← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het geactualiseerde monitoringprogramma van de watertoestand ter uitvoering van artikel 67 en 69

Kort samengevat

Dit besluit stelt het geactualiseerde monitoringprogramma vast voor de toestand van water in Vlaanderen, zoals vereist door het Decreet Integraal Waterbeleid van 2003. Het programma beschrijft hoe de kwaliteit en kwantiteit van zowel oppervlakte- als grondwater worden gemeten en geëvalueerd.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
26 APRIL 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het geactualiseerde monitoringprogramma van de watertoestand ter uitvoering van artikel 67 en 69 van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid sluiten betreffende het integraal waterbeleid De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid sluiten betreffende het integraal waterbeleid, artikel 67, 68 en 69; Op voorstel van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken en van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1.Het geactualiseerde monitoringprogramma van de watertoestand, vermeld in artikel 67 en 69 van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid sluiten betreffende het integraal waterbeleid, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, wordt hierbij vastgesteld. Art. 2.De Vlaamse minister, bevoegd voor openbare werken, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 26 april 2013. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, H. CREVITS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, J. SCHAUVLIEGE Bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het geactualiseerde monitoringprogramma van de watertoestand ter uitvoering van artikel 67 en 69 van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid sluiten betreffende het integraal waterbeleid 1. ALGEMENE INLEIDING - WETTELIJK KADER 1.1 De Europese Kaderrichtlijn Water (KRLW) 1.2 Het Decreet Integraal Waterbeleid (DIW) 1.3 De context van het voorgestelde monitoringsprogramma 2. MONITORINGPROGRAMMA OPPERVLAKTEWATER 2.1 Kernbegrippen KRLW-monitoring 2.1.1 Vier monitoringstypen 2.1.2 Monitoring van beschermde gebieden 2.1.3 Selectie van kwaliteitselementen 2.2 T&T: RIVIEREN 2.2.1 Methodologie / criteria voor de selectie van de meetlocaties 2.2.2 Bemonsteringsfrequentie, bemonsteringsmethode en analysemethode / beoordelingsmethode voor elk kwaliteitselement 2.2.3 Samenvattende tabel bemonsteringsfrequentie T&T rivieren 2.2.4 Korte samenvatting van de omvang en de methodiek voor het gebruik van submeetplaatsen 2.3 T&T: MEREN 2.4 T&T: OVERGANGSWATER 2.4.1 Methodologie / criteria voor de selectie van de meetlocaties 2.4.2 Bemonsteringsfrequentie, bemonsteringsmethode en analysemethode / beoordelingsmethode voor elk kwaliteitselement 2.4.3 Samenvattende tabel bemonsteringsfrequentie T&T overgangswateren 2.5 OM: RIVIEREN 2.5.1 Methodologie / criteria voor de selectie van de meetlocaties 2.5.2 Bemonsteringsfrequentie, bemonsteringsmethode en analysemethode / beoordelingsmethode voor elk kwaliteitselement 2.5.3 Samenvattende tabel bemonsteringsfrequentie 2.5.4 Korte samenvatting van de bijkomende monitoringsvereisten bij de onttrekking van drinkwater (art. 7 KRLW) 2.5.5 Specifieke aanvullingen voor de monitoring van beschermingsgebieden voor habitats en soorten 2.5.6 Korte samenvatting van de omvang en de methodiek inzake het gebruik van submeetplaatsen 2.6 OM: MEREN 2.6.1 Methodologie / criteria voor de selectie van kwaliteitselementen en meetlocaties 2.6.2 Bemonsteringsfrequentie, bemonsteringsmethode en analysemethode / beoordelingsmethode voor de biologische kwaliteitselementen 2.6.3 Samenvattende tabel bemonsteringsfrequentie 2.6.4 Korte samenvatting i.v.m. bijkomende monitoringsvereisten bij de onttrekking van drinkwater (art. 7 KRLW) 2.6.5 Specifieke aanvullingen voor de monitoring van beschermingsgebieden voor habitats en soorten 2.6.6 Korte samenvatting van de omvang en de methodiek inzake het gebruik van submeetplaatsen 2.7 OM: OVERGANGSWATEREN 2.7.1 Methodologie / criteria voor de selectie van de meetlocaties 2.7.2 Bemonsteringsfrequentie, bemonsteringsmethode en analysemethode / beoordelingsmethode voor elk kwaliteitselement 2.7.3 Samenvattende tabel bemonsteringsfrequentie 2.7.4 Korte samenvatting van de bijkomende monitoringsvereisten bij de onttrekking van drinkwater (artikel 7) 2.7.5 Specifieke aanvullingen voor de monitoring van beschermingsgebieden voor habitats en soorten 3. MONITORINGPROGRAMMA GRONDWATER 3.1 Inleiding 3.1.1 Situering 3.1.2 Grondwaterlichaam 3.1.3 Opbouw van het programma 3.2 Het T&T-monitoringprogramma voor grondwater 3.2.1 Methodologie / criteria voor de selectie van de meetlocaties 3.2.2 Methodologie / criteria voor de bepaling van de bemonsteringsfrequentie 3.2.3 Bemonsteringsfrequentie, bemonsteringsmethode en analysemethode / beoordelingsmethode 3.2.4 Specifieke aanvullingen voor monitoring van grondwaterlichamen met potentieel grensoverschrijdende effecten (als ze afwijken van het daarvoor beschreven programma) 3.2.5 Specifieke aanvullingen voor de monitoring van beschermde gebieden voor de winning van drinkwater 3.2.6 Specifieke aanvullingen voor de monitoring van beschermde gebieden zoals grondwaterafhankelijke terrestrische en aquatische ecosystemen 3.2.7 Samenvattende tabellen bemonsterings-/meetfrequentie 3.2.8 Korte samenvatting van de omvang en de methodiek inzake het gebruik van submeetplaatsen 3.3 OM grondwater - kwaliteit 3.3.1 Methodologie / criteria voor de selectie van de meetlocaties 3.3.2 Methodologie / criteria voor de bepaling van de bemonsteringsfrequentie 3.3.3 Specifieke aanvullingen voor monitoring van grondwaterlichamen met potentieel grensoverschrijdende effecten (als ze afwijken van het daarvoor beschreven programma) 3.3.4 Specifieke aanvullingen voor de monitoring van beschermde gebieden voor de winning van drinkwater 3.3.5 Specifieke aanvullingen voor de monitoring van beschermde gebieden zoals grondwaterafhankelijke terrestrische en aquatische ecosystemen 3.3.6 Samenvattende tabel bemonsteringsfrequentie 3.3.7 Korte samenvatting van de omvang en de methodiek inzake het gebruik van submeetplaatsen 3.4 OM grondwater - kwantiteit 3.4.1 Methodologie / criteria voor de selectie van de meetlocaties 3.4.2 Methodologie / criteria voor de bepaling van de meetfrequentie 3.4.3 Meetfrequentie, meetmethode en beoordelingsmethode 3.4.4 Specifieke aanvullingen voor monitoring van grondwaterlichamen met potentieel grensoverschrijdende effecten (als ze afwijken van het daarvoor beschreven programma) 3.4.5 Specifieke aanvullingen voor de monitoring van beschermde gebieden voor de winning van drinkwater 3.4.6 Specifieke aanvullingen voor de monitoring van beschermde gebieden zoals grondwaterafhankelijke terrestrische en aquatische ecosystemen 3.4.7 Samenvattende tabel bemonsteringsfrequentie 3.4.8 Korte samenvatting van de omvang en de methodiek inzake het gebruik van submeetplaatsen 1. ALGEMENE INLEIDING - WETTELIJK KADER 1.1 De Europese Kaderrichtlijn Water (KRLW) De KRLW is richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 "tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid" (Europese Gemeenschap, 2000). Haar belangrijkste milieudoelstelling is om tegen 2015 een goede oppervlaktewatertoestand en een goede grondwatertoestand in de verschillende Europese watersystemen te bereiken. Artikel 8 van de KRLW