{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK V. - Uit de sector dierproductie afkomstig materiaal A) Categorie 1-materiaal Onder categorie 1-materiaal wordt verstaan de dierlijke bijproducten die aan de onderstaande beschrijving beantwoorden of materiaal dat dergelijke bijproducten bevat : 1° dieren die vermoedelijk met een overdraagbare spongiforme encefalopathie zijn besmet overeenkomstig Verordening (EG) Nr. 999/2001 van 22 mei 2001 of waarbij de aanwezigheid van een overdraagbare spongiforme encefalopathie officieel is bevestigd; 2° dieren die in het kader van TSE-uitroeiingsmaatregelen zijn gedood;3° hele kadavers van dode dieren die gespecificeerd risicomateriaal bevatten;4° producten afkomstig van dieren die stoffen hebben toegediend gekregen die verboden zijn op grond van Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik in de veehouderij van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van beta-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/2999/EEG;5° producten van dierlijke oorsprong die residuen bevatten van contaminanten en andere in het milieu aanwezige stoffen zoals bedoeld in groep B, punt 3), van bijlage I bij Richtlijn 96/23/EEG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG, indien dergelijke residuen het in de communautaire wetgeving of, bij gebreke daarvan, in de nationale wetgeving toegestane niveau overschrijden;6° mengsels van categorie 1-materiaal met categorie 2- en/of categorie 3-materiaal, daaronder begrepen materiaal dat bestemd is om in een categorie 1-verwerkingsbedrijf te worden verwerkt;7° vee bestemd voor de productie van levensmiddelen dat voor proefdoeleinden gebruikt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">B) Categorie 2-materiaal Onder categorie 2-materiaal wordt verstaan dierlijke bijproducten die aan de onderstaande beschrijving beantwoorden of materiaal dat dergelijke bijproducten bevat : 1° mest;2° de inhoud van het maagdarmkanaal, al dan niet gescheiden van het maagdarmkanaal, van loopvogels en zoogdieren, andere dan schapen en geiten, waarvan de particuliere slachting is toegelaten, geslacht buiten een slachthuis voor consumptie door de eigenaar en zijn gezin;3° dierlijke producten die residuen bevatten van diergeneesmiddelen en contaminanten zoals bedoeld in groep B, punten 1) en 2) van bijlage I bij voornoemde Richtlijn 96/23/EG, indien dergelijke residuen aanwezig zijn in concentraties die het in de communautaire wetgeving toegestane niveau overschrijden;4° andere dan in punt A) bedoelde dieren en delen van dieren die anders dan door slachting voor menselijke consumptie sterven, met inbegrip van dieren die worden gedood om een epizoötie uit te roeien;5° mengsels van categorie 2- en categorie 3-materiaal, daaronder begrepen materiaal dat bestemd is om in een categorie 2-verwerkingsbedrijf te worden verwerkt;6° andere dierlijke bijproducten dan categorie 1- of categorie 3-materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">C) Categorie 3-materiaal Onder categorie 3-materiaal wordt verstaan dierlijke bijproducten die aan de onderstaande beschrijving beantwoorden of materiaal dat dergelijke bijproducten bevat : 1° het maagdarmkanaal van andere dieren dan zoogdieren en loopvogels, al dan niet geledigd;2° rauwe melk afkomstig van dieren die geen klinische symptomen vertonen van een via dat product op mens of dier overdraagbare ziekte. Melk en biest in vloeibare vorm die worden verwijderd of op het landbouwbedrijf van oorsprong worden gebruikt, behoren niet tot het in dit hoofdstuk bedoelde materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK VI. - Uit andere sectoren Categorie 1-materiaal Onder categorie 1-materiaal wordt verstaan alle delen, met inbegrip van de huid, van de volgende dieren : 1° andere dieren dan vee en wilde dieren, met name gezelschapsdieren, dieren in dierentuinen en circusdieren;2° andere dieren dan vee bestemd voor de productie van levensmiddelen, gebruikt als proefdieren zoals gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt;3° wilde dieren waarvan wordt vermoed dat zij met op mens of dier overdraagbare ziekten zijn besmet. Bijlage II Voorwaarden betreffende de inrichtingen die dierlijke bijproducten produceren HOOFDSTUK I. - Uit de sectoren vlees en vis afkomstige dierlijke bijproducten In de erkende inrichtingen, de grensinspectieposten en de kleinhandelszaken mogen, behalve de eigenlijke