{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Niveau 2 : De exploitant past de oxidatiefactor toe die is aangegeven in de laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering. 1.2.1.2. Procesemissies : Procesemissies van CO2 afkomstig van het gebruik van carbonaat voor verwijdering van SO2 uit het rookgassen door middel van rookgasreiniging moeten worden berekend op basis van het aangekochte carbonaat (rekenmethode 1a ) of van het geproduceerde gips (rekenmethode 1b ). Deze twee rekenmethoden zijn gelijkwaardig. De berekening moet plaatsvinden als volgt : CO2-emissies [t] = activiteitsgegevens x emissiefactor waarin : Rekenmethode A : carbonaat De emissies worden berekend op basis van de hoeveelheid gebruikt carbonaat : a) Activiteitsgegevens : Niveau 1 : Massa [t] droog carbonaat als ingezet materiaal in het proces, jaarlijks gemeten door de exploitant, met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan +/- 7,5 %.b) Emissiefactor : Niveau 1 : De bij de conversie van carbonaten [t CO2/t droog carbonaat] toegepaste stoichiometrische verhouding is weergegeven in tabel 1 hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1 : Stoichiometrische emissiefactoren Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Rekenmethode B : gips De emissies worden berekend op basis van de hoeveelheid geproduceerd gips : a) Activiteitsgegevens : Niveau 1 : Massa droog gips (CaSO4 x 2H2O) als eindproduct van het proces, jaarlijks gemeten door de verwerker van het gips, met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan +/- 7,5 %.b) Emissiefactor : Niveau 1 : De stoichiometrische verhouding van gedroogd gips (CaSO4 x 2H2O) en CO2 in het proces bedraagt 0,2558 tCO2/t gips. 1.2.2. Meting van CO2-emissies : De richtsnoeren voor metingen van punt 11 van dit hoofdstuk moeten worden toegepast. 2. Speciefieke richtsnoeren betreffende de aardolieraffinaderijen 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grenzen en volledigheid De bewaking van CO2-emissies uit een installatie omvat alle emissies vanuit de verbrandings- en productieprocessen die in raffinaderijen voorkomen. Emissies vanuit processen die plaatsvinden in aangrenzende installaties van de chemische industrie die niet zijn opgenomen in artikel 1 van dit besluit en geen deel uitmaken van de raffinage, worden niet meegeteld. 2.2. Bepaling van CO2-emissies Potentiële bronnen van CO2-emissies zijn onder andere : a) Verbranding in het kader van energieactiviteiten : - Verwarmingsketels - Procesverhitters/-behandelingstoestellen - Verbrandingsmotoren/turbines - Inrichtingen voor katalytische en thermische oxidatie - Cokesroostovens - Brandbluspompen - Nood- en reservegeneratoren - Fakkels - Verbrandingsovens - Krakers b) Processen - Installaties voor de productie van waterstof - Katalytische regeneratie (afkomstig van katalytisch kraken en andere katalytische processen) - Verkooksers (flexicoking, \"delayed coking\"). 2.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekening van CO2-emissies 2.2.1.1. Verbrandingsemissies Verbrandingsemissies moeten worden bewaakt in overeenstemming met punt 1° van dit hoofdstuk. 2.2.1.2. Procesemissies Specifieke processen waaruit CO2-emissies voortkomen, zijn onder andere : 1. Katalytische-krakerregeneratie, andere katalysatorregeneratie en flexi-coking De cokes die zich als bijproduct van het kraakproces op de katalysator heeft verzameld, wordt in de regenerator verbrand om de activiteit van de katalysator te herstellen.Voor verdere raffinageprocessen is een katalysator nodig die moet worden geregenereerd, bijvoorbeeld door katalytisch reformeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De emissies worden berekend aan de hand van een materiaalbalans, rekening houdend met de samenstelling van de aangevoerde lucht en van het rookgas. Alle CO in het rookgas wordt in de balans opgevoerd als CO2 (6).</p>\n<p class=\"lf-p\">De analyse van de aangevoerde lucht en het rookgas en de keuze van het niveau vinden plaats overeenkomstig de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke berekeningsmethode moet door de bevoegde administratie worden goedgekeurd in het kader van de evaluatie van het monitoringplan en de daarin omschreven monitoringmethodiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 1 : Voor elke emissiebron dient een totale onzekerheid van de totale emissies over de verslagperiode van minder dan + 10 % te worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 : Voor elke emissiebron dient een totale onzekerheid van de totale emissies over de verslagperiode van minder dan + 7,5 % te worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 : Voor elke emissiebron dient een totale onzekerheid van de totale emissies over de verslagperiode van minder dan + 5 % te worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 4 : Voor elke emissiebron dient een totale onzekerheid van de totale emissies over de verslagperiode van minder dan + 2,5 % te worden bereikt. 2. Productie van raffinaderijwaterstof De uitgestoten CO2 is afkomstig van koolstof in de grondstof gas.De CO2-emissies moeten worden berekend op basis van de ingezette materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">CO2-emissies = activiteitsgegevensingezet materiaal x emissiefactor waarin : a) Activiteitsgegevens : Niveau 1 : De hoeveelheid in de verslagperiode verwerkte koolwaterstoffen [t grondstof], bepaald door volumemeting met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van + 7,5 %. Niveau 2 : De hoeveelheid in de verslagperiode verwerkte koolwaterstoffen [t grondstof], bepaald door volumemeting met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van + 2,5 %. b) Emissiefactor : Niveau 1 : Gebruik van een referentiewaarde van 2,9 tCO2 per t verbruikte grondstof. Niveau 2 : Gebruik van een specifieke emissiefactor [CO2/t grondstof] die is berekend op basis van het koolstofgehalte van de grondstof gas, bepaald in overeenstemming met punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. 2.2.2. Meting van CO2-emissies De richtsnoeren voor metingen van hoofdstuk I van deze bijlage moeten worden toegepast. 3. Specifieke richtsnoeren voor cokesovens 3.1. Grenzen en volledigheid Cokesovens kunnen deel uitmaken van staalfabrieken die technisch rechtstreeks zijn gekoppeld met sinterinstallaties en installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten, wat bij normaal bedrijf een intensieve uitwisseling van energie en materiaal (b.v. hoogovengas, cokesovengas, cokes) veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de vergunning voor de installatie van toepassing is op de gehele geïntegreerde staalfabriek en niet uitsluitend op de cokesoven, mogen de CO2-emissies ook met behulp van de massabalansmethode, zoals hierna gespecificeerd in punt 3.2.1.1, voor de staalfabriek als geheel worden bewaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer rookgasreiniging in de installatie wordt toegepast en de daaruit voortvloeiende emissies niet worden meegerekend als bestanddeel van de procesemissies van de installatie, moeten deze worden berekend in overeenstemming met hoofdstuk I van deze bijlage. 3.2. Bepaling van CO2-emissies In cokesovens zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronnen : - grondstoffen (steenkool of petroleumcokes) - conventionele brandstoffen (b.v. aardgas) - procesgassen (b.v. hoogovengas) - overige brandstoffen - rookgasreiniging. 3.2.1. Berekening van CO2-emissies Wanneer de cokesoven deel uitmaakt van een geïntegreerde staalfabriek, kan de exploitant emissies berekenen : a) voor de geïntegreerde staalfabriek als geheel, met behulp van de massabalansmethode, of b) voor de cokesoven als afzonderlijke activiteit van de geïntegreerde staalfabriek. 3.2.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Massabalansmethode Met de massabalansmethode moet alle koolstof in ingezette materialen, opeenhopingen, insluitingen in producten en afgevoerde materialen worden geanalyseerd om de CO2-emissies van broeikasgassen vanuit de installatie te omvatten, en wel door middel van de volgende vergelijking : CO2-emissies t [tCO2] = (ingezette materialen - producten - afgevoerde materialen - vooraadswisselingen) x conversiefactor CO2/C waarin : - ingezette materialen [tC] : alle koolstof die over de grenzen van de installatie binnenkomt. - Producten [tC] : alle koolstof in producten en materialen, inclusief bijproducten, die over de grenzen de massabalans verlaat. - Afgevoerde materialen [tC] : koolstof die wordt afgevoerd vanaf de grenzen van de massabalans, b.v. door lozen op de riolering, storten op de afvalstortplaats of verliezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de afgevoerde materialen behoren niet de CO2-emissies naar de atmosfeer. - Voorraadswisselingen [tC] : toename van de koolstofvoorraad binnen de grenzen van de installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekening moet dan als volgt plaatsvinden : CO2-emissies [tCO2] = (sigma (activiteitsgegevensingezette materialen x koolstofgehalte-ingezette materialen) - sigma (activiteitsgegevensproducten x koolstofgehalteproducten) - sigma (activiteitsgegevensafgevoerde materialen x