verplicht de lidstaten tot het opzetten van programma's voor de monitoring van de watertoestand, om een samenhangend totaalbeeld te krijgen van de watertoestand binnen elk stroomgebieddistrict. Voor Vlaanderen zijn dat de twee internationale stroomgebieddistricten van Schelde en Maas. 1.2 Het Decreet Integraal Waterbeleid (DIW) De KRLW werd in Vlaamse wetgeving omgezet door middel van het Decreet Integraal Waterbeleid (Vlaams Parlement, 2003). In uitvoering van artikel 67 moest de Vlaamse Regering voor elk stroomgebieddistrict de programma's voor de monitoring van de watertoestand opstellen. De programma's moesten uiterlijk 22 december 2006 in uitvoering zijn. Artikel 68 van het DIW geeft een nadere omschrijving van de inhoud van de programma's voor de monitoring van de watertoestand. Artikel 68 DIW De programma's bevatten: 1° voor oppervlaktewater: a) de chemische toestand;b) de kwantitatieve toestand;c) de mate waarin het oppervlaktewater aan erosie onderhevig is (1);d) de aanvoer en afzetting van sedimenten;e) de ecologische toestand en het ecologisch potentieel.2° voor grondwater a) de chemische toestand;b) de kwantitatieve toestand. Voor beschermde gebieden worden de programma's aangevuld met de bijzondere voorschriften van de communautaire wetgeving op grond waarvan de beschermde gebieden zijn ingesteld. De paragrafen 1a, 1c, 1e, 2a, 2b geven invulling aan de meetverplichtingen van de KRLW. Daarnaast voorziet artikel 68 van het DIW expliciet in een aantal bijkomende meetnetten voor oppervlaktewateren, los van de KRLW-verplichtingen, het betreft met name: 1b) de kwantitatieve toestand; 1d) de aanvoer en afzetting van sedimenten (2); 1.3 De context van het voorgestelde monitoringsprogramma Het programma heeft alleen betrekking op de monitoringprogramma's in uitvoering van artikel 68 van het DIW. Het programma heeft geen betrekking op de meetverplichtingen in uitvoering van andere communautaire dan de KRLW of specifieke meetprogramma's. Het programma wordt opgesplitst in twee delen, met name een programma voor oppervlaktewater (I) en een programma voor grondwater (II). Het stroomgebiedbeheerplan moet o.m. omvatten een kaart van de voor de doeleinden van artikel 8 en bijlage V gevormde monitoringnetwerken, en een presentatie in kaartvorm van de resultaten van de monitoringprogramma's die uit hoofde van die bepalingen zijn uitgevoerd voor de toestand van oppervlaktewater (ecologisch en chemisch) en grondwater (chemisch en kwantitatief); Het programma is opgedeeld in verschillende fiches, ingedeeld volgens aard van het programma en categorie van het waterlichaam. 2. MONITORINGPROGRAMMA OPPERVLAKTEWATER Het monitoringprogramma voor oppervlaktewater ter uitvoering van de KRLW heeft betrekking op de monitoring van de ecologische en chemische toestand van het oppervlaktewater. De monitoring van de oppervlaktewaterkwantiteit is voor de KRLW alleen noodzakelijk als die van belang is voor de ecologische en chemische toestand en voor het ecologisch potentieel. Het DIW breidt de monitoringverplichting uit tot een algemene meetverplichting voor de kwantitatieve toestand. Daarnaast vraagt het DIW voor oppervlaktewater ook de aanvoer en afzetting van sedimenten te meten. Meetgegevens over waterkwantiteit en sediment maken deel uit van het meetnet, uitgebouwd voor het operationeel beheer (3) van de waterlopen. 2.1 Kernbegrippen KRLW-monitoring 2.1.1 Vier monitoringstypen De KRLW onderkent vier typen monitoring: toestand- en trendmonitoring (T&T), operationele monitoring (OM), monitoring voor nader onderzoek en monitoring van beschermde gebieden. In de Engelstalige literatuur worden de eerste drie typen aangeduid met respectievelijk surveillance, operational en investigative monitoring. De T&T of surveillance monitoring situeert zich in een programmacontext (algemeen waterbeleid), op programmaniveau, de operational en investigative monitoring situeren zich op projectniveau. Toestand en trendmonitoring (T&T) heeft als doel een uitspraak te doen over de globale toestand van het oppervlaktewater binnen een stroomgebied. Daartoe moeten de lidstaten per oppervlaktewatercategorie en stroomgebied(district) een reeks voorgeschreven kwaliteitselementen opvolgen met een rapporteringsfrequentie van zes jaar. De doelgroep is het algemene waterbeleid. De operationele monitoring moet de toestand vaststellen van waterlichamen die het risico lopen de milieudoelstellingen niet te bereiken en de effecten van de maatregelenprogramma's opvolgen. Omdat de operationele monitoring het best korter op de bal kan spelen, is een meetfrequentie van minstens eenmaal per drie jaar aanbevolen. Omdat de KRLW de ecologische functie van het oppervlaktewater sterk benadrukt, moet de opvolging van minstens één biologisch kwaliteitselement altijd overwogen worden, maar een dergelijke monitoring is geen strikte verplichting. Opvolging van het meest geschikte (gevoelige) kwaliteitselement kan voldoende zijn. De doelgroep is de waterbeheerder. De opzet van die monitoring (variabelen, meetfrequentie, ruimtelijk schaalniveau en meetplaatsen...) is projectspecifiek. Monitoring voor nader onderzoek is bedoeld om onverwachte ontwikkelingen op te volgen en/of kennishiaten aan te pakken, bijvoorbeeld als een waterlichaam zich niet herstelt om een onbekende reden, ondanks alle geleverde inspanningen. Hier gelden dezelfde spelregels als voor de operationele monitoring, behalve dat de meetinspanning vaak veel groter zal zijn. Dat laatste meetnet is een specifiek en niet-recurrent onderzoeksmeetnet dat in de komende jaren belangrijker wordt omdat er - naarmate het beeld van de biologische, (fysico)chemische en hydromorfologische toestandvariabelen vollediger wordt als resultaat van de monitoring in de voorbije jaren - ook meer behoefte zal zijn om de lacunes op het vlak van watersysteemkennis op te vullen, zodat doeltreffende maatregelen kunnen worden uitgewerkt en vervolgens gerichte acties kunnen worden ondernomen. Onder meer in het kader van de screening van waterlichamen en een verbeterde handhaving, zal monitoring voor nader onderzoek aan bod komen. De pesticidenproblematiek wordt opgevolgd via een specifiek roulerend meetprogramma in lokale waterlichamen. 2.1.2 Monitoring van beschermde gebieden De KRW onderscheidt de volgende soorten beschermde gebieden: 1° Gebieden die overeenkomstig artikel 7 zijn aangewezen voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water.De KRLW voorziet in aanvullende monitoringvoorschriften (zie verder). 2° Gebieden die voor de bescherming van economisch significante in het water levende planten- en diersoorten zijn aangewezen.De KRLW voorziet niet in aanvullende monitoringvoorschriften. Aangezien er in Vlaanderen geen dergelijke gebieden zijn (schelpdierproductie in de Spuikom in Oostende werd stopgezet), is die bescherming de facto niet van toepassing. 3° Waterlichamen die als recreatiewater zijn aangewezen, met inbegrip van de gebieden die als zwemwater overeenkomstig richtlijn 76/160/EEG zijn aangewezen.De KRLW voorziet niet in aanvullende monitoringvoorschriften. De VMM voert echter een uitgebreide monitoring uit ter uitvoering van de actuele Europese zwemwaterrichtlijn 2006/7/EG. Dat specifieke monitoringprogramma wordt, samen met de lijst van de officieel aangeduide zwemwateren aan de kust en in het binnenland, jaarlijks vastgelegd. 