📄 Wettekst
17 DECEMBER 2023. - Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 2bis, 3, 14, 19, 22, 31, 41 en 44 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en tot uitstel van de datum van inwerkingtreding van de
wet van 12 maart 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/03/2023
pub.
23/03/2023
numac
2023041020
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën
sluiten tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën (1)
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit ontwerp van koninklijk besluit wijzigt: - het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 1"); - het koninklijk besluit nr. 2 van 19 december 2018 met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 2"); - het koninklijk besluit nr. 2bis van 15 mei 2022 tot vaststelling van de forfaitaire grondslagen van aanslag inzake de belasting over de toegevoegde waarde voor caféhouders en kleine caféhouders (hierna: "het koninklijk besluit nr. 2bis"); - het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 3"); - het koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op zulke goederen (hierna: "het koninklijk besluit nr. 14"); - het koninklijk besluit nr. 19 van 29 juni 2014 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen (hierna: "het koninklijk besluit nr. 19"); - het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 22"); - het koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen (hierna: "het koninklijk besluit nr. 31"); - het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 41"); - het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 44").
Overeenkomstig de mogelijkheid geboden door artikel 22, eerste lid, van de
wet van 12 maart 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/03/2023
pub.
23/03/2023
numac
2023041020
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën
sluiten tot modernisering van de btw-ketting en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën (hierna de "
wet van 12 maart 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/03/2023
pub.
23/03/2023
numac
2023041020
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën
sluiten" genoemd), strekt dit ontwerp er ook toe de inwerkingtreding van die wet uit te stellen tot 1 januari 2025.
De wijzigingen die door dit ontwerp in de voormelde koninklijke besluiten worden aangebracht zijn met name een gevolg van een aantal wijzigingen die in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het Wetboek") zijn aangebracht bij de volgende wetten: - de
wet van 7 april 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
18/04/2023
numac
2023041376
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
01/08/2024
numac
2024006243
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders. - Duitse vertaling
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
02/05/2023
numac
2023041947
bron
federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Wet tot wijziging van hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen
sluiten tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders (Belgisch Staatsblad van 18 april 2023, blz. 39.876); - de
wet van 23 november 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
23/11/2023
pub.
01/12/2023
numac
2023047474
bron
federale overheidsdienst financien
Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
type
wet
prom.
23/11/2023
pub.
01/12/2023
numac
2023047484
bron
federale overheidsdienst financien
Wet betreffende het Garantiefonds voor financiële diensten
sluiten houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Belgisch Staatsblad van 1 december 2023, blz. 111953).
Dit ontwerp bevat ten eerste een aantal uitvoeringsbepalingen voor bepalingen die deel uitmaken van de
wet van 7 april 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
18/04/2023
numac
2023041376
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
01/08/2024
numac
2024006243
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders. - Duitse vertaling
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
02/05/2023
numac
2023041947
bron
federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Wet tot wijziging van hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen
sluiten tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders. Met deze wet is Richtlijn (EU) 2020/284 van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de invoering van bepaalde verplichtingen voor betalingsdienstaanbieders (hierna "Richtlijn 2020/284") omgezet. Die richtlijn legt aan betalingsdienstaanbieders bepaalde verplichtingen op om de nationale administraties betrouwbare gegevens te verstrekken die zij nodig hebben om na te gaan of de btw op handelingen in het kader van de grensoverschrijdende elektronische handel correct is aangegeven en betaald.
Die betrouwbare gegevens hebben betrekking op data inzake grensoverschrijdende betalingen tussen kopers en verkopers die via die betalingsdienstaanbieders worden verricht. De belangrijkste verplichting voor die betalingsdienstaanbieders bestaat erin voor elk kalenderkwartaal voldoende nauwkeurige gegevens over de betrokken grensoverschrijdende betalingen bij te houden, die vervolgens aan de belastingdiensten van de betrokken lidstaten moeten ter beschikking worden gesteld. Deze lidstaten zijn vervolgens belast met het doorsturen van die gegevens naar een Europese databank (Central Electronic System of Payment Information - CESOP) die door de diensten van de Europese Commissie wordt beheerd.
Dit koninklijk besluit vult aldus de voormelde
wet van 7 april 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
18/04/2023
numac
2023041376
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
01/08/2024
numac
2024006243
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders. - Duitse vertaling
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
02/05/2023
numac
2023041947
bron
federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Wet tot wijziging van hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen
sluiten aan om te preciseren op welk tijdstip en op welke manier die registers aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde ter beschikking moeten worden gesteld.
Dit ontwerp bevat ten tweede een aantal uitvoeringsbepalingen voor bepalingen van de voormelde wet, met betrekking tot de voorwaarden voor het recht op aftrek door belastingplichtigen die geen volledig recht op aftrek hebben, die onder meer voortvloeien uit de vervanging van artikel 46 van het Wetboek door de voormelde wet.
De in die bepaling aangebrachte wijzigingen betreffen enerzijds de invoering van een procedure van voorafgaande kennisgeving voor gemengde belastingplichtigen die hun recht op aftrek uitoefenen op basis van een algemeen verhoudingsgetal. Het doel van die procedure, die geïnspireerd is op de procedure die van toepassing is bij de uitoefening van het recht op aftrek volgens het werkelijk gebruik van goederen en diensten, is de belastingadministratie een globaal en volledig overzicht te geven van de manier waarop alle belastingplichtigen zonder volledig recht op aftrek hun recht op aftrek uitoefenen. In dat verband is de jaarlijkse verplichting voor die belastingplichtigen om hun voorlopige en definitieve algemene verhoudingsgetallen mee te delen, gemoderniseerd in die zin dat zulks in de toekomst elektronisch zal gebeuren.
Anderzijds hebben die wijzigingen van artikel 46 van het Wetboek ook betrekking op de procedures voor de vaststelling en mededeling van bijzondere verhoudingsgetallen in hoofde van gemengde belastingplichtigen die hun recht op aftrek uitoefenen volgens het werkelijk gebruik. Dat is ook het geval voor de zogenaamde "gedeeltelijke belastingplichtigen" die hun recht op aftrek uitoefenen overeenkomstig artikel 45, § 1, van het Wetboek maar die, voor hun uitgaven die zowel betrekking hebben op hun aan de btw onderworpen activiteit als hun niet aan de btw onderworpen activiteit, gebruikmaken van dergelijke bijzondere verhoudingsgetallen. Dit koninklijk besluit bevat dus alle uitvoeringsbepalingen die nodig zijn om die nieuwe regels inzake het recht op aftrek toe te passen.
