Wet houdende instemming met het Verdrag inzake het Energiehandvest, Bijlagen, Besluiten en Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenha
Kort samengevat
Deze wet bekrachtigt het Verdrag inzake het Energiehandvest, inclusief bijlagen, besluiten en een protocol, dat op 17 december 1994 in Lissabon is opgesteld. Het doel is om dit verdrag volledig van kracht te laten worden in België.
Wat het regelt
- De instemming met het Verdrag inzake het Energiehandvest.
- De instemming met de Bijlagen, Besluiten en het Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieu-aspecten.
- De volledige uitwerking van deze internationale overeenkomsten.
Wie het aangaat
- De Belgische staat, als ondertekenaar van de wet.
- Partijen die betrokken zijn bij economische activiteiten in de energiesector, zoals gedefinieerd in het Verdrag.
Kernpunten
- Het Verdrag is bedoeld om een wettelijk kader te scheppen voor langdurige samenwerking in de energiesector.
- Het Verdrag verleent geen rechten op andere economische activiteiten dan die in de energiesector.
- Economische activiteiten in de energiesector omvatten onder meer prospectie, exploitatie, constructie en exploitatie van energie-installaties, transport, distributie, opslag en bevoorrading van energiegrondstoffen en -producten, verwijdering van afval, ontmanteling van installaties, marketing en handel, en research en consulting gerelateerd aan deze activiteiten.
- Controle over een investering wordt bepaald door feitelijke controle, waarbij financiële belangen, invloed op beheer en exploitatie, en invloed op de keuze van bestuursorganen in overweging worden genomen.
Wettekst
Wettekst
16 APRIL 1998. - Wet houdende instemming met het Verdrag inzake het Energiehandvest, Bijlagen, Besluiten en Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieu-aspecten, gedaan te Lissabon op 17 december 1994
(1)
(2)ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77, eerste lid, 6°, van de Grondwet. Art. 2.Het Verdrag inzake het Energiehandvest, de Bijlagen, de Besluiten en het Protocol betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten, gedaan te Lissabon op 17 december 1994, zullen volkomen uitwerking hebben. Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 16 april 1998. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, E. DERYCKE De Minister van Economie en Telecommunicatie, E. DI RUPO De Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Financiën en Buitenlandse Handel, Ph. MAYSTADT De Minister van Wetenschapsbeleid, Y. YLIEFF De Minister van Volksgezondheid, M. COLLA De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Vervoer, M. DAERDEN De Minister van Justitie, S. DE CLERCK De Staatssecretaris voor Veiligheid, Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu, J. PEETERS Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, T. VAN PARYS _______ Nota's
(1)Zitting 1996-1997 Senaat Documenten.- Ontwerp van wet : nr. 1-727/
- Zitting 1997-
- Documenten. - Verslag : nr. 1-727/
- - Tekst aangenomen in Commissie : nr. 1-727/
- Parlementaire Handelingen. - Indiening van het ontwerp van wet. Zitting van 19 februari
- - Bespreking en zitting. Vergadering van 19 februari
- Kamer Documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat : nr. 1438/
- - Tekst aangenomen in pleniaire vergadering : nr. 1438/
- Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 18 maart
- - Stemming.Vergadering van 19 maart 1998.
(2)Zie Decreet van de Vlaamse Gemeenschap/het Vlaams Gewest van 19 december 1997 (Belgisch Staatsblad van 10 februari 1998), decreet van de Franse Gemeenschap van 22 december 1997, decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 20 januari 1997 (Belgisch Staatsblad van 22 augustus 1997), decreet van het Waalse Gewest van 23 oktober 1997 (Belgisch Staatsblad van 30 oktober 1997) en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 juli 1997 (Belgisch Staatsblad van 20 november 1997). LIJST VAN DE GEBONDEN STATEN TOT HET VERDRAG INZAKE het ENERGIEHANDVEST Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Slotakte van de conferentie over het Europese Energiehandvest I. De laatste plenaire zitting van de Conferentie over het Europese Energiehandvest werd op 16 en 17 december 1994 gehouden te Lissabon. Vertegenwoordigers van de Republiek Albanië, de Republiek Armenië, Australië, de Republiek Oostenrijk, de Azerbeidzjaanse Republiek, het Koninkrijk België, de Republiek Wit-Rusland, de Republiek Bulgarije, Canada, de Republiek Kroatië, de Republiek Cyprus, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Estland, de Europese Gemeenschappen, de Republiek Finland, de Franse Republiek, de Republiek Georgië, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, de Republiek Hongarije, de Republiek IJsland, de Italiaanse Republiek, Japan, de Republiek Kazachstan, de Republiek Kirgizië, de Republiek Letland, het Prinsdom Liechtenstein, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Malta, de Republiek Moldavië, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Russische Federatie, de Slowaakse Republiek, de Republiek Slovenië, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat, de Republiek Tadzjikistan, de Republiek Turkije, Turkmenistan, Oekraïne, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Oezbekistan (hierna « de vertegenwoordigers » genoemd) namen aan de Conferentie deel, evenals waarnemers die door bepaalde landen en internationale organisaties op verzoek gezonden waren. Achtergronden II. Tijdens de Top van de Europese Raad in Dublin in juni 1990 opperde de eerste minister van Nederland het denkbeeld dat samenwerking in de energiesector zou kunnen fungeren als katalysator voor een sneller economisch herstel in Oost-Europa en de toenmalige Unie van Socialistische Sowjetrepublieken. Die idee werd verwelkomd door de Raad die de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan ook uitnodigde te onderzoeken hoe een dergelijke samenwerking het beste tot stand zou kunnen worden gebracht. In februari 1991 werd daarop door de Commissie het plan voor een Europees Energiehandvest voorgesteld. Nadat het voorstel van de Commissie in de Raad van de Europese Gemeenschappen was besproken, nodigden de Europese Gemeenschappen de andere landen van West- en Oost-Europa, alsmede de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken, en de niet-Europese leden van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling, uit in juli 1991 een conferentie bij te wonen in Brussel om een begin te maken met de onderhandelingen over een Europees Energiehandvest. Een aantal andere landen en internationale organisaties werd uitgenodigd om de Conferentie over het Europese Energiehandvest met de status van waarnemer bij te wonen. De onderhandelingen over het Europese Energiehandvest werden in 1991 afgesloten en het Handvest werd aangenomen toen op een op 16 en 17 december 1991 in 's-Gravenhage gehouden conferentie het desbetreffende Slotdocument werd ondertekend. Het Handvest werd op dat moment of in een later stadium ondertekend door alle landen die in afdeling I met name genoemd worden. De ondertekenaars van het Europese Energiehandvest hebben zich ertoe verbonden : - zich in te zetten voor de doelstellingen en beginselen van het Handvest en hun samenwerking zo snel mogelijk vorm te geven en uit te breiden door te goeder trouw te onderhandelen over een basisovereenkomst en de daarbij behorende protocollen. De Conferentie over het Europese Energiehandvest begon derhalve met de onderhandelingen over een basisovereenkomst later het Verdrag inzake het Energiehandvest genoemd bestemd om de industriële samenwerking tussen Oost en West te bevorderen door wettelijke waarborgen in te stellen voor sectoren als investeringen, transito en handel. Zij maakte tevens een aanvang met onderhandelingen over protocollen betreffende de energie-efficiëntie, de nucleaire veiligheid en koolwaterstoffen, hoewel in het laatste geval de onderhandelingen in een later stadium werden opgeschort totdat het Verdrag inzake het Energiehandvest zou zijn voltooid. De onderhandelingen over het Verdrag inzake het Energiehandvest en het Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie, en daarmee samenhangende milieuaspecten, werden in 1994 succesvol afgerond. Het Verdrag inzake het Energiehandvest III. Als gevolg van de beraadslagingen die door de Conferentie over het Europese Energiehandvest werden gehouden, nam deze de tekst aan van het Verdrag inzake het Energiehandvest (hierna het « Verdrag » genoemd) dat is weergegeven in bijlage 1 en een aantal besluiten met betrekking daartoe, die zijn weergegeven in bijlage 2, terwijl voorts werd overeengekomen dat het Verdrag van 17 december 1994 tot 16 juni 1995 te Lissabon zou kunnen worden ondertekend. Afspraken IV. Door ondertekening van de Slotakte keurden de vertegenwoordigers met betrekking tot het Verdrag de volgende afspraken goed : 1. Met betrekking tot het Verdrag in zijn geheel
- a)De vertegenwoordigers wijzen erop dat er bij de goedkeuring van de bepalingen van het Verdrag werd uitgegaan van de specifieke aard van het Verdrag dat erop gericht is een wettelijk kader te scheppen om een langdurige samenwerking in een speciale sector te bevorderen en dat deze als gevolg daarvan niet kunnen worden geïnterpreteerd als een precedent in de context van andere internationale onderhandelingen.
- b)De bepalingen van het Verdrag :
- i)dwingen geen enkele verdagsluitende partij ertoe om een verplichte toegang van derden tot de netten in te voeren, noch
- ii)staan deze het gebruik van prijssystemen in de weg die ten aanzien van een bijzondere groep verbruikers identieke prijzen toepassen voor klanten op verschillende locaties.
- c)Afwijkingen van een behandeling als meest begunstigde natie zijn niet bedoeld voor maatregelen die specifiek zijn voor een bepaalde investeerder of groep van investeerders, doch eerder bestemd om in het algemeen te worden toegepast.2. Ten aanzien van artikel 1, lid 5
- a)Dit Verdrag verleent geen rechten op andere economische activiteiten dan economische activiteiten in de energiesector.
- b)De volgende activiteiten zijn illustratief voor de economische activiteit in de energiesector :
- i)prospectie en exploitatie alsmede winning van bijvoorbeeld olie, gas, kolen en uranium;
- ii)constructie en exploitatie van installaties voor de opwekking van elektrische energie, met inbegrip van die welke worden aangedreven door wind en andere hernieuwbare energiebronnen; iii) transport over land, distributie, opslag van en bevoorrading met energiegrondstoffen en energieprodukten, bijvoorbeeld via transmissie- en distributienetten en pijpleidingen of speciaal aangelegde spoorlijnen, alsmede de bouw van daarvoor bestemde installaties, met inbegrip van de aanleg van pijpleidingen voor olie, gas en kolenslik,
- iv)verwijdering van afval uit installaties voor de opwekking van energie zoals elektrische centrales, met inbegrip van radioactief afval uit kerncentrales;
- v)de ontmanteling van installaties voor de opwekking van energie, met inbegrip van olieplatforms, olieraffinaderijen en elektrische centrales;
- vi)de marketing en verkoop van en handel in energiegrondstoffen en energieprodukten, zoals de detailverkoop van benzine, en vii) activiteiten op het gebied van research, consulting, planning, management en het ontwerpen in verband met de bovengenoemde activiteiten, met inbegrip van die welke erop gericht zijn om een efficiënt gebruik van energie te bevorderen. 3. Ten aanzien van artikel 1, lid 6 Voor meer duidelijkheid over de vraag of een investering die in het gebied van een verdragsluitende partij direct of indirect wordt gecontroleerd door een investeerder van een andere verdragsluitende partij : zeggenschap over een investering betekent een feitelijke controle die na onderzoek van de werkelijke omstandigheden per situatie bepaald wordt.Bij een dergelijk onderzoek dienen alle relevante factoren in aanmerking te worden genomen, met inbegrip van:
- a)de financiële belangen van de investeerder, met inbegrip van diens aandelenpakket in de betrokken investering;
- b)het vermogen van de investeerder om in belangrijke mate invloed uit te oefenen op het beheer en de exploitatie van de betrokken investering, en
- c)het vermogen van de investeerder om in belangrijke mate invloed uit te oefenen op de keuze van de leden van de raad van bestuur of van andere bestuursorganen. Voor zover er twijfels over bestaan of een investeerder direct of indirect controle uitoefent over een bepaalde investering, rust op een investeerder die aanspraak maakt op een dergelijke controle, de bewijslast dat deze controle ook werkelijk bestaat. 4. Ten aanzien van artikel 1, lid 8 Overeenkomstig het buitenlandse investeringsbeleid van Australië wordt het opstarten van een nieuw mijnbouw- of grondstofverwerkend project in Australië met een totale investering van 10 miljoen Australische dollar of meer door een buitenlandse investeerder, beschouwd als een nieuwe investering, zelfs wanneer die buitenlandse investeerder reeds een soortgelijke onderneming in Australië exploiteert.5. Ten aanzien van artikel 1, lid 12 De afgevaardigden erkennen de noodzaak van een juiste en efficiënte bescherming van de rechten op het gebied van de intellectuele eigendom overeenkomstig de strengste internationaal aanvaarde normen.6. Ten aanzien van artikel 5, lid 1 De overeenstemming die door de vertegenwoordigers werd bereikt met betrekking tot artikel 5 betekent niet dat er een standpunt wordt ingenomen met betrekking tot de vraag of, dan wel in hoeverre, de bepalingen van de « overeenkomst betreffende de met de handel verband houdende investeringsmaatregelen » die aan de Slotakte van de Uruguay-Ronde van multilaterale handelsbesprekingen zijn gehecht, besloten liggen in de artikelen III en XI van de GATT.7. Ten aanzien van artikel 6
- a)De unilaterale en overeengekomen mededinging remmende gedragingen waarvan sprake is in artikel 6, lid 2, dienen door iedere verdragsluitende partij te worden vastgesteld overeenkomstig de geldende wetten en kunnen misbruiken bij de exploitatie omvatten.
