← België

Koninklijk besluit op de openbare overnamebiedingen

In het kort

Dit besluit regelt openbare overnamebiedingen op vennootschappen, met als doel de wet op openbare overnamebiedingen uit te voeren en het regelgevend kader te moderniseren. Het zorgt voor de volledige omzetting van de Europese richtlijn betreffende het openbaar overnamebod.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
27 APRIL 2007. - Koninklijk besluit op de openbare overnamebiedingen VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, beoogt op de eerste plaats de wet van 1 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/04/2007 pub. 26/04/2007 numac 2007003184 bron federale overheidsdienst financien Wet op de openbare overnamebiedingen sluiten op de openbare overnamebiedingen uit te voeren. Het is aangewezen eraan te herinneren dat voormelde wet de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2004/25/EG betreffende het openbaar overnamebod bewerkstelligt (hierna ook als « de OBA-richtlijn » aangemerkt). Het voorliggend besluit vervolledigt de omzetting van vermelde Richtlijn. Op de tweede plaats beoogt dit besluit een modernisering van het regelgevend kader, toepasselijk op de openbare overnamebiedingen, door te voeren. Met dit oogmerk werden onder meer een aantal bepalingen van het koninklijk besluit van 8 november 1989 op de openbare overnameaanbiedingen en de wijzigingen in de controle op vennootschappen herschreven en werden een aantal nieuwe regels ingevoegd. De Regering wenst Uw aandacht te trekken op het feit dat, in het kader van de benadering die wordt gevolgd in het zogenaamde Lamfalussyverslag, voor de opstelling van dit besluit een aantal beroepsfederaties, financiële tussenpersonen en specialisten in de materie van de openbare overnamebiedingen werden geconsulteerd. Alvorens over te gaan tot een artikelsgewijze bespreking, past het te vermelden dat dit besluit in vier hoofdstukken is ingedeeld. Hoofdstuk I herneemt een aantal definities. Hoofdstuk II bepaalt de regels die toepasselijk zijn op een vrijwillig openbaar overnamebod, waarbij een verder onderscheid wordt gemaakt in functie van de specifieke aard van de verrichting of de effecten waarop het bod slaat. Hoofdstuk III regelt het verplicht bod. Tot slot heeft Hoofdstuk IV betrekking op de inwerkingtreding en bevat het overgangs- en opheffingsbepalingen. Artikelsgewijze bespreking HOOFDSTUK I. - Definities Artikel 1.Artikel 1 bevestigt dat het besluit onder meer strekt tot de gedeeltelijke omzetting van de OBA-richtlijn en herneemt een aantal definities voor de toepassing van dit besluit. Op te merken valt dat ook de definities, bepaald in artikel 3 van de wet op de openbare overnamebiedingen, gelden voor de toepassing van dit besluit. Uit de definitie van kredietinstelling en beursvennootschap volgt de vereiste van vestiging in België. Aldus dient de bieder voor de ontvangst van de acceptaties en de uitbetaling van de prijs een kredietinstelling of beursvennootschap, die in België is gevestigd, aan te duiden. De vereiste van vestiging speelt tevens voor de kredietinstelling die de beschikbaarheid van de middelen in het kader van een openbaar bod tegen geld attesteert. De vereiste van vestiging in België in hoofde van deze kredietinstelling wordt verantwoord op grond van overwegingen van algemeen belang en inzonderheid de noodzaak om, met het oog op de transparantie en de goede werking van de markt, de kennisgeving van een bod zo snel mogelijk bekend te maken. In deze optiek is het primordiaal dat de CBFA de geldigheid van de attestatie zo snel mogelijk kan beoordelen, een taak die aanzienlijk wordt vergemakkelijkt door de vestiging in België van de attesterende kredietinstelling. Ook het feit dat de gelden in België beschikbaar zijn, kan van belang zijn om de daadwerkelijke uitbetaling van de biedprijs te bekomen wanneer dienaangaande enige betwisting zou rijzen, wat de bescherming van de effectenhouders in België bevordert. Wat de opmerking van de Raad van State inzake de financiering van het bod betreft, kan worden opgemerkt dat de beoordeling van de geldigheid van het attest over de beschikbaarheid van de middelen, voor wat de toepassing van de OBA-regulering betreft, los staat van de achterliggende financiering van het bod en de tussenkomst van buitenlandse kredietinstellingen in dit verband. Inzake in onderling overleg handelende personen wordt, analoog aan artikel 3, § 2, van de wet, de precisering opgenomen dat verbonden personen worden vermoed om een akkoord van onderling overleg te hebben gesloten of om in onderling overleg te handelen. Op te merken valt dat een aantal bepalingen van het besluit verwijzen naar de specifieke categorie van verbonden personen. Voor wat de omschrijving van de rechtsvorm van de houdsteronderneming betreft, kan men verwijzen naar de gelijkaardige formulering bepaald in artikel 74, § § 1 en 2, van de wet. Uit de lectuur van artikel 74, § 9, van de wet volgt inzonderheid dat een « gelijkaardige constructie » onder meer betrekking heeft op het vermogen van een trust. Overigens is het moeilijk om deze notie precies te omschrijven omdat zij een restcategorie betreft en juist wordt gebruikt om een sluitende regeling te bewerkstelligen. Inzake de beoordeling of de deelneming in houdsteronderneming meer dan de helft van haar netto-actief vertegenwoordigt, wordt de waarde van de deelneming in de doelvennootschap gewaardeerd tegen marktprijs. Partijen kunnen evenwel op hun beurt, op grond van de volledige herwaardering van de activa van de houdsteronderneming, aantonen dat de deelneming in de doelvennootschap minder dan de helft van het geherwaardeerde netto-actief van de houdsteronderneming vertegenwoordigt. HOOFDSTUK II. - Vrijwillig openbaar overnamebod Afdeling I. - Vrijwillig openbaar overnamebod op effecten met stemrecht of die toegang geven tot stemrecht Art. 2.Artikel 2 omschrijft het toepassingsgebied van Afdeling I van Hoofdstuk I. De bepalingen van deze Afdeling zijn toepasselijk op een vrijwillig bod op de effecten met stemrecht of die toegang geven tot stemrecht van een doelvennootschap. Onderafdeling I. - Biedingsvereisten Art. 3.De biedingsvereisten, bepaald in artikel 3 van het besluit, zijn in belangrijke mate analoog aan de biedingsvereisten, bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 november 1989. Niettemin dringen zich een aantal preciseringen op. Het bod dient te slaan op alle effecten met daadwerkelijk of potentieel stemrecht uitgegeven door de vennootschap. Deze regel doet uiteraard geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de bieder om het bod bijvoorbeeld uit te breiden tot obligaties met warrants met betrekking tot effecten met stemrecht van de doelvennootschap, door een dochtervennootschap uitgegeven met toepassing van artikel 498 W.Venn. Evenzo kan de bieder zijn bod uitbreiden tot aankoopopties, uitgegeven door de doelvennootschap of een verbonden vennootschap en die slaan op bestaande effecten met stemrecht van de doelvennootschap. Onder categorieën van effecten, worden eveneens de soorten effecten, bedoeld in artikel 560 W.Venn., verstaan. Het vereiste dat het bod, evenals zijn voorwaarden en modaliteiten, moeten beantwoorden aan de bepalingen van dit besluit, moet toelaten dat de CBFA, in het kader van de kennisgeving, prima facie onderzoekt of het bod regelmatig is. Zo vormt een tegenbod, met een prijs die geen 5% hoger