Ten derde bevat dit ontwerp een aantal uitvoeringsbepalingen voor bepalingen van de voormelde wet, met betrekking tot het stelsel van hoofdelijke aansprakelijkheid dat door die wet werd ingevoerd voor belastingplichtigen die afstandsverkopen van onderliggende leveranciers faciliteren via elektronische interfaces. Die aansprakelijkheid is maar op die belastingplichtigen van toepassing wanneer zij niet te goeder trouw zijn of een fout of nalatigheid hebben begaan. Dat nieuwe geval van hoofdelijke aansprakelijkheid wordt uiteengezet in het nieuwe artikel 51bis, § 3bis, van het Wetboek. In die context kan het gebrek aan goede trouw worden vermoed wanneer de elektronische interface niet binnen een maand na de kennisgeving door de administratie aan die interface dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat die leverancier die het platform gebruikt zijn btw-verplichtingen niet nakomt, die leverancier formeel heeft aangemaand om zijn btw-verplichtingen na te komen. De ingestelde procedure voorziet erin dat de administratie, in het kader van die kennisgeving aan de elektronische interface, dezelfde kennisgeving doet aan de leverancier (artikel 51bis, § 3bis, derde lid, nieuw, van het Wetboek). Dit ontwerp voert die bepaling uit.
Ten slotte werden, ingevolge het advies 73.708/3 van 17 juli 2023 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State met betrekking tot die wet, verschillende bepalingen van koninklijk besluit nr. 22 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers overgeheveld naar artikel 57 van het Wetboek, dat de rechtsgrondslag voor die regeling vormt. Dit ontwerp brengt dienovereenkomstig de nodige aanpassingen aan in het koninklijk besluit nr. 22.
Dit ontwerp brengt bovendien een reeks wijzigingen aan in een aantal koninklijke besluiten ter uitvoering van het Wetboek, teneinde de regels die van toepassing zijn op bepaalde forfaitaire belastinggrondslagen voor caféhouders en kleine caféhouders te actualiseren, de procedure voor de keuze van de belastingplicht bij overdracht van nieuwe gebouwen te vereenvoudigen en ten slotte bepaalde technische correcties aan te brengen die teruggaan op recente wijzigingen van het Wetboek.
Gelet op de dringende noodzakelijkheid om dit koninklijk besluit uiterlijk op 31 december 2023 in het Belgisch Staatsblad bekend te maken, zoals gemotiveerd in de aanhef van dit besluit, werd over dit ontwerp geen advies gevraagd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State, overeenkomstig artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Dit ontwerp heeft het voorwerp uitgemaakt van de beslissing van de Gegevensbeschermingsautoriteit (referentie: CO/A/2023/468 cm) van 21 november 2023, waarin wordt verwezen naar het standardadvies nr. 65/2023 van 24 maart 2023. Er werd akte genomen van de afwezigheid van specifieke opmerkingen met betrekking tot het ontwerp alsook van de in het advies uiteengezette algemene richtlijnen, die geen aanleiding geven tot enige wijziging van het ontwerp.
Alle wijzigingen aan de voornoemde koninklijke besluiten worden hierna toegelicht.
Toelichting bij de artikelen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Artikel 1 Dit koninklijk besluit voorziet aan de hand van de ingevoerde regels in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna "Richtlijn 2006/112/EG").
Voor zover dit ontwerp uitvoering geeft aan de in het nieuwe artikel 93duodecies/5 van het Wetboek bedoelde machtiging, vormt het tevens een gedeeltelijke omzetting van voornoemde Richtlijn 2020/284. HOOFDSTUK 2. - Schuldenaar van de belasting en hoofdelijke schuldenaar van de belasting, inzonderheid met betrekking tot elektronische interfaces Artikelen 2 tot en met 5 Artikel 51bis, § 3bis, nieuw, van het Wetboek, ingevoegd bij de voornoemde
wet van 23 november 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
23/11/2023
pub.
01/12/2023
numac
2023047474
bron
federale overheidsdienst financien
Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
type
wet
prom.
23/11/2023
pub.
01/12/2023
numac
2023047484
bron
federale overheidsdienst financien
Wet betreffende het Garantiefonds voor financiële diensten
sluiten, voorziet in een stelsel van hoofdelijke aansprakelijkheid voor elektronische interfaces die actief zijn in onlineverkoop (zowel voor bepaalde binnenlandse leveringen als voor intracommunautaire afstandsverkopen of afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen). Het doel van deze aansprakelijkheid is het verhogen van de compliance van de achterliggende leveranciers en, in laatste instantie, het vergemakkelijken van de invordering van btw die is verschuldigd over transacties die (economisch) zijn verricht door leveranciers die actief zijn op deze elektronische interfaces, in gevallen waarin het vermoeden van koper-verkoper (aan de kant van het platform) van artikel 13bis van het Wetboek niet van toepassing is.
Het betreft bijgevolg: - afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, in zendingen met een intrinsieke waarde van meer dan 150 euro (ongeacht de plaats van vestiging van de leverancier); - intracommunautaire afstandsverkopen door niet in de Gemeenschap gevestigde leveranciers voor in artikel 1, § 20, 1°, van het Wetboek bedoelde belastingplichtigen; - intracommunautaire afstandsverkopen verricht door in de Gemeenschap gevestigde leveranciers voor in artikel 1, § 20, 1°, van het Wetboek bedoelde afnemers (dus ongeacht of zij belastingplichtige zijn of niet); - binnenlandse leveringen in de strikte zin van het woord (zonder grensoverschrijdend vervoer van de goederen) verricht door niet in de Gemeenschap gevestigde leveranciers voor in artikel 1, § 20, 1°, van het Wetboek bedoelde belastingplichtigen; - binnenlandse leveringen in de strikte zin van het woord (zonder grensoverschrijdend vervoer van de goederen) verricht door in de Gemeenschap gevestigde leveranciers voor in artikel 1, § 20, 1°, van het Wetboek bedoelde afnemers (dus ongeacht of zij belastingplichtige zijn of niet).
