelijk maken, moesten worden uitgebreid. Zo werden in 2° de gevallen hernomen waarin de gunning van de opdracht bij onderhandelingsprocedure in de zin van artikel 17, § 2, van de wet mogelijk is. Vroeger werd enkel het geval van onderhandelingsprocedure in het kader van de prijsvraag voor ontwerpen vermeld, en dat bleek te beperkend. Het is inderdaad zo dat in de meeste hypothesen vermeld in artikel 17, § 2, die het gebruik van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking toelaten, ofwel een noodzakelijk verband bestaat met vroegere verrichtingen zoals bijvoorbeeld in geval van aanvullende opdrachten, ofwel een materiële onmogelijkheid bestaat wanneer de aanbestedende overheid bijvoorbeeld een beroep moet doen op een welbepaalde onderneming of zich geplaatst ziet voor een geval van dringende noodzakelijheid ten gevolge van onvoorzienbare omstandigheden. Zo werd ook een zekere soepelheid voorzien voor opdrachten met een betrekkelijk geringe waarde, degene bedoeld in artikel 17, § 2, 1°, a, van de wet, die volgen op een voorafgaande studie die zelf slechts een beperkt percentage van dat bedrag uitmaakt. Aangezien de gevallen die de onderhandelingsprocedure rechtvaardigen, strikt moeten worden geïnterpreteerd, mag de aanbestedende overheid evenwel geen misbruik maken van het gebruik van deze procedure door bijvoorbeeld systematisch te verwijzen naar artikel 17, § 2, 1°, f, om de regel van de onverenigbaarheid te omzeilen. Dit geval beoogt meer bepaald de diensten die, wegens hun specifieke aard op technisch of artistiek gebied of op het gebied van de bescherming van de exclusieve rechten, slechts kunnen worden toevertrouwd aan een bepaalde dienstverlener. Artikel 14 van de algemene aannemingsvoorwaarden legt de aanbestedende overheid immers de verplichting op om het gebruik van de resultaten van de intellectuele prestaties door haarzelf of door een derde op nauwkeurige wijze vast te leggen in het bestek. Hieruit vloeit voort dat het geval van artikel 17, § 2, 1°, f, slechts kan worden ingeroepen wanneer rekening wordt gehouden met de toepassing van deze laatste bepaling. Art. 33.De wijziging aangebracht in artikel 79 van het besluit is zuiver vormelijk. Art. 34.De toelichting in artikel 10 van dit besluit geldt eveneens voor de aanpassingen aangebracht in artikel 80 van het besluit. Art. 35.Voor de wijziging van artikel 81 van het besluit, kan er verwezen worden naar de toelichting bij de wijziging aangebracht door artikel 11 van dit besluit in artikel 26 van het besluit. Art. 36.De tekst tot wijziging van artikel 84 zorgt voor de omzetting van artikelen 24, § 1, lid 2 van de richtlijn 92/50/EEG en 16, § 2, van de richtlijn 93/36/EEG. De bedoeling hiervan is te vermijden dat een aanbestedende overheid een vrije variante enkel zou verwerpen omdat de aanvaarding ervan ertoe zou leiden dat een overheidsopdracht voor aanneming van diensten in een overheidsopdracht voor aanneming van leveringen zou worden omgezet. Het is immers zo dat de door een concurrent voorgestelde oplossing reeds een afgewerkt product zou zijn, zoals een softwarepakket, en niet in hoofdzaak een dienstverlening. Dezelfde regel is ook van toepassing in het tegenovergestelde geval. Art. 37.In dit artikel wordt artikel 88 van het besluit betreffende het nazicht van de prijzen gewijzigd. Lid 3 in de paragrafen 1 en 2 worden opgeheven en vervangen door een gemeenschappelijk lid in § 3. Dit lid wordt in overeenstemming gebracht met de gelijkwaardige tekst die tot hier toe voorzien was in § 1 voor de onderhandelingsprocedure. De voornaamste aanpassing gaat over het feit dat voor alle procedures het nazicht op boekhoudkundige stukken en ter plaatse, in het bestek diende te worden