{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen andere berekeningsmethoden worden toegepast dan die voorzien in artikel 30, zoals de methode van de grenswaarden, de voorspellende berekeningsmethoden die een welbepaald niveau van betrouwbaarheid of gevaar van de installaties beogen enzovoort, op voorwaarde dat ze worden beschreven in de Europees en/of internationaal erkende normen of, bij gebrek aan een dergelijke norm, op voorwaarde dat ze het voorwerp hebben uitgemaakt van een analyse waarvan een erkend organisme de resultaten goedkeurt De minimale waarden van wanddikte gespecificeerd in de tabel in artikel 32, zijn ook van toepassing op de wanddikten die volgens de voornoemde methoden worden berekend. Art. 34.De eisen die worden geformuleerd in de artikelen 30 tot 33 zijn niet van toepassing voor de hulpsystemen en de instrumentatiesystemen. Deze systemen worden ontworpen volgens en voldoen aan de voorschriften voor de betrokken OP. Afdeling 5. - Bescherming van de vervoersleiding tegen corrosie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 35</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle ondergrondse of onder water aangelegde metalen vervoersleidingen worden voorzien van een passieve bescherming tegen corrosie door middel van een elektrisch isolerende bekleding De bekleding voldoet aan de in de Technische Codes beschreven eisen. Art. 36.De ondergrondse of onder water aangelegde metalen vervoersleidingen hebben een actieve kathodische beschermingsuitrusting tegen corrosie. Haar doel is een elektrochemische potentiaal van de leiding ten opzichte van de grond op te leveren die gelijk is aan of kleiner is dan - 0,85 V. Deze potentiaal wordt met een niet-polariseerbare elektrode koper- verzadigd kopersulfaat gemeten. Art. 37.Alle bovengrondse delen van vervoersleidingen zijn voorzien van een bescherming tegen corrosie. Art. 38.Indien het vervoerd product van corrosieve aard is, dan worden er bijkomende maatregelen tegen de interne corrosie getroffen. Afdeling 6. - Risicoanalyse</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 39</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het tracé van elke vervoersleiding, waarvoor een vervoersvergunning vereist is, maakt het voorwerp uit van een risicoanalyse teneinde de aanvaardbaarheid van het tracé te bevestigen, behoudens wijziging van het tracé van een vervoersleiding overeenkomstig de artikelen 9 en 12 van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Desalniettemin is geen risicoanalyse vereist voor de vervanging van een vervoersleiding door een andere indien de nieuwe vervoersleiding aan de volgende karakteristieken beantwoordt : 1° vervoer van hetzelfde product, en 2° met eenzelfde of kleinere nominale diameter, en 3° met eenzelfde of lagere MAOP, en 4° aangelegd in de voorbehouden zone van de vervangen leiding. De risicoanalyse bevat minstens volgende elementen : 1° een beschrijving van de leiding en van het vervoerde product;2° een gedetailleerde beschrijving van het tracé van de leiding;3° een kwantitatieve risicoanalyse;4° de beoordeling van de risico's op de mens voortvloeiend uit de aanwezigheid van de leiding. De risicoanalyse zal bijgevoegd worden aan de vervoervergunningsaanvraag ingediend overeenkomstig hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 14 mei 2002Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/06/2002 numac 2002011199 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de vervoersvergunning voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen sluiten. Afdeling 7. - Diverse bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Technische Codes voor vervoersinstallaties bepalen onder meer de bijzondere vereisten met betrekking tot de volgende elementen : 1° de bovengrondse installaties;2° de bebakening van de vervoersleidingen;3° kruisingen met wegen, autosnelwegen, spoorwegen, waterwegen, moerassen en afgebakende overstromingsgebieden evenals terreinen met een beperkt draagvermogen of onstabiele grond;4° de ingravingsdiepte;5° de bescherming van de vervoersleiding tegen meteorologische fenomenen;6° de passieve bescherming door bekleding of de maatregelen passend voor de ingegraven leidingsecties;7° de bescherming tegen corrosie;8° het ontwerp van de componenten;9° het ontwerp van de pompen en de compressoren;10° de voorzienbare krachten;11° de toelaatbare spanningen;12° de toegelaten berekeningsmethoden;13° de criteria van de interne inspectie;14° de dimensionering van de afblaas- en purgeerinstallaties;15° de risicoanalyse;16° de hulpsystemen en instrumentatiesystemen;17° de veiligheidssystemen of -procedures zoals bedoeld in artikel 26, tweede lid. HOOFDSTUK 5. - Gebruikte materialen en componenten Art. 41.De materialen van de componenten voor de constructie van de vervoersinstallaties, zijn compatibel met het vervoerde product De componenten voor de constructie van de vervoersinstallaties, worden normaal van staal gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere materialen zijn toegelaten voor zover die materialen compatibel zijn met het vervoerde product en voor zover de betrokken componenten en hun verbindingen een veiligheidsniveau hebben dat aanvaardbaar is voor de ontwerp- en exploitatievoorwaarden, overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd in de Technische Codes. Art. 42.De chemische samenstelling van de materialen en hun fabricageprocedé garanderen dat de componenten beschikken over de vereiste lasbaarheid, mechanische weerstand, ductiliteit en kerf-slagwaarde, die respectievelijk als criteria de waarden van de elasticiteitsgrens, de breuksterkte, de relatieve rek en de geabsorbeerde energie tijdens kerfslagproeven hebben, overeenkomstig de bepalingen van de Technische Codes.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden van de chemische analyse, de trek- en kerfslagproeven zijn gedefinieerd in de Technische Codes.