📄 Wettekst
10 MAART 2024. - Koninklijk besluit tot wijziging van het
koninklijk besluit van 11 september 2016Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015111
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende de niet-gouvernementele samenwerking
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015112
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende het aantal gemeenschappelijke strategische kaders van de niet-gouvernementele samenwerking en hun geografische of thematische dekking
sluiten betreffende de niet-gouvernementele samenwerking
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit koninklijk besluit wijzigt het
koninklijk besluit van 11 september 2016Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015111
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende de niet-gouvernementele samenwerking
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015112
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende het aantal gemeenschappelijke strategische kaders van de niet-gouvernementele samenwerking en hun geografische of thematische dekking
sluiten betreffende de niet-gouvernementele samenwerking, hierna het koninklijk besluit genoemd, zoals gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 7 oktober 2021Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/10/2021
pub.
23/11/2021
numac
2021022265
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 september 2016 betreffende de niet-gouvernementele samenwerking
sluiten. Net als zijn voorganger beoogt dit besluit duidelijkheid te verschaffen in de toepassing ervan, maar ook om bepaalde elementen te herzien om ze te vereenvoudigen of te verbeteren door lessen te trekken uit de programmeringscycli 2017-2021 en 2022-2026. De meeste hoofdstukken bevatten wijzigingen, maar ze stellen de principes en doelstellingen van het oorspronkelijke besluit niet ter discussie: werken met erkende organisaties op basis van aangetoonde capaciteiten, in gecontroleerde contexten en het implementeren van kwaliteitsprogramma's.
Bespreking van de artikelen Artikel 1 - tot wijziging van meerdere artikelen De correcties die worden aangebracht in meerdere artikelen (23, 31, 32, 35, 37 en in bijlagen 2 en 4) worden alleen aangebracht in de Franse versie van dit besluit. Deze taalkundige correcties worden aangebracht door ervan uit te gaan dat "subvention" de term is die de door een overheidsinstantie toegekende bedragen aanduidt, terwijl de term "subside" ook verwijst naar de bedragen die door private actoren worden toegekend.
Artikel 2 - tot wijziging van artikel 1 De wijzigingen van artikel 1 hebben betrekking op de herziening van een bestaande definitie, de schrapping van een andere definitie en de toevoeging van twee nieuwe definities. - De vervanging van de definitie van "lokale partner" door die van "partner" heeft tot doel zowel het universaliteitsbeginsel, dat hand in hand gaat met de Agenda 2030, beter weer te geven, als te bevestigen dat het begrip partner niet exclusief is voor interventies die plaatsvinden in zogenaamde "ontwikkelingslanden". Dit concept en het principe van partnerschap zijn inderdaad even belangrijk bij interventies met betrekking tot bijvoorbeeld wereldburgerschapseducatie in België, beurzen, onderzoek, etc.
Bovendien wordt de verwijzing naar een "gedecentraliseerde autoriteit" vervangen door een "publieke autoriteit", aangezien het bij een interventie betrokken autoriteitsniveau kan variëren naargelang van de ambitie van de interventie (lokaal versus nationaal), afhankelijk van de sector of het thema van de interventie (ondersteuning op het niveau van de justitiële sector omvat bijvoorbeeld in het algemeen het mobiliseren van de centrale autoriteiten op dit gebied) of volgens het type erkende organisatie in kwestie (de institutionele actoren hebben vaker overheidsinstanties als gesprekspartner, terwijl organisaties van de civiele maatschappij vaker, maar niet uitsluitend, andere CMO's aanspreken). - De aanvankelijk gebruikte definitie van het begrip "onafhankelijke evaluatie" in artikel 1, 18° kwam niet overeen met de internationale norm: onafhankelijkheid beantwoordt meer aan een norm die verwijst naar alle maatregelen die genomen worden om te vermijden dat er enige vorm van druk of ongepaste beïnvloeding wordt uitgeoefend op de bevindingen van de evaluatie. Enerzijds impliceert dit dat een externe evaluatie geen garantie is voor onafhankelijkheid bij gebreke van deze bepalingen. Aan de andere kant betekent het dat externe evaluatie niet de enige manier is om een onafhankelijke evaluatie te verkrijgen: deze kan worden uitgevoerd door elk individu, afdeling of organisatie die geen deel uitmaakt van de totstandkoming en de uitvoering van het programma. Op basis hiervan lijkt de definitie van "onafhankelijke evaluatie" ongepast en wordt deze dus geschrapt. - De term "financiële controle" wordt gebruikt in artikel 49, § 3, zonder dat de definitie ervan voldoende duidelijk is, terwijl de ervaring heeft geleerd dat er verwarring bestaat over de aard van de controle die wordt uitgevoerd in het kader van artikel 49, § 1. De toevoeging van een definitie moet er dus voor zorgen dat alle partijen deze term op eenzelfde manier begrijpen. - De toevoeging van de definitie van samenwerking moet de soorten relaties verduidelijken die tussen organisaties kunnen bestaan bij de implementatie van programma's. Samenwerkingen zijn het tweede type potentiële relatie, na partnerschappen. De samenwerkingen zijn vooral gericht op het behalen van een gemeenschappelijke doelstelling van de twee verbonden organisaties, die op hun beurt bijdragen aan het behalen van één of meerdere outcomes van het programma van de erkende organisatie. Samenwerkingen verschillen dus van partnerschappen doordat er geen sprake is van "structurele" onderlinge versterkingen tussen de verbonden organisaties.
Artikel 3 - tot wijziging van artikel 2 De wijzigingen in artikel 2 weerspiegelen de wens om de toetsing van het systeem van organisatiebeheersing die de erkenning wensen te verkrijgen, te vereenvoudigen. De ervaringen van eerdere cycli hebben immers aangetoond dat dit een proces is dat een zeer aanzienlijke investering van de betrokken organisaties en de administratie met zich meebrengt. Het doel is om domeinen te verwijderen die geen echte toegevoegde waarde bieden (bijvoorbeeld omdat ze niet voldoende bepalend zijn in relatie tot de investering die nodig is om aan te tonen dat aan de verwachtingen wordt voldaan) of om domeinen te heroriënteren die niet de adequate elementen hebben onderzocht om de beheerscapaciteiten van organisaties effectief aan te tonen.
Deze wijzigingen omvatten het verwijderen van twee beheersdomeinen, het toevoegen van een nieuw domein en het herdefiniëren van twee bestaande domeinen: - Verwijdering van het domein van procesbeheer: De verwijdering van dit domein is gekoppeld aan de evolutie van internationale normen die de toetsing van het systeem van organisatiebeheersing inspireerden voorafgaand aan het verkrijgen van erkenning (bijv. EFQM- of ISO-9001-kwaliteitsmodellen). Deze internationale normen bevorderen nu de wendbaarheid, d.w.z. het vermogen om snel te reageren op ontwikkelingen in een volatiele, onzekere, complexe en dubbelzinnige context (VUCA), wat een afgemeten aandacht voor de standaardisatie en formalisering van processen impliceert om ze geen belemmering te maken voor het bereiken van de missie van de organisatie. Procesbeheer is een middel dat gemobiliseerd wordt in de verschillende domeinen van beheer, maar geen doel op zich. - Schrapping van het domein van personeelsbeheer: De schrapping van het domein van personeelsbeheer volgt op de constatering dat dit domein niet zo relevant is. Aan de ene kant moet elke organisatie, om te kunnen functioneren, in feite een beleid op dit domein hebben, waarvan de effecten tot uiting komen in alle andere beheersdomeinen.
