{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">TITEL I STATUS VAN DE RECHTERS EN VAN DE ADVOCATEN-GENERAAL Artikel 2 Alvorens zijn ambt te aanvaarden, moet iedere rechter in openbare zitting de eed afleggen, dat hij zijn functie zal uitoefenen in volkomen onpartijdigheid en geheel overeenkomstig zijn geweten en dat hij niets van het geheim der beraadslagingen openbaar zal maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 De rechters zijn vrijgesteld van rechtsvervolging. Met betrekking tot hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, blijven zij deze immuniteit genieten ook nadat zij hun ambt hebben neergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof kan, in voltallige zitting, de immuniteit opheffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval tegen een rechter wiens immuniteit is opgeheven, een strafvervolging wordt ingesteld, kan hij in elk der lid-Staten slechts worden berecht door de instantie welke bevoegd is tot berechting van de leden van het hoogste nationale rechterlijke college.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 12 tot en met 15 en artikel 18 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen zijn van toepassing op de rechters, de griffier en de toegevoegde rapporteurs van, alsmede op de advocaten-generaal bij het Hof, onverminderd de bepalingen van de voorgaande alinea's nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 De rechters mogen geen politieke functie of bestuursambt uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij mogen geen beroepswerkzaamheid al dan niet tegen beloning verrichten, tenzij van deze bepaling door de Raad bij uitzondering afwijking is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van twijfel beslist het Hof.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Behalve door periodieke vervanging of door overlijden eindigt de ambtsuitoefening van een rechter door ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval een rechter om ontslag verzoekt, richt hij daartoe tot de president van het Hof een brief, welke aan de voorzitter van de Raad wordt doorgezonden. Door laatstbedoelde kennisgeving ontstaat een vacature.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens in gevallen waarin artikel 6 toepassing vindt, blijft elke rechter zitting hebben totdat zijn opvolger in functie treedt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een rechter kan slechts van zijn ambt worden ontheven of van zijn recht op pensioen of van andere als zodanig geldende gunsten vervallen worden verklaard, wanneer hij, naar het eenstemmig oordeel van de rechters van en de advocaten-generaal bij het Hof, heeft opgehouden aan de gestelde voorwaarden of aan de uit zijn ambt voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De betrokkene neemt niet aan die beraadslagingen deel De griffier deelt de beslissing van het Hof mede aan de voorzitters van het Europees Parlement en van de Commissie en geeft van die beslissing kennis aan de voorzitter van de Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een beslissing waarbij een rechter van zijn ambt wordt ontheven, ontstaat door laatstbedoelde kennisgeving een vacature.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7 De rechters wier ambtsuitoefening voor het verstrijken van hun mandaat eindigt, worden voor de verdere duur van het mandaat vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 De bepalingen van de artikelen 2 tot en met 7 zijn van toepassing op de advocaten-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL II ORGANISATIE Artikel 9 De gedeeltelijke vervanging van de rechters, die om de drie jaar plaatsvindt, heeft beurtelings betrekking op acht en op zeven rechters.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedeeltelijke vervanging van de advocaten-generaal, die om de drie jaar plaatsvindt, heeft telkens betrekking op vier advocaten-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10 De griffier legt voor het Hof de eed af, dat hij zijn functie zal uitoefenen in volkomen onpartijdigheid en geheel overeenkomstig zijn geweten en dat hij niets van het geheim der beraadslagingen openbaar zal maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Het Hof regelt de vervanging van de griffier, voor het geval dat deze verhinderd is</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de dienst worden aan het Hof ambtenaren en andere personeelsleden verbonden. Zij ressorteren onder de griffier, onder het gezag van de president</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op voorstel van het Hof kan de Raad met eenparigheid van stemmen voorzien in de benoeming van toegevoegde rapporteurs en hun statuut bepalen. De toegevoegde rapporteurs kunnen overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vast te stellen bepalingen worden geroepen om deel te nemen aan het onderzoek van de bij het Hof aanhangige zaken en om de rechter-rapporteur bij te staan De toegevoegde rapporteurs, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en de nodige bewijzen van juridische bekwaamheid bezitten, worden door de Raad benoemd. Zij leggen voor het Hof de eed af dat zij hun ambt zullen uitoefenen in volkomen onpartijdigheid en geheel overeenkomstig hun geweten en dat zij niets van het geheim der beraadslagingen openbaar zullen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 14 De rechters, de advocaten-generaal en de griffier zijn verplicht verblijf te houden in de plaats waar het Hof is gevestigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Het Hof is permanent in functie. De rechterlijke vakanties worden door het Hof met inachtneming van de eisen van de dienst vastgesteld</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof vormt uit zijn midden kamers van drie en vijf rechters. De rechters kiezen uit hun midden de kamerpresident. De presidenten van de kamers van vijf rechters worden voor drie jaar gekozen. Zij zijn eenmaal herbenoembaar De grote kamer bestaat uit elf rechters. Zij wordt voorgezeten door de president van het Hof. Voorts maken van de grote kamer deel uit de presidenten van de kamers van vijf rechters, alsmede andere rechters die worden aangewezen overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof houdt zitting in grote kamer, wanneer een lidstaat of een instelling van de Gemeenschap die partij is bij het geding daarom verzoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof komt in voltallige zitting bijeen wanneer een zaak aanhangig is gemaakt op grond van artikel 195, lid 2, artikel 213, lid 2, en artikel 216 dan wel artikel 247, lid 7, van het EG-Verdrag, of van artikel 107 D, lid 2, artikel 126, lid 2, en artikel 129 dan wel artikel 160 B, lid 7, van het EGA-Verdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kan het Hof, wanneer het van oordeel is dat een aanhangige zaak van uitzonderlijk belang is, de advocaat-generaal gehoord, besluiten deze zaak naar de voltallige zitting te verwijzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Het Hof kan slechts in oneven getal op geldige wijze beslissen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beslissingen van de uit drie of vijf rechters bestaande kamers zijn geldig, wanneer zij door drie rechters zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissingen van de grote kamer zijn geldig, wanneer negen rechters tegenwoordig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in voltallige zitting genomen beslissingen van het Hof zijn geldig, wanneer elf rechters tegenwoordig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van verhindering van één der rechters van een kamer kan, overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen een beroep worden gedaan op een rechter die deel uitmaakt van een andere kamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18 De rechters en de advocaten-generaal mogen niet deelnemen aan de berechting van enige zaak, waarin zij vroeger zijn opgetreden als gemachtigde, raadsman of advocaat van één van beide partijen, of waarover zij geroepen zijn geweest zich uit te spreken als lid van een rechtbank, van een commissie van onderzoek of in enige andere hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een rechter of advocaat-generaal om een bijzondere reden meent niet te kunnen deelnemen aan de berechting of het onderzoek van een bepaalde zaak, deelt hij dit aan de president mede. Ingeval de president van oordeel is, dat een rechter of een advocaat-generaal om een bijzondere reden niet over een bepaalde zaak dient te zitten of te concluderen, stelt hij de betrokkene hiervan in kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van moeilijkheden nopens de toepassing van dit artikel beslist het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen kunnen geen wijziging in de samenstelling van het Hof of van een van zijn kamers verlangen met een beroep op de nationaliteit van een rechter, of op het feit, dat in het Hof of in een van zijn kamers een rechter van hun nationaliteit ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL III PROCEDURE Artikel 19 De lidstaten zowel als de instellingen van de Gemeenschappen worden voor het Hof vertegenwoordigd door een voor elke zaak benoemde gemachtigde; de gemachtigde kan door een raadsman of door een advocaat worden bijgestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De staten - niet zijnde lidstaten - die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, alsmede de in die Overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA worden op gelijke wijze vertegenwoordigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere partijen moeten door een advocaat worden vertegenwoordigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, kan een partij voor het Hof vertegenwoordigen of bijstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigden, raadslieden en advocaten, die voor het Hof verschijnen, genieten de voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies nodige rechten en waarborgen, overeenkomstig de in het reglement voor de procesvoering vast te stellen bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de raadslieden en advocaten die voor het Hof optreden, bezit het Hof overeenkomstig de in dat reglement vast te stellen bepalingen de bevoegdheden welke terzake gewoonlijk aan gerechtshoven en rechtbanken worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogleraren die onderdaan zijn van een lid-staat waarvan de wetgeving hun het recht toekent te pleiten, genieten voor het Hof de rechten welke in dit artikel aan de advocaten zijn toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 20 De procedure voor het Hof bestaat uit twee gedeelten : de schriftelijke en de mondelinge behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schriftelijke behandeling omvat het toezenden aan partijen en aan de instellingen van de Gemeenschappen welker beslissingen in het geding zijn, van de verzoekschriften, memoriën, verweerschriften en andere opmerkingen en, eventueel, van de verdere conclusies, alsmede van alle stukken en documenten welke ter ondersteuning in het geding worden gebracht of van hun voor eensluidend gewaarmerkte afschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezending geschiedt door tussenkomst van de griffier in de volgorde en binnen de termijnen als bepaald in het reglement voor de procesvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mondelinge behandeling omvat de voorlezing van het rapport van de rechter-rapporteur, alsmede het horen door het Hof van de gemachtigden, raadslieden en advocaten, en van de advocaat-generaal in zijn conclusie, benevens, zo nodig, het horen van getuigen en deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het Hof van oordeel is dat in de zaak geen nieuwe rechtsvraag aan de orde is, kan het Hof, de advocaat-generaal gehoord, beslissen dat de zaak zonder conclusie van de advocaat-generaal zal worden berecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een zaak wordt bij het Hof aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift, dat aan de griffier wordt toegezonden. Het verzoekschrift moet inhouden de naam en woonplaats van de verzoeker en de hoedanigheid van de ondertekenaar, de aanduiding van de partij of partijen tegen wie het verzoekschrift is gericht, het onderwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen Het moet, indien daartoe aanleiding bestaat, vergezeld gaan van de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevraagd, of, in het geval bedoeld in artikel 232 van het EG-Verdrag en artikel 148 van het EGA-Verdrag, van een bewijsstuk van de datum der in deze artikelen bedoelde uitnodiging. Indien deze stukken niet bij het verzoekschrift zijn gevoegd, nodigt de griffier de betrokkene uit deze alsnog binnen een redelijke termijn over te leggen; verval van het recht tot beroep kan niet worden tegengeworpen, indien het verzuim eerst is hersteld na het verstrijken van de termijn van beroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de in artikel 18 van het EGA-Verdrag bedoelde gevallen wordt beroep bij het Hof ingesteld door middel van een verzoekschrift, dat aan de griffier wordt toegezonden. Het verzoekschrift moet inhouden de naam en woonplaats van de verzoeker en de hoedanigheid van de ondertekenaar, de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld, de tegenpartijen, het onderwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen Het moet vergezeld gaan van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de bestreden beslissing van de arbitragecommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Hof het beroep verwerpt, wordt de beslissing van de arbitragecommissie onherroepelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Hof de beslissing van de arbitragecommissie vernietigt, kan de procedure, wanneer daartoe grond bestaat, op initiatief van een der partijen in het geding voor de arbitragecommissie worden hervat. Deze is aan de door het Hof besliste rechtsvragen gebonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de in artikel 35, lid 1, van het EU-Verdrag, artikel 234 van het EG-Verdrag en artikel 150 van het EGA-Verdrag bedoelde gevallen wordt van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie die de procedure schorst en een beroep doet op het Hof, aan het Hof kennis gegeven op initiatief van die instantie. De griffier van het Hof geeft van deze beslissing vervolgens kennis aan de betrokken partijen, de lidstaten en de Commissie, alsmede aan de Raad of de Europese Centrale Bank wanneer de handeling waarvan de geldigheid of de uitlegging wordt betwist, van dezen uitgaat, en aan het Europees Parlement en de Raad wanneer de handeling waarvan de geldigheid of de uitlegging wordt betwist, door deze beide instellingen gezamenlijk is aangenomen Binnen twee maanden na deze laatste kennisgeving hebben de partijen, de lidstaten, de Commissie en, in voorkomend geval, het Europees Parlement, de Raad en de Europese Centrale Bank het recht bij het Hof memoriën of schriftelijke opmerkingen in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in artikel 234 van het EG-Verdrag bedoelde gevallen wordt van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie door de griffier van het Hof voorts kennis gegeven aan de staten - niet zijnde lidstaten - die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte alsmede aan de in die overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die binnen twee maanden na de kennisgeving bij het Hof memoriën of schriftelijke opmerkingen kunnen indienen wanneer de beslissing een van de