- b)« Handhavingsmaatregelen » en « nalevingsprocedures » kunnen worden uitgevoerd op grond van de mededingingswetten van een verdragsluitende partij via onderzoek, wettelijke maatregelen of administratieve acties, alsmede via besluiten of andere wettelijke maatregelen op grond waarvan toestemming verleend wordt of blijft.8. Ten aanzien van artikel 7, lid 4 De toepasselijke wetgeving kan bepalingen omvatten met betrekking tot milieubescherming, grondgebruik, veiligheid of technische normen.9. Ten aanzien van de artikelen 9 en 10 en deel V Aangezien de programma's van een verdragsluitende partij waarin openbare leningen, subsidies, garanties of waarborgen voor het vergemakkelijken van de handel of van investeringen in andere landen worden vastgesteld, geen verband houden met investeringen of daarmee verwante activiteiten van investeerders uit andere verdragsluitende partijen in de regio van eerstgenoemde partij, kunnen er voor dergelijke programma's beperkingen gelden ten aanzien van de deelneming daaraan.10. Ten aanzien van artikel 10, lid 4 In het aanvullend verdrag zullen de voorwaarden worden vastgelegd voor de toepassing van de in artikel 10, lid 3, genoemde behandeling.Deze voorwaarden zullen onder meer bepalingen omvatten met betrekking tot het verkopen of het op andere wijze afstand doen van overheidsbedrijven (aankopen privatisering) en het ontmantelen van monopolies (demonopolisering). 11. Ten aanzien van artikel 10, lid 4, en artikel 29, lid 6 De verdragsluitende partijen mogen de bepalingen van artikel 10, lid 4, en artikel 29, lid 6, in hun onderlinge samenhang bezien.12. Ten aanzien van artikel 14, lid 5 Het is de bedoeling dat een verdragsluitende partij die toetreedt tot een overeenkomst als bedoeld in artikel 14, lid 5, de garantie geeft dat de voorwaarden van een dergelijke overeenkomst niet in tegenspraak zijn met de verplichtingen van die verdragsluitende partij krachtens de artikelen van overeenkomst van het Internationaal Monetair Fonds.13. Ten aanzien van artikel 19, lid 1, letter
- i)Elke verdragsluitende partij mag besluiten in hoeverre de beoordeling en controle op milieu-effecten dient te zijn onderworpen aan wettelijke eisen, welke autoriteiten bevoegd zijn om besluiten te nemen in verband met dat soort eisen en welke passende procedures daarbij gevolgd moeten worden.14. Ten aanzien van de artikelen 22 en 23 Met betrekking tot de handel in energiegrondstoffen en energieproducten is met name in artikel 29 een aantal bepalingen opgenomen die de onder de artikelen 22 en 23 vallende onderwerpen nader uitwerken.15. Ten aanzien van artikel 24 Uitzonderingen die vervat zijn in de GATT en bijbehorende instrumenten, zijn van toepassing tussen individuele verdragsluitende partijen die tevens partij zijn bij de GATT, zoals in artikel 4 bepaald is.Met betrekking tot de handel in de onder artikel 29 vallende energiegrondstoffen en energieproducten werkt dat artikel de bepalingen ten aanzien van de onder artikel 24 vallende onderwerpen nader uit. 16. Ten aanzien van artikel 26, lid 2, letter
- a)Artikel 26, lid 2, letter a), moet niet worden geïnterpreteerd in die zin dat een verdragsluitende partij verzocht wordt deel III van dit Verdrag in het nationale recht op te nemen.17. Ten aanzien van de artikelen 26 en 27 De verwijzing naar in het kader van verdragen aangegane verplichtingen in de voorlaatste zin van artikel 10, lid 1, omvat geen besluiten die genomen werden door internationale organisaties, zelfs indien deze juridisch bindend zijn, of verdragen die vóór 1 januari 1970 van kracht zijn geworden.18. Ten aanzien van artikel 29, lid 2, letter
- a)
- a)Indien een bepaling uit de GATT-Overeenkomst van 1947 of een bijbehorend instrument waarnaar in deze alinea wordt verwezen, voorschrijft dat er gezamenlijk actie wordt ondernomen door de partijen bij de GATT, is het de bedoeling dat dit door de Conferentie over het Handvest wordt gedaan.
- b)De zinsnede « die op 1 maart 1994 van kracht zijn en ten aanzien van energiegrondstoffen en energieproducten door de partijen bij de GATT-Overeenkomst van 1947 onderling worden toegepast » is niet bedoeld als een verwijzing naar gevallen waarbij een partij bij de GATT een beroep heeft gedaan op artikel XXXV van de GATT, waarbij de GATT niet meer van toepassing is ten overstaan van een andere partij bij de GATT, doch past niettemin unilateraal op een de facto-basis sommige bepalingen van de GATT toe ten opzichte van die andere partij bij de GATT.19. Ten aanzien van artikel 33 De voorlopige Conferentie over het Handvest moet zo spoedig mogelijk een besluit nemen over de wijze waarop het doel van titel III van het Europese Energiehandvest kan worden bereikt, namelijk dat er moet worden onderhandeld over protocollen in samenwerkingsgebieden zoals die welke in titel III van het Handvest genoemd worden.20. Ten aanzien van artikel 34
- a)De voorlopige secretaris-generaal dient onmiddellijk contact op te nemen met andere internationale organisaties teneinde te weten te komen op welke voorwaarden deze bereid zouden zijn om taken op zich te nemen die uit het Verdrag en het Handvest voortvloeien.De voorlopige secretaris-generaal kan hierover rapporteren aan de voorlopige Conferentie over het Handvest op de vergadering die volgens artikel 45, lid 4, binnen 180 dagen na de openingsdatum voor de ondertekening van het Verdrag moet worden bijeengeroepen.
- b)De Conferentie over het Handvest dient vóór het begin van het financieel jaar de jaarlijkse begroting vast te stellen.21. Ten aanzien van artikel 34, lid 3, letter
- m)De technische wijzigingen in bijlagen kunnen bij voorbeeld betrekking hebben op het afvoeren van landen die niet hebben ondertekend of landen die, hoewel zij hebben ondertekend, te kennen hebben gegeven dat zij niet de bedoeling hebben tot ratificatie over te gaan, of op aanvullingen op de bijlagen N en VC.Het is de bedoeling dat het secretariaat in voorkomend geval dergelijke wijzigingen voorstelt aan de Conferentie over het Handvest. 22. Ten aanzien van bijlage TFU, punt 1
- a)Indien sommige partijen bij een overeenkomst die in punt 1 wordt genoemd binnen de voor kennisgeving vereiste termijn het Verdrag niet hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kunnen die partijen bij de overeenkomst die het Verdrag reeds hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden namens hen de kennisgeving verrichten.
- b)De algemene noodzaak om kennis te geven van overeenkomsten van zuiver commerciële aard werd niet vastgesteld omdat bij dergelijke overeenkomsten geen probleem ontstaat met betrekking tot de naleving van artikel 29, lid 2, letter a), zelfs indien deze door overheidsbedrijven worden gesloten.De Conferentie over het Handvest kan evenwel met het oog op de bijlage TFU verduidelijken bij welke soorten van de in artikel 29, lid 2, letter b), genoemde overeenkomsten kennisgeving op grond van de bijlage noodzakelijk is en bij welke dit niet het geval is. Verklaringen V. De vertegenwoordigers hebben verklaard dat artikel 18, lid 2, niet moet worden geïnterpreteerd als een mogelijkheid om de andere bepalingen van het Verdrag niet te hoeven toepassing. VI. De vertegenwoordigers hebben de aandacht gevestigd op de volgende verklaringen die met betrekking tot het Verdrag werden afgelegd : 1. Ten aanzien van artikel 1, lid 6 De Russische Federatie wenst dat bij de onderhandelingen met betrekking tot het in artikel 10, lid 4, genoemde aanvullende verdrag opnieuw wordt bekeken welk belang moet worden gehecht aan nationale wetgeving met betrekking tot de kwestie van de controle als vermeld in de afspraak bij artikel 1, lid 6.2. Ten aanzien van artikel 5 en artikel 10, lid 11 Australië merkt op dat de bepalingen van artikel 5 en van artikel 10, lid 11, geen afbreuk doen aan zijn rechten en verplichtingen krachtens de GATT, waaronder die welke zijn afgesproken in de Overeenkomst van de Uruguay-Ronde betreffende de met de handel verband houdende investeringsmaatregelen, met name ten aanzien van de lijst van uitzonderingen van artikel 5, lid 3, die naar de mening van Australië onvolledig is. Australië merkt voorts op dat het niet aan krachtens het Verdrag opgerichte geschillencommissies staat om, in het kader van geschillen tussen partijen bij de GATT of tussen een investeerder van een partij bij de GATT en een andere partij bij de GATT, de artikelen III en XI van de GATT te interpreteren. Australië is van mening dat in verband met de toepassing van artikel 10, lid 11, op de verhouding tussen een investeerder en een partij bij de GATT op grond van artikel 26 uitsluitend acht kan worden geslagen op geschillenbeslechting in die gevallen waarin het GATT-panel of de geschillencommissie van de Wereldhandelsorganisatie als eerste vaststelt dat een door een verdragsluitende partij gehandhaafde, met de handel verband houdende investeringsmaatregel in strijd is met haar verplichtingen op grond van de GATT of de Overeenkomst inzake met de handel verwante investeringsmaatregelen. 3. Ten aanzien van artikel 7 De Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten alsmede Oostenrijk, Noorwegen, Zweden en Finland verklaren dat de bepalingen van artikel 7 onderworpen zijn aan de conventionele regels uit het internationale recht betreffende de jurisdictie over onderzeese kabels en pijpleidingen of, indien dergelijke regels ontbreken, aan het algemene internationale recht. Zij verklaren voorts dat artikel 7 niet bedoeld is om de interpretatie van de bestaande internationale wetgeving met betrekking tot de jurisdictie over onderzeese kabels en pijpleidingen te beïnvloeden en ook niet als zodanig kan worden beschouwd. 4. Ten aanzien van artikel 10 Canada en de Verenigde Staten bevestigen beide dat zij de bepalingen van artikel 10 zullen toepassen met inachtneming van het volgende : Voor een evaluatie van de behandeling die aan investeerders van andere verdragsluitende partijen en hun investeringen dient te worden gegeven, zullen de omstandigheden per geval moeten worden bekeken.Een vergelijking tussen de behandeling die wordt gegeven aan investeerders van een bepaalde verdragsluitende partij, of de investeringen van investeerders van een bepaalde verdragsluitende partij, en die aan de investeringen of investeerders van een andere verdragsluitende partij, kan alleen worden gemaakt indien hierbij, van dezelfde omstandigheden wordt uitgegaan. Bij de vaststelling of een verschillende behandeling van investeerders of investeringen verenigbaar is met artikel 10, moeten twee fundamentele factoren in aanmerking worden genomen. De eerste factor wordt gevormd door de beleidsdoelstellingen van de verdragsluitende partijen op verschillende terreinen, voor zover deze verenigbaar zijn met de beginselen van non-discriminatie die in artikel 10 uiteen worden gezet. Gewettigde beleidsdoelstellingen kunnen een verschillende behandeling van buitenlandse investeerders of van hun investeringen rechtvaardigen om zo de ongelijke omstandigheden aan te geven waarin deze investeerders en hun investeringen enerzijds en hun nationale tegenhangers anderzijds verkeren. De doelstelling om de integriteit van het financiële systeem van een land te garanderen, rechtvaardigt bij voorbeeld redelijke voorzorgsmaatregelen met betrekking tot buitenlandse investeerders of investeringen, terwijl dergelijke maatregelen niet noodzakelijk zijn om dezelfde doelstellingen te bereiken wanneer het nationale investeerders of investeringen betreft. Deze buitenlandse investeerders of hun investeringen verkeren derhalve, vergeleken met nationale investeerders of hun investeringen, « in identieke omstandigheden ». Zelfs indien een dergelijke maatregel een verschillende behandeling mogelijk maakt, is hij niet in tegenspraak met artikel 10. De tweede factor is de mate waarin de maatregel wordt gemotiveerd door het feit dat de betrokken investeerder of investering buitenlands eigendom is of onder buitenlandse controle staat. Een maatregel die specifiek gericht is op investeerders omdat zij buitenlands zijn, zonder dat er beleidsmatig gezien voldoende redenen voorhanden zijn die met de voorgaande alinea kunnen worden verenigd, is in tegenspraak met de beginselen van artikel 10. De buitenlandse investeerder of investering verkeert « in identieke omstandigheden » als nationale investeerders en hun investeringen, en de maatregel is dus in tegenspraak met artikel 10. 5. Ten aanzien van artikel 25 De Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten wijzen erop dat overeenkomstig artikel 58 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap :
- a)de vennootschappen welke in overeenstemming met de wetgeving van een Lid-Staat zijn opgericht en welke hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, voor het recht van vestiging overeenkomstig het derde deel, titel III, hoofdstuk 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, worden gelijkgesteld met de natuurlijke personen die onderdanen zijn van de Lid-Staten;vennootschappen welke uitsluitend hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, dienen voor dit doel, een daadwerkelijke en permanente band te hebben met de economie van één van de Lid-Staten;
- b)onder « vennootschappen » wordt verstaan maatschappijen naar burgerlijk recht of handelsrecht, coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en overige rechtspersonen naar publiek- of privaat recht, met uitzondering van vennootschappen welke geen winst beogen. De Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten wijzen er verder op dat het communautaire recht de mogelijkheid verschaft om de hierboven omschreven behandeling uit te breiden tot filialen en agentschappen van vennootschappen die niet in één van de Lid-Staten gevestigd zijn, en voorts dat de toepassing van artikel 25 van het Verdrag inzake het Energiehandvest uitsluitend die afwijkingen mogelijk zal maken die noodzakelijk zijn om de voorkeursbehandeling te vrijwaren die een gevolg is van het voortgaande proces van economische integratie dat voortvloeit uit de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen. 6. Ten aanzien van artikel 40 Denemarken wijst erop dat het Europese Energiehandvest niet van toepassing is op Groenland en de Faeröer-eilanden zolang daarover geen mededeling is ontvangen van de plaatselijke regeringen van Groenland en de Faeröer-eilanden. In verband hiermee bevestigt Denemarken dat artikel 40 van het Verdrag van toepassing is op Groenland en de Faeröer-eilanden. 7. Ten aanzien van bijlage G (punt 4)
- a)De Europese Gemeenschappen en de Russische Federatie verklaren dat op hun onderlinge handel in kernmaterialen, tot aan het moment waarop zij een andere overeenkomst zullen sluiten, de bepalingen van toepassing zijn van artikel 22 van de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, die op 24 juni 1994 te Korfoe werd ondertekend, alsmede de daaraan gehechte briefwisseling en de desbetreffende gemeenschappelijke verklaring, terwijl voor geschillen met betrekking tot deze handel de procedures van de genoemde overeenkomst zullen gelden.
- b)De Europese Gemeenschappen en Oekraïne verklaren dat overeenkomstig de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomsten, die op 14 juni 1994 te Luxemburg werd ondertekend, en de bijbehorende Interimovereenkomst die op dezelfde dag werd geparafeerd, op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van een tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en Oekraïne te sluiten bijzondere overeenkomst van toepassing zijn. Tot de inwerkingtreding van deze bijzondere overeenkomst zullen op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van de op 18 december 1989 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking van toepassing blijven.
- c)De Europese Gemeenschappen en Kazachstan verklaren dat overeenkomstig de op 20 mei 1994 te Brussel geparafeerde Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van een tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en Kazachstan te sluiten bijzondere overeenkomst van toepassing zijn. Tot de inwerkingtreding van deze bijzondere overeenkomst zullen op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van de op 18 december 1989 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking van toepassing blijven.
