← België

Wet houdende instemming met het Verdrag inzake het Energiehandvest, Bijlagen, Besluiten en Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenha

Kort samengevat

Deze wet bekrachtigt het Verdrag inzake het Energiehandvest, inclusief bijlagen, besluiten en een protocol, dat op 17 december 1994 in Lissabon is opgesteld. Het doel is om dit verdrag volledig van kracht te laten worden in België.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

📄 Wettekst
16 APRIL 1998. - Wet houdende instemming met het Verdrag inzake het Energiehandvest, Bijlagen, Besluiten en Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieu-aspecten, gedaan te Lissabon op 17 december 1994 (1) (2) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77, eerste lid, 6°, van de Grondwet. Art. 2.Het Verdrag inzake het Energiehandvest, de Bijlagen, de Besluiten en het Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten, gedaan te Lissabon op 17 december 1994, zullen volkomen uitwerking hebben. Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 16 april 1998. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, E. DERYCKE De Minister van Economie en Telecommunicatie, E. DI RUPO De Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Financiën en Buitenlandse Handel, Ph. MAYSTADT De Minister van Wetenschapsbeleid, Y. YLIEFF De Minister van Volksgezondheid, M. COLLA De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Vervoer, M. DAERDEN De Minister van Justitie, S. DE CLERCK De Staatssecretaris voor Veiligheid, Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu, J. PEETERS Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, T. VAN PARYS _______ Nota's (1) Zitting 1996-1997 Senaat Documenten.- Ontwerp van wet : nr. 1-727/1. Zitting 1997-1998. Documenten. - Verslag : nr. 1-727/2. - Tekst aangenomen in Commissie : nr. 1-727/3. Parlementaire Handelingen. - Indiening van het ontwerp van wet. Zitting van 19 februari 1998. - Bespreking en zitting. Vergadering van 19 februari 1998. Kamer Documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat : nr. 1438/1. - Tekst aangenomen in pleniaire vergadering : nr. 1438/2. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 18 maart 1998. - Stemming.Vergadering van 19 maart 1998. (2) Zie Decreet van de Vlaamse Gemeenschap/het Vlaams Gewest van 19 december 1997 (Belgisch Staatsblad van 10 februari 1998), decreet van de Franse Gemeenschap van 22 december 1997, decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 20 januari 1997 (Belgisch Staatsblad van 22 augustus 1997), decreet van het Waalse Gewest van 23 oktober 1997 (Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1997) en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 juli 1997 (Belgisch Staatsblad van 20 november 1997). LIJST VAN DE GEBONDEN STATEN TOT HET VERDRAG INZAKE het ENERGIEHANDVEST Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Slotakte van de conferentie over het Europese Energiehandvest I. De laatste plenaire zitting van de Conferentie over het Europese Energiehandvest werd op 16 en 17 december 1994 gehouden te Lissabon. Vertegenwoordigers van de Republiek Albanië, de Republiek Armenië, Australië, de Republiek Oostenrijk, de Azerbeidzjaanse Republiek, het Koninkrijk België, de Republiek Wit-Rusland, de Republiek Bulgarije, Canada, de Republiek Kroatië, de Republiek Cyprus, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Estland, de Europese Gemeenschappen, de Republiek Finland, de Franse Republiek, de Republiek Georgië, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, de Republiek Hongarije, de Republiek IJsland, de Italiaanse Republiek, Japan, de Republiek Kazachstan, de Republiek Kirgizië, de Republiek Letland, het Prinsdom Liechtenstein, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Malta, de Republiek Moldavië, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Russische Federatie, de Slowaakse Republiek, de Republiek Slovenië, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat, de Republiek Tadzjikistan, de Republiek Turkije, Turkmenistan, Oekraïne, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Oezbekistan (hierna « de vertegenwoordigers » genoemd) namen aan de Conferentie deel, evenals waarnemers die door bepaalde landen en internationale organisaties op verzoek gezonden waren. Achtergronden II. Tijdens de Top van de Europese Raad in Dublin in juni 1990 opperde de eerste minister van Nederland het denkbeeld dat samenwerking in de energiesector zou kunnen fungeren als katalysator voor een sneller economisch herstel in Oost-Europa en de toenmalige Unie van Socialistische Sowjetrepublieken. Die idee werd verwelkomd door de Raad die de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan ook uitnodigde te onderzoeken hoe een dergelijke samenwerking het beste tot stand zou kunnen worden gebracht. In februari 1991 werd daarop door de Commissie het plan voor een Europees Energiehandvest voorgesteld. Nadat het voorstel van de Commissie in de Raad van de Europese Gemeenschappen was besproken, nodigden de Europese Gemeenschappen de andere landen van West- en Oost-Europa, alsmede de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken, en de niet-Europese leden van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling, uit in juli 1991 een conferentie bij te wonen in Brussel om een begin te maken met de onderhandelingen over een Europees Energiehandvest. Een aantal andere landen en internationale organisaties werd uitgenodigd om de Conferentie over het Europese Energiehandvest met de status van waarnemer bij te wonen. De onderhandelingen over het Europese Energiehandvest werden in 1991 afgesloten en het Handvest werd aangenomen toen op een op 16 en 17 december 1991 in 's-Gravenhage gehouden conferentie het desbetreffende Slotdocument werd ondertekend. Het Handvest werd op dat moment of in een later stadium ondertekend door alle landen die in afdeling I met name genoemd worden. De ondertekenaars van het Europese Energiehandvest hebben zich ertoe verbonden : - zich in te zetten voor de doelstellingen en beginselen van het Handvest en hun samenwerking zo snel mogelijk vorm te geven en uit te breiden door te goeder trouw te onderhandelen over een basisovereenkomst en de daarbij behorende protocollen. De Conferentie over het Europese Energiehandvest begon derhalve met de onderhandelingen over een basisovereenkomst later het Verdrag inzake het Energiehandvest genoemd bestemd om de industriële samenwerking tussen Oost en West te bevorderen door wettelijke waarborgen in te stellen voor sectoren als investeringen, transito en handel. Zij maakte tevens een aanvang met onderhandelingen over protocollen betreffende de energie-efficiëntie, de nucleaire veiligheid en koolwaterstoffen, hoewel in het laatste geval de onderhandelingen in een later stadium werden opgeschort totdat het Verdrag inzake het Energiehandvest zou zijn voltooid. De onderhandelingen over het Verdrag inzake het Energiehandvest en het Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie, en daarmee samenhangende milieuaspecten, werden in 1994 succesvol afgerond. Het Verdrag inzake het Energiehandvest III. Als gevolg van de beraadslagingen die door de Conferentie over het Europese Energiehandvest werden gehouden, nam deze de tekst aan van het Verdrag inzake het Energiehandvest (hierna het « Verdrag » genoemd) dat