{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De afgevaardigde mag echter zijn opmerkingen m.b.t. het verloop van de examengedeelten laten acteren. Hij mag kennis nemen van het proces-verbaal over de verrichtingen. Zijn opmerkingen vormen een bijlage bij dit proces-verbaal. Art. 44.De afgevaardigden krijgen kennis van de vragen tegelijk met de kandidaten. Art. 45.Na de eindberaadslaging, wanneer de definitieve lijst van de toegekende cijfers ondertekend is, worden ze ertoe gemachtigd kennis te nemen van het nummer van de geslaagden en daarna de opening van de omslagen bij te wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Algemeen reglement betreffende de organisatie van de loopbaanexamens I. Toepassingsgebied Artikel 1.Voorliggend reglement is van toepassing op alle door het B.R.F. georganiseerde loopbaanexamens, welke uitsluitend vastbenoemde ambtenaren van het B.R.F. voorbehouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Programma Art. 2.De Raad van Bestuur bepaalt het programma voor de loopbaanexamens en legt het leerstof ervan vast. Onverminderd de bepalingen van artikel 24 bepaalt hij de quotiteit van de punten toegewezen aan elk examengedeelte of aan elke reeks examengedeelten alsmede het minimale percentage dat de kandidaten in elk examengedeelte of in elke reeks examengedeelten moeten behalen om ervoor te slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">III. Samenstelling van de examencommissie Art. 3.Er wordt een examencommissie voor elk examen of examengedeelte samengesteld. Art. 4.Elke examencommissie is samengesteld uit ten minste een voorzitter, een secretaris en drie leden. Art. 5.De voorzitter en de secretaris van de examencommissies worden door de Raad van Bestuur aangewezen. Art. 6.De leden van de examencommissies behoren tot het bij het B.R.F. benoemde personeel en worden door de directeur aangewezen. Art. 7.Bij afwezigheid van de voorzitter oefent het oudste van de aanwezige leden het voorzitterschap uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een lid van een examencommissie kan niet vervangen worden vóór de beraadslaging die een examengedeelte afsluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">IV. Oproep tot de kandidaten Art. 8.De loopbaanexamens worden door aanplakking bekendgemaakt. Die aanplakking gebeurt ten minste één maand vóór de afsluiting van de inschrijvingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bekendmaking tussen 21 juni en 20 september plaatsvindt, dan wordt de termijn op 2 maanden gebracht. Art. 9.De berichten over de loopbaanexamens die door aanplakking bekendgemaakt worden, vermelden : a) de graad waarvoor het examen georganiseerd wordt;b) de met de graad verbonden weddeschaal;c) de datum waarop de inschrijving wordt afgesloten alsmede de andere modaliteiten voor het indienen van de kandidaturen;d) de voorwaarden waaraan de kandidaten moeten voldoen op de datum waarop de inschrijving wordt afgesloten;e) het adres waar alle nuttige inlichtingen alsmede het examenprogramma kunnen worden verkregen. V. Inschrijving en oproeping Art. 10.Behoudens strijdige bepalingen die tegelijk met het programma medegedeeld worden, mag geen examen worden afgelegd tussen 1 juli en 31 augustus. Art. 11.Ten minste 6 dagen vóór de datum van het examengedeelte roept de secretaris van de examencommissie de kandidaten op per aangetekende brief in tweevoud. Hij nodigt de kandidaten uit één exemplaar te ondertekenen en als ontvangstbewijs terug te sturen. Art. 12.De secretaris van de examencommissie deelt schriftelijk aan de vakorganisaties vertegenwoordigd in het Sectorcomité van de Duitstalige Gemeenschap de plaats, datum en uur van de verschillende examengedeelten alsmede het examenprogramma en de samenstelling van de examencommissie mede. Hij richt de brief aan de zetel van de vakbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">VI. Werking van de examencommissie Art. 13.Geholpen door de secretaris die o.a. voor de toepassing van het reglement moet zorgen, is de voorzitter verantwoordelijk voor het goede verloop van de examenverrichtingen. Hij verdeelt de opdrachten onder de leden van de examencommissie naargelang hun bijzondere bekwaamheden. Art. 14.De secretaris is belast met de oproepingen, het opstellen van de proces-verbalen en de organisatie van het examen. Art. 15.Vóór het examen wordt de examencommissie het eens over de vragen en de oefeningen of thema's die aan de kandidaten kunnen worden gesteld resp. opgelegd. De vragen en oefeningen stemmen overeen met het niveau van de graad waarvoor het examen wordt georganiseerd en passen uitsluitend in het kader van het bepaalde leerstof.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter kan erom verzoeken dat modelantwoorden bij de gekozen vragen en oefeningen worden gevoegd. Art. 16.Vóór de examens bepaalt de examencommissie : a) de quotiteit van de punten toegewezen aan de vragen of oefeningen;b) de criteria voor het toekennen van de punten;c) de voor elk examengedeelte bepaalde duur (indien zij in het programma niet vastgelegd is); d) de nadere regels voor de examengedeelten (machtiging om tijdens de conferenties aantekeningen te nemen, gebruik van een woordenboek of professionele werktuigen,...). Art. 17.Indien een tekst voor het examen moet worden gebruikt, kan één van de volgende procedures worden toegepast : a) in onderlinge overeenstemming met de leden van de examencommissie kan de voorzitter één van de leden met het opstellen van een tekst belasten;die tekst wordt aan de examencommissie ter goedkeuring voorgelegd. De examencommissie kan de tekst onmiddellijk vóór het examengedeelte wijzigen; b) verscheidene teksten worden aan de examencommissie voorgelegd die onmiddellijk vóór het examengedeelte één tekst kiest. Art. 18.Alle