Aan de andere kant is er geen absolute benchmark voor personeelsbeheer en is er een breed scala aan mogelijkheden. Het handhaven van dit domein kan leiden tot een norm die in feite niet adequaat is, en de toetsing ervan was daarom complex. Het verwijderen van dit domein helpt om de toetsing die voorafgaat aan de erkenning te stroomlijnen en zich te concentreren op de meest relevante domeinen. - Toevoeging van het domein Integriteit: De toevoeging van integriteit als volwaardig beheersdomein heeft tot doel het
koninklijk besluit van 11 september 2016Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015111
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende de niet-gouvernementele samenwerking
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015112
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende het aantal gemeenschappelijke strategische kaders van de niet-gouvernementele samenwerking en hun geografische of thematische dekking
sluiten in overeenstemming te brengen met de nieuwe bepalingen vervat in de
wet van 19 maart 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/03/2013
pub.
12/04/2013
numac
2013015084
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking
type
wet
prom.
19/03/2013
pub.
29/03/2013
numac
2013024113
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Wet houdende diverse bepalingen inzake gezondheid
sluiten zoals gewijzigd door de wet van 20 juli 2020. Dit omvat de aanpassing van artikel 2, waarin de beheersdomeinen worden aangewezen, alsmede de wijziging van bijlage 1, waarin deze domeinen en de daarmee verband houdende criteria worden beschreven, alsmede de wijziging van bijlage 3, waarin de informatiebronnen voor de herziening van het beheerssysteem van de organisatie worden vastgesteld. Er wordt meer uitleg gegeven bij de bespreking van de betreffende artikelen. - Herdefiniëring van het partnerschapsbeleid: De herziening van dit domein beantwoordt aan de doelstelling om het meer in overeenstemming te brengen met de evoluerende visie voor partnerschappen in de sector, alsook op internationaal niveau, en met een grotere nadruk op universaliteit, wat hand in hand gaat met de Agenda 2030. Het gaat erom evenwichtige relaties tot stand te brengen, met wederzijdse bijdragen, die de uitvoering van een gemeenschappelijke agenda mogelijk maken, en daarom lijkt de vermelding van "strategie voor capaciteitsopbouw van partners" niet langer gepast, omdat deze een verouderde en te unilaterale aanpak weerspiegelt. De keuze om het beleid te observeren en niet langer alleen het beheer is bedoeld om te voorkomen dat relaties tussen specifieke organisaties in twijfel worden getrokken. De doelstelling is om de aandacht te verleggen naar de algemene aanpak van de organisatie die een erkenning aanvraagt, meer bepaald de elementen waarmee ze rekening houdt bij het aanknopen van relaties met andere organisaties. - Herdefiniëring van het domein van transparantie: De verandering van het beheersdomein met betrekking tot transparantie beantwoordt aan de wens om dit domein meer te richten op transparantie zelf, en minder op de algemene communicatiemechanismen van de organisatie. Het gaat om de herziening van de definitie van het domein en de criteria ervan (artikel 2 en bijlage 1) en de wijziging van bijlage 3, waarin de informatiebronnen worden bepaald. Er wordt meer uitleg gegeven bij de bespreking van de betreffende artikelen.
Daarnaast behelzen de wijzigingen van artikel 2 ook een verduidelijking van de wijze waarop kan worden bepaald of de beheerscapaciteiten van een organisatie toereikend zijn in verhouding tot de mate van complexiteit. Ze zijn gebaseerd op de methodologie die werd toegepast in de eerste erkenningscyclus van 2015-2016 en hebben tot doel de aanpak te verbeteren en te verduidelijken, zonder tot radicale verandering te leiden.
Het raamwerk specificeert dat er een lineaire relatie is tussen complexiteit en beheerscapaciteit, wat weerspiegelt dat een complexere organisatie een grotere mate van beheerscapaciteit moet kunnen aantonen.
Er wordt ook gespecificeerd dat de toereikendheid wordt gemeten aan de hand van de koppeling van een complexiteitsscore, berekend op basis van de in bijlage 2 vermelde parameters, aan een beheersscore, berekend op basis van de criteria van bijlage 3. Deze relatie zal bepaald moeten worden op basis van een ijking volgens de methodologie die dan zal toegepast worden.
De invoering van dit nieuwe artikel moet de validiteit van de beoordeling van de prestaties van het systeem van organisatiebeheersing versterken en passende conclusies trekken uit de gedane bevindingen. Erkennend dat liquiditeits- en solvabiliteitsratio's altijd tot de elementen hebben behoord die in voorgaande jaren zijn onderzocht, is deze wijziging, die minimumdrempels invoert die in acht moeten worden genomen om de toetsing te valideren, bedoeld om ze een passende waarde te geven. Op deze manier zal het niet mogelijk zijn om een negatief resultaat bij de toetsing van deze kritieke aspecten van de capaciteiten op het domein van financieel beheer te compenseren door aan te tonen dat men op de andere onderzochte domeinen over voldoende beheerscapaciteiten beschikt. Het gaat dus om een aanvullende maatregel die bijdraagt tot de beperking van het risico dat een toegekende subsidie niet zal worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij wordt toegekend, overeenkomstig artikel 121 van de
wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/05/2003
pub.
03/07/2003
numac
2003003367
bron
federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien
Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat
sluiten houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat. - De liquiditeitsratio is bedoeld om aan te tonen dat een organisatie in staat is om haar kortlopende schulden terug te betalen. - De solvabiliteitsratio is bedoeld om de mate van financiële autonomie van een organisatie aan te tonen, door het verband te leggen tussen haar eigen vermogen en de totale passiva van de organisatie.
Het moet het vermogen van een organisatie aantonen om de bedrijfscontinuïteit te waarborgen en zich aan te passen aan veranderingen in de algehele financiële situatie.
Deze drempels zijn vastgesteld op basis van de vereisten van ECHO, de afdeling Europese civiele bescherming en humanitaire hulp van de Europese Commissie, voor het verkrijgen van certificaten waarmee organisaties subsidies bij hen kunnen aanvragen. - Een liquiditeitsratio van 1 of hoger illustreert een vermogen om kortlopende schulden terug te betalen. De keuze voor een drempel van 0,85 betekent dus dat een lichte zwakte van organisaties wordt getolereerd. - Een solvabiliteitsratio gelijk aan of lager dan 0 betekent dat een organisatie in theorie niet meer de middelen zou hebben om zelfstandig te opereren, wat niet toelaatbaar is. De organisaties die onderdeel zijn van andere instellingen, die dus geen eigen inkomsten in hun boekhouding hebben aangetoond, maar die niettemin kunnen rekenen op de middelen en garanties die door deze organen worden geboden, zullen dit kunnen aantonen door uit te leggen hoe deze situatie beantwoordt aan een weloverwogen en gecontroleerde strategie.
