{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r175\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.175</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De nadere regels voor de controle op het probatie-uitstel voor de uitvoering van de administratieve sancties in hun geheel of deel ervan kunnen bestaan uit: 1° het voorleggen van ieder document;2° de deelname aan vergaderingen en ontmoetingen;3° het voorleggen van een verslag. De controle op het probatie-uitstel voor de uitvoering van de administratieve sancties in hun geheel of deel ervan vindt minstens na verstrijken van de helft van de duur Wanneer de sanctionerend ambtenaar het nuttig acht, kan hij in één of meerdere bijkomende controleperiodes voorzien. Wanneer de sanctionerend ambtenaar probatie-uitstelmaatregelen toekent voor de uitvoering van de administratieve sancties in hun geheel of deel ervan, bepaalt hij in zijn beslissing zowel een of meerdere in lid 1 bedoelde nadere controleregels die in de loop van het uitstel dienen te worden verricht als de periodiciteit van deze controles overeenkomstig lid 2</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r176\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.176</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De controle op het probatie-uitstel volgens de nadere regels bepaald in de beslissing van de sanctionerend ambtenaar wordt rechtstreeks door laatstgenoemde uitgeoefend. Daarvoor kan hij een vaststellend ambtenaar of een daartoe krachtens artikel D.148 aangewezen deskundige belasten met het verrichten van een controle-opdracht ter plaatse, daaronder inbegrepen de uitvoering van het herstel in oorspronkelijke staat wanneer dit als voorwaarde is vastgelegd overeenkomstig artikel D.200, § 2</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r177\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.177</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Met het oog op de uitoefening van de bevoegdheden hem toegewezen krachtens de artikelen D.198 en R.169 kan de sanctionerend ambtenaar een vaststellend personeelslid bevelen om beslag te leggen op een door hem bepaald goed. § 2. Wanneer de sanctionerend ambtenaar bijkomend een beslissing tot verbeurdverklaring neemt overeenkomstig artikel D.198, § 3, en als de administratie of de gemeente niet in het bezit zijn van het bij de verbeurdverklaring beoogde voorwerp of stuk, verzoekt hij de persoon op wie de beslissing betrekking heeft om binnen de dertig dagen na ontvangst van de beslissing genoemd voorwerp of stuk bij de administratieve griffie neer te leggen Wordt het voorwerp of stuk niet neergelegd overeenkomstig lid 1, laat de sanctionerend ambtenaar, wanneer de beslissing tot verbeurdverklaring uitvoerend is, overgaan tot het verbeurdverklaren van het voorwerp of het stuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het voorwerp of het stuk, verbeurdverklaard bij een beslissing van de sanctionerend ambtenaar nog steeds bij de griffie van de rechtbank ligt op het ogenblik van de uitspraak van de beslissing tot verbeurdverklaring, doet de sanctionerend ambtenaar de aanvraag tot overbrenging ervan bij de administratieve griffie, overeenkomstig artikel R.169. § 2. Het verbeurdverklaard voorwerp of stuk, neergelegd bij de administratieve griffie van de sanctionerend ambtenaar overeenkomstig paragraaf 1, lid 1, wordt bewaard tot aan het vervallen van de beroepstermijn vastgesteld in artikel D.217. Als er bij het vervallen van de termijn geen enkel beroep rechtsgeldig is ingediend, kan het voorwerp of het stuk de bestemming toegewezen krijgen als bepaald door de sanctionerend ambtenaar in diens beslissing, overeenkomstig paragraaf 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er een beroep rechtsgeldig is ingediend overeenkomstig artikel D.217 tegen de beslissing van de sanctionerend ambtenaar, met inbegrip van de beslissing tot verbeurdverklaring, wordt het verbeurdverklaard voorwerp of stuk door de dienst van de sanctionerend ambtenaar bewaard totdat het arrest of het vonnis over het beroep in kracht van gewijsde is getreden. § 3. Verbeurdverklaarde voorwerpen of stukken kunnen: 1° het voorwerp uitmaken aan een openbare verkoop volgens de nadere regels vastgesteld door de Minister;2° bewaard worden in de administratie of om niet worden afgestaan aan een vereniging tot didactische, sensibiliserings-, opvoedkundige of wetenschappelijk onderzoeksgebonden doeleinden; 3° vernietigd worden, enkel als dat voorwerp, indien het opnieuw in het verkeer wordt gebracht, een inbreuk vormt op één van de wetgevingen bedoeld in artikel D.138.