ligt dan de laatste biedprijs, geen regelmatig bod. Ook zal worden geoordeeld dat een bod niet beantwoordt aan het besluit wanneer het wordt uitgebracht door een bieder, die met toepassing van artikel 8, § 2, van het besluit niet heeft bevestigd dat hij een bod zal uitbrengen op de effecten met stemrecht van de doelvennootschap, tenzij de biederaantoont dat de omstandigheden, de situatie van de doelvennootschap of het aandeelhouderschap van de betrokken personen ingrijpend zijn gewijzigd. Art. 4.Wanneer het bod overeenkomstig de regulering inzake concentratiecontrole moet worden aangemeld, kan de bieder zijn bod op dit punt enkel onderwerpen aan de opschortende voorwaarde dat de Europese Commissie of de bevoegde nationale mededingingsautoriteiten een gunstige beslissing treffen in de zin van artikel 6, lid 1, a) of b), van de EG-concentratieverordening of een gelijkaardige nationale bepaling. Zoals de Raad van State heeft opgemerkt, zal men, wanneer Belgische wetgeving toepassing vindt, de bepalingen van de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 15 september 2006 moeten naleven. Deze regeling is voornamelijk geïnspireerd op artikel 231-11 van het Règlement Général van de Franse AMF. Op te merken valt dat het bod uiteraard doorgang kan vinden indien de bieder afstand doet van de voorwaarde bedoeld in artikel 4. In een dergelijk geval loopt de bieder het eventuele risico indien de mededingingsautoriteiten zogenaamde « remedies » in het kader van een onderzoek in tweede fase zouden opleggen. De bieder die zich op deze voorwaarde wenst te beroepen, maakt een kopie van de verrichte aanmeldingen over aan de CBFA en houdt haar op de hoogte van het verloop van de procedure. Indien nog geen aanmelding werd verricht, kan de bieder deze uiteraard niet overmaken. Aangezien de bieder de CBFA op de hoogte moet houden van het verder verloop van de procedure, zullen de na de kennisgeving verrichte aanmeldingen ook worden overgemaakt. Onderafdeling II. - Kennisgeving van het bod en openbaarmaking ervan Art. 5 tot 7. De regelen inzake de kennisgeving van het bod op initiatief van de bieder en de openbaarmaking van deze kennisgeving sluiten aan bij de artikelen 4 tot 6 van het koninklijk besluit van 8 november 1989. Inzake de praktische modaliteiten van de publicatie van de kennisgeving van het bod verkiest de Regering om deze modaliteiten niet nader te regelen in het besluit. Een dergelijke soepele benadering laat toe om rekening te houden met de ontwikkelingen in de informatie- en communicatietechnologie. Volgens de huidige praktijk van de CBFA wordt de kennisgeving van het bod de dag van de ontvangst of de dag erna meegedeeld aan persagentschap, hernomen op de website van de CBFA en zo snel mogelijk bekend gemaakt in twee dagbladen. Indien het nuttig is deze praktijk aan te passen, zal de CBFA erop dienen toe te zien dat de informatie snel en op niet-discriminerende basis toegankelijk is en een zo groot mogelijk publiek kan bereiken. In dit kader zal de CBFA gebruik maken van media waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij voor een doeltreffende verspreiding van de informatie kunnen zorgen. Rekening houdend met een bemerking van de Raad van State werd de verwijziging in artikel 7 naar de markexploitant vervangen door een verwijzing naar de marktonderneming, een notie die overigens in artikel 2, 7°, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten is gedefinieerd. Art. 8.Artikel 8 van het ontwerp van koninklijk besluit handelt over de aangelegenheid van de aankondiging van een bod, zonder dat een formele kennisgeving werd verricht. Deze regeling strekt ertoe de integriteit van de markt en de gelijke behandeling van houders van effecten met stemrecht of die toegang geven tot stemrecht te garanderen. Zoals in het koninklijk besluit van 8 november 1989 reeds wordt gestipuleerd, kan de CBFA een persoon die betrokken zou kunnen zijn bij een mogelijk openbaar overnamebod, verzoeken om een mededeling te publiceren en, zoniet, hiertoe zelf overgaan (artikel 8, § 1, van het besluit). Een dergelijke mededeling kan de aanvang inluiden van de biedperiode, gedefinieerd in artikel 3, § 1, 29°, van de wet. Nieuw is dat de CBFA mogelijk meer nauwkeurige informatie van een mogelijke bieder kan uitlokken (artikel 8, § 2, van het besluit). In het verleden werd men bijvoorbeeld immers geconfronteerd met vijandige overnamebiedingen, die op de markt aanleiding gaven tot speculaties over de vraag of een « witte ridder » een tegenbod zou lanceren. Men heeft ook moeten vaststellen dat geruchten omtrent een nakend bod de ronde deden. Teneinde een herhaling van dergelijke situaties te vermijden, wordt voorzien in een regeling waarbij een persoon, die zelf of via een tussenpersoon, verklaringen heeft afgelegd die bij de markt vragen oproepen over zijn voornemen om een bod uit te brengen, een mededeling over zijn intenties betreffende een eventueel bod moet bekend maken, zo de CBFA hierom verzoekt. De toepassing van de regel leidt ertoe dat informatie aangaande een bod bekend wordt gemaakt aan alle houders van effecten van de doelvennootschap. In de mate dat loutere geruchten op de markt circuleren, doch dat geen verklaringen werden afgelegd die bij het publiek vragen oproepen over een mogelijk bod of tegenbod en die men rechtstreeks of onrechtstreeks kan toeschrijven aan een bepaalde persoon, zal artikel 8, § 2, van het besluit geen toepassing vinden. De hoger vermelde regel impliceert dat een potentiële bieder, bij de voorbereiding van zijn bod, intern en ten aanzien van eventuele externe adviseurs, de noodzakelijke maatregelen dient te nemen tot geheimhouding van zijn overnameplannen. Een gelijkaardige regeling bestaat overigens in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Anderzijds zal de CBFA, bij toepassing van de regel, erop toezien dat zo weinig mogelijk afbreuk wordt gedaan aan het legitieme belang van een mogelijke bieder om op weloverwogen wijze te beslissen over het uitbrengen van een bod. Men kan ervan uitgaan dat de CBFA bijvoorbeeld zal tussenkomen indien de verhandelingsprijzen van de effecten van doelvennootschap grote variaties vertonen of wanneer ongewone volumes worden verhandeld. Indien de ondervraagde persoon te kennen geeft dat hij zich voorneemt om een bod uit te brengen, zal hij hiertoe de nodige stappen moeten ondernemen. De vraag rijst welke sanctie geldt indien een persoon, na de aankondiging van zijn intentie om een bod uit te brengen, uiteindelijk geen bod lanceert. Gelet op het feit dat de regel het domein van de informatieverstrekking betreft en gelet op het ontbreken van een formele kennisgeving, zal de CBFA in een dergelijk geval geen aanmaning kunnen uitvaardigen om een bod te lanceren. Wel kan, indien de constitutieve elementen hiertoe verenigd zijn, een dergelijke situatie aanleiding geven tot administratieve sanctionering door de CBFA op grond van artikel 37 van de wet of op grond van artikel 25, § 1, 4°, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. Naast de reputatieschade waartoe een dergelijke mededeling bij het uitblijven van het bod leidt, valt anderzijds niet uit te sluiten dat de betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld, wat kan leiden tot burgerlijke aansprakelijkheid indien een derde de geleden schade en het causaal verband tussen de onzorgvuldig opgestelde mededeling en de geleden schade zou kunnen aantonen. Indien de betrokkene, in antwoord op de vraag van de CBFA, niet te kennen heeft gegeven dat hij de intentie heeft om een bod uit te brengen, kan hij gedurende 6 maanden geen bod op de betrokken vennootschap lanceren (zie de bespreking van artikel 3 van dit besluit). Een dergelijk bod kan wel worden uitgebracht indien de betrokkene aantoont dat de omstandigheden, de situatie van de doelvennootschap of het aandeelhouderschap van de personen betrokken bij een mogelijk bod, belangrijke wijzigingen hebben ondergaan. Artikel 8, § 3, van het besluit bevestigt het principe dat niemand, voor de publicatie van de kennisgeving van het bod, het bod mag aankondigen. Uiteraard vormen de publicaties bedoeld in artikel 8, §§ 1 en 2, van het besluit een uitzondering op de regel. Onderafdeling III. - Verplichtingen tijdens de biedperiode A. Algemeen Art. 9.Artikel 9 van het besluit bepaalt het toepassingsgebied ratione temporis van de bepalingen van deze Onderafdeling. