← België

Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 7, 22, 23, 44 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde wa

Kort samengevat

Dit koninklijk besluit wijzigt diverse bestaande koninklijke besluiten met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (btw), voornamelijk als gevolg van een nieuwe wet van 21 maart 2024 en de omzetting van Europese richtlijnen over de bijzondere vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
15 DECEMBER 2024. - Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 7, 22, 23, 44 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit ontwerp van koninklijk besluit wijzigt: - het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 1"); - het koninklijk besluit nr. 2 van 19 december 2018 met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 2"); - het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 3"); - het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 7"); - het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 22"); - het koninklijk besluit nr. 23 van 9 december 2009 met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers (hierna: "het koninklijk besluit nr. 23"); - het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het koninklijk besluit nr. 44"); - het koninklijk besluit nr. 56 van 10 april 2022 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf en aan niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen (hierna: "het koninklijk besluit nr. 56"). De wijzigingen die door dit ontwerp in de voormelde koninklijke besluiten worden aangebracht betreffen in de eerste plaats die met betrekking tot de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 22, 23, 44 en 56, die het gevolg zijn van de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen (Belgisch Staatsblad van 9 april 2024) (hierna: "de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten"). Deze wijzigingen zijn het gevolg van de omzetting door voornoemde wet van Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en uitwisseling van inlichtingen voor doeleinden van toezicht op de juiste uitvoering van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen (hierna: "Richtlijn 2020/285"). Dit ontwerp brengt bovendien een reeks wijzigingen aan in een aantal koninklijke besluiten ter uitvoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "het Wetboek") inzonderheid om bepaalde technische correcties aan te brengen die teruggaan op recente wijzigingen van het Wetboek. Dit ontwerp heeft het voorwerp uitgemaakt van het advies 77.174/3 van de Raad van State van 3 december 2024. Er werd met alle opmerkingen van de Raad van State rekening gehouden. Dit ontwerp was ook het onderwerp van het besluit van de Gegevensbeschermingsautoriteit (referentie: CO-A-2024-155) van 17 mei 2024, waarin wordt verwezen naar standaardadvies nr. 65/2023 van 24 maart 2023 inzake het opstellen van wetteksten. Er werd akte genomen van het feit dat er geen specifieke opmerkingen over het ontwerp waren en dat de algemene richtsnoeren in het advies geen aanleiding gaven tot wijzigingen in het ontwerp. Alle wijzigingen aan de voormelde koninklijke besluiten worden hierna toegelicht. Toelichting bij de artikelen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Artikel 1 Artikel 1, eerste lid, van het ontwerp bepaalt dat onderhavig ontwerp van koninklijk besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en uitwisseling van inlichtingen voor doeleinden van toezicht op de juiste uitvoering van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen. Artikel 1, tweede lid, van het ontwerp bepaalt bovendien dat dit ontwerp van koninklijk besluit voorziet, door de regels die het invoert, in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "Richtlijn 2006/112/EG"). HOOFDSTUK 2. - Bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen Zoals in de inleiding reeds wordt aangehaald, heeft de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten de omzetting tot voorwerp van Richtlijn 2020/285. Rekening houdend met de volledige herziening van de vrijstellingsregeling van belasting die Richtlijn 2020/285 en de wijzigingen aan het Wetboek met zich meebrengen, wordt ook het koninklijk besluit nr. 19 van 29 juni 2014 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen vervangen, aangezien de huidige structuur en bepalingen ervan niet langer overeenstemmen met de toekomstige regeling. Het koninklijk besluit nr. 19, nieuw, van 15 december 2024 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen (hierna: "het koninklijk besluit nr. 19") werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 december 2024. Deze hervorming heeft ook gevolgen voor meerdere bepalingen van verschillende koninklijke besluiten genomen in uitvoering van het Wetboek. De artikelen 2 tot en met 10 van dit ontwerp van koninklijk besluit wijzigen in die optiek de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 22, 23, 44 en 56 inzake de belasting over de toegevoegde waarde. Artikelen 2 tot en met 10 De artikelen 2 tot en met 4 van het ontwerp wijzigen het koninklijk besluit nr. 1. De artikelen 2 en 3 van het ontwerp hebben betrekking op de facturering van de belastbare handelingen die worden verricht door een belastingplichtige die de vrijstellingsregeling van belasting toepast. In overeenstemming met de nieuwe richtlijnbepalingen ter zake zal een dergelijke belastingplichtige voortaan voor de belastbare handelingen waarvoor de factureringsverplichting geldt overeenkomstig artikel 53, § 2, van het Wetboek, niet meer systematisch een "volledige" factuur moeten uitreiken, maar wel de keuze hebben om ofwel een "volledige" factuur (artikel 2 van dit ontwerp), dan wel een "vereenvoudigde" factuur uit te reiken (artikel 3 van dit ontwerp). Artikel 2 van het ontwerp wijzigt artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de vermeldingen die op door belastingplichtigen uitgereikte "volledige" facturen moeten worden aangebracht. Wanneer belastingplichtigen gebruikmaken van de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting, mogen zij geen btw in rekening brengen op hun handelingen. Wanneer zij een "volledige" factuur uitreiken aan hun medecontractant, kan op die factuur geen btw worden vermeld die verschuldigd is op de verrichte