← België

Koninklijk besluit op de boekhouding, de jaarrekening en de periodieke verslagen van bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging met een

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit vernieuwt de regels voor de boekhouding, jaarrekening en periodieke verslagen van bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming. Het past de bestaande regels aan de nieuwe wettelijke kaders en beleggingsmogelijkheden aan.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
10 NOVEMBER 2006. - Koninklijk besluit op de boekhouding, de jaarrekening en de periodieke verslagen van bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming VERSLAG AAN DE KONING Sire, Met de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles werd het wettelijk kader op de instellingen voor collectieve beleggingen vernieuwd. Dit vernieuwd kader, waaronder de uitbreiding van de toegelaten financiële instrumenten waarin openbare beleggingsvennootschappen en gemeenschappelijke beleggingsfondsen met een veranderlijk aantal rechten van deelneming kunnen beleggen, noopt tot een wijziging van de specifieke regels met betrekking tot de boekhouding, jaarrekening en jaarverslagen van de openbare instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming. Het besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd strekt tot de uitvoering van de artikelen 65, 76, § 3, derde lid, en 77 van voormelde wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten. De artikelen 76, § 3, derde lid, en 77 laten toe bijzonder boekhoudrecht te creëren voor openbare instellingen voor collectieve beleggingen met een veranderlijk aantal rechten van deelneming (hierna « ICB's »). In een streven naar continuïteit werden, bij de opstelling van het besluit, de bestaande boekhoudregels in de mate van het mogelijke behouden. Het besluit is zoals voorheen enerzijds voor een aantal algemene regels (zoals bvb. de regels inzake afschrijvingen en voorzieningen) gebaseerd op de bepalingen van de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op de boekhouding van de ondernemingen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 06/02/2001 numac 2001009091 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen sluiten tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en dit zowel wat betreft de beleggingsvennootschappen als de gemeen-schappelijke beleggingsfondsen (zie verder artikel 3). Anderzijds worden een aantal specifieke regels voorgesteld. De schema's van de balans en de resultatenrekening die in de bijlage bij dit besluit worden opgenomen wijken in gevoelige mate af van de schema's die gelden voor gewone handelsvennootschappen en voor kredietinstellingen. Het balansschema is zo gestructureerd dat het de vereiste informatie bevat om een rechtstreeks verband te leggen met de netto-inventariswaarde (hierna « NIW ») van de ICB. Het cijfer van het balanstotaal in het bedoelde schema is de weergave van de NIW voor het totaal van de rechten van deelneming in omloop op datum van afsluiting van het boekjaar of het halfjaar. Deze afwijking wordt voornamelijk verantwoord door het aparte karakter van de activiteit van een ICB en door de specifieke eisen die gesteld dienen te worden aan de informatie die aan de houders van de rechten van deelneming dienen te worden verstrekt. Teneinde rekening te houden met de nieuwe beleggingsmogelijkheden van de ICB en de daarmee verbandhoudende statistische rapportering aan de toezichthoudende overheden, werden de schema's van de balans en de resultatenrekening aangepast en bijgevolg uitgebreid. ICB's stellen geen geconsolideerde rekeningen op gezien het feit dat zij geen invloed van betekenis mogen uitoefenen op een andere onderneming. Zij vallen op heden bijgevolg niet onder de toepassing van de International Financial Reporting Standards (hierna « IFRS »). Er werd evenwel voor gekozen om een aantal regels en begrippen in te voeren die geïnspireerd zijn op de IFRSs, zonder evenwel de IFRSs als zodanig van toepassing te verklaren. De invloed van de IFRSs laat zich voornamelijk voelen op het gebied van de waardering van de vermogensbestanddelen van de ICB. Deze werkwijze heeft het voordeel dat, indien in de toekomst de IFRSs de Europese norm zouden worden voor ICB's, zij minder aanpassingen zouden moeten doorvoeren en zij reeds vertrouwd zouden zijn met de begrippen en gevolgde methodologie van de IFRSs. Artikel 65 ten slotte laat toe om te bepalen welke verplichtingen en verbodsbepalingen gelden voor ICB's (zie hiervoor de commentaar bij artikel 27). De commentaar die hierna volgt bij de artikelen en de bijlage van het besluit, licht enkel de voorschriften toe die verklaring behoeven. Daar waar relevant wordt tevens verwezen naar de IFRSs. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State wordt meer in detail naar de desbetreffende IAS verwezen. Het betreft de IFRS bijgewerkt tot 1 januari 2006. Er dient rekening gehouden te worden met het feit dat de IFRS evolutief zijn en de verwijzingen kunnen wijzigen naar aanleiding van wijzigingen aan de desbetreffende normen. Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 Dit artikel neemt een aantal definities op. De definitie van « effecten », « geldmarkt-instrumenten » en « OTC-derivaten » is identiek aan de definitie ervan opgenomen in het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging sluiten met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging. In dit besluit worden warrants bijgevolg aangemerkt als effecten en niet als financiële derivaten voor boekhoudkundige doeleinden (behoudens de boeking in de posten buiten- balanstelling, zie artikel 15). Uit de definitie van geldmarktinstrumenten blijkt dat het gaat om verhandelbare instrumenten. De definitie van de begrippen « financiële derivaten », « reële waarde » en « waarderingstechnieken » is gebaseerd op de IFRSs, inzonderheid op IAS 32, § 11, IAS 39, §§ 9 en 48 tot 49. Het begrip « actieve markt » wordt gedefinieerd. Zowel een georganiseerde als een onderhandse markt kunnen beschouwd worden als een actieve markt. Uit de definitie blijkt dat het begrip actieve markt strookt met het begrip liquide markt zoals bedoeld werd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994 op de boekhouding en de jaarrekening van bepaalde instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming. De definitie van actieve markt refereert naar derde financiële instellingen. Hieronder dient te worden verstaan