toepassingsgebieden van de overeenkomst betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof kan partijen verzoeken alle stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken, welke het wenselijk acht. In geval van weigering neemt het Hof hiervan akte Het Hof kan eveneens aan de lidstaten en aan de instellingen die geen partij in het proces zijn, verzoeken alle inlichtingen te verstrekken welke het voor het proces nodig acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">Het Hof is bevoegd te allen tijde een deskundigenonderzoek op te dragen aan personen, lichamen, bureaus, commissies of organen te zijner keuze</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">Getuigen kunnen worden gehoord overeenkomstig de bepalingen die worden vastgesteld in het reglement voor de procesvoering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van gebrekige getuigen geniet het Hof dezelfde bevoegdheden als op dit gebied in de regel zijn toegekend aan gerechtshoven en rechtbanken, en kan het geldboeten opleggen, een en ander overeenkomstig de bepalingen die worden vastgesteld in het reglement voor de procesvoering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Getuigen en deskundigen kunnen onder ede worden gehoord volgens de in het reglement voor de procesvoering vastgestelde formule of op de wijze, welke in de nationale wetgeving van de getuige of de deskundige is voorgeschreven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Het Hof kan bevelen, dat een getuige of deskundige door de rechterlijke instantie van zijn woonplaats wordt gehoord</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit bevel wordt ter uitvoering gericht tot de bevoegde rechterlijke instantie overeenkomstig de bepalingen van het reglement voor de procesvoering. De stukken ter uitvoering van de rogatoire commissie worden op dezelfde wijze aan het Hof teruggezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof draagt de kosten, doch kan deze eventueel ten laste van partijen brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke lidstaat beschouwt iedere schending van de eed der getuigen en deskundigen als het overeenkomstige strafbare feit bedreven voor een nationale rechtbank die in burgerlijke zaken uitspraak doet. Op aangifte van het Hof vervolgt hij de daders van dit strafbare feit voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie Artikel 31 De zittingen zijn openbaar, tenzij het Hof ambtshalve of op verzoek van partijen om gewichtige redenen anders beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de mondelinge behandeling kan het Hof de deskundigen, de getuigen alsook de partijen zelf, horen. Deze laatsten kunnen evenwel slechts pleiten bij monde van hun vertegenwoordiger Artikel 33 Van iedere zitting wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de president en de griffier wordt ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 34 De rol der terechtzitting wordt door de president vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 35 De beraadslagingen van het Hof zijn en blijven geheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 36 De arresten zijn met redenen omkleed. Zij vermelden de namen van de rechters die hebben beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 37 De arresten worden ondertekend door de president en de griffier. Zij worden in openbare zitting uitgesproken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span><span class=\"lf-art-t\">Het Hof geeft een beslissing ten aanzien van de proceskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 39 De president van het Hof kan in een summiere procedure, voorzover nodig afwijkend van sommige regels van dit statuut, welke wordt vastgesteld bij het reglement voor de procesvoering, uitspraak doen op conclusies, strekkende ofwel tot verkrijging van de in artikel 242 van het EG-Verdrag en artikel 157 van het EGA-Verdrag bedoelde opschorting, ofwel tot toepassing van voorlopige maatregelen krachtens artikel 243 van het EG-Verdrag of artikel 158 van het EGA-Verdrag, ofwel tot schorsing van de gedwongen tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 256, vierde alinea, van het EG-Verdrag of artikel 164, derde alinea, van het EGA-Verdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verhindering van de president wordt deze door een andere rechter vervangen overeenkomstig de bepalingen van het reglement voor de procesvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de president of zijn plaatsvervanger gegeven beschikking heeft slechts een voorlopig karakter en prejudicieert niet op de beslissing van het Hof ten principale.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 40 De lid-staten en de instellingen van de Gemeenschappen kunnen zich voegen in een voor het Hof aanhangig rechtsgeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde recht heeft elke andere persoon die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van een voor het Hof aanhangig rechtsgeding, met uitzondering van de rechtsgedingen tussen lid-staten, tussen instellingen van de Gemeenschappen, of tussen lidstaten enerzijds en instellingen van de Gemeenschappen anderzijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea kunnen de staten - niet zijnde lid-staten - die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, alsmede de in die overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, zich voegen in een voor het Hof aanhangig rechtsgeding, wanneer dit een der toepassingsgebieden van die overeenkomst betreft. De conclusies van het verzoek tot voeging kunnen slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de verwerende partij, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, nalaat schriftelijk conclusies in te dienen, wordt het arrest tegen haar bij verstek gewezen. Het arrest is vatbaar voor verzet binnen een maand na zijn betekening. Tenzij het Hof anders bepaalt, schorst het verzet de tenuitvoerlegging van het bij verstek gewezen arrest niet Artikel 42 De lid-staten, de instellingen van de Gemeenschappen en alle andere natuurlijke of rechtspersonen kunnen, in de gevallen en overeenkomstig de bepalingen vast te stellen in het reglement voor de procesvoering, derdenverzet instellen tegen de arresten gewezen in rechtsgedingen waarin zij niet geroepen zijn geweest, indien hun rechten door deze arresten worden geschaad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van moeilijkheden aangaande de betekenis en de strekking van een arrest, heeft het Hof tot taak dit uit te leggen, op verzoek van een der partijen of van een instelling van de Gemeenschappen die haar belang terzake aannemelijk maakt</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 44</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof kan slechts om herziening van een arrest worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed kan zijn en dat voor de uitspraak van het arrest onbekend was aan het Hof en aan de partij die de herziening verzoekt De herzieningsprocedure begint met een arrest, waarbij het Hof, uitdrukkelijk het bestaan van een nieuw feit vaststellende en oordelende dat het grond tot herziening oplevert, uit dien hoofde het verzoek ontvankelijk verklaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om herziening kan niet meer worden verzocht na verloop van tien jaar te rekenen van de dagtekening van het arrest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglement voor de procesvoering worden termijnen wegens afstand vastgesteld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verval van instantie wegens het verstrijken van een procestermijn kan niet worden tegengeworpen, wanneer de betrokkene toeval of overmacht aantoont.