leden van de examencommissie zijn tot geheimhouding verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijd tussen het ogenblik waarop de vragen, oefeningen en thema's vastgelegd worden en het ogenblik waarop het examengedeelte wordt afgelegd, moet tot een minimum gereduceerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de examencommissie vastgelegde vragen, oefeningen en thema's worden aan de secretaris toevertrouwd, die alle nodige maatregelen moet nemen om voor de geheimhouding te zorgen. Art. 19.In de mate van het mogelijke moet er, rekening houdend met de aard van de examengedeelten, voor de anonimiteit van de kandidaten gezorgd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter en de leden van de examencommissie mogen niet : - een verwant tot en met de 4e graad, een leerling of toenmalige leerling (in het onderrichte vak) ondervragen en hem een beoordelingscijfer geven; - een rechtstreekse medewerker of een onmiddellijke ondergeschikte ondervragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter beoordeelt of het raadzaam is dat één of meerdere leden van de examencommissie zich moeten onthouden een beoordelingscijfer te geven aan een rechtstreekse medewerker of onmiddellijke ondergeschikte. Art. 20.De cijfers worden door ten minste drie leden van de examencommissie gegeven. Art. 21.De leden van de examencommissie die de kandidaten moeten beoordelen, schrijven de cijfers tegenover de volgordenummer van de kandidaat op een lijst die hen door de secretaris wordt gegeven. Vóór de eindeberaadslaging onthouden ze zich hun beoordeling elkaar mede te delen. Art. 22.De examencommissie neemt kennis van de gegeven cijfers, vergelijkt ze en beraadslaagt. Na de eindeberaadslaging mag een verschil van meer dan 20% tussen het hoogste en het laagste cijfer niet bestaan. Art. 23.De aritmetische doorsnede van de gegeven cijfers stelt het resultaat daar dat de kandidaat voor elk examengedeelte heeft behaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aritmetische doorsnede alsmede de cijfers waarop zij berekend wordt, worden opgenomen in een overzichtstabel. Die tabel wordt ondertekend door de leden van de examencommissie die aan de eindberaadslaging hebben deelgenomen alsmede door de voorzitter en de secretaris. Art. 24.De kandidaat moet ten minste 50% van de punten in elk examengedeelte of in elke reeks examengedeelten, en 60% van de punten voor het geheel van het examen hebben behaald om ervoor te slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">VII. Discipline bij de zittijden Art. 25.De kandidaten moeten hun oproeping en hun identiteitskaart voorleggen om aan de examengedeelten te kunnen deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris of een opzichter controleert beide documenten. Art. 26.Voor de mondelinge en praktische examengedeelten worden de kandidaten in de volgorde geroepen die door de voorzitter of de secretaris van de examencommissie bepaald is. Art. 27.Voor de schriftelijke examengedeelten bezetten de kandidaten de plaatsen aangeduid door de secretaris. Art. 28.Elke kandidaat schrijft zijn naam, voornaam en adres op een fiche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die fiche wordt onder genummerd omslag gedaan, geklemd aan de bladzijden die voor de examengedeelten zullen dienen. Het omslag wordt daarna door de kandidaat gesloten. Art. 29.De kandidaten mogen slechts het papier dat hen gegeven wordt en de toegelaten documentatie gebruiken. Art. 30.Indien inlichtingen gegeven worden, dan moeten ze aan alle kandidaten gegeven worden. Art. 31.Tijdens de hele duur van de examengedeelten staan de kandidaten onder toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen kandidaat mag de examenzaal tijdelijk verlaten zonder voorafgaande toestemming en zonder toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opzichters zorgen voor de handhaving van de orde en van het zwijgen en letten erop elke bedrogpoging te verhinderen. Zij vermijden met de kandidaten te spreken of bij hen lang te blijven. Art. 32.Elke kandidaat die de orde stoort, wordt door de secretaris of een opzichter onmiddellijk uit de examenzaal uitgesloten. Art. 33.Elke vastgestelde bedrogpoging wordt in het proces-verbaal vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">VIII. Verrichtingen na de examens Art. 34.Na het afsluiten van het examen kan aan elke kandidaat medegedeeld worden of hij er al dan niet voor geslaagd is. Art. 35.Binnen 8 dagen worden die inlichtingen alsmede, zo nodig, de rangschikking, schriftelijk ter kennis gebracht van de voorzitter, van de Raad van Bestuur en van de directeur. Art. 36.Het proces-verbaal wordt door de secretaris opgesteld en door de voorzitter en de secretaris ondertekend. Art. 37.Het proces-verbaal wordt de Raad van Bestuur ter goedkeuring voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na goedkeuring betekent de secretaris schriftelijk aan elke kandidaat of hij al dan niet voor het examen geslaagd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is een kandidaat voor het examen niet geslaagd, dan wordt hem het (de) vak (ken) medegedeeld waarin hij de vereiste punten niet behaald heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijk wordt de lijst met de naam van de geslaagden aangeplakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">IX. Rol van de afgevaardigden van de vakbonden Art. 38.Elk vakbond vertegenwoordigd in het Sectorcomité van de Duitstalige Gemeenschap heeft het recht, zich door één afgevaardigde te laten vertegenwoordigen bij de examencommissie van elk vergelijkend examen of examen georganiseerd met het oog op de aanwerving van personeelsleden alsmede bij de examencommissie van elk vergelijkend examen, examen of examengedeelte georganiseerd voor de personeelsleden. Het