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mechanische weerstand van de lasnaden van de componenten zijn ten minste gelijk aan de gespecificeerde waarden voor het basismetaal. Art. 43.De Technische Codes leggen de specificaties vast met betrekking tot de componenten, pompen en compressoren evenals de hulpsystemen en instrumentatiesystemen, onder meer : 1° de technische specificaties van de componenten, met betrekking tot : a) het ontwerp;b) de kwaliteiten en eigenschappen van de basismaterialen;c) de fabricageprocedés;d) de maattoleranties;e) de proeven, beproevingen en controles van de basismaterialen, de producten tijdens fabricage en de eindproducten;f) de opleverings-, markerings- en de identificatievoorwaarden;2° de technische specificaties betreffende de beproevingen en de controle in de fabriek van de componenten en van de hulpsystemen en instrumentatiesystemen;3° de technische specificaties met betrekking tot de pompen en compressoren;4° de conformiteitsbewijzen die de materiaalleverancier moet leveren. HOOFDSTUK 6. - Constructie en indienststelling Afdeling 1. - Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 44</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de constructie van de vervoersinstallatie maken de bouwplaats en de werken het voorwerp uit van een inspectie met betrekking tot het respecteren van de bepalingen van dit besluit, de Technische Codes en de vervoersvergunning Deze inspectie wordt uitgevoerd op het initiatief van de houder van de vervoersvergunning. De resultaten van de inspectie worden neergeschreven in een verslag. Art. 45.Het lassen van de componenten gebeurt volgens een gekwalificeerde lasprocedure en door gekwalificeerde lassers en/of lasoperatoren. Art. 46.De metalen componenten worden bij voorkeur geassembleerd door stomplassen uitgevoerd door een elektrisch vlambooglasproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mechanische eigenschappen van de lasnaden worden gecontroleerd overeenkomstig de eisen van de Technische Codes. Art. 47.De overige types van assemblage, zoals de verbinding door middel van flenzen, zijn toegelaten voor bovengrondse installaties en eveneens voor ingegraven installaties voor die gevallen die in de Technische Codes worden gedefinieerd. Art. 48.Het gebruik van bochten die worden vervaardigd door het lassen van rechte stukken is verboden. Afdeling 2. - Controle van de lasnaden van de stalen installaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 49</span><span class=\"lf-art-t\">De lasnaden worden onderworpen aan een visueel onderzoek in een verhouding van 100% over hun volledige lengte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast worden de lasnaden onderworpen aan een niet-destructief onderzoek in een verhouding van 100% over hun volledige lengte, behalve voor de installaties met een MAOP kleiner dan of gelijk aan 16 bar, en waarvan de lasnaden worden onderworpen aan een niet-destructief onderzoek in een verhouding van ten minste 10% over hun volledige lengte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien niet 100% van de lasnaden onderworpen worden aan een niet-destructief onderzoek, dan houdt de houder van de vervoersvergunning een register bij met vermelding van de lassers die voor elke lasnaad verantwoordelijk zijn. Art. 50.Een minimaal aantal lasnaden maakt het voorwerp uit van een destructief onderzoek tijdens de aanleg van een vervoersleiding. Het minimum aantal lasnaden dat wordt onderzocht in functie van de lengte van de vervoersleiding is vastgelegd in de Technische Codes. Art. 51.Na bekleding van de lasnaden en andere naakte elementen van de ondergrondse delen van de vervoersleiding en/of het station, wordt de kwaliteit van de isolatie van de hele bekleding van de leiding onderworpen aan een niet-destructief onderzoek. Dit onderzoek wordt, voor zover mogelijk, uitgevoerd voor het neerlaten in de sleuf. Art. 52.De stompgelaste verbindingen die geen mechanische weerstandsproef ondergaan, worden onderworpen aan twee verschillende soorten niet-destructief onderzoek over hun volledige lengte. De overige verbindingslassen die geen mechanische weerstandsproef ondergaan, worden onderworpen aan een magnetisch onderzoek of penetrantonderzoek over hun volledige lengte. Afdeling 3. - Reiniging en beproevingen van installaties in staal</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vóór de opleveringsproeven worden de vervoersleidingen aan de binnenkant gereinigd. De stations mogen vóór of na de opleveringsproeven worden gereinigd. Art. 54.Alvorens in dienst te worden gesteld, wordt de vervoersinstallatie onderworpen aan een mechanische weerstandsproef gevolgd door een dichtheidsproef, met uitzondering van de hulpsystemen en instrumentatiesystemen. Art. 55.Deze mechanische weerstandsproef wordt normaal met water uitgevoerd. Indien gebruik van water technisch gezien niet mogelijk is, is het gebruik van lucht of stikstof toegelaten. De mechanische weerstandsproef duurt minimaal 1 uur voor installaties die tijdens de beproeving visueel kunnen worden onderzocht en minimaal 6 uur voor de overige installaties. De druk ligt tussen de minimale en de maximale druk, zoals vermeld in de onderstaande tabel Fluide d'épreuve Limite d'élasticité Pression minimale de l'épreuve de résistance mécanique Pression maximale de l'épreuve de résistance mécanique Test-medium Elasticiteitsgrens Minimale druk van de mechanische weerstands-proef Maximale druk van de mechanische weerstands- proef Eau ? 385 N/mm² 1,25 MAOP La pression d'épreuve en usine Water ? 