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 46 De vorderingen tegen de Gemeenschappen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit, hetzij door een bij het Hof ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Gemeenschappen. In het laatste geval moet het beroep worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden, bepaald in artikel 230 van het EG-Verdrag en artikel 146 van het EGA-Verdrag; artikel 232, tweede alinea, van het EG-Verdrag, respectievelijk artikel 148, tweede alinea, van het EGA-Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL IV HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Artikel 47 De artikelen 2 tot en met 8, 14, 15, artikel 17, eerste, tweede, vierde en vijfde alinea, en artikel 18 zijn van toepassing op het Gerecht en op zijn leden. De eed, bedoeld in artikel 2, wordt afgelegd voor het Hof, en de beslissingen, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 6, worden genomen door het Hof, het Gerecht gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3, vierde alinea, en de artikelen 10, 11 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de griffier van het Gerecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 48</span><span class=\"lf-art-t\">Het Gerecht bestaat uit vijftien rechters</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 49 De leden van het Gerecht kunnen worden aangewezen om de functie van advocaat-generaal te bekleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft tot taak in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken welke aan het Gerecht zijn voorgelegd, teneinde dit ter zijde te staan bij de vervulling van zijn taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria voor de selectie van de zaken en de wijze waarop de advocaten-generaal worden aangewezen, worden bepaald in het reglement voor de procesvoering van het Gerecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een lid van het Gerecht dat is aangewezen om in een zaak de functie van advocaat-generaal te bekleden, mag niet deelnemen aan de berechting van die zaak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Gerecht houdt zitting in kamers bestaande uit drie of vijf rechters. De rechters kiezen uit hun midden de kamerpresident. De presidenten van de kamers van vijf rechters worden voor drie jaar gekozen. Zij zijn eenmaal herbenoembaar Het reglement voor de procesvoering regelt de samenstelling van de kamers en bepaalt van welke zaken zij kennis nemen. In sommige, door het reglement voor de procesvoering bepaalde gevallen, kan het Gerecht voltallig of in enkelvoudige kamer zitting houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het reglement voor de procesvoering kan ook bepalen dat, in de gevallen en onder de voorwaarden die daarin worden vastgesteld, het Gerecht in grote kamer zitting houdt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 225, lid 1, van het EG-Verdrag en artikel 140 A, lid 1, van het EGA-Verdrag is het Hof bevoegd kennis te nemen van door de lidstaten, de instellingen van de Gemeenschappen en de Europese Centrale Bank ingestelde beroepen Artikel 52 De president van het Hof en de president van het Gerecht bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop ambtenaren en andere personeelsleden bij het Hof in het belang van de dienst hun diensten aan het Gerecht verlenen. Bepaalde ambtenaren of andere personeelsleden ressorteren onder de griffier van het Gerecht, onder het gezag van de president van het Gerecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 53 De procedure voor het Gerecht wordt geregeld in titel III. De procedure voor het Gerecht wordt, voorzover nodig, gepreciseerd en aangevuld door het reglement voor de procesvoering van het Gerecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het reglement voor de procesvoering kan afwijken van artikel 40, vierde alinea, en van artikel 41, wanneer dat wegens de bijzonderheden van de geschillen op het gebied van de intellectuele eigendom noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 20, vierde alinea, kan de advocaat-generaal zijn met redenen omklede conclusie schriftelijk nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 54</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een tot het Gerecht gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Hof, wordt het door deze onverwijld doorgezonden naar de griffier van het Gerecht Evenzo, wanneer een tot het Hof gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Gerecht, wordt het door deze onverwijld doorgezonden naar de griffier van het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het Gerecht vaststelt dat het niet bevoegd is kennis te nemen van een beroep ten aanzien waarvan het Hof bevoegd is, verwijst het de zaak naar het Hof. Evenzo, wanneer het Hof vaststelt dat een beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, verwijst het de zaak naar het Gerecht, dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bij het Hof en het Gerecht zaken aanhangig worden gemaakt die hetzelfde voorwerp hebben of die dezelfde vraag van uitlegging dan wel de geldigheid van dezelfde handeling betreffen, kan het Gerecht, de partijen gehoord, de behandeling schorsen totdat het Hof het arrest heeft gewezen. Wanneer het verzoeken tot nietigverklaring van dezelfde handeling betreft, kan het Gerecht zich ook onbevoegd verklaren opdat het Hof een beslissing geeft over die verzoeken. In de in deze alinea bedoelde gevallen kan ook het Hof besluiten zijn behandeling te schorsen; de procedure voor het Gerecht vindt dan doorgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 55 Van eindbeslissingen van het Gerecht, beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident terzake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, geeft de griffier van het Gerecht kennis aan alle partijen, alsook aan alle lidstaten en aan de instellingen van de Gemeenschappen, zelfs indien deze niet in de zaak voor het Gerecht zijn tussengekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 56</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing kan bij het Hof een verzoek om hogere voorziening worden ingediend tegen eindbeslissingen van het Gerecht, alsmede tegen beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident terzake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid Hogere voorziening staat open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Voor andere tussenkomende partijen dan lid-staten en instellingen van de Gemeenschappen staat hogere voorziening evenwel slechts open, wanneer de beslissing van het Gerecht hun situatie rechtstreeks aantast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met uitzondering van zaken betreffende geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden, staat hogere voorziening eveneens open voor de lidstaten en de instellingen van de Gemeenschappen die niet in het geding voor het Gerecht zijn tussengekomen. In dit geval verschilt de positie van die lid-staten en instellingen niet van de positie van lidstaten of instellingen die in eerste aanleg zouden zijn tussengekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 57</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hogere voorziening bij het Hof staat open tegen beslissingen van het Gerecht waarbij een verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen. Het verzoek om hogere voorziening moet door degene wiens verzoek is afgewezen worden ingediend binnen twee weken, te rekenen vanaf de betekening van de afwijzende beslissing Tegen elke beslissing die door het Gerecht krachtens artikel 242, artikel 243 of artikel 256, vierde alinea, van het EG-Verdrag dan wel krachtens artikel 157, artikel 158 of artikel 164, derde alinea, van het EGA-Verdrag wordt genomen, staat voor de partijen in het geding hogere voorziening open gedurende twee maanden vanaf de betekening ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de in de eerste en tweede alinea van dit artikel bedoelde hogere voorziening wordt kennis genomen en er wordt over beslist volgens de in artikel 39 bedoelde procedure.