aantal afgevaardigden mag echter, op verzoek van de vakbonden, door de voorzitter verhoogd worden. Het verzoek moet verantwoord worden door het omvangrijk aantal kandidaten, de deconcentratie van de plaatsen waar de examens afgelegd worden en door de onderverdeling van een examengedeelte in afzonderlijke specialiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afgevaardigde moet zich onthouden in het normale verloop van het vergelijkend examen, examen of examengedeelte tussen te komen en mag noch aan de eindberaadslaging van de examencommissie noch aan de voorbereidende zittingen deelnemen, behalve om daar de inlichtingen te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor zijn aanwezigheid bij de examengedeelten of de organisatie ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afgevaardigde mag echter zijn opmerkingen m.b.t. het verloop van de examengedeelten laten acteren. Hij mag kennis nemen van het proces-verbaal over de verrichtingen van de examencommissie. Zijn opmerkingen vormen een bijlage bij dit proces-verbaal. Art. 39.De afgevaardigden krijgen kennis van de vragen tegelijk met de kandidaten. Art. 40.Na de eindberaadslaging, wanneer de definitieve lijst van de toegekende cijfers ondertekend is, worden ze ertoe gemachtigd kennis te nemen van het nummer van de geslaagden en daarna de opening van de omslagen bij te wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 10 maart 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eupen, 10 maart 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, De Minister-President, Minister van Financiën, Internationale Betrekkingen, Gezondheid, Gezin en Bejaarden, Sport en Toerisme, J. MARAITE De Minister van Jeugd, Vorming, Media en Sociale Aangelegenheden, K.-H. LAMBERTZ Bijlage 5 bij het statuut van het B.R.F.-personeel Reglementen en commentaren inzake informatie op radio- en televisie Reglementen I. Wettelijke teksten Artikel 1.Uitzendingen van het B.R.F. § 1. De informatie-uitzendingen van het B.R.F. gebeuren in een zin van strikte objectiviteit en zonder voorafgaande censuur zijdens de Regering. § 2. Het wordt het B.R.F. verboden uitzendingen te produceren en te verspreiden die strijdig zouden zijn met de wetten of het algemeen belang, met de openbare orde of de goede zeden, of een smaad zouden zijn voor de overtuigingen van anderen of een buitenlandse staat. Art. 2.Mededelingen van de Regering Het B.R.F. is verplicht, ten belope van vijf uren per maand in elk programma, de mededelingen uit te zenden die hem overgemaakt worden door de Minister onder wie het ressorteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Beginsels Art. 3.De beroepsactiviteiten van de radio- en tv-journalisten worden geregeld door de bepalingen van het decreet van 27 juni 1986 betreffende het B.R.F. en door de onderrichtingen van de Raad van Bestuur en van de directeur. Art. 4.De vrijheid inzake radio- en TV-uitzendingen, waarin het decreet van 27 juni 1986 betreffende het B.R.F. voorziet, bindt de journalist door zijn verantwoordelijkheid t.o.v. zijn meerderen en van de Raad van Bestuur. Art. 5.De zin van strikte objectiviteit vereist door het decreet van 27 juni 1986 betreffende het B.R.F. vormt een absolute basisregel. Art. 6.De objectiviteit vereist een in ruime mate multilaterale informatie, ten einde het kennen van de werkelijkheid en het zoeken naar de waarheid te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen onderwerp wordt om de enkele reden van zijn aard uit de informatie uitgesloten. Art. 7.a) De objectiviteit impliceert dat de journalist zijn bevoegdheid, zijn nauwkeurigheid, zijn kritische zin, zijn eerlijkheid en zijn billijkheid bewijst, daar zijn opdracht o.a. erin bestaat, de feiten en hun ontwikkelingen op een duidelijke manier te vertellen en uit te leggen; b) Onverminderd de andere rechtsmiddelen heeft elke natuurlijke of rechtspersoon, elke feitelijke vereniging die met name of impliciet genoemd wordt in een uitzending, een uitgave of een reeks audiovisuele programma's, een recht op antwoord door middel van een openbare uitzending of mededeling.Zij geniet dit recht om één of meerdere feiten die haar betreffen te corrigeren, of om een antwoord te geven aan één of meerdere feiten of verklaringen die zijn eer zouden kunnen aantasten en die verkeerd weergegeven werden (Art. 7 van de wet van 4 maart 1977). Art. 8.De journalist mag noch partij nemen noch de ene of de andere meningsuiting ondersteunen waarop hij een verslag doet. Art. 9.Elke informatie-uitzending moet de feiten en de commentaren (hypothesen, uitleggingen en opinies) duidelijk onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfs in de uitzendingen waar feiten en commentaren eng gebonden zijn, moet de journalist erop letten dat ze niet met elkaar verwisseld worden. Art. 10.Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen twee soorten commentaren : 1° de commentaren van personeelsleden van het B.R.F.; 2° de commentaren van buitenstaanders. De eerste commentaren zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikels 6, 7 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikels 11 en 12. Art. 11.De objectiviteit impliceert dat de zendtijd evenwichtig verdeeld wordt onder de verschillende trends en opinies. Het evenwicht hoeft niet noodzakelijk in elke uitzending voorkomen maar wel op een reeks uitzendingen of op de hele informatie voor een bepaalde periode. Art. 12.De directeur is vóór de Raad van Bestuur verantwoordelijk voor het evenwicht van de hele informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzending of reeks uitzendingen die op zichzelf niet evenwichtig is, mag zonder zijn voorafgaande toestemming niet geproduceerd of verspreid worden. Art. 13.Wanneer de directeur bij toepassing van artikel 1 (§ 2), artikel 12, artikel 18 (3de lid), artikel 24 (§§ a en b) en artikel 26 moet beslissen, dan hoort hij zelf of zijn afgevaardigde de journalisten en de verantwoordelijken van de geïncrimineerde uitzendingen. Art. 14.Elke uitzending die op zichzelf niet evenwichtig is, moet zich als zodanig voorstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handelwijze kan van geval tot geval verschillen; het belangrijkste is dat er geen dubbelzinnigheid meer kan bestaan. Art. 15.Dat een door het B.R.F. geproduceerde uitzending op zichzelf niet evenwichtig kan zijn, impliceert niet dat zij van de vereisten van de artikels 6, 7 en 8 vrijgesteld wordt. Die bepalingen verhinderen dat het B.R.F. « geëngageerde uitzendingen » op het gebied van de informatie produceert; zij verhinderen hem echter niet « geëngageerde » informatiereeksen of -uitzendingen als documentaires te verspreiden. Deze worden echter duidelijk gekenmerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">III. Behandeling van de informatie Art. 16.De informatie-uitzendingen moeten het resultaat zijn van een serieuze analyse van alle bronnen waarover men beschikt, waarbij ze tegenovergesteld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De journalist zal er zijn aandacht aan wijden geen bron te negeren maar ook naar alle bronnen te zoeken die hem kunnen ontbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bron wordt vermeld telkens de bronnen van het nieuws na toetsing niet overeenstemmen of de B.R.F. moreel of juridisch verantwoordelijk zou kunnen worden gemaakt voor de uitwerkingen van het nieuws. Art. 17.Behalve bij officiële mededeling van de bevoegdheden die ter zake beslissingen mogen nemen, zal het nieuws dat de geloofwaardigheid van de munteenheid betreft vóór de uitzending opgenomen worden. Het diensthoofd zal vooraf geraadpleegd worden. Art. 18.Bij ernstige internationale spanningen en bij politieke onlusten moeten de journalisten dubbele aandacht wijden aan hun bevoegdheid, hun nauwkeurigheid, hun kritische zin, hun eerlijkheid en hun billijkheid, welke een vereiste zijn voor hun werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zal niet afgeweken worden van de fundamentele regels inzake informatie op het B.R.F., maar hun toepassing zal het onderwerp zijn van een grotere waakzaamheid, om de sensibiliteit van de verschillende categorieën radioluisteraars en televisiekijkers in acht te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij politieke onlusten mogen de geruchten niet als bronnen beschouwd worden, het nieuws moet vóór de uitzending opgenomen worden, de gedeeltelijke informaties zullen vermeden worden. Wat lopende demonstraties betreft die onlusten opwekken of kunnen opwekken, zal men zich onthouden de slogans te verspreiden die het verloop van de demonstraties beïnvloeden. Slechts de directeur mag, in uitzonderlijke gevallen, een afwijking van dit beginsel machtigen. Art. 19.Bij ramp betreffende de inwoners van het land zal het B.R.F. aandacht wijden aan de eventueel noodzakelijke omzichtigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zal de aankondiging van de naam van de slachtoffers vertragen, indien een termijn nodig is om de families te waarschuwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zal daarentegen proberen details te geven die de omvang van de gebeurtenis kunnen omschrijven en een niet gegronde onrust kunnen voorkomen. Art. 20.Telkens het voor de behoeften inzake informatie vereist is, is het benoemen van merken - door geluid of beeld - wettig en stelt geen handelspubliciteit daar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle ambtenaren en medewekers die toegang tot de zender hebben, zullen niet hun samenwerking bieden voor spots die tijdens de programma's van het B.R.F. zullen worden uitgezonden. Art. 21.Een stap die een verbintenis van het B.R.F. met het oog op een uitzending of op een uitzendingsontwerp zou bevatten, mag niet ondernomen worden zonder de voorafgaande toestemming van het bevoegde diensthoofd. Art. 22.Wanneer een uitzending impliceert dat vertegenwoordigers van verschillende opinies tegelijk aanwezig zullen zijn, zal de journalist erop letten dat de keuze evenwichtig en werkelijk representatief zal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien één of meerdere trends niet kunnen worden vertegenwoordigd (afwezigheid, weigering, selectiviteit opgelegd door de noodzakelijkheid het aantal gesprekspartners te beperken), zal het tijdens de uitzending duidelijk vermeld worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het B.R.F. is ertoe gemachtigd bij wege van samenvattingen te handelen. Die samenvattingen zullen aan de vereisten van de artikels 6, 7 en 8 voldoen. De citaten - door geluid of beeld -, die de samenvattingen kunnen illustreren, zullen bovendien aan de voorschriften van de artikels 11 en 12 voldoen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 24</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>Iedere persoon die een verklaring maakt of aan een gesprek deelneemt moet ervan verwittigd worden dat het opnemen van zijn woorden het B.R.F. niet verplicht, deze uit te zenden; b) Zij moet bovendien op de hoogte gezet worden dat « sneden » kunnen worden gemaakt, voor zover zij ofwel door het tijdstip, het ritme van de uitzending, het uithalen van de herhalingen, het evenwicht van de opinies, ofwel door de wettelijke verplichtingen van het B.R.F. noodzakelijk zijn. De weigering die voorwaarden aan te nemen kent het B.R.F. het recht toe, afstand te doen van de samenwerking van de betrokkene; c) De montage en de uitgevoerde sneden moeten altijd de zin en de draagwijdte van de opgenomen woorden in acht nemen, voor zover die woorden overeenstemmen met het onderwerp van de uitzending;d) De