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r178\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.178</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de dertig dagen na aanneming ervan door het gemeentecollege maakt de gemeente een afschrift van de gemeentelijke verordening, genomen overeenkomstig artikel D.197, § 3, aan de gewestelijke sanctionerend ambtenaar over. Dat afschrift wordt in één van de vormen bedoeld in artikel D.141, § 2, derde lid, ten behoeve van de dienst van de gewestelijke sanctionerend ambtenaar overgemaakt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r179\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.179</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De beslissing van de sanctionerend ambtenaar kan rechtsgeldig worden opgemaakt in elektronisch formaat en onder deze vorm worden opgeslagen wanneer zij door de uitvaardigend sanctionerend ambbtenaar elektronisch wordt ondertekend middels een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG. De Minister kan bepalen dat de beslissing van de sanctionerend ambtenaar door de nemer ervan elektronisch kan worden ondertekend middels een ander systeem als de identiteit van de ondertekenaar bepaald en de integriteit van de ondertekende beslissing gewaarborgd kan worden. § 2. De beslissing van de sanctionerend ambtenaar, elektronisch ondertekend door de sanctionerend ambtenaar overeenkomstig paragraaf 1, wordt gelijkgesteld met een beslissing van de sanctionerend ambtenaar die op een papieren informatiehouder, ondertekend met een handtekening, uitgevaardigd wordt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r180\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 180</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de sanctionerend ambtenaar, bedoeld in artikel D.209, wordt geacht rechtsgeldig te zijn overgemaakt aan de directeur-generaal van de administratie of diens gemachtigde of aan de burgemeester overeenkomsig artikel D.209, derde lid, wanneer de beoogde beslissing beschikbaar wordt gesteld in het centraal bestand In afwijking van het eerste lid worden de beslissingen bedoeld in het eerste lid, tot aan een datum bepaald door de Minister, uitsluitend via één van de vormen bedoeld in artikel D.141, § 2, derde lid, aan de directeur-generaal van de administratie of aan diens gemachtigde of aan de burgemeester overgemaakt. Afdeling 2. - Bemiddeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r181\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.181</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De bemiddeling wordt uitgeoefend in de geest van de volgende beginselen: 1° vrije instemming: meerderjarigen beslissen vrij gebruik te maken van de bemiddelingsprocedure en de keuze om gevolg te geven aan het voorstel tot bemiddeling behoort elkeen der partijen toe.Zij kunnen in iedere fase van de bemiddelingsprocedure beslissen deze te beëindigen; 2° vertrouwelijkheid: de bemiddelaar maakt op passende wijze en in overleg met partijen gebruik van de informatie die bij een bemiddeling vrijkomt;3° transparantie: de partijen wordt gewezen op de mogelijkheden en beperkingen van de bemiddelingsprocedure in hun juridische context;4° neutraliteit en onafhankelijkheid : de bemiddelaar waakt over een evenwicht bij de partijen in bemiddeling en houdt rekening met wat ze hebben uiteengezet. § 2. De bemiddelaar oefent alle taken uit die eigen zijn aan de functie van bemiddelaar, op een wijze die strikt onafhankelijk is van de sanctionerende ambtenaar. De bemiddelaar staat niet onder de leiding van de sanctionerend ambtenaar In het kader van zijn functies oefent de bemiddelaar volgende taken uit: 1° uitwerken en opvolgen van alle stappen in de bemiddelingsprocedures, na opdracht van de sanctionerend ambtenaar;2° opstellen van activiteitenverslagen op eigen initiatief of op vraag van de sanctionerend ambtenaar;3° opvolgen van acties, initiatieven en reglementeringen die een impact hebben op zijn opdrachten. Art. R.182. § 1. Om gemachtigd te worden tot het uitvoeren van een bemiddeling in de zin van dit deel van het Wetboek, neemt de bemiddelaar volgende voorwaarden in acht: 1° in voorkomend geval schikt hij zich naar het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;2° hij heeft de bemiddeling opgenomen in zijn maatschappelijk doel;3° hij telt in zijn midden geen sanctionerend ambtenaar in de zin van dit deel, bevoegd op het grondgebied van het Waals Gewest;4° hij telt in zijn midden één of meerdere werknemers die voldoen aan de criteria bepaald in paragraaf 2 en vertrouwt de uitoefening van de bemiddeling aan deze werknemers toe;5° hij heeft een omstandige raming opgemaakt van de kostprijs voor het uitoefenen van de bemiddeling en van de middelen die hij daarvoor ter beschikking heeft, hij verantwoordt en bezit de materiële, menselijke en financiële middelen nodig voor het uitoefenen daarvan;6° hij zendt de gewestelijk sanctionerend ambtenaar uiterlijk tegen jaarlijks 31 maart een activiteitenverslag over waarin minstens worden omschreven het aantal behandelde dossiers, de gedetailleerde afhandeling ervan, de moeilijkheden gerezen bij de dossierbehandeling, de suggesties tot verbetering in de dossiers en in de betrekkingen. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bemiddelaar voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot een correctionele of criminele straf bestaande uit een boete, een werkstraf of gevangenisstraf, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer andere dan die bestaande uit het verval van het recht tot sturen van een gemotoriseerd voertuig uitgesproken op andere gronden van het fysieke onvermogen;2° houder zijn van een diploma van licentiaat, master, arts, doctor, apotheker, geaggregeerde van het onderwijs, ingenieur, industrieel ingenieur, architect, meester (basisopleiding van de tweede cyclus), erkend en uitgereikt door de Belgische universiteiten en de instellingen voor hoger onderwijs van het lange type, voor zover de studies ten minste vier jaar hebben omvat, of door een door de Staat of een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissies, ofwel getuigschrift uitgereikt aan de laureaten van de Koninklijke Militaire School en die gerechtigd zijn tot het voeren van de titel van burgerlijk ingenieur of van licentiaat/master;of van gelijkwaardige diploma's en certificaten die als zodanig zijn erkend en die in het buitenland werden behaald, met name in een andere Lidstaat van de Europese Unie of de EER; 3° bovendien, ten laatste twee jaar na hun aanwijzing de eerste zitting van de opleiding bedoeld in artikel R.124 te hebben gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval kan de bemiddelaar bij de administratie een vrijstelling aanvragen voor de opleidingsonderdelen waarvoor hij bewijst dat hij reeds een gelijkwaardige cursus heeft gevolgd; 4° indien hij niet beantwoordt aan het criterium betreffende het diploma geformuleerd onder 2° : beschikken over een relevante professionele ervaring gelijkwaardig aan drie voltijdse jaren als bemiddelaar erkend door de federale bemiddelingscommissie. § 3. De machtigingsaanvraag wordt bij schrijven aan de administratie gericht, samen met de bewijzen dat de voorwaarden bedoeld in paragraaf 2 nageleefd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat door de administratie nagegaan is of de machtigingsvoorwaarden nageleefd zijn, kan de Minister de machtiging toekennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de Minister wat de machtigingsaanvraag betreft wordt schriftelijk gericht en geldt voor een maximumduur van vijf jaar. De machtiging kan na een nieuwe aanvraag worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de leden 1 tot 3 en in afwijking van de voorwaarden verwoord in de paragrafen 1 en 2 wordt de bemiddelingsdienst die over een geldige erkenning beschikt, verstrekt overeenkomstig de wet van 24 juni 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/06/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/07/2013 numac 2013000441 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de gemeentelijke administratieve sancties type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/06/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/06/2013 numac 2013009310 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage sluiten betreffende de gemeentelijke administratieve sancties wordt geacht over een machtiging overeenkomstig dit dele van het Wetboek te beschikken. Deze gelijkwaardigheid geldt voor de duur van de erkenning verstrekt overeenkomstig de wet van 24 juni 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/06/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/07/2013 numac 2013000441 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de gemeentelijke administratieve sancties type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/06/2013 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/06/2013 numac 2013009310 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage sluiten. § 4. De Minister kan de machtiging intrekken als blijkt dat één of meerdere voorwaarden niet meer verenigd zijn. Deze beslissing tot intrekking wordt schriftelijk medegedeeld na de gemachtigde persoon te hebben gehoord. § 5. Er kan tussen het Waalse Gewest of de gemeente en de gemachtigde persoon een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten. Er wordt in een vergoeding voorzien voor de bemiddelingsdiensten die worden geleverd, evenals in de betaalwijze ervan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r183\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.183</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de sanctionerend ambtenaar de Directeur-generaal van de administratie of diens gemachtigde of het gemeentecollege van de gemeente op het grondgebied waarvan de inbreuk is gepleegd over het houden van een bemiddelingsprocedure overeenkomstig artikel D.202, § 