4° Nutriëntengevoelige gebieden, met inbegrip van die welke overeenkomstig richtlijn 91/676/EEG zijn aangewezen als kwetsbare zones en gebieden die overeenkomstig richtlijn 91/271/EEG zijn aangewezen als kwetsbare gebieden.Voor de nitraatrichtlijn is sinds 1999 een MAP-meetnet operationeel. Dit meetnet omvat momenteel ca. 800 meetplaatsen, verspreid over bijna uitsluitend lokale waterlichamen. Voor de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater volstaat de operationele monitoring zoals verder beschreven in de fiches "operationele monitoring rivieren" en "operationele monitoring overgangswateren". 5° Gebieden die voor de bescherming van habitats of van soorten zijn aangewezen, als het behoud of de verbetering van de watertoestand bij de bescherming een belangrijke factor vormt, met inbegrip van de relevante Natura 2000-gebieden die in het kader van richtlijn 92/43/EEG en richtlijn 79/409/EEG aangewezen zijn.De KRLW voorziet in aanvullende monitoringvoorschriften (zie verder). Aanvullende monitoringvoorschriften voor beschermde gebieden: Drinkwateronttrekkingspunten: Oppervlaktewaterlichamen die bij artikel 7 zijn aangewezen en die gemiddeld meer dan 100 m3 per dag leveren, worden als monitoringlocaties aangewezen en zo nodig aan aanvullende monitoring onderworpen om aan de voorschriften van dat artikel te voldoen. Die lichamen worden gemonitord op alle geloosde prioritaire stoffen en op alle andere in significante hoeveelheden geloosde stoffen die de toestand van het waterlichaam kunnen beïnvloeden en die op grond van de drinkwaterrichtlijn beheerst worden. De monitoring wordt verricht met de volgende frequenties: Bevolking Frequentie 4 keer per jaar > 10.000 tot 30.000 8 keer per jaar > 30.000 12 keer per jaar Beschermingsgebieden voor habitats en soorten: Waterlichamen die deel uitmaken van zulke gebieden, worden opgenomen in het bovengenoemde programma voor operationele monitoring, als volgens de effectbeoordeling en de monitoring met het oog op toezicht de kans bestaat dat de in artikel 4 gestipuleerde milieudoelstellingen niet worden bereikt. De monitoring wordt verricht om de omvang en het effect van elke relevante significante belasting van die lichamen en, zo nodig, de uit de maatregelenprogramma's resulterende veranderingen in de toestand van die lichamen te beoordelen. De monitoring wordt voortgezet tot de gebieden voldoen aan de voorschriften met betrekking tot water van de regeling waarbij ze zijn aangewezen en tot de doelstellingen van artikel 4 zijn bereikt. 2.1.3 Selectie van kwaliteitselementen In bijlage V bij de KRLW wordt duidelijk aangegeven op basis van welke kwaliteitselementen een waterlichaam beoordeeld moet worden. De set variabelen verschilt enigszins afhankelijk van de categorie waartoe het waterlichaam in kwestie behoort (R = rivieren, M = meren, O = overgangswateren). In de onderstaande fiches worden, rekening houdend met de categorie, de volgende parameters bedoeld bij de vermelde kwaliteitselementen. Biologische elementen Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld S = soortensamenstelling, A = abundantie; B = Biomassa, L = leeftijdsopbouw (niet in overgangswateren) Hydromorfologische elementen die de biologische elementen mee bepalen Hydromorfologische elementen Rivieren Meren Overgangswateren Hydrologisch regime kwantiteit en dynamiek van de waterstroming x x verblijftijd x verbinding met grondwaterlichamen x x Riviercontinuïteit Morfologie variaties in rivierdiepte en -breedte x variatie van de diepte x x structuur en substraat van de rivierbedding/meerbodem x x incl. kwantiteit x incl. kwantiteit structuur van de oever-/getijdenzone x x x Getijdenregime zoetwaterstroming x golfslag x Chemische en fysisch-chemische elementen die de biologische elementen mee bepalen De analyses worden uitgevoerd met inachtneming van de vereisten, opgelegd in de richtlijn 2009/90. Die vereisten werden geïmplementeerd in de Vlaamse regelgeving door de publicatie van de Technische specificaties voor de chemische analyse van (fysisch-)chemische parameters en beoordeling van de analyseresultaten afhankelijk van de monitoring van de watertoestand krachtens richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, gepubliceerd in het Belgisch Staatblad van 31 oktober 2011. Algemeen (R = rivieren, M = meren, O = overgangswateren): - Thermische omstandigheden (R, M, O) - Zuurstofhuishouding (R, M, O) - Zoutgehalte (R, M, O) - Verzuringstoestand (R, M) - Nutriënten (R, M, O) - Doorzicht (M, O) - Zwevende stoffen Specifieke verontreinigende stoffen Verontreiniging door alle prioritaire stoffen (4) waarvan is vastgesteld dat ze in het waterlichaam worden geloosd (R, M, O): zie KRLW-dochterrichtlijn 2008/105 en de volgende dochterrichtlijnen of herziening daarvan. Verontreiniging door andere stoffen waarvan is vastgesteld dat ze in significante hoeveelheden in het waterlichaam worden geloosd (R, M, O). 2.2 T&T: RIVIEREN Monitoring programma Toestand- en Trendmeetnet oppervlaktewater Categorie Rivieren 2.2.1 Methodologie / criteria voor de selectie van de meetlocaties De toestand- en trendmonitoring wordt verricht op voldoende oppervlaktewaterlichamen om de algemene toestand van het oppervlaktewater in elk stroomgebied of deelstroomgebied binnen het stroomgebiedsdistrict te kunnen beoordelen. De selectie van de waterlichamen voor de ecologische toestand en de chemische toestand wordt gedaan op basis van de selectiecriteria die zijn opgenomen in paragraaf 1.3.1 van bijlage V van de KRLW: 1. waar het waterdebiet significant is binnen het stroomgebieddistrict in zijn geheel, met inbegrip van locaties in grote rivieren met een stroomgebied van meer dan 2500 km2;2. waar het aanwezige watervolume significant is binnen het stroomgebieddistrict, inclusief grote meren en reservoirs;3. waar significante waterlichamen de grens van een lidstaat overschrijden;4. die zijn aangewezen uit hoofde van beschikking 77/795/EEG;5. punten die nodig zijn om de verontreinigingsvracht te schatten bij grenzen van lidstaten én op de overgangen naar het mariene milieu. 2.2.2 Bemonsteringsfrequentie, bemonsteringsmethode en analysemethode / beoordelingsmethode voor elk kwaliteitselement Fysico-chemische kwaliteitselementen Gemeten variabelen / bemonsteringsfrequentie In elk waterlichaam worden voor de bepaling van de toestand de volgende parameters gemeten: - opgeloste zuurstof, pH, watertemperatuur, geleidbaarheid, totaal stikstof en totaal fosfor; - specifieke verontreinigende stoffen: stoffen waarvoor geen Europese norm bestaat en die geloosd zijn in significante hoeveelheden: als de geldende milieukwaliteitsnorm niet gehaald wordt, of als verwacht wordt dat die niet gehaald zal zijn in 2021; - stoffen die bepalend zijn voor de chemische toestand: alleen als ze geloosd zijn in het waterlichaam. Maandelijkse meting gedurende minstens drie opeenvolgende meetjaren in de zesjaarlijkse plancyclus. De bestrijdingsmiddelen vormen een uitzondering op de maandelijkse meting: rekening houdend met hun toepassingsperiode wordt niet gemeten in de maanden december, januari en februari omdat er dan geen significante immissie is. Bemonsteringsmethode Veldmetingen in situ met behulp van geijkte meters: pH, watertemperatuur, elektrische geleidbaarheid, zuurstof. Andere variabelen door middel van schepstaal en vullen van geschikte recipiënten (indien nodig met toevoeging van een conserveringsmiddel). Transport in donker bij 4° C. Analysemethode / beoordelingsmethode De beoordeling van de meetresultaten gebeurt door toetsing aan de geldende milieukwaliteitsnormen. Chemische kwaliteitselementen Bemonsteringsfrequentie Maandelijkse meting gedurende minstens één meetjaar in de zesjaarlijkse plancyclus. Bemonsteringsmethode Door middel van schepstaal en vullen van geschikte recipiënten (indien nodig met toevoeging van een conserveringsmiddel). Transport in donker bij 4° C. Voor stoffen waarvoor een MKN geldt in biota, zoals kwik en zijn verbindingen, hexachloorbenzeen en hexachloorbutadieen, wordt de concentratie in het weefsel van prooidieren (nat gewicht) gemeten. Uit vissen, weekdieren, schaaldieren en eventueel andere biota worden de meest passende indicatorsoorten gekozen afhankelijk van het type van de waterlichamen. Analysemethode / beoordelingsmethode De beoordeling van de meetresultaten gebeurt door toetsing aan de geldende milieukwaliteitsnormen. Biologische kwaliteitselementen Bemonsteringsfrequentie De biologische kwaliteitselementen worden minstens gedurende één meetjaar in de zesjaarlijkse plancyclus geëvalueerd. Samenstelling en abundantie van de waterflora: - Fytobenthos: één maal per meetjaar in drie locaties per waterlichaam, gelegen in de trajecten waar tevens macrofyten opgenomen worden; - Macrofyten: drie 100-metertrajecten per waterlichaam, één maal per meetjaar. Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna: minstens één meetplaats per waterlichaam, één maal per meetjaar. Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna: minstens één meetplaats per waterlichaam, één maal per meetjaar. Bemonsteringsmethode Samenstelling en abundantie van de waterflora: - Fytobenthos: bemonstering van diatomeeën: afschrapen van in situ harde substraten (stenen, helofyten of andere) of, als dat niet mogelijk is, kunstmatige harde substraten of helofyten. - Macrofyten: noteren van aanwezige soorten met abundantieklassen en bijkomende variabelen (onder meer groeivormen en mate van submerse vegetatie-ontwikkeling) in de watervegetatie (langs beide oevers) over een 100 metertraject. Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna: Voor ondiepe waterlopen wordt bemonsterd met kicksampling (opwoelen van de waterbodem voor het net) met gestandaardiseerd handnet (maaswijdte 500 µm) gedurende vijf minuten, aangevuld met het met de hand uitzoeken van organismen op aanwezige stenen. Voor diepere waterlopen worden artificiële substraten uitgezet die bestaan uit stukken baksteen die na een kolonisatietijd van een drietal weken worden opgehaald. Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna: Een meetpunt is één traject van 100/250 m. Naar gelang van het type water worden verschillende technieken gebruikt in overeenstemming met de CEN-richtlijnen (CEN, 2002). Voor rivieren wordt hoofdzakelijk de elektrische vangstmethode gebruikt al dan niet gecombineerd met fuikvangsten. Analysemethode / beoordelingsmethode Samenstelling en abundantie van de waterflora: - Fytobenthos: 500 diatomeeënschaalhelften (= 500 valves) worden geïdentificeerd tot op soort- of lager taxonomisch niveau. Op basis van soorten en relatieve abundanties wordt een typespecifieke index berekend, gebaseerd op procentuele abundanties van impactsensitieve en van impactgeassocieerde indicatoren, die een waarde aanneemt tussen 0 en 1. - Macrofyten: er wordt een multimetrische index berekend op basis van drie deelmaatlatten, typespecificiteit, verstoring en groeivormen. Voor een aantal waterlooptypes is er een bijkomende deelmaatlat vegetatieontwikkeling. De berekende multimetrische index is een type specifieke index die een waarde aanneemt tussen 0 en 1. Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna: Uit het verzamelde materiaal worden de aanwezige macro-invertebraten uitgesorteerd en geïdentificeerd tot op het gewenste taxonomische niveau, en worden abundanties geteld of, voor hogere abundanties, geschat. Op basis van de taxalijsten en abundanties worden vijf deelmaatlatten berekend (aantal taxa, aantal EPT taxa, aantal andere gevoelige taxa, Shannon-Wienerindex en gemiddelde tolerantiescore). Die deelmaatlatten worden omgezet naar een totale index (de MMIF), namelijk een getal tussen 0 en 1. De omzettingscriteria zijn afhankelijk van het riviertype. Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna: Op basis van de verkregen gegevens wordt een type-specifieke index voor biotische integriteit (IBI) berekend. De IBI wordt in het kader van de KRW-beoordeling gehanteerd als EKC. Hydromorfologische kwaliteitselementen Beoordelingsfrequentie Eens per zesjaarlijkse planperiode voor structuurkenmerken. Bemonsteringsmethode Niet van toepassing. Analysemethode / beoordelingsmethode Voor de beoordeling van de hydromorfologie van een waterloop worden zes hoofdvariabelen onderscheiden: - kwantiteit en dynamiek van de waterstroming (zie 2.5); - verbinding met grondwaterlichamen; - riviercontinuïteit; - variatie in rivierdiepte en -breedte; - structuur en substraat van de rivierbedding; - structuur van de oeverzone. Elke hoofdvariabele wordt beoordeeld op basis van één of meer hydromorfologische variabelen zoals landgebruik in het bekken, opstuwing (beïnvloeding waterpeil), breedte-diepteverhouding, dwarsprofiel, beddingvegetatie, oeververdediging, bomen en houtkanten langs oever / op de dijk, meandering - sinuositeit, landgebruik in de meandergordel, ondieptes en stroomkuilen, longitudinale continuïteit (vismigratie) en laterale continuïteit (overstromingsmogelijkheid). Kwantiteit Bemonsteringsfrequentie Bevaarbare waterlopen De bemonsteringsfrequentie voor het debiet kan verschillen afhankelijk van het type toestel. Meestal gebeurt de bemonstering elke minuut voor de waterstanden en elke 10 of 30 seconden voor de locaties, uitgerust met een akoestisch meettoestel. Die waarden worden naar de datalogger gestuurd en in de dataloggers zelf uitgemiddeld tot een gemiddeld peil en/of debiet van de voorbije 15 minuten. Voor enkele stations is die omschakeling nog niet gebeurd en worden de waarden voorlopig nog uitgemiddeld per uur (voorbije uur). Onbevaarbare waterlopen Het betreft continue metingen. Er wordt namelijk een gemiddelde waarde opgeslagen - afhankelijk van het type meetnet - van de voorbije 1 of 15 minuten. In de meetpost zelf wordt een meting uitgevoerd per 10 seconden. Die tussentijdse waarden worden dan uitgemiddeld naar een uiteindelijke meetwaarde per 1 minuut of 15 minuten naar gelang van het type meetnet. Bemonsteringsmethode Bevaarbare waterlopen Waterpeilen worden geregistreerd door verschillende meettoestellen: vlotterlimnigrafen, limnigrafen van het borrelbuistype, druksondes voor opmeting van de hydrostatische waterdruk en ultrasone peilmeters. Neerslag wordt momenteel opgemeten aan de hand van pluviografen van het kantelbaktype. Onbevaarbare waterlopen Waterpeil wordt gemeten aan de hand van een peilmeettoestel, gebaseerd op een vlottermechanisme of radar peilmeter. Neerslag wordt gemeten aan de hand van toestellen, gebaseerd op een weegmechanisme. Daarnaast is er behoefte aan neerslagradarmetingen om in combinatie met pluviografen over gebiedsdekkende ('lokale') neerslag te beschikken. Analysemethode / beoordelingsmethode Bevaarbare waterlopen Debieten (m3/s) worden afgeleid uit waterpeilmetingen (m) en bijbehorende snelheidsmetingen (m/s). De stroomsnelheid wordt bemonsterd door akoestische snelheidsmeters. Debieten