koolstofgehalteafgevoerde materialen) - sigma (activiteitsgegevensvoorraadwijzigingen x koolstofgehaltevoorraadwijzigingen)) x 3,664 waarin : a) Activiteitsgegevens De exploitant moet voor alle relevante brandstoffen en materialen afzonderlijk de massastromen in en uit de installatie en bijbehorende voorraadswisselingen analyseren en rapporteren.Ingeval het koolstofgehalte van een massastroom gewoonlijk wordt gerelateerd aan de energie-inhoud (brandstoffen) is het de exploitant toegestaan om de relatie tussen koolstofgehalte en energie-inhoud [t C/TJ] voor de betrokken massastroom te bepalen en te gebruiken voor de berekening van de massabalans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 1 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 7,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 2,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 4 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 1,5 %. b) Koolstofgehalte Niveau 1 Het koolstofgehalte van de input- en outputstromen wordt afgeleid uit de standaardemissiefactoren voor brandstoffen of materialen die in punt 4 van hoofdstuk I van deze bijlage I of in de punten 3 tot 9 van dit hoofdstuk worden vermeld.Het koolstofgehalte wordt als volgt afgeleid : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Niveau 2 De exploitant past voor de brandstof of het materiaal in kwestie het specifieke koolstofgehalte toe dat is aangegeven in de laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 Het koolstofgehalte van een input- of outputstroom wordt afgeleid volgens de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage ten aanzien van de representatieve bemonstering van brandstoffen, producten en bijproducten en van de bepaling van het koolstofgehalte en de biomassafractie ervan. 3.2.1.2. Verbrandingsemissies Verbrandingsprocessen in cokesovens waar brandstoffen (b.v. cokes, steenkool en aardgas) niet als reduceermiddel worden gebruikt of niet afkomstig zijn van metallurgische reacties, moeten worden bewaakt en gerapporteerd in overeenstemming met hoofdstuk I van deze bijlage. 3.2.1.3. Procesemissies : Het proces levert als een van de eindmaterialen onder meer ruw cokesovengas op, dat veel koolstofhoudende componenten zoals kooldioxide (CO2), koolmonoxide (CO), methaan (CH4) en koolwaterstoffen (CxHy) bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale CO2-emissie uit cokesovens moet als volgt worden berekend : CO2-emissie [tCO2] = sigma (activiteitsgegevensINGEZETTE MATERIALEN x emissiefactorINGEZETTE MATERIALEN) - sigma (activiteitsgegevensEINDMATERIALEN x emissiefactorEINDMATERIALEN) waarin : a) Activiteitsgegevens De activiteitsgegevensINGEZETTEMATERIALEN kunnen bestaan uit steenkool als grondstof, cokesgruis, petroleumcokes, olie, hoogovengas, cokesovengas en dergelijke.De activiteitsgegevensEINDPRODUCT kunnen bestaan uit cokes, teer, lichte olie, cokesovengas en dergelijke. a1) Brandstof gebruikt als ingezet materiaal voor het proces Niveau 1 De massastroom van de brandstof in en uit de installatie wordt bepaald met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 7,5 %. Niveau 2 De massastroom van de brandstof in en uit de installatie wordt bepaald met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 De massastroom van de brandstof in en uit de installatie wordt bepaald met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 2,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 4 De massastroom van de brandstof in en uit de installatie wordt bepaald met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 1,5 %. a2) Calorische onderwaarde Niveau 1 Voor elke brandstof wordt de referentiewaarde gebruikt zoals aangegeven in punt 4 van hoofdstuk I van deze bijlage. Niveau 2 : De exploitant past voor elke brandstof de specifieke calorische onderwaarde toe die is aangegeven in de laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 : De exploitant laat de calorische onderwaarde van elke partij brandstof van een installatie meten en dit, in overeenstemming met de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. b) Emissiefactor Niveau 1 Gebruik voor de emissiefactoren de in punt 4 van hoofdstuk I van deze bijlage vermelde referentiewaarden. Niveau 2 De exploitant past voor elke brandstof de emissiefactor toe die is aangegeven in de laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 Specifieke emissiefactoren worden bepaald in overeenstemming met de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. 3.2.2. Meting van CO2-emissies : De richtsnoeren omschreven in de beide hoofdstukken van deze bijlage moeten worden toegepast. 4. Specifieke richtsnoeren voor roost- en sinterinstallaties voor metaalerts 4.1. Grenzen en volledigheid Roost- en sinterinstallaties voor metaalerts kunnen integraal deel uitmaken van staalfabrieken die technisch rechtstreeks zijn gekoppeld met cokesovens en installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten. Hiermee wordt bij normaal bedrijf een intensieve uitwisseling van energie en materiaal (b.v. hoogovengas, cokesovengas, cokes, kalksteen) veroorzaakt. Wanneer de vergunning voor de installatie van toepassing is op de gehele staalfabriek en niet uitsluitend op de roost- of sinterinstallatie, mogen de CO2-emissies ook voor de geïntegreerde staalfabriek als geheel worden bewaakt. In deze gevallen mag gebruik worden gemaakt van de massabalansmethode (zie punt 4.2.1.1 hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer rookgasreiniging in de installatie wordt toegepast en de daaruit voortvloeiende emissies niet worden meegerekend als bestanddeel van de procesemissies van de installatie, moeten deze worden berekend in overeenstemming met hoofdstuk I van deze bijlage. 4.2. Bepaling van CO2-emissies In roost- en sinterinstallaties voor metaalerts zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronnen : In roost-, sinter- of pelletiseerinstallaties voor metaalerts zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronnen : - grondstoffen (branden van kalksteen, dolomiet en ijzercarbonaaterts, b.v. FeCO3) - conventionele brandstoffen (aardgas en cokes/cokesbries) - procesgassen (b.v. cokesovengas en hoogovengas) - residu's van processen die worden gebruikt als uitgangsmateriaal inclusief gefilterd stof van de sinterinstallatie, de convertor en de hoogoven - overige brandstoffen - rookgasreiniging. 4.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekening van CO2-emissies Als een roost-, sinter- of pelletiseerinstallatie voor metaalerts deel uitmaakt van een geïntegreerde staalfabriek, kan de exploitant emissies berekenen : a) voor de geïntegreerde staalfabriek als geheel, met behulp van de massabalansmethode, of b) voor de roost-, sinter- of pelletiseerinstallatie als afzonderlijke activiteit van de geïntegreerde staalfabriek. 4.2.1.1. Massabalansmethode Met de massabalansmethode moet alle koolstof in ingezette materialen, opeenhopingen, insluitingen in producten en afgevoerde materialen worden geanalyseerd om de CO2-emissies van broeikasgassen vanuit de installatie te omvatten, en wel door middel van de volgende vergelijking : CO2 -emissies t [tCO2] = (ingezette materialen - producten - afgevoerde materialen - vooraadswisselingen) x conversiefactor CO2/C waarin : ? Ingezette materialen [tC] : alle koolstof die over de grenzen van de installatie binnenkomt. ? Producten [tC] : alle koolstof in producten en materialen, inclusief bijproducten, die over de grenzen de massabalans verlaat. ? Afgevoerde materialen [tC] : koolstof die wordt afgevoerd vanaf de grenzen van de massabalans, b.v. door lozen op de riolering, storten op de afvalstortplaats of verliezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de afgevoerde materialen behoren niet de CO2-emissies naar de atmosfeer. ? Voorraadswisselingen [tC] : toename van de koolstofvoorraad binnen de grenzen van de installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekening moet dan als volgt plaatsvinden : CO2-emissies [tCO2] = (sigma (activiteitsgegevensingezette materialen x koolstofgehalte-ingezette materialen) sigma (activiteitsgegevensproducten x koolstofgehalteproducten) - sigma (activiteitsgegevensafgevoerde materialen x koolstofgehalteafgevoerde materialen) - sigma (activiteitsgegevensvoorraadwijzigingen x koolstofgehaltevoorraadwijzigingen)) x 3,664 waarin : a) Activiteitsgegevens De exploitant moet voor alle relevante brandstoffen en materialen afzonderlijk de massastromen in en uit de installatie en bijbehorende voorraadswisselingen analyseren en rapporteren.Ingeval het koolstofgehalte van een massastroom gewoonlijk wordt gerelateerd aan de energie-inhoud (brandstoffen) is het de exploitant toegestaan om de relatie tussen koolstofgehalte en energie-inhoud [t C/TJ] voor de betrokken massastroom te bepalen en te gebruiken voor de berekening van de massabalans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 1 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 7,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 2,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 4 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 1,5 %. b) Koolstofgehalte Niveau 1 Het koolstofgehalte van de input- en outputstromen wordt afgeleid uit de standaardemissiefactoren voor brandstoffen of materialen die in punt 4 van hoofdstuk I van deze bijlage of in de punten 3 tot 9 van dit hoofdstuk worden vermeld.Het koolstofgehalte wordt als volgt afgeleid : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Niveau 2 De exploitant past voor de brandstof of het materiaal in kwestie het specifieke koolstofgehalte toe dat is aangegeven in de laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 Het koolstofgehalte van een input- of outputstroom wordt afgeleid volgens de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage ten aanzien van de representatieve bemonstering van brandstoffen, producten en bijproducten en van de bepaling van het koolstofgehalte en de biomassafractie ervan. 