expresonderzoeken en -interviews in openbare gebouwen die anonieme opinies weergeven, zijn niet onderworpen aan de paragrafen b) en c) van dit artikel;e) Elk gebruik van een verborgen geluid- of beeldopname moet het onderwerp zijn van het schriftelijk akkoord van de opgenomen persoon; de telefoongesprekken en de privé-gesprekken mogen niet uitgezonden worden zonder de toestemming van de betrokkene</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de authentieke documenten ontbreken en indien het met het oog op de informatie noodzakelijk blijkt, werkelijke feiten in de vorm van een fictie voor te stellen, dan zal de fictie altijd als zodanig aangekondigd worden, zodat elke verwarring redelijk kan vermeden worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorliggend reglement betreft de informatie-uitzendingen in de brede zin. De directeur zal bepalen of het al dan niet van toepassing is op de programma's die zich op de grens van de informatie bevinden en twijfelachtige gevallen kunnen vormen IV. Buitengewone uitzendingen Art. 27.De beslissing een buitengewone uitzending, zelfs in de vorm van een flash te verspreiden behoort tot de chefredacteur of, bij ontstentenis ervan, tot zijn plaatsvervanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regisseur van de uitzending wordt geraadpleegd om het ogenblik te bepalen dat het meest geschikt is, rekening houdend zowel met het dringende karakter en het belang van het nieuws, als met het karakter van het lopende programma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 10 maart 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eupen, 10 maart 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, De Minister-President, Minister van Financiën, Internationale Betrekkingen, Gezondheid, Gezin en Bejaarden, Sport en Toerisme, J. MARAITE De Minister van Jeugd, Vorming, Media en Sociale Aangelegenheden, K.-H. LAMBERTZ Bijlage 6 bij het statuut van het B.R.F.-personeel HOOFDSTUK 1. - Reglement betreffende de arbeidsduur Artikel 1.Toepassingsgebied Dit reglement is van toepassing op het ter beschikking van het B.R.F. gestelde personeel, met uitzondering van de ambtenaren van niveau I. Art. 2.Arbeidsduur De normale duur van de dienstprestaties is als volgt vastgelegd : a) voor de ambtenaren onderworpen aan een regelmatig uurrooster : 38 uren per vijfdaagse werkweek;b) voor de ambtenaren onderworpen aan een onregelmatig uurrooster : 114 uren voor een periode van 3 weken. Art. 3.Jaarlijks vakantieverlof Het jaarlijks vakantieverlof toegekend door de bevoegde overheid en de aan de ambtenaren krachtens het statuut toegekende verloven worden afgetrokken van de duur van de prestaties die de ambtenaren moeten leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel wordt elke halve dag in aanmerking genomen voor 4 uren; het totaal dat per periode berekend wordt, wordt op het hele kwartier naar boven afgerond. Art. 4.Verlofdagen De opgelegde dienstprestaties moeten, buiten in geval van overmacht, volgende voorschriften nakomen : a) de tijd tussen de dienstprestaties van twee opeenvolgende dagen moet ten minste tien uren bedragen;b) de tijd tussen twee rustdagen mag niet hoger liggen dan tien kalenderdagen;c) voor elke periode van 3 weken geniet elke ambtenaar ten minste 6 rustdagen;die 6 dagen zullen ten hoogste in 3 groepen onderverdeeld worden, waarvan één ten minste een weekeinde met een zaterdag en een zondag omvat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien één van de voor een periode van drie weken verplichte 6 rustdagen wegens buitengewone overmacht niet werd toegekend, dan wordt voor de daaropvolgende periode een bijkomende rustdag toegekend en worden 8 uren afgetrokken van het aantal uren die voor die periode moesten worden gepresteerd, zelfs wanneer het aantal uren gepresteerd tijdens de geschrapte rustdag onder 8 uren lag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de schrapping van de rustdag uit een verlofaanvraag voortvloeit of wanneer de ambtenaar ziek is, dan heeft deze geen recht op een compensatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhaalrustdagen voor verloven met een vaste datum, alsmede de compensatiedagen toegekend overeenkomstig artikel 13 van dit reglement moeten binnen een termijn van 9 weken worden toegekend. Art. 5.Dagelijkse arbeidsduur a) Een werkdag mag in beginsel 10 uren niet overschrijden;voor de toepassing van dit beginsel zal, zo nodig, de duur van de reizen niet in aanmerking worden genomen; die worden krachtens artikel 6, §§ 2b en 2c berekend. b) Bij wijze van uitzondering zal een overschrijding kunnen voortvloeien uit de aard van de arbeid of uit buitengewone omstandigheden. Art. 6.Berekening van de dienstprestaties § 1. Het totaal van de dienstprestaties van het personeel onderworpen aan een regelmatig wekelijks uurrooster (Art. 2a) wordt berekend door de periode tussen het begin en het einde van de dienstprestaties van een werkdag in aanmerking te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit totaal mag ten hoogste met 45 resp. 90 minuten (maaltijden) verminderd worden, naargelang de ambtenaar voor een korte of een lange middagpauze heeft gekozen. § 2. De dienstprestaties van de andere personeelsleden worden als volgt berekend : a) de volledige periode tussen het begin van de eerste en het einde van de laatste dienst van de arbeidsdag;b) de duur van de reizen die het personeelslid moet afleggen om zich van zijn administratieve standplaats naar een arbeidsplaats te begeven en omgekeerd.Deze reizen beginnen met het vertrek van het personeelslid ofwel van zijn woonplaats, ofwel van zijn administratieve standplaats, ofwel van elke andere plaats gelegen ertussen, en eindigen met zijn terugkeer in één van deze plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onmiddellijke