Wanneer in dit verslag wordt verwezen naar een elektronische interface of een (elektronisch) platform, wordt in het kader van de hoofdelijke aansprakelijkheid uiteraard verwezen naar de belastingplichtige die deze interface- of platformdiensten verleent.
Dit stelsel van hoofdelijke aansprakelijkheid kan dus maar worden ingeroepen door de administratie wanneer de elektronische interface (i.e. de belastingplichtige die via het gebruik van een elektronische interface zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, leveringen van goederen die in België plaatsvinden, faciliteert in de zin van artikel 5ter van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde) niet te goeder trouw is of wanneer die een fout of nalatigheid heeft begaan in verband met die leveringen van goederen.
Die regeling is opgebouwd rond twee wettelijke vermoedens.
De belastingplichtige wordt vooreerst vermoed nalatig te zijn geweest, wanneer hij, vóór de aanvang van de facilitering en vervolgens minstens éénmaal per kalenderjaar, niet heeft nagegaan of de leverancier die de in het eerste lid bedoelde leveringen van goederen heeft verricht over een geldig btw-identificatienummer beschikt (een Belgisch btw-identificatienummer of een btw-identificatienummer toegekend door een andere lidstaat in het kader van het éénloketsysteem) (artikel 51bis, § 3bis, tweede lid, 1°, van het Wetboek).
Het tweede vermoeden heeft betrekking op de afwezigheid van goede trouw bij die belastingplichtige (artikel 51bis, § 3bis, tweede lid, 2°, van het Wetboek). Hij wordt namelijk vermoed niet te goeder trouw te zijn wanneer hij niet: - binnen een termijn van een maand nadat de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde hem een eerste keer heeft meegedeeld dat er ernstige vermoedens bestaan dat een leverancier van wie de belastingplichtige leveringen van goederen faciliteert via zijn elektronische interface de aangifte- en betalingsverplichtingen met betrekking tot die handelingen niet correct vervult, die belastingplichtige heeft aangemaand om die verplichtingen correct na te komen; - binnen een termijn van een maand nadat de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde hem een tweede keer heeft meegedeeld dat er ernstige vermoedens bestaan dat een leverancier van wie de belastingplichtige leveringen van goederen faciliteert via zijn elektronische interface de aangifte- en betalingsverplichtingen met betrekking tot die handelingen niet correct vervult, die leverancier opnieuw heeft aangemaand om die verplichtingen correct na te komen; - binnen een termijn van een maand nadat de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde hem een derde keer heeft meegedeeld dat er ernstige vermoedens bestaan dat een leverancier van wie de belastingplichtige leveringen van goederen faciliteert via zijn elektronische interface de aangifte- en betalingsverplichtingen met betrekking tot die handelingen niet correct vervult, die leverancier van het gebruik van de elektronische interface heeft uitgesloten.
Artikel 51bis, § 3bis, derde lid, nieuw, van het Wetboek bepaalt dat de eerste mededeling, aan de elektronische interface, dat er ernstige vermoedens van "non compliance" zijn in hoofde van een leverancier, in de mate van het mogelijke, ook moet worden meegedeeld aan die leverancier, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten. Die vereiste vloeit voort uit het voormelde advies 73.708/3 van de Raad van State met betrekking tot de voormelde
wet van 23 november 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
23/11/2023
pub.
01/12/2023
numac
2023047474
bron
federale overheidsdienst financien
Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
type
wet
prom.
23/11/2023
pub.
01/12/2023
numac
2023047484
bron
federale overheidsdienst financien
Wet betreffende het Garantiefonds voor financiële diensten
sluiten, waarin de ernstige economische gevolgen die, op termijn, kunnen voortvloeien uit de uitsluiting van die leverancier van een e-commerce platform werden benadrukt. De Raad van State beveelt daarom ook aan om die leverancier onmiddellijk en persoonlijk op de hoogte te brengen van het bestaan van die vermoedens van zijn "non compliance", zodat hij die feiten met alle juridische middelen kan betwisten.
Artikel 5 van dit ontwerp voert artikel 51bis, § 3bis, derde lid, nieuw, van het Wetboek uit door middel van de invoering van een nieuw artikel 20quater in het koninklijk besluit nr. 1.
Artikel 20quater, § 1, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 formaliseert de wijze waarop de voormelde mededelingen plaatsvinden tussen de administratie en de elektronische interface. Deze opeenvolgende mededelingen worden verstuurd naar het elektronisch adres dat door de elektronische interface is meegedeeld (meestal via zijn website).
Artikel 20quater, § 2, eerste lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 komt tegemoet aan de voormelde vereiste van de Raad van State en voorziet in de verplichting voor de administratie om, wanneer zij het elektronisch platform voor het eerst in kennis stelt van vermoedens dat de leverancier zijn verplichtingen niet nakomt, tegelijkertijd ook de leverancier in kennis te stellen van het bestaan van deze vermoedens.
Paragraaf 2, tweede lid, van deze nieuwe bepaling voorziet erin dat de voormelde mededeling aan de leverancier gebeurt door verzending ervan naar het door de leverancier opgegeven elektronische adres of, wanneer hij geen dergelijk adres heeft opgegeven, aan het door de in artikel 51bis, § 3bis, eerste lid, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige (i.e. de belastingplichtige die via zijn elektronische interface de levering van goederen door voornoemde leverancier faciliteert) meegedeelde adres.
Artikel 20quater, § 2, derde lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 bepaalt dat die mededeling aan de leverancier op hetzelfde tijdstip gebeurt als de in artikel 51bis, § 3bis, tweede lid, 2°, a), van het Wetboek bedoelde mededeling die werd verzonden naar de elektronische interface.
Tot slot legt artikel 20quater, § 3, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 de modaliteiten van de bezwaarprocedure vast in het kader waarvan de leverancier de inhoud van de kennisgeving kan betwisten die hem door de administratie overeenkomstig paragraaf 1 werd toegestuurd.
De leverancier beschikt over twee maanden om, door middel van een langs elektronische weg ingediende aanvraag, de ernstige vermoedens opgenomen in de voormelde kennisgeving, te betwisten. Een dergelijk initiatief van de leverancier ontneemt hem echter niet het recht om tegen deze kennisgeving onmiddellijk gerechtelijke stappen te ondernemen. In dat geval wordt de administratieve procedure waarin deze bepaling voorziet, onmiddellijk en van rechtswege beëindigd.