2, lid, inlicht, verzoekt hij ze in het kader van dezelfde informatie om binnen de dertig dagen te rekenen van de ontvangst van deze informatie over te gaan tot de aanwijzing van een persoon die hun belangen zal verdedigen in het kader van de bemiddelingsprocedure. De directeur-generaal van de administratie of diens gemachtigde of het gemeentecollege van de gemeente op het grondgebied waarvan de inbreuk is gepleegd deelt dan de identiteit en de adresgegevens van de aangewezen persoon mee aan de sanctionerend ambtenaar, evenals aan de aangewezen bemiddelaar Wanneer, vijf dagen voor het verstrijken van de termijn van dertig dagen bepaald in het eerste lid, de sanctionerend ambtenaar en de bemiddelaar niet ingelicht zijn over de aanwijzing van één of andere vertegenwoordiger voor de directeur-generaal of diens gemachtigde of het gemeentecollege van de gemeente op het grondgebied waarvan de inbreuk is gepleegd, wordt de in gebreke blijvende partij onherroepelijk geacht geen vertegenwoordiger te willen aanwijzen in de ingeleide bemiddelingsprocedure.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r184\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.184</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. De sanctionerend ambtenaar wijst een persoon aan, belast met de controle over de uitvoering en de voltooiing van het bemiddelingsakkoord</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De persoon bedoeld in het eerste lid kan: 1° een ambtenaar zijn van de Waalse Overheidsdienst;2° een bemiddelaar zijn. § 2. De facultatieve nadere regels voor de controle over de bemiddeling bestaan uit ofwel: 1° het opstellen van een verslag;2° het voorleggen van een document waaruit blijkt dat de bemiddeling is uitgevoerd. Wanneer overgegaan wordt tot de homologatie van de overeenkomst uit de bemiddelingsprocedure, bepaalt de sanctionerend ambtenaar, in voorkomend geval, in zijn beslissing de nadere regels van de uit te voeren controle in de loop van een duurtijd die hij bepaalt onder die, welk in lid 2 omschreven zijn. Daarvoor houdt hij rekening met de overeenkomsten die de partijen hebben bereikt en met elk gegeven waarvan hij door de bemiddelaar wordt ingelicht. § 3. In voorkomend geval kan de sanctionerend ambtenaar, wanneer een maatregel voortvloeiend uit het bemiddelingsakkoord tussen de partijen bij de bemiddelingsprocedure overeengekomen is, een vaststellend ambtenaar of een daartoe aangewezen deskundige belasten met het uitvoeren van een controle-opdracht ter plaatse met het oog op het nagaan of het herstel in de oorspronkelijke staat is uitgevoerd. Afdeling 3. - Burgerprestatie voor de meerderjarigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r185\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.185</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De verenigingen of organismen die de begeleiding van burgerprestaties wensen voor te stellen dienen een dossier bij de administratie in, omvattende: 1° de benaming of de firmanaam, de rechtsvorm ervan, het adres van de maatschappelijke zetel evenals de naam, de voornaam en de hoedanigheid van de persoon wier aanwijzing overwogen wordt;2° de identificatie van het maatschappelijk doel van de publieke instelling of de intercommunale;3° de identiteit van één of meerdere contactpersonen die rechtstreeks belast zijn met de begeleiding van de overtreder;4° de lijst van de activiteiten of prestaties die voorgesteld kunnen worden in het kader van de burgerprestatie;5° het jaarlijks minimale uurvolume dat het organisme zich ertoe moet verbinden, af te werken;6° de verzekeringspolis waarover het organisme beschikt om de overtreders te dekken. De administratie gaat de informatie na, medegedeeld door de vereniging of het organisme, en onderzoekt het passend karakter van de activiteiten, voorgesteld met het doel van de burgerprestatie, namelijk de leefmilieu-overtreding herstellen of sensibiliseren voor de milieubescherming of het dierenwelzijn In functie van het onderzoek uitgevoerd overeenkomstig lid 2, sluit de directeur-generaal van de administratie een overeenkomst met het organisme belast met de begeleiding. Deze overeenkomst stelt het jaarlijkse minimale uurvolume vast dat in het kader van de burgerprestatie aangeboden wordt voor de begeleiding van de overtreders, en de vergoeding voor deze dienstverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten kunnen eveneens de overtreders bij hun burgerprestaties ontvangen en begeleiden. Zij nemen evenwel niet deel aan de oproep tot de kandidaten vermeld in lid 1, maar lichten de administratie in over hun voorstel tot ontvangst en begeleiding van de overtreders in hun burgerprestatie met nadere bepalingen inzake: 1° de lijst van de activiteiten of prestaties die voorgesteld kunnen worden in het kader van de burgerprestatie;2° het jaarlijks minimale uurvolume dat het organisme zich ertoe moet verbinden, af te werken;3° de verzekeringspolis waarover het organisme beschikt om de overtreders te dekken. De gemeenten krijgen geen enkele vergoeding van het Waals Gewest voor de begeleiding van de burgerprestatie. § 2. Mits instemming van de gewestelijke sanctionerend ambtenaar kan elke gemeentelijke sanctionerend ambtenaar gebruik maken van de lijst overeenkomstig paragraaf 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval neemt de gemeente rechtstreeks de betaling van de vergoeding, vastgesteld krachtens paragraaf 1, lid 3, over.