productie, geen dierlijke bijproducten worden gehanteerd, behandeld of opgeslagen met behulp van uitrusting of in ruimten of op plaatsen die bestemd zijn voor producten die geschikt zijn voor menselijke consumptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De productie van dierlijke bijproducten van verschillende categorieën door eenzelfde inrichting houdt in dat deze over verschillende circuits beschikt, meer bepaald wat de uitrusting en de opslagruimten betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke hiervan, worden alle in de inrichting voortgebrachte dierlijke bijproducten gelijkgesteld met de daar voortgebrachte dierlijke bijproducten van de hoogste risicocategorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geldt eveneens voor het categorie 3-materiaal dat wordt voortgebracht op de slachtlijnen die niet beschikken over een bufferopslag waardoor dierlijke bijproducten afkomstig van karkassen die ongeschikt voor menselijke consumptie zijn verklaard, apart kunnen worden weggehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitanten van inrichtingen waar gespecificeerd risicomateriaal wordt voortgebracht dienen rekening te houden met de aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad betreffende de bescherming van het personeel dat gespecificeerd risicomateriaal hanteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast dienen steeds de volgende voorwaarden te worden nageleefd : A) Inrichting en uitrusting 1. Alle inrichtingen : In alle inrichtingen moeten de recipiënten en verpakkingen die voor dierlijke bijproducten bestemd zijn een kleur hebben die voorbehouden is voor de risicocategorie van de dierlijke bijproducten die zij bevatten.Zij moeten uitsluitend voor dat gebruik bestemd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De recipiënten en verpakkingen gebruikt voor het verzamelen en opslaan van dierlijke bijproducten moeten duidelijk geïdentificeerd zijn overeenkomstig de bepalingen in artikel 20 van deze Overeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij ze geconditioneerd zijn op een dergelijke wijze dat bewaring bij omgevingstemperatuur mogelijk is, moeten de dierlijke bijproducten die niet opgehaald zijn op het einde van de werkdag in gekoelde toestand, bij een maximale temperatuur van 10 °C, worden opgeslagen in afwachting van hun ophaling door de ophaler.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kadavers dienen binnen de twee werkdagen na de melding te worden opgehaald, andere dierlijke bijproducten volgens een ophaalfrequentie die voldoende is om de hygiënische werkingsvoorwaarden in de producerende inrichting te verzekeren, en tenminste éénmaal om de twee weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere inrichting waar dierlijke bijproducten, andere dan keukenafval en etensresten van categorie 3, worden voortgebracht, dient te beschikken over een vaste of mobiele uitrusting waarmee de aan de ophaler overgedragen dierlijke bijproducten van alle aard daadwerkelijk kunnen worden gewogen. Deze uitrusting dient aangepast te zijn aan de omvang en de aard van de in de inrichting uitgevoerde activiteiten om aldus te kunnen voldoen aan de verplichte weging zonder het ophalen te hinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfsruimten waar gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd en slachthuizen moeten als eerste fase van de afvalwaterbehandeling beschikken over een voorbehandelingsproces voor het opvangen en verzamelen van dierlijk materiaal. De uitrusting voor het voorbehandelingsproces moet bestaan uit sifons of zeven met openingen van maximaal 6 mm in de eindfase van het proces of soortgelijke systemen die vaste deeltjes van 6 mm of meer in het afvalwater tegenhouden. Afvalwater uit dergelijke bedrijfsruimten moet een voorbehandelingsproces doorlopen zodat het gefilterd uit de bedrijfsruimten wordt afgevoerd. Het dierlijk materiaal mag niet worden vermalen of geweekt om het gemakkelijker door het voorbehandelingsproces te laten lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder moet ook aan de volgende voorwaarden worden voldaan : 2. Voor het intracommunautaire handelsverkeer erkende inrichtingen : Al deze inrichtingen dienen ten minste te beschikken over speciale lekvrije, corrosiebestendige recipiënten die voorzien zijn van een deksel en een sluitingssysteem om te verhinderen dat onbevoegden er iets