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de bieder en personen uit zijn kring enerzijds en de andere partijen bij het bod anderzijds. Als uitgangspunt geldt dat de verplichtingen gelden tijdens de biedperiode; voor de bieder en de personen die in onderling overleg met de bieder handelen, gelden de verplichtingen in normale omstandigheden vanaf het ogenblik van de kennisgeving van het bod. Art. 10.Artikel 10 van het ontwerp stelt dat de partijen bij een bod zich dienen te onthouden van het (laten) bekendmaken van onjuiste of misleidende verklaringen, mededelingen of stukken die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met een bod, tegenbod of hoger bod. Deze bepaling sluit aan bij artikel 23 van het koninklijk besluit van 8 november 1989. Art. 11.Op vraag van de CBFA maken de partijen bij het bod onverwijld elk akkoord, dat mogelijk een wezenlijke invloed kan hebben voor de beoordeling van het bod, zijn verloop en afloop, over aan de CBFA. Bedoeld worden onder meer: verbintenissen tot inbreng in het bod, een akkoord waarin preferentiële rechten tot overdracht of overname van effecten met stemrecht van de doelvennootschap worden bepaald, akkoorden waarin aan een partij rechten worden toegekend om de creatie van nieuwe aandelen te vereisen. Op te merken valt dat deze informatie in het verlengde ligt van de informatie die moet worden gepubliceerd overeenkomstig artikel 10, lid 1, f) en g), van de OBA-richtlijn. Teneinde meer transparantie op de markt te creëren, kan de CBFA vereisen dat de geviseerde personen de pertinente clausules van dergelijke akkoorden publiceren. Art. 12 en 13. Artikel 12 van het ontwerp sluit aan bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 8 november 1989, met dien verstande dat de regeling werd uitgebreid tot effectenleningen en de afwikkeling voor termijn van effectenleningen. Voor de omschrijving van het begrip « meest liquide markt » kan worden verwezen naar de uitvoeringswerkzaamheden van Richtlijn 2004/39/EG (de zogenaamde MiFID). Het overmaken van de gegevens bedoeld in het besluit aan de CBFA is toereikend, terzake dienend en niet overmatig, uitgaande van de gerechtvaardigde doelstellingen waarvoor de CBFA deze gegevens verzamelt en inzonderheid het toezicht op het correcte verloop van een bod en de gelijke behandeling van de houders van effecten van de doelvennootschap in dit verband. Nieuw is dat deze gegevens, met het oog op de verwezenlijking van meer transparantie op de markt, bekend gemaakt zullen worden op de website van de CBFA. Hierbij zullen uiteraard de voorschriften van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens worden nageleefd. B. Bijzondere verplichtingen in hoofde van de bieder Art. 14.Met het oog op de omzetting van artikel 8, lid 2, van de OBA-richtlijn bepaalt artikel 14 van het besluit specifieke informatieverplichtingen voor het geval waar de effecten van de doelvennootschap zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in een andere lidstaat dan België. Art. 15.Tijdens de biedperiode kan de bieder zijn bod niet intrekken en wordt het bod niet meer gewijzigd, tenzij in gunstiger zin voor de effectenhouders van de doelvennootschap. Bovendien wordt de biedprijs verhoogd wanneer, tijdens de biedperiode, de bieder of personen die in overleg met hem handelen, buiten het bod effecten van de doelvennootschap verwerven tegen een hogere prijs dan de biedprijs of zich hiertoe verbinden. Art. 16 en 17. De artikelen 16 en 17 van het besluit sluiten aan bij de artikelen 12 en 13 van het koninklijk besluit van 8 november 1989. Wel werd de regeling inzake de uitgifte van bijkomende effecten met stemrecht door de doelvennootschap beperkt tot « betekenisvolle » uitgiften. Anderzijds werd de regeling inzake de reactie op verdedigingsmaatregelen, ingesteld door de doelvennootschap, uitgebreid tot alle beslissingen en verrichtingen die een aanzienlijke wijziging in de samenstelling van de activa of de passiva van de doelvennootschap tot gevolg hebben of kunnen hebben, of van zonder werkelijke tegenprestatie aangegane verplichtingen. Deze laatste formulering sluit aan bij artikel 557, eerste lid, W.Venn., zij het dat de bedoelde beslissingen, verrichtingen of verplichtingen worden geviseerd onafhankelijk van het feit of de doelvennootschap een Belgische naamloze vennootschap is en artikel 557 W.Venn. daadwerkelijk toepassing vindt. Immers, artikel 8, tweede lid, 1°, van de wet laat toe dat de Koning de verplichtingen bepaalt in hoofde van de partijen bij een openbaar bod en inzonderheid de doelvennootschap. De toelating van de CBFA om een bod in te trekken of te wijzigen is overigens ingegeven door het feit dat in voorkomend geval inzonderheid moet worden nagegaan of artikel 16, eerste lid, daadwerkelijk toepassing vindt en of, bij een wijziging van een bod, ook het gewijzigde bod aan de voorwaarden van artikel 3 voldoet. Immers, ook het gewijzigde bod dient aan de voorwaarden van artikel 3 te voldoen, dat onder meer bepaalt dat de voorwaarden van het bod de bieder normaal in staat om het beoogde resultaat te behalen. Op te merken valt dat in bepaalde gevallen het gebrek aan een noodzakelijke administratieve toelating om de effecten te verwerven, waarop het bod slaat, een bod onmogelijk kan maken. Bij wijze van voorbeeld kan men verwijzen naar de situatie waar de bieder geen toestemming krijgt van de bevoegde prudentiële controleautoriteit verkrijgt om de effecten met stemrecht van een kredietinstelling te verwerven (cf artikel 24 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen). Inzake de publiciteit van de intrekking of een eventuele wijziging van het bod, geldt ook hier dat de informatie- en communicatietechnologie aan ontwikkeling onderhevig is. Anderzijds lijkt het aangewezen dat een intrekking of een wijziging van een bod wordt gepubliceerd overeenkomstig dezelfde modaliteiten als een kennisgeving van een bod. Art. 18.Wanneer de bieder een opschortende voorwaarde met betrekking tot de tussenkomst van de kartelautoriteiten heeft bedongen en de bieder deze voorwaarde handhaaft, vervalt het bod wanneer de Europese Commissie of de bevoegde nationale mededingingsautoriteiten de procedure aanvatten bedoeld bij artikel 6, lid 1, c), van de EG-concentratieverordening of een gelijkaardige nationale bepaling (zie ook artikel 231-11 van het Règlement Général van de Franse AMF). Deze regeling beantwoordt aan de doelstelling om de