elke financiële instelling andere dan deze die voor rekening van de ICB de taak van bewaarder waarneemt. De « referentiemunt » is de munt waarin de NIW van ofwel de ICB ofwel het compartiment van de ICB wordt berekend. Hieruit volgt dat geen referentiemunt kan worden toegewezen aan een aandelenklasse. Aandelenklassen kunnen wel de NIW uitdrukken in verschillende munten. Artikel 1, 11° definieert de dag waarop het boekjaar en het halfjaar wordt afgesloten als de laatste kalenderdag van dat boekjaar of halfjaar. Aangezien de laatste NIW van het boekjaar of het halfjaar niet noodzakelijk wordt berekend op de laatste kalenderdag van het boekjaar of halfjaar, kan er een verschil ontstaan tussen de afsluitingsdatum van het boekjaar of het halfjaar en de datum van de voormelde laatste NIW. Art. 2 Het toepassingsgebied van dit besluit bestrijkt de openbare instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die onder de toepassing van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten vallen en geopteerd hebben voor beleggingen die voldoen aan de voorwaarden van de richtlijn 85/611/EEG of voor beleggingen in financiële instrumenten en liquide middelen. Dit artikel moet samen gelezen worden met de overgangsbepalingen en in het bijzonder met artikel 34 van dit besluit. Dit besluit is inderdaad ook van toepassing op openbare instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die geopteerd hebben voor beleggingen die voldoen aan de voorwaarden van de richtlijn 85/611/EEG of voor beleggingen in effecten en liquide middelen en onder de toepassing van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten vallen zolang zij nog op de lijst bedoeld in artikel 120, § 1 van de voormelde wet van 4 december 1990 zijn ingeschreven. Art. 3 Het besluit is zowel van toepassing op beleggingsvennootschappen als op gemeenschappelijke beleggingsfondsen. In tegenstelling tot de gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zijn de beleggings-vennootschappen onderworpen aan het Wetboek van vennootschappen en de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op de boekhouding van de ondernemingen. In uitvoering van artikel 77 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten, verduidelijkt dit besluit wanneer inzake beleggingsvennootschappen wordt afgeweken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 06/02/2001 numac 2001009091 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen sluiten tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en wanneer deze regels worden aangepast of aangevuld. Aangezien beleggingsvennootschappen en gemeenschappelijke beleggingsfondsen identieke activiteiten ontplooien, is het niet aangewezen om aparte regels uit te werken voor de gemeenschappelijke beleggingsfondsen. In uitvoering van artikel 77 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten wordt bijgevolg een aantal artikelen van de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten van toepassing verklaard op de gemeenschappelijke beleggingsfondsen, alsook bepaalde artikelen van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op de boekhouding van de ondernemingen. Er wordt tevens verwezen naar de artikelen 20, 30 en 31 van dit besluit die bepaalde artikelen van het Wetboek van vennootschappen en het koninklijk besluit van 30 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 06/02/2001 numac 2001009091 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen sluiten tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen per analogie van toepassing verklaren op de gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Art. 4 Dit artikel bepaalt dat de boekhouding van de beleggingsvennootschap per compartiment moet worden gevoerd. Hieruit volgt dat de bepalingen van het besluit met betrekking tot de boekings- en waarderingsregels, de rekeningen en de verslagen van toepassing zijn per compartiment, tenzij er wordt van afgeweken. Deze regel is de logische vertaling van artikel 16 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten dat bepaalt dat een compartiment een afzonderlijk gedeelte van het vermogen van de beleggingsvennootschap is. De term « ICB » zoals bedoeld in dit besluit moet bijgevolg, daar waar relevant, worden gelezen als « compartiment ». Art. 5 In dit artikel worden de basisregels inzake de boekhouding van de ICB vastgelegd. In vergelijking met de waardering aan marktwaarde zoals bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994 wordt de waardering van de activa en de passiva aan reële waarde ingevoerd. De ICB moet de boekhouding zodanig voeren dat : - elke dag dat de aanvragen tot uitgifte of inkoop worden uitgevoerd een inventaris wordt opgesteld op basis van de reële waarde (tenzij anders bepaald) van de vermogensbestanddelen. Deze regel verzekert de onmiddellijke aanpassing van de waarde van de vermogensbestanddelen aan de evolutie van de markten; - de dag waarop de verrichtingen plaatshebben, zij worden opgenomen in de boekhouding. Onverminderd het feit dat de portefeuille-beheerder van de ICB in het kader van de risico-opvolging, de verschillende vermogens-bestanddelen dagelijks moet waarderen, dient de boeking van de verrichtingen evenwel slechts te gebeuren op de eerstvolgende dag waarop een inventaris wordt opgemaakt; - de balans en de resultatenrekening kunnen worden bepaald en dat rechtstreeks tot uiting komt tegen welke NIW de aanvragen tot uitgifte of inkoop van de rechten van deelneming van de ICB, het compartiment en de aandelenklasse worden uitgevoerd. Dit artikel bepaalt ook dat de boekhouding een aanvang dient te nemen op de dag van de afsluiting van de initiële periode van inschrijving. Aangezien op voormelde dag met zekerheid is geweten of de ICB al dan niet zal worden gecommercialiseerd, dient de ICB op die dag een vordering op te nemen in de boekhouding ten belope van het aantal ingeschreven rechten van deelneming vermenigvuldigd met het initiële inschrijvingsbedrag per recht van deelneming. Overeenkomstig de derde paragraaf van dit artikel, dient de boekhouding van de ICB in België te worden gevoerd. Deze bepaling volgt rechtstreeks uit de artikelen 11, § 2, 37, 41, § 1, 6° en 154, § 1, 6° van de wet. Deze bepaling strookt overigens met artikel 3 van de Richt-lijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende instellingen voor collectieve belegging in effecten zoals gewijzigd bij de Richt-lijnen 88/220/EEG van 22 maart 1988, 95/26/EG van 29 juni 1995, 