385 N/mm² 1,25 MAOP Beproevings-druk in de fabriek Eau &gt;385 N/mm² 1,40 MAOP La pression d'épreuve en usine Water &gt;385 N/mm² 1,40 MAOP Beproevings-druk in de fabriek Air ou azote 1,10 MAOP 1,25 MAOP Lucht of stikstof 1,10 MAOP 1,25 MAOP De vereiste maatregelen worden genomen opdat bij een hydraulische weerstandsproef de minimale beproevingsdruk kan worden bereikt in alle hoge punten en opdat de maximale beproevingsdruk niet zou worden overschreden in alle lage punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Componenten, met uitzondering van individuele buizen, die al het voorwerp hebben uitgemaakt van een voorafgaande mechanische weerstandsproef tijdens hun fabricage bij een druk die ten minste gelijk is aan de druk van de mechanische weerstandsproef zoals bepaald in dit artikel maar ongeacht de duur van de beproeving, worden niet noodzakelijk onderworpen aan de mechanische weerstandsproef van het geheel op de werf. Art. 56.De dichtheid van een installatie wordt aangetoond door die installatie te onderwerpen hetzij aan een dichtheidsproef door het onder druk zetten met behulp van lucht of stikstof met een druk van ten minste 5 bar, hetzij aan een gecombineerde mechanische weerstands- en dichtheidsproef met behulp van water. In dit laatste geval vindt deze beproeving plaats bij dezelfde druk als de mechanische weerstandsproef. De dichtheidsproef duurt ten minste 24 uur. Wordt er lucht of stikstof gebruikt bij de dichtheidsproef, dan wordt de beproevingsdruk echter beperkt tot 35% van de DP van de installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dichtheid wordt als voldoende beschouwd indien, rekening houdend met de nauwkeurigheid van de druk- en temperatuurmeettoestellen, de drukvariatie gecorrigeerd met de temperatuur-schommelingen in 24 uur niet meer bedraagt dan 0,2 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dichtheidsproef wordt aanvaard indien de drukvariaties die zich tijdens de beproeving voordoen, kunnen worden verklaard door statistische meetfouten, verschillen in temperatuur en/of atmosferische druk of door nog andere natuurlijke fenomenen die zich tijdens de beproeving voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien alle lasnaden en andere aansluitingen tussen componenten toegankelijk zijn, wordt de dichtheid als voldoende beschouwd wanneer er geen enkel lek wordt ontdekt bij het afzepen van de lasnaden en andere aansluitingen tijdens een beproeving met behulp van lucht of stikstof en bij een druk van ten minste 5 bar. Art. 57.De dichtheid van de verbindingslassen tussen delen van de installatie die al mechanische weerstands- en dichtheidsproef hebben ondergaan, wordt als volgt gecontroleerd : 1° voor vervoersinstallaties van gasvormige producten : afzepen bij een druk van ten minste 5 bar en bij dienstdruk, op het ogenblik van de indienststelling. Voor deze dichtheidsproef mag men lucht of stikstof gebruiken; 2° voor vervoersinstallaties van vloeibare producten : visueel onderzoek bij een druk van ten minste 5 bar en bij dienstdruk, op het ogenblik van de indienststelling. Afdeling 4. - Het (opnieuw) in gebruik nemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vooraleer een vervoersinstallatie in gebruik wordt genomen, moet de houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde voldaan hebben aan de bepalingen van dit besluit en over het bewijs beschikken van het feit dat de proeven bedoeld in artikel 54 geslaagd zijn Binnen de zes maanden na de indienststelling van een vervoersinstallatie moet de houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde aan de hand van een rapport van overeenstemming aan de minister kunnen aantonen dat hij voldaan heeft aan de bepalingen van dit besluit en van de vervoersvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de twee maanden na het verstrijken van de termijn bedoeld in het tweede lid, stuurt de houder van de vervoersvergunning aan het Bestuur Energie en aan de Administratie Kwaliteit en Veiligheid, per mail of per post, een kopie van het rapport van overeenstemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor vervoersinstallaties met een MAOP hoger dan 16 bar wordt dit rapport van overeenstemming opgesteld door het erkend organisme dewelke besluit dat de installatie in overeenstemming is met de bepalingen van dit besluit en de vervoersvergunning, voor wat betreft het ontwerp en de constructie van de vervoersinstallatie, wanneer : 1° de opdracht van het erkend organisme bedoeld in artikel 70 van dit besluit is uitgevoerd en resultaten heeft opgeleverd in overeenstemming met de eisen van dit besluit en de vervoersvergunning, wat betreft het ontwerp en de constructie van de vervoersinstallatie;2° dit erkend organisme heeft de aanwezigheid kunnen vaststellen van een verklaring van overeenstemming van de vervoersinstallatie met de bepalingen van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten, van dit besluit, van de Technische Codes en van de vervoersvergunning, wat betreft het ontwerp en de constructie van de vervoersinstallatie, zoals vastgesteld door de houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde. Voor de vervoersinstallaties met een MAOP lager dan of gelijk aan 16 bar, evenals voor de samenstellen die vallen onder het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 11 juli 2016Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2016 numac 2016011296 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt aanbieden van drukapparatuur type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/04/2023 numac 2023041577 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt aanbieden van drukapparatuur. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/2016 numac 2016014204 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 betreffende de oprichting van een nationaal Comité voor de veiligheid der burgerlijke luchtvaart en van plaatselijke comités voor de veiligheid der luchthavens type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/2016 numac 2016203367 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 oktober 2015, gesloten in het Paritair Subcomité voor de elektriciens : installatie en distributie, betreffende de vakbondsvorming type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/07/2016 numac 2016201890 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 oktober 2015, gesloten in het Paritair Subcomité voor de betonindustrie, betreffende de verhoging van het quotum overuren sluiten en niet worden opgenomen in een installatie die onderworpen is aan het toezicht van een erkend organisme, wordt dit rapport van overeenstemming opgesteld door één of meer specialisten die worden aangewezen door de houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houder van een vervoersvergunning of zijn afgevaardigde bewaart het rapport van overeenstemming voor de volledige levensduur van de betrokken vervoersinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen enkele vervoersinstallatie of deel van een installatie die niet voldoet aan de bepalingen van dit besluit, mag in gebruik worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er niet-conformiteiten met dit besluit worden vastgesteld door het erkend organisme bedoeld in artikel 69 of door de specialist bedoeld in artikel 71, tweede lid, dan wordt de oplossing ervan vastgesteld door hetzelfde organisme of door dezelfde specialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vervoersinstallatie wordt in gebruik genomen en een tijdelijk buiten gebruik gestelde vervoersinstallatie wordt opnieuw in gebruik genomen overeenkomstig de bepalingen van de Technische Codes. Art. 59.Binnen de zes maanden na de indienststelling van de vervoersinstallatie beschikt de houder van de vervoersvergunning over een definitief constructiedossier. Dit dossier bevat de volgende gegevens : 1° een register met aanduiding van elke lasnaad en de gebruikte lasprocedures evenals een kopie daarvan;2° een register met vermelding van de percentages van de gecontroleerde lasnaden en de resultaten van die controles, evenals een kopie van de controleverslagen;3° het register van de lassers bedoeld in artikel 49, derde lid;4° in voorkomend geval, de verslagen van de mechanische weerstands- en dichtheidsproeven;5° de berekeningsnota's;6° de certificaten van de materialen en de certificaten of technische dossiers van alle componenten;7° de constructieplannen in de staat zoals gebouwd;8° de attesten betreffende de goede werking van de kathodische bescherming;9° de attesten betreffende de bekleding, de aanleg, de aanaarding en de inwendige reinheid;10° het rapport van overeenstemming bedoeld in artikel 58, tweede lid. De houder van de vervoersvergunning bewaart het definitieve constructiedossier voor de volledige levensduur van de betrokken vervoersinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het definitieve constructiedossier wordt door de houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde voorgelegd op eenvoudig verzoek van de aangewezen ambtenaren van het Bestuur Energie en van de Administratie Kwaliteit en Veiligheid. Afdeling 5. - Overige bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 60</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Technische Codes stellen onder meer de technische eigenschappen vast met betrekking tot : 1° de specificaties van de richtingsveranderingen;2° de lasmethoden;3° de kwalificatie en de erkenning van de lassers;4° het niet-destructief onderzoek van de lasnaden en van de bekleding van de vervoersleidingen;5° de soorten verbindingen;6° de ingraving en aanaarding van de vervoersleidingen en/of (delen) van stations;7° de mechanische weerstands- en dichtheidsproeven;8° het in dienst stellen van een vervoersinstallatie en het opnieuw in dienst stellen van een tijdelijk buiten dienst gestelde vervoersinstallatie. HOOFDSTUK 7. - Exploitatie Afdeling 1. - Organisatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 61</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De houder van de vervoersvergunning organiseert zich zodanig dat het beheer en het onderhoud van de vervoersinstallaties worden verzekerd, waarbij onderstaande minimale vereisten worden gerespecteerd : 1° het organogram van het personeel dat nodig is om de vervoersinstallaties te beheren en te onderhouden wordt regelmatig bijgewerkt en ter beschikking gesteld van het betrokken personeel;2° het bij het beheer en het onderhoud van de vervoersinstallaties betrokken personeel krijgt een passende opleiding;3° de houder van de vervoersvergunning beschikt over een organisatie voor dringende interventies, zodat hij in geval van een ongewenste gebeurtenis, bedoeld in artikel 11, dag en nacht kan beschikken over het benodigde gekwalificeerd personeel, materieel, uitrusting en communicatiemiddelen. Afdeling 2. - Beheer- en onderhoudsprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De houder van de vervoersvergunning bepaalt de regels, instructies en procedures voor het beheer en het onderhoud van de vervoersinstallaties. Deze regels, procedures en instructies zijn een volwaardig onderdeel van het veiligheidsbeheersysteem bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 1 Deze procedures omvatten onder meer de verplichting voor de houder van de vervoersvergunning om de aangewezen ambtenaren van de Administratie Kwaliteit en Veiligheid kennis te geven van de werken door derden gedetecteerd in de buurt van een vervoersinstallatie die geen rekening houden met de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 september 1988.