werking van de doelvennootschap niet langer te paralyseren dan strikt noodzakelijk is. C. Bijzondere verplichtingen in hoofde van de doelvennootschap Art. 19.De doelvennootschap brengt de CBFA en de bieder onverwijld op de hoogte van elke beslissing die ertoe strekt of van aard kan zijn om het bod te doen mislukken. Inzonderheid dient de doelvennootschap kennis te geven van elke beslissing tot uitgifte van effecten met stemrecht of die toegang geven tot stemrecht. In dit verband kan men opmerken dat de doelvennootschap, ook tijdens de biedperiode, de regeling tot bekendmaking van bevoorrechte informatie dient na te leven. Naar aanleiding van een bemerking van de Raad van State, moet worden gepreciseerd dat de verweermaatregelen die een doelvennootschap kan treffen in het kader van het bod, mogelijk ruimer zijn dan deze geviseerd in artikel 16, eerste lid, van het besluit. De verweermaatregelen kunnen bijvoorbeeld omwille van de bijzondere positie van de bieder van aard zijn om het bod te doen mislukken, terwijl zij niet noodzakelijk door artikel 16, eerste lid, worden geviseerd. Overigens wordt in artikel 9, lid 2, van de OBA-richtlijn ook de gelijkaardige notie van actie « die het bod zou kunnen dwarsbomen » gebruikt. D. Bijzondere verplichtingen in geval van een overnamebod door een bieder die de doelvennootschap controleert Art. 20 tot 23. De artikelen 20 tot 23 gelden indien een openbaar overnamebod op de effecten met stemrecht van een Belgische vennootschap wordt uitgebracht door een bieder die, op het ogenblik van de kennisgeving van zijn voornemen om een bod uit te brengen, de controle over de doelvennootschap uitoefent. In dit verband past het erop te wijzen dat de omschrijving van controle in artikel 5 W.Venn. ook betrekking heeft op gevallen van feitelijke controle en gezamenlijke controle. De regeling is ingegeven door de bezorgdheid dat, in geval van een openbaar overnamebod door de controlerende aandeelhouder, de disciplinerende werking van een mogelijk tegenbod afwezig is. Immers, de competitie of zelfs de potentiële competitie tussen een bieder en een eventuele tegenbieder waarborgt in beginsel een marktconforme prijszetting. Dergelijke concurrentiële prijszetting is niet verzekerd wanneer een openbaar overnamebod wordt uitgebracht door een persoon die reeds de controle over de doelvennootschap bezit, omdat de kans op een tegenbod zeer klein tot uitgesloten is. In geval van een bod door een controlerende aandeelhouder, stelt de bieder één of verschillende experten aan. Het is cruciaal dat deze experten onafhankelijk zijn ten aanzien van de bieder en de doelvennootschap en hun verbonden vennootschappen. De expert verantwoordt aan de CBFA zijn onafhankelijkheid ten aanzien van de bieder, de doelvennootschap en hun verbonden vennootschappen; zijn verslag bevat terzake een passende verantwoording. De verantwoording van de onafhankelijkheid van de expert ten aanzien van de CBFA dient omstandig en volledig te zijn. Deze informatie moet de CBFA overigens toelaten om te controleren of het verslag dienaangaande een passende verantwoording bevat. Aldus is het bijvoorbeeld aanvaardbaar dat deze verantwoording in het verslag, voor zover de goede informatieverstrekking van het publiek hierdoor niet in het gedrang komt, geen melding maakt van bepaalde gegevens waarvan de publicatie een concurrentieel nadeel aan de expert zou kunnen berokkenen. Voor een aantal personen, opgesomd in artikel 22, § 1, van het besluit, gaat de regelgever ervan uit dat zij niet kunnen optreden als onafhankelijk expert: de commissaris of de accountant van de bieder of de doelvennootschap; de persoon met wie de commissaris of de accountant van de bieder of de doelvennootschap een band heeft in de zin van artikel 133, § 4, van het Wetboek van vennootschappen; de persoon, die voor een andere opdracht in het kader van de verrichting wordt vergoed door de bieder of de doelvennootschap. Voor de toepassing van de regel worden de met de bieder of de vennootschap verbonden vennootschappen ook in aanmerking genomen. In een aantal andere gevallen, opgesomd in artikel 22, § 2, van het besluit, wordt vermoed dat de expert zich bevindt in een situatie van afhankelijkheid of belangenconflict, zoals bijvoorbeeld wanneer een juridische band of een kapitaalband bestaat tussen de expert en de bieder of de doelvennootschap. In een dergelijk geval dient de expert die zich in een zodanige situatie van afhankelijkheid of belangenconflict bevindt, de opdracht te weigeren, tenzij hij in zijn verslag de betrokken omstandigheden uitvoerig beschrijft en op pertinente wijze aantoont dat zijn onafhankelijkheid niet in het gedrang komt. Bij het opstellen van deze regels heeft de Regering zich onder meer laten inspireren door de conclusies van een Franse werkgroep onder leiding van de heer Jean-Michel Naulot, Pour un renforcement de l'évaluation indépendante dans le cadre des offres publiques et des rapprochements d'entreprises cotées (te consulteren op de website van de Franse Autorité des Marchés Financiers). Aldus kan de expert in het geval omschreven in artikel 5, § 2, 1°, van het besluit bijvoorbeeld aantonen dat, ondanks de band van expert met de bieder of de doelvennootschap, hun verbonden vennootschappen of hun raadgevers, de expert toch zijn verslag in volle onafhankelijkheid zal kunnen opstellen, gelet op het feit dat de band niet betekenisvol is of gelet op de passende organisatie van de expert. De expert stelt als professionele en onafhankelijke partij een verslag op. De expert gaat over tot een eigen waardering en toetst zijn bevindingen aan deze van de bieder, zoals onder meer opgenomen in het ontwerpprospectus. Het verslag van de expert wordt door de bieder bekend gemaakt. Onderafdeling IV. - Prospectus Art. 24 en 25. Onverminderd de toepassing van artikel 13, § 1, van de wet, bevat het prospectus de gegevens opgenomen in schema I bij dit besluit. Dit schema sluit aan bij het schema voor het prospectus voor openbare overnamebiedingen, opgenomen als bijlage bij het koninklijk besluit van 8 november 1989 en herneemt ook de gegevens vermeld in artikel 6, lid 3, van de OBA-richtlijn. In het verlengde van de regel die de herroepbaarheid van de aanvaarding in het kader van een bod invoert, kan worden bevestigd dat de afdwingbaarheid van verbintenissen die bepaalde effectenhouders voor het bod hebben aangegaan, wordt beheerst door de regels van het verbintenissenrecht. In antwoord op een opmerking van de Raad van State, is de Regering overigens van oordeel dat deze bevestiging niet normatief van aard is. Onderafdeling V. - Memorie van antwoord van het bestuursorgaan van de doelvennootschap Art. 26 en 27. De artikelen 26 en 27 van het besluit sluiten in grote mate aan bij artikel 14, eerste zin, en artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 8 november 1989, met dien verstande dat de memorie van antwoord van het bestuursorgaan wordt opgesteld op grond van het goedgekeurde prospectus. Art. 28.Het standpunt van de doelvennootschap over het bod, dat een belangrijk onderdeel vormt van de memorie van antwoord, bevat een met redenen omklede toelichting van de gevolgen van de uitvoering van het bod indien het slaagt. Verwacht wordt dat het bestuursorgaan een eigen standpunt uitwerkt en niet louter het advies van experten weergeeft. Hierbij wordt rekening houdend met het geheel van de belangen van de vennootschap, van