- d)De Europese Gemeenschappen en Kirgizië verklaren dat overeenkomstig de op 31 mei 1994 te Brussel geparafeerde Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van een tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en Kirgizië te sluiten bijzondere overeenkomst van toepassing zijn. Tot de inwerkingtreding van deze bijzondere overeenkomst zullen op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van de op 18 december 1989 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking van toepassing blijven.
- e)De Europese Gemeenschappen en Tadzjikistan verklaren dat op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van een tussen de Europese Gemeenschap en Tadzjikistan te sluiten bijzondere overeenkomst van toepassing zullen zijn. Tot de inwerkingtreding van deze bijzondere overeenkomst zullen op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van de op 18 december 1989 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking van toepassing blijven.
- f)De Europese Gemeenschappen en Oezbekistan verklaren dat op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van een tussen de Europese Gemeenschap en Oezbekistan te sluiten bijzondere overeenkomst van toepassing zullen zijn. Tot de inwerkingtreding van deze bijzondere overeenkomst zullen op de handel in nucleair materiaal tussen beide landen uitsluitend de bepalingen van de op 18 december 1989 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking van toepassing blijven. Het Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten VII. De Conferentie over het Europese Energiehandvest heeft de tekst goedgekeurd van het Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten, dat te vinden is in bijlage 3. Het Europese Energiehandvest VIII. De voorlopige Conferentie over het Handvest en de Conferentie over het Handvest als bepaald in het Verdrag zijn voortaan verantwoordelijk voor het nemen van besluiten betreffende verzoeken om het slotdocument van de Conferentie van 's-Gravenhage over het Europese Energiehandvest en het op die Conferentie goedgekeurde Europese Energiehandvest te ondertekenen. Documentatie IX. De verslagen van de tijdens de Conferentie over het Europese Energiehandvest gevoerde onderhandelingen zullen op het secretariaat worden neergelegd. Gedaan te Lissabon de zeventiende december negentienhonderd vierennegentig. Bijlage 1 Verdrag inzake het Energiehandvest Preambule De partijen bij dit verdrag, Gelet op het Handvest van Parijs voor een nieuw Europa, ondertekend op 21 november 1990, Gelet op het Europese Energiehandvest dat is aangenomen als onderdeel van het op 17 december 1991 te 's-Gravenhage ondertekende Slotdocument van de Conferentie van's-Gravenhage over het Europese Energiehandvest, Eraan herinnerend dat alle partijen die het Slotdocument van de Conferentie van 's-Gravenhage ondertekend hebben, zich ertoe verboden hebben zich in te zetten voor de doelstellingen en beginselen van het Europese Energiehandvest en hun samenwerking zo snel mogelijk vorm te geven en uit te breiden door te goeder trouw te onderhandelen over een Verdrag inzake het Energiehandvest, met protocollen, en geleid door de wens om de in dat Handvest neergelegde verplichtingen op een deugdelijke en bindende internationale rechtsgrond te vestigen, Geleid door de wens om het structurele kader tot stand te brengen dat vereist is om de in het Europese Energiehandvest vermelde beginselen in praktijk te brengen, Geleid door de wens om een concrete invulling te geven aan de grondgedachte van het Europese Energiehandvest, te weten dat dit als katalysator voor de economische groei moet fungeren door het nemen van maatregelen voor de liberalisatie van de investeringen en de handel in energie, Bevestigend dat de verdragsluitende partijen het grootste belang hechten aan de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van volledig nationale behandeling en van meestbegunstiging, en dat deze verplichtingen zullen gelden voor het doen van investeringen uit hoofde van een aanvullend verdrag, Gezien de beoogde geleidelijke liberalisatie van het internationale handelsverkeer en het beginsel dat discriminatie in het internationale handelsverkeer moet worden vermeden, zoals dat tot uitdrukking is gebracht in de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel en de bijbehorende instrumenten, en zoals dat voorts in dit Verdrag is neergelegd, Vastbesloten technische, administratieve en andere belemmeringen voor de handel in energiegrondstoffen en energieprodukten en daarmee verband houdende uitrusting, technologieën en diensten geleidelijk weg te nemen, In het vooruitzicht dat de verdragsluitende partijen die momenteel geen partij zijn bij de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, uiteindelijk tot die Overeenkomst zullen toetreden, en ernaar strevend voorlopige handelsregelingen te treffen die de betrokken verdragsluitende partijen tot steun zijn en een voorbereiding op de toetreding tot die Overeenkomst niet in de weg staan, Gelet op de rechten en verplichtingen van sommige verdragsluitende partijen die tevens partij zijn bij de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel en de bijbehorende instrumenten, Gelet op mededingingsregels inzake fusies, monopolies, mededinging beperkende gedragingen en misbruik van machtsposities; Gelet voorts op het verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, de « Nuclear Suppliers Guidelines » (richtlijnen voor internationale nucleaire transacties) en andere internationale verplichtingen of afspraken met betrekking tot niet-verspreiding van kernwapens, Erkennend de noodzaak van een zo doelmatig mogelijke exploratie, produktie, omzetting, opslag, vervoer, distributie en gebruik van energie, Herinnerend aan het raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand en de protocollen daarbij, en andere internationale overeenkomsten op milieugebied met energieaspecten, en Erkennend dat er een steeds dringendere behoefte bestaat aan maatregelen ter bescherming van het milieu, met inbegrip van de ontmanteling van energie-installaties en de verwijdering van afvalstoffen, en aan hiertoe internationaal overeengekomen doelstellingen en criteria, Zijn het volgende overeengekomen : DEEL I Definities en doelstelling Artikel 1 Definities In dit Verdrag wordt verstaan onder : 1. « Handvest » : het Europese Energiehandvest dat is aangenomen als onderdeel van het op 17 december 1991 te 's-Gravenhage ondertekende Slotdocument van de Conferentie van 's-Gravenhage over het Europese Energiehandvest;ondertekening van het Slotdocument wordt beschouwd als ondertekening van het Handvest. 2. « Verdragsluitende partij » : een Staat of regionale organisatie voor economische integratie die ermede heeft ingestemd door het Verdrag te worden gebonden en waarvoor het Verdrag in werking is.3. « Regionale organisatie voor economische integratie » : een organisatie gevormd door Staten, waaraan haar Lid-Staten bevoegdheden hebben overgedragen ten aanzien van een aantal zaken, waarvan sommige onder dit Verdrag vallen, met inbegrip van de bevoegdheid aangaande die zaken besluiten te nemen welke voor haar lid-Staten bindend zijn.4. « Energiegrondstoffen en energieproducten », op basis van het geharmoniseerde systeem (GS) van de Internationale Douaneraad en de gecombineerde nomenclatuur (GN) van de Europese Gemeenschappen : de in bijlage EM opgenomen grondstoffen en producten.5. « Economische activiteit in de energiesector »: een economische activiteit met betrekking tot exploratie, winning, raffinage, productie, opslag, vervoer over land, transmissie, distributie, handel, marketing of verkoop van energiegrondstoffen en energieproducten, met uitzondering van die genoemd in bijlage NI, of met betrekking tot collectieve verwarmingssystemen.6. « Investering » : elke vorm van activa die een investeerder in eigendom heeft of waarover hij direct of indirect zeggenschap heeft, met inbegrip van :
- a)lichamelijke en onlichamelijke en roerende en onroerende zaken alsook eigendomsrechten, zoals huur-, hypotheek-, retentie- en pandrechten;
- b)een vennootschap of onderneming, of aandelen of andere vormen van vermogensdeelneming in en obligaties en andere schuldbewijzen van een vennootschap of onderneming;
- c)aanspraken op geld en aanspraken op prestaties volgens een contract met een economische waarde en in verband met een investering;
- d)intellectuele eigendom;
- e)opbrengsten;
- f)een bij wet of contract of uit hoofde van overeenkomstig de wet verleende licenties en vergunningen verleend recht om een economische activiteit in de energiesector te ondernemen. Een wijziging van de wijze waarop activa geïnvesteerd worden, heeft geen invloed op het karakter ervan als investeringen en de term « investering » bestrijkt alle investeringen, zowel de investeringen die al zijn gedaan op als de investeringen die worden gedaan na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor de verdragsluitende partij van de investeerder die de investering doet of voor de verdragsluitende partij op het grondgebied waarvan de investering wordt gedaan, al naargelang welke datum later is (hierna te noemen de « effectieve datum »), met dien verstande dat het Verdrag alleen van toepassing is op aangelegenheden die na de effectieve datum op zulke investeringen van invloed zijn. « Investering » heeft betrekking op elke investering in verband met een economische activiteit in de energiesector en op investeringen of categorieën investeringen die door een verdragsluitende partij op haar grondgebied worden aangemerkt als « onder het Handvest vallende efficiëntieprojecten » en als zodanig bij het secretariaat worden aangemeld. 7. « Investeerders » :
- a)van een verdragsluitende partij :
- i)natuurlijke personen die het staatsburgerschap of de nationaliteit bezitten van of permanent verblijven op het grondgebied van die verdragsluitende partij conform haar toepasselijke wetgeving;
- ii)vennootschappen of andere organisaties opgericht overeenkomstig de op het grondgebied van die verdragsluitende partij toepasselijke wetgeving;
- b)uit een derde land : natuurlijke personen, vennootschappen of andere organisaties die mutatis mutandis voldoen aan de onder
- a)aan verdragsluitende partijen gestelde voorwaarden;8. « Investeringen doen » : nieuwe investeringen tot stand brengen, een bestaande investering geheel of gedeeltelijk overnemen, dan wel op nieuwe terreinen investeringsactiviteiten ontwikkelen;9. « Opbrengsten » : de uit of in verband met een investering verkregen bedragen, ongeacht de vorm waarin zij worden betaald, met inbegrip van winst, dividenden, rente, vermogenswinst, uitkering van royalty's, vergoeding voor management of technische steun alsmede andere vormen van vergoedingen of betalingen in natura;10. « grondgebied » met betrekking tot een Staat, die verdragsluitende partij is :
- a)het grondgebied onder zijn soevereiniteit, met dien verstande dat dat grondgebied land, binnenwateren en de territoriale zee omvat, alsmede, en
- b)behoudens en overeenkomstig het internationale zeerecht, de zee, zeebodem en ondergrond daarvan waarover die verdragsluitende partij soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent. Met betrekking tot een regionale organisatie voor economische integratie die partij bij dit Verdrag is, betekent « grondgebied » de gebieden van de Lid-Staten van die organisatie volgens de bepalingen van het verdrag tot oprichting van die organisatie; 11.
- a)« GATT » : de « GATT-Overeenkomst van 1947 » of de « GATT-Overeenkomst van 1994 », of beide, indien beide van toepassing zijn.
- b)de « GATT-Overeenkomst van 1947 » : de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 30 oktober 1947, die is gehecht aan de Slotakte van de Tweede Zitting van de Voorbereidende Commissie van de Conferentie der Verenigde Naties over handel en werkgelegenheid, zoals later gerectifieerd of gewijzigd.
- c)de « GATT-Overeenkomst van 1994 » : de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel die is opgenomen in bijlage 1A van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, zoals later gerectificeerd of gewijzigd. Elke partij bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie wordt geacht partij te zijn bij de GATT-Overeenkomst van 1994.
- d)« bijbehorende instrumenten », naar gelang van het geval :
- i)overeenkomsten, regelingen of andere juridische instrumenten, met inbegrip van besluiten, verklaringen en afspraken, in het kader van de GATT-Overeenkomst van 1947 zoals later gerectificeerd of gewijzigd, of
- ii)de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, met inbegrip van bijlage 1 (behalve de GATT-Overeenkomst van 1994), bijlage 2, bijlage 3 en bijlage 4 daarvan, alsmede de daarmee samenhangende besluiten, verklaringen en afspraken, zoals later gerectificeerd of gewijzigd;12. « Intellectuele eigendom » : auteursrechten en daarmee verband houdende rechten, handelsmerken, geografische aanduidingen, industriële ontwerpen, octrooien, de lay-out van geïntegreerde schakelingen en de bescherming van niet openbaar gemaakte informatie.13.
- a)« Protocol bij het Energiehandvest » of « Protocol » : een verdrag waarvoor de Conferentie over het Handvest machtiging tot onderhandeling heeft verleend en dat zij heeft aangenomen, en dat is gesloten door twee of meer verdragsluitende partijen om de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot specifieke sectoren of categorieën activiteiten die onder dit Verdrag vallen, of tot de samenwerkingsgebieden bedoeld in titel III van het Handvest te vervolledigen, aan te vullen, uit te breiden of nader uit te werken.