uit kunnen nemen, bestemd om vers vlees, vleesbereidingen, vleesproducten of voor menselijke consumptie bestemde bijproducten van dierlijke oorsprong die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie op te slaan, of over een afsluitbare ruimte waar deze kunnen worden opgeslagen als daarvan zulke grote hoeveelheden bestaan dat een dergelijke ruimte noodzakelijk is of als deze niet dagelijks worden opgehaald of vernietigd;als de producten via afvoerbuizen worden verwijderd, moeten deze zo gebouwd en geplaatst zijn dat elk gevaar voor contaminatie vermeden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slachthuizen voor pluimvee en konijnen dienen bovendien te beschikken over een afzonderlijke voorziening voor de opslag van karkassen, delen van karkassen of slachtafval die ongeschikt voor menselijke consumptie of schadelijk zijn bevonden of verklaard, tenzij daartoe bestemde gesloten recipiënten aanwezig zijn buiten het bedrijfsgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slachthuizen voor slachtdieren dienen bovendien te beschikken over een afzonderlijke en afsluitbare koelruimte voor de opslag van karkassen, delen van karkassen of slachtafval die ongeschikt voor menselijke consumptie of schadelijk zijn bevonden of verklaard, eventueel aangevuld met gesloten recipiënten die zich buiten het gebouw bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slachthuizen dienen ook te beschikken over een lokaal of een specifieke voorziening voor het opslaan van veren of huiden. 3. Inrichtingen met geringe capaciteit : Al deze inrichtingen dienen ten minste te beschikken over speciale, lekvrije, corrosiebestendige recipiënten die voorzien zijn van een deksel en een sluitingssysteem om te verhinderen dat onbevoegden er iets uit kunnen nemen, bestemd om vlees in op te slaan dat ongeschikt voor menselijke consumptie of schadelijk werd bevonden of verklaard en dat moet worden verwijderd of vernietigd. Slachthuizen voor slachtdieren dienen bovendien te beschikken over een afzonderlijke en afsluitbare koelruimte voor de opslag van karkassen, delen van karkassen of slachtafval die ongeschikt voor menselijke consumptie of schadelijk zijn bevonden of verklaard, eventueel aangevuld met gesloten recipiënten die zich buiten het gebouw bevinden. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinhandelszaken : Al deze inrichtingen dienen ten minste te beschikken over lekvrije, duidelijk gemerkte recipiënten om dierlijke bijproducten in op te slaan en die zijn voorzien van een sluiting om te verhinderen dat onbevoegden er dierlijke bijproducten of ander afval uit verwijderen of in deponeren. In de verkooppunten voor vers vlees waar categorie 1-materiaal wordt voortgebracht, moeten alle in de inrichting voortgebrachte dierlijke bijproducten, zoals beenderen, vet en afval van het opschikken tezamen met het gespecificeerd risicomateriaal worden verzameld en opgeslagen in dezelfde recipiënten bestemd voor categorie 1-materiaal. Alle aldus verzamelde dierlijke bijproducten moeten als categorie 1-materiaal worden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">B) Exploitatie 1. Erkende inrichtingen : De werkplaatsen mogen niet gebruikt worden voor het hanteren, bereiden, verwerken, verpakken of opslaan van waren die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie. Dierlijke bijproducten die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie, vlees dat ongeschikt voor menselijke consumptie of schadelijk is bevonden of verklaard en vlees dat tot nader onderzoek in observatie is aangehouden, dienen onmiddellijk op zodanige wijze te worden afgevoerd dat er geen enkel gevaar voor contaminatie of bezoedeling van voor menselijke consumptie geschikt vlees kan ontstaan. Zij mogen niet in contact kunnen komen met dit vlees en dienen zo spoedig mogelijk te worden ondergebracht in uitrustingen, recipiënten of lokalen die respectievelijk en uitsluitend voor dit doel bestemd zijn en zo ontworpen en geplaatst zijn dat contaminatie en bezoedeling van voor menselijke consumptie geschikt vlees voorkomen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karkassen, delen van karkassen en slachtafval die definitief ongeschikt voor menselijke consumptie of schadelijk zijn bevonden of verklaard, dienen gedenatureerd te worden, indien nodig in het bijzijn en volgens de instructies van de keurder, door de exploitant van het slachthuis