meerdere onder wie het personeelslid ressorteert, kiest de meest economische oplossing, behalve in de gevallen waarin hij beschouwt dat een verschillende oplossing aangepaster is. c) een forfaitaire duur wanneer de plaats waar de eerste prestatie begint en/of de plaats waar de laatste eindigt, alhoewel ze zich in de administratieve standplaats van het personeelslid bevinden, met de gewone arbeidsplaats van het personeelslid niet overeenstemmen.Die forfaitaire duur wordt voor elke administratieve standplaats vastgelegd. § 3. a) Alle prestaties van een zelfde dag worden als volgt geboekt : - voor vier uren als ze minder dan 4 uren bedragen; - voor de werkelijke duur als ze 4 uren of meer bedragen. b) Voor de dienstprestaties geleverd door een personeelslid dat tijdens meerdere dagen buiten zijn administratieve standplaats werkt, wordt ten minste een forfait van 8 uren per dag berekend, behalve voor eerste en de laatste reisdag, waarvoor de prestaties overeenkomstig § 2 berekend worden.Indien de prestaties van de eerste en/of de laatste dag minder dan 8 uren bedragen, worden ze als de drie kortste prestaties van de periode van drie weken geboekt. Die regeling is eveneens van toepassing op de diensten gepresteerd in het buitenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is het duidelijk dat de betaling van zondagswerk precies met de duur van die diensten overeenstemt en niet met de theoretische verhoging tot 8 uren. § 4. Onverminderd § 3 worden de dagen afwezigheid wegens ziekte, jaarlijks verlof en om andere redenen op de basis van 8 uren voor 4 dagen op vijf berekend, waarbij de vijfde dag voor 6 uren telt, onafhankelijk van de tijd tussen die verlofdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Duur van de reizen Volgende bepalingen zijn van toepassing wat de reizen en de forfaits bedoeld in artikel 6, § 2 betreft : 1° de plaats voor het instappen in een gemeenschappelijk vervoermiddel wordt bepaald door de onmiddellijke meerdere onder wie de ambtenaar ressorteert;2° indien de ambtenaar een privé-wagen gebruikt, dan wordt de duur van de reis forfaitair bepaald door de onmiddellijke meerdere onder wie de ambtenaar ressorteert; 3° indien een vervoermiddel ter beschikking van de ambtenaar door het B.R.F. gesteld wordt, dan wordt de reis ten belope van zijn werkelijke duur berekend; 4° de forfaitaire duur bedoeld in artikel 6, § 2, lid c) wordt door de directeur bepaald</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking van de dagelijkse prestaties a) Elke kalenderdag mag slechts één prestatiebegin omvatten.b) Wat de prestaties betreft die langer dan middernacht duren : die welke vóór 22 uur beginnen, worden geacht geheel tot de kalenderdag te behoren waar ze begonnen hebben;die welke op 22 uur of later beginnen worden geacht geheel tot de volgende kalenderdag te behoren</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Maaltijden en onderbreking van het werk Behalve bij manifeste onmogelijkheid moeten de diensten die de ambtenaren opgelegd worden, hen in staat stellen om : a) een eerste maaltijd, met een minimale duur van 45 minuten, tussen 11 u.45 m. en 14 u. 30 m. en/of 17 u. 45 m. en 20 u. 30 m. te gebruiken; b) hun godsdienstige en burgerlijke plichten te vervullen;c) een werkonderbreking van 15 minuten te genieten : - na elke schijf van ten hoogste 3 uren bij bijzonder vermoeiende prestaties; - `s nachts; - in de voormiddag, op voorwaarde dat zij hun dienst vóór 7 uur hebben begonnen De modaliteiten voor de toekenning van die werkonderbrekingen worden door de onmiddellijke meerdere vastgesteld onder wie de ambtenaar ressorteert. Art. 10.Duur van de rustdag De rustdag moet 24 uren omvatten en begint ten minste 9 uren na het einde van een prestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die periode van 33 uren moet twee keer middernacht omvatten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Compensatieverloven § 1. Dagen kunnen als compensatieverlof toegekend worden. Zij worden dus van het totaal aantal uren afgetrokken die de ambtenaren voor de lopende periode moeten leveren : Voorwaarden : a) de totale duur van de dagprestaties bedraagt meer dan 10 uren : 1° voor de 11de en de 12de uur : de duur van de overschrijding;2° voor de uren na de 12de uur : het dubbel van de duur van de overschrijding;b) de tegenwaarde van de prestaties geleverd tussen 22 en 6 uur, behalve wanneer die prestaties in het kader van een regelmatig uurrooster plaatsvinden of wanneer ze niet langer dan middernacht duren;c) de duur van de reis als passagier wordt slechts ten belope van de werkelijk gepresteerde uren gecompenseerd. § 2. Voor de toepassing van § 1 mogen de dagen compensatieverlof die krachtens a) en b) toegekend werden, voor dezelfde prestatie niet gecumuleerd worden. In dit geval wordt de bepaling toegepast die het langste compensatieverlof vertegenwoordigt</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bekendmaking van de dienstuurroosters In principe worden de uurroosters, die voor een hele week vastgelegd worden, ten minste 5 kalenderdagen vóór het begin van de prestaties bekendgemaakt</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging van het uurrooster § 1. Wordt het personeelslid minder dan 24 uren vóór het begin van de oorspronkelijk bepaalde prestatie op de hoogte gesteld van een vroeger besliste uurroosterwijziging, dan wordt het oorspronkelijk bepaald uurrooster in aanmerking genomen om de prestaties te berekenen. Er wordt rekening gehouden met de mogelijke verhogingen, waarbij de overschrijdingen van de tijdbeperkingen, geschrapt door de wijziging, echter niet tot compensatieverlof aanleiding kunnen geven. § 2. Worden als compensatieverlof toegekend en worden dus afgetrokken van het totaal