2000/64/EG van 7 november 2000, 2001/107/EG en 2001/108/EG van 21 januari 2002. Art. 6 Met toepassing van artikel 4 van dit besluit moet de boekhouding worden gevoerd en de rekeningen en verslagen worden opgesteld op niveau van het compartiment en niet op niveau van de aandelenklassen. De opneming van specifieke bepalingen m.b.t. aandelenklassen inzake de toewijzing van de activa, passiva en kosten en opbrengsten in dit artikel doet geen afbreuk aan artikel 4. Niettemin zal de ICB zodanig moeten georganiseerd zijn dat de NIW van de rechten van deelneming van alle aandelenklassen rechtstreeks voortvloeit uit de boekhouding. Overeenkomstig het derde lid van dit artikel, mag de reële waarde van bvb. een financieel derivaat ter indekking van het wisselrisico van meerdere aandelenklassen uitsluitend worden toegewezen aan die aandelenklassen, en dit in verhouding tot de NIW van die aandelenklassen. Het betreft hier de laatst gekende NIW van de aandelenklassen, m.a.w. de NIW die beschikbaar is juist vóór de toewijzing van de activa of passiva. Art. 7 en 8 De waarderingsregels worden vastgelegd in dit besluit en dienen te worden opgenomen in de toelichting bij de jaarrekening en de halfjaarlijkse rekening. Deze artikelen dienen samen gelezen te worden met de artikelen 28 tot 30 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 06/02/2001 numac 2001009091 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen sluiten tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen die, weliswaar mutatis mutandis, van toepassing zijn op de ICB's (zie verder artikel 20). Art. 9 Omwille van het feit dat de rechten van deelneming van een ICB minstens tweewekelijks kunnen worden verhandeld, moet de NIW rekening houden met de kosten en opbrengsten die gekend zijn of voldoende nauwkeurig geraamd kunnen worden op het ogenblik van de berekening van de NIW. Teneinde grote schommelingen in de NIW te voorkomen op datum van de betaling van de kosten en de ontvangst van de opbrengsten, moeten kosten en opbrengsten met een recurrent karakter om diezelfde reden aan het resultaat worden toegerekend naarmate het boekjaar vordert. De kosten met een recurrent karakter zijn voornamelijk de recurrente provisies en kosten zoals weergegeven in het (vereenvoudigd) prospectus van de ICB (bijvoorbeeld de vergoeding voor het beheer van de beleggingsportefeuille, de administratie, de bewaarder, de commissaris, ...). Indien bovendien de kosten en opbrengsten met een recurrent karakter verbonden zijn aan bepaalde vermogensbestanddelen (zoals bvb. de gelopen interesten op zichtrekeningen en obligaties), moeten ze prorata temporis aan het resultaat worden toegewezen voor de periode dat de bestanddelen in het boekjaar in bezit worden gehouden. In tegenstelling tot artikel 6 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994 wordt geen specifieke bepaling meer opgenomen voor kosten en opbrengsten verbonden aan verrichtingen. Deze kosten worden behandeld in de artikelen 10, 16 en 17 van dit besluit. Art. 10 In dit artikel wordt voor de verwerking van de bijkomende kosten bij de verwerving en vervreemding van financiële instrumenten een onderscheid gemaakt al naargelang het instrument al dan niet aan reële waarde wordt gewaardeerd. De aan reële waarde gewaardeerde effecten, geldmarktinstrumenten, rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming en financiële derivaten worden bij aanschaffing en vervreemding in de boekhouding geboekt tegen de aankoopprijs respectievelijk verkoopprijs. De bijkomende kosten worden onmiddellijk ten laste gebracht van de resultatenrekening. De resultatenrekening verstrekt derhalve precieze gegevens omtrent het bedrag van de leverings- en verhandelingskosten dat verband houdt met de portefeuilleverrichtingen in het lopende boekjaar. De houder van de rechten van deelneming kan zich hierdoor een beeld vormen van de kostenfactor die samenhangt met de bewegingen in de portefeuille. Dit artikel sluit nauw aan bij de bepalingen van artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994. Art. 11 tot 14 Deze artikelen formuleren de voorschriften voor de waardering van enerzijds de in het vermogen van de ICB opgenomen effecten, geldmarkt-instrumenten, financiële derivaten, rechten van deelneming in ICB's met een veranderlijk aantal rechten van deelneming en anderzijds de in het vermogen van de ICB opgenomen activa en passiva die niet belichaamd zijn in verhandelbare instrumenten. De indeling van de verschillende vermogensbestanddelen is gebaseerd op de verschillende soorten toegelaten beleggingen zoals opgenomen in het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging sluiten. Als uitgangspunt wordt de reële waarde zoals gedefinieerd in de IFRSs weerhouden voor de waardering van alle vermogensbestanddelen. Deze reële waarde zal in principe niet of in beperkte mate afwijken van de waardering aan marktwaarde van de effecten en genoteerde financiële derivaten zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 8 maart 1994. Artikel 11 preciseert dat de effecten, geldmarktinstrumenten en financiële derivaten moeten gewaardeerd worden aan reële waarde. In tegenstelling tot artikel 16, § 2 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994, zullen voortaan alle financiële derivaten en dus ook alle deviezenderivaten, aan reële waarde worden gewaardeerd. Vermits de mogelijke onderliggende instrumenten van de financiële derivaten noemenswaardig uitgebreid werden door het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging sluiten, werden de mogelijke onderliggende instrumenten ook uitgebreid in de boekhoudkundige regeling. Indien in uitzonderlijke gevallen de reële waarde van aandelen die niet genoteerd zijn en financiële derivaten die gekoppeld zijn aan en moeten worden afgewikkeld door levering van dergelijke aandelen, niet betrouwbaar kan worden bepaald, dienen deze aandelen en derivaten, naar analogie met de IFRSs (inzonderheid IAS 39, §§ 43 tot 46), gewaardeerd te worden aan kostprijs. Desgevallend worden op deze aandelen en financiële derivaten bijzondere waardeverminderingen geboekt zo er hiervoor objectieve aanwijzingen zijn. De begrippen « betrouwbaar » en « objectieve aanwijzingen » verwijzen naar de IFRSs, inzonderheid naar IAS 39, § 59 e.v. en AG 80 en 81 van de bijlage A bij IAS 39. De waardeschommelingen die voortvloeien uit de waardering aan reële waarde, en uitzonderlijk uit de waardering aan kostprijs, worden in de