de effectenhouders, van de schuldeisers en van de werknemers met inbegrip van de werkgelegenheid (waarbij onder meer het aantal werkposten van bijzonder belang is). Ook gaat het standpunt in op de strategische plannen van de bieder voor de doelvennootschap en hun vermoedelijke gevolgen voor haar resultaten, en voor de werkgelegenheid en de vestigingsplaatsen (cfr. artikel 9, lid 5, van de OBA-richtlijn). Het standpunt vermeldt - analoog aan wat artikel 15, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 8 november 1989 vereist - hoeveel effecten met stemrecht of die toegang geven tot stemrecht in het bezit zijn van de leden van het bestuursorgaan of van de personen die zij in feite vertegenwoordigen. Het standpunt geeft aan of de leden van het bestuursorgaan, in hun hoedanigheid van effectenhouders, de effecten in hun bezit aan de bieder in het kader van het bod zullen overdragen. De leden van het bestuursorgaan verstrekken dezelfde gegevens voor de effectenhouders die zij in feite vertegenwoordigen. Nadere gegevens over de diverse posities moeten worden verstrekt, wanneer de leden van het bestuursorgaan of de effectenhouders die zij in feite vertegenwoordigen, geen eensgezinde stelling innemen. Op te merken valt dat deze regeling reeds in het koninklijk besluit van 8 november 1989 was opgenomen. De publicatie van de verstrekte gegevens vormt een belangrijke gegeven informatie voor de minderheidseffectenhouders, wanneer zij moeten beslissen of zij al dan niet op het bod zullen ingaan. De verwerking van persoonlijke gegevens die daar eventueel zal uit voortvloeien, is dus toereikend, ter zake dienend en niet overmatig uitgaande van de gerechtvaardigde doelstellingen. Overigens zullen deze gegevens vaak moeten worden gemeld en gepubliceerd in het kader van de toepassing van het koninklijk besluit van 6 maart 2006 op het marktmisbruik. Met andere woorden, in de meeste gevallen anticipeert de wetgever slechts het moment van een publicatie die door een andere wettekst al wordt voorzien. Ook de notie « effectenhouders die zij in feite vertegenwoordigen » vindt men reeds terug in het koninklijk besluit van 8 november 1989 en heeft in de praktijk geen aanleiding gegeven tot noemenswaardige betwistingen. De notie strekt ertoe de feitelijke realiteit te vatten dat bestuurders vaak de emanatie zijn van (een bepaalde groep van) de meerderheid van de houders van effecten met stemrecht, zelfs zonder dat deze aandeelhouders formeel beschikken over enig voordrachtsrecht van bestuurders. Rekening houdend met een opmerking van de Raad van State wordt bepaald dat indien de bestuurders of de effectenhouders die zij in feite vertegenwoordigen hun voornemen herzien om al dan niet op het bod in te gaan, zij dit dienen te melden aan het bestuursorgaan met het oog op de opstelling en goedkeuring van een aanvulling bij de memorie van antwoord. Op dergelijke wijze kunnen ook deze personen terugkomen op hun eventuele (aangekondigde) aanvaarding van het bod. Wel blijft de regel gelden dat de betrokkenen moeten handelen in overeenstemming met de aanwijzingen die zij hebben verstrekt in de eventueel aangevulde memorie van antwoord. Indien de statuten van de doelvennootschap goedkeuringsclausules of rechten van voorkoop bevatten, dient het bestuurorgaan aan te geven of het goedkeuring zal verlenen of weigeren en of het de toepassing van de rechten van voorkoop zal vragen. Het orgaan kan dienaangaande zijn rechten voorbehouden. Doch, voorafgaand dient het bestuursorgaan standpunt in te nemen over de vraag of deze clausules en rechten gelden ten aanzien van de bieder, gelet op eventuele statutaire bepalingen die de doelvennootschap, met toepassing van de artikelen 46 en 47 van de wet, zou hebben vastgesteld. Art. 29.Artikel 29 van het besluit is analoog aan artikel 16 van het koninklijk besluit van 8 november 1989 en verwijst in dit verband naar de artikelen 511 en 512 van het Wetboek van vennootschappen. Onderafdeling VI. - Aanvaardingsperiode van een bod en de afsluiting ervan Art. 30.De aanvaardingsperiode van een bod bedraagt, overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de OBA-richtlijn, niet minder dan 2 weken en niet meer dan 10 weken De regeling inzake de aanvang van de aanvaardingsperiode betracht op de eerste plaats de behoorlijke informatieverstrekking van de effectenhouders te verwezenlijken. In normale omstandigheden zullen de effectenhouders immers tijdens de aanvaardingsperiode over de memorie van antwoord beschikken. Anderzijds werden garanties ingebouwd opdat de bieder niet afhangt van de doelvennootschap om zijn bod te laten doorgaan. Teneinde in het kader van een vijandig bod vertragingsmanoeuvers inzake de indiening en het doorlopen van de goedkeuringsprocedure van de memorie van antwoord te vermijden, werd bepaald dat het bod kan beginnen vijf dagen na de goedkeuring van het prospectus. Overigens kan men opmerken dat artikel 27 van het besluit bepaalt dat het bestuursorgaan van de doelvennootschap binnen een termijn van vijf dagen een memorie van antwoord ter goedkeuring aan de CBFA dient voor te leggen. Indien het bestuursorgaan dit nalaat, kan de CBFA het bestuursorgaan aanmanen om de memorie van antwoord ter goedkeuring aan de CBFA over te maken en kan zij, overeenkomstig de artikelen 36, § 4, en 37 van de wet, een dwangsom opleggen en een administratieve sanctie uitspreken. Art. 31.Artikel 31 van het besluit behandelt twee gevallen waarin de aanvaardingsperiode van een bod wordt verlengd. Een eerste geval betreft het samenroepen van een algemene vergadering van de doelvennootschap, met het oog op de beraadslaging over het bod en inzonderheid over een actie die het bod zou kunnen dwarsbomen. Een tweede geval heeft betrekking op een verwerving, tijdens de biedperiode doch buiten het bod om, van effecten waarop het bod slaat, tegen een hogere prijs dan de biedprijs - of de verbintenis hiertoe - door de bieder of een persoon die met hem in onderling overleg handelt. De verlenging van het bod komt ten goede van de effectenhouders die het bod nog niet hebben aanvaard. Voor de effectenhouders die het bod reeds hebben aanvaard, geldt de regel dat zij overeenkomstig de artikelen 15, § 2, en 25, 2°, automatisch van de prijsverhoging zullen genieten. Art. 32 tot 34. De artikelen 32 en 33 van het besluit betreffen, zoals de artikelen 27 tot 29 van het koninklijk besluit van 8 november 1989, de publicatie van de resultaten van het bod, rekening houdend met de voorwaarden ervan. Artikel 34 van het besluit betreft de tijdspanne voor de betaling van de prijs door de bieder. Voor wat de publicatie van de resultaten en de vervulling van de voorwaarden van het bod betreft, geldt de reeds hoger geformuleerde bemerking inzake de mogelijke ontwikkelingen in de informatie- en communicatietechnologie. In de meeste gevallen publiceert de bieder de resultaten van het bod en het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarden van het bod minstens in twee landelijk verspreide dagbladen. Art. 35 en 36. Artikel 35 van het besluit omschrijft drie gevallen waarin het bod wordt heropend; artikel 36 van het besluit bepaalt de modaliteiten van een heropening van een bod. Onderafdeling VII. - Tegenbod en hoger bod Art. 37 tot 41. De artikelen 37 tot 41 van het besluit regelen het tegenbod en het hoger bod; deze artikelen sluiten aan bij de artikelen 33 tot 37 van het koninklijk besluit van 