aantal uren die voor de lopende periode moeten worden gepresteerd : a) vier uren, wanneer een dienstprestatie aan een personeelslid wordt opgelegd na een wijziging die, zelfs gedeeltelijk, een dag compensatieverlof afschaft en waarvan hij minder dan 24 uren vóór het begin van de dienstprestatie op de hoogte gesteld wordt;b) acht uren, wanneer een dienstprestatie aan een personeelslid wordt opgelegd na een wijziging die, zelfs gedeeltelijk, een dag compensatieverlof afschaft dat binnen een in artikel 4 c) bedoeld « weekend-verlof » valt, en waarvan hij minder dan 24 uren vóór het begin van het weekend op de hoogte gesteld wordt</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Periodes voor de boeking van de dienstprestaties Voor de personeelsleden onderworpen aan een onregelmatig uurrooster worden de uren telkens op het einde van een periode van 3 weken geboekt door de dienstprestaties van elke dag samen te tellen die zoals bepaald in artikel 5 berekend worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wijze waarop de uren geboekt worden § 1. Ten belope van ten hoogste 8 uren per periode worden de uren die overeenkomstig artikel 14 boven 114 uren geboekt worden, in de vorm van een dag compensatieverlof gerecupereerd. De uren die per periode boven 122 uren geboekt worden, worden aan het personeelslid tegen hun uurtarief uitbetaald. Het uurtarief wordt voor elk personeelslid vastgelegd overeenkomstig de bepalingen die op de ambtenaren van de openbare besturen toepasselijk zijn. § 2. Indien het overeenkomstig artikel 14 geboekt totaal aantal uren minder bedraagt dan de prestaties die voor de betrokken periode opgelegd waren, wordt het verschil tot nihil gebracht. § 3. Voor de toepassing van dit artikel worden de som van de diensturen en die van de voor een periode opgelegde prestaties op het hogere kwartier afgerond</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dienstverlenging Voor elke onvoorzienbare dienstverlenging na 22 uur die op dezelfde dag ter kennis van het personeelslid wordt gebracht, wordt een -uitsluitend financiële- verhoging ten belope van 25 % van het uurtarief toegepast</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dienstprestaties tijdens de week-ends en op feestdagen Met inachtneming van de behoeften en van de normale produktie van de programma's zullen alle nodige maatregelen worden genomen om de dienstprestaties tijdens de week-ends en op feestdagen tot een minimum te beperken. HOOFDSTUK II. - Modaliteiten voor de toepassing van de 38 uren I. Principes De gecontroleerde toepassing van de vermindering van de arbeidstijd tot 38 uren per week is de regel voor het hele personeel sinds 17 maart 1980, afgezien de graad of de functie A. Personeelsleden onderworpen aan een gepland onregelmatig uurrooster Dit hoofdstuk betreft de personeelsleden die aan een onregelmatig uurrooster onderworpen zijn waarvan de dienstprestaties systematisch gepland worden. 1. Toezicht Gelet op de strengheid van hun planning lijkt het niet noodzakelijk nieuwe toezichtsmodaliteiten in te voeren voor die personeelsleden.2. Uurrooster De dienstprestaties worden per periode van 3 weken geboekt. De normale duur van de prestaties die de personeelsleden tijdens een periode moeten leveren, wordt echter op 114 uren vastgelegd. De compensatieverloven, de feestdagen of de officiële verlofdagen, alsmede de volle dagen afwezigheid voor werkzaamheden bij een vakbond worden ten belope van 8 uren geboekt; de eventuele halve dagen worden ten belope van 4 uren geboekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle prestaties van een zelfde dag worden overeenkomstig artikel 6, § 3 van het reglement betreffende de arbeidsduur geboekt, dat dit onveranderd blijft, wat dit punt betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dagen afwezigheid wegens ziekte, jaarlijks vakantieverlof of persoonlijke aangelegenheid, enz. worden echter op basis van 8 uren voor 4 dagen op vijf berekend; voor de vijfde dag worden 6 uren geboekt, onafhankelijk van de tijd tussen die afwezigheidsdagen (in zo'n systeem stemmen 5 afwezigheidsdagen met 38 uren overeen). 3. Inhaalrust De uren die boven het op basis van 38 uren per week berekend totaal van 114 uren per periode geboekt worden, zijn overuren.Die uren worden met een maximum van 8 uren per periode in de vorm van een dag inhaalrust gerecupereerd, in afwijking van artikel 14, § 1 van het reglement betreffende de arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overuren die eventueel boven dit maximum van 8 uren worden geboekt, worden overeenkomstig de vigerende regelingen bezoldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Andere personeelscategorieën Dit hoofstuk betreft : - de personeelsleden onderworpen aan een regelmatig uurrooster; - de personeelsleden onderworpen aan een niet-gepland onregelmatig uurrooster of wier prestaties niet op een systematische manier gepland worden. Indien mogelijk zal op die personeelsleden een systematische planning toegepast worden, zodat zij aan de onder punt A gedefinieerde regels onderworpen zullen zijn. 1. Toezicht Het toezicht op de dienstprestaties van die personeelsleden wordt dagelijks door het diensthoofd of zijn afgevaardigde uitgeoefend.2. Uurrooster De personeelsleden onderworpen aan een regelmatig uurrooster hebben de keuze tussen twee mogelijkheden : 7 uren 36 of 8 uren prestaties per dag leveren.De keuze van de personeelsleden, alsmede desgevallend elke wijziging van die keuze, worden door de dienstverantwoordelijke genoteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat zijn keuze niet meedeelt, heeft officieel het systeem van 7 uren 36 gekozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien moeten de personeelsleden, volgens dezelfde procedure, tussen een middagpauze van 45 of 90 minuten kiezen; het toezicht erop wordt door de onmiddellijke meerdere uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval worden de dagen afwezigheid wegens verlof en ziekte ten belope van 8 uren geboekt voor vier dagen op vijf; de vijfde dag wordt ten belope van 6 uren geboekt, onafhankelijk van de tijd tussen die verlofdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden onderworpen aan een regelmatig uurrooster kunnen elke dag kiezen hun dienst tussen 8 en 9 uur te beginnen, afgezien het feit dat zij besloten hebben 7 uren 36 of 8 uren per dag te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naargelang de duur van de middagpauze (zie supra) eindigt de dienst tussen 16 u. 21 m. en 18 u. 30 m. De personeelsleden mogen op grond van hun beslissing niet minder of niet meer dan 8 resp. 7 uren 36 werken. 