is weergegeven in bijlage 1 en een aantal besluiten met betrekking daartoe, die zijn weergegeven in bijlage 2, terwijl voorts werd overeengekomen dat het Verdrag van 17 december 1994 tot 16 juni 1995 te Lissabon zou kunnen worden ondertekend. Afspraken IV. Door ondertekening van de Slotakte keurden de vertegenwoordigers met betrekking tot het Verdrag de volgende afspraken goed : 1. Met betrekking tot het Verdrag in zijn geheel a) De vertegenwoordigers wijzen erop dat er bij de goedkeuring van de bepalingen van het Verdrag werd uitgegaan van de specifieke aard van het Verdrag dat erop gericht is een wettelijk kader te scheppen om een langdurige samenwerking in een speciale sector te bevorderen en dat deze als gevolg daarvan niet kunnen worden geïnterpreteerd als een precedent in de context van andere internationale onderhandelingen.b) De bepalingen van het Verdrag : i) dwingen geen enkele verdagsluitende partij ertoe om een verplichte toegang van derden tot de netten in te voeren, noch ii) staan deze het gebruik van prijssystemen in de weg die ten aanzien van een bijzondere groep verbruikers identieke prijzen toepassen voor klanten op verschillende locaties.c) Afwijkingen van een behandeling als meest begunstigde natie zijn niet bedoeld voor maatregelen die specifiek zijn voor een bepaalde investeerder of groep van investeerders, doch eerder bestemd om in het algemeen te worden toegepast.2. Ten aanzien van artikel 1, lid 5 a) Dit Verdrag verleent geen rechten op andere economische activiteiten dan economische activiteiten in de energiesector.b) De volgende activiteiten zijn illustratief voor de economische activiteit in de energiesector : i) prospectie en exploitatie alsmede winning van bijvoorbeeld olie, gas, kolen en uranium; ii) constructie en exploitatie van installaties voor de opwekking van elektrische energie, met inbegrip van die welke worden aangedreven door wind en andere hernieuwbare energiebronnen; iii) transport over land, distributie, opslag van en bevoorrading met energiegrondstoffen en energieprodukten, bijvoorbeeld via transmissie- en distributienetten en pijpleidingen of speciaal aangelegde spoorlijnen, alsmede de bouw van daarvoor bestemde installaties, met inbegrip van de aanleg van pijpleidingen voor olie, gas en kolenslik, iv) verwijdering van afval uit installaties voor de opwekking van energie zoals elektrische centrales, met inbegrip van radioactief afval uit kerncentrales; v) de ontmanteling van installaties voor de opwekking van energie, met inbegrip van olieplatforms, olieraffinaderijen en elektrische centrales; vi) de marketing en verkoop van en handel in energiegrondstoffen en energieprodukten, zoals de detailverkoop van benzine, en vii) activiteiten op het gebied van research, consulting, planning, management en het ontwerpen in verband met de bovengenoemde activiteiten, met inbegrip van die welke erop gericht zijn om een efficiënt gebruik van energie te bevorderen. 3. Ten aanzien van artikel 1, lid 6 Voor meer duidelijkheid over de vraag of een investering die in het gebied van een verdragsluitende partij direct of indirect wordt gecontroleerd door een investeerder van een andere verdragsluitende partij : zeggenschap over een investering betekent een feitelijke controle die na onderzoek van de werkelijke omstandigheden per situatie bepaald wordt.Bij een dergelijk onderzoek dienen alle relevante factoren in aanmerking te worden genomen, met inbegrip van: a) de financiële belangen van de investeerder, met inbegrip van diens aandelenpakket in de betrokken investering;b) het vermogen van de investeerder om in belangrijke mate invloed uit te oefenen op het beheer en de exploitatie van de betrokken investering, en c) het vermogen van de investeerder om in belangrijke mate invloed uit te oefenen op de keuze van de leden van de raad van bestuur of van andere bestuursorganen. Voor zover er twijfels over bestaan of een investeerder direct of indirect controle uitoefent over een bepaalde investering, rust op een investeerder die aanspraak maakt op een dergelijke controle, de bewijslast dat deze controle ook werkelijk bestaat. 4. Ten aanzien van artikel 1, lid 8 Overeenkomstig het buitenlandse investeringsbeleid van Australië wordt het opstarten van een nieuw mijnbouw- of grondstofverwerkend project in Australië met een totale investering van 10 miljoen Australische dollar of meer door een buitenlandse investeerder, beschouwd als een nieuwe investering, zelfs wanneer die buitenlandse investeerder reeds een soortgelijke onderneming in Australië exploiteert.5. Ten aanzien van artikel 1, lid 12 De afgevaardigden erkennen de noodzaak van een juiste en efficiënte bescherming van de rechten op het gebied van de intellectuele eigendom overeenkomstig de strengste internationaal aanvaarde normen.6. Ten aanzien van artikel 5, lid 1 De overeenstemming die door de vertegenwoordigers werd bereikt met betrekking tot artikel 5 betekent niet dat er een standpunt wordt ingenomen met betrekking tot de vraag of, dan wel in hoeverre, de bepalingen van de « overeenkomst betreffende de met de handel verband houdende investeringsmaatregelen » die aan de Slotakte van de Uruguay-Ronde van multilaterale handelsbesprekingen zijn gehecht, besloten liggen in de artikelen III en XI van de GATT.7. Ten aanzien van artikel 6 a) De unilaterale en overeengekomen mededinging remmende gedragingen waarvan sprake is in artikel 6, lid 2, dienen door iedere verdragsluitende partij te worden vastgesteld overeenkomstig de geldende wetten en kunnen misbruiken bij de exploitatie omvatten.b) « Handhavingsmaatregelen » en « nalevingsprocedures » kunnen worden uitgevoerd op grond van de mededingingswetten van een verdragsluitende partij via onderzoek, wettelijke maatregelen of administratieve acties, alsmede via besluiten of andere wettelijke maatregelen op grond waarvan toestemming verleend wordt of blijft.8. Ten aanzien van artikel 7, lid 4 De toepasselijke wetgeving kan bepalingen omvatten met betrekking tot milieubescherming, grondgebruik, veiligheid of technische normen.9. Ten aanzien van de artikelen 9 en 10 en deel V Aangezien de programma's van een verdragsluitende partij waarin openbare leningen, subsidies, garanties of waarborgen voor het vergemakkelijken van de handel of van investeringen in andere landen worden vastgesteld, geen verband houden met investeringen of daarmee verwante activiteiten van investeerders uit andere verdragsluitende partijen in de regio van eerstgenoemde partij, kunnen er voor dergelijke programma's beperkingen gelden ten aanzien van de deelneming daaraan.10. Ten aanzien van artikel 10, lid 4 In het aanvullend verdrag zullen de voorwaarden worden vastgelegd voor de toepassing van de in artikel 10, lid 3, genoemde behandeling.Deze voorwaarden zullen onder meer bepalingen omvatten met betrekking tot het verkopen of het op andere wijze afstand doen van overheidsbedrijven (aankopen privatisering) en het ontmantelen van monopolies (demonopolisering). 