← België

Wet houdende instemming met : a) Europees Verdrag betreffende de uitlevering, opgemaakt te Parijs op 13 december 1957; b) Aanvullend Protocol bij het

Kort samengevat

Deze wet bekrachtigt internationale verdragen en protocollen over uitlevering, met als doel de samenwerking tussen landen te verbeteren bij het overdragen van personen voor strafrechtelijke vervolging of de tenuitvoerlegging van straffen. Het regelt de procedures en voorwaarden waaronder landen elkaar kunnen verzoeken om uitlevering.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

📄 Wettekst
22 APRIL 1997. - Wet houdende instemming met : a) Europees Verdrag betreffende de uitlevering, opgemaakt te Parijs op 13 december 1957; b) Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende de uitlevering, opgemaakt te Straatsburg op 15 oktober 1975;c) Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende de uitlevering, opgemaakt te Straatsburg op 17 maart 1978, en d) Akkoord tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen betreffende de vereenvoudiging en de modernisering van de wijze van toezending van uitleveringsverzoeken, opgemaakt te San Sebastian op 26 mei 1989. Corrigendum en erratum I. CORRIGENDUM A. EUROPEES VERDRAG BETREFFENDE DE UITLEVERING, OPGEMAAKT TE PARIJS OP 13 DECEMBER 1957; In het Belgisch Staatsblad nr. 222 van 22 november 1997 dienen vanaf bladzijde 31026 volgende verbeteringen te worden aangebracht : In de Franse versie van het verdrag moeten de woorden « Convention », « Partie Contractante » en « Secrétaire Général du Conseil de l'Europe » steeds met een hoofdletter geschreven worden. In artikel 2, paragraaf 4 van de Franse tekst moet een apostrof geplaatst worden tussen « d » en « adhésion » zodat men leest « d`adhésion ». In artikel 9, laatste zin van de Nederlandse tekst moet het woord « de » vervangen worden door het woord « te » zodat men leest « ... geen vervolging in te stellen ». In de laatste zin van artikel 13 van de Franse tekst moet het werkwoord « financer » vervangen worden door het werkwoord « fixer ». In artikel 14, paragraaf 2 van de Franse tekst moet een apostrof geplaatst worden tussen « d » en « une » zodat men leest « d'une part ». In artikel 20, eerste paragraaf, punt (b) van de Franse tekst moet een accentteken -é geplaatst worden op de letter « e » van het woord « trouves » zodat men leest « trouvés ». In artikel 21, paragraaf 4, punt (a) van de Franse tekst moet een apostrof geplaatst worden tussen « l » en « existence » zodat men leest « l'existence ». In artikel 21, paragraaf 6 van de Nederlandse tekst moet het woord « al » vervangen worden door het woord « of ». De titel van artikel 25 van de Nederlandse tekst luidt als volgt : « Definitie van de term « maatregelen » ». Het artikel volgend op artikel 27 draagt het nummer « 28 » in plaats van « 25 ». In de titel van artikel « 28 » van de Nederlandse tekst moet het woord « tusselt » vervangen worden door het woord « tussen ». B. AANVULLEND PROTOCOL BIJ HET EUROPEES VERDRAG BETREFFENDE DE UITLEVERING, OPGEMAAKT TE STRAATSBURG OP 15 OKTOBER 1975; In het Belgisch Staatsblad nr. 222 van 22 november 1997 dienen vanaf bladzijde 31033, volgende verbeteringen te worden aangebracht. In de Franse versie van het Protocol moeten de woorden « Partie Contractante », « Comité européen pour les Problèmes Criminels du Conseil de l'Europe » en « Secrétaire Général du Conseil de l'Europe » steeds met een hoofdletter geschreven worden. In de laatste zin van artikel 3, paragraaf 1 van de Franse tekst moet het lidwoord « la » vervangen worden door het lidwoord « le » voor de woorden « Secrétaire Général du Conseil de l'Europe ». In paragraaf 2 van hetzelfde artikel van de Franse tekst moet het woord « entre » vervangen worden door het woord « entrera ». In artikel 5, paragraaf 1 van de Franse tekst ontbreekt de term « d'approbation » tussen de woorden « d'acceptation » en « ou d'adhésion » zodat men leest « . de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion,... ». In artikel 6, paragraaf 1 van de Franse tekst ontbreekt de term « d'approbation » tussen de woorden « d'acceptation » en « ou d'adhésion » zodat men