De invoering van deze drempels zal het landschap van erkende actoren van de niet-gouvernementele samenwerking waarschijnlijk niet verstoren, aangezien deze drempels in voorgaande jaren al door de overgrote meerderheid van de organisaties werden bereikt. Gezien de internationale context en herhaalde crises zullen organisaties echter nog steeds de mogelijkheid krijgen om aan te tonen dat, wanneer een drempel niet wordt bereikt, deze gebaseerd is op een weloverwogen en gecontroleerde strategie van de organisatie. Dit omvat het aantonen dat het een cyclische situatie zou kunnen zijn waarvoor de organisatie een herstelplan op korte termijn heeft opgesteld, dat gelinkt is met het indicatief financieel plan dat de organisatie moet verstrekken in overeenstemming met artikel 5, 1°, e) van dezelfde orde, of het aantonen van het bestaan van voldoende garanties om het geïdentificeerde risico te beperken. Bovendien worden deze ratio's bekeken op basis van de 5 meest recente boekjaren op het moment van de toetsing, in overeenstemming met de verwachtingen van artikel 5, 2°, maar ook om de evolutie van de organisatie te kunnen observeren, rekening houdend met de crises van de afgelopen jaren (COVID-19, inflatie, enz.) en hun impact op de financiële situatie van de indienende organisaties. De keuze van een rekenkundig gemiddelde voor de berekening van deze ratio's gaat in dezelfde richting, zodat recente crises en hun impact op de rekeningen van organisaties niet overgewaardeerd worden.
Artikel 4 - tot wijziging van artikel 3 In het algemeen heeft de vervanging van paragraaf 3 verschillende doelstellingen: Enerzijds gaat het erom een aantal indicatoren inhoudelijk te herzien en nieuwe toe te voegen, en anderzijds gaat het er ook om de tijdelijkheid van elk van deze indicatoren te specificeren.
Het aantal potentiële indicatoren waarop een organisatie zich kan beroepen om haar maatschappelijk draagvlak aan te tonen, wordt verhoogd (van 5 naar 8), om nieuwe relevante indicatoren op te nemen.
Ook worden verschillende bestaande indicatoren geherformuleerd om beter rekening te kunnen houden met de betrokkenheid van de organisatie, of de diversiteit van vorm die de steun van de Belgische bevolking voor deze organisatie kan aannemen. Aan de andere kant neemt ook het minimumaantal te bereiken indicatoren toe. Dit stijgt van twee op de vijf (40%) naar vijf op de acht (62,5%). Dit weerspiegelt een toename van het vereiste niveau die consistent is met nieuwe of geherformuleerde indicatoren, die toegankelijker zijn dan de oorspronkelijke indicatoren. - Indicator met betrekking tot samenwerkingsovereenkomsten: De herformulering maakt het doel van deze indicator expliciet, namelijk aantonen dat de organisatie effectief samenwerkt met andere instellingen om haar doelstellingen te bereiken die zijn beschreven in haar strategisch plan. De vermelding van "internationale en ontwikkelingsvraagstukken" moet een breed begrip mogelijk maken van de integratie van "gerelateerde" thema's aan ontwikkelingssamenwerking, zoals bijvoorbeeld jeugdhulp of de strijd tegen racisme. Ten slotte, de vermelding van het feit dat deze verdragen binnen drie jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning ten uitvoer moeten zijn gelegd, moet het mogelijk maken om te voorkomen dat rekening wordt gehouden met overeenkomsten die te lang geen effect hebben gehad, zonder lange termijn overeenkomsten uit te sluiten die al lang geleden zijn ondertekend. - Indicator met betrekking tot het lidmaatschap van nationale netwerken: De verwijzing naar internationale netwerken is geschrapt om de indicator meer in overeenstemming te brengen met de demonstratie van een maatschappelijk draagvlak in België in het bijzonder. Het doel van de indicator is om aan te tonen dat de organisatie haar ervaringen en/of expertise deelt met andere organisaties, en openstaat voor de ervaringen van anderen, maar ook voor debatten in de sector. De verwijzing naar "actieve" deelname gedurende ten minste drie jaar impliceert dat de organisatie moet uitleggen hoe haar expertise is doorgedrongen tot het werk van het netwerk waartoe zij behoort. Net zoals de vorige indicator, beoogt de herformulering rekening te houden met thema's die verband houden met ontwikkelingssamenwerking. Onder de potentiële nationale netwerken, en op een niet-uitputtende manier, kunnen worden vernoemd: "Coalitie tegen de honger", "Be-cause health", "Educaid", "Klimaatcoalitie", " Platform Kinderrechten in Ontwikkelings-samenwerking", "BE-Gender Platform", "Adviesraad Gender en Ontwikkeling", "Belgisch Netwerk Natuurlijke Rijkdommen", enz. - Indicator met betrekking tot de deelname aan de beslissingsorganen van de organisatie: Deze indicator, die tot doel heeft het streven naar transparantie en samenwerking tussen organisaties, met name verbonden organisaties in het kader van gemeenschappelijke programma's, aan te tonen, is inhoudelijk niet wezenlijk gewijzigd, maar de verwachtingen zijn duidelijker gemaakt. Er wordt gespecificeerd dat de deelname van andere erkende CMO's moet worden aangetoond op het moment van aanvraag, aangezien rekening moet worden gehouden met de vernieuwing van beslissingsorganen. Er wordt ook expliciet gemaakt dat dit minstens twee CMO's zijn, wetende dat deze deelname variabel kan plaatsvinden op het niveau van de Raad van Bestuur en/of de Algemene Vergadering. Deze indicator wordt ook aangevuld om rekening te houden met de inclusie in de Belgische civiele maatschappij door de deelname van andere organisaties die formeel erkend zijn zoals de representatieve werknemersorganisaties die erkend zijn door de wet van 29 mei 1952 betreffende de Nationale Arbeidsraad en door de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Indicatoren met betrekking tot "personen die vrijwillig hun tijd besteden" en "de bijdrage en ondersteuning van personen": Deze twee indicatoren zijn afgeleid van de splitsing van de initiële indicator met betrekking tot het aantal leden, deelnemers, sympathisanten of vrijwilligers. De wijziging beoogt een onderscheid te maken naar de aard van de deelname, terwijl de verwijzing naar soorten deelnemers die niet voldoende eenduidig waren, wordt geschrapt. Enerzijds illustreert de betrokkenheid van vrijwilligers (in overeenstemming met de
wet van 3 juli 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/2005
pub.
29/08/2005
numac
2005022674
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
Wet betreffende de rechten van vrijwilligers
type
wet
prom.
03/07/2005
pub.
19/07/2005
numac
2005012166
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Wet houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg
type
wet
prom.
03/07/2005
pub.