4.2.1.2. Verbrandingsemissies Verbrandingsprocessen in roost-, sinter- of pelletiseerinstallaties voor metaalerts waar brandstoffen niet als reduceermiddel worden gebruikt of niet afkomstig zijn van metallurgische reacties, moeten worden gemonitord en gerapporteerd in overeenstemming met hoofdstuk I van deze bijlage. 4.2.1.3. Procesemissies : Tijdens het roosten op de sinterband wordt er CO2 geëmitteerd uit de ingezette materialen, te weten het ruwe mengsel (gewoonlijk calciumcarbonaat), en uit hergebruikte residu's van processen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elk type ingezet materiaal dat wordt gebruikt, moet de hoeveelheid CO2 als volgt worden berekend : CO2-emissie = sigma (activiteitsgegevensingezettematerialen x emissiefactor x conversiefactor) a) Activiteitsgegevens Niveau 1 De hoeveelheden [t] carbonaat die worden gebruikt als ingezet materiaal [tCaCO3, tMgCO3 of tCaCO3-MgCO3] en residu's van processen die als uitgangsmateriaal in het proces worden hergebruikt, zoals gewogen door de exploitant, met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 5 %. Niveau 2 De hoeveelheden [t] carbonaat die worden gebruikt als ingezet materiaal [tCaCO3, tMgCO3 of tCaCO3-MgCO3] en residu's van processen die als uitgangsmateriaal in het proces worden hergebruikt, zoals gewogen door de exploitant, met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 2,5 %. b) Emissiefactor Niveau 1 Voor carbonaten worden de stoichiometrische verhoudingen van de volgende tabel 1 toegepast : Tabel 1 : Stoichiometrische emissiefactoren Emissiefactor CaCO3 0,440 tCO2/tCaCO3 MgCO3 0,522 tCO2/tMgCO3 FeCO3 0,380 tCO2/tFeCO3 Deze waarden moeten worden bijgesteld op grond van het vochtgehalte en het gehalte aan ganggesteente in de toegepaste carbonaten. Voor residu's van processen moeten de specifieke factoren worden bepaald volgens de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. c) Conversiefactor Niveau 1 Conversiefactor : 1 Niveau 2 Specifieke factoren worden bepaald in overeenstemming met de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage om de hoeveelheid koolstof in de geproduceerde sinter en in gefilterd stof te bepalen.Wanneer gefilterd stof in het proces wordt hergebruikt, mag de daarin aanwezige hoeveelheid koolstof niet worden meegeteld om dubbelstelling te voorkomen. 4.2.2. Meting van CO2-emissies De richtsnoeren omschreven in de beide hoofdstukken van deze bijlage moeten worden toegepast. 5. Specifieke richtsnoeren voor installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten 5.1. Grenzen en volledigheid De richtsnoeren in deze bijlage behandelen emissies van installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal, inclusief continugieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij hebben betrekking op primaire (hoogovens, oxystaaloven) en secundaire (elektrische vlamboogovens) staalproductie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten maken in het algemeen deel uit van staalfabrieken die technisch zijn gekoppeld met cokesovens en sinterinstallaties. Dit veroorzaakt bij normaal bedrijf een intensieve uitwisseling van energie en materiaal (bv. hoogovengas, cokesovengas, cokes, kalksteen). Wanneer de vergunning voor de installatie van toepassing is op de gehele staalfabriek en niet uitsluitend op de hoogoven, mogen de CO2-emissies ook voor de staalfabriek als geheel worden bewaakt. In dit geval mag gebruik worden gemaakt van de massabalansmethode, zoals beschreven in punt 5.2.1.1 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer rookgasreiniging in de installatie wordt toegepast en de daaruit voortvloeiende emissies niet worden meegerekend als bestanddeel van de procesemissies van de installatie, moeten deze worden berekend in overeenstemming met punt 1° van dit hoofdstuk. 5.2. Bepaling van CO2-emissies In installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronnen : - grondstoffen (branden van kalksteen, dolomiet en ijzercarbonaaterts, b.v. FeCO3) - conventionele brandstoffen (aardgas, steenkool en cokes) - reduceermiddelen (cokes, steenkool, kunststoffen, enz.) - procesgassen (cokesovengas, hoogovengas en oxystaalovengas) - intering van grafietelektroden - overige brandstoffen - rookgasreiniging. 5.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekening van CO2-emissies Wanneer de installatie voor de vervaardiging van ruwijzer en staal deel uitmaakt van een geïntegreerde staalfabriek, kan de exploitant emissies berekenen : a) voor de geïntegreerde staalfabriek als geheel, met behulp van de massabalansmethode, of b) van de installatie voor de vervaardiging van ruwijzer en staal als afzonderlijke activiteit van de geïntegreerde staalfabriek. 5.2.1.1. Massabalansmethode Met de massabalansmethode moet alle koolstof in ingezette materialen, opeenhopingen, insluitingen in producten en afgevoerde materialen worden geanalyseerd om de CO2-emissies van broeikasgassen vanuit de installatie te omvatten, en wel door middel van de volgende vergelijking : CO2-emissies [tCO2] = (ingezette materialen - producten - afgevoerde materialen - vooraadswisselingen) x conversiefactor CO2/C waarin : - Ingezette materialen [tC] : alle koolstof die over de grenzen van de installatie binnenkomt - Producten [tC] : alle koolstof in producten en materialen, inclusief bijproducten, die over de grenzen de massabalans verlaat. - Afgevoerde materialen [tC] : koolstof die wordt afgevoerd vanaf de grenzen van de massabalans, b.v. door lozen op de riolering, storten op de afvalstortplaats of verliezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de afgevoerde materialen behoren niet de CO2-emissies naar de atmosfeer. - Voorraadswisselingen [tC] : toename van de koolstofvoorraad binnen de grenzen van de installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekening moet dan als volgt plaatsvinden : CO2-emissies [tCO2] = (sigma (activiteitsgegevensingezette materialen x koolstofgehalte-ingezette materialen) - sigma (activiteitsgegevensproducten x koolstofgehalteproducten) - sigma (activiteitsgegevensafgevoerde materialen x koolstofgehalteafgevoerde materialen) - sigma (activiteitsgegevensvoorraadwijzigingen x koolstofgehaltevoorraadwijzigingen)) x 3,664 waarin : a) Activiteitsgegevens De exploitant moet voor alle relevante brandstoffen en materialen afzonderlijk de massastromen in en uit de installatie en bijbehorende voorraadswisselingen analyseren en rapporteren.Ingeval het koolstofgehalte van een massastroom gewoonlijk wordt gerelateerd aan de energie-inhoud (brandstoffen) is het de exploitant toegestaan om de relatie tussen koolstofgehalte en energie-inhoud [t C/TJ] voor de betrokken massastroom te bepalen en te gebruiken voor de berekening van de massabalans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 1 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 7,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 2,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 4 De activiteitsgegevens over de verslagperiode worden bepaald met een maximale onzekerheid van + 1,5 %. b) Koolstofgehalte Niveau 1 Het koolstofgehalte van de input- en outputstromen wordt afgeleid uit de standaardemissiefactoren voor brandstoffen of materialen die in punt 4 van hoofdstuk I van deze bijlage of in de punten 3 tot 9 van dit hoofdstuk worden vermeld.Het koolstofgehalte wordt als volgt afgeleid : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Niveau 2 De exploitant past voor de brandstof of het materiaal in kwestie het specifieke koolstofgehalte toe dat is aangegeven in de laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 Het koolstofgehalte van een input- of outputstroom wordt afgeleid volgens de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage ten aanzien van de representatieve bemonstering van brandstoffen, producten en bijproducten en van de bepaling van het koolstofgehalte en de biomassafractie ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het koolstofgehalte van producten of halffabrikaten kan worden bepaald op basis van jaarlijkse analyses volgens de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage, dan wel worden afgeleid uit de gemiddelde samenstellingsgegevens die in de desbetreffende internationale of nationale normen zijn gespecificeerd. 