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd lid 1 kan de gemeente eveneens een gemeentelijke lijst met begeleidingsorganismen opstellen. Daarvoor neemt de gemeente de nadere regels vastgesteld in paragraaf 1 in acht. De gemeente sluit een overeenkomst met elk begeleidingsorganisme vermeld op de lijst bedoeld in lid 1. Deze overeenkomst stelt het jaarlijkse minimale uurvolume vast dat in het kader van de burgerprestatie aangeboden wordt voor de begeleiding van de overtreders, en de vergoeding voor deze dienstverlening. § 3. De sanctionerende ambtenaren stellen in hun beslissingen de nadere regels vast voor elke burgerprestatie, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de aangewezen begeleidingsorganismen, met het type voorgestelde prestaties en het beschikbaar jaarlijks uurvolume. § 4. Wanneer het begeleidingsorganisme in gebreke blijft ten opzichte van zijn verbintenissen of zijn plichten in het kader van de burgerprestatie, kan voorzien worden in een tijdelijke of definitieve schrapping van de lijst, aangenomen overeenkomstig dit artikel. Deze intrekking wordt door de Minister uitgesproken, en in voorkomend geval samen met de Minister bevoegd voor dierenwelzijn, op voorstel van de administratie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r186\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.186</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om de controle over de goede uitvoering van de burgerprestatie mogelijk te maken, deelt het begeleidingsorganisme aan het einde van de begeleiding een verslag mee aan de sanctionerend ambtenaar. De sanctionerend ambbtenaar kan in zijn beslissing bijkomende nadere regels bepalen met het oog op de controle van de burgerprestatie Over de gehele duurtijd van de prestaties gaat het begeleidingsorganisme na of elke nadere bepaling en elke voorwaarde, bepaald door de sanctionerend ambtenaar in zijn genomen beslissing, door de overtreder worden nageleefd. In voorkomend geval licht hij de sanctionerend ambtenaar rechtstreeks in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r187\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R.187</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag van het begeleidingsorganisme waarin vastgesteld wordt dat de burgerprestatie niet is uitgevoerd overeenkomstig de beslissing van de sanctionerend ambtenaar of dat ze niet volledig is uitgevoerd binnen de termijn wordt vastgesteld overeenkomstig het formulier vermeld in bijlage XX. Afdeling 4. - Maatregelen van toepassing op minderjarigen van veertien jaar oud en ouder Art. R.188. Onverminderd de eerste mededeling gedaan krachtens artikel D.208, § 2, wordt iedere mededeling die tijdens de administratieve procedure door de sanctionerend ambtenaar gericht wordt aan een minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt op het ogenblik van de feiten, tegelijk aan zijn ouders, voogd of personen belast met het toezicht gericht, evenals in voorkomend geval aan zijn advocaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgezonderd de procedure van ouderlijke betrokkenheid, kan geen enkele bespreking of hoorzitting gevoerd worden met de minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt op het ogenblik van de feiten, zonder dat zijn in voorkomend geval overeenkomstig artikel D.208 aangewezen advocaat vereist wordt. Afwijkend kunnen de minderjarige en de advocaat in onderlinge overeenstemming overeenkomen dat laatstgenoemde niet aan de bespreking of hoorzitting deelneemt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 7. - Fonds voor de Milieubescherming Art. R. 189. De administratie zorgt voor de werking en het beheer van het Fonds voor de Milieubescherming.