29/07/2005
numac
2005000427
bron
federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten
sluiten betreffende de rechten van vrijwilligers en andere wettelijke bepalingen inzake vrijwilligerswerk, zoals gewijzigd door de wet van 1 maart 2019) de steun van mensen die hun tijd geven aan de organisatie en het uitvoeren van haar activiteiten, in het belang van de organisatie, zodat ze haar missie kan uitvoeren. Deze vrijwilligers onderscheiden zich van het betaalde personeel van de organisatie, evenals van de leden van de Raad van Bestuur of de Algemene Vergadering, wetende dat elke organisatie wettelijk verplicht is om een RvB en een AV te hebben. Aan de andere kant illustreert de bijdrage en ondersteuning van personen de participatie van mensen, vanuit hun eigen interesse voor de aard en inhoud van de activiteiten van de organisatie. Deze mensen organiseren de activiteiten niet, maar wonen ze bij en/of ondersteunen de organisatie, met name door haar activiteiten door te geven via sociale netwerken. In beide gevallen worden deze indicatoren niet langer gekwantificeerd, omdat het aantal dat kan worden verwacht in verhouding moet zijn met de grootte van de organisatie en in functie moet zijn van de doelgroepen van de missie en activiteiten van de organisatie, wat een kwalitatieve in plaats van kwantitatieve beoordeling zal impliceren. Ook in beide gevallen zal dit aantal over een periode van vijf jaar worden bekeken, om de evolutie ervan in de loop van de tijd te observeren. - Indicator met betrekking tot fondsenwerving in België: Deze indicator is niet onderhevig aan inhoudelijke wijzigingen, aangezien hij zijn doelstelling in zijn huidige vorm bereikt. Hij toont de steun die een organisatie ontvangt van de Belgische samenleving, geïllustreerd door de giften, bijdragen, schenkingen en legaten ten voordele van de organisatie. De drempel van 14.000 euro per jaar wordt als voldoende beschouwd om een organisatie in staat te stellen te beweren dat zij over voldoende significante en representatieve steun beschikt. Er wordt expliciet gemaakt dat het bedrag wordt berekend op basis van het gemiddelde van de vijf jaar, om de effecten van fluctuaties gerelateerd aan bijvoorbeeld een crisiscontext te verzachten. - Indicator met betrekking tot de ondertekening van de ethische code van de Ethische Fondsenwerving vzw: Deze nieuwe indicator is bedoeld om organisaties aan te moedigen zich aan te sluiten bij de ethische code van de Ethische Fondsenwerving vzw en deze te respecteren. Het moet aantonen dat de organisatie erover waakt het werk op het vlak van wereldburgerschapseducatie in België of de deconstructie van stereotypen niet te ondermijnen. De code ondertekenen toont de naleving van deze principes aan. - Indicator met betrekking tot de minimale uitgaven voor bewustwording en gedragsverandering: Het doel van deze indicator is om aan te tonen dat organisaties bijdragen tot het bewustzijn van de Belgische bevolking over internationale en ontwikkelingsvraagstukken. De vaststelling van een specifiek minimumbedrag moet als illustratie dienen voor deze bijdrage. Het verwachte minimumpercentage komt uit het UNDP Human Development Report van 1993, pagina 8, waarin werd aanbevolen dat "Perhaps as much as 3% of aid funds could be earmarked for spending within donor nations to prepare public opinion for these (...) realities and to increase public awareness of the interdependence of the North and the South". De bijdrage wordt berekend als een vijfjarig gemiddelde.
Vervolgens wordt gespecificeerd dat in het geval dat een organisatie die erkenning wil verkrijgen tot "een grotere institutionele organisatie" naar Belgisch recht behoort, het aantonen van het maatschappelijke draagvlak kan worden gedaan op het niveau van deze laatste. Deze verwijzing is bedoeld om een zaak te verduidelijken die niet nieuw is en die van toepassing is op organisaties die onderdeel van anderen zijn, en die zich specifiek richten op ontwikkelingssamenwerking. Bijvoorbeeld vzw's die banden hebben met de representatieve werknemersorganisaties, maar die geen rechtspersoonlijkheid hebben, of organisaties met meerdere missies en waar ontwikkelingssamenwerking slechts één van de vele is, zoals de verenigingen van steden en gemeenten. Het feit dat een organisatie tot "een grotere institutionele organisatie" behoort, betekent dat de eerste in staat zal zijn om de kwaliteiten, mits ze zijn vastgesteld, van de laatste te erven in termen van het aantonen van de maatschappelijke basis.
Tot slot, de wijziging in paragraaf 4 is een taalkundige correctie gezien "lid zijn van" correcter het formele lidmaatschap vat.
Artikel 5 - tot wijziging van artikel 5 In artikel 5 worden drie wijzigingen aangebracht.
De eerste wijziging beoogt de inhoud van het strategisch plan in overeenstemming te brengen met één van de wijzigingen die in artikel 2 zijn aangebracht, namelijk het schrappen van het beheersdomein personeelsbeheer. Dit beleid moet daarom niet langer in het strategisch plan worden voorgelegd, maar het blijft relevant voor de organisatie om een overzicht te geven van hoe haar menselijke middelen zullen worden gemobiliseerd bij de uitvoering van het strategisch plan.
De tweede wijziging gaat hand in hand met de wijzigingen in de artikelen 3 en 8, die beogen rekening te houden met het geval waarin een organisatie die een erkenning wenst te verkrijgen, behoort tot een "grotere institutionele organisatie" naar Belgisch recht. Wetende dat dit lidmaatschap ertoe leidt dat bepaalde elementen van het strategisch plan worden bepaald op het niveau van deze "grotere institutionele organisatie", is het dus noodzakelijk om toe te laten dat de vereiste aan te tonen elementen van deze laatste komen. Alleen punt a) bevat deze verwijzing echter, met dien verstande dat de elementen b) tot en met h) rechtstreeks op het niveau van de organisatie die een erkenning aanvraagt, moeten worden bepaald.
Ten slotte is de derde wijziging, die hand in hand gaat met de vervanging van bijlage 3, bedoeld om een organisatie die een erkenning aanvraagt, in staat te stellen alle informatie te verstrekken die zij relevant acht als informatiebron om haar beheerscapaciteiten aan te tonen. De lijst van verplichte documenten is namelijk herzien om te voorkomen dat een organisatie deze kunstmatig moet opstellen wanneer zij geen elementen heeft die overeenkomen met een specifieke benaming.
Ook hebben de ervaringen van eerdere erkenningscycli aangetoond dat niet alle noodzakelijke en relevante documenten van tevoren kunnen worden geïdentificeerd wanneer ze niet een standaardnorm moeten respecteren.
Artikel 6 - tot wijziging van artikel 8 De wijziging is een voortzetting van de wijzigingen in artikelen 3 en 5, waarin staat dat het lidmaatschap van een organisatie bij een "grotere institutionele organisatie" naar Belgisch recht de organisatie die een erkenning aanvraagt, in staat stelt de kwaliteiten van de eerste te erven, op voorwaarde dat deze zijn vastgesteld. Dit aantonen impliceert inderdaad dat men in staat is om de documenten en informatiebronnen die op het niveau van deze "grotere institutionele organisatie" worden geproduceerd, te verstrekken en er rekening mee te houden.