5.2.1.2. Verbrandingsemissies Verbrandingsprocessen in installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten waar brandstoffen (b.v. cokes, steenkool en aardgas) niet als reduceermiddel worden gebruikt of niet afkomstig zijn van metallurgische reacties, moeten worden bewaakt en gerapporteerd in overeenstemming met hoofdstuk I van deze bijlage. 5.2.1.3. Procesemissies De totale CO2-emissies van installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten, moeten als volgt worden berekend : CO2-emissie [tCO2] = sigma (activiteitsgegevensINGEZETTE MATERIALEN x emissiefactorINGEZETTE MATERIALEN) - sigma (activiteitsgegevensEINDMATERIALEN x emissiefactorEINDMATERIALEN) a) Activiteitsgegevens a1) Massastromen Niveau 1 De massastroom van de brandstof in en uit de installatie wordt bepaald met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 7,5 %. Niveau 2 De massastroom van de brandstof in en uit de installatie wordt bepaald met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 De massastroom van de brandstof in en uit de installatie wordt bepaald met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 2,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 4 De massastroom van de brandstof in en uit de installatie wordt bepaald met behulp van meetinrichtingen met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 1,5 %. a2) Calorische onderwaarde (indien van toepassing) Niveau 1 Voor elke brandstof wordt de referentiewaarde gebruikt zoals aangegeven in punt 4 van hoofdstuk I van deze bijlage. Niveau 2 De exploitant past voor elke brandstof de specifieke calorische waarden toe die is aangegeven in de laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 De exploitant laat de calorische onderwaarde van elke partij brandstof van een installatie meten en dit, in overeenstemming met de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. b) Emissiefactor De emissiefactor voor de activiteitsgegevensEINDMATERIALEN heeft betrekking op de hoeveelheid koolstof die niet in de vorm van CO2 in het eindmateriaal aanwezig is, en wordt uitgedrukt als tCO2/t eindmaterialen om de vergelijkbaarheid te vergroten. Niveau 1 Toepassing van de referentiewaarden van de emissiefactoren voor ingezet materiaal en eindmateriaal van het proces vermeld in de onderstaande tabellen 1 en 2 alsook de emissiefactoren goedgekeurd door het Waalse Gewest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1 : Referentiewaarden voor de emissiefactoren Emissiefactor Bron van de emissiefactor CaCO3 0,44 t CO2/t CaCO3 Stoichiometrische verhouding CaCO3-MgCO3 0,477 t CO2/t CaCO3-MgCO3 Stoichiometrische verhouding FeCO3 0,380 t CO2/t FeCO3 Stoichiometrische verhouding Sponsijzer (Direct Reduced Iron, DRI) 0,07 t CO2/t IPCC-richtsn. 2006 Koolstofelektroden voor vlamboogovens 3,00 t t CO2/t elektroden IPCC-RICHTSN. 2006 Charge-koolstof voor vlamboogovens 3,04 t CO2/t IPCC-RICHTSN. 2006 Warm gebriketteerd ijzer 0,07 t CO2/t IPCC-RICHTSN. 2006 Gas van oxystaalovens 1,28 t CO2/t IPCC-RICHTSN. 2006 Petroleumcokes 3,19 t CO2/t IPCC-RICHTSN. 2006 Aangekocht ruwijzer 0,15 t CO2/t IPCC-RICHTSN. 2006 Schrootijzer 0,15 t CO2/t IPCC-RICHTSN. 2006 Staal 0,04 t CO2/t IPCC-RICHTSN. 2006 Niveau 2 De exploitant past voor elke brandstof de emissiefactor toe die door de lidstaat is aangegeven in de laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 Specifieke emissiefactoren (tCO2/tINGEZETTEMATERIALEN of tEINDMATERIALEN) voor ingezettematerialen en eindmaterialen, ontwikkeld in overeenstemming met de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I. van deze bijlage. 5.2.2. Meting van CO2-emissies : De richtsnoeren omschreven in de beide hoofdstukken van deze bijlage moeten worden toegepast. 6. Specifieke richtsnoeren voor installaties voor de bereiding van cementklinker 6.1. Grenzen en volledigheid Er zijn geen specifieke aspecten betreffende grenzen van toepassing. 6.2. Bepaling van CO2-emissies De CO2-emissies uit installaties voor de bereiding van cementklinker zijn afkomstig van de volgende bronnen : - het branden van kalksteen in de grondstoffen - conventionele fossiele brandstoffen voor ovens - alternatieve brandstoffen en grondstoffen voor ovens op fossiele basis - biobrandstoffen voor ovens (biomassa-afval) - niet voor ovens gebruikte brandstoffen - organische-koolstofgehalte van kalksteen en leisteen - rookgasreiniging. 6.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekening van CO2-emissies 6.2.1.1. Verbrandingsemissies Verbrandingsprocessen in installaties voor de bereiding van cementklinker waarbij verschillende soorten brandstoffen zijn betrokken (b.v. steenkool, petroleumcokes, stookolie, aardgas en een scala van afvalbrandstoffen), moeten worden gemonitord en gerapporteerd in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk I van deze bijlage. 6.2.1.2. Procesemissies : Procesemissies van CO2 worden veroorzaakt door het branden van carbonaten in de grondstoffen die gebruikt worden bij de productie van klinkers (6.2.1.2.1), door het gedeeltelijk of geheel branden van cementovenstof of bypass-stof dat vrijkomt bij het proces (6.2.1.2.2) en in sommige gevallen door niet-carbonaatkoolstof die aanwezig is in de grondstoffen (punt 6.2.1.2.3). 6.2.1.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">CO2-emissies afkomstig van de bereiding van cementklinker Emissies moeten worden berekend op basis van het carbonaatgehalte in de ingezette materialen (rekenmethode A) of van de geproduceerde hoeveelheid klinker (rekenmethode B). Beide methoden worden als gelijkwaardig beschouwd en kunnen door de exploitant in combinatie worden gebruikt om met de resultaten van de ene methode de resultaten van de andere te valideren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekenmethode A : Op basis van de in de oven ingezette materialen De berekening moet plaatsvinden op basis van het carbonaatgehalte in de ingezette materialen (met inbegrip van vliegas of hoogovenslakken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij worden cementovenstof (CKD) en bypass-stof afgetrokken van het verbruik van grondstoffen en worden de daarmee samenhangende emissies berekend volgens punt 6.2.1.2.2. ingeval CKD en bypass-stof het ovensysteem verlaten. Niet-carbonaatkoolstof is in deze methode al meegenomen, waardoor punt 6.2.1.2.3 niet van toepassing is. De CO2 moet met behulp van de volgende formule worden berekend : CO2clinker-emissie = S {activiteitsgegevens x emissiefactor x conversiefactor) waarin : a) Activiteitsgegevens Tenzij de grondstof als zodanig is gekarakteriseerd, gelden deze voorschriften afzonderlijk voor elk relevant koolstofhoudend materiaal (behalve brandstoffen) dat in de oven wordt ingezet, b.v. kalksteen of leisteen, waarbij dubbeltelling of omissie van in het proces teruggevoerd materiaal of bypassmateriaal moet worden vermeden. De hoeveelheid grondstof kan worden bepaald door middel van een locatiespecifieke empirische verhouding tussen grondstof en klinker, die minstens eenmaal per jaar moet worden geactualiseerd met inachtneming van richtsnoeren voor de beste industriële praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 1 De nettohoeveelheid relevant ingezet materiaal [t] die tijdens de verslagperiode is verbruikt, wordt bepaald met een maximale meetonzekerheid van minder dan + 7,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 De nettohoeveelheid relevant ingezet materiaal dat tijdens de verslagperiode is verbruikt, wordt bepaald met een maximale meetonzekerheid van minder dan + 5,0 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 De nettohoeveelheid relevant ingezet materiaal dat tijdens de verslagperiode is verbruikt, wordt bepaald met een maximale meetonzekerheid van minder dan + 2,5 %. b) Emissiefactor De emissiefactoren worden berekend en gerapporteerd in massaeenheden vrijkomend CO2 per ton van elk relevant ingezet materiaal.Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in onderstaande tabel 1 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 1 De bepaling van de hoeveelheid relevante carbonaten, met inbegrip van CaCO3 en MgCO3, in elk relevant ingezet materiaal geschiedt overeenkomstig punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. Dit kan gebeuren door middel van thermo-gravimetrische methoden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1 : Stoichiometrische emissiefactoren Stof Emissiefactor CaCO3 0,440 [tCO2/tCaCO3] MgCO3 0,522 [tCO2/tMgCO3] FeCO3 0,380 [tCO2/tFeCO3] C 3,664 [tCO2/tC]</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Conversiefactor : Niveau 1 Conversiefactor : 1 Niveau 2 Carbonaten en andere koolstof die de oven verlaten in de klinker worden in aanmerking genomen d.m.v. een conversiefactor met een waarde tussen 0 en 1. De exploitant mag uitgaan van volledige conversie voor één of meerdere ingezette materialen en de ongeconverteerde carbonaten of andere koolstof toekennen aan de resterende ingezette materialen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van de producten geschiedt overeenkomstig punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekenmethode B : geproduceerde klinker Deze rekenmethode berust op de hoeveelheid geproduceerde klinker. De CO2 moet met behulp van de volgende formule worden berekend : CO2clinker-emissie = activiteitsgegevens