worden in het geval van een vrij afvoerende waterloop afgeleid van de opgemeten waterstanden. Daartoe zijn geregeld ijkingsmetingen nodig om een zo volledig mogelijke relatie tussen de waterstand en het debiet te kunnen bepalen. Aangezien dergelijke verbanden aan verandering onderhevig zijn door bijvoorbeeld aanslibbing, waterplanten enzovoort, worden die ijkingen frequent herhaald. In geval van gestuwde of niet vrij afvoerende rivieren wordt het debiet afgeleid uit een combinatie van waterpeil- en snelheidsmetingen. Onbevaarbare waterlopen Voor onbevaarbare waterlopen wordt op een vergelijkbare manier als voor de bevaarbare waterlopen het waterpeil gemeten en het debiet afgeleid. Specifiek worden er afhankelijk van de omvang van de waterloop verschillende types waterpeilmeters en snelheidsmeters geplaatst om over kwalitatieve realtime debieten te beschikken. Tevens gebeuren debietbepalingen ter hoogte van de stuwinfrastructuur (aan de hand van afleidingen uit schaalmodellen). Voor kleinere onbevaarbare waterlopen wordt vaak gekozen voor het plaatsen van een vaste meetsectie met overlaatdrempel die onveranderlijk blijft in de tijd en waarmee zonder frequente ijkingsmetingen toch zeer betrouwbare debieten kunnen worden afgeleid vanuit het gemeten waterpeil. Sediment Bemonsteringsfrequentie Bevaarbare waterlopen Monitoringprogramma voor beoordeling van effecten en evaluatie van veranderingen op lange termijn. Dat vereist een continue monitoring. Het resultaat heeft een integrerend karakter in ruimte en tijd voor die waterlichamen in Vlaanderen. Praktisch gezien is er per meetpost de volgende apparatuur nodig: - debietsmeting (via watersnelheid, event. Q-H) - automatisch staalname-apparaat voor het oppompen van waterstalen (bv. om de 7 uur) - multiparametersonde (onder meer temperatuur, conductiviteit, redox en turbiditeit) meetwaarden om de 15 minuten. Onbevaarbare waterlopen De sedimentconcentraties worden op continue wijze gemonitord, namelijk met opslag van een meetwaarde met een interval van 15 minuten. Gedurende een hoogwaterperiode wordt de meetfrequentie en bijbehorende bemonsteringsfrequentie automatisch opgedreven omdat precies gedurende de (korte) hoogwatergolf het overgrote deel van de afspoeling van sediment (via de waterloop) optreedt. Bemonsteringsmethode Bevaarbare waterlopen Binnen dat meetnet bestaat de opstelling voor monitoring enerzijds uit een continue meting van de sedimentconcentratie via turbiditeit (surrogaatmethode met multiparametersonde, om de 15 minuten), en anderzijds uit een continue staalname van rivierwater voor concentratiebepaling achteraf in het labo (bv. om de 7 uur). Beide waarden zijn waarden gemeten in één punt van de rivier, en zijn dus niet noodzakelijk representatief voor de hele dwarssectie. Daarom gebeuren er op verschillende tijdstippen (ca. 12 per meetjaar) en onder verschillende debietcondities integrerende staalnames (EWI's) over de hele diepte en breedte van de rivier om die relaties te leggen. Onbevaarbare waterlopen Continu (met een interval van 15 minuten) wordt de turbiditeit (troebelheid) van het water gemeten. Bij hoge waterpeilen (hoogwaterperiodes) worden automatisch waterstalen verzameld. In het laboratorium wordt de hoeveelheid sediment in het waterstaal bepaald. Op basis van die sedimentconcentraties in de waterstalen wordt het continue (per 15 minuten) gemeten turbiditeitsignaal geijkt. Analysemethode / beoordelingsmethode Bevaarbare waterlopen Wat de permanente monitoring betreft, worden de data verkregen uit zowel de hoogfrequente monitoring (multiparametersondes, 15 minuten), als de data verkregen uit de laboanalyses op de waterstalen (om de 7 uur) geïntegreerd. De geregistreerde turbiditeitswaarden worden (via berekende correlatiefactoren) omgerekend tot sedimentconcentraties. De automatisch opgepompte waterstalen worden in het labo onderzocht op verschillende sedimentologische parameters: sedimentconcentratie, organisch stofgehalte, deeltjesgrootte en densiteit. Volgens behoefte kan dat parameterpakket aangepast worden. Resultaten worden weergegeven als maand- en jaarvrachten van gesuspendeerd materiaal. De gevalideerde vrachten (samengesteld uit hoogfrequente metingen om de 15 minuten) komen ter beschikkingen ca. 5 maanden na afsluiten van het kalenderjaar. De gegevens zullen gaandeweg ook online ter beschikking gesteld worden. Onbevaarbare waterlopen Sedimentconcentratie: meten van turbiditeitsignaal (Hz signaal) dat omgezet wordt in sedimentconcentratie in g/l. Om de relatie tussen het turbiditeitsignaal en de sedimentconcentratie te kennen, moeten per post ijkingsmetingen (staalnames) worden uitgevoerd (vooral gedurende hoogwaterperiodes). Sedimentdebiet: afgeleide waarden, berekend uit tijdsreeks sedimentconcentratie en waterdebiet. Aan de hand van de staalnames worden ook de korrelgrootte van het in suspensie zijnde materiaal gemonitord en wordt de dichtheid van het sedimentmateriaal (g/ml), aanwezig in de waterstalen, bij verschillende stroomregimes bepaald. 2.2.3 Samenvattende tabel bemonsteringsfrequentie T&T rivieren Kwaliteitselementen voor de KRLW worden, zoals hierboven is beschreven, gedurende één of meer meetjaren in de zesjaarlijkse planperiode gemeten. Binnen dat meetjaar gelden de aangegeven frequenties. Rivieren - T&T monitoring KRLW Kwaliteitselement Frequentie binnen meetjaar Biologie Fytobenthos 1 Macrofyten 1 Macro-invertebraten 1 Vissen 1 Chemie EU-genormeerde stoffen (o.a. bijlage X) Maandelijks (biota 1) Fysico-chemie Relevante specifieke verontreinigende stoffen (bijlage VIII) Maandelijks Toestandsparameters: opgeloste zuurstof, pH, watertemperatuur, geleidbaarheid, totaal stikstof en totaal fosfor; overige: afhankelijk van impact (normoverschrijding) Maandelijks Hydromorfologie (Biol. ondersteunend) Hydrologisch regime / Continu Riviercontinuïteit 1 Morfologie 1 Decreet IWB Kwantiteit Waterpeilen Continu Neerslag Continu Sediment Sedimentconcentraties Continu / nog te bepalen 2.2.4 Korte samenvatting van de omvang en de methodiek voor het gebruik van submeetplaatsen Doorgaans worden de (fysisch-)chemische parameters gemeten op één meetplaats; in een beperkt aantal waterlichamen zijn er meerdere meetplaatsen waarvan de meetdata geaggregeerd worden. Voor de biologische kwaliteitselementen fytobenthos en macrofyten worden meerdere meetplaatsen of trajecten bemonsterd. Voor macrofyten betreft het drie trajecten van elk 100 m. De structuurkenmerken worden gekarteerd middels een gezamenlijke beoordeling van een steekproef aan trajecten. De trajecten hebben een standaardlengte van 100, 200 of 400 m, afhankelijk van de categorie waartoe het oppervlaktewaterlichaam behoort. De steekproefgrootte is afhankelijk van de nagestreefde precisie. De te inventariseren trajecten worden at random geselecteerd. 2.3 T&T: MEREN Monitoring programma Toestand- en Trendmeetnet oppervlaktewater Categorie Meren Aangezien er geen meren zijn waarvan het watervolume significant is binnen het stroomgebieddistrict, zijn er geen meren geselecteerd voor toestand- en trendmonitoring. 