Artikel 7 - tot wijziging van artikel 9 De wijziging van artikel 9 betreft een inhoudelijke aanpassing en de toevoeging van vier nieuwe paragrafen.
In paragraaf 3 is de vervanging van de verwijzing "op basis van een externe expertise" door "met de steun van een externe expertise" bedoeld om meer flexibiliteit te bieden bij het bepalen van de aanpak die zal worden gevolgd om de in artikel 2 bedoelde toetsing van de performantie van het systeem van organisatiebeheersing uit te voeren.
Dit zou met name een taakverdeling bij de toetsing van de domeinen mogelijk kunnen maken, waarbij beter rekening wordt gehouden met de eigen expertise van de administratie en die het mogelijk zou maken om aan een externe accountant alleen die domeinen te delegeren die een nauwkeuriger beheersing vereisen dan die welke intern beschikbaar zijn. Zo worden de domeinen van Resultaatgericht beheer en Partnerschap goed beheerst door de administratie, terwijl het relevanter blijft om een beroep te doen op externe expertise op het domein van Financieel beheer of Risicobeheer (op organisatieniveau).
De toevoeging van een nieuwe paragraaf 3/1 heeft tot doel de voorwaarden vast te stellen voor de eventuele overweging van certificaten of kwaliteitslabels waarbij een toetsing heeft plaatsgevonden die vergelijkbaar is met die van de erkenning.
Aangezien dit type toetsing een aanzienlijke investering vergt van de kant van de organisatie die het betrokken label of certificaat wil behalen, zou het in aanmerking nemen ervan overbodige inspanningen vermijden.
De geïdentificeerde potentiële certificaten of labels zijn die welke door ECHO (ACP-partnerschap of programmatisch partnerschap) worden toegekend op een vereist niveau dat zeer dicht bij dat van de toetsing van de performantie van het systeem van organisatiebeheersing als bedoeld in artikel 2 ligt, maar ook de ISO 9000/ISO 9001-certificaten en "Recognised by EFQM" 3 sterren of meer. Aangezien deze certificaten niet dezelfde aandacht of dezelfde domeinen met zich meebrengen, impliceert het in aanmerking nemen ervan het aantonen van gelijkwaardigheid. Bovendien zal deze gelijkwaardigheid per domein worden bekeken en zal de organisatie niet worden vrijgesteld van de toetsing van andere beheersdomeinen die geen equivalenten zouden hebben, teneinde een eerlijke behandeling van alle inschrijvers te waarborgen.
Eerlijke behandeling betekent ook rekening houden met de geldigheidsduur van certificaten en labels, die verschilt van die van de erkenning. In dit verband zal één van de voorwaarden zijn dat wanneer een certificaat of label een geldigheidsduur heeft van minder dan of gelijk aan 3 jaar (EFQM, ISO), het minder dan twee jaar geleden moet zijn verkregen op het moment van de aanvraag voor erkenning.
Tegelijkertijd zal de organisatie die een certificaat of een kwaliteitslabel geniet, de verlenging ervan aan het einde ervan moeten verkrijgen, anders zal ze zich moeten onderwerpen aan een nieuwe toetsing, zoals bepaald in artikel 10, § 1.
Gespecificeerd wordt dat de minister de timing en de procedures voor het motiveren en verkrijgen van vrijstellingen vaststelt op basis van een voorstel van het NGSOC. Dit moet het mogelijk maken om in te spelen op de zuiver praktische en organisatorische aspecten, zodat organisaties die de toekenning van kwaliteitslabels willen inzetten, adequaat worden geïnformeerd en zich kunnen organiseren om de toetsing in de juiste vorm af te leggen in het geval dat deze labels niet kunnen worden erkend.
Aangezien de toetsing op het beheersdomein van financieel beheer tot doel heeft een zeer actueel beeld te geven van de financiële situatie van de betrokken organisatie, is het gerechtvaardigd te bepalen dat dit systematisch wordt getoetst voor alle indienende organisaties, ongeacht de toekenning van andere certificaten of kwaliteitslabels voor een gelijkwaardig domein.
Aangezien de methoden en verwachtingen voor het verkrijgen van deze certificaten en kwaliteitslabels niet altijd openbaar zijn, is het ten slotte aan de indienende organisaties om gelijkwaardigheid aan te tonen, indien zij één of meer vrijstellingen willen verkrijgen.
De toevoeging van een nieuwe paragraaf 3/2 is ook bedoeld om vereenvoudiging te bieden in het kader van de toetsing van de performantie van het systeem van organisatiebeheersing, door rekening te houden met het ECB-certificaat (Evaluation Capacity Building) die is afgegeven door de dienst Bijzondere Evaluatie tijdens de toetsing van het domein van resultaatgericht beheer (RGB). Dit zou de vorm aannemen van een vrijstelling, onder voorwaarden. Deze wijziging is gebaseerd op de vaststelling dat het RGB-domein en de ECB-certificering vrijwel dezelfde strategische doelstellingen hebben op het domein van resultaatgericht beheer, monitoring en evaluatie. En vooral, dat ze dezelfde aspecten in twijfel trekken, hoewel de benamingen tussen de ene en de andere kunnen verschillen. De ECB-certificering gaat echter nog een stap verder door zich te richten op het verbeteren van het monitoring- en evaluatiesysteem (MEAL) en het opbouwen van capaciteit op dit gebied, door het ontwikkelen van een verbeterplan, waarbij de toetsing van het RGB-domein deze capaciteiten op een bepaald moment fotografeert. In dit kader zal het nu mogelijk zijn om uit te gaan van de conclusies van de certificering, en vooral van de observatie van de follow-up van het resulterende verbeteringsplan, om te bepalen of de RGB-beheerscapaciteit aan de verwachtingen voldoet en zo de toetsing van het RGB-domein te vervangen. Deze wijziging wordt ook gerechtvaardigd door de overweging dat deze twee oefeningen aanzienlijke middelen van alle partijen vergen en dat het noodzakelijk is om de beschikbare producten (zoals het verbeterplan) te benutten en tegelijkertijd potentiële nodeloze herhalingen te beperken.
Organisaties die geen ECB-certificering hebben, worden getoetst op het RGB-domein zelf. De verwijzing naar "binnen de 8 jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag" vloeit voort uit het feit dat de eerste toetsingen die tot de toekenning van de certificering hebben geleid, in 2017 werden uitgevoerd.
Het toezicht op de opvolging van de conclusies van de certificering en de uitvoering van het daaruit voortvloeiende verbeteringsplan kan plaatsvinden tijdens een institutionele dialoog, zoals bepaald in artikel 11. In de praktijk zal de institutionele dialoog die dit punt zal behandelen, moeten worden georganiseerd vanaf 2024, tot uiterlijk het einde van de eerste helft van 2025, zodat de conclusies beschikbaar zijn op het moment van de organisatie van de toetsing van het systeem van organisatiebeheersing.