- b)« Verklaring uit hoofde van het Energiehandvest » of « Verklaring » : een juridisch niet bindend instrument waartoe de Conferentie over het Handvest machtiging tot onderhandeling heeft verleend en waarvan zij de tekst heeft goedgekeurd, en die is gesloten door twee of meer verdragsluitende partijen om de bepalingen van dit Verdrag te vervolledigen of aan te vullen.14. « vrij inwisselbare valuta » : een valuta die op grote schaal op internationale deviezenmarkten verhandeld en bij internationale transacties gebruikt wordt. Artikel 2 Doel van het Verdrag Dit Verdrag heeft als doel een juridisch kader te bieden voor het bevorderen van de samenwerking op lange termijn op energiegebied, op basis van wederzijds voordeel en complementariteit en overeenkomstig de doelstelling en beginselen van het Handvest. DEEL II Handel Artikel 3 Internationale markten De verdragsluitende partijen streven ernaar te bevorderen dat de internationale markten onder commerciële voorwaarden toegankelijk zijn en streven er meer in het algemeen naar een open en op concurrentie gerichte markt voor energiegrondstoffen en energieproducten te ontwikkelen. Artikel 4 Onverkorte gelding van de GATT en bijbehorende instrumenten De bepalingen van dit Verdrag laten, in de betrekkingen tussen individuele verdragsluitende partijen die tevens partij zijn bij de GATT, de bepalingen van de GATT en bijbehorende instrumenten zoals die worden toegepast tussen die verdragsluitende partijen, onverlet. Artikel 5 Met de handel verband houdende investeringsmaatregelen 1. Een verdragsluitende partij past geen met de handel verband houdende investeringsmaatregel toe die onverenigbaar is met het bepaalde in artikel III of artikel XI van de GATT;deze bepaling laat de rechten en verplichtingen van de verdragsluitende partij krachtens de GATT en bijbehorende instrumenten en krachtens artikel 29 onverlet. 2. Dergelijke maatregelen omvatten investeringsmaatregelen die verplicht of afdwingbaar zijn krachtens de nationale wetgeving of een bestuursrechtelijke beslissing, dan wel waarvan de naleving voorwaarde is voor het verkrijgen van een voordeel, en die voorschrijven dat :
- a)een bedrijf producten van binnenlandse oorsprong of herkomst moet kopen of gebruiken, ongeacht of dit voorschrift geldt voor specifieke producten, een bepaalde hoeveelheid van of een bepaalde waarde aan producten, dan wel voor een bepaald deel van de omvang of waarde van zijn lokale productie, of
- b)de aankoop of het gebruik van geïmporteerde producten door een bedrijf moet worden beperkt tot een hoeveelheid die in een bepaalde verhouding staat tot de hoeveelheid of de waarde van de lokale producten die het bedrijf uitvoert, of die een beperking oplegt aan :
- c)de invoer, door een bedrijf, van producten die gebruikt worden bij of verband houden met de lokale productie van het bedrijf, in het algemeen, dan wel voor een hoeveelheid die in een bepaalde verhouding staat tot de omvang of de waarde van de lokale productie die het bedrijf uitvoert;
- d)de invoer door een bedrijf van producten die gebruikt worden bij of verband houden met de lokale productie van dat bedrijf, welke beperking erin bestaat dat het bedrijf slechts toegang krijgt tot een bedrag aan deviezen dat in verhouding staat tot de aan het bedrijf toe te schrijven inbreng van deviezen, of
- e)de uitvoer of verkoop voor uitvoer van producten door een bedrijf, ongeacht of deze beperking geldt voor specifieke producten, voor een bepaalde hoeveelheid van of waarde aan producten, dan wel voor een bepaald deel van de omvang of de waarde van zijn lokale productie.3. Geen enkele bepaling van lid 1 mag worden uitgelegd als een beletsel voor een verdragsluitende partij om de in lid 2, letters
- a)en c), bedoelde met de handel verband houdende investeringsmaatregelen toe te passen als voorwaarde om in aanmerking te komen voor exportbevordering, buitenlandse hulp, overheidsopdrachten of programma's die voorzien in preferentiële tarieven of quota.4. Ongeacht lid 1 kan een verdragsluitende partij tijdelijk met de handel verband houdende investeringsmaatregelen handhaven die bij de ondertekening van dit Verdrag door die partij reeds meer dan 180 dagen van toepassing waren, zulks onder voorbehoud van de bepalingen inzake kennisgeving en uitfasering die zijn opgenomen in bijlage TRM. Artikel 6 Mededinging 1. Elke verdragsluitende partij streeft naar vermindering van marktverstoringen en belemmeringen van de mededinging bij economische activiteiten in de energiesector.2. Elke verdragsluitende partij zorgt ervoor dat zij binnen haar rechtsmacht de nodige wetten ter bestrijding van unilaterale en overeengekomen mededinging beperkende gedragingen bij economische activiteit in de energiesector tot stand brengt en doet naleven.3. Verdragsluitende partijen die ervaring hebben met het toepassen van de mededingingsregels dienen in ernst te overwegen om desgevraagd en binnen de grenzen van de beschikbare middelen technische bijstand voor de ontwikkeling en toepassing van mededingingsregels te verlenen aan andere verdragsluitende partijen.4. De verdragsluitende partijen kunnen bij de handhaving van hun mededingingsregels samenwerken door middel van onderling overleg en uitwisseling van informatie.5. Indien een verdragsluitende partij van oordeel is dat een bepaalde mededinging beperkende gedraging binnen het grondgebied van een andere verdragsluitende partij een nadelige invloed heeft op een aanzienlijk belang ten aanzien van de in dit artikel aangegeven doeleinden, kan die verdragsluitende partij de andere verdragsluitende partij daarvan in kennis stellen en verzoeken dat de mededingingsautoriteiten van de andere verdragsluitende partij passende handhavingsmaatregelen treffen.Bij die kennisgeving verstrekt deze verdragsluitende partij voldoende informatie, opdat de verdragsluitende partij die een kennisgeving heeft ontvangen kan vaststellen op welke mededinging beperkende gedragingen die kennisgeving betrekking heeft, en biedt zij aan alle verdere informatie te geven en alle verdere medewerking te verlenen die binnen haar vermogen ligt. De verdragsluitende partij die een kennisgeving heeft ontvangen of, naar gelang van het geval, de betrokken mededingingsautoriteiten kan (kunnen) overleg plegen met de mededingingsautoriteiten van de andere verdragsluitende partij en neemt (nemen) het verzoek van de andere verdragsluitende partij ernstig in overweging bij haar (hun) besluit al dan niet handhavingsmaatregelen te nemen ten aanzien van de in de kennisgeving genoemde mededinging beperkende gedraging. De verdragsluitende partij die een kennisgeving heeft ontvangen, informeert de andere verdragsluitende partij over haar besluit of het besluit van de betrokken mededingingsautoriteiten en kan, indien zij dit wenst, de andere verdragsluitende partij informeren over de beweegredenen voor het besluit. Indien handhavingsmaatregelen worden genomen, doet de verdragsluitende partij die een kennisgeving heeft ontvangen mededeling aan de andere verdragsluitende partij van het resultaat daarvan en, voor zover mogelijk, van significante ontwikkelingen die zich inmiddels hebben voorgedaan. 6. Geen enkele bepaling van dit artikel eist dat een verdragsluitende partij informatie moet verstrekken in strijd met haar wetten betreffende openbaarmaking van informatie, vertrouwelijkheid en bedrijfsgeheimen.7. De in lid 5 en artikel 27, lid 1, beschreven procedures vormen binnen dit Verdrag de enige wijze waarop mogelijke geschillen betreffende de uitvoering of interpretatie van dit artikel kunnen worden geregeld. Artikel 7 Doorvoer 1. Elke verdragsluitende partij neemt de nodige maatregelen ter vergemakkelijking van de doorvoer van energiegrondstoffen en energieproducten overeenkomstig het beginsel van vrije doorvoer en zonder onderscheid te maken naar oorsprong, bestemming of eigendom van die energiegrondstoffen en energieproducten, zonder prijsdiscriminatie op grond van een dergelijk onderscheid en zonder onredelijke vertragingen, beperkingen of heffingen op te leggen.2. De verdragsluitende partijen moedigen de bevoegde diensten ertoe aan om mee te werken aan :
- a)de modernisering van de energietransportvoorzieningen die noodzakelijk zijn voor de doorvoer van energiegrondstoffen en energieproducten;
- b)de ontwikkeling en exploitatie van energietransportvoorzieningen die het grondgebied van meer dan een verdragsluitende partij bestrijken;
- c)maatregelen om de gevolgen van onderbrekingen van de voorziening met energiegrondstoffen en energieproducten te ondervragen;
- d)het vergemakkelijken van de onderlinge verbinding van energietransportvoorzieningen.3. Elke verdragsluitende partij verbindt zich ertoe dat, wat betreft energiegrondstoffen en energieproducten in doorvoer, haar bepalingen inzake het vervoer van energiegrondstoffen en energieproducten en het gebruik van energietransportvoorzieningen niet ongunstiger zijn dan voor dergelijke grondstoffen en producten afkomstig van of bestemd voor haar eigen grondgebied, tenzij dit in een bestaande internationale overeenkomst anders is bepaald.4. Ingeval doorvoer van energiegrondstoffen en energieproducten via energietransportvoorzieningen niet op commerciële voorwaarden kan geschieden, werpen de verdragsluitende partijen geen belemmeringen op voor het creëren van nieuwe capaciteit, tenzij dit, in de vigerende wetgeving die niet in strijd is met lid 1, anders is bepaald.5. Een vedragsluitende partij over wier grondgebied doorvoer van energiegrondstoffen en energieproducten kan plaatsvinden, is niet verplicht :
- a)toestemming te geven voor de aanleg of aanpassing van energietransportvoorzieningen, of
- b)toestemming te geven voor nieuwe of bijkomende doorvoerstromen via bestaande energietransportvoorzieningen; waarvan zij tegenover de andere betrokken verdragsluitende partijen kan aantonen dat daardoor de veiligheid of de doeltreffendheid van haar energiesystemen, inclusief de zekerheid van de voorziening, in gevaar zou worden gebracht. Behoudens het bepaalde in lid 6 en lid 7 garanderen de verdragsluitende partijen de bestaande stromen van energiegrondstoffen en energieproducten naar, van of tussen het grondgebied van andere vedragsluitende partijen. 6. In geval van een geschil over een aangelegenheid in verband met de doorvoer van energiegrondstoffen en energieproducten over het grondgebied van een verdragsluitende partij mag die verdragsluitende partij, vóór de afsluiting van de in lid 7 bedoelde procedures voor het beslechten van geschillen, de bestaande stroom van energiegrondstoffen en energieproducten niet onderbreken of verminderen, toelaten dat een lichaam onder haar zeggenschap dat doet, dan wel van een lichaam onder haar rechtsmacht vereisen dat die de bestaande stroom van energiegrondstoffen en energieproducten onderbreekt of vermindert, tenzij zulks uitdrukkelijk is vermeld in een contract of een andere overeenkomst over deze doorvoer of is toegestaan bij een besluit van de bemiddelaar.7. De volgende bepalingen zijn van toepassing op een geschil als bedoeld in lid 6, zij het pas nadat alle contractuele of andere van tevoren overeengekomen middelen voor het beslechten van geschillen tussen de verdragsluitende partijen die partij zijn bij het geschil, of tussen een in lid 6 bedoeld lichaam en een lichaam van een andere verdragsluitende partij die partij is bij het geschil, zijn uitgeput :
- a)een verdragsluitende partij die partij is bij het geschil kan dit voorleggen aan de secretaris-generaal door middel van een kennisgeving waarin de aangelegenheden waarop het geschil betrekking heeft, worden samengevat.De secretaris-generaal stelt alle verdragsluitende partijen hiervan in kennis;
- b)de secretaris-generaal wijst binnen 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving in overleg met de partijen bij het geschil en de andere betrokken verdragsluitende partijen een bemiddelaar aan.De bemiddelaar moet ervaring hebben met de aangelegenheden waarop het geschil betrekking heeft en mag geen onderdaan, staatsburger of ingezetene zijn van een partij bij het geschil of een van de andere betrokken verdragsluitende partijen;
- c)de bemiddelaar streeft ernaar dat de partijen bij het geschil akkoord gaan met een oplossing ervan of met een procedure om een dergelijke oplossing te bereiken.Indien hij niet binnen 90 dagen na te zijn aangewezen een dergelijk akkoord heeft bewerkstelligd, doet hij een aanbeveling voor een oplossing van het geschil of een procedure op een dergelijke oplossing te bereiken, en neemt hij een besluit over de voorlopige tarieven en andere voorwaarden die voor de doorvoer in acht moeten worden genomen, vanaf een datum die hij aangeeft, totdat het geschil is opgelost;
- d)de verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe erop toe te zien en ervoor te zorgen dat de lichamen onder hun zeggenschap of rechtsmacht een voorlopig besluit krachtens letter
- c)inzake tarieven en voorwaarden in acht nemen gedurende twaalf maanden na het besluit van de bemiddelaar of totdat het geschil is opgelost, al naargelang welk van beide tijdstippen eerder valt;
- e)ongeacht letter
- d)kan de secretaris-generaal ervan afzien een bemiddelaar aan te wijzen indien naar zijn oordeel het geschil betrekking heeft op doorvoer die reeds het voorwerp is of is geweest van de in de letters
- a)tot en met
- d)opgenomen procedures voor het beslechten van geschillen, en deze procedures niet tot een oplossing van het geschil hebben geleid;
- f)de Conferentie over het Handvest stelt standaardbepalingen vast betreffende de afwikkeling van de bemiddelingsprocedure en de vergoeding van bemiddelaars.8. Geen enkele bepaling van dit artikel doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van een verdragsluitende partij krachtens het internationale recht, met inbegrip van het internationale gewoonterecht, alsook krachtens bilaterale of multilaterale overeenkomsten, met inbegrip van voorschriften inzake onderzeese kabels en pijpleidingen.9. Dit artikel mag niet zo worden uitgelegd dat daardoor een verdragsluitende partij die niet beschikt over een bepaald type energietransportvoorzieningen dat wordt gebruikt voor doorvoer, verplicht is maatregelen met betrekking tot dat type energiestransportvoorzieningen te nemen ingevolge de bepalingen van dit artikel.Deze verdragsluitende partij is echter verplicht te voldoen aan het bepaalde in lid 4. 10. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
- a)« doorvoer » :
- i)de overbrenging via het grondgebied van een verdragsluitende partij, dan wel naar of van op het grondgebied van die partij gelegen haveninstallaties voor laden of lossen, van energiegrondstoffen en energieprodukten die afkomstig zijn van het grondgebied van een andere Staat en bestemd zijn voor het grondgebied van een derde Staat, met dien verstande dat hetzij die andere Staat, hetzij die derde Staat een verdragsluitende partij is, of
- ii)de overbrenging via het grondgebied van een verdragsluitende partij van energiegrondstoffen en energieprodukten die afkomstig zijn van het grondgebied van een andere verdragsluitende partij en bestemd zijn voor het grondgebied van die andere verdragsluitende partij, tenzij de twee betrokken verdragsluitende partijen daarover anders beslissen en deze beslissing door middel van een gezamenlijke aantekening in bijlage N opnemen.De twee verdragsluitende partijen kunnen hun aantekeningen in bijlage N doorhalen door een gezamenlijke schriftelijke kennisgeving van hun voornemen aan het secretariaat, dat deze kennisgeving doorzendt aan alle andere verdragsluitende partijen. De doorhaling wordt vier weken na de kennisgeving aan het secretariaat van kracht;