resultatenrekening opgenomen onder de desbetreffende subpost van de rubriek « I. Waardeverminderingen, minderwaarden en meerwaarden ». In afwijking daarvan worden de waardeschommelingen met betrekking tot obligaties en andere schuldinstrumenten die voortvloeien uit de prorata temporis boeking van de gelopen interesten, in de resultatenrekening opgenomen onder de subpost « II. Opbrengsten en kosten van de beleggingen - B. Interesten - a. Effecten en geldmarktinstrumenten ». « Hedge accounting » zoals bedoeld in de IFRSs (in IFRSs gedefinieerd als « administratieve verwerking van afdekkingstransacties ») wordt niet toegepast in het kader van aandelenklassen met indekking van het wisselrisico, omdat enerzijds quasi alle vermogensbestanddelen van de ICB aan reële waarde moeten worden gewaardeerd en anderzijds « hedge accounting » niet kan worden toegepast op een gediversifieerde portefeuille. De reële waarde van voormelde vermogensbestanddelen wordt vastgesteld volgens de hiërarchie zoals beschreven in artikel 12 van dit besluit. Deze hiërarchie is geïnspireerd op de bepalingen van de IFRSs. Voornamelijk wordt daarbij een onderscheid gemaakt of de vermogensbestanddelen al dan niet op een actieve markt worden verhandeld. Hoewel het merendeel van de beleggingsportefeuille van de ICB zal bestaan uit instrumenten die worden genoteerd op een gereglementeerde markt, is voor de waardering aan reële waarde de verhandeling op een al dan niet actieve markt bepalend, ongeacht de reglementaire kwalificatie van die markt. Dit verklaart waarom in dit besluit in vergelijking met artikel 10 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994 het begrip gereglementeerde markt wordt vervangen door het begrip georganiseerde markt bij de definiëring van actieve markt (zie artikel 1, 7° van dit besluit). In eerste instantie dient voor de waardering aan reële waarde van de vermogensbestanddelen die worden verhandeld op een actieve markt die werkt door toedoen van derde financiële instellingen, de actuele biedkoers (activa) of laatkoers (passiva) te worden weerhouden. Er wordt aangenomen dat de laatst beschikbare koers als actuele koers kan worden beschouwd. Gelet op de algemeen verbreide marktpraktijk inzake de beschikbaarheid van de koersen van obligaties, kan de toepassing van deze IFRS-regel op praktische problemen stuiten. In de praktijk zijn immers enkel de middenkoersen (« mid-market price ») van deze vermogensbestanddelen openbaar. De bied-en laatkoersen worden niet vrijgegeven door de toeleverancier (provider) van de koersen. In de uitzonderlijke situatie waarbij de bied- en/of laatkoers niet beschikbaar is voor obligaties en andere schuldinstrumenten, doch wel een « middenkoers » voorhanden is, lijkt het aanvaardbaar om deze middenkoers aan de hand van een passende methodiek te corrigeren teneinde te komen tot de bied- en/of laatkoers of om deze middenkoers te weerhouden mits deze laatste werkwijze wordt gemotiveerd in het jaarverslag, respectievelijk halfjaarlijks verslag. Vermogensbestanddelen die worden verhandeld op een actieve georganiseerde markt die niet werkt met derde financiële instellingen, worden gewaardeerd tegen de slotkoers. Bij ontstentenis van de voormelde bied-, laat- of slotkoers, wordt in tweede instantie de prijs van de meest recente transactie weerhouden op voorwaarde dat de economische toestand niet wezenlijk is gewijzigd sinds deze transactie. In derde instantie wordt de reële waarde voor vermogensbestanddelen die worden verhandeld op een niet-actieve markt of voor vermogensbestanddelen die niet genoteerd zijn bepaald op basis van de reële waarde van soortgelijke vermogensbestanddelen waarvoor wel een actieve markt bestaat, desgevallend aangepast rekening houdend met de verschillen tussen de gelijkaardige vermogensbestanddelen. Bij ontstentenis van deze waarde, wordt ten slotte de reële waarde bepaald aan de hand van andere waarderingstechnieken die voldoen aan bepaalde voorwaarden zoals bepaald door de IFRSs. Voor niet-genoteerde vermogens-bestanddelen moet bij de waardering bovendien rekening gehouden worden met het tegenpartijrisico. Vermits artikel 12 geïnspireerd is op de IFRSs, kunnen deze normen (inzonderheid IAS 39, §§ 48 tot 49) als leidraad dienen bij eventuele interpretatieproblemen. Artikel 13 regelt de waardering van de rechten van deelneming van ICB's met veranderlijk aantal rechten van deelneming die door de ICB worden aangehouden. Met toepassing van de algemene regel moeten deze instrumenten worden gewaardeerd aan de reële waarde die bepaald wordt volgens de hiërarchie opgenomen in artikel 12 van dit besluit. Niet-genoteerde ICB's dienen, in afwijking van de hiërarchie ter bepaling van de reële waarde, evenwel gewaardeerd te worden aan hun NIW. In de artikelen 40 en 54 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging sluiten worden ICB's met een vast aantal rechten van deelneming en ICB's in schuldvorderingen beschouwd als effecten voor de toepassing van de beleggingslimieten. In het verlengde hiervan worden deze ICB's voor de waardering beschouwd als effecten. In tegenstelling tot de artikelen 11 en 13 die betrekking hebben op verhandelbare instrumenten, regelt artikel 14 de waardering van activa en passiva die niet belichaamd zijn in verhandelbare instrumenten. Dit artikel herneemt in grote lijnen de bepaling terzake van artikel 12 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994. De eerste paragraaf bepaalt de waardering van de tegoeden op zicht op kredietinstellingen, de verplichtingen in rekening courant tegenover kredietinstellingen, op korte termijn te ontvangen en te betalen bedragen, de fiscale tegoeden en schulden en andere schulden. Deze activa en passiva worden in principe gewaardeerd aan nominale waarde. De tweede paragraaf regelt de waardering van de vorderingen op termijn. De facto worden hieronder deposito's op termijn bedoeld. Deze deposito's dienen gewaardeerd te worden aan hun reële waarde. Deze wijze van waarderen dringt zich vooral op voor ICB's met een beleggingsbeleid dat zich voornamelijk richt op beleggingen in deposito's, liquide middelen en geldmarktinstrumenten. Hieronder worden o.m. de ICB's met kapitaalbescherming of garantie en vaste vervaldag zoals bedoeld in artikel 68 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 09/03/2005 numac 2005003127 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging sluiten begrepen. Gelet op het potentiële belang van het aandeel