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek aan het Hof om hogere voorziening kan alleen rechtsvragen betreffen. Het moet gebaseerd zijn op middelen, ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het Gemeenschapsrecht door het Gerecht Het verzoek om hogere voorziening kan niet uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht omvat de procedure voor het Hof een schriftelijk en een mondeling gedeelte. Onder de in het reglement voor de procesvoering bepaalde voorwaarden kan het Hof, de advocaat-generaal en de partijen gehoord, zonder mondelinge behandeling beslissen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 60</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de artikelen 242 en 243 van het EG-Verdrag of de artikelen 157 en 158 van het EGA-Verdrag, heeft het verzoek om hogere voorziening geen opschortende werking In afwijking van artikel 244 van het EG-Verdrag en artikel 159 van het EGA-Verdrag treden beslissingen van het Gerecht waarbij een verordening nietig is verklaard eerst in werking na afloop van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van dit statuut, of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek is verworpen, onverminderd het feit dat een partij het Hof krachtens de artikelen 242 en 243 van het EG-Verdrag of de artikelen 157 en 158 van het EGA-Verdrag kan verzoeken om opschorting van de werking van de nietig verklaarde verordening of om enige andere voorlopige maatregel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 61</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht Indien de zaak wordt verwezen, is het Gerecht gebonden aan de beslissing van het Hof over de rechtsvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van gegrondheid van een verzoek om hogere voorziening van een lidstaat of een instelling van de Gemeenschappen die in de zaak voor het Gerecht niet is tussengekomen, kan het Hof, indien het zulks noodzakelijk acht, verklaren welke gevolgen van de vernietigde beslissing van het Gerecht als definitief worden beschouwd ten aanzien van de andere partijen in het geschil.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de in artikel 225, leden 2 en 3, van het EG-Verdrag en artikel 140 A, leden 2 en 3, van het EGA-Verdrag bedoelde gevallen kan de eerste advocaat-generaal het Hof voorstellen, de beslissing van het Gerecht te heroverwegen, wanneer hij van oordeel is dat er een ernstig risico bestaat dat de eenheid of de samenhang van het Gemeenschapsrecht wordt aangetast Het voorstel moet binnen een maand na de uitspraak van het Gerecht gedaan worden. Het Hof beslist binnen een maand na het door de eerste advocaat-generaal gedane voorstel of heroverweging van de uitspraak noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL V SLOTBEPALINGEN Artikel 63 Het reglement voor de procesvoering van het Hof en van het Gerecht bevat alle bepalingen welke nodig zijn voor de toepassing en, voor zoveel nodig, de aanvulling van dit statuut.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zolang er geen bepalingen inzake de regeling van het taalgebruik van toepassing op het Hof en het Gerecht zijn vastgesteld, blijven de bepalingen van het reglement voor de procesvoering van het Hof en die van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht inzake de regeling van het taalgebruik van toepassing. Wijziging of intrekking van die bepalingen geschiedt volgens de procedure welke voor wijziging van dit statuut is vastgesteld C. PROTOCOLLEN, GEHECHT AAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP Protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, GELEID DOOR DE WENS bepaalde vraagstukken met betrekking tot de beëindiging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) te regelen, VERLANGEND de EGKS-middelen over te dragen aan de Europese Gemeenschap, REKENING HOUDEND MET het feit dat het wenselijk is die middelen te gebruiken voor onderzoek in sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie, en met de noodzaak daarvoor enkele bijzondere regels op te stellen, HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, welke aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden gehecht :</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 1. Alle activa en passiva van de EGKS per 23 juli 2002 worden op 24 juli 2002 overgedragen aan de Europese Gemeenschap.2. De nettowaarde van die activa en passiva in de balans van de EGKS per 23 juli 2002 wordt, onder voorbehoud van eventuele toe- of afname als gevolg van de liquidatieverrichtingen, beschouwd als vermogen dat, onder de benaming \"EGKS in vereffening\", bestemd is voor onderzoek in sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie.Na afwikkeling van de liquidatie krijgt het vermogen de benaming \"vermogen van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal\". 3. De opbrengst van dat vermogen, die \"Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal\" wordt genoemd, wordt overeenkomstig de bepalingen van dit protocol en de op grond daarvan aangenomen besluiten uitsluitend gebruikt voor onderzoek dat buiten het kaderprogramma voor onderzoek wordt verricht in sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2 De Raad stelt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen de bepalingen, met inbegrip van de grondbeginselen en de passende besluitvormingsprocedures, vast die nodig zijn om dit protocol uit te voeren, in het bijzonder met het oog op de aanneming van de financiële meerjarenrichtsnoeren voor het beheer van het vermogen van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, alsmede de technische richtsnoeren voor het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn van toepassing, tenzij in dit Protocol en de op grond daarvan aangenomen besluiten anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit protocol is van toepassing met ingang van 24 juli 2002. NLC 80/68 Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 10.3.2001 Protocol betreffende artikel 67 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepaling, welke aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt gehecht : Enig artikel Met ingang van 1 mei 2004 stelt de Raad de in artikel 66 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde maatregelen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vast SLOTAKTE De CONFERENTIE VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN, op 14 februari 2000 te Brussel bijeengeroepen om in onderlinge overeenstemming de wijzigingen vast te stellen die moeten worden aangebracht in het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van onderscheidenlijk de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en in sommige bijbehorende akten, heeft de volgende teksten vastgesteld : I. Verdrag van Nice houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, Protocols A. Protocol, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen - Protocol betreffende de uitbreiding van de Europese Unie B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Protocol, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie - Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie C. Protocollen, gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap - Protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal - Protocol betreffende artikel 67 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De conferentie heeft de hierna genoemde verklaringen aangenomen, die aan deze slotakte zijn gehecht. 