handeling. Dat blijkt uit artikel 56bis, § 5, tweede lid, van het Wetboek, in de versie die van toepassing is vóór 1 januari 2025. Dit artikel bepaalt immers dat "Op de facturen of op de als zodanig geldende stukken die deze belastingplichtigen uitreiken voor de door hen geleverde goederen of verrichte diensten mag de belasting, onder welke vorm dan ook, niet worden vermeld, maar moet de volgende vermelding worden aangebracht: "Bijzondere vrijstellingsregeling kleine ondernemingen"". Die bepaling is de actuele omzetting van artikel 289, in fine, van Richtlijn 2006/112/EG dat bepaalt dat belastingplichtigen voor wie vrijstelling van belasting geldt, geen btw op hun facturen mogen vermelden. De verplichting om te bepalen welke gegevens al dan niet op de factuur moeten worden vermeld, is opgenomen in artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, waarin de verplichte vermeldingen zijn opgenomen die door belastingplichtigen uitgereikte (volledige) facturen moeten bevatten. Daartoe wordt in deze bepaling een 10° quater ingevoegd, dat bepaalt dat wanneer de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies van het Wetboek bedoelde vrijstellingsregeling van belasting wordt toegepast, de vermelding "Bijzondere vrijstellingsregeling van belasting" wordt opgenomen op de (volledige) factuur of op het stuk bedoeld in artikel 2 van hetzelfde besluit, in plaats van de belasting. Artikel 3 van het ontwerp brengt twee wijzigingen aan in artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 1 wat betreft de regels die van toepassing zijn op de vereenvoudigde factuur. Artikel 220 bis, lid 1, punt c), van Richtlijn 2006/112/EG zoals ingevoegd bij Richtlijn 2020/285 bepaalt dat "de lidstaten [staan] de belastingplichtige toe[staan] een vereenvoudigde factuur uit te reiken in de volgende gevallen: (...) c) wanneer de belastingplichtige gebruikmaakt van de in artikel 284 voorziene vrijstelling voor kleine ondernemingen". Worden beoogd, de belastingplichtigen die gebruikmaken van de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting, ongeacht of het gaat om de zuivere nationale regeling, dan wel om de grensoverschrijdende regeling ingesteld bij Richtlijn 2020/285. Overweging 3 van Richtlijn 2020/285 bepaalt dat "Om de onevenredige nalevingslast aan te pakken waaronder vrijgestelde kleine ondernemingen gebukt gaan, moet hun een aantal vereenvoudigingsmaatregelen ter beschikking worden gesteld.". In die context preciseert overweging 16 van dezelfde richtlijn dat "Kleine ondernemingen die in de lidstaat waar zij zijn gevestigd gebruikmaken van de vrijstelling, [moeten] op zijn minst toegang [moeten] hebben tot vereenvoudigde rapporteringsverplichtingen.". Deze vereenvoudigingen passen in het streven van de Europese wetgever naar een evenwicht tussen de rechten en plichten van de belastingplichtigen die van deze vrijstellingsregeling van belasting gebruikmaken. De uitbreiding van deze vrijstellingsregeling tot handelingen die worden verricht in andere lidstaten dan de lidstaat van vestiging, heeft een passende opvolging van deze handelingen door de betrokken belastingadministraties tot gevolg, met name wat de nieuwe verplichtingen (op het gebied van identificatie en aangiften) voor deze vrijgestelde belastingplichtigen betreft. Om deze regeling administratief niet te omslachtig te maken worden vereenvoudigingen ingevoerd, zoals die op het gebied van facturering. Artikel 3, a), van dit ontwerp vult daarom artikel 13, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 aan met een bijkomend geval waarin de belastingplichtige wordt toegestaan enkel een vereenvoudigde factuur uit te reiken. Het betreft met name het geval waarin hij verplicht is een factuur uit te reiken voor handelingen die hij verricht (veelal een handeling voor een andere belastingplichtige) wanneer hij gebruikmaakt van de vrijstellingsregeling van belasting bedoeld in de artikelen 56bis tot en met 56undecies van het Wetboek. Ter zake moet rekening worden gehouden met artikel 53decies van het Wetboek dat bepaalt welke lidstaat bevoegd is voor het opleggen van de regels inzake facturering. In de regel is dat de lidstaat waar de belastbare handeling van de leverancier of dienstverrichter geacht wordt plaats te vinden, tenzij die een belastbare handeling verricht in een lidstaat waar hij niet gevestigd is en de afnemer schuldenaar is van de btw op de betrokken handeling (situatie van "verlegging van heffing"). Dienovereenkomstig heeft artikel 13, eerste lid, 4°, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 enkel betrekking op de situatie waarin: - een in België gevestigde belastingplichtige belastbare handelingen verricht in België, met toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting; - een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige belastbare handelingen verricht in België met toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting. Wanneer daarentegen een in België gevestigde belastingplichtige de vrijstelling toepast in een andere lidstaat dan België, dan is laatstgenoemde lidstaat de bevoegde lidstaat inzake facturering ingevolge de belastbare handelingen die op zijn grondgebied plaatsvinden. De toepassing van de vrijstellingsregeling zal immers primeren op de eventuele toepassing van de verleggingsregeling die onder de normale btw-regeling op een voor een in die lidstaat gevestigde belastingplichtige van toepassing had kunnen zijn. Daardoor is in die omstandigheden niet de afnemer maar de belastingplichtige die de belastbare handeling verricht schuldenaar van de belasting. Dienvolgens is de lidstaat waar de belastbare handeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 219 bis van Richtlijn 2006/112/EG voor dergelijke handelingen steeds de bevoegde lidstaat inzake facturering. Derhalve zal een in België belastingplichtige ook steeds moeten nagaan of voor die handelingen die hij in een andere lidstaat met vrijstelling verricht desgevallend in die lidstaat geen ontheffing van factureringsplicht geldt overeenkomstig artikel 292 quinquies van de Richtlijn 2006/112/EG, zoals ingevoegd bij Richtlijn 2020/285. Artikel 3, b), van het ontwerp bepaalt anderzijds dat die vereenvoudigde factuur, naast de identificatiegegevens van de belastingplichtige