Ten slotte wordt verwacht dat de minister de criteria en modaliteiten van deze oefening zal bepalen, op basis van een voorstel van de NGSOC, om een uniforme en methodische aanpak te hebben die de eerlijke behandeling garandeert van alle organisaties die hun certificering willen valoriseren.
Het doel van de toevoeging van de paragrafen 6 en 7 is de nodige duidelijkheid te verschaffen over gevallen van fusies waarbij organisaties van de civiele maatschappij betrokken zijn, en de gevolgen die dergelijke fusies kunnen hebben voor de erkenning enerzijds en voor de overname van rechten en verplichtingen in verband met de programma's die door de fuserende organisaties zijn uitgevoerd anderzijds, Deze verduidelijkingen zijn des te belangrijker omdat fusies van organisaties met gemeenschappelijke punten worden aangemoedigd door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking. Zij moeten niet alleen de doeltreffendheid en het bereiken van resultaten op het terrein vergroten, aangezien zij worden beschouwd als het uiteindelijke resultaat van synergiën en gezamenlijk opgezette programma's, maar zij moeten het ook mogelijk maken schaalvoordelen te behalen en zo de efficiëntie te verhogen. De verduidelijking moet het daarom zo gemakkelijk mogelijk maken om deze fusies uit te voeren.
In dit verband worden twee scenario's duidelijk gemaakt: - Wanneer de fuserende organisaties allemaal erkend zijn als organisaties van de civiele maatschappij, erft de gefuseerde organisatie automatisch dezelfde erkenning. - Wanneer één of meer van de fuserende organisaties niet erkend zijn als organisaties van de civiele maatschappij, kan het zijn dat de gefuseerde organisatie de toetsing opnieuw moet afleggen om erkenning te verkrijgen overeenkomstig artikel 10, § 1. Dit is een mogelijkheid, geen automatisme: als de organisatie aantoont dat haar beheers-capaciteiten in lijn blijven met de evolutie van haar complexiteit, dan zou ze de erkenning kunnen erven zonder de toetsing opnieuw te hoeven afleggen. Dit is bedoeld om een evenwicht te vinden tussen de noodzaak om de toetsing te reorganiseren en de vermindering van de kosten/ investeringen die nodig zijn wanneer het duidelijk is dat de fusie geen belangrijke wijzigingen in de organisatie veroorzaakt.
Deze twee verduidelijkingen moeten voorkomen dat organisaties die een groepering overwegen, worden ontmoedigd omdat ze vrezen dat het bekomen van een erkenning een extra last met zich zou meebrengen.
Bovendien wordt duidelijk gemaakt dat de uit de fusie ontstane organisatie de rechten en plichten van de gefuseerde organisaties erft overeenkomstig artikel 13:1, § 2 Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Dit omvat de verplichtingen met betrekking tot de uitvoering van een programma en de overdracht van de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen en rechtvaardigen van de toegekende subsidies. Er wordt expliciet gesteld dat de uitvoering van deze overdracht een wijziging van de subsidiebesluit(en) met zich meebrengt, zodat de verwijzingen naar de uit de fusie ontstane organisatie worden opgenomen, in plaats van die van de gefuseerde organisaties.
Ten slotte wordt een afwijking toegevoegd om ervoor te zorgen dat de uit de fusie ontstane organisatie, in voorkomend geval, meer dan één programma voor de huidige programmeringscyclus kan hebben. In het geval dat meerdere erkende organisaties elk hun eigen programma hebben, zou het niet wenselijk zijn om die programma's in de loop van de uitvoering samen te voegen vanwege de aanzienlijke administratieve lasten die dit voor alle partijen met zich mee zou brengen. De uit de fusie ontstane organisatie zou daarom het beheer en de uitvoering van verschillende programma's kunnen behouden totdat ze zijn voltooid, en zou dan één enkel programma voor de volgende cyclus moeten indienen.
Artikel 8 - tot wijziging van artikel 13 Artikel 13 wordt gewijzigd om de Gemeenschappelijke Strategische Kaders strategischer te maken en elementen te schrappen die als te operationeel worden beschouwd, en die dus eerder thuishoren op programmaniveau.
Deze heroriëntatie moet het mogelijk maken de meest relevante elementen te behouden: - Een contextanalyse, gekoppeld aan een risicoanalyse; - Op basis van deze analyses: het identificeren van strategische doelen; - Op basis van de vastgestelde strategische doelstellingen: de vaststelling van strategische benaderingen, alsmede van de synergieën en complementariteiten; - De prioritaire vragen voor collectief leren tussen de actoren, indien mogelijk en relevant.
Het zoeken naar synergieën en complementariteiten blijft centraal staan en betrekt expliciet de partners die eraan deelnemen, of die er het onderwerp van zijn. Daarnaast blijft de aandacht voor de gouvernementele samenwerking, wanneer een GSK plaatsvindt in een partnerland in de zin van artikel 2, 3° /1 van de
wet van 19 maart 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/03/2013
pub.
12/04/2013
numac
2013015084
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking
type
wet
prom.
19/03/2013
pub.
29/03/2013
numac
2013024113
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Wet houdende diverse bepalingen inzake gezondheid
sluiten betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, behouden, maar is deze gericht op aspecten die verband houden met synergieën en complementariteiten. Deze aandacht wordt ook uitgebreid naar de Belgische humanitaire hulp, met het oog op de implementatie van de nexus-aanpak tussen humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking, waar relevant en passend.
Ten slotte wordt gepreciseerd dat de minister de modaliteiten voor de voorbereiding van de GSK's goedkeurt, op basis van een voorstel van het NGSOC. Deze aanpak is in overeenstemming met artikel 52, § 3.
Artikel 9 - tot wijziging van artikel 14 De wijzigingen maken deel uit van een reeks aanpassingen met betrekking tot de kalender voor de invoering en beoordeling van de Gemeenschappelijke Strategische Kaders (artikel 14) en programma's (artikel 22).
Overwegende dat: - het beginpunt van het proces van voorbereiding van een nieuwe programmeringscyclus wordt geconcretiseerd door de intentieverklaring om één of meer thematische GSK's te formuleren overeenkomstig artikel 2, 2° van het
koninklijk besluit van 11 september 2016Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015111
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende de niet-gouvernementele samenwerking
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015112
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende het aantal gemeenschappelijke strategische kaders van de niet-gouvernementele samenwerking en hun geografische of thematische dekking
sluiten betreffende het aantal Gemeenschappelijke Strategische Kaders van de niet-gouvernementele samenwerking en hun geografische of thematische dekking; - het eindpunt van dit proces geconcretiseerd wordt door de beslissing van de minister om een subsidie toe te kennen zoals voorzien in artikel 22, § 3 van het
koninklijk besluit van 11 september 2016Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015111
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende de niet-gouvernementele samenwerking
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015112
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende het aantal gemeenschappelijke strategische kaders van de niet-gouvernementele samenwerking en hun geografische of thematische dekking
sluiten betreffende de niet-gouvernementele samenwerking; - deze begin- en eindpunten twee grenzen zijn die waarschijnlijk niet zullen veranderen; hebben de wijzigingen van de kalender van de verschillende fasen binnen deze grenzen aldus tot doel om enerzijds de voorwaarden voor de beoordeling van voorstellen van Gemeenschappelijke Strategische Kaders en programmavoorstellen door de administratie te verbeteren, en anderzijds de voorwaarden te scheppen voor een effectieve start van de programma's zo dicht mogelijk bij 1 januari van het jaar van het begin van de programmeringscyclus.