leest « . de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion,... ». In artikel 9, punt b) van de Franse tekst ontbreekt de term « d'approbation » tussen de woorden « d'acceptation » en « ou d'adhésion » zodat men leest « . de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion,... ». In punt g) moet het woord « de » vervangen worden door het woord « et » zodat men leest « ... l'article 8 et la date à laquelle la dénonciation... » C. TWEEDE AANVULLEND PROTOCOL BIJ HET EUROPEES VERDRAG BETREFFENDE DE UITLEVERING, OPGEMAAKT TE STRAATSBURG OP 17 MAART 1978; In het Belgisch Staatsblad nr. 222 van 22 november 1997 dienen vanaf bladzijde 31035, volgende verbeteringen te worden aangebracht. In de Franse versie van het Aanvullend Protocol moeten de woorden « Partie Contractante », « Partie », Ministère de la Justice », « Comité Européen pour les Problèmes Criminels du Conseil de l'Europe », « Titre » en « Secrétaire Général du Conseil de l'Europe » steeds met een hoofdletter geschreven worden. In artikel 2, de inleidende zin van de Franse tekst moet een accentteken -é geplaatst worden op de tweede letter « e » van het woord « remplace » zodat men leest « remplacé »; ook in punt 2 moet een accentteken -é geplaatst worden op de tweede letter « e » van het woord « requerante » zodat men leest « requérante ». In artikel 5 van de Franse tekst moet een accentteken -é geplaatst worden op de eerste letter « e » van het woord « formulee » zodat men leest « formulée ». _______ Nota (1) Zie de Belgische Staatsbladen van 22 november 1997, van 28 februari 1998 en van 27 november 1998. II. ERRATUM A. EUROPEES VERDRAG BETREFFENDE DE UITLEVERING, OPGEMAAKT TE PARIJS OP 13 DECEMBER 1957 BELGIE Voorbehouden en verklaringen, vastgelegd in de brief d.d. 3 juni 1997 van de Minister van Buitenlandse Zaken van België, afgegeven aan de Secretaris-Generaal bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging op 29 augustus 1997 - Or. Frans Verklaringen Artikel 1 De Belgische Regering is van oordeel dat het voorbehoud van Portugal bij artikel 1, alinea c, onverenigbaar is met het voorwerp van het Verdrag. Het voorbehoud wordt uitgelegd als wordt de uitlevering alleen geweigerd indien, overeenkomstig de wet van de verzoekende Staat, de tot levenslang veroordeelde persoon ingevolge een rechterlijke of administratieve procedure niet in aanmerking komt voor vrijlating na een zekere tijd. Artikel 14 België is van oordeel dat het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is wanneer de persoon om wiens uitlevering het heeft verzocht er uitdrukkelijk in heeft toegestemd door een rechterlijke autoriteit van de aangezochte Staat te worden vervolgd en gestraft ter zake van enig feit, welk dan ook, indien de wet van bedoelde Staat in zodanige mogelijkheid voorziet. Indien daarentegen België om de uitlevering is verzocht, is het van oordeel dat, wanneer de uit te leveren persoon formeel afstand heeft gedaan van de formaliteiten en waarborgen van de uitlevering, het specialiteitsbeginsel niet langer van toepassing is. Artikel 15 België is van oordeel dat de in artikel 15 bedoelde uitzondering mede van toepassing is op het geval waarin de aan België overgeleverde persoon heeft afgezien van het specialiteitsbeginsel, overeenkomstig de wet van de aangezochte Partij. Artikel 21 De Belgische Regering staat de doortocht door haar grondgebied slechts toe op dezelfde voorwaarden als gelden voor uitlevering. Artikel 23 Indien het uitleveringsverzoek en de over te leggen stukken zijn gesteld in de taal van de verzoekende Partij en deze taal noch het Nederlands, noch het Frans, noch het Duits is, dienen deze vergezeld te gaan van een vertaling in het Frans. Voorbehouden Artikel 1 België behoudt zich het recht voor de uitlevering niet toe te staan indien de mogelijkheid bestaat dat de opgeëiste persoon voor een buitengewone rechtbank dient te verschijnen, of indien de uitlevering wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die door zodanige rechtbank is uitgesproken. De uitlevering zal niet worden toegestaan indien de overlevering uitzonderlijk ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor de opgeëiste