die de handeling verricht, zijn in artikel 50 van het Wetboek bedoeld btw-identificatienummer vermeld of het individueel nummer dat hem overeenkomstig artikel 292 ter, tweede alinea, van Richtlijn 2006/112/EG door de lidstaat van vestiging werd toegekend, d.w.z. het identificatienummer van de vrijgestelde belastingplichtige inclusief het achtervoegsel "EX" in het kader van de grensoverschrijdende toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting (wijziging van artikel 13, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1). Overeenkomstig de in de toelichting met betrekking tot artikel 3, a) van dit ontwerp uiteengezette regels met betrekking tot de bevoegde lidstaat inzake facturering, zullen de regels inzake de vereenvoudigde factuur enkel van toepassing kunnen zijn voor handelingen die werden verricht in België met toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting door een belastingplichtige die hetzij in België, hetzij in een andere lidstaat gevestigd is. Dienovereenkomstig zal een in België gevestigde belastingplichtige voor die handelingen zijn in artikel 50 van het Wetboek bedoeld btw-identificatienummer moeten vermelden op de vereenvoudigde factuur, terwijl een (voor de toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting) niet in België maar in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige voor die handelingen zijn individueel nummer dat hem overeenkomstig artikel 292 ter, tweede alinea, van Richtlijn 2006/112/EG door de lidstaat van vestiging werd toegekend zal moeten vermelden. Een in België gevestigde belastingplichtige zal voor zijn in België verrichte handeling dus niet de suffix "EX" aan zijn btw-identificatienummer moeten toevoegen. Zijn in artikel 50 van het Wetboek bedoeld btw-identificatienummer met de suffix "EX" zal daarentegen, overeenkomstig de reglementering van de andere lidstaat dan België waar hij belastbare handelingen met vrijstelling van de belasting verricht, wel moeten worden vermeld op de facturen die hij gehouden is uit te reiken voor die belastbare handelingen. Artikel 56bis van het Wetboek, in zijn huidige versie, is de bepaling van het Wetboek die de vrijstellingsregeling van belasting regelt. De wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten is overgegaan tot de vervanging van artikel 56bis van het Wetboek dat nu alleen nog maar een inleidende bepaling vormt met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting. Voortaan omschrijft artikel 56bis, nieuw, wat voor de toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting moet worden verstaan onder "jaaromzet in België", "jaaromzet in de Unie" en "gevestigde belastingplichtige". De nieuwe bepaling sluit verder de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek uit van de vrijstellingsregeling van belasting en sluit eveneens belastingplichtigen die gewoonlijk welbepaalde categorieën van handelingen verrichten, voor hun gehele economische activiteit uit. Het nieuwe artikel 56ter, ingevoegd bij de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten, legt voortaan de voorwaarden vast voor de toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting in België door in België gevestigde belastingplichtigen alsook door de belastingplichtigen die in een andere lidstaat zijn gevestigd. Artikel 4 van het ontwerp past in paragraaf 4 van artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1 de verwijzing naar het Wetboek aan en verwijst derhalve voortaan naar artikel 56ter van het Wetboek. Deze bepaling betreft de ontheffing voor vrijgestelde belastingplichtigen van het houden van een boek voor ingaande en uitgaande facturen wanneer deze belastingplichtigen hun facturen bewaren in een ononderbroken volgorde waarin ze zijn uitgereikt of ontvangen en zij het in artikel 14, § 5, van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde boek houden waarin die facturen worden ingeschreven. Artikel 5 van het ontwerp wijzigt het koninklijk besluit nr. 2. In het kader van de omzetting van Richtlijn 2020/285 heeft artikel 23 van de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten artikel 56undecies in het Wetboek ingevoegd. Krachtens artikel 56undecies van het Wetboek bepaalt de Koning onder meer de toepassingsmodaliteiten inzake de wijziging van belastingregeling, alsook de wijze waarop herzieningen worden doorgevoerd bij een dergelijke wijziging. De overgang van de regeling van forfaitaire grondslagen van aanslag bedoeld in artikel 56 van het Wetboek en in het koninklijk besluit nr. 2 naar de vrijstellingsregeling van belasting maakt het voorwerp uit van artikel 4 van dat besluit. De huidige regeling voorziet dat belastingplichtigen onderworpen aan de forfaitaire regeling de vrijstellingsregeling van belasting kunnen genieten vanaf 1 juli of zelfs vanaf 1 januari van het volgend kalenderjaar mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan wat de in het voorafgaande kalenderjaar gerealiseerde omzet betreft. De wijziging van belastingregeling is tevens onderworpen aan een kennisgeving, en in het geval van wijziging op 1 januari, van een aanvraag, gericht aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde. Artikel 5 van het ontwerp dat artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 2 vervangt, wijzigt de regels met betrekking tot de overgang van de forfaitaire regeling naar de vrijstellingsregeling van belasting. Voortaan kunnen belastingplichtigen onderworpen aan de forfaitaire regeling overeenkomstig artikel 56ter, § 1, van het Wetboek gebruikmaken van de vrijstellingsregeling van belasting vanaf 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober van het volgende kalenderjaar. De wijziging van belastingregeling is eveneens onderworpen aan de voorwaarde dat de totale omzet die in het kalenderjaar voorafgaand aan de wijziging van de belastingregeling onder de forfaitaire regeling is gerealiseerd niet het in artikel 56ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek bedoeld bedrag heeft overschreden, met name 25.000 euro. Die drempel is immers niet gewijzigd in het kader van de omzetting van Richtlijn 2020/285. Zoals in het algemeen het geval is voor de toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting in België, worden uitsluitend bedoeld de belastingplichtigen