In het kader van deze bezwaarprocedure, zal de administratie niet overgaan tot de tweede kennisgeving in artikel 51bis, § 3bis, tweede lid, 2°, b), van het Wetboek zolang er geen beslissing werd genomen over het door de achterliggende leverancier ingediende bezwaar. Op die manier worden de rechten van die leverancier en van de elektronische interface maximaal beschermd. Dit wordt bevestigd in artikel 20quater, § 2, vierde lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1.
Er wordt gebruik gemaakt van de invoeging van dit nieuwe artikel 20quater in het koninklijk besluit nr. 1 om een legistieke correctie aan te brengen in artikel 20, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 (artikel 2 van dit ontwerp). Anderzijds worden ook de regels met betrekking tot de verleggingsregeling, zoals opgenomen in de artikelen 20bis en 20ter van het koninklijk besluit nr. 1, in overeenstemming gebracht met de regels die zijn opgenomen in artikel 20 van hetzelfde besluit.
Artikel 3 van het ontwerp vervangt derhalve het huidige artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1 ten dele om dezelfde redenen, maar ook om het in overeenstemming te brengen met het personele toepassingsgebied van de verleggingsregeling opgenomen in artikel 20 van hetzelfde besluit.
Sinds de wijziging van dat laatste artikel bij het
koninklijk besluit van 26 oktober 2022Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/10/2018
pub.
25/10/2018
numac
2018014320
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de optionele belastingheffing inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat het verlaagde btw-tarief inzake de belaste verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft
type
wet
prom.
14/10/2018
pub.
26/10/2018
numac
2018205384
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wetgeving inzake mandatenlijst en vermogensaangifte wat de transparantie over de vergoedingen, de uitbreiding naar overheidsbestuurders, de elektronische indiening en de controle betreft
sluiten3 (Belgisch Staatsblad van 10 november 2022, blz. 82151) is de uitsluiting uit het toepassingsgebied van de verleggingsregeling in dat artikel van niet in België gevestigde belastingplichtigen die op basis van artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd, immers opgeheven.Deze uitsluiting is niet langer gerechtvaardigd in het licht van de bestaande mechanismen voor internationale administratieve samenwerking inzake de invordering van de belasting binnen de EU, waarin met name is voorzien bij Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (hierna: "Richtlijn 2010/24/EU") en bij Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "Verordening nr. 904/2010"). Het artikel heeft immers betrekking op in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtigen of belastingplichtigen die gevestigd zijn in een land waarmee een rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand bestaat waarvan de strekking gelijk is aan die van Richtlijn 2010/24/EU en van Verordening nr. 904/2010.
Dezelfde logica geldt voor de in artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde leveringen van goud en beleggingsgoud.
Artikel 4 van het ontwerp vervangt het huidige artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1 om dezelfde redenen als die werden uiteengezet voor de vervanging van artikel 20bis van hetzelfde besluit. Bovendien wordt gepreciseerd dat die verleggingsregeling alleen kan worden toegepast ten aanzien van een belastingplichtige die gehouden is tot de indiening van periodieke btw-aangiften en die in België is gevestigd. De huidige formulering van die bepaling geeft dat niet expliciet aan, maar volgens de plaatsbepalingsregels die van toepassing zijn op de diensten die onder deze bepaling vallen (de overdracht van emissierechten voor broeikasgassen in de zin van artikel 3 van Richtlijn 2003/87/EG die overdraagbaar zijn overeenkomstig artikel 12 van die richtlijn, en de overdracht van andere eenheden die door handelaren kunnen worden gebruikt om aan die richtlijn te voldoen) moet de belastingplichtige afnemer noodzakelijkerwijze in België gevestigd zijn opdat dergelijke diensten in België plaatsvinden voor btw-doeleinden en in het kader van die verleggingsregeling Belgische btw verschuldigd is (artikel 21, § 2, van het Wetboek). HOOFDSTUK 3. - Terbeschikkingstelling van registers door betalingsdienstaanbieders Artikelen 6 en 7 De
wet van 7 april 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
18/04/2023
numac
2023041376
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
01/08/2024
numac
2024006243
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders. - Duitse vertaling
type
wet
prom.
07/04/2023
pub.
02/05/2023
numac
2023041947
bron
federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Wet tot wijziging van hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen
sluiten tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders heeft, zoals hiervoor aangegeven, in het Wetboek bepaalde verplichtingen ingevoerd voor betalingsdienstaanbieders met betrekking tot grensoverschrijdende betalingen in verband met handelingen in de grensoverschrijdende elektronische handel ("e-commerce"). Deze verplichtingen vloeien voort uit de goedkeuring door de Raad van voornoemde Richtlijn 2020/284.
De belangrijkste verplichting, die is ingevoerd bij het nieuwe artikel 93duodecies/1 van het Wetboek, betreft het bijhouden en ter beschikking stellen aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde van registers van begunstigden en betalingen betreffende de betalingsdiensten die zij voor elk kalenderkwartaal verlenen.
Deze verplichting geldt alleen voor zogenaamde "grensoverschrijdende" betalingen, d.w.z. waarbij de betaler zich in een lidstaat bevindt en de begunstigde van de betaling zich in een andere lidstaat, een derdelandsgebied of een derde land bevindt (artikel 93duodecies/1, § 2, tweede lid, nieuw, van het Wetboek). Bovendien geldt deze verplichting enkel voor zover de betalingsdienstaanbieder tijdens een kalenderkwartaal betalingsdiensten verstrekt die betrekking hebben op meer dan vijfentwintig grensoverschrijdende betalingen aan dezelfde begunstigde (artikel 93duodecies/1, § 1, 2° en § 2, derde lid, nieuw, van het Wetboek).
Artikel 93duodecies/1, § 4, nieuw, van het Wetboek voorziet in een dubbele verplichting voor betalingsdienstaanbieders met betrekking tot deze registers.
Ten eerste moeten deze registers in elektronische vorm worden gehouden en worden bewaard gedurende een periode van drie kalenderjaren vanaf het einde van het kalenderjaar van de datum van betaling (artikel 93duodecies/1, § 4, 1°, nieuw, van het Wetboek).