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheers- en onderhoudsprocedures worden regelmatig bijgewerkt en worden ter beschikking gesteld van het betrokken personeel. Art. 63.Voldoen bepaalde technische kenmerken van een vervoersinstallatie niet langer aan de ontwerpcriteria of aan de eigenschappen van de materialen die van toepassing waren op het ogenblik waarop die installatie werd gebouwd, dan neemt de houder van de vervoersvergunning de bepalingen van de Technische Codes in acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan regels in de Technische Codes is de procedure bedoeld in artikel 77 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingen van artikel 17/1 van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten, voor zover de eventuele passende maatregelen worden getroffen, mag de vervoersinstallatie in dienst worden gehouden. De houder van de vervoersvergunning brengt de aangewezen ambtenaren van het Bestuur Energie en van de Administratie Kwaliteit en Veiligheid op de hoogte van deze situatie. Afdeling 3. - Controle van de staat van de vervoersinstallaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 64</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De houder van de vervoersvergunning controleert de staat van de vervoersinstallaties overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en de Technische Codes. Afdeling 4. - Noodprocedures</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval een ongewenste gebeurtenis zoals bedoeld in artikel 11 zich voordoet, neemt de houder van de vervoersvergunning onmiddellijk alle noodzakelijke maatregelen, overeenkomstig het noodplan bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2 De aangewezen ambtenaren van het Bestuur Energie en de Administratie Kwaliteit en Veiligheid worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van zulke ongewenste gebeurtenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorzaak van deze gebeurtenis wordt opgezocht, zodat de houder van de vervoersvergunning hiermee rekening houdt in het kader van zijn veiligheidsbeheersysteem bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 1. Alle informatie in verband met de ongewenste gebeurtenissen bedoeld in artikel 11 wordt ter beschikking van de ambtenaren bedoeld in het tweede lid gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houder van de vervoersvergunning bezorgt, ten laatste voor 1 april, een verslag over de ongewenste gebeurtenissen die zich tijdens het afgelopen jaar hebben voorgedaan. De aangewezen ambtenaren van het Bestuur Energie en de Administratie Kwaliteit en Veiligheid stellen de nadere regels van deze verslaggeving vast. Afdeling 5. - Plannen, documentatie en verslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 66</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de volledige levensduur van een vervoersinstallatie, eventueel gewijzigd, zijn de plannen en technische documenten van deze installaties en wijzigingen beschikbaar De plannen bevatten ten minste de volgende gegevens : 1° de identificatie van de vervoersinstallatie;2° het tracé met de speciale doorgangen;3° de hoogtecijfers van het terrein en van de ingravingsdieptes van de vervoersleiding;4° de diameter, de wanddikte en het type materiaal van de vervoersleiding en de aard van haar bekleding;5° de voorzieningen inzake kathodische bescherming;6° de plaatsen van de toestellen en voorzieningen bedoeld in de artikelen 22 en 28. De verslagen met betrekking tot de evaluaties, controles, inspecties en eventuele herstellingen van de vervoersinstallatie worden bijgehouden voor de volledige levensduur van de betrokken installatie. Afdeling 6. - Buitendienststelling van een vervoersinstallatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 67</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vervoersinstallatie wordt tijdelijk of definitief buiten dienst gesteld overeenkomstig de bepalingen van de Technische Codes. Afdeling 7. - Diverse bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 68</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Technische Codes stellen onder meer de bijzondere vereisten vast met betrekking tot de volgende elementen : 1° de modaliteiten van de bijwerking van de plannen en van de technische documenten;2° de bewaking en de operationele beheersing op afstand;3° de bewaking vanop de grond en/of vanuit de lucht van de vervoersinstallaties;4° het onderhoud en de inspectie van de vervoersinstallaties;5° het beheer van de werken die in de nabijheid van de vervoersinstallaties worden uitgevoerd;6° de detectie van lekken;7° de controle van de corrosiebescherming;8° de analyse en de evaluatie van de vastgestelde gebreken;9° de methode om vastgestelde gebreken te herstellen;10° de uitvoeringswijze van de tijdelijke of definitieve buitendienststelling van een vervoersinstallatie. HOOFDSTUK 8. - Erkende organismen voor de controle van de vervoersinstallaties Art. 69.Onverminderd de artikelen 70 en 71 wordt het toezicht op de bepalingen van dit besluit met betrekking tot de te nemen veiligheidsmaatregelen bij het ontwerp, de constructie en ingebruikneming, de verandering, de herstelling en de exploitatie van de vervoersinstallaties uitgeoefend door een hiervoor door de minister erkend organisme</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 71 bestaat de opdracht van het erkend organisme bij het ontwerp, de constructie en ingebruikneming, de verandering en de herstelling van de vervoersinstallaties uit : 1° het nazicht van de studie in verband met de intrinsieke veiligheid van de vervoersinstallatie;2° het toezicht op de proeven, controles en beproevingen van de componenten, pompen en compressoren in de fabriek;3° het toezicht tijdens de prefabricage en de montage;4° het toezicht op de mechanische weerstands- en dichtheidsproeven evenals op de dichtheidsproef van de verbindingslassen;5° het nazicht van de aanwezigheid van de door de houder van de vervoersvergunning afgeleverde verklaringen met betrekking tot de risicoanalyse, de corrosiebescherming, de aanaarding, de interne reiniging en de aanleg;6° het opstellen van het rapport van overeenstemming bedoeld in artikel 58, tweede lid. Tijdens de exploitatie van vervoersinstallaties worden het toezicht op de evaluatie van de gecorrodeerde of beschadigde zones evenals het toezicht op de uitvoering van de programma's van interne