voorzien. Bovendien wordt het begrip « ambtenaren van de aanbestedende overheid » vervangen door « de daartoe door de aanbestedende overheid aangewezen personen van ». In de praktijk is het immers mogelijk dat de personen belast met dit toezicht niet tot het overheidspersoneel behoren, maar derden zijn die de opdracht daartoe kregen. Art. 38.Artikel 90 van het besluit werd herschikt om rekening te houden met het feit dat in § 1 de problematiek van het vroegere punt 3° over de inschrijving van de aannemer op een lijst van in België erkende aannemers of op een officiële lijst in een andere Lid-Staat of van het alternatieve bewijs, overgebracht werd naar artikel 20, § 1, van het besluit. Hetzelde geldt voor de meeste bepalingen inzake sociale zekerheid, respectievelijk overgebracht naar de artikelen 17bis, 43bis en 69bis van het besluit over de kwalitatieve selectie. Overeenkomstig de nieuwe paragraaf 3 vormt de naleving van de verplichtingen inzake sociale zekerheid nochtans ook een regelmatigheidsvoorwaarde voor de offerte. Bovendien werd § 6 van artikel 90 weggelaten. Daarin werd immers bepaald dat de bepalingen betreffende het toezicht op de naleving van de verplichtingen inzake sociale zekerheid niet van toepassing waren wanneer het bedrag van de offerte niet meer bedroeg dan 800.000 frank zonder belasting over de toegevoegde waarde. Voortaan is het voorschrift van toepassing voor eender welk offertebedrag, behalve voor de opdrachten die tot stand gekomen zijn met een aangenomen factuur in de zin van artikel 122 van het besluit. Bovendien werd rekening gehouden met de opmerkingen die de Raad van State heeft geformuleerd in verband met de aanpassing van de artikelen 17bis, 43bis en 69bis. Tenslotte moet worden opgemerkt dat de voordien bestaande mogelijkheid om af te wijken van artikel 90, § 8 van het besluit niet werd afgeschaft. Voortaan is die mogelijkheid vervat in § 6 ingevolge de nieuwe structuur van het artikel. Art. 39.Artikel 92 van het besluit werd zodanig aangepast dat er nog enkel de eisen in vermeld worden die nog niet voorkomen in andere bepalingen. Zo kunnen de opeisbare inlichtingen vermeld in 1°, 4° en 5°, evenals gedeeltelijk in 2° van artikel 92, reeds opgeëist worden overeenkomstig de voorschriften inzake de kwalitatieve selectie, of in artikel 90. Zij kunnen dus weggelaten worden in artikel 92. Art. 40.In artikel 93, § 1, tweede lid, van het besluit wordt voortaan eveneens vermeld dat de leden van een tijdelijke vereniging zich moeten schikken naar de bepalingen van artikel 103. Dat artikel 103 vermeldt dat, onverminderd de eventuele varianten, elk van de inschrijvers slechts een offerte per opdracht mag indienen. Daaruit vloeit dus voort dat de leden van een tijdelijke vereniging, naast de offerte neergelegd in het kader van de tijdelijke vereniging, geen offerte mogen indienen op eigen houtje of in het kader van een andere tijdelijke vereniging. Zulke handeling zou leiden tot de onregelmatigheid van de neergelegde offertes door miskenning van deze bepaling. De artikelen 17bis, 43bis en 69bis dienen hier niet te worden vermeld. Zij hebben immers betrekking op de kwalitatieve selectie, ongeacht of de inschrijver al dan niet een tijdelijke vereniging is. Het was de bedoeling te herinneren aan het principe vervat in artikel 103 van het besluit zonder het evenwel uit te breiden. Er werd immers vastgesteld dat deze regel niet altijd in het kader van tijdelijke verenigingen wordt nageleefd; sommige ondernemingen groeperen zich soms binnen verschillende verenigingen en dienen een offerte in samen met elk van die verenigingen. Deze praktijken vertekenen echter het gewone verloop van de mededinging. De opmerking van de Raad van State betreffende § 2 van artikel 93 wordt aanvaard. Het spreekt vanzelf dat, indien het bestek - bij een beperkte procedure - een tijdelijke vereniging bestaande uit niet-geselecteerde personen en ten minste één geselecteerde persoon de mogelijkheid biedt om offertes in te dienen, de niet-geselecteerde personen zich evenmin in een toestand van uitsluiting mogen bevinden. De afwezigheid van een uitsluitingstoestand wordt beoordeeld uit hoofde van elk van de vennoten en dit in om het even welk stadium van de procedure, zoals blijkt uit de artikelen 17, 43 en 69 van het koninklijk besluit. Art. 41.In artikel 110 werden de volgende punten in verband met het nazicht van de schijnbaar abnormale prijzen gewijzigd : - in § 3, worden de laatste twee leden over het informeren van de Erkeningscommissie en de Europese Commissie opgeheven. Deze zelfde verplichtingen komen immers voor in een nieuwe § 5. Overeenkomstig de richtlijnen, dient de Europese Commissie echter slechts te worden geïnformeerd in geval van verwerping van een offerte waarvan het bedrag als abnormaal laag wordt beschouwd bij aanbestedingsprocedure, wanneer de Europese bekendmaking van toepassing is op de opdracht. - het laatste lid van § 4 werd gewijzigd. Het is immers zo dat de aanbestedende overheid aan een aannemer, van wie de prijs minstens 15 pct. onder het gemiddelde van de ingediende prijzen ligt, niet noodzakelijk moet vragen zijn prijs te rechtvaardigen. Zoals benadrukt in het Verslag aan de Koning dat het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/01/1996 pub. 29/10/2013 numac 2013000671 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten voorafgaat, « kan het bijvoorbeeld gebeuren dat de aanbestedende overheid over elementen beschikt die haar toelaten om een rechtvaardiging op te stellen volgens dewelke de ingediende prijs normaal is, ondanks het feit dat hij zich onder het gemiddelde bevindt van 15 pct. berekend volgens § 4. In een dergelijk geval zal de formaliteit dus niet moeten worden vervuld. ». Daarom vermeldt de tekst voortaan op duidelijker wijze . ofwel dat de aanbestedende overheid de prijs als normaal beschouwt en geen rechtvaardiging vraagt. In dat geval zal zij in haar toewijzingsbeslissing formeel het normale karakter van de ingediende prijs moeten motiveren door zich met name te baseren op de rechtvaardigingen in § 3 maar eveneens op andere objectieve rechtvaardigingen die door de aanbestedende overheid kunnen worden naar voren geschoven : zo bijvoorbeeld zou de aanbestedende overheid in het kader van maatregelen van ambtswege, het normale karakter van de door een onderneming ingediende prijs kunnen rechtvaardigen indien deze prijs overeenstemt met de regelmatige prijs die door deze zelfde inschrijver voorgesteld werd bij de oorspronkelijke procedure van enkele maanden vroeger. Hetzelfde zou gelden indien na nazicht van de raming zou blijken dat de voorgestelde prijs normaal is en dat de afwijking ten opzichte van het gemiddelde van 15 pct. te wijten is aan de abnormale hoge prijzen die door andere mededingers werden ingediend; . ofwel dat de aanbestedende overheid de inschrijver verzoekt de nodige rechtvaardigingen te bezorgen zoals bepaald in § 3. Art. 42.De wijziging die door dit besluit wordt aangebracht in artikel 112, § 1, 2°, van het besluit herstelt een vormelijk hiaat en vermeldt, zoals dat het geval is in het vroegere koninklijk besluit van 22 april 1977, dat met het oog op de rangschikking van de offertes, de door de aanbestedende overheid hoeveelheden die hoger zijn dan of gelijk aan de hoeveelheden van de oorspronkelijke opmetingsstaat, gelden voor alle opmetingsstaten zonder onderscheid. Art. 43.Er werd een verduidelijking aangebracht in artikel 113 