8 november 1989. Teneinde tegenbiedingen niet te bemoeilijken, kan een tegenbieder of hogere bieder zijn bod, tegenbod of hoger bod toch onderwerpen aan de opschortende voorwaarde, zoals bedoeld in artikel 4. Voorts wordt de bestaande regeling inzake de bekendmaking van de kennisgeving van een tegenbod of hoger bod nagenoeg ongewijzigd behouden. Belangrijk is eveneens dat, in geval van een tegenbod, de aanvaardingsperiode van het bod wordt verlengd tot het ogenblik van de afsluiting van de aanvaardingsperiode van het tegenbod, tenzij in geval van een regelmatige intrekking van het bod. Onderafdeling VIII. - Bod tot uitkoop en recht tot verkoop na een vrijwillig bod Art. 42 tot 44. De artikelen 42 tot 44 van het besluit zetten de artikelen 15 en 16 van de OBA-richtlijn om. De verwijzing in de artikelen 42 en 44 naar de graad van succes van het bod - meer bepaald de voorwaarde dat bieder, door de aanvaarding van het bod, effecten heeft verworven die ten minste 90% vertegenwoordigen van het door het bod bestreken kapitaal waaraan stemrechten zijn verbonden - strekt tot omzetting van de artikelen 15, lid 5, tweede alinea, en 16, lid 3, van de OBA-richtlijn. Ook het koninklijk besluit van 8 november 1989 bevatte de vereiste dat het bod een bepaalde, zij het lagere graad van respons moest hebben alvorens de bieder kon overgaan tot de uitkoop van de overblijvende effectenhouders van de doelvennootschap; anderzijds kon onder de vroegere regeling de uitkoop van de resterende effectenhouders enkel plaats vinden in het verlengde van een openbaar bod in geld. Op te merken valt dat artikel 15, lid 5, van de OBA-richtlijn is geschreven in de veronderstelling dat de effecten van de doelvennootschap bij een ruim publiek zijn verspreid. De nieuwe regeling zal er in de praktijk toe leiden dat het voor een bieder, die reeds een belangrijke participatie in de doelvennootschap heeft opgebouwd, minder voor de hand ligt om in het verlengde van een openbaar bod over te gaan tot een bod tot uitkoop. Voor de toepassing van het tweede lid van dit artikel kan men er van uitgaan, op grond van het vermoeden bepaald in artikel 3, § 2, van de wet en rekening houdend met de strekking van de notie van onderling overleg, dat verbonden personen worden beschouwd als personen die in onderling overleg handelen overeenkomstig artikel 513, § 1, laatste lid, a) of b), W.Venn. Onderafdeling IX. - Verbodsbepalingen na de biedperiode Art. 45.Teneinde te vermijden, dat op onrechtmatige wijze afbreuk wordt gedaan aan de gelijke behandeling van effectenhouders, dienen de bieder en de met hem in onderling overleg handelende personen gedurende een jaar na de biedperiode zich te onthouden van de verwerving van effecten waarop het openbaar bod betrekking had, tegen gunstiger voorwaarden dan deze bepaald in het openbaar bod. Afdeling II. - Openbaar overnamebod op vastgoedcertificaten Art. 46.Omdat vastgoedcertificaten geen vennootschappelijke zeggenschapsrechten verlenen, vallen als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van hoofdstuk II van het voornoemd koninklijk besluit van 8 november 1989. Anderzijds vallen zij wel onder de wet van 22 april 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2003 pub. 09/05/2003 numac 2003003276 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten met het oog op de inrichting van een nieuwe categorie van instellingen voor collectieve belegging, private privak genaamd, en houdende diverse fiscale bepalingen type wet prom. 22/04/2003 pub. 22/05/2003 numac 2003009423 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende de samenstelling en werking van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden sluiten, zijnde de algemene prospectuswetgeving voor OBA's. Nochtans wordt het ook opportuun geacht om de openbare overnamebiedingen op vastgoedcertificaten op meer omstandige wijze te omkaderen, met het oog op de rechtszekerheid en de bescherming van de belangen van de beleggers. In tegenstelling tot openbare overnamebiedingen op ander schuldinstrumenten, komt dit soort operaties in de praktijk immers regelmatig voor. Bovendien verschaffen de uitgiftevoorwaarden aan vastgoedcertificaten vaak op conventionele wijze een (zij het niet vennootschapsrechtelijk) stemrecht. In het verleden werd deze omkadering gerealiseerd door een pragmatische benadering van de ex-CBF. De rechtszekerheid van die omkadering is echter niet gegarandeerd, wat recentelijk nog door een gerechtelijke uitspraak in de verf werd gezet. Het besluit heeft tot doel om hierover rechtszekerheid te scheppen. Artikel 46 van dit besluit verklaart de bepalingen van Afdeling I van dit besluit van toepassing op openbare overnamebiedingen op vastgoedcertificaten, mits een aantal uitzonderingen en preciseringen. Op deze manier wordt beoogd om in het kader van een openbaar overnamebod aan de houders van vastgoedcertificaten een gelijkaardige bescherming te geven als deze waarvan de houders van stemrechtverlenende effecten genieten. Een heel aantal regels betreffende openbare overnamebiedingen op stemrechtverlenende effecten kunnen immers ook relevant zijn in het kader van een openbaar overnamebod op vastgoedcertificaten, in het bijzonder met het oog op de bescherming van de belangen van de houders van de vastgoedcertificaten. Bij wijze van voorbeeld kan worden gewezen op: de verplichting dat het openbaar overnamebod op alle effecten moet slaan; de verplichting dat alle voor de verwezenlijking van het bod noodzakelijke fondsen beschikbaar moeten zijn; de verplichtingen betreffende transacties in de effecten waarop het bod slaat na de kennisgeving of openbaarmaking van het voornemen van een openbaar overnamebod; het advies van het bestuursorgaan van de emittent; de bescherming van de effectenhouders bij tegenbod of hoger bod; ... Bovendien wordt een bijzonder prospectusschema ingevoerd voor de openbare overnamebiedingen op vastgoedcertificaten. Dit schema schrijft de minimuminhoud van het prospectus voor, en is gebaseerd op het schema voor het prospectus voor openbare overnamebiedingen op effecten met stemrecht of die toegang geven tot stemrecht. Vastgoedcertificaten worden in de praktijk uitgegeven binnen uiteenlopende vennootschapsstructuren, waarbij de emittent van de vastgoedcertificaten niet steeds tevens de eigenaar is van het onroerend goed of de onroerende goederen op de inkomsten, opbrengsten en realisatiewaarde waarvan de vastgoedcertificaten betrekking hebben. Zo wordt bijvoorbeeld soms gewerkt met een structuur waarbij de emittent van de vastgoedcertificaten een andere vennootschap is dan de juridische eigenaar van het desbetreffende vastgoed, waarbij beide vennootschappen een stille handelsvennootschap vormen. Omdat zowel de emittent als de eigenaar in het bezit kunnen zijn van informatie die toelaat om te beoordelen of het door de bieder opgemaakte ontwerpprospectus leemten vertoont dan wel gegevens bevat die de houders van de vastgoedcertificaten kunnen misleiden, wordt in dergelijke gevallen naast het advies van de emittent ook het advies van de eigenaar vereist. Art. 47.Artikel 47 regelt het openbaar overnamebod op andere schuldinstrumenten dan vastgoedcertificaten. Afdeling III. - Openbaar bod tot inkoop van effecten met stemrecht Art. 48.Gelet op de ruime definitie in de wet van « overnamebod » valt ook een openbaar bod tot inkoop, dat een Belgische naamloze vennootschap bijvoorbeeld doorvoert