x emissiefactor x conversiefactor Er moet rekening worden gehouden met de CO2 die vrijkomt bij het branden van cementovenstof en bypass-stof voor installaties waar dit stof het ovensysteem verlaat (zie punt 6.2.1.2.2.), samen met mogelijke emissies van niet-carbonaatkoolstof in de grondstof (zie punt 6.1.2.3). Emissies van de klinkerproductie en van cementovenstof en bypass-stof en niet-carbonaatkoolstof in de ingezette materialen worden afzonderlijk berekend en opgeteld om te komen tot de totale emissie : CO2-emissiestotaal proces [t] = CO2-emissiesklinker [t] + CO2-emissiesstof [t] + CO2-emissiesniet-carbonaatkoolstof Emissies met betrekking tot de geproduceerde klinker a) Activiteitsgegevens : De klinkerproductie [t] in de verslagperiode wordt ofwel bepaald : - door directe weging van de klinker, ofwel - op basis van cementleveringen volgens de volgende formule (in de materiaalbalans wordt rekening gehouden met aan- en afvoer van klinker alsmede met wijzigingen in de klinkervoorraad) : geproduceerde klinker [t] = ((cementleveringen [t] - wijzigingen in de cementvoorraad [t])* verhouding klinker/cement [t klinker/t cement]) - (aanvoer van klinker [t]) + (afvoer van klinker [t]) - (wijzigingen in de klinkervoorraad [t]) De verhouding tussen cement en klinker wordt ofwel voor elk van de verschillende cementproducten afgeleid op grond van het bepaalde in punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage, ofwel berekend op basis van het verschil tussen cementleveringen en voorraadwijzigingen en alle materialen die zijn gebruikt als toegevoegde materialen bij de cement, met inbegrip van bypass-stof en cementovenstof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 1 De hoeveelheid geproduceerde klinker [t] in de verslagperiode wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van minder dan + 5,0 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 De hoeveelheid geproduceerde klinker [t] in de verslagperiode wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van minder dan + 2,5 %. b) Emissiefactor : Niveau 1 Emissiefactor : 0,525 tCO2/t klinker Niveau 2 De exploitant past de specifieke emissiefactor toe die is aangegeven in de laatste nationale inventaris, zoals overgelegd aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering. Niveau 3 De bepaling van de hoeveelheid CaO en MgO in het product geschiedt volgens de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in tabel 2 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt, waarbij ervan wordt uitgegaan dat alle CaO en MgO is afgeleid uit de respectieve carbonaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 2 : Stoichiometrische emissiefactoren voor CaO en MgO (nettoproductie) Oxiden Emissiefactor CaO 0,785 [tCO2/CaO] MgO 1,092 [tCO2/MgO]</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Conversiefactor : Niveau 1 Conversiefactor : 1 Niveau 2 De hoeveelheid (niet-carbonaat-) CaO en MgO in de grondstoffen wordt weergegeven d.m.v. conversiefactoren met een waarde tussen 0 en 1, waarbij waarde 1 staat voor volledige conversie van de carbonaten in de grondstof in oxiden. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van de grondstoffen geschiedt overeenkomstig punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. Dit kan gebeuren door middel van thermo-gravimetrische methoden. 6.2.1.2.2. Emissies met betrekking tot verwijderd stof CO2 van bypass-stof of cementovenstof (CKD) dat het ovensysteem verlaat, moet worden berekend op basis van de hoeveelheid stof die het ovensysteem verlaat en de emissiefactor voor klinker, bijgesteld voor het gedeeltelijk branden van CKD.</div>\n<p class=\"lf-p\">De emissies moeten als volgt worden berekend : CO2-emissiesstof = activiteitsgegevens x emissiefactor waarin : a) Activiteitsgegevens : Niveau 1 De hoeveelheid cementovenstof (CKD) of bypass-stof (in voorkomend geval) die het ovensysteem in een verslagperiode verlaat, wordt geschat overeenkomstig de richtsnoeren voor de beste industriële praktijk. Niveau 2 De hoeveelheid cementovenstof (CKD) of bypass-stof (in voorkomend geval) die het ovensysteem in een verslagperiode verlaat, wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van minder dan + 7,5 % b) Emissiefactor : Niveau 1 Gebruik van de referentiewaarde van 0,525 tCO2 per ton klinker, ook voor cementovenstof (CKD) of bypass-stof dat het ovensysteem verlaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 De emissiefactor [tCO2/t] voor cementovenstof of bypass-stof dat het ovensysteem verlaat, wordt berekend op basis van de mate waarin het stof is gebrand en de samenstelling ervan. De mate waarin het stof is gebrand en de samenstelling ervan moeten minstens eenmaal per jaar bepaald worden overeenkomstig punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhouding tussen de mate waarin het cementovenstof is gebrand en de CO2-emissies per ton cementovenstof is niet lineair. Ter benadering wordt de volgende formule gebruikt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld waarin : EFCKD = emissiefactor van gedeeltelijk gebrand cementovenstof [tCO2/t (CKD)] EFCli = voor de installatie specifieke emissiefactor van klinker ([CO2/t klinker] d = mate waarin het cementovenstof is gebrand (uitgestoten CO2 als totaal carbonaat in het ruwe mengsel) 6.2.1.2.3. Emissies van niet-carbonaatkoolstof in de grondstof Emissies van niet-carbonaatkoolstof in kalksteen, leisteen of alternatieve grondstoffen (b.v. vliegas) die gebruikt zijn in de grondstof voor de oven, moeten worden bepaald met behulp van de volgende formule : CO2-emissies niet-carbonaat grondstof = activiteitsgegevens * emissiefactor * conversiefactor waarin a) Activiteitsgegevens Niveau 1 De hoeveelheid relevante grondstof die verbruikt is in de verslagperiode wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van minder dan + 15 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 De hoeveelheid relevante grondstof die verbruikt is in de verslagperiode wordt afgeleid met een maximale onzekerheid van minder dan + 7,5 %. b) Emissiefactor Niveau 1 Het gehalte niet-carbonaatkoolstof in de relevante grondstof wordt geschat op grond van richtsnoeren voor de beste industriële praktijk. Niveau 2 Het gehalte niet-carbonaatkoolstof in de relevante grondstof wordt minstens eenmaal per jaar bepaald overeenkomstig punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. c) Conversiefactor Niveau 1 Conversiefactor : 1,0. Niveau 2 De conversiefactor wordt berekend op grond van de beste industriële praktijk. 6.2.2. Meting van CO2-emissies : De richtsnoeren voor metingen van hoofdstuk I van deze bijlage moeten worden toegepast. 7. 7.Specifieke richtsnoeren voor installaties voor de bereiding van kalk 7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grenzen en volledigheid Er zijn geen specifieke aspecten betreffende grenzen van toepassing. 7.2. Bepaling van CO2-emissies In installaties voor de bereiding van kalk zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronnen : - het branden van kalksteen en dolomiet in de grondstoffen - conventionele fossiele brandstoffen voor ovens - alternatieve brandstoffen en grondstoffen voor ovens op fossiele basis - biobrandstoffen voor ovens (biomassa-afval) - overige brandstoffen. 7.2.1. Berekening van CO2-emissies 7.2.1.1. Verbrandingsemissies Verbrandingsprocessen in installaties voor de bereiding van kalk waarbij verschillende soorten brandstoffen zijn betrokken (b.v. steenkool, petroleumcokes, stookolie, aardgas en een scala van afvalbrandstoffen), moeten worden gemonitord en gerapporteerd in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk I van deze bijlage. 7.2.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesemissies Relevante emissies ontstaan tijdens het branden en door de oxidatie van organische koolstof in de grondstoffen. Tijdens het branden in de oven komt CO2 uit de carbonaten in de grondstoffen vrij. De hoeveelheid CO2 die bij het branden wordt uitgestoten, is rechtstreeks gekoppeld met de kalkbereiding. Op installatieniveau kan dit bij het branden vrijgekomen CO2 op twee manieren worden berekend : op basis van de hoeveelheid carbonaten in de grondstof (voornamelijk kalksteen en dolomiet) die in het proces wordt omgezet (rekenmethode A), of op basis van de hoeveelheid alkalioxiden in de geproduceerde kalk (rekenmethode B). Beide werkwijzen worden als gelijkwaardig beschouwd en kunnen door de exploitant in combinatie worden gebruikt om met de resultaten van de ene methode de resultaten van de andere te valideren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekenmethode A : carbonaten De emissies worden berekend op basis van de hoeveelheid gebruikt carbonaat. Voor de berekening moet de volgende formule worden toegepast : CO2-[tCO2] emissie = sigma {activiteitsgegevensingezettematerialen x emissiefactor x conversiefactor} waarin : a) Activiteitsgegevens Deze voorschriften gelden afzonderlijk voor elk van de relevante ingezette materialen (behalve brandstoffen) dat in de oven wordt ingezet b.v. krijt of kalksteen, waarbij dubbeltelling of omissie van in het proces teruggevoerd materiaal of bypassmateriaal moet worden vermeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 1 De hoeveelheid relevant ingezet materiaal [t] die is verbruikt tijdens de verslagperiode, wordt door de exploitant bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 7,5 % Niveau 2 De hoeveelheid relevant ingezet materiaal [t] die is verbruikt tijdens de verslagperiode, wordt door de exploitant bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 5,0 % Niveau 3 De hoeveelheid relevant ingezet materiaal [t] die is verbruikt tijdens de verslagperiode, wordt door de exploitant bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 2,5 % b) Emissiefactor Niveau 1 De emissiefactoren worden berekend en gerapporteerd in massa-eenheden vrijkomend CO2 per ton van elk relevant ingezet materiaal, uitgaand van volledige conversie.Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in onderstaande tabel 1 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling van de hoeveelheid CaCO3, MgCO3 en organische koolstof (waar relevant) in de diverse ingezette materialen geschiedt overeenkomstig punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1 : Stoichiometrische emissiefactoren Carbonaat Emissiefactor [t tCO2/tCa-, Mg- of ander carbonaat] CaCO3 0,440 MgCO3 0,522</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Conversiefactor Niveau 1 Conversiefactor : 1 Niveau 2 Carbonaten die de oven verlaten in de kalk worden in aanmerking genomen d.m.v. een conversiefactor met een waarde tussen 0 en 1. De exploitant mag uitgaan van volledige conversie voor één of meerdere ingezette materialen en de ongeconverteerde carbonaten toekennen aan de resterende ingezette materialen. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van de producten gebeurt overeenkomstig hoofdstuk I van deze bijlage.</div>\n<p class=\"lf-p\">Rekenmethode B : aardalkalioxiden De hoeveelheid CO2 moet worden berekend op basis van de hoeveelheden van CaO, MgO en andere alkali- of aardalkalioxiden in de bereide kalk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reeds gebrand Ca en Mg dat de oven in gaat, bijvoorbeeld in de vorm van vliegas of alternatieve brandstoffen, en grondstoffen met een relevant CaO- of MgO-gehalte, moeten in aanmerking worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening moet de volgende formule worden toegepast : CO2[tCO2]-emissie = sigma {activiteitsgegevensEINDMATERIALEN x emissiefactor x conversiefactor} waarin : a) Activiteitsgegevens Niveau 1 De hoeveelheid kalk [t] die is geproduceerd tijdens de verslagperiode, wordt door de exploitant bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 5,0 %. Niveau 2 De hoeveelheid kalk [t] die is geproduceerd tijdens de verslagperiode, wordt door de exploitant bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 2,5 %. b) Emissiefactor Niveau 1 De bepaling van de hoeveelheid CaO en MgO in het product geschiedt volgens de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in tabel 2 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt, waarbij ervan wordt uitgegaan dat alle CaO en MgO is afgeleid uit de respectieve carbonaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 2 : Stoichiometrische emissiefactoren Carbonaat Emissiefactor [t tCO2/tCa-, Mg- of ander oxide] CaO 0,785 MgO 1,092</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Conversiefactor Niveau 1 Conversiefactor : 1 Niveau 2 De hoeveelheid CaO en MgO die zich reeds in de grondstoffen bevindt, wordt weergegeven d.m.v. conversiefactoren met een waarde tussen 0 en 1, waarbij waarde 1 staat voor volledige conversie van de carbonaten in de grondstof in oxiden. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van de grondstoffen geschiedt overeenkomstig punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. 7.2.2. Meting van CO2-emissies : De richtsnoeren voor metingen van hoofdstuk I van deze bijlage moeten worden toegepast. 8. Specifieke richtsnoeren voor installaties voor de vervaardiging van glas 8.1. Grenzen en volledigheid Wanneer rookgasreiniging in de installatie wordt toegepast en de daaruit voortvloeiende emissies niet worden meegerekend als bestanddeel van de procesemissies van de installatie, moeten deze worden berekend in overeenstemming met hoofdstuk I van deze bijlage.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze bijlage is eveneens van toepassing voor installaties voor de productie van waterglas en steenwol. 8.2. Bepaling van CO2-emissies In installaties voor de vervaardiging van glas zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende bronnen : - het smelten van alkali- of aardalkalicarbonaten in de grondstof - conventionele fossiele brandstoffen voor ovens - alternatieve brandstoffen en grondstoffen voor ovens op fossiele basis - biobrandstoffen voor ovens (biomassa-afval) - overige brandstoffen - koolstofhoudende toeslagmaterialen, met inbegrip van cokes en kolengruis - rookgasreiniging 8.2.1. Berekening van CO2-emissies 8.2.1.1. Verbrandingsemissies Verbrandingsprocessen in installaties voor de vervaardiging van glas moeten worden bewaakt en gerapporteerd in overeenstemming met hoofdstuk I van deze bijlage. 8.2.1.2. Procesemissies : Tijdens het smelten in de oven komt CO2 vrij uit carbonaten in de grondstoffen en ook bij het neutraliseren van HF, HCl en SO2 in de rookgassen met behulp van kalksteen of andere carbonaten. Emissies afkomstig van de ontbinding van carbonaten tijdens het smeltproces en van de rookgasreiniging moeten beide worden gezien als bestanddeel van de emissies vanuit de installatie. Deze moeten bij de totale emissie worden opgeteld, maar indien mogelijk wel afzonderlijk worden gerapporteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoeveelheid CO2 die bij het smelten in de oven uit carbonaten in de grondstoffen vrijkomt, is rechtstreeks gekoppeld met de glasproductie en moet worden berekend op basis van de in het proces omgezette hoeveelheid carbonaten - voornamelijk soda, kalk/kalksteen, dolomiet en andere alkali- of aardalkalicarbonaten, aangevuld met carbonaatvrij kringloopglas (scherven).</p>\n<p class=\"lf-p\">De emissies worden berekend op basis van de hoeveelheid gebruikt carbonaat. Voor de berekening moet de volgende formule worden toegepast : CO2 [tCO2] emissies= sigma {activiteitsgegevens x emissiefactor} + sigma {toeslagmateriaal x emissiefactor} waarin : a) Activiteitsgegevens De activiteitsgegevens zijn de hoeveelheid [t]CaCO3, MgCO3, Na2CO3, BaCO3 of andere alkali- of aardalkalicarbonaten in grondstoffen (soda, kalk/kalksteen, dolomiet) die in de verslagperiode wordt verwerkt, alsmede de hoeveelheid koolstofhoudende toeslagmaterialen. Niveau 1 De totale massa [t] van de carbonaatgrondstoffen of koolstofhoudende toegevoegde materialen die zijn verbruikt tijdens de verslagperiode wordt door de exploitant per type grondstof bepaald met een maximale onzekerheid van + 2,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 De totale massa [t] van de carbonaatgrondstoffen of koolstofhoudende toegevoegde materialen die zijn verbruikt tijdens de verslagperiode wordt door de exploitant per type grondstof bepaald met een maximale onzekerheid van + 1,5 %. b) Emissiefactor Carbonaten : De emissiefactoren worden berekend en gerapporteerd in massa-eenheden vrijkomend CO2 per ton van elke carbonaatgrondstof.Voor de omrekening van de samenstellingsgegevens in emissiefactoren worden de in onderstaande tabel 1 vermelde stoichiometrische verhoudingen gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 1 De zuiverheid van relevante ingezette materialen wordt bepaald overeenkomstig de beste industriële praktijk. De verkregen waarden moeten worden bijgesteld op grond van het vochtgehalte en het gehalte aan ganggesteente in de toegepaste carbonaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 De bepaling van de hoeveelheid relevante carbonaten in elk relevant ingezet materiaal geschiedt overeenkomstig de bepalingen van punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1 : Stoichiometrische emissiefactoren Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 8.2.2. Meting van CO2-emissies : De richtsnoeren voor metingen van hoofdstuk I van deze bijlage moeten worden toegepast. 9. Specifieke richtsnoeren voor installaties voor de vervaardiging van keramische producten 9.1. Grenzen en volledigheid Er zijn geen specifieke aspecten betreffende grenzen van toepassing. 9.2. Bepaling van CO2-emissies In installaties voor de vervaardiging van keramische producten zijn de CO2-emissies afkomstig van de volgende emissiebronnen en bronstromen : - conventionele fossiele brandstoffen voor ovens - alternatieve brandstoffen voor ovens op fossiele basis - biobrandstoffen voor ovens - het branden van kalksteen/dolomiet en andere carbonaten in de grondstof - kalksteen en andere carbonaten voor het reduceren van luchtverontreinigende stoffen en andere rookgasreiniging - fossiele of uit biomassa verkregen toegevoegde materialen ter bevordering van poreusheid, b.v. polystyrol, reststoffen van papierproductie of zaagsel - fossiel organisch materiaal in de klei en andere grondstoffen. 9.