van beleggingen in deposito's op termijn in de portefeuille van de ICB, is het aangewezen de rentebewegingen van de markt te laten inspelen op de waarde van de deposito's. De regel biedt de beste waarborg voor een juiste waardering bij toe- en uittredingen. Er wordt opgemerkt dat deze deposito's in de balans dienen opgenomen te worden onder de post « V. Deposito's en liquide middelen ». Een ICB met een beleggingsbeleid dat zich niet toespitst op deposito's, liquide middelen en geldmarktinstrumenten, kan ervoor opteren om de eerste paragraaf van dit artikel toe te passen. De derde paragraaf van artikel 14 is analoog aan de regelingen van de artikelen 66, 68, 74 en 75 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 06/02/2001 numac 2001009091 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen sluiten tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen. Art. 15 Omwille van de uitbreiding van de beleggingsmogelijkheden van de ICB in financiële derivaten en omwille van de nood aan een uniforme boekingswijze, wordt in dit artikel de boekhoudkundige verwerking in de balans, de resultatenrekening en de posten buiten-balanstelling van bepaalde financiële derivaten opgenomen. Er werd geopteerd om de bepalingen te beperken tot de boekhoudkundige verwerking van de meest voorkomende financiële derivaten, met name optiecontracten, termijncontracten en swapcontracten. De regels gelden voor alle optiecontracten, termijncontracten en swapcontracten, onafhankelijk van hun onderliggende instrumenten, met dien verstande dat bij de rubricering van de balans en de resultatenrekening rekening werd gehouden met de onderliggende instrumenten van de financiële derivaten. In de eerste paragraaf van artikel 15 wordt de boekhoudkundige verwerking van optie-contracten geregeld. De onderliggende waarden van optiecontracten dienen te worden opgenomen in de posten buiten-balanstelling. Deze bepaling wordt uitgebreid naar warrants. Warrants worden weliswaar aangemerkt als effecten voor de waardering en de opname in de posten van de balans en de resultaten, doch de vermelding van de onderliggende waarde in de posten buiten-balanstelling is aangewezen vermits warrants en opties gelijkaardige karakteristieken vertonen. Onder onderliggende waarde van een optiecontract of warrant dient te worden verstaan, de contractgrootte (lotsize) vermenigvuldigd met enerzijds de uitoefenprijs van de optie of warrant en anderzijds het aantal gekochte of verkochte contracten. De premies van de optiecontracten worden in de balans onder de desbetreffende subposten opgenomen. Na de eerste waardering, dienen de waardeschommelingen enerzijds in de resultatenrekening en anderzijds in de balans opgenomen te worden in de desbetreffende posten die onderverdeeld worden in functie van het onderliggende instrument. Indien het onderliggende instrument evenwel deviezen betreft, dan dienen de waardeschommelingen in de resultatenrekening in de subpost « I. Waardeverminderingen, minderwaarden en meerwaarden - H. Wisselposities en - verrichtingen - a. Financiële derivaten » te worden opgenomen. Bij uitoefening van de optiecontracten en warrants dient de premie in rekening te worden gebracht bij de aan- of verkoopprijs van het onderliggende vermogensbestanddeel. In de tweede paragraaf van artikel 15 wordt de boekhoudkundige verwerking van termijn-contracten, zoals futures, forward rate agreements en exchange rate agreements bepaald. De notionele bedragen van deze contracten dienen in de posten buiten-balanstelling worden opgenomen. Onder notioneel bedrag van een future dient te worden verstaan, de contractgrootte (lotsize) vermenigvuldigd met enerzijds de overeengekomen aan- of verkoop-waarde van het onderliggende instrument en anderzijds het aantal gekochte of verkochte contracten. Dit bedrag wordt aangepast in de posten buiten-balanstelling bij wijziging van het aantal futures-contracten. De waardeschommelingen (variation margin) worden enerzijds in de resultatenrekening en anderzijds in de balans opgenomen in de desbetreffende posten die onderverdeeld worden in functie van het onderliggende instrument. Indien het onderliggende instrument evenwel deviezen betreft, dan dienen de waardeschommelingen in de resultatenrekening in de subpost « I. Waardeverminderingen, minderwaarden en meerwaarden - H. Wisselposities en -verrichtingen - a. Financiële derivaten » te worden opgenomen. De waarborgdeponeringen inzake futures (initial margin) zijn financiële zekerheden en dienen aldus geboekt en gewaardeerd te worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 18 van dit besluit. De derde paragraaf van artikel 15 regelt de boekhoudkundige verwerking van swapcontracten. Ook hier worden de notionele bedragen in de posten buiten-balanstelling opgenomen. Het notionele bedrag is de onderliggende waarde op basis waarvan het swapcontract wordt afgesloten. Bij wijziging van het notionele bedrag, in gevolge bijvoorbeeld verhandeling van de rechten van deelneming die een aanpassing van het swapcontract noodzaken (met name de wijziging van het aantal swap-units), dient dit notionele bedrag te worden aangepast in de posten buiten-balanstelling. De waardeschommelingen worden enerzijds in de resultatenrekening en anderzijds in de balans opgenomen in de desbetreffende posten die onderverdeeld worden in functie van het onderliggende instrument. Indien het onderliggende instrument evenwel deviezen betreft, dan dienen de waardeschommelingen in de resultatenrekening in de subpost « I. Waardeverminderingen, minderwaarden en meerwaarden - H. Wisselposities en -verrichtingen - a. Financiële derivaten » te worden opgenomen. Er wordt een afzonderlijke post in de resultatenrekening voorzien voor de verwerking van de tussentijdse betalingen en ontvangsten van swapcontracten. De laatste paragraaf van artikel 15 stelt dat de jaarrekening en halfjaarlijkse rekening de voormelde boekingsregels dient samen te vatten. Art. 16 Een ICB die als partij optreedt in een zogenaamde cessie-retrocessie verrichting waarbij dezelfde partijen bij een contante verkoop van financiële instrumenten de verbintenis aangaan die financiële instrumenten terug te kopen op termijn, dient de verrichting voor haar boekhoudkundige verwerking te behandelen als een uitlening van liquiditeiten van de contantkoper aan de contantverkoper. Het is belangrijk er op te wijzen dat juridisch gezien een cessie-retrocessieverrichting bestaat uit twee gescheiden koopverrichtingen