11. Ten aanzien van artikel 10, lid 4, en artikel 29, lid 6 De verdragsluitende partijen mogen de bepalingen van artikel 10, lid 4, en artikel 29, lid 6, in hun onderlinge samenhang bezien.12. Ten aanzien van artikel 14, lid 5 Het is de bedoeling dat een verdragsluitende partij die toetreedt tot een overeenkomst als bedoeld in artikel 14, lid 5, de garantie geeft dat de voorwaarden van een dergelijke overeenkomst niet in tegenspraak zijn met de verplichtingen van die verdragsluitende partij krachtens de artikelen van overeenkomst van het Internationaal Monetair Fonds.13. Ten aanzien van artikel 19, lid 1, letter i) Elke verdragsluitende partij mag besluiten in hoeverre de beoordeling en controle op milieu-effecten dient te zijn onderworpen aan wettelijke eisen, welke autoriteiten bevoegd zijn om besluiten te nemen in verband met dat soort eisen en welke passende procedures daarbij gevolgd moeten worden.14. Ten aanzien van de artikelen 22 en 23 Met betrekking tot de handel in energiegrondstoffen en energieproducten is met name in artikel 29 een aantal bepalingen opgenomen die de onder de artikelen 22 en 23 vallende onderwerpen nader uitwerken.15. Ten aanzien van artikel 24 Uitzonderingen die vervat zijn in de GATT en bijbehorende instrumenten, zijn van toepassing tussen individuele verdragsluitende partijen die tevens partij zijn bij de GATT, zoals in artikel 4 bepaald is.Met betrekking tot de handel in de onder artikel 29 vallende energiegrondstoffen en energieproducten werkt dat artikel de bepalingen ten aanzien van de onder artikel 24 vallende onderwerpen nader uit. 16. Ten aanzien van artikel 26, lid 2, letter a) Artikel 26, lid 2, letter a), moet niet worden geïnterpreteerd in die zin dat een verdragsluitende partij verzocht wordt deel III van dit Verdrag in het nationale recht op te nemen.17. Ten aanzien van de artikelen 26 en 27 De verwijzing naar in het kader van verdragen aangegane verplichtingen in de voorlaatste zin van artikel 10, lid 1, omvat geen besluiten die genomen werden door internationale organisaties, zelfs indien deze juridisch bindend zijn, of verdragen die vóór 1 januari 1970 van kracht zijn geworden.18. Ten aanzien van artikel 29, lid 2, letter a) a) Indien een bepaling uit de GATT-Overeenkomst van 1947 of een bijbehorend instrument waarnaar in deze alinea wordt verwezen, voorschrijft dat er gezamenlijk actie wordt ondernomen door de partijen bij de GATT, is het de bedoeling dat dit door de Conferentie over het Handvest wordt gedaan.b) De zinsnede « die op 1 maart 1994 van kracht zijn en ten aanzien van energiegrondstoffen en energieproducten door de partijen bij de GATT-Overeenkomst van 1947 onderling worden toegepast » is niet bedoeld als een verwijzing naar gevallen waarbij een partij bij de GATT een beroep heeft gedaan op artikel XXXV van de GATT, waarbij de GATT niet meer van toepassing is ten overstaan van een andere partij bij de GATT, doch past niettemin unilateraal op een de facto-basis sommige bepalingen van de GATT toe ten opzichte van die andere partij bij de GATT.19. Ten aanzien van artikel 33 De voorlopige Conferentie over het Handvest moet zo spoedig mogelijk een besluit nemen over de wijze waarop het doel van titel III van het Europese Energiehandvest kan worden bereikt, namelijk dat er moet worden onderhandeld over protocollen in samenwerkingsgebieden zoals die welke in titel III van het Handvest genoemd worden.20. Ten aanzien van artikel 34 a) De voorlopige secretaris-generaal dient onmiddellijk contact op te nemen met andere internationale organisaties teneinde te weten te komen op welke voorwaarden deze bereid zouden zijn om taken op zich te nemen die uit het Verdrag en het Handvest voortvloeien.De voorlopige secretaris-generaal kan hierover rapporteren aan de voorlopige Conferentie over het Handvest op de vergadering die volgens artikel 45, lid 4, binnen 180 dagen na de openingsdatum voor de ondertekening van het Verdrag moet worden bijeengeroepen. b) De Conferentie over het Handvest dient vóór het begin van het financieel jaar de jaarlijkse begroting vast te stellen.21. Ten aanzien van artikel 34, lid 3, letter m) De technische wijzigingen in bijlagen kunnen bij voorbeeld betrekking hebben op het afvoeren van landen die niet hebben ondertekend of landen die, hoewel zij hebben ondertekend, te kennen hebben gegeven dat zij niet de bedoeling hebben tot ratificatie over te gaan, of op aanvullingen op de bijlagen N en VC.Het is de bedoeling dat het secretariaat in voorkomend geval dergelijke wijzigingen voorstelt aan de Conferentie over het Handvest. 22. Ten aanzien van bijlage TFU, punt 1 a) Indien sommige partijen bij een overeenkomst die in punt 1 wordt genoemd binnen de voor kennisgeving vereiste termijn het Verdrag niet hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kunnen die partijen bij de overeenkomst die het Verdrag reeds hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden namens hen de kennisgeving verrichten.b) De algemene noodzaak om kennis te geven van overeenkomsten van zuiver commerciële aard werd niet vastgesteld omdat bij dergelijke overeenkomsten geen probleem ontstaat met betrekking tot de naleving van artikel 29, lid 2, letter a), zelfs indien deze door overheidsbedrijven worden gesloten.De Conferentie over het Handvest kan evenwel met het oog op de bijlage TFU verduidelijken bij welke soorten van de in artikel 29, lid 2, letter b), genoemde overeenkomsten kennisgeving op grond van de bijlage noodzakelijk is en bij welke dit niet het geval is. Verklaringen V. De vertegenwoordigers hebben verklaard dat artikel 18, lid 2, niet moet worden geïnterpreteerd als een mogelijkheid om de andere bepalingen van het Verdrag niet te hoeven toepassing. VI. De vertegenwoordigers hebben de aandacht gevestigd op de volgende verklaringen die met betrekking tot het Verdrag werden afgelegd : 1. Ten aanzien van artikel 1, lid 6 De Russische Federatie wenst dat bij de onderhandelingen met betrekking tot het in artikel 10, lid 4, genoemde aanvullende verdrag opnieuw wordt bekeken welk belang moet worden gehecht aan nationale wetgeving met betrekking tot de kwestie van de controle als vermeld in de afspraak bij artikel 1, lid 6.2. Ten aanzien van artikel 5 en artikel 10, lid 11 Australië merkt op dat de bepalingen van artikel 5 en van artikel 10, lid 11, geen afbreuk doen aan zijn rechten en verplichtingen krachtens de GATT, waaronder die welke zijn afgesproken in de Overeenkomst van de Uruguay-Ronde betreffende de met de handel verband houdende investeringsmaatregelen, met name ten aanzien van de lijst van uitzonderingen van artikel 5, lid 3, die naar de mening van Australië onvolledig is. Australië merkt voorts op dat het niet aan krachtens het Verdrag opgerichte geschillencommissies staat om, in het kader van geschillen tussen partijen bij de GATT of tussen een investeerder van een partij bij de GATT en een andere partij bij de GATT, de artikelen III en XI van de GATT te interpreteren. Australië is van mening dat in verband met de toepassing van artikel 10, lid 11, op de verhouding tussen een investeerder en een partij bij de GATT op grond van artikel 26 uitsluitend acht kan worden geslagen op geschillenbeslechting in die gevallen waarin het GATT-panel of de geschillencommissie van de Wereldhandelsorganisatie als eerste vaststelt dat een door een verdragsluitende partij gehandhaafde, met de handel verband houdende investeringsmaatregel in strijd is met haar verplichtingen op grond van de GATT of de Overeenkomst inzake met de handel verwante investeringsmaatregelen. 