- b)« Energietransportvoorzieningen » : hogedruk-gaspijpleidingen, hoogspanningsgrid-netwerken, aardoliepijpleidingen, kolenslikpijpleidingen, pijpleidingen voor olieproducten en andere vaste installaties die specifiek bestemd zijn voor het behandelen van energiegrondstoffen en energieproducten. Artikel 8 Overdracht van technologie 1. De verdragsluitende partijen komen overeen, onder voorbehoud van hun wetten en voorschriften en de bescherming van de intellectuele eigendom, de toegang tot en de overdracht van energietechnologie op commerciële en niet discriminerende basis te bevorderen, teneinde de handel in energiegrondstoffen en energieproducten en de investeringen te ondersteunen en het doel van het Handvest te verwezenlijken.2. Voor zover nodig voor de toepassing van lid 1 heffen de verdragsluitende partijen derhalve bestaande belemmeringen op en creëren zij geen nieuwe belemmeringen voor de overdracht van technologie op het gebied van energiegrondstoffen en energieprodukten, alsmede uitrusting en diensten die hiermee samenhangen, onder voorbehoud van non-proliferatieverplichtingen en andere internationale verplichtingen. Artikel 9 Toegang tot kapitaal 1. De verdragsluitende partijen erkennen het belang van open kapitaalmarkten voor het bevorderen van de kapitaalstroom voor de financiering van de handel in energiegrondstoffen en energieproducten en voor het doen en ondersteunen van investeringen in economische activiteit in de energiesector op het grondgebied van andere verdragsluitende partijen, met name die wier economie zich in een oveergangssituatie bevindt.Elke verdragsluitende partij streeft er derhalve naar toegang tot haar kapitaalmarkt te bevorderen voor bedrijven en onderdanen van andere verdragsluitende partijen, met het oog op de financiering van handelstransacties in energiegrondstoffen en energieprodukten en met het oog op investeringen in economische activiteit in de energiesector op het grondgebied van die andere verdragsluitende partijen, onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke onder vergelijkbare omstandigheden gelden voor haar eigen bedrijven en onderdanen of voor bedrijven en onderdanen van een andere verdragsluitende partij of derde Staat, al naargelang welke voorwaarden het gunstigst zijn. 2. Een verdragsluitende partij kan programma's vaststellen en in stand houden die toegang verschaffen tot overheidsleningen, subsidies, garanties of verzekeringen ter vergemakkelijking van handelsactiviteit of investeringen in het buitenland.Zij stelt deze faciliteiten beschikbaar, met inachtneming van de doelstellingen, beperkingen en criteria van de desbetreffende programma's (met inbegrip van overwegingen, doelstellingen, beperkingen of criteria met betrekking tot de vestigingsplaats van de aanvrager van een dergelijke faciliteit of de plaats van levering van met steun van deze faciliteit geleverde goederen of diensten), voor investeringen in de economische activiteit in de energiesector van andere verdragsluitende partijen of voor de financiering van handelstransacties met betrekking tot energiegrondstoffen en energieproducten met andere verdragsluitende partijen. 3. Bij de uitvoering van programma's op het gebied van de economische activiteit in de energiesector ter verbetering van de economische stabiliteit en het investeringsklimaat van de verdragsluitende partijen, streven deze er op passende wijze naar om de werkzaamheden van de op dit ge bied opererende internationale financiële instellingen te bevorderen en gebruik te maken van de bij die instellingen aanwezige deskundigheid.4. Geen enkele bepaling van dit artikel belet :
- a)financiële instellingen om hun eigen op marktbeginselen en bedrijfseconomische overwegingen gebaseerde krediet- of verzekeringssysteem toe te passen, of
- b)een verdragsluitende partij om maatregelen te nemen :
- i)om bedrijfseconomische redenen, met inbegrip van de bescherming van investeerders, consumenten, depositeurs, polishouders of personen ten aanzien waarvan een verstrekker van financiële diensten een fiduciaire verplichting heeft;
- ii)om de integriteit en stabiliteit van haar financiële systeem en kapitaalmarkten te waarborgen. DEEL III Bevordering en bescherming van investeringen Artikel 10 Bevordering, bescherming en behandeling van investeringen 1. Elke verdragsluitende partij bevordert en schept overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag stabiele, billijke, gunstige en transparante voorwaarden voor het doen van investeringen op haar grondgebied door investeerders van andere verdragsluitende partijen. Tot die voorwaarden behoort de verbintenis investeringen van investeerders van andere verdragsluitende partijen steeds eerlijk en billijk te behandelen. Dergelijke investeringen genieten voorts duurzame bescherming en zekerheid en de verdragsluitende partijen doen niet met onredelijke of discriminerende maatregelen afbreuk aan het beheer, de instandhouding, het gebruik en het genot ervan en de beschikking erover. In geen geval mogen deze investeringen minder gunstig worden behandeld dan het internationale recht, met inbegrip van in het kader van verdragen aangegane verplichtingen, vereist. Elke verdragsluitende partij moet verplichtingen die zij is aangegaan ten aanzien van investeerders of met betrekking tot investeringen door investeerders van een andere verdragsluitende partij nakomen. 2. Elke verdragsluitende partij streeft ernaar om investeerders van andere verdragsluitende partijen, wat betreft het doen van investeringen op haar grondgebied, de in lid 3 omschreven behandeling toe te kennen.3. In dit artikel wordt onder « behandeling » verstaan een behandeling toegekend door een verdragsluitende partij die niet minder gunstig is dan die welke zij toekent aan haar eigen investeerders of aan de investeerders van een andere verdragsluitende partij of een derde Staat, al naargelang welke behandeling het gunstigst is.4. Bij een aanvullend verdrag wordt, onder daarin op te nemen voorwaarden, aan elke partij daarbij de verplichting opgelegd om, wat betreft het doen van investeringen op haar grondgebied, aan investeerders van andere partijen de in lid 3 omschreven behandeling toe te kennen.Dit aanvullende verdrag staat open voor ondertekening door de Staten en regionale organisaties voor economische integratie die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden. De onderhandelingen over het aanvullende verdrag beginnen uiterlijk op 1 januari 1995 en het ligt in de bedoeling deze op 1 januari 1998 af te ronden. 5. Elke verdragsluitende partij streeft ernaar om, wat betreft het doen van investeringen op haar grondgebied :
- a)uitzonderingen op de in lid 3 omschreven behandeling tot een minimum te beperken;
- b)bestaande beperkingen voor investeerders van andere verdragsluitende partijen geleidelijk weg te nemen.6.
- a)Een verdragsluitende partij kan, wat betreft het doen van investeringen op haar grondgebied, te allen tijde, via het secretariaat, de Conferentie over het Handvest uit eigen beweging in kennis stellen van haar voornemen geen nieuwe uitzonderingen op de in lid 3 omschreven behandeling vast te stellen.
- b)Voorts kan een verdragsluitende partij te allen tijde uit eigen beweging de verbintenis aangaan om, wat betreft het doen van investeringen in een aantal van de of in alle economische activiteiten in de energiesector op haar grondgebied, investeerders van andere verdragsluitende partijen de in lid 3 omschreven behandeling toe te kennen.Een dergelijke verbintenis dient ter kennis van het secretariaat te worden gebracht en in bijlage VC te worden opgenomen, en is bindend krachtens dit Verdrag. 7. Elke verdragsluitende partij kent aan investeringen op haar grondgebied van investeerders van andere verdragsluitende partijen, en daarmee verband houdende activiteiten waaronder het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot daarvan of de beschikking daarover, een niet minder gunstige behandeling toe dan aan investeringen van haar eigen investeerders of van investeerders van een andere verdragsluitende partij of derde Staat en daarmee verband houdende activiteiten waaronder het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot daarvan of de beschikking daarover, al naargelang welke behandeling het gunstigst is.8. De modaliteiten voor de toepassing van lid 7 met betrekking tot programma's in het kader waarvan een verdragsluitende partij subsidies of andere financiële steun verleent of contracten afsluit voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van energietechnologie, worden opgenomen in het in lid 4 bedoelde aanvullende verdrag.Elke verdragsluitende partij stelt de Conferentie over het Handvest via het secretariaat in kennis van de modaliteiten die zij toepast ten aanzien van de in dit lid bedoelde programma's. 9. Elke Staat of regionale organisatie voor economische integratie die dit Verdrag ondertekent of tot dit Verdrag toetreedt, dient op de dag waarop hij of zij het Verdrag ondertekent of de akte van toetreding nederlegt, bij het secretariaat een verslag in waarin een overzicht wordt gegeven van alle wettelijke, bestuursrechtelijke en andere maatregelen met betrekking tot :
- a)uitzonderingen op lid 2, of
- b)de in lid 8 bedoelde programma's. Een verdragsluitende partij meldt met het oog op het actueel houden van haar verslag onverwijld elke wijziging bij het secretariaat. De Conferentie over het Handvest bestudeert deze verslagen op gezette tijden. Met betrekking tot het bepaalde in letter
- a)kunnen in het verslag delen van de energiesector worden aangewezen waarin een verdragsluitende partij investeerders van andere verdragsluitende partijen de in lid 3 omschreven behandeling toekent. Met betrekking tot het bepaalde in letter
- b)kunnen bij de bestudering van het verslag door de Conferentie over het Handvest de effecten van dergelijke programma's op mededinging en investeringen in beschouwing worden genomen. 10. Ongeacht enige andere bepaling van dit artikel geldt de in lid 3 en lid 7 omschreven behandeling niet voor de bescherming van de intellectuele eigendom;de daarvoor geldende behandeling is die welke is omschreven in de desbetreffende bepalingen van de vigerende internationale overeenkomsten inzake de bescherming van de intellectuele eigendom waarbij de onderscheiden verdragsluitende partijen partij zijn. 11. Voor de toepassing van artikel 26 wordt de toepassing door een verdragsluitende partij van een investeringsmaatregel of handelsgebied als bedoeld in artikel 5, lid 1 en lid 2, op een op dat tijdstip reeds bestaande investering van een investeerder van een andere verdragsluitende partij beschouwd, behoudens het bepaalde in artikel 5, lid 3 en lid 4, als een inbreuk op een verplichting van eerstgenoemde verdragsluitende partij krachtens dit deel III.12. Elke verdragsluitende partij zorgt ervoor dat haar interne wetgeving doeltreffende middelen biedt voor het doen gelden van aanspraken en de handhaving van rechten betreffende investeringen, investeringsovereenkomsten en investeringsvergunningen. Artikel 11 Stafpersoneel 1. Een verdragsluitende partij behandelt, onder voorbehoud van haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende binnenkomst, verblijf en arbeid van een natuurlijke persoon, te goeder trouw verzoeken van investeerders van een andere verdragsluitende partij en van stafpersoneel in dienst van dergelijke investeerders of werkzaam in het kader van investeringen van dergelijke investeerders om haar grondgebied binnen te mogen komen en daar tijdelijk te verblijven voor activiteiten in verband met het doen van of de ontwikkeling, het beheer, de instandhouding, het gebruik en het genot van of de beschikking over relevante investeringen, met inbegrip van het verstrekken van adviezen of essentiële technische diensten.2. Een verdragsluitende partij geeft investeerders van een andere verdragsluitende partij, die investeringen op haar grondgebied hebben gedaan, alsmede voor hun investeringen, toestemming om naar keuze van die investeerder of voor die investering, stafleden in dienst te nemen, ongeacht nationaliteit en staatsburgerschap, op voorwaarde dat de betrokken stafleden toestemming hebben gekregen om het grondgebied van de eerstgenoemde verdragsluitende partij binnen te komen en daar te verblijven en te werken, en dat het betrokken dienstverband in overeenstemming is met de voorwaarden en termijnen die verbonden zijn aan de voor die stafleden verleende toestemming. Artikel 12 Compensatie van verliezen 1. Behoudens wanneer artikel 13 van toepassing is, wordt aan een investeerder van een verdragsluitende partij die met betrekking tot een investering op het grondgebied van een andere verdragsluitende partij een verlies lijdt ten gevolge van oorlog of een ander gewapend conflict, een nationale noodtoestand, burgerlijke ongeregeldheden of andere soortgelijke gebeurtenissen op dat grondgebied, door laatstgenoemde verdragsluitende partij wat betreft restitutie, schadeloosstelling, compensatie of een andere regeling de gunstigste behandeling toegekend welke die partij andere investeerders, hetzij eigen investeerders, hetzij investeerders van een andere verdragsluitende partij, hetzij investeerders van een derde Staat, toekent.2. Onverminderd lid 1 wordt een investeerder van een verdragsluitende partij die in één van de in lid 1 genoemde situaties op het grondgebied van een andere verdragsluitende partij een verlies lijdt ten gevolge van :
- a)de vordering van zijn investering of een deel daarvan door de strijdkrachten of de overheid van die verdragsluitende partij, of
- b)de vernietiging van zijn investering of een deel daarvan door de strijdkrachten of de overheid van die Verdragsluitende partij, anders dan onder dwang van de omstandigheden, restitutie of vergoeding toegekend, die in beide gevallen prompt, adequaat en doeltreffend is. Artikel 13 Onteigening 1. Investeringen van investeerders van een verdragsluitende partij op het grondgebied van een andere verdragsluitende partij mogen niet worden genationaliseerd, onteigend of onderworpen aan maatregelen met een soortgelijk effect als nationalisatie of onteigening (hierna te noemen « onteigening »), behalve wanneer de onteigening :
- a)geschiedt in het algemeen belang,
- b)niet discriminerend is,
- c)geschiedt met inachtneming van een behoorlijke rechtsgang, en
- d)gepaard gaat met de betaling van prompte, adequate en doeltreffende compensatie. Die compensatie is gelijk aan de billijke marktwaarde van de onteigende investering op het tijdstip vlak voordat de onteigening of op handen zijnde onteigening zodanig bekend werd dat de investeringswaarde werd beïnvloed (hierna te noemen de « datum van de waardbepaling »). Deze billijke marktwaarde wordt op verzoek van de investeerder berekend in een vrij inwisselbare valuta volgens de voor die valuta op de datum van de waardebepaling geldende marktwisselkoers. De compensatie omvat tevens rente over de periode tussen de onteigenings- en de betalingsdatum, welke berekend wordt tegen een commercieel, op marktbasis vastgesteld tarief. 2. De betrokken investeerder heeft recht op onverwijlde toetsing, krachtens het recht van de verdragsluitende partij die de onteigening verricht, van zijn zaak, de waardebepalingen van zijn investeringen en de betaling van compensatie overeenkomstig de beginselen neergelegd in lid 1, door een gerechtelijke of andere onafhankelijke bevoegde instantie van die partij.3. Voor alle duidelijkheid wordt bepaald dat onteigening ook de gevallen omvat waarin een verdragsluitende partij de activa onteigent van een vennootschap of onderneming op haar grondgebied waarin een investeerder van een andere verdragsluitende partij een investering heeft, ook indien via aandelenbezit. Artikel 14 Overmakingen van gelden in verband met investeringen 1. Elke verdragsluitende partij waarborgt met betrekking tot investeringen op haar grondgebied door investeerders van een andere verdragsluitende partij het vrij verrichten van overmakingen van gelden naar en van haar grondgebied, waaronder de overmaking van :
- a)aanvangskapitaal en aanvullend kapitaal voor de instandhouding en ontwikkeling van een investering;
- b)opbrengsten;
- c)betalingen uit hoofde van een contract, met inbegrip van de aflossing van de hoofdsom en de betaling van de lopende rente ingevolge een leningsovereenkomst;
- d)niet bestede inkomsten en andere bezoldigingen van personeel dat in verband met die investering uit het buitenland aangeworven is;
- e)opbrengsten uit de volledige of gedeeltelijke verkoop of liquidatie van een investering of een deel daarvan;
- f)betalingen die voortvloeien uit de beslechting van een geschil, en