die een eigendomsoverdracht tot gevolg hebben. Voor de beleggingsbeperkingen dient een ICB zich te baseren op de economische- en boekhoudkundige kwalificatie van de verrichting en niet op haar juridische. Vermits de financiële instrumenten op termijn terug zullen overgedragen worden aan de contantverkoper, wordt er boekhoudkundig geen eigendomsoverdracht verwerkt. Deze werkwijze sluit aan bij de IFRSs. Inzonderheid wordt verwezen naar IAS 39, §§ 18- 21 en AG 36 tot 40 van de bijlage A bij IAS 39. De contantverkoper houdt het financieel instrument aan en neemt het op in een subrekening van de desbetreffende post in de balans. Tevens boekt hij een schuld in de balans ten belope van de contantprijs. In de posten buiten-balanstelling wordt de contractuele terugkoopprijs op termijn opgenomen. De contantkoper daarentegen boekt een vordering in de balans ten belope van de contantprijs en in de posten-buitenbalanstelling wordt de reële waarde van het financieel instrument opgenomen. Deze reële waarde wordt « mark-to-market » aangepast. In tegenstelling tot artikel 13 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994, wordt in de posten buiten-balanstelling van de contantkoper de reële waarde van het instrument opgenomen in plaats van de contractuele waarde. De houder van rechten van deelneming van de ICB-contantkoper heeft door deze wijze van verwerking te allen tijde een zicht op de reële waarde van het financieel instrument. Het resultaat van de verrichting, zijnde het verschil tussen de contantprijs en de terugkoopprijs op termijn wordt als leningrente aangemerkt en prorata temporis voor de looptijd van de verrichting in de resultatenrekening opgenomen. Art. 17 Indien een ICB financiële instrumenten uitleent, wordt, net zoals bij een cessie-retrocessie verrichting, verondersteld dat er geen economische eigendomsoverdracht van de financiële instrumenten plaatsvindt. Deze werkwijze sluit aan bij de IFRSs. Inzonderheid wordt verwezen naar IAS 39, § 18 tot 21 en AG 36 tot 40 van de bijlage A bij IAS 39. De financiële instrumenten blijven aangehouden in het vermogen van de ICB en worden in een subrekening van de desbetreffende post in de balans opgenomen. De vordering die ontstaat uit de uitlening van de instrumenten, wordt in de posten buiten-balanstelling opgenomen aan reële waarde. Deze reële waarde wordt « mark-to-market » aangepast. De houder van rechten van deelneming van de ICB heeft door deze wijze van verwerking te allen tijde een zicht op de reële waarde van het financieel instrument dat werd uitgeleend. De opbrengsten die voortvloeien uit de verrichting worden beschouwd als leningrente en prorata temporis voor de looptijd van de verrichting in de resultantenrekening opgenomen. Art. 18 Dit artikel regelt de waardering en boekhoudkundige verwerking van financiële zekerheden. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt al naargelang de financiële zekerheid al dan niet gepaard gaat met een eigendomsoverdracht van de vermogensbestanddelen. Deze werkwijze is in grote mate geïnspireerd op de IFRSs. Inzonderheid wordt verwezen naar IAS 39, § 18 tot 21 en AG 36 tot 40 van de bijlage A bij IAS 39. De financiële zekerheden worden enerzijds in de posten buiten-balanstelling opgenomen aan reële waarde of kostprijs indien het effecten of geldmarktinstrumenten betreft. Indien het liquide middelen of deposito's betreft, worden zij opgenomen overeenkomstig de bepalingen van artikel 14, §§ 1 en 2. De waarde van de financiële zekerheden wordt « mark-to-market » aangepast. Indien de financiële zekerheden een eigendomsoverdracht van de vermogens-bestanddelen impliceert, worden zij tevens in de balans opgenomen onder een specifiek daarvoor voorziene rekening, in het bijzonder de post « IV. Vorderingen en schulden op ten hoogste één jaar - A. Vorderingen - c. Collateral of B. Schulden - d. Collateral » De ICB, verstrekker van de financiële zekerheid, zal de effecten, geldmarktinstrumenten, liquide middelen of deposito's uit de balans boeken en een vordering opnemen. Deze vordering wordt gewaardeerd overeenkomstig artikel 11 in het geval van effecten of geldmarktinstrumenten of overeenkomstig artikel 14 in het geval van liquide middelen of deposito's. De ICB, begunstigde van de financiële zekerheid, zal enerzijds de effecten, geldmarktinstrumenten, liquide middelen of deposito's opnemen in de boeken en anderzijds een schuld boeken. Zowel de activa als de schulden worden gewaardeerd overeenkomstig artikel 11 in het geval van effecten of geldmarktinstrumenten of overeenkomstig artikel 14 in het geval van liquide middelen of deposito's. Indien er geen eigendomsoverdracht plaatsvindt, dient de ICB, verstrekker van de financiële zekerheid, de vermogensbestanddelen die in zekerheid worden gegeven, in een subrekening van de desbetreffende post in de balans op te nemen. Art. 19 Dit artikel slaat op de omrekening in de referentiemunt van de ICB van vermogens-bestanddelen in vreemde valuta en de verwerking van de omrekeningsverschillen. In de regel moeten de vermogensbestanddelen worden opgenomen en worden gewaardeerd in de munt waarin ze zijn uitgedrukt. In afwijking van deze algemene regel moeten verhandelbare instrumenten die worden aangekocht in een bepaalde munt en genoteerd zijn in die munt en bestemd zijn om te worden verkocht tegen diezelfde munt, verwerkt worden tegen die munt, onafhankelijk van de uitdrukkingsmunt van het instrument. De tweede en derde paragraaf regelt de omrekening van de vermogensbestanddelen in de referentiemunt. Deze bepalingen zijn niet geïnspireerd op de IFRSs en liggen in de lijn met de vroegere regelgeving. Art. 20 Dit artikel stelt welke bepalingen van het koninklijk besluit van 30 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 06/02/2001 numac 2001009091 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen sluiten tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen niet van toepassing zijn op beleggingsvennootschappen en welke bepalingen van voormeld koninklijk besluit van toepassing worden verklaard op de gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Deze artikelen dienen mutatis mutandis toegepast te worden. Art. 21 Dit artikel regelt, naar analogie met de bepalingen van het Wetboek van vennoot-schappen, de boekhoudkundige verwerking van fusies, splitsingen en de inbreng van een bedrijfstak of een algemeenheid van goederen van ICB's of compartimenten van beleggings-vennootschappen. Art. 