3. Ten aanzien van artikel 7 De Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten alsmede Oostenrijk, Noorwegen, Zweden en Finland verklaren dat de bepalingen van artikel 7 onderworpen zijn aan de conventionele regels uit het internationale recht betreffende de jurisdictie over onderzeese kabels en pijpleidingen of, indien dergelijke regels ontbreken, aan het algemene internationale recht. Zij verklaren voorts dat artikel 7 niet bedoeld is om de interpretatie van de bestaande internationale wetgeving met betrekking tot de jurisdictie over onderzeese kabels en pijpleidingen te beïnvloeden en ook niet als zodanig kan worden beschouwd. 4. Ten aanzien van artikel 10 Canada en de Verenigde Staten bevestigen beide dat zij de bepalingen van artikel 10 zullen toepassen met inachtneming van het volgende : Voor een evaluatie van de behandeling die aan investeerders van andere verdragsluitende partijen en hun investeringen dient te worden gegeven, zullen de omstandigheden per geval moeten worden bekeken.Een vergelijking tussen de behandeling die wordt gegeven aan investeerders van een bepaalde verdragsluitende partij, of de investeringen van investeerders van een bepaalde verdragsluitende partij, en die aan de investeringen of investeerders van een andere verdragsluitende partij, kan alleen worden gemaakt indien hierbij, van dezelfde omstandigheden wordt uitgegaan. Bij de vaststelling of een verschillende behandeling van investeerders of investeringen verenigbaar is met artikel 10, moeten twee fundamentele factoren in aanmerking worden genomen. De eerste factor wordt gevormd door de beleidsdoelstellingen van de verdragsluitende partijen op verschillende terreinen, voor zover deze verenigbaar zijn met de beginselen van non-discriminatie die in artikel 10 uiteen worden gezet. Gewettigde beleidsdoelstellingen kunnen een verschillende behandeling van buitenlandse investeerders of van hun investeringen rechtvaardigen om zo de ongelijke omstandigheden aan te geven waarin deze investeerders en hun investeringen enerzijds en hun nationale tegenhangers anderzijds verkeren. De doelstelling om de integriteit van het financiële systeem van een land te garanderen, rechtvaardigt bij voorbeeld redelijke voorzorgsmaatregelen met betrekking tot buitenlandse investeerders of investeringen, terwijl dergelijke maatregelen niet noodzakelijk zijn om dezelfde doelstellingen te bereiken wanneer het nationale investeerders of investeringen betreft. Deze buitenlandse investeerders of hun investeringen verkeren derhalve, vergeleken met nationale investeerders of hun investeringen, « in identieke omstandigheden ». Zelfs indien een dergelijke maatregel een verschillende behandeling mogelijk maakt, is hij niet in tegenspraak met artikel 10. De tweede factor is de mate waarin de maatregel wordt gemotiveerd door het feit dat de betrokken investeerder of investering buitenlands eigendom is of onder buitenlandse controle staat. Een maatregel die specifiek gericht is op investeerders omdat zij buitenlands zijn, zonder dat er beleidsmatig gezien voldoende redenen voorhanden zijn die met de voorgaande alinea kunnen worden verenigd, is in tegenspraak met de beginselen van artikel 10. De buitenlandse investeerder of investering verkeert « in identieke omstandigheden » als nationale investeerders en hun investeringen, en de maatregel is dus in tegenspraak met artikel 10. 5. Ten aanzien van artikel 25 De Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten wijzen erop dat overeenkomstig artikel 58 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap : a) de vennootschappen welke in overeenstemming met de wetgeving van een Lid-Staat zijn opgericht en welke hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, voor het recht van vestiging overeenkomstig het derde deel, titel III, hoofdstuk 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, worden gelijkgesteld met de natuurlijke personen die onderdanen zijn van de Lid-Staten;vennootschappen welke uitsluitend hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, dienen voor dit doel, een daadwerkelijke en permanente band te hebben met de economie van één van de Lid-Staten; b) onder « vennootschappen » wordt verstaan maatschappijen naar burgerlijk recht of handelsrecht, coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en overige rechtspersonen naar publiek- of privaat recht, met uitzondering van vennootschappen welke geen winst beogen. De Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten wijzen er verder op dat het communautaire recht de mogelijkheid verschaft om de hierboven omschreven behandeling uit te breiden tot filialen en agentschappen van vennootschappen die niet in één van de Lid-Staten gevestigd zijn, en voorts dat de toepassing van artikel 25 van het Verdrag inzake het Energiehandvest uitsluitend die afwijkingen mogelijk zal maken die noodzakelijk zijn om de voorkeursbehandeling te vrijwaren die een gevolg is van het voortgaande proces van economische integratie dat voortvloeit uit de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen. 6. Ten aanzien van artikel 40 Denemarken wijst erop dat het Europese Energiehandvest niet van toepassing is op Groenland en de Faeröer-eilanden zolang daarover geen mededeling is ontvangen van de plaatselijke regeringen van Groenland en de Faeröer-eilanden. In verband hiermee bevestigt Denemarken dat artikel 40 van het Verdrag van toepassing is op Groenland en de Faeröer-eilanden. 7. Ten aanzien van bijlage G (punt 4) a) De Europese Gemeenschappen en de Russische Federatie verklaren dat op hun onderlinge handel in kernmaterialen, tot aan het moment waarop zij een andere overeenkomst zullen sluiten, de bepalingen van toepassing zijn van artikel 22 van de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, die op 24 juni 1994 te Korfoe werd ondertekend, alsmede de daaraan gehechte briefwisseling en de desbetreffende gemeenschappelijke verklaring, terwijl voor geschillen met betrekking tot deze handel de procedures van de genoemde overeenkomst zullen gelden.b) De Europese Gemeenschappen en Oekraïne verklaren dat overeenkomstig de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomsten, die op 14 juni 1994 te Luxemburg werd ondertekend, en de bijbehorende Interimovereenkomst die op dezelfde dag werd geparafeerd, op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van een tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en Oekraïne te sluiten bijzondere overeenkomst van toepassing zijn. Tot de inwerkingtreding van deze bijzondere overeenkomst zullen op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van de op 18 december 1989 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking van toepassing blijven. c) De Europese Gemeenschappen en Kazachstan verklaren dat overeenkomstig de op 20 mei 1994 te Brussel geparafeerde Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van een tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en Kazachstan te sluiten bijzondere overeenkomst van toepassing zijn. Tot de inwerkingtreding van deze bijzondere overeenkomst zullen op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van de op 18 december 1989 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking van toepassing blijven. d) De Europese Gemeenschappen en Kirgizië verklaren dat overeenkomstig de op 31 mei 1994 te Brussel geparafeerde Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van een tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en Kirgizië te