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekening van CO2-emissies 9.2.1.1. Verbrandingsemissies Verbrandingsprocessen in installaties voor de vervaardiging van keramische producten moeten worden bewaakt en gerapporteerd in overeenstemming met hoofdstuk I van deze bijlage. 9.2.1.2. Procesemissies : CO2 komt vrij tijdens het branden van de grondstoffen in de oven en bij de oxidatie van organisch materiaal in de klei en de toegevoegde materialen, alsook bij het neutraliseren van HF, HCl en SO2 in de rookgassen met behulp van kalksteen of andere carbonaten. Emissies afkomstig van de ontbinding van carbonaten en de oxidatie van organisch materiaal in de oven en van rookgasreiniging maken allemaal deel uit van de emissies van de installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze moeten bij de totale emissie worden opgeteld, maar indien mogelijk wel afzonderlijk worden gerapporteerd. De berekening moet als volgt worden uitgevoerd : CO2-emissiestotaal [t]= CO2-emissies ingezet materiaal [t]+ CO2-emissiesreiniging [t] 9.2.1.2.1. CO2 emissies afkomstig van grondstoffen De hoeveelheid CO2 afkomstig van carbonaten en van koolstof in andere uitgangsmaterialen moet worden berekend op basis van de in het proces omgezette hoeveelheid carbonaten in de grondstof (voornamelijk kalksteen, dolomiet) (rekenmethode A), of op basis van de hoeveelheid alkalioxiden in de vervaardigde keramische producten (rekenmethode B).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide werkwijzen worden als gelijkwaardig beschouwd voor keramische producten op basis van gezuiverde of synthetische klei. Rekenmethode A moet worden toegepast voor keramische producten op basis van onbewerkte klei, alsook bij gebruik van klei of toegevoegd materiaal met een aanzienlijk organisch gehalte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekenmethode A : Koolstofinputs De berekening is gebaseerd op de koolstofinput (organisch en anorganisch) via elk van de relevante grondstoffen (verschillende types klei, kleimengsels of toegevoegde materialen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwarts/kwartsglas, veldspaat, kaolien en mineraaltalk zijn gewoonlijk geen noemenswaardige koolstofbronnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteitsgegevens, de emissiefactor en de conversiefactor moeten betrekking hebben op dezelfde toestand van het materiaal, bij voorkeur de droge toestand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening moet de volgende formule worden toegepast : CO2-emissies [tCO2] = sigma {activiteitsgegevens * emissiefactor * conversiefactor} a) Activiteitsgegevens Deze voorschriften gelden afzonderlijk voor elk van de relevante koolstofhoudende grondstoffen (behalve brandstoffen), b.v. klei of toegevoegd materiaal, waarbij dubbeltelling of omissie van in het proces teruggevoerd materiaal of bypassmateriaal moet worden vermeden Niveau 1 De hoeveelheid van elke relevante grondstof of toegevoegd materiaal [t] die is verbruikt tijdens de verslagperiode (met uitzondering van verliezen), wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 7,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 De hoeveelheid van elke relevante grondstof of toegevoegd materiaal [t] die is verbruikt tijdens de verslagperiode (met uitzondering van verliezen), wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 5,0 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 De hoeveelheid van elke relevante grondstof of toegevoegd materiaal [t] die is verbruikt tijdens de verslagperiode (met uitzondering van verliezen), wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 2,5 %. b) Emissiefactor Een geaggregeerde emissiefactor die organische en organische koolstof omvat (\"totale koolstof\") mag toegepast worden voor elke bronstroom (d.w.z. een relevant grondstoffenmengsel of toegevoegd materiaal). Er kunnen ook twee verschillende emissiefactoren worden toegepast voor \"totale anorganische koolstof\" en \"totale organische koolstof\" voor elke bronstroom. In voorkomend geval worden stoichiometrische verhoudingen toegepast voor de omrekening van de samenstellingsgegevens voor afzonderlijke carbonaten zoals weergegeven in tabel 1 hieronder. De bepaling van de biomassafractie van toegevoegde materialen die niet als zuivere biomassa worden aangemerkt, geschiedt volgens het bepaalde in punt 6.4 van hoofdstuk I van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1 : Stoichiometrische emissiefactoren Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Niveau 1 Bij de berekening van de emissiefactor wordt een conservatieve waarde van 0,2 ton CaCO3 (wat overeenstemt met 0,08794 ton CO2) per ton droge klei toegepast i.p.v. analyseresultaten Niveau 2 Voor elke bronstroom wordt een emissiefactor afgeleid, die minstens eenmaal per jaar wordt geactualiseerd. Dit geschiedt overeenkomstig de beste industriële praktijk, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en het productenassortiment van de installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 De bepaling van de samenstelling van de relevante grondstoffen gebeurt overeenkomstig hoofdstuk 13 van bijlage I. c) Conversiefactor Niveau 1 Conversiefactor : 1 Niveau 2 Carbonaten en koolstof die de oven verlaten, worden weergegeven d.m.v. conversiefactoren met een waarde tussen 0 en 1, waarbij waarde 1 staat voor een volledige conversie van carbonaten of andere koolstof. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van de producten gebeurt overeenkomstig punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekenmethode B : alkalioxiden De hoeveelheid CO2 die bij het branden uit carbonaten vrijkomt, wordt berekend op basis van de hoeveelheid vervaardigde keramische producten en het gehalte aan CaO, MgO en andere alkali- of aardalkalioxiden in de keramische producten (activiteitsgegevens EINDMATERIALEN). De emissiefactor wordt bijgesteld voor het gehalte aan reeds gebrand Ca, Mg en andere alkali- of aardalkalioxiden die de oven ingaan (activiteitsgegevens INGEZETTE MATERIALEN), bijvoorbeeld alternatieve brandstoffen en grondstoffen met een relevant gehalte aan CaO of MgO. Voor de berekening moet de volgende formule worden toegepast : CO2-emissie [tCO2] = sigma {activiteitsgegevens * emissiefactor * conversiefactor} waarin : a) Activiteitsgegevens De activiteitsgegevens van de producten hebben betrekking op de brutoproductie, met inbegrip van verworpen producten en scherven uit de ovens en ten gevolge van het vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 1 De vervaardigde productmassa [t] in de verslagperiode wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 7,5 % Niveau 2 De vervaardigde productmassa [t] in de verslagperiode wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 5,0 % Niveau 3 De vervaardigde productmassa [t] in de verslagperiode wordt bepaald met een maximale onzekerheid van minder dan + 2,5 % b) Emissiefactor Een geaggregeerde emissiefactor moet worden berekend op basis van het gehalte aan relevante metaaloxiden, b.v. CaO, MgO en BaO, in het product met behulp van de stoichiometrische verhoudingen in tabel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 2 : Stoichiometrische emissiefactoren Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Niveau 1 Bij de berekening van de emissiefactor wordt een conservatieve waarde van 0,123 ton CaO (wat overeenstemt met 0,09642 ton CO2) per ton product toegepast i.p.v. analyseresultaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 Er wordt een emissiefactor afgeleid, die minstens eenmaal per jaar wordt geactualiseerd. Dit geschiedt overeenkomstig de beste industriële praktijk, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en het productenassortiment van de installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 De bepaling van de samenstelling van de producten geschiedt overeenkomstig punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. c) Conversiefactor Niveau 1 Conversiefactor : 1 Niveau 2 Relevante oxiden in de grondstoffen worden weergegeven d.m.v. conversiefactoren met een waarde tussen 0 en 1, waarbij waarde 0 de situatie weergeeft waarbij de volledige hoeveelheid van het relevante oxide die zich reeds in de grondstoffen bevond. De aanvullende bepaling van relevante chemische parameters van de grondstoffen geschiedt overeenkomstig punt 6 van hoofdstuk I van deze bijlage. 9.2.1.2.2. CO2 uit kalksteen voor het reduceren van luchtverontreinigende stoffen en andere rookgasreiniging De hoeveelheid CO2 die vrijkomt uit kalksteen voor het reduceren van luchtverontreinigende stoffen en andere rookgasreiniging wordt berekend op basis van de hoeveelheid ingezet CaCO3. Dubbeltelling van gebruikte kalksteen die gerecycleerd is als grondstof in dezelfde installatie moet worden vermeden. Voor de berekening wordt de volgende formule toegepast : CO2-emissie [tCO2] = activiteitsgegevens x emissiefactor waarin : a) Activiteitsgegevens Niveau 1 De hoeveelheid [t] tijdens de verslagperiode verbruikt droog CaCO3 wordt door de exploitant bepaald door weging, met een maximale onzekerheid van minder dan + 7,5 % b) Emissiefactor Niveau 1 De stoichiometrische verhoudingen van CaCO3. Carbonaten Emissiefactor CaCO3 0,440 [tCO2/CaCO3] 9.2.2. Meting van CO2-emissies : De richtsnoeren voor metingen van hoofdstuk I van deze bijlage moeten worden toegepast. 