22 tot 24 Deze artikelen regelen de vorm en de inhoud van de jaarrekening, de halfjaarlijkse rekening, het jaarverslag en het halfjaarlijks verslag. Een ICB moet enerzijds een jaarverslag opstellen overeenkomstig de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten. Anderzijds moet een beleggingsvennootschap een jaarrekening en een jaarverslag opstellen overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen. Het Wetboek van vennootschappen definieert in artikel 96 de term « jaarverslag ». De inhoud van dit jaarverslag is veel beknopter dan het jaarverslag zoals bedoeld in de wet van 20 juli 2004. Teneinde verwarring te vermijden en teneinde de beleggingsvennootschap er niet toe te verplichten twee documenten op te stellen, met name enerzijds een jaarrekening met bijhorend jaarverslag overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en anderzijds een jaarverslag overeenkomstig de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten wordt ervoor geopteerd om de ICB één jaarverslag te laten opstellen met toepassing van dit besluit dat de gegevens van beide wetten omvat. Deze werkwijze wordt in de praktijk reeds toegepast en wordt in dit besluit slechts bevestigd en verduidelijkt. De ICB zal aldus één jaarverslag opstellen dat de jaarrekening, het verslag van de commissaris en het beheerverslag omvat. De inhoud van het beheerverslag stemt in principe overeen met het « jaarverslag » zoals bedoeld in artikel 96 van het Wetboek van vennootschappen. De inhoud van het beheerverslag zoals bedoeld in dit besluit doet geen afbreuk aan de verplichtingen opgenomen in artikel 96 van het Wetboek van vennootschappen. Het halfjaarlijkse verslag omvat de halfjaarlijkse rekening en het beheerverslag. Het verslag van de commissaris inzake het halfjaarlijks verslag moet niet ter beschikking van het publiek worden gesteld, maar wordt overeenkomstig artikel 88, 2° van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten opgesteld ten behoeve van de CBFA, met als gevolg dat het geen onderdeel uitmaakt van het halfjaarlijkse verslag. Onverminderd de toepassing van artikel 28, § 2 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 06/02/2001 numac 2001009091 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen sluiten tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen, dient bij de vereffening van een ICB of een compartiment een staat van activa en passiva opgesteld te worden op basis van de beginselen en in de vorm die bepaald wordt in dit besluit. Indien een compartiment op een andere datum dan de balansdatum van de beleggingsvennootschap wordt vereffend, wordt daardoor vermeden dat de houders van de rechten van deelneming van het compartiment de betreffende staat dienen af te wachten tot op de datum van ter beschikkingstelling van het jaarverslag van de ICB. Er wordt verwezen naar de bijlage van dit besluit voor de concrete inhoud en vorm van de balans, de resultatenrekening, de toelichting, het beheerverslag en bijgevolg het jaarverslag en het halfjaarlijks verslag. De inhoud en de vorm van deze verslagen is enerzijds geïnspireerd op de aanbeveling van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen van 8 juli 2003 over de voorstelling en de inhoud van de jaarverslagen en de halfjaarlijkse verslagen die de instellingen voor collectieve belegging publiceren en houdt anderzijds rekening met de nieuwe informatievereisten en nieuwe beleggingsmogelijkheden die voortvloeien uit de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten en haar uitvoeringsbesluit van 4 maart 2005. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt al naargelang het enerzijds gaat om een beleggingsvennootschap met verschillende compartimenten of anderzijds om een beleggingsvennootschap zonder compartimenten, een beleggingsvennootschap met één compartiment of een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Artikel 76 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten stelt dat de verslagen, in voorkomend geval, per compartiment moeten worden opgesteld. Artikel 24, § 2, tweede lid bepaalt bijgevolg dat aan een belegger die belangstelling toont voor bepaalde compartimenten van een beleggings-vennootschap, niet het verslag met betrekking tot alle compartimenten van de beleggings-vennootschap moeten worden overhandigd, maar de gegevens met betrekking tot die bepaalde compartimenten en de algemene informatie over de beleggingsvennootschap kunnen volstaan. Artikel 24, § 6 stelt dat de activa, passiva en resultaten in de posten van de balans en de resultatenrekening in voorkomend geval moeten uitgesplitst worden per aandelenklasse. Onderstaande voorbeelden lichten deze paragraaf toe. Een compartiment met klasse A ter indekking van het wisselrisico via een optie op deviezen en klasse B zonder indekking van het wisselrisico, zal in de balans voor klasse A aanleiding geven tot de opname van de reële waarde van de optie onder een subpost « klasse A » van de subpost « II. Effecten, geldmarktinstrumenten, ICB's en financiële derivaten - F. Financiële derivaten - j. Op deviezen - i. Optiecontracten ». Voor klasse B zal er geen dergelijke subpost noodzakelijk zijn. Voor een compartiment met een vergoeding voor het financieel beheer die verschilt voor klasse A en B, zal de resultatenrekening als volgt worden uitgesplitst ter hoogte van de post « IV Exploitatiekosten - D. Vergoeding van de beheerder - a. Financieel Beheer » : - « Klasse A » : vermelding van de vergoeding - « Klasse B » : vermelding van de vergoeding. Art. 27 In afwijking van artikel 26, § 1 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/01/2001 pub. 06/02/2001 numac 2001009091 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen sluiten tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen, maar in het verlengde van artikel 23 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994 en conform de IFRSs, inzonderheid IAS 10 § 12, wordt de balans opgesteld vóór toewijzing van de resultaten. Deze werkwijze zorgt ervoor dat de houders van de rechten van deelneming respectievelijk de toetreders die in de periode tussen het afsluiten van het boekjaar en de uitkering van de resultaten, rechten van deelneming van de ICB verkopen respectievelijk kopen, een proportioneel deel van die resultaten ontvangen respectievelijk vergoeden. Op die manier blijft tussen de houders van de rechten de gelijkheid met betrekking tot het voor uitkering bestemde resultaat behouden. In uitvoering