sluiten bijzondere overeenkomst van toepassing zijn. Tot de inwerkingtreding van deze bijzondere overeenkomst zullen op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van de op 18 december 1989 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking van toepassing blijven. e) De Europese Gemeenschappen en Tadzjikistan verklaren dat op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van een tussen de Europese Gemeenschap en Tadzjikistan te sluiten bijzondere overeenkomst van toepassing zullen zijn. Tot de inwerkingtreding van deze bijzondere overeenkomst zullen op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van de op 18 december 1989 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking van toepassing blijven. f) De Europese Gemeenschappen en Oezbekistan verklaren dat op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van een tussen de Europese Gemeenschap en Oezbekistan te sluiten bijzondere overeenkomst van toepassing zullen zijn. Tot de inwerkingtreding van deze bijzondere overeenkomst zullen op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van de op 18 december 1989 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking van toepassing blijven. Het Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten VII. De Conferentie over het Europese Energiehandvest heeft de tekst goedgekeurd van het Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten, dat te vinden is in bijlage 3. Het Europese Energiehandvest VIII. De voorlopige Conferentie over het Handvest en de Conferentie over het Handvest als bepaald in het Verdrag zijn voortaan verantwoordelijk voor het nemen van besluiten betreffende verzoeken om het slotdocument van de Conferentie van 's-Gravenhage over het Europese Energiehandvest en het op die Conferentie goedgekeurde Europese Energiehandvest te ondertekenen. Documentatie IX. De verslagen van de tijdens de Conferentie over het Europese Energiehandvest gevoerde onderhandelingen zullen op het secretariaat worden neergelegd. Gedaan te Lissabon de zeventiende december negentienhonderd vierennegentig. Bijlage 1 Verdrag inzake het Energiehandvest Preambule De partijen bij dit verdrag, Gelet op het Handvest van Parijs voor een nieuw Europa, ondertekend op 21 november 1990, Gelet op het Europese Energiehandvest dat is aangenomen als onderdeel van het op 17 december 1991 te 's-Gravenhage ondertekende Slotdocument van de Conferentie van's-Gravenhage over het Europese Energiehandvest, Eraan herinnerend dat alle partijen die het Slotdocument van de Conferentie van 's-Gravenhage ondertekend hebben, zich ertoe verboden hebben zich in te zetten voor de doelstellingen en beginselen van het Europese Energiehandvest en hun samenwerking zo snel mogelijk vorm te geven en uit te breiden door te goeder trouw te onderhandelen over een Verdrag inzake het Energiehandvest, met protocollen, en geleid door de wens om de in dat Handvest neergelegde verplichtingen op een deugdelijke en bindende internationale rechtsgrond te vestigen, Geleid door de wens om het structurele kader tot stand te brengen dat vereist is om de in het Europese Energiehandvest vermelde beginselen in praktijk te brengen, Geleid door de wens om een concrete invulling te geven aan de grondgedachte van het Europese Energiehandvest, te weten dat dit als katalysator voor de economische groei moet fungeren door het nemen van maatregelen voor de liberalisatie van de investeringen en de handel in energie, Bevestigend dat de verdragsluitende partijen het grootste belang hechten aan de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van volledig nationale behandeling en van meestbegunstiging, en dat deze verplichtingen zullen gelden voor het doen van investeringen uit hoofde van een aanvullend verdrag, Gezien de beoogde geleidelijke liberalisatie van het internationale handelsverkeer en het beginsel dat discriminatie in het internationale handelsverkeer moet worden vermeden, zoals dat tot uitdrukking is gebracht in de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel en de bijbehorende instrumenten, en zoals dat voorts in dit Verdrag is neergelegd, Vastbesloten technische, administratieve en andere belemmeringen voor de handel in energiegrondstoffen en energieprodukten en daarmee verband houdende uitrusting, technologieën en diensten geleidelijk weg te nemen, In het vooruitzicht dat de verdragsluitende partijen die momenteel geen partij zijn bij de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, uiteindelijk tot die Overeenkomst zullen toetreden, en ernaar strevend voorlopige handelsregelingen te treffen die de betrokken verdragsluitende partijen tot steun zijn en een voorbereiding op de toetreding tot die Overeenkomst niet in de weg staan, Gelet op de rechten en verplichtingen van sommige verdragsluitende partijen die tevens partij zijn bij de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel en de bijbehorende instrumenten, Gelet op mededingingsregels inzake fusies, monopolies, mededinging beperkende gedragingen en misbruik van machtsposities; Gelet voorts op het verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, de « Nuclear Suppliers Guidelines » (richtlijnen voor internationale nucleaire transacties) en andere internationale verplichtingen of afspraken met betrekking tot niet-verspreiding van kernwapens, Erkennend de noodzaak van een zo doelmatig mogelijke exploratie, produktie, omzetting, opslag, vervoer, distributie en gebruik van energie, Herinnerend aan het raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand en de protocollen daarbij, en andere internationale overeenkomsten op milieugebied met energieaspecten, en Erkennend dat er een steeds dringendere behoefte bestaat aan maatregelen ter bescherming van het milieu, met inbegrip van de ontmanteling van energie-installaties en de verwijdering van afvalstoffen, en aan hiertoe internationaal overeengekomen doelstellingen en criteria, Zijn het volgende overeengekomen : DEEL I Definities en doelstelling Artikel 1 Definities In dit Verdrag wordt verstaan onder : 1. « Handvest » : het Europese Energiehandvest dat is aangenomen als onderdeel van het op 17 december 1991 te 's-Gravenhage ondertekende Slotdocument van de Conferentie van 's-Gravenhage over het Europese Energiehandvest;ondertekening van het Slotdocument wordt beschouwd als ondertekening van het Handvest. 