Artikel 93duodecies/3, nieuw, van het Wetboek geeft meer in detail aan welke informatie die registers moeten bevatten. Het betreft een reeks gegevens die het mogelijk moeten maken om de betalingsdienstaanbieder in kwestie, de betalingen en eventuele terugbetalingen, de begunstigden van de betalingen (de verkopers) en de betalingsdienstaanbieder van die begunstigden te identificeren.
Bovendien moeten deze registers, en meer specifiek de gegevens die ze bevatten, ter beschikking worden gesteld aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, zodat zij die gegevens kunnen meedelen aan de Europese databank (Central Electronic System of Payment Information - CESOP) die specifiek daarvoor wordt bijgehouden.
Die terbeschikkingstelling is van toepassing wanneer: - België de lidstaat van herkomst is van de betalingsdienstaanbieder; - België de lidstaat van ontvangst is (de lidstaat die niet de lidstaat van herkomst is en waar de betalingsdienstaanbieder een agent of een bijkantoor heeft, dan wel betalingsdiensten aanbiedt) maar niet de lidstaat van herkomst is van de betalingsdienstaanbieder en hij wel betalingsdiensten aanbiedt in België.
Overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2020/284 treden al deze verplichtingen in werking op 1 januari 2024.
Artikel 93duodecies/5, nieuw, van het Wetboek voorziet dat de Koning het tijdstip bepaalt waarop de registers bedoeld in artikel 93duodecies/1, § 4, 2°, nieuw, van het Wetboek ter beschikking worden gesteld, alsook de modaliteiten van die terbeschikkingstelling.
Artikel 6 van dit ontwerp geeft uitvoering aan deze machtiging door een nieuw artikel 26quater in te voegen in het koninklijk besluit nr. 1, dat die modaliteiten vastlegt.
Deze nieuwe bepaling voorziet dat die gegevens ter beschikking worden gesteld van de Belgische administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde ten laatste op het einde van de maand die volgt op het kalenderkwartaal waarop de gegevens betrekking hebben. De bepaling voorziet tevens dat die gegevens elektronisch moeten worden meegedeeld aan de hand van een elektronisch standaardformulier. De functionaliteit waarmee betalingsdienstaanbieders die gegevens kunnen meedelen, zal hen ter beschikking worden gesteld via het MyMinfin platform dat wordt beheerd door de FOD Financiën.
Artikel 7 van dit ontwerp voorziet in niet-proportionele geldboeten wanneer die tweeledige verplichting, om de voormelde registers bij te houden en de gegevens die ze bevatten ter beschikking te stellen, niet wordt nageleefd.
Bij de vaststelling van die niet-proportionele geldboeten moet rekening worden gehouden met het specifieke geval dat hier voorligt.
Het gaat om verplichtingen die worden opgelegd in hoofde van operatoren die geen deel uitmaken van de transactieketting die aanleiding geeft tot de verschuldigde btw, en die de controle ervan door de belastingadministraties van de lidstaten mogelijk moet maken.
De betalingsdienstaanbieder heeft er dus zelf in principe geen onmiddellijk belang bij om de gegevens waarover hij beschikt met betrekking tot grensoverschrijdende betalingen, niet mee te delen of te manipuleren. Bijgevolg moet de schaal van de niet-proportionele geldboeten met dit aspect rekening houden omdat dergelijke administratieve sancties evenredig moeten zijn.
Zo moet er, tegen de achtergrond van het evenredigheidsbeginsel, rekening worden gehouden met de ernst van de overtreding en het al dan niet toevallig karakter ervan.
De schalen voor de vaststelling van deze geldboeten zoals bepaald in artikel 7 van dit ontwerp geven daaraan uitvoering.
Daartoe wordt afdeling 5 van het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale boeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, aangevuld met een punt III dat betrekking heeft op administratieve sancties met betrekking tot de niet-naleving van de voormelde verplichtingen door betalingsdienstaanbieders.
Het eerste punt in dat punt III heeft betrekking op de verplichting om het register bij te houden. Er worden sancties voorzien voor het niet bijhouden van het register, voor het niet gebruiken van het vereiste elektronische formaat, voor het niet naleven van de bewaartermijn van drie jaar en voor onjuiste of onvolledige inschrijvingen in het register. Omwille van de evenredigheid is er in een progressieve schaal voorzien in geval van herhaalde inbreuken.
Het tweede punt in dat punt III heeft betrekking op de verplichting om de in het register opgenomen gegevens ter beschikking te stellen. Er worden in dat verband afzonderlijke sancties opgelegd voor het niet indienen van het standaardformulier, voor het laattijdig indienen ervan en voor het meedelen van onvolledige of onjuiste gegevens. Ook hiervoor is er in een progressiviteit voorzien al naargelang het al dan niet herhaalde inbreuken betreft.
Er moet worden benadrukt dat de in het eerste en tweede punt opgesomde geldboeten niet tegelijkertijd kunnen worden opgelegd. Afhankelijk van de omstandigheden zal de betalingsdienstaanbieder dus slechts één geldboete verschuldigd zijn. Het non bis in idem-beginsel verzet er zich immers tegen dat één en dezelfde overtreding of niet-naleving meer dan één keer zou worden bestraft. Aldus zullen: - aan de betalingsdienstaanbieder die heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 93duodecies/1, § 1, van het Wetboek met betrekking tot het bijhouden van het register en van artikel 93duodecies/3 van het Wetboek met betrekking tot de in het register op te nemen gegevens, enkel de in punt 2 bedoelde geldboeten worden opgelegd wanneer hij de bedoelde gegevens niet of te laat ter beschikking van de administratie heeft gesteld of bepaalde gegevens van het register niet ter beschikking heeft gesteld; - aan de betalingsdienstaanbieder die geen register heeft bijgehouden of die bepaalde verplichte vermeldingen niet in dit register heeft opgenomen, enkel de in punt 1 bedoelde geldboeten worden opgelegd. Het spreekt voor zich dat als hij dat register niet correct heeft bijgehouden, hij alle in het register vereiste informatie niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften ter beschikking kan stellen van de administratie. Zo zal ook wie één of meer verplichte vermeldingen niet in het register heeft opgenomen, de ontbrekende gegevens in principe niet ter beschikking kunnen stellen van de administratie.