inspectie (intelligent pigging) uitgevoerd hetzij door een erkend organisme, hetzij door een of meer specialisten aangesteld door de houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde. De nadere regels voor de uitvoering van de opdracht worden bepaald door de minister of zijn afgevaardigde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 71</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het erkend organisme houdt verplicht toezicht op de volledige vervoersinstallaties, met uitzondering van : 1° de drukapparatuur en samenstellen die vallen onder het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 11 juli 2016Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/2016 numac 2016011296 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt aanbieden van drukapparatuur type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/04/2023 numac 2023041577 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt aanbieden van drukapparatuur. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/2016 numac 2016014204 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 betreffende de oprichting van een nationaal Comité voor de veiligheid der burgerlijke luchtvaart en van plaatselijke comités voor de veiligheid der luchthavens type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/2016 numac 2016203367 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 oktober 2015, gesloten in het Paritair Subcomité voor de elektriciens : installatie en distributie, betreffende de vakbondsvorming type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/07/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/07/2016 numac 2016201890 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 oktober 2015, gesloten in het Paritair Subcomité voor de betonindustrie, betreffende de verhoging van het quotum overuren sluiten;2° de fabricage in de fabriek van componenten, andere dan deze bedoeld in het eerste lid, 1°, waarvan de buitendiameter kleiner is dan of gelijk is aan 60,3 mm. Voor de componenten bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt het toezicht op de bepalingen met betrekking tot de veiligheidsmaatregelen bij de fabricage in de fabriek uitgevoerd hetzij door een erkend organisme, hetzij door een geaccrediteerde keuringsinstelling van het type A volgens de norm ISO/IEC 17020; 3° de hulpsystemen en instrumentatie- systemen;4° vervoersinstallaties waarvan de MAOP kleiner is dan of gelijk is aan 16 bar. Voor de installaties bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt het toezicht uitgevoerd hetzij door een erkend organisme, hetzij door één of meer specialisten aangesteld door de houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toezicht op de weerstands- en dichtheidsproeven evenals de dichtheidsproef van de verbindingslassen van de vervoersinstallaties bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt evenwel uitgevoerd door een erkend organisme.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor componenten, drukapparatuur en samenstellen bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, legt de houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde aan het erkend organisme alle bewijsstukken voor waarmee zij de goede integratie van de verschillende componenten, drukapparatuur en samenstellen in de vervoersinstallatie kan controleren. Art. 72.Voor de controles die het erkend organisme uitvoert, worden controleverslagen opgesteld die worden bewaard door de houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde gedurende de volledige levensduur van de betrokken installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze controleverslagen worden door de houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde voorgelegd op eenvoudig verzoek van de aangewezen ambtenaren van het Bestuur Energie en van de Administratie Kwaliteit en Veiligheid. Art. 73.Alle kosten die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 69 tot 72 zijn ten laste van de houder van de vervoersvergunning of van zijn afgevaardigde, die het erkend organisme aanstelt en contracteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houder van de vervoersvergunning of zijn afgevaardigde vertrouwt alle toezichtsopdrachten bedoeld in artikel 70 toe aan één enkel erkend organisme voor de ontwerp-, constructie- en ingebruiknemingsfasen van de vervoersinstallatie waarvoor de vergunning geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toezicht op de proeven, controles en beproevingen op componenten in de fabriek door een ander erkend organisme is echter toegestaan. Art. 74.Het erkende organisme bedoeld in artikel 69 wordt erkend door de minister overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 april 2016Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/04/2016 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/05/2016 numac 2016011142 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende de erkenning van organismen belast met het toezicht op de proeven, controles en beproevingen betreffende de veiligheidsmaatregelen die genomen moeten worden bij het ontwerp, de oprichting, de verandering, de herstelling en de exploitatie van installaties voor het vervoer van gasachtige producten en andere door leidingen sluiten betreffende de erkenning van organismen belast met het toezicht op de proeven, controles en beproevingen met betrekking tot de veiligheidsmaatregelen bij het ontwerp, de constructie en ingebruikneming, de transformatie, de herstelling en de exploitatie van vervoersinstallaties voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen. Art. 75.De bepalingen van artikelen 69 tot 73 beperken geenszins de aansprakelijkheid van de houder van de vervoersvergunning aangaande de naleving van de veiligheidsmaatregelen bepaald in dit besluit. HOOFDSTUK 9. - Diverse bepalingen Afdeling 1. - Delegaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 