Deze aanpassingen beogen ook een evenwichtig tijdschema vast te stellen voor de uitvoering van de verschillende fasen tussen de overheid en de erkende actoren van de niet-gouvernementele samenwerking. Dit impliceert met name dat voldoende rekening wordt gehouden met verschillende vakantieperiodes die deze langetermijnprocessen kruisen. Dit is de rechtvaardiging om de termijn voor het organiseren van dialogen over de beoordeling van GSK's te verlengen van zes naar acht weken. Met een indiening op 15 december zou de administratie eerder kunnen beginnen met de beoordeling, maar de organisatie van de strategische dialogen zelf zou niet kunnen beginnen tijdens de kerstvakantie. Door de termijn te wijzigen, kan de oorspronkelijk voor dit doel gereserveerde tijd dus worden behouden, zonder dat de duur van het beoordelingsproces van de GSK's zelf wordt gewijzigd. De keerzijde is dan de verkorting van de tijd tussen de afronding van de adviezen van de administratie en de uitspraak van de beslissing door de minister, van zes naar vier weken.
Deze aanpassingen van de kalender en de verwezenlijking van hun doelstellingen moeten worden beschouwd in samenhang met de wijzigingen die zijn aangebracht in de artikelen 13 en 18, die betrekking hebben op de inhoud van de GSK's en de programma's.
Opgemerkt moet worden dat, hoewel de timing niet precies kan worden vastgesteld, de ambitie zal zijn om het erkenningsbesluit zo snel mogelijk mee te delen, idealiter vóór het opstellen van de GSK's, zodat de uiteindelijk niet erkende organisaties niet bij deze processen betrokken hoeven te raken.
Artikel 10 - tot wijziging van artikel 15 Er worden twee wijzigingen aangebracht in artikel 15.
De eerste heeft tot doel één van de belangrijkste doelstellingen van de strategische dialogen te benadrukken, namelijk de observatie van de evolutie van de strategische doelen en de nadruk op de toegevoegde waarde van de erkende organisaties en van hun partners die in een bepaalde context opereren. Het doel hiervan is een algemeen beginsel in herinnering te brengen dat de dialoog en de verschillende agendapunten ervan stuurt.
De tweede wijziging, in het verlengde van één van de wijzigingen in artikel 13, beoogt de voorwaarden te scheppen voor het leggen van verbanden tussen de humanitaire hulp en de ontwikkelings-samenwerking, met het oog op een nexus-benadering. Nu het zoeken naar synergieën en complementariteiten aan artikel 13 is toegevoegd, is het de bedoeling om van deze potentiële verbanden een punt van discussie te maken tijdens strategische dialogen. Daartoe wordt ook expliciet gemaakt dat erkende organisaties die optreden in het kader van de financiering van humanitaire hulp in een land dat onder een GSK valt, worden uitgenodigd om deel te nemen aan de strategische dialoog.
Transversaal wordt het woord "erkende" in de woorden "bij een GSK betrokken erkende organisaties" geschrapt. Deze schrapping illustreert dat het mogelijk en wenselijk is om de relevante organisaties te betrekken, ook als zij niet erkend zijn. Dit omvat het bevorderen van de betrokkenheid van partners op het terrein, maar ook van andere actoren zoals ENABEL. Artikel 11 - tot wijziging van artikel 18 Er worden twee wijzigingen aangebracht in artikel 18.
Artikel 18, paragraaf 4, wordt zodanig aangevuld dat de andere kwaliteitscriteria waarop de adviezen van de administratie als bedoeld in artikel 22, § 2, zijn gebaseerd, explicieter worden gemaakt. Deze criteria zijn echter niet nieuw, aangezien het al lang bestaande aandachtspunten zijn voor de niet-gouvernementele samenwerking. Ze zijn ook duidelijk vermeld in het
koninklijk besluit van 11 september 2016Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015111
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende de niet-gouvernementele samenwerking
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015112
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende het aantal gemeenschappelijke strategische kaders van de niet-gouvernementele samenwerking en hun geografische of thematische dekking
sluiten, en de vermelding ervan in artikel 18 is enkel bedoeld om ervoor te zorgen dat ze dezelfde waarde hebben als de criteria die door de OESO/DAC zijn gedefinieerd.
De term "doelmatig" is uit artikel 18 geschrapt, zodat doelmatigheid niet langer een criterium is bij het opstellen van de adviezen van de administratie. Deze schrapping uit de criteria voor advies is ingegeven door het feit dat het een criterium was met een twijfelachtige relevantie ten opzichte van de volledige aanpak die door dit koninklijk besluit werd ingevoerd: programma's van 5 jaar, met geglobaliseerde middelen en dus een lager detailniveau dan in het verleden, maar ook flexibiliteit toegekend aan gesubsidieerde organisaties om het programma en de middelen ervan gaandeweg te kunnen aanpassen, om snel te kunnen reageren op veranderingen in de context.
In dit verband bleek het beoordelen van de doelmatigheid van een ex-antevoorstel een gevaarlijke en twijfelachtige oefening.
Doelmatigheid blijft echter een algemeen beginsel van goed programmabeheer, zoals vastgelegd in artikel 33. De gesubsidieerde organisaties blijven derhalve verplicht om alles in het werk te stellen om er tijdens de uitvoering van de programma's aan te voldoen.
Het doel van de wijziging van paragraaf 5 is om het evaluatieplan dat is ingevoegd bij de wijziging van artikel 44, in te voeren als integraal onderdeel van een programma wanneer het wordt ingediend en als elementen die bijdragen aan de resultaatgerichte aanpak ervan.
Artikel 12 - tot wijziging van artikel 20 Er worden drie wijzigingen aangebracht in artikel 20.
De wijziging van paragraaf 4 heeft tot doel de verwachtingen op het niveau van de inhoud van de programma's beter af te stemmen op de elementen die reeds zijn onderzocht op het niveau van de beheerscapaciteiten van de organisatie, voor het domein van het partnerschapsbeleid voorzien in artikel 2, 5°. Door de verwijzing naar de partnerschapsstrategie te schrappen, wordt beoogd het in paragraaf 1, derde lid, van hetzelfde artikel genoemde beginsel `Only once' beter toe te passen. Ten slotte wordt de verwijzing naar "lokale partners" vervangen door die van "partners" overeenkomstig de invoering van een nieuwe definitie in artikel 1, 3°.
De wijziging van paragraaf 5 is bedoeld om te zorgen voor consistentie na de verruiming van het begrip "partners" in plaats van "lokale partners". Daarnaast wordt expliciet gemaakt dat relaties met organisaties die geen partner zijn, worden beschouwd als samenwerkingen in de zin van artikel 1, 25°.