van het besluit wat de varianten betreft. De inschrijver moet een offerte indienen voor het basisontwerp en, in voorkomend geval, voor de variante. De woorden « in voorkomend geval » betekenen dat de inschrijver verplicht is een offerte in te dienen als het om een door de aanbestedende overheid opgelegde variante gaat en dit zowel voor de basisofferte als voor die variante. Dit zal niet het geval zijn als de variante die voorzien is op initiatief van de aanbestedende overheid, toegelaten is, maar niet wordt opgelegd. Art. 44.In artikel 115 van het besluit werd dezelfde verduidelijking aangebracht als die vermeld in artikel 43 van het ontwerp. Wat de offerteaanvraag betreft, is deze bepaling van toepassing onverminderd de vrije varianten die in de offerte worden voorgesteld, voor zover het bestek ze niet verbiedt. Art. 45.De wijziging aangebracht in de Nederlandse tekst van artikel 117 beoogt een formele coherentie tot stand te brengen en moet in verband worden gebracht met de geformuleerde opmerking betreffende het begrip « aannemer » tijdens het onderzoek van artikel 10 van dit ontwerp. Art. 46.De bedoeling van de wijziging van artikel 120 van het besluit is dat een aanbestedende overheid, voor een overheidsopdracht voor aanneming van werken waarvan het geraamde bedrag de 20 miljoen frank zonder belasting over de toegevoegde waarde niet overschrijdt of voor een overheidsopdracht voor aanneming van diensten waarvan het geraamde bedrag niet het bedrag bereikt dat vastgesteld is in artikel 53, en die het voorwerp uitmaken van een onderverdeling in percelen, niet gedwongen is systematisch een beroep te doen op een procedure met bekendmaking voor kleine percelen. Deze mogelijkheid heeft betrekking op percelen waarvan de goed te keuren uitgave minder bedraagt dan 500.000 frank zonder belasting over de toegevoegde waarde. Voor de aanbestedende overheid die besluit dat toch te doen, is de techniek van de opdrachten met percelen op zich merkelijk logger dan een globale opdracht. Het is dus onontbeerlijk in de teksten een minimale soepelheid te voorzien indien men de aanbestedende overheden die zo al weinig voelen voor een dergelijke techniek, niet te ontmoedigen. Daarmee gelijklopend dient eveneens een maximumgrens in betrekkelijke waarde te worden voorzien voor deze verdeling, dat wil zeggen twintig pct. van het samengevoegde bedrag van alle percelen. De gevolgen van deze wijziging kunnen worden getoond in het volgende voorbeeld, voor een opdracht voor aanneming van werken met een bedrag van 3 miljoen frank en die betrekking heeft op de renovatie van een klein gebouw. Er worden drie percelen overwogen : 1 perceel ruwbouw en voltooiing 2.400.000 frank 1 perceel verwarming 450.000 frank 1 perceel elektriciteit 150.000 frank Door de in ontwerp zijnde tekst toe te passen zouden de percelen verwarming en elektriciteit kunnen worden gegund bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking vermits zij beide minder dan 500.000 frank bedragen en dat hun totaal niet meer bedraagt dan twintig pct. van het samengevoegde bedrag van alle percelen, in dit geval 600.000 frank. Voor het perceel ruwbouw en voltooiing zal een procedure met bekendmaking nodig zijn vermits, rekening houdend met de in artikel 120 bepaalde berekeningswijzen, dit perceel deel uitmaakt van een werk waarvan de goed te keuren uitgave 2.500.000 frank overschrijdt en niet in aanmerking komt voor vrijstelling. Dit stelsel biedt het voordeel de procedures voor de percelen met een gering bedrag voor sommige overheidsopdrachten voor aanneming van werken of diensten te verlichten en draagt bij tot de rechtstreekse deelneming van KMO's aan de overheidsopdrachten. Art. 47.De wijziging aangebracht in