2.4 T&T: OVERGANGSWATER Monitoring programma Toestand- en Trendmeetnet oppervlaktewater Categorie Overgangswateren 2.4.1 Methodologie / criteria voor de selectie van de meetlocaties De toestand- en trendmonitoring wordt verricht op voldoende oppervlaktewaterlichamen om de algemene toestand van het oppervlaktewater in elk stroomgebied of deelstroomgebied binnen het stroomgebiedsdistrict te kunnen beoordelen. De selectie van de waterlichamen voor de ecologische toestand en de chemische toestand werd gedaan op basis van de selectiecriteria, opgenomen in paragraaf 1.3.1 van bijlage V van de KRLW: 1. waar het waterdebiet significant is binnen het stroomgebieddistrict in zijn geheel, met inbegrip van locaties in grote rivieren met een stroomgebied van meer dan 2 500 km2;2. waar het aanwezige watervolume significant is binnen het stroomgebieddistrict, inclusief grote meren en reservoirs;3. waar significante waterlichamen de grens van een lidstaat overschrijden;4. die zijn aangewezen op grond van beschikking 77/795/EEG;5. punten die nodig zijn om de verontreinigingsvracht te schatten bij grenzen van lidstaten én op de overgangen naar het mariene milieu. Waterkwantiteit De overgangswateren behoren tot de bevaarbare waterlopen. Het getij wordt in het hele Zeescheldebekken gemeten. Op 46 locaties staan mechanische of pneumatische waterstandsmeters met papierregistratie. Op 34 van die plaatsen staat ook een online teletransmissietoestel met radar- of akoestisch meetsignaal. Aan de rand van het getijgebied wordt de zoetwaterafvoer van het opwaartse hydrografisch gebied naar het getijgebied opgemeten. Waar een regelmatig verband bestaat tussen waterstand en debiet wordt die waterstand opgemeten en via Q/h-relatie naar daggemiddeld bovendebiet omgerekend Sedimentmeetnet De sedimentafvoer wordt continu gemeten op enkele bevaarbare waterlopen. Op een aantal specifieke plaatsen wordt ook nog de concentratie aan gesuspendeerd materiaal bepaald. Er zal een permanent meetnet uitgebouwd worden, waarbij op vaste meetlocaties (op de belangrijkste overgangswateren) de sedimentflux en de kwaliteit wordt gemonitord. De gemeten evoluties tonen de trends in het stroombekken aan (toestand- en trendmonitoring). Meer nog dan voor "waterconcentraties" is het noodzakelijk de monitoring van debiet en sedimentconcentratie op elkaar af te stemmen. Sediment is niet homogeen verdeeld over de waterkolom, noch in de diepte, noch in de breedte. Zeker voor de grotere rivieren is dat aspect erg belangrijk. Om een betekenisvolle sediment- en geassocieerde contaminantconcentratie (flux) te verkrijgen is een intensieve staalname nodig die zowel diepte- als breedte-integrerend is (EWI-staalnames). Om pragmatische redenen is het echter verantwoord beperkt te starten in de grotere rivieren. Het gaat in eerste instantie om elf meetlocaties. 2.4.2 Bemonsteringsfrequentie, bemonsteringsmethode en analysemethode / beoordelingsmethode voor elk kwaliteitselement Fysico-chemische kwaliteitselementen Gemeten variabelen / bemonsteringsfrequentie In elk waterlichaam worden voor de bepaling van de toestand de volgende parameters gemeten: - opgeloste zuurstof, pH, watertemperatuur, geleidbaarheid, totaal stikstof en totaal fosfor voor type O1o, ammonium+nitraat+nitriet en orthofosfaat voor type O1b; - specifieke verontreinigende stoffen: stoffen waarvoor geen Europese norm bestaat en die geloosd worden in significante hoeveelheden: als de geldende milieukwaliteitsnorm niet gehaald wordt, of als verwacht wordt dat die niet gehaald zal zijn in 2021; - stoffen die bepalend zijn voor de chemische toestand: alleen als geloosd wordt in het waterlichaam. Maandelijkse meting gedurende minstens drie opeenvolgende meetjaren in de zesjaarlijkse plancyclus. Bestrijdingsmiddelen vormen een uitzondering op de maandelijkse meting: rekening houdend met hun toepassingsperiode wordt niet gemeten in de maanden december, januari en februari omdat er dan geen significante immissie is. Bemonsteringsfrequentie Maandelijkse meting gedurende drie opeenvolgende meetjaren in de 6-jaarlijkse plancyclus. Bemonsteringsmethode Veldmetingen in situ met behulp van meters: pH, watertemperatuur, elektrische geleidbaarheid. Andere variabelen door middel van schepstaal en vullen van geschikte recipiënten (indien nodig met toevoeging van een conserveringsmiddel). Transport in donker onder 4° C. Analysemethode / beoordelingsmethode Zie 2.2.2. De beoordeling van de meetresultaten gebeurt door toetsing aan de geldende milieukwaliteitsnormen. Chemische kwaliteitselementen Bemonsteringsfrequentie Maandelijkse meting gedurende één meetjaar in de zesjaarlijkse plancyclus. Voor stoffen waarvoor een MKN geldt in biota, zoals kwik en zijn verbindingen, hexachloorbenzeen en hexachloorbutadieen, wordt de concentratie in het weefsel van prooidieren (nat gewicht) gemeten. Uit vissen, weekdieren, schaaldieren en gebeurlijk andere biota worden de meest passende indicatorsoorten gekozen afhankelijk van het type van de waterlichamen. Bemonsteringsmethode Door middel van schepstaal en vullen van geschikte recipiënten (indien nodig met toevoeging van een conserveringsmiddel). Transport in donker onder 4° C. Analysemethode / beoordelingsmethode: Zie 2.2.2. De beoordeling van de meetresultaten gebeurt door toetsing aan de geldende milieukwaliteitsnormen. Biologische kwaliteitselementen Bemonsteringsfrequentie De biologische kwaliteitselementen worden minstens gedurende één meetjaar in de zesjaarlijkse plancyclus geëvalueerd. Samenstelling en abundantie van de waterflora : - Fytoplankton: zes maal per meetjaar (periode maart-oktober); - Angiospermen (niet submers): de schorvegetaties worden in kaart gebracht als er luchtfoto's en DTM's voorhanden zijn, de doelstelling is minstens eens in de zes jaar. Voor het stroomafwaartse deel van de Zeeschelde is dat minstens eens in de drie jaar. Voor de karakterisering van de vegetaties worden in elk waterlichaam per vegetatietype vegetatieopnames gemaakt eens in de drie jaar; - Macroalgen: deze groep is niet relevant in de Vlaamse overgangswateren (ze groeien er niet). De macroalgen worden dus niet gemonitord; - Angiospermen (submers): deze groep is niet relevant in de Vlaamse overgangswateren (ze groeien er niet). De onderwaterplanten worden dus niet gemonitord. Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna : Eén maal in het najaar per meetjaar. Samenstelling wordt om de drie jaar bemonsterd, abundantie elk jaar. Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna : Drie maal (voorjaar, zomer en najaar) per meetjaar. Bemonsteringsmethode Samenstelling en abundantie van de waterflora : - Fytoplankton: één staal van 1 liter wordt genomen; - Angiospermen (niet submers) (Schorvegetaties): het deelaspect van de soortenrijkdom en de floristische kwaliteit wordt bepaald door vegetatieopnamen in (permanente) proefvlakken (PQ). Er wordt voor gekozen om voor elk waterlichaam per vegetatietype minimaal vijf vegetatieopnames te maken. Voor zowel de lage saliniteitszone als de hogere saliniteitszones worden die vegetatieopnames in de zomer gemaakt. Voor het deelaspect abundantie wordt een gebiedsdekkende vegetatiekaart gemaakt. Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna : Voor intertidale zones wordt bemonsterd met de multipele steekbuistechniek, en in het subtidaal wordt een Reineck boxcorer gebruikt. Elk staal wordt gezeefd op een zeef met maaswijdte 0,5 mm, opgedeeld in een fractie > 1mm en een fractie 0,5-1mm. Voor elk waterlichaam per habitattype (hoog, midden en laag slik; ondiep, vrij diep en diep sublitoraal) wordt gestreefd naar vijf monsters. Naast hoogteligging ten opzichte van het getij is ook de lokale sedimentsamenstelling een bepalende habitatfactor. Voor elk invertebratenmonster wordt dus ook granulometrie en organisch stofgehalte bepaald. Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna : Voor overgangswateren worden dubbele schietfuiken gebruikt. Per locatie worden twee dubbele schietfuiken geplaatst op de laagwaterlijn. Die fuiken blijven 48 uur staan en worden om de 24 uur leeggemaakt. Analysemethode / beoordelingsmethode Samenstelling en abundantie van de waterflora : - Fytoplankton: voor de zoete zone worden de categorieën relatieve dominantie algen versus diatomeeën, chlorofyl a, halfwaardetijd uitspoeling, lichtklimaat en depletie bloei gebruikt. Voor de zoute zone worden de categorieën relatieve dominantie algen versus diatomeeën, chlorofyl a, nutriënten en lichtklimaat gebruikt. De index krijgt de score van de slechtst scorende categorie. Voor de zoete zone wordt daarbij een tolerantievenster in acht genomen, waardoor een slechte score voor chlorofyl niet in rekening wordt gebracht als alle andere deelmaatlatten goed scoren; - Angiospermen (niet-submers) (Schorvegetaties) : voor dat kwaliteitselement ligt de klemtoon op de schorren. De kwaliteitsbeoordeling situeert zich op drie schaalniveaus (ecosysteem, waterlichaam en individueel schor) en beoordeelt arealen, morfologische kenmerken, vegetatiediversiteit, soortenrijkdom en floristische kwaliteit. Op ecosysteemniveau wordt de totale aanwezige schoroppervlakte in rekening gebracht; op waterlichaamniveau wordt gekeken naar de totale aanwezige schoroppervlakte binnen het waterlichaam en naar de gemiddelde kwaliteit van de individuele schorren. Per individueel schor wordt gekeken naar de vorm en de vegetatiekwaliteit. De vegetatiekwaliteit wordt beoordeeld op basis van drie onafhankelijke kenmerken: vegetatiediversiteit, soortenrijkdom en floristische kwaliteitsindex. Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna : De index bestaat uit drie deelmaatlatten die drie hiërarchische, schaalafhankelijke niveaus weerspiegelen: één op ecosysteemniveau, één op habitatniveau en één op gemeenschapsniveau. Die deelmaatlatten worden omgezet naar een totale index, die een waarde aanneemt tussen 0 en 1. Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna : Op basis van de verkregen gegevens wordt een typespecifieke index voor biotische integriteit (IBI) berekend (Speybroeck et al., 2008b; Breine et al, 2010). De IBI wordt in het kader van de KRW-beoordeling gehanteerd als EKC. Hydromorfologische kwaliteitselementen Bemonsteringsfrequentie Eens per zesjaarlijkse planperiode voor structuurkenmerken. Bemonsteringsmethode : Morfologische kenmerken worden verzameld via satellietbeelden. Voor meer gedetailleerde gegevens die nodig zijn voor monitoring op lange termijn, zijn gebiedsdekkende hydromorfologische inventarisaties nodig (luchtfoto's, multibeam en laseraltimetrie). Analysemethode / beoordelingsmethode Op ecosysteemniveau wordt de totale aanwezige schoroppervlakte in rekening gebracht; op waterlichaamniveau wordt gekeken naar de totale aanwezige schoroppervlakte binnen het waterlichaam en naar de gemiddelde kwaliteit van de individuele schorren binnen een waterlichaam. De EQR van een individueel schor bevat onder andere de parameter vormindex. De vormindex-EQR wordt bepaald door de oppervlakte van het individueel schor in relatie tot de lengte langs de rivieras en het plaatselijke profiel van de rivier. De oppervlakten slik en subtidale habitats per waterlichaam worden als criterium gebruikt om het ecologisch potentieel van het macrobenthos te beoordelen. Kwantiteit Bemonsteringsfrequentie De meetfrequentie van de waterstand en debiet is continu. Voor de bevaarbare waterlopen wordt een waarde opgeslagen per 1 uur of 15 minuten. De meetposten op onbevaarbare waterlopen (vlug reagerende watersystemen) tekenen een meting op per tijdstap van 15 minuten of 1 minuut. Bemonsteringsmethode De meetgegevens worden gevalideerd op basis van (terrein-)controle van hoog- en laagwaters. De hoog- en laagwaterstanden hebben een meetnauwkeurigheid van enkele mm. Analysemethode / beoordelingsmethode De klassieke debietsmetingen via Q/h-relaties stoelen op continue meting van de waterstand en geregelde opmeting van debiet afhankelijk van waterstand. Aangezien op de locaties in kwestie aan de overgang van het getijgebied en het opwaartse niet-getijgebied toch vaak een schijngetij optreedt, worden als waterstand de schijnlaagwaters aangenomen. Die hebben een voldoende correlatie met het bovendebiet, zodat representatieve daggemiddelde waarden kunnen worden berekend. De akoestische debietsmetingen stoelen op metingen van waterhoogte en van watersnelheden doorheen de sectie. Via geijkte omrekeningsformules worden totaaldebieten doorheen de hele riviersectie bepaald. Sediment Bemonsteringsfrequentie Monitoringprogramma voor beoordeling van effecten en evaluatie van veranderingen op lange termijn. Dat vereist een continue monitoring. Het resultaat heeft een integrerend karakter in ruimte en tijd voor die waterlichamen in Vlaanderen. Praktisch gezien is er per meetpost de volgende apparatuur nodig : * debietsmeting (via watersnelheid, event. Q-H); * automatisch staalname-apparaat voor het oppompen van waterstalen (bv. om de 7 uur) * multiparametersonde (onder meer temperatuur, conductiviteit, redox en turbiditeit) meetwaarden om de 15 minuten. Bemonsteringsmethode Binnen dit meetnet bestaat de opstelling voor monitoring enerzijds uit een continue meting van de sedimentconcentratie via turbiditeit (surrogaatmethode met multiparametersonde, om de 15 minuten), en anderzijds uit een continue staalname van rivierwater voor concentratiebepaling achteraf in het labo (bv. om de 7 uur). Beide waarden zijn waarden gemeten in één punt van de rivier, en zijn dus niet noodzakelijk representatief voor de hele dwarssectie. Daarom gebeuren er op verschillende tijdstippen (ca. 12 per meetjaar) en onder verschillende debietcondities integrerende staalnames (EWI's) over de hele diepte en breedte van de rivier om die relaties te leggen. Analysemethode / beoordelingsmethode Wat de permanente monitoring betreft, worden de data, verkregen uit zowel de hoogfrequente monitoring (multiparametersondes, 15 min.) als de data uit de laboanalyses op de waterstalen, (om de 7 uur) geïntegreerd. De geregistreerde turbiditeitswaarden worden (via berekende correlatiefactoren) omgerekend tot sedimentconcentraties De automatisch opgepompte waterstalen worden in het labo onderzocht op verschillende sedimentologische parameters: sedimentconcentratie, organisch stofgehalte, deeltjesgrootte en densiteit. Afhankelijk van de behoeften kan dat parameterpakket aangepast worden. 