Ten slotte zijn in deze twee paragrafen verwijzingen naar "uitvoering" van het programma geschrapt om een benadering weer te geven waarbij andere geassocieerde organisaties niet louter als uitvoerders of onderaannemers worden beschouwd. Bovendien impliceert deze betrokkenheid niet noodzakelijkerwijs dat een deel van de budget van het programma ter beschikking wordt gesteld.
Artikel 13 - tot wijziging van artikel 22 De wijzigingen in artikel 22 maken deel uit van een reeks wijzigingen met betrekking tot de kalender voor de invoering en beoordeling van de Gemeenschappelijke Strategische Kaders (artikel 14) en de programma's (artikel 22). Voor de gedetailleerde toelichting wordt verwezen naar de bespreking van artikel 9 van dit wijzigingsbesluit.
De wijziging van artikel 22 impliceert ook een wijziging van de aanpak van het advies van de administratie over het programma. Tot dan toe werd het definitieve advies pas naar de organisatie gestuurd nadat het besluit van de minister was meegedeeld. Dit betekende dat, in het geval dat zij geen volledige goedkeuring van haar voorstel en het bijbehorende budget zou krijgen, een organisatie niet kon beginnen na te denken over het aanpassen van haar programmavoorstel aan het besluit en het beschikbare budget. Hoe eerder deze denkoefening echter begint, des te groter is de kans dat de programma's zo dicht mogelijk bij 1 januari van het eerste jaar van de programmeringscyclus van start kunnen gaan. Het uitbrengen van het eindadvies, los van het besluit van de minister en vergezeld van een budget "onder voorbehoud", is bedoeld om zo snel mogelijk met deze denkoefening te kunnen beginnen.
Het budget blijft "onder voorbehoud" tot de bekendmaking van het besluit van de minister, dat met name afhangt van de stemming over de begrotingswet aan het einde van het jaar voorafgaand aan de start van het programma. De mededeling van een budget "onder voorbehoud" en het definitieve advies voorafgaand aan het besluit van de minister houdt dus in: - voorafgaand overleg met de financiële en politieke autoriteiten (administratie, inspecteur van financiën en beleidscel van de minister), met respect voor de verschillende stadia van het opstellen van de begrotingswet, teneinde de beste inschatting van het beschikbare budget in aanmerking te nemen; - In het geval dat de beschikbare kredieten lager zijn dan nodig, de voorafgaande ontwikkeling van een methodologie voor de toekenning van subsidies op basis van de kwaliteit van de voorstellen en hun bijdrage aan de doelstellingen van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking zoals bepaald in het gewijzigde artikel 18, § 3.
Opgemerkt moet worden dat deze aanpak is geïnspireerd op de aanpak die werd toegepast op de programma's van de niet-gouvernementele organisaties vóór de inwerkingtreding van het
koninklijk besluit van 11 september 2016Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015111
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende de niet-gouvernementele samenwerking
type
koninklijk besluit
prom.
11/09/2016
pub.
20/09/2016
numac
2016015112
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Koninklijk besluit betreffende het aantal gemeenschappelijke strategische kaders van de niet-gouvernementele samenwerking en hun geografische of thematische dekking
sluiten. Een echte nieuwigheid is het dus niet. Ook in deze context, en hoewel het niet gepast is om hun exacte kalender in dit besluit vast te leggen, is het eveneens de ambitie om momenten van dialoog tussen de erkende organisaties en de administratie voorafgaand aan de invoering van de programma's toe te staan om de hoofdlijnen en trends ervan te presenteren.
Daarnaast wordt paragraaf 3 aangevuld om de grondslag voor het besluit van de minister explicieter te maken. Er wordt benadrukt dat dit gebaseerd is op het advies van de administratie over de kwaliteit van het voorstel en de bijdrage ervan aan de doelstellingen van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, maar niet alleen hierop. Dit advies kan immers alle relevante informatie bevatten die van invloed kan zijn op de uitvoering van het programma of het gebruik van de subsidies. Deze informatie kan afkomstig zijn van het toezicht op eerdere programma's of programma's die werden gesubsidieerd op andere manieren, maar ook van de institutionele dialogen als bedoeld in artikel 11 of van andere uitwisselingsmodaliteiten met de organisatie.
Het doel is om de minister de middelen te geven om rekening te houden met elementen die de intrekking van de erkenning niet zouden rechtvaardigen, maar die toch een impact zouden kunnen hebben op de uitvoering van het programma of op het juiste gebruik van de subsidie.
Voorbeelden hiervan zijn het vermogen van een organisatie van de civiele maatschappij om haar eigen bijdrage te leveren of de evolutie naar een ongunstige algemene financiële situatie die een aanzienlijk risico op misbruik van subsidies met zich meebrengt.
De doelstellingen van de Belgische Ontwikkelings-samenwerking worden hier begrepen in de zin van de artikelen van hoofdstuk 2 van de
wet van 19 maart 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/03/2013
pub.
12/04/2013
numac
2013015084
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking
type
wet
prom.
19/03/2013
pub.
29/03/2013
numac
2013024113
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Wet houdende diverse bepalingen inzake gezondheid
sluiten betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, maar ook in de zin van de prioriteiten bepaald in de Algemene Beleidsnota van de Minister die ontwikkelingssamenwerking in zijn bevoegdheden heeft.
Artikel 14 - tot wijziging van artikel 28 De toevoeging van een nieuwe paragraaf 4 aan artikel 28 heeft tot doel bij te dragen tot een vorm van gelijke behandeling tussen erkende organisaties van de civiele maatschappij, in een context waarin de beschikbare budgetten meestal en aanzienlijk lager zijn dan de vraag.
Bij de verdeling van de beschikbare budgetten is immers altijd op de één of andere manier rekening gehouden met de geschiedenis van de financiering die aan een erkende organisatie is toegekend, naast de beoordeling van de kwaliteit van haar programmavoorstel, met als doel zowel een redelijke groei als een rechtvaardige verdeling tussen alle erkende organisaties mogelijk te maken. Daarom lijkt het noodzakelijk om een duidelijk kader vast te stellen voor een voor het eerst erkende organisatie van de civiele maatschappij, die niet over een dergelijke staat van dienst beschikt en die haar uitvoeringscapaciteiten nog niet heeft kunnen aantonen, noch dat zij in staat is om de vereiste eigen inbreng effectief te mobiliseren.
Het bedrag van gemiddeld maximaal 1 miljoen euro per jaar is vastgesteld op basis van het gemiddelde budget dat in het verleden is aangevraagd door erkende middelgrote organisaties van de civiele maatschappij. Het wordt voldoende geacht om een nieuw erkende organisatie de kans te geven zich te bewijzen, zonder de verdeling van de beschikbare budgetten uit balans te brengen, wetende dat het werkelijke bedrag van de subsidie die zou worden aangevraagd altijd zal worden gecorreleerd met de capaciteit van deze organisatie v …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.