10. Specifieke richtsnoeren voor installaties voor de vervaardiging van pulp en papier 10.1. Grenzen en volledigheid Indien uit de installatie CO2 wordt overgedragen dat afkomstig is van fossiele brandstoffen, bijvoorbeeld naar een nabijgelegen installatie met precipitatie van calciumcarbonaat (PCC), worden deze afgevoerde materialen niet in de emissies van de installatie meegeteld, op voorwaarde dat de bevoegde administratie hiermee instemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer rookgasreiniging in de installatie wordt toegepast en de daaruit voortvloeiende emissies niet worden meegerekend als bestanddeel van de procesemissies van de installatie, moeten deze worden berekend in overeenstemming met hoofdstuk I van deze bijlage. 10.2. Bepaling van CO2-emissies De processen in pulp- en papierfabrieken van waaruit CO2-emissies kunnen plaatsvinden, zijn onder andere : - krachtketels, gasturbines en andere verbrandingstoestellen die stoom of elektriciteit voor de fabriek opwekken - terugwinninginstallaties (\"recovery\") en andere toestellen waarin residuloog wordt verbrand - verbrandingsovens - met gas of andere fossiele brandstoffen gestookte drogers (zoals infrarooddrogers). - rookgasreiniging - met gas of fossiele brandstoffen gestookte drogers (zoals infrarooddrogers) De behandeling van afvalwater en stortplaatsen, inclusief anaërobe afvalwaterbehandeling of slibgisting en stortplaatsen waar afvalstoffen van papierfabrieken worden gestort, zijn niet genoemd in artikel 1 van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dientengevolge vallen de emissies daarvan niet onder dit besluit. 10.2.1. Berekening van CO2-emissies 10.2.1.1. Verbrandingsemissies Emissies van verbrandingsprocessen die plaatsvinden in pulp- en papierfabrieken, moeten worden bewaakt in overeenstemming met hoofdstuk I van deze bijlage. 10.2.1.2. Procesemissies : Emissies worden veroorzaakt door het gebruik van carbonaten als aanvullende chemicaliën voor de vervaardiging van pulp. Hoewel verliezen van natrium en calcium uit de terugwinninginstallaties (\"recovery\") en uit de basische ontsluiting van vezels gewoonlijk worden aangevuld met andere chemicaliën dan carbonaten, worden er soms toch kleine hoeveelheden calciumcarbonaat (CaCO3) en natriumcarbonaat (Na2CO3) toegepast, die CO2-emissies tot gevolg hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dekoolstof in deze chemische stoffen is gewoonlijk van fossiele oorsprong, maar kan soms uit biomassa zijn gewonnen (b.v. wanneer Na2CO3 wordt gekocht die afkomstig is van semi-chemische procédés op basis van soda).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt van uitgegaan dat de koolstof in deze chemicaliën als CO2 uit de kalkoven of terugwinninginstallatie (\"recovery\") vrijkomt. Bij de bepaling van deze emissies wordt aangenomen dat alle koolstof in de CaCO3 en Na2CO3die in de terugwinninginstallatie en bij de basische ontsluiting van vezels wordt gebruikt, in de atmosfeer wordt uitgestoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien er bij de basische ontsluiting van vezels verliezen optreden, moet er calcium worden aangevuld, meestal in de vorm van calciumcarbonaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">CO2-emissies moeten als volgt worden berekend : CO2-emissies = sigma {(activiteitsgegevenscarbonaat x emissiefactor)} waarin : a) Activiteitsgegevens : De « activiteitsgegevenscarbonaat » geven de hoeveelheden CaCO3 en Na2CO3 weer die in het proces worden verbruikt. Niveau 1 Hoeveelheden [t] van de in het proces gebruikte CaCO3en Na2CO3, bepaald door weging door de exploitant, met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 2,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 Hoeveelheden [t] van de in het proces gebruikte CaCO3 en Na2CO3, bepaald door weging door de exploitant, met een maximale toelaatbare meetonzekerheid van minder dan + 1,5 %. b) Emissiefactor : Niveau 1 De stoichiometrische verhoudingen [tCO2/tCaCO3] en [t CO2/t Na2CO3] voor carbonaten die niet van biomassa afkomstig zijn, worden weergegeven in onderstaande tabel 1.Uit biomassa afkomstige carbonaten worden gewogen met een emissiefactor 0 [t CO2/t carbonaat].</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1 : Stoichiometrische emissiefactoren Type en oorsprong van carbonaat Emissiefactor CaCO3 (als aanvullend chemisch product) 0,440 Na2CO3 (als aanvullend chemisch product) 0,415 CaCO3 uit de biomassa 0 Na2CO3 uit de biomassa 0 Deze waarden moeten worden bijgesteld op grond van het vochtgehalte en het gehalte aan ganggesteente in de toegepaste carbonaten. 10.2.2. Meting van CO2-emissies : De richtsnoeren voor metingen van hoofdstuk I van deze bijlage moeten worden toegepast. 11. Richtsnoeren voor de bepaling van broeikasgasemissies met behulp van systemen voor continue emissiemeting 11.1. Grenzen en volledigheid De bepalingen van deze bijlage hebben betrekking op broeikasgasemissies uit onder Richtlijn 2003/87/EG vallende activiteiten. CO2-emissies kunnen afkomstig zijn van meerdere emissiebronnen in een installatie. 11.2. Bepaling van broeikasgasemissies Niveau 1 Voor elke emissiebron dient een totale onzekerheid van de totale emissies over de verslagperiode van minder dan + 10 % te worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 2 Voor elke emissiebron dient een totale onzekerheid van de totale emissies over de verslagperiode van minder dan + 7,5 % te worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 3 Voor elke emissiebron dient een totale onzekerheid van de totale emissies over de verslagperiode van minder dan + 5 % te worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau 4 Voor elke emissiebron dient een totale onzekerheid van de totale emissies over de verslagperiode van minder dan + 2,5 % te worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene benadering : De totale emissies van een broeikasgas (BKG) uit een emissiebron over de verslagperiode worden bepaald met de onderstaande formule. De in deze formule optredende parameters worden bepaald overeenkomstig deel 6 van deze bijlage. Ingeval er in een installatie meerdere emissiebronnen zijn en de emissies daarvan niet gezamenlijk kunnen worden gemeten, moeten de emissies van deze emissiebronnen afzonderlijk worden gemeten en worden opgeteld om te komen tot de totale emissie van dat specifieke BKG over de verslagperiode in de installatie als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld waarin : BKG-concentratie De BKG-concentratie in het rookgas wordt bepaald door continue meting op een representatief punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rookgasreiniging Het debiet van het droge rookgas kan met een van de volgende methoden worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">METHODE A Het rookgasdebiet Qe wordt berekend aan de hand van een massabalans, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante parameters zoals inputs van materialen, debiet van de luchttoevoer, efficiëntie van het proces, enz., en aan de outputzijde de geproduceerde hoeveelheid product, de O2-concentratie, de SO2- en NOx-concentraties, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke berekeningsmethode moet door de bevoegde administratie worden goedgekeurd in het kader van de evaluatie van het monitoringplan en de daarin omschreven monitoringmethodiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">METHODE B Het rookgasdebiet Qe wordt bepaald door continue debietmeting op een representatief punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van 27 november 2008 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de bedrijven die een activiteit met CO2-emissies uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namen, 27 november 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN _______ Nota's (1) \"Guide to the Expression of Uncertainty in Measurement\", ISO/TAG 4.Gepubliceerd door de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO) (1993; verbeterde herdruk, 1995) namens de BIPM, IEC, IFCC, ISO, IUPAC, IUPAP en OIML. (2) Het maximum aantal meetwaarden per uur vloeit voort uit de meetfrequentie. (3) Zie : - Bijlage 1 van de \"Good Practice Guidance\" uit 2000 en bijlage I van de \"IPCC Guidelines\" (aanwijzingen voor de rapportage - herziene versie van 1996) : http://www.ipcc-nggip.iges.or.jp/public/public.htm. - \"Guide to the Expression of Uncertainty in Measurement\", ISO/TAG 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gepubliceerd door de ISO (1993; verbeterde herdruk, 1995) namens de BIPM, IEC, IFCC, ISO, IUPAC, IUPAP en OIML. - ISO-5168 :2005 \"Measurement of fluid flow - Procedures for the evaluation of uncertainties\". (4) Bij gebruik van volume-eenheden moet de exploitant er rekening mee houden dat omrekening noodzakelijk is in samenhang met druk- en temperatuurverschillen van de meetinrichting ten opzichte van de standaardcondities waarvoor de calorische onderwaarde voor het betreffende (5) Zie de IPCC-richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen (2006). (6) Met toepassing van de massarelatie : tCO2 = tCO * 1,571.</p></div>", "next": 0}