artikel 121 van het besluit is zuiver vormelijk. Art. 48.Een nieuwe opsomming werd opgesteld voor de bepalingen vermeld in artikel 122, tweede lid, van het besluit, die van toepassing zijn op de opdrachten te gunnen bij onderhandelingsprocedure. De vermelding van de artikelen 86 tot 88 kon worden geschrapt. Deze artikelen vormen immers titel V van het besluit gewijd aan de prijsbepaling en prijsonderzoek. Deze artikelen zijn eveneens van toepassing op de onderhandelingsprocedure en het is dus niet nodig dit in artikel 122 in herinnering te brengen. De verwijzing naar artikel 90 wordt behouden behalve voor de opdrachten die tot stand komen gewoon met een aangenomen factuur in de zin van artikel 122, 1°, van het besluit. In dat geval is er immers geen schriftelijke offerte in de zin van artikel 90. In zijn advies stelt de Raad van State zich vragen over de toepasbaarheid van artikel 90, § 3, van het besluit op de onderhandelingsprocedure. Wat dit punt betreft, ziet men niet in waarin het stelsel verschillend zou zijn van het vroeger toegepaste stelsel. De enige inhoudelijke wijziging betreft immers de uitzondering voor de opdrachten die tot stand komen gewoon met een aangenomen factuur. Artikel 91 werd toegevoegd omdat het logisch is dat zelfs bij onderhandelingsprocedure, de inschrijver die deelneemt aan de procedure, door dit feit aantoont dat hij niet aansluit bij of zich onderworpen heeft aan afspraken voor vooraanbestedingen en dat hij niet heeft deelgenomen aan een akkoord, vergadering of coalitie met overtreding van artikel 11 van de wet. Artikel 93, § 2, wordt voortaan eveneens aangehaald. Er dient immers aan te worden herinnerd dat in artikel 37 van dit ontwerp de woorden « of onderhandelings- » in § 2 van artikel 93 geschrapt werden met als reden dat artikel 93 opgenomen werd in titel VI gewijd aan de procedures van aanbesteding en offerteaanvraag. Door middel van artikel 122 en wanneer het bestek dit mogelijk maakt, wordt de mogelijkheid om een offerte te aanvaarden die ingediend werd door een tijdelijke vereniging met niet-geselecteerde personen, voor zover ten minste een gekozen kandidaat deel uitmaakt van die vereniging, op een meer logische wijze uitgebreid tot de onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. Met het oog op de terminologische coherentie, werden in 3° van de Franse tekst de woorden « au soumissionnaire » vervangen door de woorden « à l'adjudicataire ». Art. 49.In dit artikel wordt artikel 136 van het besluit opgeheven. De toepassing van dit besluit op de opdrachten in de zin van artikel 3, § 3, van de wet wordt immers geregeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 februari 1997. Art. 50.Daar talrijke wijzigingen moeten worden aangebracht in de modellen van aankondiging vermeld in de bijlagen 2 tot 4, A tot E, en dit om ze in overeenstemming te brengen met de modellen van de richtlijn 97/52/EG, wordt het verkieselijk geacht de betrokken bijlagen in hun geheel te publiceren. Dat stelt de aanbestedende overheden in de mogelijkheid modellen te gebruiken die onmiddellijk operationeel zijn. Anderzijds werd bijlage 1 die de voorbeeldlijst bevat van instellingen van openbaar nut en van bedoelde personen, vervolledigd. Art. 51.Dit artikel legt de inwerkingtreding van dit ontwerp vast. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige, en zeer getrouwe dienaar, De Eerste Minister, J.