Tot slot bepaalt artikel 36, eerste lid, van dit ontwerp dat deze wijzigingen in verband met de omzetting van voornoemde Richtlijn 2020/284, zoals alle bepalingen van het Wetboek in verband met deze omzetting, in werking treden op 1 januari 2024. HOOFDSTUK 4. - Bijzondere regeling van de forfaitaire grondslagen van aanslag voor caféhouders en kleine caféhouders Artikelen 8 tot en met 11 Als gevolg van verschillende rechtszaken ingesteld tegen de forfaitaire regeling voor caféhouders en kleine caféhouders (regeling bedoeld in artikel 56 van het Wetboek), werd ingevolge het advies 71.271/3 van 25 april 2022 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State over een initieel ontwerp van ministerieel besluit, deze regeling met betrekking tot de forfaitaire grondslagen van aanslag voor caféhouders en kleine caféhouders opgenomen in het nieuwe koninklijk besluit nr. 2bis van 15 mei 2022 tot vaststelling van de forfaitaire grondslagen van aanslag inzake de belasting over de toegevoegde waarde voor caféhouders en kleine caféhouders.
Sinds nagenoeg veertig jaar past de administratie, overeenkomstig artikel 56, § 1, van het Wetboek, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen en per bedrijfssector, in het kader van de vereenvoudigingsregeling bedoeld in dat artikel de forfaitaire grondslagen van aanslag toe voor de toepassing van de btw (dergelijke forfaitaire grondslagen van aanslag bestaan ook inzake directe belastingen overeenkomstig artikel 342, § 1, tweede lid, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 - WIB 92).
Die forfaitaire grondslagen van aanslag worden elk jaar, na dat overleg, door de administratie gepubliceerd in twee fasen. Een eerste publicatie heeft betrekking op de voorlopige forfaitaire grondslagen van aanslag, gebaseerd op die van het voorafgaande jaar. Een tweede publicatie heeft betrekking op de definitieve forfaitaire grondslagen van aanslag.
Overeenkomstig deze procedure en op basis van een grondig onderzoek en vaststellingen die in de loop van het jaar 2022 bij een representatief aantal caféhouders en kleine caféhouders zijn gedaan, heeft de administratie aan de betrokken federaties voorstellen voorgelegd tot wijziging van de forfaitaire grondslagen van aanslag voor bepaalde producten die door deze caféhouders en kleine caféhouders worden verkocht.
Alle horecafederaties waren bij deze besprekingen betrokken. Slechts één federatie (de federatie die deze forfaitaire grondslagen in rechte blijft aanvechten) heeft zich tegen het voorstel verzet zonder evenwel concrete elementen te verstrekken om de gegevens te weerleggen die werden gehanteerd om de forfaitaire grondslagen voor 2023 vast te stellen. Het koninklijk besluit nr. 2bis en de bijlage worden derhalve dienovereenkomstig door dit hoofdstuk gewijzigd.
De wijzigingen hebben betrekking op: - het toegestane percentage verliezen voor vatbier (het percentage stijgt van 4 naar 7,5 pct.); - de op de verkoop van vatbier toegepaste forfaitaire coëfficiënt (de coëfficiënt stijgt van 2,55 naar 2,64); - de forfaitaire coëfficiënt op de verkoop van bier in flessen en van andere koude en warme dranken (de coëfficiënt stijgt van 3,2 naar 3,28). HOOFDSTUK 5. - Recht op aftrek van de belasting volgens het algemeen verhoudingsgetal of het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan Artikelen 12 tot en met 14 De
wet van 27 december 2021Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/12/2021
pub.
27/01/2023
numac
2023030036
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde. - Duitse vertaling
sluiten houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en het
koninklijk besluit van 26 oktober 2022Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
14/10/2018
pub.
25/10/2018
numac
2018014320
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de optionele belastingheffing inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat het verlaagde btw-tarief inzake de belaste verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft
type
wet
prom.
14/10/2018
pub.
26/10/2018
numac
2018205384
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wetgeving inzake mandatenlijst en vermogensaangifte wat de transparantie over de vergoedingen, de uitbreiding naar overheidsbestuurders, de elektronische indiening en de controle betreft
sluiten3 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 4, 10, 19, 22 en 59 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde hebben de procedure gewijzigd die van toepassing is bij de uitoefening van het recht op aftrek van de btw met inachtneming van het principe van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan, zoals voorzien in artikel 46, § 2, van het Wetboek. Deze wijziging is in werking getreden op 1 januari 2023.
Dat principe inzake de uitoefening van het recht op aftrek heeft tot gevolg dat de belastingplichtige zijn recht op aftrek uitoefent volgens de normale regels van toepassing op een belastingplichtige met een volledig recht op aftrek ten aanzien van de belasting geheven van de goederen en diensten die uitsluitend bestemd zijn voor de sector die recht op aftrek verleent. In dezelfde gedachtegang is voor de belasting geheven van de goederen en diensten die uitsluitend bestemd zijn voor de sector die geen recht op aftrek verleent, elke aftrek uitgesloten. Tenslotte zal de belastingplichtige voor de belasting geheven van de goederen en de diensten die voor beide sectoren tegelijk worden aangewend, in de mate van het mogelijke, nog bijzondere verhoudingsgetallen moeten vaststellen in functie van die aanwending (zo kan bijvoorbeeld in het geval van een gebouw dat voor beide sectoren wordt gebruikt, een criterium worden gehanteerd dat gebaseerd is op de oppervlakte die respectievelijk door elke sector wordt ingenomen).
De nieuwe procedure bestaat uit een loutere voorafgaande kennisgeving langs elektronische weg. De administratie verleent niet langer een voorafgaand akkoord, maar behoudt wel op elk moment de mogelijkheid om zich te verzetten tegen de uitoefening van het recht op aftrek volgens het werkelijk gebruik of, desgevallend, tegen de door de belastingplichtige in het kader van die aftrekmethode gebruikte criteria. Dat is met name het geval wanneer ze van oordeel is dat het verzoek in strijd is met het neutraliteitsbeginsel inzake btw (ingeval een onredelijk voordeel wordt verkregen).