3. Inhaalrust Het personeel onderworpen aan een regelmatig uurrooster of met niet-geplande dienstprestaties heeft recht op inhaalrust voor de uren die boven de 38 uren gepresteerd worden. Bijzondere bepalingen m.b.t. de inhaalrust kunnen om sociale of ambtelijke redenen worden vastgelegd. De toegekende verlofdagen moeten ten laatste 2 maanden na de periode worden genomen waarin zij verworven zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boven 40 uren per week gepresteerde uren zijn overuren die overeenkomstig de vigerende bepalingen behandeld worden. Zij moeten vooraf door de onmiddellijke meerdere, naargelang de behoeften van de dienst, toegelaten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Verdere inlichtingen voor het personeel van niveau I a) Toezicht Daar het toezicht op de arbeidstijd voor het hele personeel met welke dienstgraad of functie dan ook ingevoerd wordt, worden de personeelsleden van niveau I, al dan niet met regelmatige dienstprestaties, eveneens aan de bepalingen van Titel B, 1° onderworpen.b) Bijkomende dienstprestaties Bijkomende dienstprestaties worden in geen enkel geval bezoldigd, zelfs niet bij « vrijstelling », ontslag of oppensioenstelling. Gerechtvaardigde en goedgekeurde bijkomende dienstprestaties moeten tot 31 augustus 1995 tot ten hoogste 10 dagen per persoon teruggebracht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vanaf 1 september 1995 gerechtvaardigde en goedgekeurde bijkomende dienstprestaties moeten telkens binnen drie maanden tot ten hoogste 10 dagen per persoon teruggebracht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijkomende dienstprestaties die binnen de vastgelegde termijn niet afgeschaft zullen zijn, zullen zonder uitzondering vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur, de hoofdredacteur, het hoofd van de muziekredactie en cheftechnicus hebben geen recht op de erkenning van bijkomende dienstprestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Praktische modaliteiten Voor het personeel waarvan de dienstprestaties met onregelmatig uurrooster systematisch gepland worden, worden de geboekte gepresteerde uren en de gevraagde en verkregen dagen inhaalrust bij de planning in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de andere personeelscategorieën keurt de onmiddellijke meerdere de dagen inhaalrust overeenkomstig de navolgende principes.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dagen inhaalrust worden regelmatig ter kennis van de personeelsdienst gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elke dienst wijst de directeur de ambtenaren aan die met het toezicht belast zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur is ervoor verantwoordelijk dat de voorschriften in elke dienst nageleefd worden. Die voorschriften waarborgen dat - het personeel onderverdeeld wordt naargelang de prestaties regelmatig of onregelmatig (al dan niet met systematische planning) zijn; - het personeel met regelmatig uurrooster tussen de hem aangeboden mogelijkheden kiezen kan. HOOFDSTUK III. - Bepalingen die van toepassing zijn op de prestaties in het buitenland Artikel 1.De ambtenaren van het B.R.F. die niet tot het niveau I behoren en een opdracht in het buitenland vervullen, genieten een dagelijks forfait van 878 F (indexcijfer 164,06), zodat zij dezelfde rechten en plichten hebben als de ambtenaren van niveau I. Commentaar : De gelijkheid met niveau I, wat de rechten en plichten betreft, geldt alleen voor de duur van de opdracht. De bepalingen van het reglement betreffende de arbeidsduur voor een periode en over de afrekening ervan blijven van toepassing, onafhankelijk van het aantal dagen gepresteerd in het buitenland. De betrokken ambtenaren genieten dus de dagen inhaalrust en de bezoldiging van de overuren zodra het totaal aantal van de geboekte uren 114 resp. 122 uren overschrijdt. Art. 2.Zij genieten de dubbele bezoldiging voor zondagswerk. Die wordt op de basiswedde berekend. Art. 3.Bij dienstprestaties in het buitenland baseren de productienormen op normale arbeidsdagen van 8 uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een arbeidsdag mag een maximum van 14 uren niet overschrijden. Art. 4.Precieze instructies over de normen zullen aan alle betrokken personeelsleden toegestuurd worden. Art. 5.Korte dienstreizen (die met heen- en terugreis 48 uren niet overschrijden) zijn niet onderworpen aan die regeling maar aan de regeling die van toepassing is op de dienstprestaties die in België worden geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 10 maart 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eupen, 10 maart 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, De Minister-President, Minister van Financiën, Internationale Betrekkingen, Gezondheid, Gezin en Bejaarden, Sport en Toerisme, J. MARAITE De Minister van Jeugd, Vorming, Media en Sociale Aangelegenheden, K.-H. LAMBERTZ</p></div>", "next": 0}