-L. DEHAENE ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 15 oktober 1998 door de Eerste Minister verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/01/1996 pub. 29/10/2013 numac 2013000671 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken"(L. 28.367/1), heeft op 28 januari 1999 het volgende advies gegeven : STREKKING VAN HET ONTWERP Het om advies voorgelegde ontwerp strekt ertoe, de richtlijn 97/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1997 tot wijziging van de richtlijnen 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, overheidsopdrachten voor leveringen respectievelijk overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, in de interne rechtsorde om te zetten. Daartoe wijzigt het ontwerp het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/01/1996 pub. 29/10/2013 numac 2013000671 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken. Tevens beoogt het ontwerp een aantal aanpassingen en verduidelijkingen in het voornoemde besluit aan te brengen, rekening houdend met de ervaring die opgedaan werd gedurende de periode dat het besluit werd toegepast. ONDERZOEK VAN DE TEKST Algemene opmerkingen 1. De Nederlandse tekst getuigt van een eerder slordige redactie en moet worden nagekeken, inzonderheid op zijn overeenstemming met de Franse tekst. Bij wijze van voorbeelden kunnen de volgende verbeteringen van de Nederlandse tekst worden gesuggereerd : - men schrijve, in artikel 3 van het ontwerp, na het 2°, "door de woorden" in plaats van "door woorden"; - in datzelfde artikel dienen na het 3°, in de tweede volzin, de woorden "de fundamentele belangen van de veiligheid van het land" in overeenstemming te worden gebracht met de woorden "la protection des intérêts essentiels du pays" in de Franse tekst. 2. Bij de overname van bestaande bepalingen wordt voorts de terminologie zonder aanwijsbare reden gewijzigd.Dit dient te worden vermeden. Een voorbeeld van een dergelijke wijziging is te vinden in de Nederlandse tekst van artikel 5 van het ontwerp, waarin het bepaalde in artikel 90, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/01/1996 pub. 29/10/2013 numac 2013000671 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten wordt hernomen in het ontworpen artikel 17bis. Die bepaling van artikel 90, § 3, tweede lid, luidt als volgt : "De inschrijver heeft voor de toepassing van voorgaande bepaling aan de voorschriften voldaan, indien hij volgens zijn rekening, die ten laatste daags voor ... is opgemaakt". Deze bepaling verschilt inhoudelijk niet wezenlijk van de bepaling in het ontworpen artikel 17bis, § 1, tweede lid, dat echter luidt als volgt : "De aannemer heeft voldaan aan zijn verplichtingen voor de toepassing van dit artikel indien hij volgens de rekening die uiterlijk daags voor... afgesloten werd". Artikel 3 Artikel 3, 1°, van het ontwerp wijzigt artikel 16 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/01/1996 pub. 29/10/2013 numac 2013000671 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot regeling van de inschrijving van de commerciële kentekenplaten voor motorvoertuigen en aanhangwagens. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Aan het eerste lid van dat artikel, dat de openbare aanbesteding en de algemene offerteaanvraag betreft, wordt onder meer een bepaling toegevoegd naar luid waarvan de aanbestedende overheid voor de kwalitatieve selectie van de inschrijvers "(kan) oordelen dat de basisvoorschriften (lees : basisvoorwaarden) van financiële, economische en technische aard, vereist krachtens de wetgeving betreffende de erkenning van aannemers van werken, voldoende zijn". Die bepaling geeft aanleiding tot een aantal opmerkingen. Vooreerst is deze bepaling overbodig. Krachtens de artikelen 17 tot 20 van het koninklijk besluit van 8 januari l996 is de aanbestedende overheid immers niet verplicht een beroep te doen op de in die artikelen geboden mogelijkheden om aan de inschrijvers bijkomende eisen te stellen of om hun aanvullende inli …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.