of de inrichting waar de keuring is uitgevoerd. De daartoe noodzakelijke middelen worden eveneens door de exploitant beschikbaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De recipiënten die zich in de werkruimten bevinden en die bestemd zijn voor het verzamelen van dierlijke bijproducten en voor menselijke consumptie ongeschikt vlees dienen elke dag na gebruik te worden geledigd, gereinigd en ontsmet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de lokalen of afzonderlijke ruimten voor de opslag van ongeschikt bevonden of schadelijk verklaard vlees, mogen geen geschikt bevonden vlees, noch vlees dat tot nader onderzoek in observatie wordt aangehouden, noch andere levensmiddelen worden opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeel dient vanwege de exploitant de informatie en de opleiding te ontvangen die nodig zijn om de eraan toegewezen uit deze Overeenkomst voortvloeiende taken te kunnen uitvoeren. 2. Kleinhandelszaken : De dierlijke bijproducten moeten worden gehanteerd en opgeslagen op een zodanig hygiënische wijze dat de contaminatie van vlees, gereedschap, uitrusting en lokalen zoveel mogelijk wordt voorkomen. HOOFDSTUK II. - Uit de sector melk en melkproducten afkomstige dierlijke bijproducten Koninklijk besluit van 7 maart 1994 betreffende de erkenning van melkinrichtingen en kopers, Art. 9, 6° : Ingeval van direct gevaar voor de menselijke gezondheid, uit de handel nemen van de hoeveelheid producten die is verkregen onder technologisch vergelijkbare omstandigheden en die hetzelfde gevaar kan opleveren. Deze uit de handel genomen hoeveelheid moet onder toezicht en onder verantwoordelijkheid van de bevoegde controledienst blijven, totdat zij wordt vernietigd, voor andere doeleinden dan menselijke consumptie wordt gebruikt, dan wel na toestemming van genoemde controledienst opnieuw wordt behandeld om de veiligheid ervan te waarborgen. HOOFDSTUK III. - Uit de sector eieren en eiproducten afkomstige dierlijke bijproducten Koninklijk besluit van 31 december 1992Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/12/1992 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/09/2015 numac 2015000506 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de veterinaire controles voor dieren en bepaalde produkten van dierlijke oorsprong, ingevoerd uit derde landen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de bereiding en het in de handel brengen van eiproducten - Bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk II, punt 8. Voorzieningen voor onmiddellijke verwijdering en aparte opslag van lege schalen, alsmede van eieren en eiproducten die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk IV, punt 3. Eieren en eiproducten die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie moeten worden verwijderd en gedenatureerd zodat zij niet opnieuw voor menselijke consumptie kunnen worden gebruikt; zij dienen onmiddellijk in het in hoofdstuk II, punt 8 bedoelde lokaal te worden geplaatst. HOOFDSTUK IV. - Uit de sector productie van dieren afkomstige dierlijke bijproducten Mest moet in het Vlaamse gewest worden opgeslagen overeenkomstig de bepalingen van VLAREM II. Mest moet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden opgeslagen overeenkomstig de bepalingen die worden opgelegd in de desbetreffende milieuvergunning volgens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen [Belgisch Staatsblad 26 juni 1997] gewijzigd door de ordonnantie van 6 decembert 2001 [Belgisch Staatsblad 2 februari 2002].</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden voor de opslag van kadavers van dieren op de bedrijven in afwachting van de ophaling : - varkens : koninklijk besluit van 14 juni 1993 tot bepaling van de uitrustingsvoorwaarden voor het houden van varkens, - pluimvee : koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende bepaalde voorschriften voor de gezondheidskwalificatie van pluimvee, - kalveren (in kalververzamelplaatsen en -mesterijen) : ministerieel besluit van 29 januari 1998 tot uitvoering van het artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK V. - Uit de grensinspectieposten afkomstige dierlijke bijproducten De dierlijke producten die voor invoer uit derde landen aangeboden worden en die ten gevolge van een beslissing van de controledierenarts van het Agentschapniet voor invoer toegelaten worden, met uitzondering van deze die bestemd zijn voor