2. « Verdragsluitende partij » : een Staat of regionale organisatie voor economische integratie die ermede heeft ingestemd door het Verdrag te worden gebonden en waarvoor het Verdrag in werking is.3. « Regionale organisatie voor economische integratie » : een organisatie gevormd door Staten, waaraan haar Lid-Staten bevoegdheden hebben overgedragen ten aanzien van een aantal zaken, waarvan sommige onder dit Verdrag vallen, met inbegrip van de bevoegdheid aangaande die zaken besluiten te nemen welke voor haar lid-Staten bindend zijn.4. « Energiegrondstoffen en energieproducten », op basis van het geharmoniseerde systeem (GS) van de Internationale Douaneraad en de gecombineerde nomenclatuur (GN) van de Europese Gemeenschappen : de in bijlage EM opgenomen grondstoffen en producten.5. « Economische activiteit in de energiesector »: een economische activiteit met betrekking tot exploratie, winning, raffinage, productie, opslag, vervoer over land, transmissie, distributie, handel, marketing of verkoop van energiegrondstoffen en energieproducten, met uitzondering van die genoemd in bijlage NI, of met betrekking tot collectieve verwarmingssystemen.6. « Investering » : elke vorm van activa die een investeerder in eigendom heeft of waarover hij direct of indirect zeggenschap heeft, met inbegrip van : a) lichamelijke en onlichamelijke en roerende en onroerende zaken alsook eigendomsrechten, zoals huur-, hypotheek-, retentie- en pandrechten;b) een vennootschap of onderneming, of aandelen of andere vormen van vermogensdeelneming in en obligaties en andere schuldbewijzen van een vennootschap of onderneming;c) aanspraken op geld en aanspraken op prestaties volgens een contract met een economische waarde en in verband met een investering;d) intellectuele eigendom;e) opbrengsten;f) een bij wet of contract of uit hoofde van overeenkomstig de wet verleende licenties en vergunningen verleend recht om een economische activiteit in de energiesector te ondernemen. Een wijziging van de wijze waarop activa geïnvesteerd worden, heeft geen invloed op het karakter ervan als investeringen en de term « investering » bestrijkt alle investeringen, zowel de investeringen die al zijn gedaan op als de investeringen die worden gedaan na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor de verdragsluitende partij van de investeerder die de investering doet of voor de verdragsluitende partij op het grondgebied waarvan de investering wordt gedaan, al naargelang welke datum later is (hierna te noemen de « effectieve datum »), met dien verstande dat het Verdrag alleen van toepassing is op aangelegenheden die na de effectieve datum op zulke investeringen van invloed zijn. « Investering » heeft betrekking op elke investering in verband met een economische activiteit in de energiesector en op investeringen of categorieën investeringen die door een verdragsluitende partij op haar grondgebied worden aangemerkt als « onder het Handvest vallende efficiëntieprojecten » en als zodanig bij het secretariaat worden aangemeld. 7. « Investeerders » : a) van een verdragsluitende partij : i) natuurlijke personen die het staatsburgerschap of de nationaliteit bezitten van of permanent verblijven op het grondgebied van die verdragsluitende partij conform haar toepasselijke wetgeving; ii) vennootschappen of andere organisaties opgericht overeenkomstig de op het grondgebied van die verdragsluitende partij toepasselijke wetgeving; b) uit een derde land : natuurlijke personen, vennootschappen of andere organisaties die mutatis mutandis voldoen aan de onder a) aan verdragsluitende partijen gestelde voorwaarden;8. « Investeringen doen » : nieuwe investeringen tot stand brengen, een bestaande investering geheel of gedeeltelijk overnemen, dan wel op nieuwe terreinen investeringsactiviteiten ontwikkelen;9. « Opbrengsten » : de uit of in verband met een investering verkregen bedragen, ongeacht de vorm waarin zij worden betaald, met inbegrip van winst, dividenden, rente, vermogenswinst, uitkering van royalty's, vergoeding voor management of technische steun alsmede andere vormen van vergoedingen of betalingen in natura;10. « grondgebied » met betrekking tot een Staat, die verdragsluitende partij is : a) het grondgebied onder zijn soevereiniteit, met dien verstande dat dat grondgebied land, binnenwateren en de territoriale zee omvat, alsmede, en b) behoudens en overeenkomstig het internationale zeerecht, de zee, zeebodem en ondergrond daarvan waarover die verdragsluitende partij soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent. Met betrekking tot een regionale organisatie voor economische integratie die partij bij dit Verdrag is, betekent « grondgebied » de gebieden van de Lid-Staten van die organisatie volgens de bepalingen van het verdrag tot oprichting van die organisatie; 11. a) « GATT » : de « GATT-Overeenkomst van 1947 » of de « GATT-Overeenkomst van 1994 », of beide, indien beide van toepassing zijn.b) de « GATT-Overeenkomst van 1947 » : de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 30 oktober 1947, die is gehecht aan de Slotakte van de Tweede Zitting van de Voorbereidende Commissie van de Conferentie der Verenigde Naties over handel en werkgelegenheid, zoals later gerectifieerd of gewijzigd.c) de « GATT-Overeenkomst van 1994 » : de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel die is opgenomen in bijlage 1A van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, zoals later gerectificeerd of gewijzigd. Elke partij bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie wordt geacht partij te zijn bij de GATT-Overeenkomst van 1994. d) « bijbehorende instrumenten », naar gelang van het geval : i) overeenkomsten, regelingen of andere juridische instrumenten, met inbegrip van besluiten, verklaringen en afspraken, in het kader van de GATT-Overeenkomst van 1947 zoals later gerectificeerd of gewijzigd, of ii) de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, met inbegrip van bijlage 1 (behalve de GATT-Overeenkomst van 1994), bijlage 2, bijlage 3 en bijlage 4 daarvan, alsmede de daarmee samenhangende besluiten, verklaringen en afspraken, zoals later gerectificeerd of gewijzigd;12. « Intellectuele eigendom » : auteursrechten en daarmee verband houdende rechten, handelsmerken, geografische aanduidingen, industriële ontwerpen, octrooien, de lay-out van geïntegreerde schakelingen en de bescherming van niet openbaar gemaakte informatie.13. a) « Protocol bij het Energiehandvest » of « Protocol » : een verdrag waarvoor de Conferentie over het Handvest machtiging tot onderhandeling heeft verleend en dat zij heeft aangenomen, en dat is gesloten door twee of meer verdragsluitende partijen om de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot specifieke sectoren of categorieën activiteiten die onder dit Verdrag vallen, of tot de samenwerkingsgebieden bedoeld in titel III van het Handvest te vervolledigen, aan te vullen, uit te breiden of nader uit te werken.b) « Verklaring uit hoofde van het Energiehandvest » of « Verklaring » : een juridisch niet bindend instrument waartoe de Conferentie over het Handvest machtiging tot onderhandeling heeft verleend en waarvan zij de tekst heeft goedgekeurd, en die is gesloten door twee of meer verdragsluitende partijen om de bepalingen van dit Verdrag te vervolledigen of aan te vullen.14. « vrij inwisselbare valuta » : een valuta die op grote schaal op internationale deviezenmarkten verhandeld en bij internationale transacties gebruikt wordt. Artikel 2 Doel van het Verdrag Dit Verdrag heeft als doel een juridisch kader te bieden voor het bevorderen van de samenwerking op lange termijn op energiegebied, op basis van wederzijds voordeel en complementariteit en overeenkomstig de doelstelling en beginselen van het Handvest. DEEL II Handel Artikel 3 Internationale markten De verdragsluitende partijen streven ernaar te bevorderen dat de internationale markten onder commerciële voorwaarden toegankelijk zijn en streven er meer in het algemeen naar een open en op concurrentie gerichte markt voor energiegrondstoffen en energieproducten te ontwikkelen. Artikel 4 Onverkorte gelding van de GATT en bijbehorende instrumenten De bepalingen van dit Verdrag laten, in de betrekkingen tussen individuele verdragsluitende partijen die tevens partij zijn bij de GATT, de bepalingen van de GATT en bijbehorende instrumenten zoals die worden toegepast tussen die verdragsluitende partijen, onverlet. Artikel 5 Met de handel verband houdende investeringsmaatregelen 1. Een verdragsluitende partij past geen met de handel verband houdende investeringsmaatregel toe die onverenigbaar is met het bepaalde in artikel III of artikel XI van de GATT;deze bepaling laat de rechten en verplichtingen van de verdragsluitende partij krachtens de GATT en bijbehorende instrumenten en krachtens artikel 29 onverlet. 