Die kennisgeving gaat gepaard, bij de indiening van de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal van het jaar (voor de kwartaalindieners) of met betrekking tot één van de eerste drie maanden van het kalenderjaar (voor de maandindieners), met de mededeling van een reeks gestructureerde gegevens met betrekking tot de door de belastingplichtige gehanteerde criteria in het kader van de uitoefening van het recht op aftrek volgens het werkelijk gebruik.
De nieuwe procedure zal de administratie in staat stellen om de uitoefening van het recht op aftrek volgens die methode grondiger te controleren.
De
wet van 23 november 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
23/11/2023
pub.
01/12/2023
numac
2023047474
bron
federale overheidsdienst financien
Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
type
wet
prom.
23/11/2023
pub.
01/12/2023
numac
2023047484
bron
federale overheidsdienst financien
Wet betreffende het Garantiefonds voor financiële diensten
sluiten houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 heeft een gelijkaardige procedure van voorafgaande kennisgeving ingevoerd voor gemengde belastingplichtigen die hun recht op aftrek uitoefenen volgens de andere regeling dan het werkelijk gebruik, met name die van het algemeen verhoudingsgetal. Deze kennisgeving zal, net als bij de aftrek met inachtneming van het werkelijk gebruik, worden gedaan door middel van de aangifte van aanvang of wijziging van de activiteit (elektronisch formulier E-604A of B). Eenzelfde kennisgeving moet niet formeel worden gedaan wanneer de belastingplichtige die aftrekmethode niet langer gebruikt. De administratie zal in principe in een andere context op de hoogte worden gebracht van deze stopzetting. Deze kennisgeving zal automatisch plaatsvinden wanneer de belastingplichtige een belastingplichtige wordt met een volledig recht op aftrek (in geval van een wijziging van activiteit die wordt geconcretiseerd door de indiening van formulier E-604B), door zijn keuze voor de aftrekmethode volgens het werkelijk gebruik, op het tijdstip van de specifieke kennisgeving bedoeld in artikel 46, § 2, eerste lid, van het Wetboek, of in geval van de loutere stopzetting van zijn activiteit (geconcretiseerd door het indienen van formulier E-604C). Deze procedure zal in werking treden op 1 januari 2024.
Zoals voor gemengde belastingplichtigen die voor aftrek volgens het werkelijk gebruik hebben gekozen, bepaalt artikel 46, § 1, zesde lid, nieuw, van het Wetboek dat belastingplichtigen die, op 31 december 2023, het recht op aftrek uitoefenen volgens deze methode, de kennisgeving doen vóór 1 juli 2024.
In het kader van de huidige procedure van aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal, moet de belastingplichtige elk jaar uiterlijk op 20 april van het kalenderjaar, i.e. bij de indiening van zijn periodieke btw-aangifte voor het eerste kwartaal (voor kwartaalindieners) of voor de maand maart (voor maandindieners) een voorlopig algemeen verhoudingsgetal meedelen, dat hij gedurende het gehele kalenderjaar zal toepassen. Vervolgens stelt de belastingplichtige op basis van zijn daadwerkelijke uitgaande handelingen een definitief algemeen verhoudingsgetal vast (dat vervolgens weer als voorlopig algemeen verhoudingsgetal voor het volgende kalenderjaar fungeert). Dit definitieve algemeen verhoudingsgetal wordt door de belastingplichtige meegedeeld ter gelegenheid van de indiening van zijn periodieke btw-aangifte voor het eerste kwartaal (voor kwartaalindieners) of de maand januari, februari of maart (voor maandindieners) van het volgende kalenderjaar. In voorkomend geval herziet de belastingplichtige dan in die periodieke aangifte de belasting die volgens het voorlopige algemeen verhoudingsgetal in aftrek is gebracht tijdens het voorafgaande kalenderjaar en, desgevallend, gedurende de eerste maand of eerste twee maanden van het lopende kalenderjaar. Deze procedure is niet geautomatiseerd.
Om de administratieve lasten die deze niet-geautomatiseerde procedure met zich meebrengt te verhelpen, is in artikel 46 van het Wetboek een nieuwe paragraaf 3 ingevoegd om de Koning te machtigen de toepassingsmodaliteiten van dit artikel te bepalen met betrekking tot de vorm van de verschillende kennisgevingen, de termijn waarin de voorafgaandelijke kennisgeving gebeurt en de procedure volgens dewelke de administratie de bestanddelen van de in artikel 46, § 2, eerste lid, bedoelde kennisgeving kan betwisten en de procedure volgens dewelke de belastingplichtige kan worden verplicht om het recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, van dit artikel.
Tot slot, heeft de voornoemde
wet van 23 november 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
23/11/2023
pub.
01/12/2023
numac
2023047474
bron
federale overheidsdienst financien
Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
type
wet
prom.
23/11/2023
pub.
01/12/2023
numac
2023047484
bron
federale overheidsdienst financien
Wet betreffende het Garantiefonds voor financiële diensten
sluiten de Koning eveneens gemachtigd om de wijze te bepalen waarop de bijzondere verhoudingsgetallen worden meegedeeld door belastingplichtigen die ook werkzaamheden of handelingen verrichten die niet als aan de belasting onderworpen handelingen bedoeld in artikel 2 van het Wetboek worden aangemerkt (de "gedeeltelijke belastingplichtigen", in tegenstelling tot de in artikel 46, §§ 1 en 2, van het Wetboek bedoelde "gemengde belastingplichtigen"). Deze wijziging is opgenomen in artikel 49, 6°, nieuw, van het Wetboek.
In uitvoering van deze nieuwe machtigingen bevat dit ontwerp een aantal bepalingen om vorm te geven aan de verschillende aspecten van deze nieuwe procedures en met name de automatisering van de mededeling van informatie betreffende de uitoefening van het recht op aftrek door gemengde belastingplichtigen (voorafgaande kennisgevingen, mededeling van voorlopige en definitieve algemene verhoudingsgetallen en mededeling van bijzondere verhoudingsgetallen) en door gedeeltelijke belastingplichtigen (mededeling van bijzondere verhoudingsgetallen).
Artikel 12 van het ontwerp herstelt vooreerst artikel 14 van koninklijk besluit nr. 3. Deze nieuwe bepaling voorziet in de modaliteiten van de voorafgaande kennisgeving door de gemengde belastingplichtige van de uitoefening van zijn recht op aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal, gebaseerd op het model voor de voorafgaande kennisgeving van de uitoefening van het recht op aftrek volgens het werkelijk gebruik als voorzien in artikel 18bis van hetzelfde besluit.