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Titel 8. - Teruggave van de vergunning voor het houden van een dier Art. R.190. § 1. Een persoon die vervallen zou zijn verklaard van zijn vergunning tot het houden van een duur, van een duur langer dan tien jaar, kan een aanvraag bij de administratie indienen opdat de administratie de gepastheid van de teruggave kan onderzoeken. Om aanspraak te maken op de teruggave van de vergunning tot het houden van dieren, moeten alle volgende voorwaarden samengevoegd worden vervuld: 1° alle gerechtskosten en eventuele geldboetes zijn volledig betaald;2° alle eventuele burgerlijke partijen zijn volledig vergoed, in overeenstemming met de besluiten, vonnissen en beslissingen;3° de overtreder is niet definitief veroordeeld door een rechter of een sanctionerend ambtenaar wegens het plegen van een inbreuk inzake dierenwelzijn sinds de beslissing tot intrekking van zijn vergunning tot het houden van dieren;4° een minimumtermijn van tien jaar is verstreken sinds de intrekking van zijn vergunning tot het houden van dieren;5° de overtreder heeft een vorming gevolgd, dan wel deelgenomen aan sensibiliseringsacties in verband met de gepleegde inbreuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot teruggave van de vergunning voor het houden van een dier wordt bij de administratie ingediend, samen met: 1° de gegevens die bewijzen dat de voorwaarden als bedoeld in lid 1 zijn nageleefd;2° een schrijven waarin de reden wordt uitgelegd waarom de persoon zijn vergunning voor het houden van een dier terug wenst te krijgen;3° ieder ander nuttig document om zijn aanvraag te wettigen;4° een afschrift van het vonnis of de administratieve beslissing waarbij de intrekking van de vergunning tot het houden van een dier is uitgesproken. Wanneer de persoon vervallen is verklaard van zijn vergunning tot het houden van een dier in het kader van een beroepsactiviteit, kan geen enkele aanvraag tot teruggave van de vergunning voor het houden van een dier worden ingediend. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie meldt ontvangst van de aanvraag binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag van ontvangst van de aanvraag. Als de aanvraag onvolledig is, richt de administratie de lijst met de ontbrekende stukken aan de aanvrager en geeft aan dat de procedure opnieuw ingaat te rekenen van de ontvangst van de ontbrekende stukken. Als de aanvraag onontvankelijk is, wordt de aanvrager daar door de aanvrager in dezelfde termijn over ingelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie richt aan de Minister bevoegd voor dierenwelzijn een advies over de aanvraag, evenals een ontwerp-beslissing binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de dag waarop van de aanvraag ontvangst is gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister bevoegd voor dierenwelzijn beslist binnen een termijn van vijfenveertig dagen te rekenen van de zending van het advies en van de ontwerp-beslissing bedoeld in lid 2. ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 2</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt bijlage VIII vervangen door bijlage 1 gevoegd bij dit besluit</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt bijlage IX vervangen door bijlage 2 gevoegd bij dit besluit</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt bijlage X vervangen door bijlage 3 gevoegd bij dit besluit</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt een bijlage XI ingevoegd, als bijlage 4 bij dit besluit gevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 6</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt een bijlage XII ingevoegd, als bijlage 5 bij dit besluit gevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 7</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt een bijlage XIII ingevoegd, als bijlage 6 bij dit besluit gevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 8</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt een bijlage XIV ingevoegd, als bijlage 7 bij dit besluit gevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 9</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt een bijlage XV ingevoegd, als bijlage 8 bij dit besluit gevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 10</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt een bijlage XVI ingevoegd, als bijlage 9 bij dit besluit gevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 11</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt een bijlage XVII ingevoegd, als bijlage 10 bij dit besluit gevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 12</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt een bijlage XVIII ingevoegd, als bijlage 11 bij dit besluit gevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 13</span><span class=\"lf-art-t\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt een bijlage XIX ingevoegd, als bijlage 12 bij dit besluit gevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt een bijlage XX ingevoegd, als bijlage 13 bij dit besluit gevoegd. HOOFDSTUK II. - Overgangs-, opheffingsbepalingen en slotbepaling Art. 15.De personeelsleden aangewezen de dag van de inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig artikel D.140, § 1, van Boek I van het Milieuwetboek in de vroegere versie ervan dan zijn wijziging bepaald bij het decreet van 6 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten3 