2. Dergelijke maatregelen omvatten investeringsmaatregelen die verplicht of afdwingbaar zijn krachtens de nationale wetgeving of een bestuursrechtelijke beslissing, dan wel waarvan de naleving voorwaarde is voor het verkrijgen van een voordeel, en die voorschrijven dat : a) een bedrijf producten van binnenlandse oorsprong of herkomst moet kopen of gebruiken, ongeacht of dit voorschrift geldt voor specifieke producten, een bepaalde hoeveelheid van of een bepaalde waarde aan producten, dan wel voor een bepaald deel van de omvang of waarde van zijn lokale productie, of b) de aankoop of het gebruik van geïmporteerde producten door een bedrijf moet worden beperkt tot een hoeveelheid die in een bepaalde verhouding staat tot de hoeveelheid of de waarde van de lokale producten die het bedrijf uitvoert, of die een beperking oplegt aan : c) de invoer, door een bedrijf, van producten die gebruikt worden bij of verband houden met de lokale productie van het bedrijf, in het algemeen, dan wel voor een hoeveelheid die in een bepaalde verhouding staat tot de omvang of de waarde van de lokale productie die het bedrijf uitvoert;d) de invoer door een bedrijf van producten die gebruikt worden bij of verband houden met de lokale productie van dat bedrijf, welke beperking erin bestaat dat het bedrijf slechts toegang krijgt tot een bedrag aan deviezen dat in verhouding staat tot de aan het bedrijf toe te schrijven inbreng van deviezen, of e) de uitvoer of verkoop voor uitvoer van producten door een bedrijf, ongeacht of deze beperking geldt voor specifieke producten, voor een bepaalde hoeveelheid van of waarde aan producten, dan wel voor een bepaald deel van de omvang of de waarde van zijn lokale productie.3. Geen enkele bepaling van lid 1 mag worden uitgelegd als een beletsel voor een verdragsluitende partij om de in lid 2, letters a) en c), bedoelde met de handel verband houdende investeringsmaatregelen toe te passen als voorwaarde om in aanmerking te komen voor exportbevordering, buitenlandse hulp, overheidsopdrachten of programma's die voorzien in preferentiële tarieven of quota.4. Ongeacht lid 1 kan een verdragsluitende partij tijdelijk met de handel verband houdende investeringsmaatregelen handhaven die bij de ondertekening van dit Verdrag door die partij reeds meer dan 180 dagen van toepassing waren, zulks onder voorbehoud van de bepalingen inzake kennisgeving en uitfasering die zijn opgenomen in bijlage TRM. Artikel 6 Mededinging 1. Elke verdragsluitende partij streeft naar vermindering van marktverstoringen en belemmeringen van de mededinging bij economische activiteiten in de energiesector.2. Elke verdragsluitende partij zorgt ervoor dat zij binnen haar rechtsmacht de nodige wetten ter bestrijding van unilaterale en overeengekomen mededinging beperkende gedragingen bij economische activiteit in de energiesector tot stand brengt en doet naleven.3. Verdragsluitende partijen die ervaring hebben met het toepassen van de mededingingsregels dienen in ernst te overwegen om desgevraagd en binnen de grenzen van de beschikbare middelen technische bijstand voor de ontwikkeling en toepassing van mededingingsregels te verlenen aan andere verdragsluitende partijen.4. De verdragsluitende partijen kunnen bij de handhaving van hun mededingingsregels samenwerken door middel van onderling overleg en uitwisseling van informatie.5. Indien een verdragsluitende partij van oordeel is dat een bepaalde mededinging beperkende gedraging binnen het grondgebied van een andere verdragsluitende partij een nadelige invloed heeft op een aanzienlijk belang ten aanzien van de in dit artikel aangegeven doeleinden, kan die verdragsluitende partij de andere verdragsluitende partij daarvan in kennis stellen en verzoeken dat de mededingingsautoriteiten van de andere verdragsluitende partij passende handhavingsmaatregelen treffen.Bij die kennisgeving verstrekt deze verdragsluitende partij voldoende informatie, opdat de verdragsluitende partij die een kennisgeving heeft ontvangen kan vaststellen op welke mededinging beperkende gedragingen die kennisgeving betrekking heeft, en biedt zij aan alle verdere informatie te geven en alle verdere medewerking te verlenen die binnen haar vermogen ligt. De verdragsluitende partij die een kennisgeving heeft ontvangen of, naar gelang van het geval, de betrokken mededingingsautoriteiten kan (kunnen) overleg plegen met de mededingingsautoriteiten van de andere verdragsluitende partij en neemt (nemen) het verzoek van de andere verdragsluitende partij ernstig in overweging bij haar (hun) besluit al dan niet handhavingsmaatregelen te nemen ten aanzien van de in de kennisgeving genoemde mededinging beperkende gedraging. De verdragsluitende partij die een kennisgeving heeft ontvangen, informeert de andere verdragsluitende partij over haar besluit of het besluit van de betrokken mededingingsautoriteiten en kan, indien zij dit wenst, de andere verdragsluitende partij informeren over de beweegredenen voor het besluit. Indien handhavingsmaatregelen worden genomen, doet de verdragsluitende partij die een kennisgeving heeft ontvangen mededeling aan de andere verdragsluitende partij van het resultaat daarvan en, voor zover mogelijk, van significante ontwikkelingen die zich inmiddels hebben voorgedaan. 6. Geen enkele bepaling van dit artikel eist dat een verdragsluitende partij informatie moet verstrekken in strijd met haar wetten betreffende openbaarmaking van informatie, vertrouwelijkheid en bedrijfsgeheimen.7. De in lid 5 en artikel 27, lid 1, beschreven procedures vormen binnen dit Verdrag de enige wijze waarop mogelijke geschillen betreffende de uitvoering of interpretatie van dit artikel kunnen worden geregeld. Artikel 7 Doorvoer 1. Elke verdragsluitende partij neemt de nodige maatregelen ter vergemakkelijking van de doorvoer van energiegrondstoffen en energieproducten overeenkomstig het beginsel van vrije doorvoer en zonder onderscheid te maken naar oorsprong, bestemming of eigendom van die energiegrondstoffen en energieproducten, zonder prijsdiscriminatie op grond van een dergelijk onderscheid en zonder onredelijke vertragingen, beperkingen of heffingen op te leggen.2. De verdragsluitende partijen moedigen de bevoegde diensten ertoe aan om mee te werken aan : a) de modernisering van de energietransportvoorzieningen die noodzakelijk zijn voor de doorvoer van energiegrondstoffen en energieproducten;b) de ontwikkeling en exploitatie van energietransportvoorzieningen die het grondgebied van meer dan een verdragsluitende partij bestrijken;c) maatregelen om de gevolgen van onderbrekingen van de voorziening met energiegrondstoffen en energieproducten te ondervragen;d) het vergemakkelijken van de onderlinge verbinding van energietransportvoorzieningen.3. Elke verdragsluitende partij verbindt zich ertoe dat, wat betreft energiegrondstoffen en energieproducten