76</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er zich een noodsituatie voordoet die het nemen van maatregelen kan vereisen om de integriteit van de betrokken vervoersinstallaties te vrijwaren kan de minister aan de ambtenaren van het Bestuur Energie en de Administratie Kwaliteit en Veiligheid die hij aanwijst, de bevoegdheid overdragen om zowel algemene als individuele technische maatregelen te bepalen in het kader van de uitvoering van dit besluit. Afdeling 2. - Ontbreken van bepalingen in de Technische Codes</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan regels in de Technische Codes kan de houder van de vervoersvergunning een bijzondere maatregel of methode toepassen voor zover die maatregel of methode wordt goedgekeurd door de aangewezen ambtenaren van het Bestuur Energie en van de Administratie Kwaliteit en Veiligheid op basis van een gestaafd technisch dossier dat aan hen wordt voorgelegd. Afdeling 3. - Wijzigen van de Technische Codes</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 78</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van één of meer houders van een vervoersvergunning of op verzoek van het Bestuur Energie en de Administratie Kwaliteit en Veiligheid kan een van de Technische Codes worden gewijzigd De procedure van goedkeuring van een wijziging van een van de Technische Codes is dezelfde als voor het opstellen van die Codes. Afdeling 4. - Afwijkingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 79</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De minister kan afwijkingen van de bepalingen van dit besluit en van de Technische Codes toestaan of kan in de vervoersvergunning bijzondere bepalingen opleggen. Afdeling 5. - Opheffingsbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Worden opgeheven : 1° het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 januari 1991, 12 maart 2009 en 21 april 2016, behalve de bepalingen die betrekking hebben op de oprichting van hogedrukleidingen en hogedrukdienstleidingen bedoeld in artikel 4, a), van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasdistributie door middel van leidingen, en behalve de bepalingen van de artikelen 64 en 65 overeenkomstig de bepalingen van artikel 50 van het voormelde koninklijk besluit van 28 juni 1971;2° het koninklijk besluit van 25 juli 1967 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor het vervoer door middel van leidingen van vloeibare koolwaterstoffen en/of vloeibaar gemaakte koolwaterstoffen, andere dan deze beoogd door artikel 1, littera a, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten, betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 december 1993, 12 maart 2009 en 21 april 2016;3° het koninklijk besluit van 20 februari 1968 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor het vervoer door middel van leidingen van pekel, natronloog en afvalvloeistoffen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 december 1993, 12 maart 2009 en 21 april 2016;4° het koninklijk besluit van 9 mei 1969 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor het vervoer van gasvormige zuurstof door middel van leidingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 mei 1993, 12 maart 2009 en 21 april 2016; 5° de volgende ministeriële instructies : a) nr.1 van 14 april 1966; b) nr.2 van 15 juni 1966; c) nr.3 van 10 oktober 1966; d) nr.4 van 10 november 1970; e) nr.5 van 15 oktober 1981; f) nr.6 van 11 maart 2002. Afdeling 6. - Inwerkingtreding en overgangs-bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de volgende artikelen treedt dit besluit in werking de eerste dag van de derde maand die volgt op de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de bestaande vervoersinstallaties, treden de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 1, pas in werking 5 jaar na de inwerkingtreding van dit besluit. De houder van de vervoersvergunning bezorgt echter aan de Administratie Kwaliteit en Veiligheid en aan het Bestuur Energie, ten laatste op elke verjaardag van de inwerkingtreding van dit besluit, een jaarverslag betreffende de staat van vordering van het veiligheidsbeheersysteem met betrekking tot deze bestaande installaties, met dien verstande dat ten laatste 5 jaar na de inwerkingtreding van dit besluit de houder van de vervoersvergunning zijn veiligheidsbeheersysteem aan een audit zal onderwerpen overeenkomstig artikel 9</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 83</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2, treden in werking één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit. Het noodplan dat voor de bestaande installaties werd opgesteld overeenkomstig de regels die vóór de inwerkingtreding van dit besluit van kracht zijn, blijft tijdens deze overgangsperiode van kracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De minister of zijn afgevaardigde kan op verzoek van de houder van de vervoersvergunning toelaten dat, voor de bestaande vervoersinstallaties met een MAOP gelijk aan 14,7 bar, de MAOP op 16 bar wordt gebracht, op voorwaarde dat de betrokken vervoersinstallaties voldoen aan de voorschriften van dit besluit en van de Technische Codes</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 85</span><span class=\"lf-art-t\">De minister bevoegd voor Energie is belast met de uitvoering van dit besluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gegeven te Brussel, 19 maart 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">FILIP Van Koningswege : De Minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling, M.C. MARGHEM Bijlage 1 Krachtens artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 19 maart 2017 betreffende de veiligheidsmaatregelen inzake de oprichting en de exploitatie van installaties voor vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen zijn de volgende activiteiten toegelaten