die de zetel van hun economische activiteit in België hebben gevestigd, overeenkomstig de definitie van het begrip "gevestigde belastingplichtige" voor de toepassing van deze regeling, opgenomen in artikel 56bis, § 1, 3°, van het Wetboek. Om elke dubbelzinnigheid op dit punt weg te nemen, voegt artikel 4, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 2 deze verduidelijking toe. De wijziging van belastingregeling is afhankelijk van een aanvraag via een aangifte, waarvan de indieningstermijn en de modaliteiten zijn vastgelegd in artikel 3, § 2, tweede tot en met vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 19. Artikel 3, § 2, vierde en vijfde lid, van voormeld koninklijk besluit nr. 19 bepaalt bovendien wanneer de wijziging van belastingregeling in werking treedt. De bij de overgang naar de vrijstellingsregeling van belasting geldende regels inzake de herziening van de aftrek blijven ongewijzigd. Bijgevolg verwijst artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 2 wat deze verschillende regels betreft naar de bepalingen van artikelen 3, § 2, en 4 van het koninklijk besluit nr. 19. De artikelen 6, en 7 van het ontwerp wijzigen het koninklijk besluit nr. 22. Zoals hiervoor reeds vermeld, regelt artikel 56bis van het Wetboek, in zijn huidige versie, de vrijstellingsregeling van belasting. De omzetting van Richtlijn 2020/285 bij de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten heeft tot gevolg dat de vrijstellingsregeling van belasting voortaan niet alleen het voorwerp uitmaakt van het vervangen artikel 56bis, maar ook van de door voormelde wet in het Wetboek ingevoegde artikelen 56ter tot en met 56undecies. De artikelen 6 en 7 van het ontwerp brengen om die reden een wijziging van legistieke aard aan in de inleidende zin van artikel 4, § 1, eerste lid, en in artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 22. In die artikelen wordt de verwijzing naar artikel 56bis van het Wetboek dan ook vervangen door een verwijzing naar de artikelen 56bis tot en met 56undecies. Artikel 8 van het ontwerp wijzigt artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 23. In het kader van de omzetting van Richtlijn 2020/285 heeft artikel 17 van de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten artikel 56quinquies in het Wetboek ingevoegd. Paragraaf 2 van artikel 56quinquies van het Wetboek bepaalt dat de in artikel 56ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige (d.w.z. de in België gevestigde belastingplichtige die in casu alleen in België van de vrijstellingsregeling van belasting gebruikmaakt) aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, voor elk kalenderjaar het totale bedrag meedeelt van de leveringen en/of diensten die tijdens het kalenderjaar in België zijn verricht, of "0" wanneer geen leveringen van goederen of diensten zijn verricht. Artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 19, genomen in uitvoering van voormeld artikel 56undecies van het Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten, bepaalt dat de in artikel 56quinquies, § 2, van het Wetboek bedoelde inlichtingen langs elektronische weg worden verzonden door middel van een door de minister van Financiën bepaalde internettoepassing. Die aangifteverplichting, die geldt voor alle in artikel 56ter, § 1, nieuw, van het Wetboek bedoelde belastingplichtigen, vervangt de verplichting (die geldt voor bepaalde belastingplichtigen die onder de vrijstellingsregeling vallen) om die omzet aan te geven ter gelegenheid van de indiening van de in artikel 53quinquies van het Wetboek bedoelde jaarlijkse lijst van belastingplichtige afnemers. Die verplichting maakt het voorwerp uit van het huidige artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 23. Artikel 8 van dit ontwerp heft bijgevolg die overbodig geworden bepaling op. Artikel 9 van het ontwerp wijzigt het koninklijk besluit nr. 44. Afdeling 1 van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 stelt het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde vast wat betreft de aangifteverplichtingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde. Rubriek II van voormelde afdeling 1 heeft betrekking op de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde wat de aangiften betreft bedoeld in de artikelen 53ter, 1°, 58ter, § 6, 58quater, § 6, en 58quinquies, § 6, van het Wetboek, in artikel 18, § 7, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1 en in artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 14. Artikel 56quinquies, § 1, van het Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten, bepaalt dat een in België gevestigde belastingplichtige die in een andere lidstaat waar hij niet is gevestigd, de in titel XII, hoofdstuk 1, van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde vrijstelling wenst te genieten, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde voor elk kalenderkwartaal bepaalde gegevens verstrekt. Het betreft gegevens met betrekking tot de door die belastingplichtige in België en in andere lidstaten gerealiseerde omzet. Paragraaf 2 van artikel 56quinquies, van het Wetboek bepaalt bovendien dat de in artikel 56ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige, zijnde een in België gevestigde belastingplichtige die in België gebruikmaakt van de vrijstellingsregeling van belasting, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, voor elk kalenderjaar het totale bedrag meedeelt van de leveringen en/of diensten die tijdens het kalenderjaar in België zijn verricht. De voormelde gegevens moeten binnen een welbepaalde termijn aan de administratie worden verstrekt. Artikel 9 van het ontwerp wijzigt het opschrift van rubriek II van afdeling 1 van de bijlage van het koninklijk besluit nr. 44 en voegt er het artikel 56quinquies van het Wetboek in. Voortaan is derhalve voorzien in niet-proportionele fiscale geldboeten voor het niet of laattijdig meedelen van de gegevens. Het barema van deze boeten blijft ongewijzigd. Artikel 10 van het ontwerp brengt ten slotte een wijziging van legistieke aard aan in artikel 27, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 56. Deze bepaling heeft betrekking op gevallen waarin de lidstaat van vestiging van de belastingplichtige verzoeken om teruggaaf van