1. Verklaring inzake het Europees veiligheids- en defensiebeleid 2.Verklaring ad artikel 31, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring ad artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 4.Verklaring ad artikel 21, derde alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 5. Verklaring ad artikel 67 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 6.Verklaring ad artikel 100 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 7. Verklaring ad artikel 111 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 8.Verklaring ad artikel 137 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 9. Verklaring ad artikel 175 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 10.Verklaring ad artikel 181 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring ad artikel 191 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 12.Verklaring ad artikel 225 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 13. Verklaring ad artikel 225, leden 2 en 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 14.Verklaring ad artikel 225, leden 2 en 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 15. Verklaring ad artikel 225, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 16.Verklaring ad artikel 225 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 17. Verklaring ad artikel 229 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 18.Verklaring betreffende de Rekenkamer 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring ad artikel 10.6 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank 20. Verklaring betreffende de uitbreiding van de Europese Unie 21.Verklaring betreffende de drempel van de gekwalificeerde meerderheid en het stemmenaantal van de blokkerende minderheid in een uitgebreide Unie 22. Verklaring betreffende de plaats waar de Europese Raad bijeenkomt 23.Verklaring betreffende de toekomst van de Unie 24. Verklaring ad artikel 2 van het Protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal De conferentie heeft akte genomen van de hierna genoemde verklaringen, die aan deze slotakte zijn gehecht.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van Luxemburg 2.Verklaring van Griekenland, Spanje en Portugal ad artikel 161 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 3. Verklaring van Duitsland, Denemarken, Nederland en Oostenrijk ad artikel 161 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Gedaan te Nice, de 26 februari 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">VERKLARINGEN DIE DOOR DE CONFERENTIE ZIJN AANGENOMEN 1. Verklaring inzake het Europees veiligheids- en defensiebeleid Overeenkomstig de door de Europese Raad van Nice aangenomen teksten inzake het Europees veiligheids- en defensiebeleid (verslag van het voorzitterschap met bijlagen) is het doel de Europese Unie op dit gebied snel operationeel te maken.De Europese Raad zal zo vroeg mogelijk in 2001, maar uiterlijk op zijn bijeenkomst van Laken/Brussel, een besluit daartoe nemen op grond van de bestaande bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwerkingtreding van het Verdrag van Nice is derhalve geen voorwaarde. 2. Verklaring ad artikel 31, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie De Conferentie herinnert eraan dat : - het besluit om een eenheid op te richten van officieren van justitie, rechters of politiefunctionarissen met gelijkwaardige bevoegdheden die door elke lidstaat worden gedetacheerd (Eurojust), met als taak een adequate coördinatie tussen de nationale met vervolging belaste autoriteiten te vergemakkelijken en strafrechtelijk onderzoek in gevallen van georganiseerde criminaliteit te ondersteunen, is voorzien in de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999; - het Europees justitieel netwerk is opgericht bij Gemeenschappelijk optreden 98/428/JBZ, door de Raad aangenomen op 29 juni 1998 (PB L 191 van 7 juli 1998, blz. 4). 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring ad artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie herinnert eraan dat de plicht tot loyale samenwerking, die voortvloeit uit artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en die de betrekkingen tussen de lidstaten en de communautaire instellingen beheerst, ook de onderlinge betrekkingen van de communautaire instellingen zelf beheerst.Wat de betrekkingen tussen de instellingen betreft, kunnen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie interinstitutionele akkoorden sluiten wanneer het in het kader van de plicht tot loyale samenwerking nodig blijkt de toepassing van de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die akkoorden mogen geen wijziging of aanvulling van de bepalingen van het Verdrag inhouden en kunnen slechts met instemming van de drie instellingen worden gesloten. 4. Verklaring ad artikel 21, derde alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie verzoekt de in artikel 21, derde alinea, en artikel 7 genoemde instellingen en organen er zorg voor te dragen dat het antwoord dat op iedere schriftelijke vraag van een burger van de Unie dient te worden gegeven, binnen een redelijke termijn aan de betrokkene wordt toegezonden.5. Verklaring ad artikel 67 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Hoge Verdragsluitende Partijen stemmen ermee in dat de Raad in het besluit dat hij krachtens artikel 67, lid 2, tweede streepje, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dient te nemen : - besluit de in artikel 62, punt 3, en artikel 63, punt 3, onder b) , bedoelde maatregelen met ingang van 1 mei 2004 volgens de procedure van artikel 251 vast te stellen; - besluit de in artikel 62, punt 2, onder a) , bedoelde maatregelen volgens de procedure van artikel 251 vast te stellen met ingang van de datum waarop een akkoord is bereikt over de werkingssfeer van de maatregelen met betrekking tot de overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten door personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad zal er voorts naar streven de procedure van artikel 251 met ingang van 1 mei 2004 of zo spoedig mogelijk na die datum toe te passen op de overige gebieden die onder titel IV vallen, of op sommige daarvan. 6. Verklaring ad artikel 100 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie herinnert eraan dat de in artikel 100 bedoelde besluiten inzake financiële bijstand, die verenigbaar zijn met de in artikel 103 van het Verdrag neergelegde no-bail-out-regel, moeten stroken met de financiële vooruitzichten 2000-2006, en in het bijzonder met punt 11 van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure, alsmede de corresponderende bepalingen van toekomstige interinstitutionele akkoorden en financiële vooruitzichten.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring ad artikel 111 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie komt overeen dat de procedures van dien aard moeten zijn dat alle lid-staten van de eurozone ten volle worden betrokken bij elke fase van de voorbereiding van het standpunt van de Gemeenschap in internationale fora ten aanzien van onderwerpen die van bijzonder belang zijn voor de Economische en Monetaire Unie.8. Verklaring ad artikel 137 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie komt overeen dat uitgaven uit hoofde van artikel 137 worden toegerekend aan rubriek 3 van de financiële vooruitzichten.9. Verklaring ad artikel 175 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Hoge Verdragsluitende Partijen zijn vastbesloten te bewerkstelligen dat de Europese Unie optreedt als een stuwende kracht om de milieubescherming in de Unie te bevorderen en, op internationaal niveau, dat doel ook wereldwijd na te streven.Er moet ten volle gebruik worden gemaakt van alle mogelijkheden die het Verdrag daartoe biedt, waaronder de aanwending van stimulansen en marktgerichte instrumenten ter bevordering van duurzame ontwikkeling. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring ad artikel 181 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie bevestigt dat de betalingsbalanssteun aan derde landen niet binnen de werkingssfeer van artikel 181 A valt, onverminderd de andere bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.11. Verklaring ad artikel 191 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie herinnert eraan dat artikel 191 geen bevoegdheidsoverdracht aan de Europese Gemeenschap inhoudt en de toepassing van de desbetreffende constitutionele bepalingen van de lid-staten onverlet laat. De financiering van Europese politieke partijen uit de begroting van de Europese Gemeenschappen mag niet worden aangewend om nationale politieke partijen rechtstreeks of zijdelings te financieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de financiering van de politieke partijen zijn gelijkelijk van toepassing op alle politieke stromingen die in het Europees Parlement vertegenwoordigd zijn. 12. Verklaring ad artikel 225 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie verzoekt het Hof van Justitie en de Commissie zo spoedig mogelijk de bevoegdheidsverdeling tussen het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg aan een algeheel onderzoek te onderwerpen, in het bijzonder wat rechtstreekse beroepen betreft, en passende voorstellen in te dienen, zodat die na de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice terstond door de bevoegde instanties kunnen worden behandeld.13. Verklaring ad artikel 225, leden 2 en 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie is van oordeel dat de essentiële bepalingen van de in artikel 225, leden 2 en 3, bedoelde heroverwegingsprocedure vastgesteld moeten worden in het statuut van het Hof van Justitie.Die bepalingen dienen in het bijzonder nader te regelen : - de rol van de partijen in de procedure voor het Hof van Justitie, teneinde de bescherming van hun rechten te waarborgen, - de gevolgen van de heroverwegingsprocedure voor het executoire karakter van de beslissing van het Gerecht van eerste aanleg, - de gevolgen van de beslissing van het Hof van Justitie voor het geschil tussen de partijen. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring ad artikel 225, leden 2 en 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie is van oordeel dat de Raad bij de vaststelling van de bepalingen van het statuut ter uitvoering van artikel 225, leden 2 en 3, dient te voorzien in een procedure om de praktische toepassing van die bepalingen uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice te evalueren.15. Verklaring ad artikel 225, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie is van oordeel dat het Hof, wanneer het in uitzonderlijke gevallen besluit tot heroverweging van een prejudiciële beslissing van het Gerecht van eerste aanleg, volgens een spoedprocedure uitspraak dient te doen.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring ad artikel 225 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie verzoekt het Hof van Justitie en de Commissie zo spoedig mogelijk een ontwerp op te stellen van een besluit tot instelling van een rechterlijke kamer die bevoegd is in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden.17. Verklaring ad artikel 229 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De Conferentie is van oordeel dat met artikel 229 A niet vooruitgelopen wordt op de keuze van het gerechtelijk kader dat kan worden ingesteld voor de kennisneming van geschillen in verband met de toepassing van op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgestelde besluiten waarbij communautaire industriële eigendomsrechten worden ingesteld.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring betreffende de Rekenkamer De Conferentie verzoekt de Rekenkamer en de nationale controle-instanties het kader en de voorwaarden van hun samenwerking te verbeteren, onder handhaving van hun respectieve autonomie.De voorzitter van de Rekenkamer kan te dien einde een comité instellen dat contact onderhoudt met de voorzitters van de nationale controle-instanties. 19. Verklaring ad artikel 10.6 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank De Conferentie rekent erop dat ten spoedigste een aanbeveling in de zin van artikel 10.6 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank zal worden ingediend. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring betreffende de uitbreiding van de Europese Unie (1) Het gemeenschappelijk standpunt dat de lid-staten tijdens de toetredingsconferenties zullen innemen inzake de zetelverdeling in het Europees Parlement, de stemmenweging in de Raad, de samenstelling van het Economisch en Sociaal Comité en de samenstelling van het Comité van de Regio's zal overeenkomen met de volgende tabellen voor een Unie met 27 lidstaten.(1) In de tabellen in deze verklaring wordt alleen rekening gehouden met de kandidaat-lid-staten waarmee de toetredingsonderhandelingen feitelijk zijn begonnen.1. EUROPEES PARLEMENT Lid-staten Zetels in het EP Duitsland .. . . . 99 Verenigd Koninkrijk . . . . . 72 Frankrijk . . . . . 72 Italië . . . . . 72 Spanje . . . . . 50 Polen . . . . . 50 Roemenië . . . . . 33 Nederland . . . . . 25 Griekenland . . . . . 22 Tsjechië . . . . . 20 België . . . . . 22 Hongarije . . . . . 20 Portugal . . . . . 22 Zweden . . . . . 18 Bulgarije . . . . . 17 Oostenrijk . . . . . 17 Slowakije . . . . . 13 Denemarken . . . . . 13 Finland . . . . . 13 Ierland . . . . . 12 Litouwen . . . . . 12 Letland . . . . . 8 Slovenië . . . . . 7 Estland . . . . . 6 Cyprus . . . . . 6 Luxemburg . . . . . 6 Malta . . . . . 5 Totaal . . . . . 732 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEMMENWEGING IN DE RAAD Leden van de Raad Gewogen stemmen Duitsland .. . . . 29 Verenigd Koninkrijk . . . . . 29 Frankrijk . . . . . 29 Italië . . . . . 29 Spanje . . . . . 27 Polen . . . . . 27 Roemenië . . . . . 14 Nederland . . . . . 13 Griekenland . . . . . 12 Tsjechië . . . . . 12 België . . . . . 12 Hongarije . . . . . 12 Portugal . . . . . 12 Zweden . . . . . 10 Bulgarije . . . . . 10 Oostenrijk . . . . . 10 Slowakije . . . . . 7 Denemarken . . . . . 7 Finland . . . . . 7 Ierland . . . . . 7 Litouwen . . . . . 7 Lettonie . . . . . 4 Slovenië . . . . . 4 Estland . . . . . 4 Cyprus . . . . . 4 Luxemburg . . . . . 4 Malta . . . . . 3 Totaal . . . . . 345 De besluiten komen tot stand, wanneer zij ten minste tweehonderd achtenvijftig stemmen hebben verkregen en de meerderheid van de leden voorstemt, ingeval zij krachtens dit Verdrag moeten worden genomen op voorstel van de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de overige gevallen komen de besluiten tot stand wanneer zij ten minste tweehonderdachtenvijftig stemmen hebben verkregen en ten minste twee derden van de leden voorstemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een lid van de Raad kan verlangen dat bij besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid wordt nagegaan of de lidstaten welke die gekwalificeerde meerderheid vormen ten minste 62 % van de totale bevolking van de Unie vertegenwoordigen. Indien blijkt dat niet aan deze voorwaarde is voldaan, is het besluit niet aangenomen. 3. ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE Lid-staten Leden Duitsland .. . . . 24 Verenigd Koninkrijk . . . . . 24 Frankrijk . . . . . 24 Italië . . . . . 24 Spanje . . . . . 21 Polen . . . . . 21 Roemenië . . . . . 15 Nederland . . . . . 12 Griekenland . . . . . 12 Tsjechië . . . . . 12 België . . . . . 12 Hongarije . . . . . 12 Portugal . . . . . 12 Zweden . . . . . 12 Bulgarije . . . . . 12 Oostenrijk . . . . . 12 Slowakije . . . . . 9 Denemarken . . . . . 9 Finland . . . . . 9 Ierland . . . . . 9 Litouwen . . . . . 9 Lettonie . . . . . 7 Slovenië . . . . . 7 Estland . . . . . 