met toepassing van artikel 620 W.Venn., onder de toepassing van de OBA-regulering. In het verleden heeft de CBFA de nodige soepelheid aan de dag gelegd om een werkbaar juridisch kader voor dergelijke verrichtingen te bewerkstelligen (zie Jaarverslag CBF, 1998-1999, 123-124). In het kader van een dergelijke verrichting stond de CBFA veelal afwijkingen toe op een aantal regels: de verplichting dat het bod slaat op alle geviseerde effecten die zijn uitgegeven door de vennootschap en nog niet in het bezit zijn van de bieder(s); het inwinnen van het advies van de raad van bestuur van de doelvennootschap; de aanvaardingsperiode van het bod om aan de effectenhouders voldoende bedenktijd te geven. Deze administratieve praktijk wordt nu hernomen in het besluit. In verband met de looptijd van een bod kan men wel opmerken dat, in overeenstemming met de bepalingen van de OBA-richtlijn, de aanvaardingsperiode tot 10 weken kan bedragen, zodat de houders van de effecten, waarop het bod slaat, voldoende bedenktijd hebben. HOOFDSTUK III. - Verplicht bod Art. 49.Artikel 49 van het besluit bepaalt het personeel toepassingsgebied van hoofdstuk III van het besluit. De regeling van het verplicht bod is toepasselijk op een doelvennootschap met statutaire zetel in België, voor zover minstens een gedeelte van haar effecten met stemrecht zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of tot de markten in financiële instrumenten Alternext en Vrije Markt, georganiseerd door Euronext Brussels. Art. 50.Artikel 50 van het besluit regelt de biedplicht naar aanleiding van de overschrijding van de drempel van 30% van de effecten met stemrecht van de doelvennootschap, ten gevolge van een effectenverwerving. Het uitgangspunt van de regeling van het verplicht bod ligt erin de andere effectenhouders te beschermen bij de overgang van de zeggenschap naar een derde. Men kan ervan uitgaan dat het voor de andere effectenhouders niet relevant is op welke wijze de overgang van de zeggenschap wordt georganiseerd; in een dergelijke optiek worden de verwervingen die aanleiding geven tot de biedplicht, ruim ingevuld. De eerste paragraaf van vermeld artikel 50 behandelt vooreerst de situatie van een persoon die, in voorkomend geval samen met de verbonden personen en personen die als tussenpersoon optreden, de drempel overschrijdt. De tweede en de derde paragraaf van hetzelfde artikel bepalen welke effecten men in aanmerking dient te nemen voor de beoordeling van de overschrijding van de drempel (zonder dat in dit kader een onderscheid wordt gemaakt of de betrokken effecten al dan niet werden onderworpen aan het onderling overleg) en welke effectenverwervingen kunnen leiden tot de drempeloverschrijding. De paragrafen 4 tot 6 van artikel 50 van het besluit zijn analoog aan de paragrafen 1 tot 3 van hetzelfde artikel, zij het dat eerst genoemde bepalingen betrekking hebben op in onderling overleg handelende personen. Belangrijk is dat, als de drempel van 30 % overeenkomstig §§ 1 tot 3 van vermeld artikel 50 wordt overschreden door één van de personen die in onderling overleg handelen, enkel deze persoon gehouden is om een overnamebod uit te brengen. Dus, zelfs indien een persoon in onderling overleg handelt, leidt de verwerving van meer dan 30% van de effecten met stemrecht tot biedplicht. Artikel 50, § 7, van het besluit bepaalt specifieke regels voor de personen die in onderling overleg handelen. Deze regels gelden onder zojuist geformuleerde voorbehoud van de situatie waar één persoon - samen met de verbonden personen en personen die als tussenpersoon optreden - meer dan 30 % van de effecten met stemrecht van de doelvennootschap verwerft. De eerste regel betreft het sluiten van een akkoord van onderling overleg en inzonderheid het geval waar de betrokken partijen gezamenlijk meer dan 30 %van de effecten met stemrecht houden, terwijl geen van de betrokkenen voordien meer dan 30% van de effecten met stemrecht hield. In een dergelijk geval ontstaat een biedplicht op het ogenblik van de eerste verwerving, binnen een tijdspanne van drie jaar nà het sluiten van het akkoord van onderling overleg, van effecten met stemrecht van de doelvennootschap van een derde. Met verwijzing naar het advies van de Raad van State, laat de Regering opmerken dat deze regel de bescherming van de minderheidseffectenhouders versterkt. Immers, de OBA-richtlijn bevat geen aanwijzingen over de behandeling van situaties waarin verschillende partijen een onderling overleg sluiten en samen de vastgestelde drempel van de effecten met stemrecht van de doelvennootschap overschrijden. Met het oog op de juridische zekerheid geeft de hoger bedoelde regel nadere invulling indien zich een dergelijke situatie voordoet. De regel beoogt inzonderheid om, binnen redelijke grenzen, partijen die samen meer dan 30% van de stemrechten houden en dan een akkoord van onderling overleg sluiten en bijkomend effecten verwerven, aan de biedplicht te onderwerpen. De tweede regel betreft de toetreding door een derde tot een bestaand onderling overleg. Een dergelijke toetreding stelt geen probleem zolang de oorspronkelijke partijen - of hun toegelaten plaatsvervangers - 30 % blijven houden. M.a.w. indien de effecten met stemrecht die de toetreder overneemt, noodzakelijk zijn om aan de drempel van 30% van de effecten met stemrecht te komen, ontstaat in principe de biedplicht. De regel doelt aldus op het geval dat de personen bij een onderling overleg een deel van hun effecten hebben gecedeerd aan een derde, waardoor zij onder de 30 % drempel zijn komen te vallen. Indien zij later de drempel opnieuw overschrijden, doordat de derde tot het overleg toetreedt, treedt de biedplicht in, gezien er drempeloverschrijding en effectenverwerving is door de toetredende derde. Om wetsontduiking te voorkomen wordt geen rekening gehouden met het precieze sequens van verwerving en toetreding tot het akkoord. Gelet op het feit dat de overige partijen de toetreder moeten toelaten tot het onderling overleg, geldt de biedplicht in een dergelijk geval niet alleen voor de toetredende partijen. Voor de toepassing van de regel verstaat men onder « oorspronkelijk onderling overleg » hetzij het conform artikel 74 van de wet aangemeld en meegedeeld onderling overleg, hetzij het onderling overleg dat de in dit artikel bedoelde verplichting heeft doen ontstaan om een overnamebod uit te brengen, hetzij het onderling overleg waarvan alle partijen meer dan drie jaar lid zijn, onafhankelijk van de vraag of overeenkomstig artikel 52 van het besluit een afwijking op de biedplicht gold. Inzake de tweede regel kan men opmerken dat de OBA-richtlijn geen aanwijzigingen bevat over de behandeling van situaties waarin bepaalde personen toetreden tot onderling overleg en anderen dit onderling overleg verlaten, eens de biedplicht is ontstaan. De Regering is evenwel van oordeel dat het aangewezen is om, met het oog op de juridische zekerheid, terzake nadere regels uit te werken. Art. 51.Artikel 51 van het besluit herneemt mutatis mutandis de regeling van voormeld artikel 50 in het geval waar een persoon, alleen of in onderling overleg, respectievelijk de controle over, dan wel meer dan 50 % van de effecten met stemrecht van een zogenaamde onderneming verwerft. Vermeld artikel wordt vastgesteld in uitvoering van artikel 8, tweede lid, 4°, van de wet. Een « houdsteronderneming » is de vennootschap, rechtspersoon of gelijkaardige