btw op grond van Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, niet doorstuurt naar de lidstaat van teruggaaf. Inderdaad, voor zover belastingplichtigen die gebruikmaken van de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting, geen enkel recht op aftrek hebben van de btw geheven op hun inkomende handelingen die verband houden met de onder de vrijstellingsregeling van belasting verrichte handelingen (zie in dit verband artikel 169, a), nieuw, van Richtlijn 2006/112/EG, vervangen bij Richtlijn 2020/285), kunnen zij evenmin teruggaaf krijgen van de btw die hen in rekening werd gebracht in de lidstaat waar ze niet gevestigd zijn maar waar ze wel handelingen verrichten. Er wordt ter zake verwezen naar de toelichting bij de artikelen 6 en 7 van dit ontwerp. HOOFDSTUK 3. - Technische wijzigingen in de nationale regelgeving Artikelen 11 en 13 De artikelen 11 en 13 van dit ontwerp brengen correcties aan in de artikelen 14 en 18bis van het koninklijk besluit nr. 3. Artikel 12 van het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten0 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 2bis, 3, 14, 19, 22, 31, 41 en 44 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en tot uitstel van de datum van inwerkingtreding van de wet van 12 maart 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/2023 pub. 23/03/2023 numac 2023041020 bron federale overheidsdienst financien Wet tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën sluiten tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën (Belgisch Staatsblad van 22 december 2023) (hierna: "het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten0") heeft artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 3, opgeheven bij het koninklijk besluit van 31 maart 1978 (Belgisch Staatsblad van 11 april 1978), hersteld in een nieuwe opmaak. Artikel 14, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 3 bepaalt de modaliteiten van de voorafgaande kennisgeving door gemengde belastingplichtigen die hun recht op aftrek uitoefenen volgens de regeling van het algemeen verhoudingsgetal. Die kennisgeving geldt voor onbepaalde duur. Die modaliteit is opgenomen in artikel 14, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 3, weliswaar enkel in de Franse tekst van die bepaling. Artikel 11 van dit ontwerp past de Nederlandse tekst van artikel 14, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 3 aan in de vereiste zin om beide taalversies van die bepaling op elkaar af te stemmen. Overeenkomstig artikel 46, § 2, eerste lid, van het Wetboek kan iedere belastingplichtige die in het kader van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 van het Wetboek aanspraak op aftrek bestaat, op grond van een voorafgaande kennisgeving aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, het recht op aftrek uitoefenen volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan. Artikel 18bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3 bepaalt de modaliteiten van die kennisgeving door de belastingplichtige aan de administratie. Artikel 18bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3 bepaalt bovendien dat die belastingplichtige jaarlijks bepaalde gegevens meedeelt bij de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal of één van de eerste drie maanden van het lopende kalenderjaar. Artikel 14, 4°, van het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten0 heeft in artikel 18bis, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 3, de bepaling onder 1° vervangen om er de verwijzing naar artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3 met betrekking tot de mededeling van het definitieve algemeen verhoudingsgetal voor het voorgaande kalenderjaar te actualiseren ingevolge de vervanging van artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3. Artikel 13 van dit ontwerp brengt een technische aanpassing aan in voornoemd artikel 18bis, § 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 door de verwijzing naar artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3 te optimaliseren. Eerder dan die verwijzing te corrigeren binnen het koninklijk besluit nr. 3 zelf, werd er overeenkomstig punt 9.2. van het voormelde advies 77.174/3 van de Raad van State voor geopteerd om de verwijzing naar artikel 15 van dat koninklijk besluit te vervangen door een verwijzing naar artikel 46, § 1, vijfde lid, van het Wetboek. Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de Nederlandse tekst van die bepaling aan te passen. Door de vervanging van de woorden "naargelang het geval" door de woorden "in voorkomend geval" sluit de Nederlandse tekst correct aan bij Franse versie ervan. Artikel 12 Artikel 7 van de wet van 23 november 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/11/2023 pub. 01/12/2023 numac 2023047474 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 type wet prom. 23/11/2023 pub. 01/12/2023 numac 2023047484 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende het Garantiefonds voor financiële diensten type wet prom. 23/11/2023 pub. 21/10/2024 numac 2024009393 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. - Duitse vertaling sluiten heeft artikel 46, § 1, van het Wetboek gewijzigd, wat de uitoefening van het recht op aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal betreft. Naast de invoering van een procedure van voorafgaande kennisgeving door belastingplichtigen die hun recht op aftrek volgens dergelijke regeling willen uitoefenen, bepaalt artikel 46, § 1, vierde lid, van het Wetboek dat zij tevens gehouden zijn het voorlopige en het definitieve verhoudingsgetal voor elk kalenderjaar ter kennis te brengen aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde. Artikel 49, 4°, van het Wetboek, vervangen bij de wet van 23 november 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/11/2023 pub. 01/12/2023 numac 2023047474 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 type wet prom. 23/11/2023 pub. 01/12/2023 numac 2023047484 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende het Garantiefonds voor financiële diensten type wet prom. 23/11/2023 pub. 21/10/2024 numac 2024009393 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. - Duitse vertaling sluiten, bepaalt dat de Koning de wijze bepaalt