- g)compensatiebetalingen overeenkomstig de artikelen 12 en 13.2. De in lid 1 genoemde overmakingen geschieden onverwijld en, behoudens in geval van opbrengsten in natura, in een vrij inwisselbare valuta.3. Overmakingen worden verricht tegen de op de datum van de overmaking geldende wisselkoers voor spottransacties in de over te maken valuta. Bij onstentenis van een deviezenmarkt is de toe te passen koers de meest recente koers die wordt toegepast op investeringen vanuit het buitenland of de meest recente wisselkoers die wordt toegepast voor de omrekening van valuta's in bijzondere trekkingsrechten, al naargelang welke koers voor de investeerder het gunstigst is. 4. Ongeacht het bepaalde in de leden 1, 2 en 3, kan een verdragsluitende partij de rechten van crediteuren beschermen of naleving van wetten betreffende de uitgifte van en de handel in waardepapieren en van beslissingen in civiel-, bestuurs- en strafrechtelijke arbitrageprocedures waarborgen, door het op billijke, niet discriminerende wijze en te goeder trouw toepassen van haar wetten en voorschriften.5. Ongeacht het bepaalde in lid 2 kunnen verdragsluitende partijen die Staten zijn die deel uitmaakten van de voormalige Unie van Socialistische Sowjetrepublieken, in onderling gesloten overeenkomsten bepalen dat overmakingen van betalingen worden uitgevoerd in de valuta van die partijen, mits dergelijke overeenkomsten er niet toe leiden dat investeringen op hun grondgebied van investeerders van andere verdragsluitende partijen minder gunstig worden behandeld dan investeringen van investeerders van de verdragsluitende partijen die een dergelijke overeenkomst zijn aangegaan of investeringen van investeerders van een derde Staat.6. Ongeacht het bepaalde in lid 1, letter b), kan een verdragsluitende partij de overbrenging van opbrengsten in natura beperken in gevallen waarin die verdragsluitende partij krachtens artikel 29, lid 2, letter a), of krachtens de GATT en bijbehorende instrumenten gemachtigd is om de uitvoer of de verkoop voor uitvoer van het produkt waarin de opbrengst in natura bestaat, te beperken of te verbieden, met dien verstande dat de betrokken verdragsluitende partij toestaat opbrengsten in natura uit te keren zoals goedgekeurd of aangegeven in een investeringsovereenkomst, investeringsvergunning of andere schriftelijke overeenkomst tussen de verdragsluitende partij en een investeerder van een andere verdragsluitende partij of diens investering. Artikel 15 Subrogatie 1. Wanneer een verdragsluitende partij of de door haar aangewezen instantie (de « schadeloos stellende partij » een betaling verricht uit hoofde van een schadeloosstelling of waarborg voor een investering van een investeerder (de « schadeloos gestelde partij ») op het grondgebied van een andere verdragsluitende partij (de « gastpartij ») erkent de gastpartij dat
- a)alle uit die investering voortvloeiende rechten en vorderingen worden overgedragen aan de schadeloos stellende partij, en
- b)de schadeloos stellende partij gerechtigd is die rechten en die vorderingen op grond van subrogatie af te dwingen.2. De schadeloos stellende partij kan te allen tijde aanspraak maken op :
- a)dezelfde behandeling op het gebied van rechten en vorderingen die zij op grond van de in lid 1 bedoelde overdracht heeft verworven, en
- b)dezelfde uit hoofde van die rechten en vorderingen te ontvangen bedragen als waarop de schadeloos gestelde partij krachtens dit Verdrag recht had in verband met de betrokken investering.3. Bij een procedure ingvolge artikel 26 mag een verdragsluitende partij niet als verdediging, als motivering voor een tegeneis of voor aanspraak op vergoeding of om enige andere reden aanvoeren dat voor de naar bewering geleden schade of een deel daarvan uit hoofde van een verzekering of een waarborgbeding een schadeloosstelling of andere vorm van compensatie is of zal worden ontvangen. Artikel 16 Verhouding tot andere overeenkomsten Wanneer twee of meer verdragsluitende partijen reeds een internationale overeenkomst zijn aangegaan, of naderhand een internationale overeenkomst aangaan, waarvan de bepalingen betrekking hebben op het onderwerp van deel III of deel V van dit Verdrag, 1. mag geen enkele bepaling van deel III of deel V van dit Verdrag zo worden uitgelegd dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan een bepaling in die overeenkomst, of aan een recht om geschillen ter zake krachtens die overeenkomst te regelen, en 2.mag geen enkele bepaling in die overeenkomst zo worden uitgelegd dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan een bepaling van deel III of deel V van dit Verdrag of aan een recht om geschillen ter zake krachtens dit Verdrag te regelen, wanneer die bepaling gunstiger is voor de investeerder of de investering. Artikel 17 Niet-toepassing van deel III onder bepaalde omstandigheden Elke verdragsluitende partij behoudt zich het recht voor de voordelen van dit deel te ontzeggen aan 1. een rechtspersoon, indien staatsburgers of onderdanen van een derde Staat eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over een dergelijke rechtspersoon en indien die rechtspersoon geen wezenlijke zakelijke activiteiten heeft op het grondgebied van de verdragsluitende partij waar hij is opgericht, of 2.een investering, indien de ontzeggende verdragsluitende partij vaststelt dat het een investering betreft van een investeerder van een derde Staat waarmee of ten aanzien waarvan de ontzeggende verdragsluitende partij
- a)geen diplomatieke betrekkingen onderhoudt, of
- b)maatregelen treft of handhaafd die
- i)transacties met investeerders van die Staat verbieden, of
- ii)overtreden of omzeild zouden worden indien de voordelen van dit deel zouden worden verleend aan investeerders van die Staat of aan hun investeringen. DEEL IV Diversen Artikel 18 Soevereiniteit over energiebronnen 1. De verdragsluitende partijen erkennen de soevereinitiet en de soevereine rechten van de Staten met betrekking tot energiebronnen. Zij bevestigen opnieuw dat deze moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met en met inachtneming van de regels van het internationale recht. 2. Onverminderd de doelstelling om de toegang tot energiebronnen en de exploitatie en ontwikkeling daarvan op commerciële grondslag te bevorderen, laat het Verdrag de binnen de verdragsluitende partijen geldende regels inzake de eigendom van energiebronnen onverlet.3. Elke Staat behoudt in het bijzonder het recht vast te stellen welke geografische gebieden binnen zijn grondgebied gebruikt mogen worden voor de exploitatie en ontwikkeling van zijn energiebronnen, op welke wijze zij het best kunnen worden benut, in welk tempo zij mogen worden uitgeput of geëxploiteerd, alsmede het recht belastingen, royalty's of andere financiële vergoedingen voor die exploratie en exploitatie vast te stellen en te ontvangen, het recht voorschriften vast te stellen inzake de milieu- en veiligheidsaspecten van die exploratie, ontwikkeling en winning op zijn grondgebied, en het recht aan die exploratie en exploitatie deel te nemen, onder andere via directe overheidsparticipatie of via overheidsbedrijven.4. De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe de toegang tot de energiebronnen te vergemakkelijken, onder andere door op niet discriminerende wijze aan de hand van gepubliceerde criteria machtigingen, vergunningen, concessies en contracten te verlenen voor de prospectie en exploratie, dan wel voor de exploitatie of winning van energiebronnen. Artikel 19 Milieuaspecten 1. Met het oog op duurzame ontwikkeling en rekening houdend met haar verplichtingen krachtens de internationale milieuovereenkomsten waarbij zij partij is, streeft elke verdragsluitende partij ernaar schadelijke milieu-effecten, zowel binnen als buiten haar grondgebied, die worden veroorzaakt door werkzaamheden, ongeacht de aard daarvan, binnen de energiecyclus op haar grondgebied op economisch verantwoorde wijze zo gering mogelijk te houden, daarbij naar behoren rekening houdend met veiligheidsoverwegingen.Daarbij handelt elke verdragsluitende partij op een wijze die een goede kosten/baten-verhouding waarborgt. In haar beleid en optreden streeft elke verdragsluitende partij ernaar voorzorgsmaatregelen te nemen om achteruitgang van het milieu te voorkomen of zo gering mogelijk te houden. De verdragsluitende partijen komen overeen dat de vervuiler op het grondgebied van de verdragsluitende partijen in beginsel de kosten van verontreiniging met inbegrip van grensoverschrijdende verontreiniging draagt, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het openbare belang en investeringen in de energiecyclus of de internationale handel niet mogen worden verstoord. De verdragsluitende partijen zullen derhalve :
- a)bij de opstelling en uitvoering van hun energiebeleid voortdurend rekening houden met milieuoverwegingen;
- b)bevorderen dat de prijsvorming in de gehele energiecyclus marktgerich is en dat milieukosten en -voordelen daarin vollediger weerspiegeld worden;
- c)gelet op artikel 34, lid 4, samenwerking bevorderen bij het bereiken van de milieudoelstellingen van het Handvest alsook op het gebied van internationale milieunormen voor de energiecyclus, rekening houdend met de verschillen tussen de verdragsluitende partijen qua nadelige effecten en bestrijdingskosten;
- d)in het bijzonder aandacht schenken aan de verbetering van de energie-efficiëntie, de ontwikkeling en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, de bevordering van het gebruik van schonere brandstoffen en de toepassing van technologieën en technologische middelen die de verontreiniging verminderen;
- e)het vergaren en tussen de verdragsluitende partijen uitwisselen bevorderen van informatie over milieuvriendelijke en economisch doelmatige vormen van energiebeleid en rendabele praktijken en technologieën;
- f)bij het publiek het besef bevorderen van de milieu-effecten van energiesystemen, de mogelijkheden van voorkoming of bestrijding van de nadelige milieu-effecten daarvan, en de kosten die aan de diverse voorkomings- of bestrijdingsmaatregelen zijn verbonden;
- g)onderzoek, ontwikkeling en toepassing van energie-efficiënte en milieuvriendelijke technologieën, praktijken en procédés die de schadelijke milieu-effecten van alle aspecten van de energiecyclus op een economisch doelmatige wijze tot een minimum zullen reduceren, bevorderen en daarbij samenwerken;
- h)gunstige voorwaarden stimuleren voor de overdracht en verspreiding van dergelijke technologieën die te verenigen zijn met een toereikende en doeltreffende bescherming van de intellectuele eigendom;
- i)bevorderen dat de milieu-effecten van uit milieuoogpunt significante investeringsprojecten op energiegebied in een vroeg stadium en voordat een besluit wordt genomen op transparante wijze worden beoordeeld en vervolgens worden bewaakt;
- j)op internationaal niveau de kennis van en de uitwisseling van informatie over relevante milieuprogramma's en -normen van de verdragsluitende partijen en de uitvoering van die programma's en normen bevorderen;
- k)op verzoek en binnen de grenzen van hun beschikbare middelen deelnemen aan de ontwikkeling en uitvoering van passende milieuprogramma's op het grondgebied van de verdragsluitende partijen.2. Op verzoek van een of meer verdragsluitende partijen worden geschillen betreffende de toepassing of uitlegging van bepalingen van dit artikel door de Conferentie over het Handvest met het oog op een oplossing onderzocht, voor zover er geen regelingen voor de behandeling van dergelijke geschillen bestaan binnen andere ter zake bevoegde internationale organen.3. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
- a)« energiecyclus » : de gehele energieketen met inbegrip van activiteiten in verband met prospectie, exploratie, productie omzetting, opslag, vervoer, distributie en verbruik van de verschillende vormen van energie, alsmede de behandeling en verwijdering van afvalstoffen en het niet langer verrichten en afsluiten van deze activiteiten met zo weinig mogelijk schadelijke milieu-effecten;
- b)« milieu-effecten » : alle door een bepaalde activiteit veroorzaakte effecten op het milieu met inbegrip van gezondheid en veiligheid van de mens, flora, fauna, bodem, lucht, water, klimaat, landschap en historische monumenten of andere fysieke structuren of de onderling beïnvloeding van deze factoren;dit begrip omvat tevens effecten op het cultureel erfgoed of de sociaal-economische omstandigheden als gevolg van wijzigingen van die factoren;
- c)« verbetering van de energie-efficiëntie » : een zodanig optreden, dat dezelfde hoeveelheid van een goed of een dienst wordt geproduceerd zonder dat de kwaliteit of prestatie ervan wordt verminderd, doch de voor die productie vereiste hoeveelheid energie wordt verminderd;
- d)« met een goede kosten/baten-verhouding » : het bereiken van een gesteld doel tegen de laagste kosten of het bereiken van het beste resultaat tegen gegeven kosten. Artikel 20 Doorzichtigheid 1. In overeenstemming met artikel 29, lid 2, letter a), behoren wetten, voorschriften, rechterlijke besluiten en algemene bestuursrechtelijke beslissingen die van invloed zijn op de handel in energiegrondstoffen en energieprodukten, tot de maatregelen die onderworpen zijn aan de doorzichtigheidsregels van de GATT en de relevante bijbehorende instrumenten.2. Wetten, voorschriften, rechterlijke besluiten en algemene bestuursrechtelijke beslissingen die een verdragsluitende partij in werking heeft doen treden, en vigerende overeenkomsten tussen verdragsluitende partijen die van invloed zijn op andere onder dit Verdrag vallende aangelegenheden worden eveneens onverwijld op zodanige wijze bekendgemaakt dat de verdragsluitende partijen en investeerders daarvan kennis kunnen nemen.Uit hoofde van dit lid kan een verdragsluitende partij niet worden verplicht vertrouwelijke informatie te onthullen die de rechtshandhaving belemmert, anderszins strijdig is met het openbaar belang of afbreuk doet aan de rechtmatige commerciële belangen van een investeerder. 3. Elke verdragsluitende partij wijst een of meer informatiebureaus aan waartoe men zich kan wenden met verzoeken om informatie over bovengenoemde wetten, voorschriften, rechterlijke besluiten en bestuursrechtelijke beslissingen en doet daarvan onverwijld mededeling aan het secretariaat, dat deze aanwijzing op verzoek medeelt. Artikel 21 Belastingen 1. Behalve zoals bepaald in dit artikel schept geen bepaling van dit Verdrag rechten of verplichtingen met betrekking tot belastingsmaatregelen van de verdragsluitende partijen.In geval van onverenigbaarheid van dit artikel met andere bepalingen van het Verdrag heeft dit artikel, wat de onverenigbaarheid betreft, de voorrang. 2. Artikel 7, lid 3, is van toepassing op andere belastingmaatregelen dan belastingen op inkomen of kapitaal, met dien verstande dat deze bepaling niet van toepassing is op :
- a)een voordeel dat een verdragsluitende partij heeft toegekend overeenkomstig de belastingbepalingen van een verdrag, overeenkomst of regeling als bedoeld in lid 7, letter
- a)onder ii), of
- b)een belastingmaatregel die ten doel heeft de doeltreffende inning van belastingen te waarborgen, behalve indien die maatregelen van een verdragsluitende partij een willekeurige discrimininatie van energiegrondstoffen en energieprodukten afkomstig uit of bestemd voor het grondgebied van, een andere verdragsluitende partij of een willekeurige beperking van de krachtens artikel 7, lid 3, toegekende voordelen inhoudt.3. Artikel 10, leden 2 en 7, is van toepassing op andere belastingmaatregelen van de verdragsluitende partijen dan belastingen op inkomen of kapitaal, met dien verstande dat geen van deze bepalingen :
- a)ertoe strekt dat verplichtingen tot toepassing van het meest begunstigingsbeginsel worden opgelegd met betrekking tot voordelen die een verdragsluitende partij heeft toegekend overeenkomstig de belastingbepalingen van een verdrag, overeenkomst of regeling als bedoeld in lid 7, letter a), onder ii), of als uitvloeisel van het lidmaatschap van een regionale organisatie voor economische integratie, of
- b)van toepassing is op een belastingsmaatregel die ten doel heeft de doeltreffende inning van belastingen te waarborgen, behalve indien de maatregel een willekeurige discriminatie van een investeerder van de verdragsluitende partijen of een willekeurige beperking van de krachtens de investeringsbepalingen van dit Verdrag toegekende voordelen inhoudt.4. Artikel 29, leden 2 tot en met 6, is van toepassing op belastingmaatregelen andere dan belastingen op inkomen of kapitaal.5.