in doorvoer, haar bepalingen inzake het vervoer van energiegrondstoffen en energieproducten en het gebruik van energietransportvoorzieningen niet ongunstiger zijn dan voor dergelijke grondstoffen en producten afkomstig van of bestemd voor haar eigen grondgebied, tenzij dit in een bestaande internationale overeenkomst anders is bepaald.4. Ingeval doorvoer van energiegrondstoffen en energieproducten via energietransportvoorzieningen niet op commerciële voorwaarden kan geschieden, werpen de verdragsluitende partijen geen belemmeringen op voor het creëren van nieuwe capaciteit, tenzij dit, in de vigerende wetgeving die niet in strijd is met lid 1, anders is bepaald.5. Een vedragsluitende partij over wier grondgebied doorvoer van energiegrondstoffen en energieproducten kan plaatsvinden, is niet verplicht : a) toestemming te geven voor de aanleg of aanpassing van energietransportvoorzieningen, of b) toestemming te geven voor nieuwe of bijkomende doorvoerstromen via bestaande energietransportvoorzieningen; waarvan zij tegenover de andere betrokken verdragsluitende partijen kan aantonen dat daardoor de veiligheid of de doeltreffendheid van haar energiesystemen, inclusief de zekerheid van de voorziening, in gevaar zou worden gebracht. Behoudens het bepaalde in lid 6 en lid 7 garanderen de verdragsluitende partijen de bestaande stromen van energiegrondstoffen en energieproducten naar, van of tussen het grondgebied van andere vedragsluitende partijen. 6. In geval van een geschil over een aangelegenheid in verband met de doorvoer van energiegrondstoffen en energieproducten over het grondgebied van een verdragsluitende partij mag die verdragsluitende partij, vóór de afsluiting van de in lid 7 bedoelde procedures voor het beslechten van geschillen, de bestaande stroom van energiegrondstoffen en energieproducten niet onderbreken of verminderen, toelaten dat een lichaam onder haar zeggenschap dat doet, dan wel van een lichaam onder haar rechtsmacht vereisen dat die de bestaande stroom van energiegrondstoffen en energieproducten onderbreekt of vermindert, tenzij zulks uitdrukkelijk is vermeld in een contract of een andere overeenkomst over deze doorvoer of is toegestaan bij een besluit van de bemiddelaar.7. De volgende bepalingen zijn van toepassing op een geschil als bedoeld in lid 6, zij het pas nadat alle contractuele of andere van tevoren overeengekomen middelen voor het beslechten van geschillen tussen de verdragsluitende partijen die partij zijn bij het geschil, of tussen een in lid 6 bedoeld lichaam en een lichaam van een andere verdragsluitende partij die partij is bij het geschil, zijn uitgeput : a) een verdragsluitende partij die partij is bij het geschil kan dit voorleggen aan de secretaris-generaal door middel van een kennisgeving waarin de aangelegenheden waarop het geschil betrekking heeft, worden samengevat.De secretaris-generaal stelt alle verdragsluitende partijen hiervan in kennis; b) de secretaris-generaal wijst binnen 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving in overleg met de partijen bij het geschil en de andere betrokken verdragsluitende partijen een bemiddelaar aan.De bemiddelaar moet ervaring hebben met de aangelegenheden waarop het geschil betrekking heeft en mag geen onderdaan, staatsburger of ingezetene zijn van een partij bij het geschil of een van de andere betrokken verdragsluitende partijen; c) de bemiddelaar streeft ernaar dat de partijen bij het geschil akkoord gaan met een oplossing ervan of met een procedure om een dergelijke oplossing te bereiken.Indien hij niet binnen 90 dagen na te zijn aangewezen een dergelijk akkoord heeft bewerkstelligd, doet hij een aanbeveling voor een oplossing van het geschil of een procedure op een dergelijke oplossing te bereiken, en neemt hij een besluit over de voorlopige tarieven en andere voorwaarden die voor de doorvoer in acht moeten worden genomen, vanaf een datum die hij aangeeft, totdat het geschil is opgelost; d) de verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe erop toe te zien en ervoor te zorgen dat de lichamen onder hun zeggenschap of rechtsmacht een voorlopig besluit krachtens letter c) inzake tarieven en voorwaarden in acht nemen gedurende twaalf maanden na het besluit van de bemiddelaar of totdat het geschil is opgelost, al naargelang welk van beide tijdstippen eerder valt;e) ongeacht letter d) kan de secretaris-generaal ervan afzien een bemiddelaar aan te wijzen indien naar zijn oordeel het geschil betrekking heeft op doorvoer die reeds het voorwerp is of is geweest van de in de letters a) tot en met d) opgenomen procedures voor het beslechten van geschillen, en deze procedures niet tot een oplossing van het geschil hebben geleid;f) de Conferentie over het Handvest stelt standaardbepalingen vast betreffende de afwikkeling van de bemiddelingsprocedure en de vergoeding van bemiddelaars.8. Geen enkele bepaling van dit artikel doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van een verdragsluitende partij krachtens het internationale recht, met inbegrip van het internationale gewoonterecht, alsook krachtens bilaterale of multilaterale overeenkomsten, met inbegrip van voorschriften inzake onderzeese kabels en pijpleidingen.9. Dit artikel mag niet zo worden uitgelegd dat daardoor een verdragsluitende partij die niet beschikt over een bepaald type energietransportvoorzieningen dat wordt gebruikt voor doorvoer, verplicht is maatregelen met betrekking tot dat type energiestransportvoorzieningen te nemen ingevolge de bepalingen van dit artikel.Deze verdragsluitende partij is echter verplicht te voldoen aan het bepaalde in lid 4. 10. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder : a) « doorvoer » : i) de overbrenging via het grondgebied van een verdragsluitende partij, dan wel naar of van op het grondgebied van die partij gelegen haveninstallaties voor laden of lossen, van energiegrondstoffen en energieprodukten die afkomstig zijn van het grondgebied van een andere Staat en bestemd zijn voor het grondgebied van een derde Staat, met dien verstande dat hetzij die andere Staat, hetzij die derde Staat een verdragsluitende partij is, of ii) de overbrenging via het grondgebied van een verdragsluitende partij van energiegrondstoffen en energieprodukten die afkomstig zijn van het grondgebied van een andere verdragsluitende partij en bestemd zijn voor het grondgebied van die andere verdragsluitende partij, tenzij de twee betrokken verdragsluitende partijen daarover anders beslissen en deze beslissing door middel van een gezamenlijke aantekening in bijlage N opnemen.De twee verdragsluitende partijen kunnen hun aantekeningen in bijlage N doorhalen door een gezamenlijke schriftelijke kennisgeving van hun voornemen aan het secretariaat, dat deze kennisgeving doorzendt aan alle andere verdragsluitende partijen. De doorhaling wordt vier weken na de kennisgeving aan het secretariaat van kracht; b) « Energietransportvoorzieningen » : hogedruk-gaspijpleidingen, hoogspanningsgrid-netwerken, aardoliepijpleidingen, kolenslikpijpleidingen, pijpleidingen voor olieproducten en andere vaste installaties die specifiek bestemd zijn voor het behandelen van energiegrondstoffen en energieproducten. Artikel 8 Overdracht van technologie 1. De verdragsluitende partijen komen overeen, ond …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.