betreffende milieudelinquentie en in werking de dag van de inwerkingtreding van dit besluit zijn rechtsgeldig aangewezen volgens de nieuwe bepalingen van deel VIII van Boek I van het Milieuwetboek en zijn geacht bij naam te zijn aangewezen overeenkomstig artikel R.102, § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden van het Departement Natuur en Bossen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit zijn aangewezen in de hoedanigheid van agent van de gerechtelijke politie en die krachtens dit besluit aangewezen moeten worden in de hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie blijven rechtsgeldig aangewezen als agent van de gerechtelijke politie tot aan het afleggen van de eed als officier van de gerechtelijke politie overeenkomstig artikel R.103 van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden bedoeld in leden 1 en 2 zijn vrijgesteld van de opleidingen bedoeld in de artikelen R.124 en R.125, § 2. Art. 16.De gemachtigde gewestelijke sanctionerende ambtenaren aangewezen de dag van de inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig artikel D.139, 4°, en R.115 van Boek I van het Milieuwetboek in de vroegere versie ervan dan zijn wijziging bepaald bij het decreet van 6 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten3 betreffende milieudelinquentie en in werking de dag van de inwerkingtreding van dit besluit zijn rechtsgeldig aangewezen volgens de nieuwe bepalingen van deel VIII van Boek I van het Milieuwetboek en zijn geacht rechtsgeldigd te zijn aangewezen in de zin van en overeenkomstig artikel R.121. Voor het overige is artikel R.121 op hen van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sanctionerende ambtenaren bedoeld in lid 1 zijn vrijgesteld van de vormingen bedoeld in de artikelen R.124 en R.126. Art. 17.De plaatselijke vaststellende personeelsleden aangewezen de dag van de inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig artikel D.140, § 3, van Boek I van het Wetboek van Leefmilieu in de vroegere versie ervan dan zijn wijziging bepaald bij het decreet van 6 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten3 betreffende milieudelinquentie zijn rechtsgeldig aangewezen volgens de nieuwe bepalingen van deel VIII van Boek I van het Milieuwetboek en zijn geacht bij naam te zijn aangewezen overeenkomstig artikel R.129, § 1. Art. 18.De gemeentelijke sanctionerende ambtenaren aangewezen de dag van de inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig artikel D.168 van Boek I van het Milieuwetboek in de vroegere versie ervan dan zijn wijziging bepaald bij het decreet van 6 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten3 betreffende milieudelinquentie en in werking de dag van de inwerkingtreding van dit besluit zijn rechtsgeldig aangewezen volgens de nieuwe bepalingen van deel VIII van Boek I van het Milieuwetboek en zijn vrijgesteld van de vormingen bedoeld in artikel R.130, § 1. Art. 19.De gemeenten die heden een subsidie krijgen om de dekking van een forfaitair deel van de administratieve werkingskosten gemaakt voor de aanwerving door een gemeente van één of meerdere personeelsleden die uitsluitend ingezet worden voor het opsporen en vaststellen van milieu-inbreuken op de dag van inwerkingtreding van dit besluit kunnen de vereffening ervan tot 1 maart 2023 aanvragen voor een subsidie voor het kalenderjaar 2022. Art. 20.De laboratoria belast met de analyse van de stalen, erkend voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijven rechtsgeldig erkend voor de duur vastgesteld in de erkenningsbeslissing. Art. 21.De inbreuken worden administratief vervolgd overeenkomstig deel VIII van Boek 1 van het Milieuwetboek in zijn vroegere versie dan de wijziging ervan bij het decreet van 6 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten3 betreffende de milieudelinquentie als gewijzigd bij het decreet van 24 november 2021Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6, en bij dit decreet, tot 30 juni 2022. Art. 22.Het besluit van de Waalse Regering van 14 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten8 betreffende de administratieve beslagneming van dieren, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering, wordt opgeheven. Art. 23.Treden in werking op 1 juli 2022: 1° het decreet van 6 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten3 betreffende de milieudelinquentie;2° dit besluit. Art. 24.De Minister bevoegd voor Leefmilieu en de Minister bevoegd voor Dierenwelzijn zijn, elk wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namen, 2 juni 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Regering : De Minister-President, E. DI RUPO De Minister van Leefmilieu, Natuur, Bos, Landelijke Aangelegenheden en Dierenwelzijn, C. TELLIER Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld</p></div>", "next": 0}