- a)Artikel 13 is van toepassing op belastingen.
- b)Wanneer in het kader van artikel 13 een geschil rijst, voor zover het betrekking heeft op de vraag of een belasting een onteigening vormt, dan wel of een belasting waarvan wordt beweerd dat deze een onteigening vormt, discriminerend is, geldt het volgende :
- i)de investeerder of de verdragsluitende partij die aanvoert dat er sprake is van onteigening legt het geschil over de vraag of de maatregel een onteigening dan wel discriminerend is, voor aan de bevoegde belastingautoriteiten.Laat de investeerder of de verdragsluitende partij dit na, dan leggen de instanties waaraan wordt verzocht geschillen te beslechten overeenkomstig artikel 26, lid 2, letter c), of artikel 27, lid 2, het geschil voor aan de bevoegde belastingautoriteiten;
- ii)de bevoegde belastingautoriteiten streven ernaar om het aldus voorgestelde geschil binnen een periode van zes maanden te regelen. Indien het gaat om een geschil inzake non-discriminatie, passen de bevoegde belastingautoriteiten de bepalingen inzake non-discriminatie van het relevante belastingverdrag toe, of passen zij, indien er geen non-discriminatiebepalingen voorkomt in het op de belasting van toepassing zijnde relevante belastingverdrag of indien er geen belastingverdrag tussen de betrokken verdragsluitende partijen van kracht is, de non-discriminatiebeginselen overeenkomstig het modelverdrag van de OESO betreffende belastingen op inkomen en kapitaal toe; iii) de instanties waaraan wordt verzocht geschillen te regelen overeenkomstig artikel 26, lid 2, letter c), of artikel 27, lid 2, kunnen rekening houden met eventuele conclusies van de bevoegde belastingautoriteiten over de vraag of de belasting een onteigening is. Die instanties houden rekening met eventuele binnen de onder
- ii)voorgeschreven termijn van zes maanden door de bevoegde belastingautoriteiten getrokken conclusies over de vraag of de belasting discriminerend is. Deze instanties kunnen ook rekening houden met eventuele na het verstrijken van de voorgeschreven periode van zes maanden door de bevoegde belastingautoriteiten getrokken conclusies;
- iv)in geen geval mag de betrokkenheid van de bevoegde belastingautoriteiten na het einde van de onder
- ii)bedoelde periode van zes maanden leiden tot een vertraging van de procedures ingevolge de artikelen 26 en 27. 6. Voor alle duidelijkheid wordt bepaald dat artikel 14 het recht van een verdragsluitende partij om een belasting op te leggen of te innen via bronheffing of andere middelen niet beperkt.7. Voor de toepassing van dit artikel :
- a)omvat de term « belastingmaatregel » :
- i)de bepalingen betreffende belastingen van de interne wetgeving van de verdragsluitende partij of van een staatsrechtelijke onderverdeling of een plaatselijke autoriteit ervan, en
- ii)de bepalingen betreffende belastingen van verdragen ter voorkoming van dubbele belasting en van internationale overeenkomsten of regelingen waaraan de verdragsluitende partij gebonden is;
- b)worden als belastingen op het inkomen en het vermogen beschouwd alle belastingen die worden geheven op het gehele inkomen, op het gehele vermogen of op bestanddelen van het inkomen of vermogen, met inbegrip van belastingen op winsten uit de verkoop van eigendom, onroerend-zaakbelasting, successierechten, belastingen op schenkingen of in wezen soortgelijke belastingen, belastingen op het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen op de waardevermeerdering van vermogen;
- c)wordt onder « bevoegde belastingautoriteit » verstaan de bevoegde autoriteit overeenkomstig een overeenkomst inzake dubbele belasting tussen de verdragsluitende partijen of, bij ontstentenis van een dergelijke overeenkomst de of het voor belastingen bevoegde minister of ministerie of hun gemachtigde vertegenwoordigers;
- d)voor alle duidelijkheid wordt bepaald dat de termen « belastingbepalingen » en « belastingen » geen betrekking hebben op douanerechten. Artikel 22 Overheidsbedrijven en ondernemingen met een bevoorrechte status 1. Elke verdragsluitende partij waarborgt dat een overheidsbedrijf dat zij opricht of in stand houdt zijn activiteiten met betrekking tot de verkoop of levering van goederen en diensten op haar grondgebied uitoefent op een wijze die strookt met de verplichtingen van de verdragsluitende partij uit hoofde van deel III van dit Verdrag.2. Een verdragsluitende partij moedigt een overheidsbedrijf niet aan of eist niet van dat bedrijf dat het zijn activiteiten op haar grondgebied uitoefent op een wijze die niet strookt met de verplichtingen van de verdragsluitende partij uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag.3. Elke verdragsluitende partij waarborgt dat, indien zij een lichaam opricht of in stand houdt en daaraan een regelgevende, administratiefrechtelijke of andere bestuursbevoegdheid verleent, het lichaam de bevoegdheid uitoefent op een wijze die strookt met de verplichtingen van de verdragsluitende partij uit hoofde van dit Verdrag.4. Een verdragsluitende partij moedigt een lichaam waaraan zij uitsluitende of bijzondere voorrechten verleent, niet aan of eist niet van dat lichaam dat het zijn activiteiten op haar grondgebied uitoefent op een wijze die niet strookt met de verplichtingen van de verdragsluitende partij uit hoofde van dit Verdrag.5. Voor de toepassing van dit artikel wordt de term « lichaam » geacht elke onderneming, instelling of andere organisatie of persoon te omvatten. Artikel 23 Naleving door lagere overheden 1. Elke verdragsluitende partij is uit hoofde van het Verdrag geheel verantwoordelijk voor de naleving van alle bepalingen van dit Verdrag en treft daartoe alle haar ter beschikking staande redelijke maatregelen om naleving door de regionale en plaatselijke overheden en andere bestuursorganen op haar grondgebied te waarborgen.2. De bepalingen inzake regeling van geschillen in de delen II, IV en V van het Verdrag kunnen worden ingeroepen voor maatregelen die van invloed zijn op de naleving van dit Verdrag door een verdragsluitende partij en die zijn getroffen door regionale of plaatselijke overheden of andere bestuursorganen op het grondgebied van de verdragsluitende partij. Artikel 24 Uitzonderingen 1. Dit artikel is niet van toepassing op de artikelen 12, 13 en 29.2. Andere bepalingen van dit Verdrag dan :
- a)de in lid 1 genoemde bepalingen, en
- b)wat het bepaalde onder
- i)betreft, de bepalingen van deel III van dit Verdrag beletten een verdragsluitende partij niet maatregelen aan te nemen of te doen uitvoeren :
- i)die nodig zijn om het leven en de gezondheid van mensen, dieren of planten te beschermen;
- ii)die van essentieel belang zijn voor de aankoop of distributie van energiegrondstoffen en energieproducten in een situatie waarin de voorziening onvoldoende is door omstandigheden buiten de macht van die verdragsluitende partij, op voorwaarde dat deze maatregelen stroken met het beginsel dat : A) alle andere verdragsluitende partijen recht hebben op een billijk deel van de internationale voorziening van dergelijke energiegrondstoffen en energieproducten, en B) elke maatregel van dien aard die niet strookt met dit Verdrag onmiddellijk wordt opgeheven, zodra er een eind komt aan de situatie die er aanleiding toe was, of iii) ten behoeve van investeerders die leden van inlandse bevolkingsgroepen of personen of groepen met een sociale of economische achterstand zijn, of van hun investeringen, welke maatregelen als zodanig bij het secretariaat worden aangemeld, op voorwaarde dat deze maatregelen : A) geen wezenlijk effect hebben op de economie van die verdragsluitende partij, en B) voor buiten de doelgroep van die maatregelen vallende investeerders, geen onderscheid maken tussen investeerders van een andere verdragsluitende partij en investeerders van de betrokken verdragsluitende partij, mits deze maatregelen geen verkapte beperkingen op economische activiteit in de energiesector vormen of een willekeurige of niet te rechtvaardigen discriminatie tussen verdragsluitende partijen of tussen investeerders of andere belanghebbenden van verdragsluitende partijen. Dergelijke maatregelen worden naar behoren gemotiveerd en mogen een voordeel dat een of meer andere verdragsluitende partijen uit hoofde van dit Verdrag redelijkerwijs mogen verwachten nie méér neutraliseren of verminderen dan strikt voor het aangegeven doel nodig is. 3. Andere bepalingen van dit Verdrag dan de in lid 1 bedoelde mogen niet zo worden uitgelegd dat daardoor een verdragsluitende partij wordt belet een maatregel te treffen welke die partij noodzakelijk acht :
- a)voor de bescherming van haar essentiële veiligheidsbelangen, met inbegrip van maatregelen :
- i)met betrekking tot de voorziening van energiegrondstoffen en energieproducten van een militaire inrichting, of
- ii)in oorlogstijd, bij gewapende conflicten of andere noodsituaties in de internationale betrekkingen;
- b)met betrekking tot de uitvoering van een nationaal beleid tot inachtneming van de niet-verspreiding van kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen of dat vereist is om te voldoen aan haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, de « Nuclear Suppliers Guidelines » (richtlijnen voor de internationale nucleaire transacties) en andere internationale verplichtingen of afspraken met betrekking tot de niet-verspreiding van kernwapens, of
- c)voor de handhaving van de openbare orde. Een dergelijke maatregel mag geen verkapte doorvoerbeperking vormen. 4. De bepalingen van dit Verdrag die voorzien in toepassing van het meestbegunstigingsbeginsel houden voor een verdragsluitende partij niet de verplichting in ook ten aanzien van de investeerders van een andere verdragsluitende partij een preferentiële behandeling toe te passen die :
- a)voortvloeit uit haar lidmaatschap van een vrijhandelsassociatie of douane-unie, of
- b)wordt toegekend uit hoofde van bilaterale of multilaterale overeenkomsten inzake economische samenwerking tussen de Staten die deel uitmaakten van de voormalige Unie van Socialistische Sowjetrepublieken, in afwachting van een definitieve regeling van hun wederzijdse economische betrekkingen. Artikel 25 Overeenkomsten tot economische integratie 1. De bepalingen van dit Verdrag mogen niet zo worden uitgelegd dat daardoor een verdragsluitende partij die partij is bij een overeenkomst tot economische integratie (hierna te noemen « OEI ») verplicht is een tussen de partijen bij die OEI uit hoofde van hun lidmaatschap daarvan geldende preferentiële behandeling via de toepassing van het meestbegunstigingsbeginsel uit te breiden tot een andere verdragsluitende partij die geen partij is bij die OEI.2. Voor de toepassing van lid 1 wordt verstaan onder « OEI » een overeenkomst die gericht is op een substantiële liberalisering, onder andere van handel en investeringen, door alle discriminatie tussen of onder de partijen daarbij geheel of grotendeels weg te nemen via de afschaffing van bestaande discriminerende maatregelen en/of een verbod op nieuwe of stringentere discriminerende maatregelen, hetzij bij de inwerkingtreding van die overeenkomst of binnen een redelijke termijn.3. Dit artikel laat de toepassing van de GATT en bijbehorende instrumenten krachtens artikel 29 onverlet. DEEL V Regeling van geschillen Artikel 26 Regeling van geschillen tussen een investeerder en een verdragsluitende partij 1. Geschillen tussen een verdragsluitende partij en een investeerder van een andere verdragsluitende partij over een investering van deze laatste op het grondgebied van eerstgenoemde partij, die betrekking hebben op de beweerde niet-nakoming van een verplichting van eerstgenoemde partij die voortvloeit uit deel III van dit Verdrag, worden, zo mogelijk, door middel van een minnelijke schikking geregeld.2. Indien dergelijke geschillen niet overeenkomstig de bepalingen van lid 1 kunnen worden geregeld binnen een periode van drie maanden vanaf de datum waarop één van beide partijen bij het geschil om een minnelijke schikking heeft verzocht, wordt het geschil op verzoek van de betrokken investeerder voorgelegd :
- a)aan de rechters of administratiefrechtelijke instanties van de verdragsluitende partij die partij is bij het geschil, of
- b)in overeenstemming met een toepasselijke, eerder overeengekomen procedure voor regeling van geschillen, of
- c)in overeenstemming met de volgende leden van dit artikel.3.
- a)Met inachtneming van uitsluitend het bepaalde in de letters
- b)en c), geeft eleke verdragsluitende partij haar onvoorwaardelijke toestemming om een geschil te onderwerpen aan internationale arbitrage of bemiddeling overeenkomstig de bepalingen van dit artikel;
- b)
- i)de in bijlage ID vermelde verdragsluitende partijen geven deze onvoorwaardelijke toestemming niet voor gevallen waarin de investeerder het geschil reeds eerder heeft voorgelegd overeenkomstig lid 2, letter
- a)of b).