constructie die meer dan 30 % van de effecten met stemrecht van een doelvennootschap houdt (zie artikel 1, § 2, 6°). Tenzij een dergelijke onderneming kan genieten van overgangsregelen, is de biedplicht in haar hoofde in het verleden reeds ontstaan. Op te merken valt dat, in uitvoering van artikel 5, lid 3, van de OBA-richtlijn, werd vastgesteld dat het percentage waarmee de controle wordt verkregen 30 % van de stemrechten bedraagt. Bijgevolg leidt de controleverwerving over de houdsteronderneming tot de indirecte controleverwerving over de doelvennootschap. Binnen de grenzen van de hoger vermelde machtiging aan de Koning, regelt artikel 51 het specifieke geval van de indirecte controle over de doelvennootschap via een houdsteronderneming. De §§ 1 tot 3 betreffen de situatie waar een persoon, rechtstreeks of onrechtstreeks, de controle verwerft over de houdster. Op grond van de definitie van controle, bepaald in artikel 5 W.Venn., worden in dit kader, naast de verwerving van de controle in rechte, eveneens situaties van verwerving van feitelijke controle en gezamenlijke controle geviseerd. Anderzijds zal geen biedplicht ontstaan indien een partij de feitelijke controle uitoefent en hij de controle in rechte over de houdster verwerft. Evenmin zal biedplicht ontstaan indien een partij bij een gezamenlijke controle ten gevolge van een effectenverwerving de exclusieve controle over de houdster verwerft, omdat de betrokkene op grond van de definitie van het begrip controle, reeds de controle uitoefende. Zo de overige voorwaarden hiertoe vervuld zijn, zal de toetreding van een derde tot de gezamenlijke controle wel aanleiding geven tot biedplicht, omdat de derde controle verwerft. Afdeling II. - Afwijkingen op de biedplicht Art. 52.Een belangrijk aantal verwervingen van effecten, geviseerd door de artikelen 50 en 51 van het besluit, moeten geen aanleiding geven tot biedplicht. Ook in de overnamereglementering van de omringende lidstaten worden gevallen omschreven die, ofschoon zij formeel leiden tot de overschrijding van de drempel, toch geen aanleiding geven tot een verplicht bod. Artikel 52 vormt een uitvoering van artikel 8, tweede lid, 4°, van de wet, dat aan de Koning toelaat om, voor wat de verplichte biedingen betreft, eventuele afwijkingen op de biedplicht te bepalen. Overigens laat ook de OBA-richtlijn toe dat dergelijke afwijkingen worden ingevoerd. Zo bepaalt artikel 5, lid 2, van de OBA-richtlijn dat geen biedplicht geldt indien een vrijwillig bod werd uitgebracht dat tot alle houders van effecten was gericht en op al hun effecten betrekking had. Daarnaast lijkt artikel 5, leden 1 en 4, van de OBA-richtlijn te zijn opgesteld in de veronderstelling dat een verwerving ten bezwarende titel plaats heeft en wordt een bijstelling van de prijs onder meer aanvaardbaar geacht om de redding van een onderneming in moeilijkheden mogelijk te maken. Tot slot kunnen de nationale voorschriften, overeenkomstig artikel 4, lid 5, van de OBA-richtlijn, afwijkingen bevatten om rekening te houden met omstandigheden die op nationaal niveau worden vastgesteld. Ruw geschetst betreffen de afwijkingen, bepaald in artikel 52, de gevallen waar reeds een vrijwillig bod werd uitgebracht, geen wezenlijke controlewijziging doorgang vindt (bijvoorbeeld de verwerving door een andere vennootschap van de groep, door natuurlijke personen die genieten van een huwelijksvermogensrechtelijke of erfrechtelijke regeling of een schenking onder levenden, door een stichting van openbaar nut, door een « transparante » stichting,...), een andere persoon reeds de controle over de doelvennootschap heeft en deze blijft uitoefenen, andere mechanismen ter bescherming van de effectenhouders spelen, de verwerver bij veronderstelling niet de doelstelling heeft de controle over de doelvennootschap te blijven uitoefenen (vaste overnemer of de persoon die een financiële zekerheid uitoefent) of die het gevolg zijn van een onoplettendheid. Op te merken valt dat artikel 52, § 1, 1°, dat stelt dat de biedplicht niet geldt bij een verwerving « in het kader van een regelmatig vrijwillig openbaar overnamebod » zowel betrekking heeft op een situatie waar de bieder de drempel overschrijdt, als op de situatie waar een effectenhouder, in het kader van een omruilbod, 30 % van de effecten met stremrecht verwerft van de vennootschap, waarvan de effecten als tegenprestatie worden aangeboden. De persoon die een dergelijke verwerving heeft verricht, verantwoordt ten aanzien van de CBFA dat hij niet onderworpen is aan de biedplicht als bedoeld in de artikelen 50 en 51 van het besluit. Anderzijds zal de biedplicht in een aantal gevallen opnieuw ontstaan, bijvoorbeeld wanneer de voorwaarden tot vervreemding, bepaald in de vrijstellingsregel, niet werden nageleefd. Gelet op de definitie van onderling overleg, wordt tenslotte bepaald dat indien de doelvennootschap partij is bij een dergelijk akkoord, de eventuele biedplicht in hoofde van de in onderling overleg handelende personen, niet op haar zal rusten. Afdeling III. - Prijs van het verplicht bod Art. 53 en 54. De minimale prijs van het verplicht bod is hetzij de hoogste prijs, over een periode van 12 maanden vóór de aankondiging van het bod betaald voor de betrokken effecten door de bieder of een in onderling overleg handelende persoon, hetzij het gewogen gemiddelde van de verhandelingsprijzen op de meest liquide markt voor de betrokken effecten over de dertig laatste kalenderdagen. Overeenkomstig de bestaande marktpraktijk zullen in dit kader in principe de slotkoersen op de betrokken markt worden gehanteerd. De prijs van het bod kan bestaan uit speciën, effecten of een combinatie van beiden. Met verwijzing naar het advies van de Raad van State laat de Regering opmerken dat artikel 53 een correcte omzetting van de OBA-richtlijn vormt. Men kan opmerken dat de regeling van de minimale prijs van het bod verder gaat dan wat de OBA-richtlijn terzake voorschrijft. In de mate dat de prijs van de effectentransacties, over de laatste 12 maanden betaald door de bieder of een met hem in onderling overleg handelende persoon, lager zou liggen dan de gemiddelde verhandelingsprijzen op de markt, zal deze laatste prijs als biedprijs gelden. Aldus neemt de kans af dat een verplicht bod wordt uitgebracht aan een prijs beneden de beurskoers. Gelet op het feit dat de hoogste van de bedoelde bedragen wordt weerhouden, blijft de minimale bescherming van de effectenhouder, zoals bepaald in artikel 5, lid 4, van de OBA-richtlijn, gevrijwaard. Anderzijds bevestigt de OBA-richtlijn uitdrukkelijk dat aan de effectenhouders van de doelvennootschap bijkomende bescherming mag worden geboden (artikel 3, lid 2, b), en 5, lid 6, van de OBA-richtlijn). Art. 55.Analoog aan de situaties bedoeld in artikel 41, § 2, van het koninklijk besluit van 8 november 1989 kan de CBFA in bepaalde omstandigheden een wijziging van de prijs toestaan of vereisen. Men kan opmerken dat bij een plotse beursval een prijsaanpassing van het verplicht bod mogelijk zal zijn, voor zover de overnemer een voorwaarde in deze zin heeft opgenomen in de overeenkomst tot overdracht van de effecten van de doelvennootschap die tot de biedplicht heeft geleid. Afdeling IV. - Verwezenlijking van de biedplicht Art. 56 en 57. De artikelen 56 en 57 van het besluit regelen de kennisgeving van een verplicht bod, …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.