terugzending of voor ander gebruik, maar wel inbegrepen de resten van stalen die dierlijke producten bevatten en genomen zijn in het kader van geldende communautaire wetgevingen, moeten behandeld worden als categorie 1- of categorie 2- -materiaal naargelang de risicocategorie waartoe ze behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dierlijke bijproducten worden afgevoerd op zodanige wijze dat geen enkel gevaar bestaat voor contaminatie of bezoedeling van voor menselijke consumptie geschikte producten of van dierlijke bijproducten die tot een lagere risicocategorie behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij worden zo spoedig mogelijk ondergebracht in uitrustingen, recipiënten of lokalen die uitsluitend bestemd zijn voor het tijdelijk opslaan van categorie 1-of categorie 2-materiaal en die zo ontworpen en geplaatst zijn dat contact met en contaminatie of bezoedeling van voor menselijke consumptie geschikte producten of van de dierlijke bijproducten die tot een lagere risicocategorie behoren, voorkomen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De recipiënten moeten lekvrij en corrosiebestendig zijn, en voorzien van een deksel en een sluitingssysteem om te verhinderen dat onbevoegden er iets kunnen uit wegnemen of in deponeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De recipiënten zijn duidelijk geïdentificeerd, al naargelang het geval, door de vermelding « Categorie 1 - Uitsluitend geschikt voor verwijdering » of « Categorie 2 - Niet voor dierlijke consumptie ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij de dierlijke bijproducten geconditioneerd zijn op een dergelijke wijze dat bewaring bij omgevingstemperatuur mogelijk is, worden ze in gekoelde toestand, bij een maximale temperatuur van 10 °C, opgeslagen in afwachting van hun ophaling door een erkende ophaler van categorie 1- of categorie 2-materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere grensinspectiepost dient te beschikken over een vaste of mobiele uitrusting waarmee de aan de ophaler overgedragen dierlijke bijproducten van alle aard daadwerkelijk kunnen worden gewogen. Deze uitrusting dient aangepast te zijn aan de omvang en de aard van de in de grensinspectiepost uitgevoerde activiteiten, om aldus aan de verplichte weging te kunnen voldoen zonder het ophalen te hinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dierlijke bijproducten dienen opgehaald te worden volgens een ophaalfrequentie die voldoende is om de hygiënische werkingsvoorwaarden in de grensinspectiepost te verzekeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De recipiënten bestemd voor het verzamelen en de opslag van dierlijke bijproducten dienen regelmatig te worden gereinigd en ontsmet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kadavers van grote dieren moeten op afroep van de controledierenarts zo spoedig mogelijk worden opgehaald als categorie 1-materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige kadavers moeten worden opgeslagen en opgehaald volgens de hierboven beschreven procedure voor in de grensinspectiepost geproduceerde dierlijke bijproducten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dierlijke bijproducten die als dusdanig voor invoer worden aangeboden worden in de controle-eenheid voorzien voor de niet voor menselijke consumptie bestemde producten aan de veterinaire controle onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Bijlage VII A) MODALITEITEN VAN DE HANDELSDOCUMENTEN VOOR DE TRACEERBAARHEID 1. Model voor de dierlijke bijproducten bedoeld in hoofdstuk VI (bijlage IV). Elk handelsdocument bestaat uit één enkel vel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handelsdocumenten voor de traceerbaarheid zijn voorgedrukt op doorschrijfpapier en worden opgesteld in drievoud : 1° het origineel exemplaar vergezelt de dierlijke bijproducten op hun weg naar het intermediaire bedrijf of het gebruiks-, het verwerkings- of het verwijderingsbedrijf, 2° de eerste kopie is bestemd voor de ophaler, 3° de tweede kopie is bestemd voor de producent. Evenwel is de kopie bestemd voor de ophaler niet vereist indien deze laatste het origineel exemplaar bewaart in de zetel van zijn onderneming en indien hij de traceerbaarheid van de dierlijke bijproducten die tijdens eenzelfde ronde werden opgehaald verzekert aan de hand van een uniek handelsdocument, bestemd voor het gebruiks-, het verwerkings- of