- ii)ter wille van de doorzichtigheid doet elke in bijlage ID vermelde verdragsluitende partij, uiterlijk op de datum van nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring overeenkomstig artikel 39 of van de nederlegging van haar akte van toetreding overeenkomstig artikel 41, een schriftelijke verklaring over haar beleid, procedures en voorwaarden terzake aan het secretariaat toekomen.
- c)Een in bijlage IA vermelde verdragsluitende partij geeft deze onvoorwaardelijke toestemming niet voor geschillen in verband met artikel 10, lid 1, laatste zin.4. Indien de investeerder kiest voor de in lid 2, letter c), genoemde mogelijkheid, stemt hij er voorts schriftelijk mee in dat het geschil wordt voorgelegd aan :
- a)
- i)het Internationale Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen, opgericht krachtens het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten, dat op 18 maart 1965 in Washington voor ondertekening is opengesteld (ICSID-Verdrag), indien de verdragsluitende partij van de investeerder en de verdragsluitende partij die partij is bij het geschil beide partij zijn bij het ICSID-Verdrag, of
- ii)het Internationale Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen, dat uit hoofde van het onder
- i)genoemde Verdrag is opgericht, overeenkomstig de bepalingen betreffende de opening van aanvullende mogelijkheden voor het verlenen van administratieve diensten bij geschillen door het secretariaat van het Centrum (Bepalingen inzake aanvullende mogelijkheden), indien de verdragsluitende partij van de investeerder of de verdragsluitende partij die partij is bij het geschil, doch niet beide, partij is bij het ICSID-Verdrag, ofwel
- b)één scheidsman of een scheidsgerecht ad hoc, benoemd of ingesteld overeenkomstig de arbitrageprocedure van de VN-Commissie voor internationaal handelsrecht (Uncitral), ofwel
- c)een scheidsrechterlijk procedure bij het Arbitrage-Instituut van de Kamer van Koophandel te Stockholm.5.
- a)De in lid 3 bedoelde toestemming alsook de in lid 4, bedoelde schriftelijke toestemming van de investeerder wordt geacht te voldoen aan de vereisten voor :
- i)schriftelijke toestemming van de partijen bij een geschil in de zin van hoofdstuk II van het ICSID-Verdrag en in de zin van de bepalingen inzake aanvullende mogelijkheden en
- ii)een « schriftelijke overeenkomst » in de zin van artikel II van het VN-Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, New York, 10 juni 1958 (« Verdrag van New York »), en iii) « de partijen bij een contract die een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten » in de zin van artikel 1 van de Uncitral-arbitrageprocedure.
- b)Arbitrage overeenkomstig dit artikel vindt op verzoek van een partij bij het geschil plaats in een Staat die partij is bij het Verdrag van New York en de aldus voorgelegde geschillen worden voor de toepassing van artikel 1 van dat Verdrag geacht voort te vloeien uit een handelsrechtelijke betrekking of een handelstransactie.6. Een overeenkomstig lid 4 ingesteld scheidsgerecht beslist over de geschillen overeenkomstig dit Verdrag en de toepasselijke internationale rechtsregels en -beginselen.7. Een investeerder, zijnde geen natuurlijke persoon, die op de datum van de in lid 4 bedoelde schriftelijke instemming de nationaliteit heeft van een verdragsluitende partij die partij is bij het geschil, en over wie investeerders van een andere verdragsluitende partij zeggenschap hebben voordat een geschil ontstaat tussen die investeerder en de eerstgenoemde verdragsluitende partij, wordt voor de toepassing van artikel 25, lid 2, letter b), van het ICSID-Verdrag behandeld als een « onderdaan van een andere verdragsluitende Staat » en voor de toepassing van artikel 1, lid 6, van de Bepalingen inzake aanvullende mogelijkheden als een « onderdaan van een andere Staat ».8. Scheidsrechterlijke uitspraken, die de toekenning van rente kunnen omvatten, zijn definitief en bindend voor de partijen bij het geschil. Een scheidsrechterlijke uitspraak over een maatregel van een lagere overheid of instantie van de bij het geschil betrokken verdragsluitende partij moet voorzien in de mogelijkheid dat die verdragsluitende partij een financiële schadevergoeding betaalt in plaats van een andere toegewezen compensaties. Elke verdragsluitende partij geeft onverwijld gevolg aan een dergelijke uitspraak en zorgt voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van dergelijke uitspraken op haar grondgebied. Artikel 27 Regeling van geschillen tussen verdragsluitende partijen 1. De verdragsluitende partijen streven ernaar geschillen over de toepassing of de uitlegging van dit Verdrag langs diplomatieke weg te regelen.2. Wanneer het geschil niet binnen een redelijke termijn overeenkomstig lid 1 geregeld is, kan elke partij daarbij, tenzij anders bepaald in dit Verdrag of schriftelijk overeengekomen door de verdragsluitende partijen, en behoudens wat betreft de toepassing of interpretatie van artikel 6 of artikel 19 of, voor in bijlage IA vermelde verdragsluitende partijen, van artikel 10, lid 1, laatste zin, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij bij het geschil, de kwestie overeenkomstig dit artikel aan een scheidsgerecht ad hoc voorleggen.3. Een dergelijk scheidsgerecht ad hoc wordt als volgt gevormd :
- a)de verdragsluitende partij die de procedure inleidt, benoemt binnen 30 dagen na ontvangst van de in lid 2 bedoelde schriftelijke kennisgeving van de andere verdragsluitende partij een lid van het scheidsgerecht en stelt de andere verdragsluitende partij daarvan in kennis;
- b)binnen 60 dagen na ontvangst van de in lid 2 bedoelde schriftelijke kennisgeving benoemt de andere verdragsluitende partij bij het geschil eveneens een lid.Indien de benoeming niet binnen de voorgeschreven termijn geschiedt, kan de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingeleid binnen 90 dagen na ontvangst van de in lid 2 bedoelde schriftelijke kennisgeving verzoeken dat de benoeming plaatsvindt overeenkomstig letter d);
- c)een derde lid, dat niet de nationaliteit of het staatsburgerschap mag hebben van een verdragsluitende partij die partij is bij het geschil, wordt benoemd door de verdragsluitende partijen die partij zijn bij het geschil.Dat lid wordt de voorzitter van het scheidsgerecht. Indien de verdragsluitende partijen niet binnen 150 dagen na ontvangst van de in lid 2 bedoelde kennisgeving overeenstemming bereiken over de benoeming van een derde lid, geschiedt de benoeming overeenkomstig letter
- d)op verzoek van een van beide verdragsluitende partijen, ingediend binnen 180 dagen na ontvangst van die kennisgeving;
- d)benoemingen waarvan wordt verzocht dat zij worden verricht overeenkomstig deze letter, geschieden door de secretaris-generaal van het permanent Hof van Internationale Arbitrage (PCIA) binnen 30 dagen na ontvangst van een verzoek daartoe.Indien hij verhinderd is zich van deze taak te kwijten, geschieden de benoemingen door de eerste secretaris van het bureau. Indien ook deze verhinderd is zich van deze taak te kwijten, geschieden de aanwijzingen door de plaatsvervanger met de hoogste anciënniteit;
- e)bij benoemingen overeenkomstig de letters
- a)tot en met
- d)wordt rekening gehouden met de deskundigheid en ervaring, met name op de onder dit Verdrag vallende gebieden, van de te benoemen leden;
- f)bij gebreke van een andersluidende overeenkomst tussen de verdragsluitende partijen zijn de arbitrageregels van de VN-Commissie voor internationaal handelsrecht (Uncitral) van toepassing, behoudens de wijzigingen die daarin zijn aangebracht door de verdragsluitende partijen die partij zijn bij het geschil of door de scheidsmannen.Het scheidsgerecht doet uitspraak met meerderheid van stemmen;
- g)het scheidsgerecht beslist over het geschil overeenkomstig dit Verdrag en de toepasselijke regels en beginselen van het internationale recht;
- h)de uitspraak van het scheidsgerecht is definitief en bindend voor de verdragsluitende partijen bij het geschil;
- i)wanneer het scheidsgerecht in zijn uitspraak constateert dat een maatregel van een regionale of lokale overheid of instantie op het grondgebied van een in deel I van bijlage P vermelde verdragsluitende partij niet in overeenstemming is met dit Verdrag, kan elk van beide partijen bij het geschil een beroep doen op de bepalingen van deel II van bijlage P;
- j)de kosten van het scheidsgerecht, met inbegrip van de vergoedingen voor de leden, komen voor gelijke delen ten laste van de verdragsluitende partijen die partij zijn bij het geschil.Het scheidsgerecht kan echter naar eigen goeddunken bepalen dat een groter aandeel in de kosten ten laste komt van één der verdragsluitende partijen die partij zijn bij het geschil;
- k)tenzij de verdragsluitende partijen die partij zijn bij het geschil anders overeenkomen, zetelt het scheidsgerecht in 's-Gravenhage en maakt het gebruik van de kantoren en faciliteiten van het Permanent Hof van Arbitrage;
- l)een afschrift van de uitspraak wordt neergelegd bij het secretariaat, dat dit ter algemene beschikking stelt. Artikel 28 Niet-toepassing van artikel 27 op bepaalde geschillen Een geschil tussen de verdragsluitende partijen betreffende de toepassing of interpretatie van artikel 5 of artikel 29 wordt niet volgens artikel 27 geregeld, tenzij de verdragsluitende partijen die partij zijn bij het geschil dit overeenkomen. DEEL VI Overgangsbepalingen Artikel 29 Tussentijdse bepalingen inzake met de handel verband houdende aangelegenheden 1. Zolang een of meer verdragsluitende partijen geen partij zijn bij de GATT-Overeenkomst en bijbehorende instrumenten, zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing op de handel in energiegrondstoffen en energieproducten.2.
- a)De handel in energiegrondstoffen en energieproducten tussen verdragsluitende partijen waarvan er ten minste één geen partij is bij de GATT-Overeenkomst van 1947 of een relevant bijbehorend instrument, noch bij de GATT-overeenkomst van 1994 of een relevant bijbehorend instrument, wordt geregeld, behoudens het bepaalde in de letters
- b)en
- c)en de uitzonderingen en voorschriften van bijlage G, door de bepalingen van de GATT-Overeenkomst van 1947 en bijbehorende instrumenten zoals deze op 1 maart 1994 worden toegepast en ten aanzien van energiegrondstoffen en energieproducten door de partijen bij de GATT-Overeenkomst van 1947 onderling worden gehanteerd, alsof al die verdragsluitende partijen lid zijn van de GATT-Overeenkomst van 1947 en bijbehorende instrumenten.
- b)De handel in energiegrondstoffen en energieproducten door een verdragsluitende partij die een Staat is die deel uitmaakte van de voormalige Unie van Socialistische Sowjetrepublieken kan in plaats daarvan, behoudens de bepalingen van bijlage TFU, tot 1 december 1999 of totdat de betrokken verdragsluitende partij tot de GATT wordt toegelaten, al naargelang wat het eerste plaats vindt, door een overeenkomst tussen twee of meer van dergelijke Staten worden geregeld.
- c)Het bepaalde in letter
- a)is niet van toepassing op de handel tussen twee partijen bij de GATT, indien één van deze partijen geen partij is bij de GATT-Overeenkomst van 1947.3. Elke ondertekenende partij bij dit Verdrag en elke Staat of regionale organisatie voor economische integratie die tot dit Verdrag toetreedt, deponeert op de datum van ondertekening of van nederlegging van zijn akte van toetreding bij het secretariaat een lijst van alle rechten en andere heffingen, onder vermelding van de hoogte daarvan, die op die datum worden geheven bij invoer of uitvoer van energiegrondstoffen en energieproducten.Wijzigingen in die rechten of andere heffingen moeten worden medegedeeld aan het secretariaat, dat de overige verdragsluitende partijen daarvan in kennis stelt. 4. Elke verdragsluitende partij streeft ernaar rechten of andere heffingen die bij invoer of uitvoer worden geheven niet te verhogen :
- a)wat betreft de invoer van energiegrondstoffen en energieproducten als omschreven in deel I van de in artikel II van de GATT bedoelde, op de verdragsluitende partij betrekking hebbende lijst, boven het in die lijst vermelde niveau, indien de betrokken verdragsluitende partij partij is bij de GATT;
- b)wat betreft de uitvoer van energiegrondstoffen en energieproducten en de invoer daarvan indien de betrokken verdragsluitende partij geen partij is bij de GATT, boven het meest recent aan het secretariaat medegedeelde niveau, behalve wanneer dit is toegestaan krachtens de uit hoofde van lid 2, letter a), geldende bepalingen.5. Een verdragsluitende partij mag een dergelijk recht of andere heffing alleen dan boven het in lid 4 bedoelde niveau verhogen indien :
- a)ingeval het een bij invoer geheven recht of andere heffing betreft, een dergelijke handeling niet in strijd is met de toepasselijke bepalingen van de GATT, niet zijnde de in bijlage G genoemde bepalingen van de GATT-Overeenkomst van 1947 en bijbehorende bepalingen en de aanverwante bepalingen van de GATT-Overeenkomst van 1994 en bijbehorende bepalingen, of
- b)zij, in zo ruim mogelijke mate binnen de grenzen van haar wetgevingsprocedures, het secretariaat in kennis heeft gesteld van haar voorstel voor een dergelijke verhoging, andere belanghebbende verdragsluitende partijen een redelijke gelegenheid heeft gegeven tot overleg over haar voorstel en eventuele opmerkingen van die verdragsluitende partijen in beschouwing heeft genomen.6. De ondertekenende partijen verbinden zich ertoe uiterlijk op 1 januari 1995 onderhandelingen te openen met het doel om per 1 januari 1998, voor zover dit passend is in het licht van eventuele ontwikkelingen in het wereldhandelssysteem, de tekst van een wijziging op dit Verdrag gereed te hebben uit hoofde waarvan elke verdragsluitende partij, onder de daarin vastgestelde voorwaarden, ertoe gehouden zal zijn de betrokken rechten of heffingen niet te verhogen boven het krachtens die wijziging voorgeschreven niveau.7. Bijlage D is van toepassing op geschillen met betrekking tot het naleven van de bepalingen die krachtens dit artikel van toepassing zijn op de handel en, tenzij beide verdragsluitende partijen die partij zijn bij het geschil dit anders overeenkomen, op geschillen met betrekking tot het naleven van artikel 5 tussen verdragsluitende partijen waarvan er ten minste één geen partij is bij de GATT, met dien verstande dat bijlage D niet van toepassing is op