7 Cyprus . . . . . 6 Luxemburg . . . . . 6 Malta . . . . . 5 Totaal . . . . . 344 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">COMITE VAN DE REGIO'S Lidstaten Leden Duitsland .. . . . 24 Verenigd Koninkrijk . . . . . 24 Frankrijk . . . . . 24 Italië . . . . . 24 Spanje . . . . . 21 Polen . . . . . 21 Roemenië . . . . . 15 Nederland . . . . . 12 Griekenland . . . . . 12 Tsjechië . . . . . 12 België . . . . . 12 Hongarije . . . . . 12 Portugal . . . . . 12 Zweden . . . . . 12 Bulgarije . . . . . 12 Oostenrijk . . . . . 12 Slowakije . . . . . 9 Denemarken . . . . . 9 Finland . . . . . 9 Ierland . . . . . 9 Litouwen . . . . . 9 Lettonie . . . . . 7 Slovenië . . . . . 7 Estland . . . . . 7 Cyprus . . . . . 6 Luxemburg . . . . . 6 Malta . . . . . 5 Totaal . . . . . 344 21. Verklaring betreffende de drempel van de gekwalificeerde meerderheid en het stemmenaantal van de blokkerende minderheid in een uitgebreide Unie In het geval dat niet alle kandidaat-lid-staten, genoemd in de lijst van de verklaring betreffende de uitbreiding van de Europese Unie, op het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe stemmenwegingen (1 januari 2005) tot de Unie zijn toegetreden, zal de drempel van de gekwalificeerde meerderheid, naarmate de toetredingen plaatsvinden, van een percentage dat onder het huidige percentage ligt geleidelijk oplopen tot ten hoogste 73,4 %.Wanneer alle vorenbedoelde kandidaat-lidstaten zijn toegetreden, wordt de blokkerende minderheid, in een Unie van 27, op 91 stemmen gebracht en wordt de drempel van de gekwalificeerde meerderheid welke voortvloeit uit de tabel in de verklaring betreffende de uitbreiding van de Europese Unie automatisch dienovereenkomstig aangepast. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring betreffende de plaats waar de Europese Raad bijeenkomt Met ingang van 2002 wordt per voorzitterschap één bijeenkomst van de Europese Raad in Brussel gehouden.Zodra de Unie achttien leden telt, vinden alle bijeenkomsten van de Europese Raad in Brussel plaats. 23. Verklaring betreffende de toekomst van de Unie 1.Te Nice is tot belangrijke hervormingen besloten. De Conferentie verheugt zich erover dat de Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten tot een goed einde is gebracht en spoort de lidstaten aan er zorg voor te dragen dat het Verdrag van Nice onverwijld wordt bekrachtigd. 2. Zij stelt vast dat de afsluiting van de Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten de weg opent voor uitbreiding van de Europese Unie en benadrukt dat deze, wanneer het Verdrag van Nice zal zijn bekrachtigd, de institutionele veranderingen tot stand zal hebben gebracht die noodzakelijk zijn voor de toetreding van nieuwe lidstaten.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu zij aldus de uitbreiding mogelijk heeft gemaakt, verlangt de Conferentie dat een breder en tevens diepgaander debat over de toekomst van de Europese Unie wordt ingezet.In 2001 zullen het Zweedse en het Belgische voorzitterschap, in samenwerking met de Commissie en met deelname van het Europees Parlement, een brede discussie aanmoedigen waarbij alle belanghebbende partijen worden betrokken : vertegenwoordigers van de nationale parlementen en van de gehele publieke opinie, namelijk de politieke, economische en academische kringen, vertegenwoordigers van de civiele samenleving enz. De kandidaat-lid-staten zullen op nader te bepalen wijze bij dit proces worden betrokken. 4. Op basis van een verslag dat zal worden opgesteld voor de Europese Raad van Göteborg in juni 2001, zal de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst te Laken/Brussel in december 2001 een verklaring aannemen waarin passende initiatieven worden ontvouwd om dit proces voort te zetten.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat proces dient onder meer op de volgende thema's betrekking te hebben : - hoe een nauwkeuriger bevoegdheidsafbakening tussen de Europese Unie en de lidstaten vast te stellen en vervolgens te handhaven, die strookt met het subsidiariteitsbeginsel; - de status van het te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Keulen; - vereenvoudiging van de verdragen om ze duidelijker en begrijpelijker te maken, zonder inhoudelijke veranderingen; - de rol van de nationale parlementen in het Europese bestel. 6. Met de keuze van deze thema's erkent de Conferentie dat de democratische legitimiteit en de transparantie van de Unie en haar instellingen permanent moeten worden verbeterd en verzekerd, teneinde deze dichter bij de burgers van de lid-staten te brengen.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Conferentie komt overeen dat er, wanneer dit voorbereidende werk voltooid is, een nieuwe Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lid-staten in 2004 zal worden bijeengeroepen om de bovenvermelde punten te behandelen teneinde de daaruit voortvloeiende wijzigingen in de verdragen aan te brengen.8. De Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten zal in geen geval een obstakel of een voorafgaande voorwaarde voor het uitbreidingsproces vormen.Voorts zullen de kandidaat-lidstaten die de toetredingsonderhandelingen met de Unie hebben afgesloten, worden uitgenodigd aan de Conferentie deel te nemen. De kandidaat-lidstaten die de onderhandelingen nog niet hebben afgesloten, zullen uitgenodigd worden er als waarnemer aan deel te nemen. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring ad artikel 2 van het Protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het fonds voor onderzoek inzake kolen en staal De Conferentie verzoekt de Raad er in het kader van artikel 2 van het Protocol op toe te zien dat het statistiekenstelsel van de EGKS na de beëindiging van het EGKS-Verdrag wordt gehandhaafd tot en met 31 december 2002, en de Commissie te verzoeken passende aanbevelingen te doen. VERKLARINGEN WAARVAN DE CONFERENTIE AKTE HEEFT GENOMEN 1. Verklaring van Luxemburg Onverminderd het besluit van 8 april 1965 en de daarin vervatte bepalingen en mogelijkheden met betrekking tot de zetel van toekomstige instellingen, organen en diensten, zegt de Luxemburgse regering toe geen aanspraak te zullen maken op de zetel van de beroepskamers van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), die in Alicante gevestigd zullen blijven, ook ingeval die kamers rechterlijke kamers in de zin van artikel 220 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van Griekenland, Spanje en Portugal ad artikel 161 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De instemming van Griekenland, Spanje en Portugal met de overgang naar gekwalificeerde meerderheid in artikel 161 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gegeven op grond van de opvatting, dat de term \"meerjarige\" in de derde alinea betekent dat de vanaf 1 januari 2007 geldende financiële vooruitzichten en het desbetreffende interinstitutionele akkoord dezelfde geldigheidsduur zullen hebben als de huidige financiële vooruitzichten.3. Verklaring van Duitsland, Denemarken, Nederland en Oostenrijk ad artikel 161 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap In verband met de verklaring van Griekenland, Spanje en Portugal ad artikel 161 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verklaren Duitsland, Denemarken, Nederland en Oostenrijk dat die verklaring de werking van de Europese Commissie, met name wat haar initiatiefrecht betreft, onverlet laat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van Nice houdende wijziging van het Verdrag betrefende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, en met de Slotakte, gedaan te Nice op 26 februari 2001 Lijst met de Gebonden Staten Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (*) Dit Verdrag treedt op 1 februari 2003 in werking.</p></div>", "next": 0}