waarop en de mate waarin de aftrek en de herziening worden verricht overeenkomstig artikel 46, § 1, van het Wetboek. Artikel 13 van het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten0 heeft in uitvoering van artikel 46, § 1, 4°, van het Wetboek, artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3 vervangen. Artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3 regelt de procedure voor de jaarlijkse mededeling van de voorlopige en definitieve algemene verhoudingsgetallen. Elk jaar stelt de belastingplichtige die de aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal verricht, dit algemeen verhoudingsgetal voorlopig vast op basis van de in het voorgaande kalenderjaar verrichte handelingen. Dat algemeen verhoudingsgetal wordt vervolgens definitief vastgesteld uiterlijk op 20 april van het volgende kalenderjaar, dat wil zeggen op het tijdstip dat de periodieke btw-aangifte voor het eerste kwartaal (voor driemaandelijkse indieners) of voor de maand maart (voor maandelijkse indieners) van het volgende kalenderjaar wordt ingediend. De belastingplichtige doet in deze periodieke aangifte de eventuele herzieningen. Rekening houdend met de omvang van de wijzigingen aangebracht aan artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3, werd deze bepaling vervangen bij artikel 13 van het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten0. Bij deze vervanging werd een bestaand lid van artikel 15 in de opmaak vóór de vervanging ervan bij het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten0 niet mee overgenomen. Eerder dan dat lid terug te hernemen in artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3, werd er, overeenkomstig punt 9.1. van het voormelde advies 77.174/3 van de Raad van State, voor geopteerd om de referentie in artikel 16 van dat koninklijk besluit naar artikel 15 van datzelfde besluit te vervangen door een verwijzing naar artikel 46, § 1, vijfde lid, van het Wetboek. Dat artikel omvat namelijk al de regels die werden opgenomen in het bij het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten0 niet mee overgenomen lid van artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3. Artikel 14 Artikel 6 van het koninklijk besluit van 7 november 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/12/2012 pub. 21/12/2012 numac 2012003385 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (1) type wet prom. 17/12/2012 pub. 21/12/2012 numac 2012003382 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (1) sluiten5 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 7, 10, 24, 31, 35, 46 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 25 november 2019) heeft artikel 40, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7 gewijzigd. In die bepaling werd een achterhaalde verwijzing naar de Europese regelgeving aangepast. Er werd in artikel 40, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7 met betrekking tot de douaneregeling die van toepassing is bij de terugkeer van uitgevoerde goederen nog verwezen naar "de artikelen 185 en 186 van de verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992, tot vaststelling van het communautaire douanewetboek". Dat Douanewetboek heeft het voorwerp uitgemaakt van een volledige herschikking die aanleiding gegeven heeft tot het douanewetboek van de Unie, middels de Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie. Artikel 6 van het voornoemd koninklijk besluit van 7 november 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/12/2012 pub. 21/12/2012 numac 2012003385 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (1) type wet prom. 17/12/2012 pub. 21/12/2012 numac 2012003382 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (1) sluiten5 heeft de verwijzing in artikel 40, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7 aangepast en verwijst derhalve thans naar artikel 259 van de voornoemde Verordening (EU) nr. 952/2013. De aangepaste verwijzing in artikel 40, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7 naar artikel 259 van de Verordening (EU) nr. 952/2013 dient te worden aangepast. Artikel 259 van de Verordening nr. 952/2013 handelt namelijk over de douaneregeling inzake passieve veredeling. Artikel 40, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7 heeft echter betrekking op de douaneregeling die van toepassing is bij de wederinvoer van voorheen uitgevoerde goederen. Die regeling maakt het voorwerp uit van artikel 203 van de voormelde verordening. Artikel 14 van het ontwerp past die verwijzing in artikel 40, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7 dienovereenkomstig aan. Artikel 15 Artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 22 bepaalt dat, in de mate waarin de landbouwondernemer onderworpen is aan de bijzondere regeling ingesteld bij artikel 57 van het Wetboek, hij het recht op aftrek van de belasting die drukt op de onderscheiden bestanddelen van de prijs van de handelingen die hij verricht, niet mag uitoefenen overeenkomstig de artikelen 45 tot en met 49 van het Wetboek. Artikel 3, tweede lid, van dat besluit specifieert dat het bedrag van die belasting door de koper of ontvanger aan de landbouwondernemer wordt terugbetaald onder de vorm van forfaitaire compensaties ter gelegenheid van de handelingen waarop artikel 57, § 1, derde lid, 1° en 2°, van het Wetboek van toepassing is, wanneer die koper of ontvanger een belastingplichtige is of een niet-belastingplichtige rechtspersoon als bedoeld in artikel 57, § 2, 1°, 2° en 3°, van het Wetboek. De verwijzing opgenomen in fine van artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 22 moet worden verfijnd. Artikel 15 van het ontwerp brengt in die bepaling een correctie van legistieke aard aan en voegt daarom de woorden "tweede lid" in na de woorden "artikel 57, § 2,". HOOFDSTUK 4 - Slotbepalingen Artikel 16 Artikel 16 van het ontwerp legt de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 2 van het ontwerp vast op 1 januari 2025. Die datum stemt overeen met de bepalingen van artikel 3 van Richtlijn 2020/285 dat de lidstaten oplegt om, enerzijds, uiterlijk op 31 december 2024 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan die richtlijn te voldoen en, anderzijds, die bepalingen toe te passen met ingang van 1 januari 2025. De inwerkingtreding van de andere bepalingen van dit ontwerp wordt bepaald overeenkomstig de basisregel, namelijk op de tiende dag volgend op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad. Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De minister van Financiën, V. VAN PETEGHEM Advies 77.174/3 van 3 december 2024 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 4, 7, 22, 23, 41, 44 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde' Op 31 oktober 2024 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 4, 7, 22, 23, 41, 44 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde'. Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 26 november 2024. De kamer was samengesteld uit Jeroen Van Nieuwenhove, kamervoorzitter, Koen Muylle en Elly Van de Velde, staatsraden, Bruno Peeters, assessor, en Annemie Goossens, griffier. Het verslag is uitgebracht door Allan Magerotte, adjunct-auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Elly Van de Velde, staatsraad. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 3 december 2024. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Voorafgaande opmerking 2. Rekening houdend met het ogenblik waarop dit advies wordt gegeven, vestigt de afdeling Wetgeving de aandacht van de adviesaanvrager erop dat de ontbinding van de Wetgevende Kamers tot gevolg heeft dat de regering sedert die datum en totdat, na de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, een nieuwe regering is benoemd door de Koning, niet meer over de volheid van haar bevoegdheid beschikt.Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens die de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van verordeningen noodzakelijk is. Strekking van het ontwerp 3. Zoals uit het opschrift ervan blijkt, strekt het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van tien koninklijke besluiten met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde. De volgende koninklijk besluiten worden gewijzigd: - koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 `met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde'; - koninklijk besluit nr. 2 van 19 december 2018 `met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde'; - koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 `met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde'; - koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 `met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde'; - koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 `met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde'; - koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 `met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde'; - koninklijk besluit nr. 23 van 9 december 2009 `met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btw belastingplichtige afnemers'; - koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 `tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde'; - koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 `tot vaststelling van het bedrag van de niet proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde'; - koninklijk besluit nr. 56 van 10 april 2022 `met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf en aan niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen'. Luidens hoofdstuk 1 van het ontwerp kaderen deze wijzigingen binnen de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad van 18 februari 2020 `tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en uitwisseling van inlichtingen voor doeleinden van toezicht op de juiste uitvoering van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen'. Het ontwerp vormt ook een gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 `betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde' (artikel 1 van het ontwerp). 3.1. De wijzigingen in de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 22, 23, 44 en 56 houden verband met de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen (hoofdstuk 2 van het ontwerp). Deze wijzigingen zijn het gevolg van de omzetting van richtlijn (EU) 2020/285 bij de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten `tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen'. De artikelen 2 en 3 van het ontwerp wijzigen de artikelen 5, § 1, respectievelijk 13 van het koninklijk besluit nr. 1 en bepalen dat belastingplichtigen die gebruik maken van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen mogen kiezen tussen het uitreiken van een volledige of een vereenvoudigde factuur. De artikelen 4, 6, 8 en 11 van het ontwerp brengen in respectievelijk artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1, de artikelen 4, § 1, eerste lid, inleidende zin, en 8 van het koninklijk besluit nr. 22, en artikel 27, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 56 verwijzingen aan naar bepalingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde van 3 juli 1969 (hierna: Btw-wetboek) zoals gewijzigd bij de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten. Artikel 5 van het ontwerp vervangt artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 2 dat de overgang regelt van de forfaitaire regeling vervat in artikel 56 van het Btw-wetboek en in het koninklijk besluit nr. 2 naar de vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen. Hierbij wordt verwezen naar de artikelen 2, § 2, tweede tot en met vijfde lid, en 3, § 1, van het (ontworpen) koninklijk besluit nr. 19 `met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen', waarover de Raad van State advies 77.172/3 heeft gegeven op dezelfde dag als dit advies. Artikel 7 van het ontwerp vervangt artikel 7, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 22. De thans geldende versie van artikel 7, eerste lid, eerste zin, van dat koninklijk besluit bepaalt dat wanneer een landbouwondernemer de bijzondere regeling voor landbouwondernemers vervat in artikel 57 van het Btw-wetboek geniet, en reeds de hoedanigheid van belastingplichtige heeft omdat hij een andere werkzaamheid uitoefent waarvoor hij is onderworpen aan de bijzondere regelingen van de artikelen 56 en 56bis van het Btw-wetboek (1), deze landbouwondernemer wordt geacht twee onderscheiden sectoren te hebben overeenstemmend met ieder van die werkzaamheden. Het ontwerp