in de voorbehouden zone overeenkomstig de voorwaarden die worden bepaald in het document dat de houder van de vervoersvergunning opstelt : 1. de bouw, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van rij- en wandelinfrastructuur.De bouw, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van water- en spoorinfrastructuur, indien deze de vervoersinstallaties kruisen; 2. de plaatsing, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van kabels en leidingen, mits de afstand tussen de dichtstbijzijnde delen van de kabel of leiding en de vervoersinstallatie ten minste 0,20 m bedraagt (0,50 m voor gasvormige zuurstof) of 0,50 m respectievelijk in geval van kruising of parallel tracé tussen de vervoersinstallatie en de kabel of de leiding, en voor zover het niet gaat om ondergrondse ontwateringsnetten op land- of tuinbouwterreinen;3. de aanleg, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van bovengrondse leidingsteunen mits de horizontale tussenafstand tussen de dichtstbijzijnde delen van de bovengrondse leidingsteunen en de vervoersinstallaties ten minste 1,20 m bedraagt;4. de bouw, afbraak, aanwezigheid en onderhoud van ondergrondse bezoekkamers die niet menstoegankelijk zijn, behorende tot een kabel- of leidingennet mits de horizontale afstand tot de vervoersinstallaties minstens 0,50 m bedraagt;5. de aanleg, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van ondergrondse ontwateringsnetten op land- en tuinbouwterreinen, mits de afstand tussen de dichtstbijzijnde delen van de twee installaties ten minste 0,50 m op de kruisingen en 3 m bij evenwijdige loop bedraagt;6. het uitvoeren van grondbewerkingen voor land- en tuinbouw op een diepte tussen 0,50 m en 1,50 m onder het maaiveld, op een afstand van minstens 3 m van de vervoersinstallatie; 7. de bouw, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van bovengrondse constructies met een oppervlakte kleiner dan 40 m² die geen gebouwen zijn en geen reservoirs groter dan 2.500 liter en op voorwaarde dat deze constructies, inclusief funderingen, zich op minstens 3 m bevinden van vervoersinstallaties met een MAOP van meer dan 16 bar of op minstens 1 m van vervoersinstallaties met een MAOP lager dan of gelijk aan 16 bar; 8. de bouw, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van constructies ter beschutting van dieren, planten of goederen die niet menstoegankelijk zijn onder voorwaarde dat deze constructies geen fundering hebben en de ankers en/of aardingen zich niet dieper dan 0,50 m in de grond bevinden;9. de bouw, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van constructies zonder fundering en waarvan de ankers en/of aardingen zich niet dieper dan 0,50 m in de grond bevinden mits ze aanwezig zijn gedurende een periode die beperkt is zoals bedoeld in het schriftelijk akkoord van de houder van de vervoersvergunning;10. de bouw, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van constructies die geen gebouw zijn, onder voorwaarde dat de vervoersinstallatie zich minstens 15 m onder het maaiveld bevindt en mits de fundering en/of aardingen van deze constructie zich op minstens 5 m van de vervoersinstallatie bevinden;11. de opslag van goederen en materieel mits : - het geen explosieve producten zijn en - deze onmiddellijk verplaatsbaar zijn voor inspectie van en interventie op de vervoersinstallatie;12. de bouw, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van constructies opgebouwd op een individuele paal met een omtrek kleiner dan 0,75 m mits de tussenafstand tussen het ondergrondse deel van de paal, inclusief fundering, en de vervoersinstallaties niet kleiner is dan de lengte van het ondergrondse deel van de paal, inclusief fundering, met een minimum van 1 m;13. de bouw, afbraak, aanwezigheid en het onderhoud van de afsluiting, voor zover de ondergrondse delen, inclusief funderingen, zich op minstens 1 m van de vervoersinstallaties bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 19 maart 2017 betreffende de veiligheidsmaatregelen inzake de oprichting en de exploitatie van installaties voor vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">FILIP Van Koningswege : De Minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling, M.C. MARGHEM Bijlage 2 Krachtens artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 19 maart 2017 betreffende de veiligheidsmaatregelen inzake de oprichting en de exploitatie van installaties voor vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, zijn de volgende activiteiten uitzonderlijk toegelaten in de voorbehouden zone voor zover die activiteiten worden uitgevoerd op een ondergrond met een voldoende draagvermogen om ze te realiseren, rekening houdend met de aanwezigheid van de vervoersinstallatie : 1. de tijdelijke opslag van landbouwgewassen na oogst of ieder ander product bedoeld als strooisel op de betrokken percelen voor zover de belasting op de ondergrond maximaal 2 ton per vierkante meter bedraagt;2. de tijdelijke opslag van bouwmaterialen in het kader van een werf in de onmiddellijke nabijheid van de vervoersinstallaties en voor zover de belasting op de ondergrond maximaal 2 ton per vierkante meter bedraagt;3. het uitvoeren van grondbewerkingen voor land- en tuinbouw voor zover de diepte van de bewerking niet meer dan 0,50 m is en het reliëf er niet door wordt veranderd;4. het uitvoeren van grond- en graafwerkzaamheden tot op een diepte van 0,50 m onder het maaiveld voor zover het reliëf niet wordt gewijzigd en ze geen verband houden met werkzaamheden vermeld in artikel 17, § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 19 maart 2017 betreffende de veiligheidsmaatregelen inzake de oprichting en de exploitatie van installaties voor vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">FILIP Van Koningswege : De Minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling, M.C. MARGHEM</p></div>", "next": 0}