Paragraaf 1, eerste lid, van deze nieuwe bepaling verplicht de gemengde belastingplichtige vooraf de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in kennis te stellen van het feit dat hij de aftrek verricht overeenkomstig de regeling van het algemeen verhoudingsgetal.
De nieuwe gedigitaliseerde procedure voorziet voortaan (artikel 14, § 1, tweede lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 3) in principe een elektronische kennisgeving aan de hand van de aangifte van aanvang of wijziging van activiteit bedoeld in de artikelen 1 of 2 en 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, met name de aangifte E-604A of E-604B. De in artikel 14, § 1, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 3 bedoelde voorafgaande kennisgeving moet door de belastingplichtige worden gedaan ten laatste vóór het einde van het eerste aangiftetijdvak waarin hij zijn activiteit aanvangt.
Bij wijziging van de economische activiteit waardoor de belastingplichtige de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige verkrijgt, moet deze kennisgeving ingediend worden vóór het einde van de aangifteperiode waarin die wijziging plaatsvindt (artikel 14, § 1, derde lid, 1°, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 3).
Zoals ook het geval is voor de procedure van voorafgaande kennisgeving van de keuze voor de aftrekregeling volgens het werkelijk gebruik, bepaalt artikel 14, § 1, derde lid, 2°, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 3 dat de belastingplichtigen die op 31 december 2023 de aftrek verrichten overeenkomstig het algemeen verhoudingsgetal, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde daarvan vóór 1 juli 2024 in kennis stellen volgens dezelfde modaliteiten. Deze kennisgeving zal de administratie in staat stellen een volledig overzicht te krijgen van de gemengde belastingplichtigen en de door hen toegepaste aftrekregeling.
Deze kennisgeving heeft uitwerking voor een onbepaalde duur vanaf de eerste dag van de aanvang of wijziging van zijn activiteit (artikel 14, § 1, vierde lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 3).
Wanneer de belastingplichtige, zonder dat zijn activiteit is gewijzigd, beslist om zijn recht op aftrek niet meer uit te oefenen volgens de regeling van het werkelijk gebruik maar ervoor kiest om dat te doen volgens de regeling van het algemeen verhoudingsgetal, moet hij een voorafgaande kennisgeving doen om dat recht te kunnen uitoefenen volgens laatstgenoemde regeling. Dat wordt vastgelegd in het nieuwe artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3. Deze voorafgaande kennisgeving wordt volgens dezelfde modaliteiten verricht als de voorafgaande kennisgeving voor die regeling ingevolge een wijziging van de activiteit van de belastingplichtige, namelijk door middel van de aangifte E-604B. Artikel 14, § 2, tweede lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 3 bepaalt dat deze kennisgeving uitwerking heeft vanaf 1 januari van het jaar volgend op die kennisgeving. In elk geval kan die overgang van de regeling van het werkelijk gebruik naar de regeling van het algemeen verhoudingsgetal slechts ten vroegste plaatsvinden op 1 januari van het vierde jaar dat volgt op de datum van uitwerking van de oorspronkelijke voorafgaande kennisgeving voor de regeling van het werkelijk gebruik (zie artikel 18bis, § 1, vierde lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 3).
Verschillende omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een belastingplichtige zijn recht op aftrek niet langer uitoefent op grond van de regeling van het algemeen verhoudingsgetal.
Wanneer de belastingplichtige, zonder dat zijn activiteit noodzakelijkerwijze is gewijzigd, beslist zijn recht op aftrek niet meer uit te oefenen volgens de regeling van het algemeen verhoudingsgetal maar ervoor kiest om dat te doen volgens de regeling van het werkelijk gebruik, moet hij de in artikel 18bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3 bedoelde voorafgaande kennisgeving doen om dit recht te kunnen uitoefenen volgens laatstgenoemde regeling. In dit verband wordt verwezen naar de relevante bepalingen, die in deze toelichting worden uiteengezet.
Het feit dat de aftrek niet langer wordt toegepast volgens het algemeen verhoudingsgetal kan ook het gevolg zijn van de wijziging of de volledige stopzetting van de activiteit van de belastingplichtige.
Indien de economische activiteit van de belastingplichtige zodanig verandert dat hij ofwel een belastingplichtige met een volledig recht op aftrek wordt ofwel een belastingplichtige zonder recht op aftrek van de hem in rekening gebrachte btw, is de vraag welke aftrekregeling de belastingplichtige toepast niet langer aan de orde. Hetzelfde geldt wanneer de belastingplichtige zonder meer ophoudt een economische activiteit uit te oefenen. Die wijzigingen zullen dan blijken uit de verplichte indiening door de belastingplichtige van een aangifte van wijziging of stopzetting van activiteit.
Zodra deze informatie ter kennis is gebracht van de administratie in het kader van de verplichting tot indiening van die kennisgeving of aangiften, is er geen andere kennisgeving vereist met betrekking tot de stopzetting van aftrekregeling volgens het algemeen verhoudingsgetal aangezien beide aftrekregelingen elkaar wederzijds uitsluiten (artikel 14, § 3, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 3).
Artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3 regelt de procedure voor de jaarlijkse mededeling van de voorlopige en definitieve algemene verhoudingsgetallen. Elk jaar stelt de belastingplichtige die de aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal verricht, dit algemeen verhoudingsgetal immers voorlopig vast op basis van de in het voorgaande kalenderjaar verrichte handelingen. Dat algemeen verhoudingsgetal wordt vervolgens definitief vastgesteld uiterlijk op 20 april van het volgende kalenderjaar, dat wil zeggen op het tijdstip dat de periodieke btw-aangifte voor het eerste kwartaal (voor driemaandelijkse belastingplichtigen) of voor de maand maart (voor maandelijkse belastingplichtigen) van het volgende kalenderjaar wordt ingediend. De belastingplichtige doet in deze periodieke aangifte de eventuele herzieningen van de aftrek (het verschil tussen het bedrag van de aftrek onder het voorlopige algemeen verhoudingsgetal en het bedrag van de aftrek waarop hij recht heeft op grond van het definitieve algemeen verhoudingsgetal).
Concreet …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.