2.4.3 Samenvattende tabel bemonsteringsfrequentie T&T overgangswateren Kwaliteitselementen voor de KRLW worden, zoals hierboven is beschreven, gedurende één of meer meetjaren in de zesjaarlijkse planperiode gemeten. Binnen een meetjaar gelden de aangegeven frequenties. Overgangswateren - T&T-monitoring KRLW Kwaliteitselement Freq. binnen meetjaar Biologie Fytoplankton Maandelijks (zomerhalfjaar) Angiospermen (niet-submers) 1 Macro-invertebraten 1 Vissen 3 Chemie EU-genormeerde stoffen (o.a. bijlage X) Maandelijks (biota 1) Fysico-chemie Andere relevante specifieke verontreinigende stoffen (bijlage VIII) Maandelijks Algemene fysisch-chemische parameters (Biol. ondersteunend) Maandelijks Hydromorfologie (Biol. ondersteunend) Getijdenregime Continu Morfologie 1 Decreet IWB Kwantiteit Waterpeilen Continu Neerslag Continu Sediment Sedimentconcentraties Continu 2.5 OM : RIVIEREN Monitoring programma Operationeel meetnet oppervlaktewater Categorie Rivieren 2.5.1 Methodologie / criteria voor de selectie van de meetlocaties Meetplaatsen voor de (fysisch-)chemische monitoring werden zo gekozen dat ze representatief zijn voor de totale impact van de gecombineerde drukken. Doorgaans liggen die meetplaatsen in het stroomafwaartse gedeelte van een waterlichaam, zodat de toestand op de desbetreffende meetplaats toelaat goed in te schatten wat de druk is op het stroomafwaarts gelegen, aansluitende waterlichaam. Doorgaans worden de (fysisch-)chemische parameters gemeten op één meetplaats; in een beperkt aantal waterlichamen zijn er meerdere meetplaatsen waarvan de meetdata geaggregeerd worden. Voor waterlichamen die aan een vergelijkbare significante belasting uit diffuse en/of disperse bronnen onderhevig zijn, zijn meetpunten gekozen in een selectie van de waterlichamen om de omvang en het effect van de belasting uit diffuse bronnen te beoordelen. De gekozen waterlichamen zijn representatief voor de risico's van belasting uit diffuse bronnen, en de risico's van het niet bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand of een goed oppervlaktewaterpotentieel. Meetplaats(en) of -trajecten voor de monitoring van biologische en/of hydromorfologische kwaliteitselementen zullen veelal niet samenvallen met de meetplaats voor de (fysico-)chemische monitoring aangezien voor die methodes een puntwaarneming op het einde van het waterlichaam niet voldoende is om een representatief beeld te geven van omvang van de drukken op het oppervlaktewaterlichaam. Waterkwantiteit en sediment Bevaarbare waterlopen Voor de bevaarbare waterlopen zullen voor het aspect debiet minstens gegevens voor elk Vlaams waterlichaam beschikbaar zijn. Het meetnet zal worden uitgebreid in het kader van de permanentietaken met betrekking tot hoogwaterberichtgeving en voorspelling voor de bevaarbare waterlopen, voorspellingsmodellen die sinds 2005 operationeel zijn. Daarbij zal gefocust worden op : - grensovergangen met andere gewesten en inzage in de debietsverdelingen via de verschillende mogelijke afvoerwegen naar zee; - de toetsing en controle van de afvoerverdragen die gemaakt zijn of gemaakt zullen worden in het kader van internationale commissies; - de verschillende randen van het getijgebied ter begroting van de hoeveelheid "aangevoerd zoetwater". Voor het sedimentmeetnet kan gesteld worden dat om sedimenttransport, bronnen, fluxen en kwaliteit, in het Schelde- en Maasbekken op een volledige en overzichtelijke manier te monitoren, een meervoudige aanpak nodig is. Er zal een permanent meetnet verder moeten worden uitgebouwd, waarbij op vaste meetlocaties (op de belangrijkste rivieren) de sedimentflux en de kwaliteit wordt gemonitord en waarbij de gemeten evoluties de grote trends in het stroombekken tonen (zie ook toestand- en trendmonitoring). Meer nog dan voor "waterconcentraties" is het noodzakelijk de monitoring van debiet en sedimentconcentratie op elkaar af te stemmen. Sediment is niet homogeen verdeeld over de waterkolom, noch in de diepte noch in de breedte. Zeker voor de grotere rivieren is dat aspect erg belangrijk. Om een betekenisvolle sediment- en geassocieerde contaminantconcentratie (flux) te verkrijgen is een intensieve staalname nodig die zowel diepte- als breedte-integrerend is (EWI-staalnames). Onbevaarbare waterlopen Het netwerk van meetposten (limnigrafen e.a.) op de onbevaarbare waterlopen is zo opgezet dat er een zo groot mogelijke spreiding is. Die spreiding is zowel gericht naar de oppervlakte van het bemeten stroomgebied (naast meetposten op de eerste categorie waterlopen, ook in de opwaartse panden op tweede en derde categorie) als naar de stroomgebiedkenmerken (reliëf, bodemtextuur, landgebruik...). Er moet aangehaald worden dat er tevens behoefte is aan lokale peilmetingen voor lokale doeleinden in samenwerking met lokale waterbeheerders (cf. samenwerkingsakkoorden met lokale waterbeheerders). Verder is er behoefte aan het monitoren van de bodemverzadiging. De meetresultaten moeten maximaal representatief zijn voor de hydrologische respons voor hoogwatersituaties (overstromingen), alsook dienstig zijn voor laagwatersituaties (droogte). Ook is er behoefte aan het monitoren van het neerslagtekort in het kader van de droogte- en watertekortproblematiek en de impact binnen het stroomgebied. Sinds 2006 zijn de waarschuwing- en voorspellingssystemen opgezet. De operationele bekkenmodellen (OBM's) zijn al in detail operationeel voor de bekkens IJzer, Dender, Dijle en Demer. Voor de andere bekkens in Vlaanderen wordt een vereenvoudigd systeem ontwikkeld. In de volgende jaren worden de bestaande operationele meetnetten verder geüpgraded ter ondersteuning van die systemen en gericht op de taken van sturen en waarschuwen zoals debietafleiding ter hoogte van stuwinfrastructuur. Waterkwantiteitsgegevens voor de onbevaarbare waterlopen kunnen aangeleverd worden via het meetprogramma operationeel beheer met daaraan gelinkte waterkwantiteitsmodellen. Het modelinstrumentarium moet - naast het leveren van een zo accuraat mogelijke toestandsbeschrijvingen voor hoogwatersituaties (overstromingen) - ook dienstig zijn voor de laagwatersituaties (droogte). Er is behoefte aan een aangepast instrumentarium qua ruimtelijk modelleringsdomein met betrekking tot de droogte- en watertekortproblematiek. Het sedimentmeetnet meet op een aantal specifieke plaatsen de hoeveelheid bodemdeeltjes in suspensie. Die meetlocaties zijn gekozen afhankelijk van de erosiegevoeligheid van het gebied (hellend gebied van Vlaanderen in Demer- en Bovenscheldebekken). De uitbouw van het sedimentmeetnet voor een aantal waterlopen van eerste categorie is gepland in de nabije toekomst. 2.5.2 Bemonsteringsfrequentie, bemonsteringsmethode en analysemethode / beoordelingsmethode voor elk kwaliteitselement Voor operationele monitoring wordt voor elke variabele de vereiste meetfrequentie vastgesteld met het oog op voldoende gegevens voor een betrouwbare beoordeling van de (evolutie van de) toestand van het kwaliteitselement in kwestie. In de regel gebeurt de monitoring met tussenpozen die niet langer zijn dan wat is aangegeven in de samenvattende tabel bemonsteringsfrequentie, tenzij langere tussenpozen op grond van technische kennis en deskundige beoordeling gerechtvaardigd zijn. Als een kwaliteitselement de goede toestand of het goed potentieel heeft bereikt, wordt het desbetreffende waterlichaam niet langer operationeel gemonitord voor dat kwaliteitselement tenzij er aanwijzingen zijn dat de relevante druk(ken) toegenomen is (zijn). In ieder geval wordt minstens om de 18 jaar gemonitord. Fysisch-chemische kwaliteitselementen Gemeten variabelen/bemonsteringsfrequentie In elk waterlichaam worden voor de bepaling van de toestand, opgeloste zuurstof, pH, watertemperatuur, geleidbaarheid, totaal stikstof en totaal fosfor gemeten. In tegenstelling tot de toestand- en trendmonitoring wordt voor operationele monitoring selectief gemeten afhankelijk van hun relevantie ten opzichte van toestand/potentieel en uitgevoerde maatregelen: - algemene fysico-chemie: BZV, CZV, chloride, sulfaat, orthofosfaat, zwevende stoffen en Kjeldahl …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.