het verwijderingsbedrijf. Dit uniek handelsdocument moet expliciet verwijzen naar het uniek nummer op elk betrokken handelsdocument voor de traceerbaarheid, zodat het gebruiks-, het verwerkings- of het verwijderingsbedrijf, door te refereren naar de nummers op de handelsdocumenten voor de traceerbaarheid, op de factuur de verplichte melding kan plaatsen waarmee bevestigd wordt dat de dierlijke bijproducten in het bedrijf werden binnengebracht en werden verwerkt, gebruikt of verwijderd overeenkomstig de reglementaire bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elkeen van de betrokken personen vult de voor hem bestemde rubriek in en bewaart daarvan gedurende ten minste twee jaar een kopie die hij op elk verzoek van een bevoegde Overheid moet kunnen voorleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk handelsdocument is geïdentificeerd aan de hand van een uniek nummer dat uit drie onderdelen bestaat : - een klantennummer, toegekend door de ophaler aan de producent, of het nummer van de onderneming of van de vestigingseenheid toegewezen aan de producent door de kruispuntbank der ondernemingen; - een code ter identificatie van de ophaler, in principe overeenstemmend met het nummer van de onderneming of van de vestigingseenheid toegewezen door de kruispuntbank der ondernemingen; - een identificatienummer eigen aan de ophaalronde van de vrachtwagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter identificatie van de producerende inrichting en de op te halen dierlijke bijproducten vult de producent de rubrieken 1 en 2 van het handelsdocument in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoeveelheid dierlijke bijproducten van elke aard die de op te halen partij uitmaakt wordt vermeld op elke overeenstemmende regel van rubriek 2 van het handelsdocument voor de traceerbaarheid, in de vorm van een in kg uitgedrukt gewicht dat steunt op een daadwerkelijke weging of een gemeten volume. Bovendien moet telkens wanneer de dierlijke bijproducten geïndividualiseerd kunnen worden, het aantal eenheden waaruit de op te halen partij bestaat worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de productie aan een ophaler dient te worden gemeld, vult de producent rubriek 3 in. Hij verzendt het aldus ingevulde document per fax naar de ophaler of verwittigt deze door gebruik te maken van een ander middel dat gelijkwaardige garanties biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de ophaling van de dierlijke bijproducten vult de gemachtigde van de ophaler de rubrieken 4 en 5 van het document in en laat een kopie achter bij de producent die deze gedurende ten minste twee jaar ter beschikking houdt van de dierenarts, de inspecteur of de controleur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het origineel exemplaar evenals, in voorkomend geval, de voor de ophaler bestemde kopie vergezellen het transport tot in het intermediaire bedrijf of het gebruiks-, verwerkings- of verwijderingsbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijke van het intermediaire bedrijf of van het gebruiks-, verwerkings- of verwijderingsbedrijf bewaart het origineel van het document gedurende ten minste twee jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij factureert de ophaling aan de producent van de dierlijke bijproducten en vermeldt daarbij uitdrukkelijk en op eenduidige wijze het kenmerk van de desbetreffende handelsdocumenten alsook de categorie, de aard en de hoeveelheid van het betreffende materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De factuur moet in extenso de volgende tekst bevatten : « De verantwoordelijke van de inrichting die een erkenning/registratie heeft voor het ophalen van de in deze factuur beoogde dierlijke bijproducten bevestigt dat deze in hun geheel werden overgedragen aan een inrichting die erkend/geregistreerd is voor het intermediair hanteren, het gebruik, de verwerking of de verwijdering. » De producent van dierlijke bijproducten die de factuur ontvangt waarmee wordt geattesteerd dat de dierlijke bijproducten wel degelijk de bestemming hebben gekregen die eraan was toegewezen, bewaart dit document gedurende ten minste twee jaar zodat hij het op elk verzoek van een bevoegde Overheid kan voorleggen. 