van artikel 65 van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles type wet prom. 20/07/2004 pub. 10/08/2004 numac 2004003323 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop sluiten, bepaalt artikel 27, § 2 dat de ICB die distributieaandelen uitgeeft, enkel een dividend kan uitkeren indien het te bestemmen resultaat positief is. Het te bestemmen resultaat is de resultante van de bedragen opgenomen onder de posten « I. a. Overgedragen winst (overgedragen verlies) van het vorige boekjaar », « I. b. Te bestemmen winst (te verwerken verlies) van het boekjaar » en « I. c. Ontvangen deelnemingen in het resultaat (uitgekeerde deelnemingen in het resultaat) » van de resultaatverwerking zoals bepaald in hoofdstuk I, deel 1, afdeling 4 van de bijlage bij het besluit. In afwijking van wat voorafgaat, kan in drie gevallen een dividend uitgekeerd worden bij een negatief « te bestemmen resultaat ». Vooreerst betreft het een specifiek bedrag dat moet uitgekeerd worden in gevolge fiscale bepalingen (in het bijzonder de ontvangen interesten op de beleggingen na aftrek van de proportioneel daarmee verbandhoudende bezoldigingen, commissies en kosten). Vervolgens wordt toegestaan dat de ICB een dividend uitkeert in zoverre het dividend rechtstreeks voortkomt uit de interesten, dividenden en verwezenlijkte meerwaarden die de ICB heeft ontvangen tijdens het boekjaar in gevolge de uitgevoerde beleggingen. Tenslotte kunnen ICB's met kapitaalbescherming of kapitaalgarantie en vaste vervaldag een dividend uitkeren indien het beleggingsbeleid de uitkering van een specifiek bedrag voorziet : deze uitzondering is bedoeld voor die ICB's die voor bepaalde jaren in de uitkering van een specifiek dividend voorzien. Het bedrag dat uitgekeerd kan worden, is het hoogste van één van voormelde bedragen. Dit betekent dat de bedragen niet gecumuleerd kunnen worden. In het jaarverslag en in het persbericht aan de aandeelhouders met betrekking tot de uitkering van het dividend wordt bovendien op opvallende wijze vermeld dat wordt overgegaan tot de uitkering van een dividend ondanks een negatief « te bestemmen resultaat » en wordt vermeld dat het bedrag uitsluitend bestaat uit één van de hierboven vermelde bedragen. Artikel 27, § 3, derde lid steunt op zijn beurt op het principe van de gelijkheid van de houders van de rechten van deelneming. Deze bepaling stelt dat bij toe- en uittreding de houder van een recht van deelneming bovenop de kapitaalwaarde van het recht een bedrag betaalt of ontvangt proportioneel met de (nog) niet betaalbaar gestelde resultaten van de instelling voor collectieve belegging, voor zover zij niet geïntegreerd zijn in het kapitaal. Deze bedragen worden « deelnemingen in het resultaat » genoemd en zij gaan bij toetreding de verwatering van de financiële waarde van de bestaande rechten van deelneming tegen en bij uittreding zorgen zij ervoor dat de uittreder vergoed wordt voor of bijdraagt tot de tot dan toe geboekte resultaten. Indien de ICB geen distributieaandelen uitgeeft, noch de creatie van dergelijk type van aandelen voorziet in het beheerreglement of de statuten, is de ICB niet verplicht om de post « B. Deelnemingen in het resultaat » te voorzien. De voormelde bepaling ter bescherming van de gelijkheid van de houders van de rechten is in het laatste geval zonder voorwerp, aangezien de resultaten niet worden uitgekeerd, maar jaarlijks worden toegevoegd aan het kapitaal of worden overgedragen naar het volgende boekjaar. Art. 28 Dit artikel bepaalt dat de rekeningen en verslagen opgesteld moeten worden in de referentiemunt. Deze regel geldt voor de rekeningen en de verslagen van beleggingsvennootschappen zonder comparti-menten, beleggingsvennootschappen met één compartiment, gemeeschappelijke beleggings-fondsen en de compartimenten van beleggings-vennootschappen. Indien de referentiemunt een andere munt is dan de euro, voegen gegevens uitgedrukt in euro weinig toe aan de informatie uitgedrukt in deviezen : het wisselrisico op de rechten van deelneming van de ICB dat speelt tussen de munt waarin het recht luidt en de munt waarin de houder het recht zelf wenst te converteren, ligt integraal bij de houder. De gegevens in die munt verstrekken slechts een momentopname omtrent de omvang van het wisselrisico. Die momentopname zal daarenboven op het ogenblik van het ter beschikking stellen van de rekeningen en verslagen doorgaans zonder actuele waarde zijn. De bepalingen van het eerste lid van dit artikel bieden tevens een oplossing voor het boekhoudkundig probleem dat zou ontstaan door de omrekening van de referentiemunt naar de euro. Omrekeningsverschillen die daaruit voortvloeien maken geen deel uit van de NIW die als basis dient voor de bepaling van de toe- en uittredingsprijzen van de ICB of het compartiment van de beleggingsvennootschap. De toevoeging van die verschillen aan de NIW zou de directe band tussen beide waarden opheffen. Beleggingsvennootschappen met verschillende compartimenten kunnen meerdere referentiemunten hebben. De tweede paragraaf van dit artikel stelt dat onder meer de geglobaliseerde balans en de geglobaliseerde resultatenrekening van beleggingsvennoot-schappen met verschillende compartimenten en meerdere referentiemunten in dat geval in duizenden euro of euro zullen moeten worden uitgedrukt. De gegevens met betrekking tot de compartimenten waarvan de referentiemunt een vreemde munt is, zullen bijgevolg moeten worden omgerekend naar euro teneinde onder meer de geglobaliseerde balans en de geglobaliseerde resultatenrekening van de beleggingsvennootschap te kunnen opstellen. De bepalingen van dit artikel zijn in wezen niet verschillend van de bepalingen van artikel 24 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994. Art. 29 Dit artikel bepaalt hoeveel en onder welke voorwaarden halfjaarlijkse verslagen opgesteld dienen te worden vóór de eerste jaarafsluiting, indien het eerste boekjaar van de ICB meer dan 12 maanden bedraagt. Indien dit eerste boekjaar 15 maanden of meer telt, dienen twee halfjaarlijkse verslagen worden opgesteld. In het andere geval dient één halfjaarlijks verslag worden opgesteld. Art. 30 Dit artikel stelt de periode vast waarbinnen de jaarrekening van een gemeenschappelijk beleggingsfonds moet neergelegd worden bij de Nationale Bank van België. Anders dan artikel 25 van het koninklijk besluit van 8 maart 1994 loopt de periode gelijk met d …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.