voegt hieraan de normale belastingregeling toe waaraan de landbouwondernemer voor een andere activiteit kan zijn onderworpen en actualiseert de verwijzing naar het relevante artikel voor de vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen. Artikel 9 van het ontwerp heft artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 23 op, aangezien de daarin vermelde aangifteverplichting wordt opgenomen in artikel 6 van het voormelde (ontworpen) koninklijk besluit nr. 19. Artikel 10 van het ontwerp wijzigt het opschrift van rubriek II van afdeling 1 van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44. Deze afdeling stelt het bedrag vast van de niet-proportionele fiscale geldboete voor aangifteverplichtingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde. Het ontwerp voegt aan die rubriek ook de aangifteplicht vervat in artikel 56quinquies van het Btw wetboek toe, zoals ingevoegd bij de wet van 21 maart 2024Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/2024 pub. 09/04/2024 numac 2024002757 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen sluiten. 3.2. Hoofdstuk 3 van het ontwerp wijzigt het koninklijk besluit nr. 1 in die zin dat een verleggingsregeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde wordt ingevoegd voor leveringen van recuperatiestoffen en -producten. Hiertoe worden in artikel 12 van het ontwerp lijsten opgenomen van wat wel en wat niet als recuperatiestoffen en -producten worden beschouwd. Artikel 13 van het ontwerp brengt de nodige wijzigingen aan in bijlage II bij het koninklijk besluit nr. 1. Aangezien de gemachtigde aan de auditeur-verslaggever bevestigde dat hoofdstuk 3 uit het ontwerp zal worden weggelaten, heeft de Raad van State de artikelen 12 en 13, alsook artikel 21, eerste lid, van het ontwerp, in zoverre het aan hoofdstuk 3 refereert (zie hierna opmerking 3.4), niet onderzocht. 3.3. Hoofdstuk 4 van het ontwerp bevat technische wijzigingen aan de koninklijke besluiten nrs. 3, 4, 7, 22 en 41 (artikelen 14 tot 20 van het ontwerp). 3.4. Hoofdstuk 5 bepaalt dat de hoofdstukken 2 en 3 van het te nemen besluit in werking treden op 1 januari 2025 en dat artikel 15 van hoofdstuk 4 ervan uitwerking heeft op (lees: "met ingang van") 1 januari 2024 (artikel 21 van het ontwerp). Rechtsgrond 4. Het ontwerp vindt, onder voorbehoud van wat volgt, rechtsgrond in de bepalingen vermeld in de volgende door de gemachtigde aangeleverde rechtsgrondentabel: Rechtsgrondentabel - Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten Nrs.1, 2, 3, 4, 7, 22, 23, 41, 44 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde Hoofdstuk 2: Bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen Artikel van het ontwerp Gewijzigde bepaling Bepaling artikel Rechtsgrond Btw-Wetboek Tekst van de rechtsgrond bepaling(en) Art. 2 Artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 5, § 1, 10quater Artikel 53decies, § 2 § 2. De Koning kan de regels voor de uitreiking van facturen bepalen en maatregelen nemen wat de vereenvoudiging van facturen betreft. Art. 3 Artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 13, eerste lid, 4° Artikel 53decies, § 2 § 2. De Koning kan de regels voor de uitreiking van facturen bepalen en maatregelen nemen wat de vereenvoudiging van facturen betreft. Art. 13, tweede lid, 2° Art. 4 Artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 14, § 4 Artikel 54, eerste lid Onverminderd de bevoegdheden die Hem bij de artikelen 51 tot 53duodecies worden verleend, bepaalt de Koning op welke wijze de maatstaf van heffing en het bedrag van de belasting worden afgerond, de wijze van voldoening van de belasting, de inhoud van de door de belastingplichtigen uit te reiken facturen, de door de belastingplichtigen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen te houden en voor te leggen boeken en stukken, de verplichtingen van de medecontractanten van de schuldenaars van de belasting en alle andere voorzieningen, nodig om de voldoening van de belasting te verzekeren. Artikel 53duodecies De Koning regelt de praktische toepassingsmodaliteiten van de artikelen 53 tot en met 53undecies. Art. 5 Artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 2 van 19 december 2018 met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde, vervangen Art. 4 Artikel 56, § 5, eerste lid § 5. De Koning stelt de praktische toepassingsvoorwaarden en de formaliteiten vast onder meer wat betreft de aanvang, de wijziging of de stopzetting van de activiteit, de belastingregeling en de modaliteiten voor de uitoefening van de in paragraaf 4 bedoelde opties. Artikel 56undecies De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze onderafdeling wat betreft de vorm van de in artikelen 56ter, § 1, vierde lid en 56quater, § 1, 1°, bedoelde voorafgaandelijke kennisgeving, de wijziging of stopzetting van de activiteit of van de belastingregeling, de wijze waarop herzieningen worden doorgevoerd bij een wijziging van de belastingregeling en de wijze waarop de in de artikelen 56quater, § 3, en 56quinquies bedoelde gegevens aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde wordt verstrekt. Art. 6 Artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde Art. 4, § 1, eerste lid, inleidende zin Artikel 57, § 7, eerste lid § 7. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel met betrekking tot de forfaitaire compensatiepercentages, de vermeldingen en de uitreikingsmodaliteiten van het door de belastingplichtige koper of ontvanger uitgereikte document aan de landbouwondernemer en de administratieve formaliteiten die noodzakelijk zijn om de toepassing van deze regeling doeltreffend te controleren. Art. 7 Artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde Art. 7, eerste lid Artikel 57, § 7, eerste lid § 7. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel met betrekking tot de forfaitaire compensatiepercentages, de vermeldingen en de uitreikingsmodaliteiten van het door de belastingplichtige koper of ontvanger uitgereikte document aan de landbouwondernemer en de administratieve formaliteiten die noodzakelijk zijn om de toepassing van deze regeling doeltreffend te controleren. Art. 8 Artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernem …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.