persoon, in het bijzonder gelet op zijn leeftijd of gezondheid. Artikel 18 Aan de verplichting van invrijheidstelling na afloop van een termijn van 30 dagen, als bepaald in het vierde lid van artikel 18, wordt niet voldaan ingeval de opgeëiste persoon beroep heeft ingesteld tegen de beslissing tot uitlevering of aangaande de wettelijkheid van zijn aanhouding. Artikel 19 De Belgische Regering staat de tijdelijke uitlevering als bedoeld in het tweede lid van artikel 19 alleen dan toe wanneer het een persoon betreft die een straf uitzit op haar grondgebied en indien bijzondere omstandigheden zulks vereisen. Artikel 28 In het licht van de bijzondere regeling die tussen de Beneluxlanden geldt, aanvaardt de Belgische Regering het eerste en tweede lid van artikel 28 niet in de betrekkingen met het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg. De Belgische Regering behoudt zich de mogelijkheid voor af te wijken van deze bepalingen in haar betrekkingen met de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap. BULGARIJE Voorbehouden en verklaringen gedaan bij de ondertekening op 30 september 1993, en bevestigd bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging op 17 juni 1994 - Or. Frans Voorbehoud bij artikel 1 : De uitlevering kan worden geweigerd indien de vervolgde persoon in de verzoekende Staat voor een buitengewone rechtbank dient te verschijnen of indien een door zodanige rechtbank uitgesproken vonnis ten aanzien van deze persoon ten uitvoer moet worden gelegd. Voorbehoud bij artikel 4 : De uitlevering voor militaire delicten die tevens strafbare feiten naar de gewone strafwet zijn, kan alleen worden toegestaan op voorwaarde dat de uitgeleverde persoon niet door een militaire rechtbank wordt gevonnist of niet van een militair delict wordt beschuldigd. Verklaring bij artikel 6, lid 1 (b) : De Republiek Bulgarije verklaart dat zij als onderdaan in de zin van dit Verdrag zal erkennen elk persoon die de Bulgaarse nationaliteit heeft op het ogenblik van de beslissing over de uitlevering. Voorbehoud bij artikel 7 : De Republiek Bulgarije verklaart dat zij het recht heeft de uitlevering te weigeren indien de verzoekende Partij de uitlevering weigert in soortgelijke gevallen, overeenkomstig artikel 7, tweede lid. Voorbehoud bij artikel 12 : De Republiek Bulgarije verklaart dat zij het recht heeft van de verzoekende Partij te eisen dat bewijzen worden overgelegd die staven dat de persoon wiens uitlevering is verzocht, het strafbare feit heeft gepleegd. Indien zij de overgelegde bewijzen onvoldoende acht, kan zij de uitlevering weigeren. Voorbehoud bij artikel 21 : De Republiek Bulgarije verklaart dat zij de doortocht zal toestaan op dezelfde voorwaarden als gelden voor uitlevering. Verklaring bij artikel 23 : De Republiek Bulgarije verklaart dat zij zal eisen dat alle documenten in verband met de tenuitvoerlegging van dit Verdrag, vergezeld gaan van een vertaling in een van de werktalen van de Raad van Europa. CYPRUS Voorbehouden en verklaringen gedaan bij de ondertekening op 18 september 1970 - Or. Engels Artikel 1 Artikel 11.2.f van de Cypriotische grondwet verbiedt de uitlevering van onderdanen. Bijgevolg is het bepaalde in artikel 1 van het Verdrag, wat de Republiek Cyprus betreft, alleen van toepassing op vreemdelingen. Artikel 6 Aangezien de grondwet de uitlevering van onderdanen van de Republiek Cyprus verbiedt (zie verklaring bij artikel 1), betekent de term "onderdanen" in de zin van het Verdrag, wat Cyprus betreft, "de onderdanen van de Republiek Cyprus of de personen die krachtens de geldende bepalingen op het gebied van de Cypriotische nationaliteit, gerechtigd zouden zijn om onderdaan van de Republiek te worden." Krachtens het Cypriotische strafwetboek kunnen de onderdanen van de Republiek in Cyprus worden vervolgd voor een in een vreemd land gepleegd strafbaar feit waarop de doodstraf staat dan wel een gevangenisstraf van meer dan twee jaar, indien het feit of het verzuim waaruit het delict bestaat strafbaar is volgens de wet van het land waar het werd gepleegd. Artikel 11 Indien, krachtens het Cypriotische strafwetboek, een onderdaan van Cyprus in een