2. Model voor de dierlijke bijproducten bedoeld in de hoofdstukken IX en X (bijlagen V en VI). Dezelfde modaliteiten als opgesomd onder punt 1 zijn van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien evenwel de ophaling van de in dit artikel bedoelde dierlijke bijproducten niet gepaard gaat met een facturatie door de ophaler, brengt de verantwoordelijke van het gebruiksbedrijf de producent van de dierlijke bijproducten op de hoogte van hun reglementair gebruik door hem het origineel van het handelsdocument voor de traceerbaarheid, waarvan rubriek 6 naar behoren werd ingevuld, terug te sturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijke van de producerende inrichting bewaart dit document gedurende ten minste twee jaar zodat hij het op elk verzoek van een bevoegde overheid kan voorleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B) HANDLEIDING GEBRUIK HANDELSDOCUMENTEN VOOR DE TRACEERBAARHEID VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN, TEN BEHOEVE VAN DE PRODUCERENDE INRICHTINGEN, DE OPHALERS EN DE GEBRUIKS-, VERWERKINGS- OF VERWIJDERINGSBEDRIJVEN De handelsdocumenten voor de traceerbaarheid worden opgemaakt door de producent van de dierlijke bijproducten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De producent beschikt daarvoor over voorgedrukte blanco formulieren (origineel en twee doorslagen) waarop ook bepaalde vermeldingen voorgedrukt mogen voorkomen, conform de hierna vermelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met instemming van de gewestelijke overheid mogen de voorgedrukte formulieren worden opgemaakt door de producenten,of ook door de ophalers, de gebruiks-, verwerkings- of verwijderingsbedrijven, die ze aan de producenten beschikbaar stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De producent (exploitant of aangestelde) vult zelf de rubrieken 1 tot 4 in die niet voorgedrukt zijn. Hij moet instaan voor de juistheid van de vermeldingen die hij aanbrengt of die voorgedrukt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als hij niet persoonlijk aanwezig is om het document aan de ophaler te overhandigen, mag hij het ingevulde document achterlaten in de nabijheid van het op te halen materiaal en het zo ter beschikking stellen van de bestuurder van de ophaalwagen. Er moeten schikkingen worden getroffen om te vermijden dat het document bevuild of beschadigd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de exploitant van de producerende inrichting niet beschikt over blanco formulieren, mag het materiaal alleen worden opgehaald als hijzelf of zijn gemachtigde aanwezig is, zodat de producent een blanco formulier kan invullen dat hem door de bestuurder van de ophaalwagen wordt overhandigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met het opmaken van de handelsdocumenten gelden de volgende voorschriften. 1. Er wordt een handelsdocument opgemaakt telkens wanneer materiaal wordt opgehaald;het handelsdocument heeft betrekking op EEN enkele categorie materiaal (1, 2 of 3), op EEN enkele producerende inrichting en op EEN enkele vervoerder-ophaler. 2. De producent maakt het formulier op in drievoud : het origineel (dat volledig moet worden ingevuld) voor de bestemmeling (intermediair bedrijf, gebruiks-, verwerkings- of verwijderingsbedrijf), een afschrift (rubrieken 1 tot 5 ingevuld) voor de ophaler-vervoerder, een afschrift (rubrieken 1 tot 5 ingevuld) voor de producent.3. Het volgnummer bestaat uit DRIE elementen : een door de ophaler aan de producent toegekend klantnummer (of het ondernemingsnummer uit de kruispuntbank van die inrichting), een identificatiecode van de ophaler (in principe het ondernemingsnummer uit de kruispuntbank), en een eigen identificatienummer van de ophaalronde van de vrachtwagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste element wordt ingevuld door de producent (exploitant of gemachtigde). De twee laatste elementen worden ingevuld door de ophaler (vrachtwagenbestuurder) voordat het afschrift aan de producent wordt overhandigd. De twee eerste elementen mogen worden voorgedrukt op handelsdocumentenboekjes die bijgevolg alleen mogen worden gebruikt door de erop vermelde ophaler en in de vermelde producerende inrichting (slachthuis, uitsnijderij, slagerij, zuivelfabriek, enz.). 4. Rubriek 1 wordt ingevuld door de producent (exploitant of gemachtigde).Deze rubriek mag eventueel worden voorgedrukt op handelsdocumentenboekjes die bijgevolg alleen door die producerende inrichting kunnen worden gebruikt. Ook kan alleen de categorie van de producerende inrichting vooraf op de formulieren worden afgedrukt. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rubriek 2 wordt ingevuld door de ophaler (vrachtwagenbestuurder). Als de ophaler vooraf bekend is, mag deze rubriek vooraf op handelsdocumentenboekjes worden afgedrukt; die mogen dan alleen door die ophaler worden gebruikt. 6. Rubriek 3 wordt steeds ingevuld en ondertekend door de exploitant of de gemachtigde in de producerende inrichting. Er kan een lijst van dierlijke bijproducten op handelsdocumentenboekjes worden voorgedrukt (alleen de kolommen « code » en « aard »). Dit OP VOORWAARDE dat de lijst AL HET MATERIAAL bevat dat kan worden opgehaald door de ophaler wiens gegevens voorgedrukt vermeld zijn in rubriek 2 in de producerende inrichting waarvan ten minste de categorie (slachthuis, uitsnijderij, slagerij, zuivelfabriek, enz...) voorgedrukt moet vermeld zijn in rubriek 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende mogelijkheden in verband met voorgedrukte vermeldingen onder rubriek 3 worden toegelicht in punt 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval moet de voorgedrukte rubriek 3 volledig overeenstemmen met wat mag worden opgehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval moet de ingevulde rubriek 3 volledig overeenstemmen met wat daadwerkelijk wordt opgehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermelde gewichten en volumes moeten steunen op een daadwerkelijke bepaling. De aan de activiteiten van de inrichting aangepaste, vereiste technische uitrusting daarvoor moet ter plaatse aanwezig zijn. 7. Rubriek 3bis (alleen op het model van het handelsdocument voor de traceerbaarheid van dierlijke bijproducten voor de voeding van niet voor menselijke consumptie bestemde dieren) wordt ingevuld door de dierenarts-keurder die bevestigt dat de bijproducten met dit gebruik overeenstemmen.8. Rubriek 4 wordt ingevuld door de producent (exploitant of gemachtigde) indien een melding aan een ophaler vereist is.De melding gebeurt per fax, door de producent aan de ophaler die vermeld is in rubriek 2 van het handelsdocument voor de traceerbaarheid waarvan de rubrieken 1 en 4 worden ingevuld. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rubriek 5 wordt door de ophaler ingevuld op het tijdstip dat de dierlijke bijproducten worden weggehaald en voordat de voor de producent bestemde kopie wordt overhandigd.10. Rubriek 6 wordt ingevuld door de verantwoordelijke (exploitant of gemachtigde) van het intermediair bedrijf, het gebruiks-, verwerkings- of verwijderingsbedrijf.De gegevens van dit bedrijf mogen voorgedrukt vermeld zijn op handelsdocumentenboekjes die dan alleen mogen worden gebruikt voor die inrichting. 11. Rubriek 7 (alleen voor de modellen die materiaal vergezellen dat bestemd is voor de voeding van niet voor menselijke consumptie bestemde dieren of voor het stellen van diagnoses, onderwijs of onderzoek) wordt ingevuld door de producent (exploitant of gemachtigde) zodra hij het origineel van het handelsdocument teruggekregen heeft van het verzamelcentrum, het gebruiksbedrijf (dierentuin, circus, wildpark, enz...) of van het diagnosecentrum, de onderwijs- of onderzoeksinstelling. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorgedrukte lijsten van materiaal (codes en aard) van de verschillende categorieën voor de verschillende sectoren. Hieronder zijn, bij wijze van voorbeeld, verschillende modellen weergegeven van lijsten die kunnen worden voorgedrukt in rubriek 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze lijsten zijn niet exhaustief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze lijsten dienen zoveel mogelijk al het materiaal te omvatten dat kan worden opgehaald in de desbetreffende categorie van de producerende inrichtingen. Deze laatste moet eveneens voorgedrukt worden in rubriek 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgedrukte lijsten kunnen meerdere categorieën van materiaal omvatten, tenzij in rubriek 4 de benaming van een ophaler voorgedrukt zou zijn, in welk geval de lijst beperkt dient te worden tot deze categorie van materiaal die door de ophaler vervoerd mag worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de onderstaande lijsten verder worden aangevuld, dient steeds de link tussen een code en een benaming gerespecteerd te worden. a) Sectoren vlees en vis.1. Categorie 1. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld</p></div>", "next": 0}