vreemd land een delict pleegt waarop volgens de Cypriotische wet maar niet volgens de wet van het vreemd land in kwestie, de doodstraf staat, wordt de doodstraf niet toegepast in Cyprus. De dader kan evenwel veroordeeld worden tot enige andere straf, met inbegrip van levenslange opsluiting. Artikel 21, tweede lid Met betrekking tot de onderdanen van de Republiek, zijn de verklaringen bij de artikelen 1 en 6 eveneens van toepassing op deze alinea. DENEMARKEN Voorbehouden en verklaringen vastgelegd in een brief d.d. 30 augustus 1962 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Denemarken, afgegeven aan de Secretaris-Generaal bij de nederlegging d.d. 13 september 1962 van de akte van bekrachtiging - Or. Frans Voorbehouden Artikel 1 De uitlevering is toegestaan op voorwaarde dat tegen een beschuldigde of een verdachte geen strafvervolging wordt ingesteld voor een buitengewone rechtbank. De uitlevering met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die door zodanige rechtbank is uitgesproken, kan worden geweigerd. De uitlevering kan ook worden geweigerd indien de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn, met name in verband met diens jeugdige leeftijd, zijn gezondheidstoestand of om andere persoonlijke redenen. Artikel 1, zie artikel 9 De uitlevering kan worden geweigerd indien de bevoegde autoriteiten van een derde Staat de auteur van het delict waarvoor de uitlevering is verzocht, onherroepelijk hebben veroordeeld of vrijgesproken of indien de bevoegde autoriteiten van een derde Staat hebben besloten ter zake van hetzelfde strafbare feit geen vervolging in te stellen, dan wel de ingestelde vervolging te staken. Artikel 2, eerste lid De verplichting tot uitlevering is beperkt tot de strafbare feiten waarop krachtens het Deense strafwetboek een vrijheidsstraf van meer dan een jaar en gewone hechtenis staat. Artikel 3, derde lid De vraag of een aanslag of een poging daartoe op het leven van een Staatshoofd of van een zijner familieleden als politiek delict moet worden beschouwd, wordt beoordeeld wanneer zich een geval voordoet. Artikel 4 De uitlevering voor een militair delict dat naar het burgerlijk wetboek ook een strafbaar feit is, is alleen toegestaan op voorwaarde dat de uitgeleverde niet volgens het krijgswetboek wordt veroordeeld. Artikel 12 Indien bijzondere omstandigheden daartoe lijken te nopen, kunnen de Deense autoriteiten van het verzoekende land eisen dat bewijzen worden overgelegd die afdoende het vermoeden staven dat de persoon in kwestie schuldig is. Het verzoek kan worden geweigerd indien de bewijzen ontoereikend worden geacht. Verklaringen Artikel 6 De term "onderdanen" betekent in Denemarken de onderdanen van Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden en de personen die hun woonplaats in deze landen hebben. Artikel 28, derde lid Het Verdrag is niet van toepassing op de betrekkingen van Denemarken met Noorwegen en Zweden omdat de uitlevering tussen de Scandinavische landen op grond van een eenvormige wet plaatsvindt. DUITSLAND Verklaringen en voorbehouden, gedaan bij de nederlegging d.d. 2 oktober 1976 van de akte van bekrachtiging - Or. Engels Artikel 6 De uitlevering van Duitse onderdanen door de Duitse Bondsrepubliek aan een ander land, is krachtens artikel 16, tweede lid, eerste zinsdeel van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland verboden en zal dan ook te allen tijde worden geweigerd. De term "onderdaan" in de zin van artikel 6, lid 1b. van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, heeft betrekking op alle Duitsers, in de zin van artikel 116, eerste lid van de grondwet van de Duitse Bondsrepubliek. Artikel 21 In geval van doortocht in de zin van artikel 21 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, is artikel 11 mutatis mutandis van toepassing. Artikel 21, tweede lid De doortocht van een Duits onderdaan door het grondgebied van de Duitse Bondsrepubliek is krachtens artikel 16, tweede lid, eerste zinsdeel van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland verboden en zal dan ook te allen tijde worden geweigerd. Artikel 21, lid 4a. Ingeval de doortocht door het grondgebied van de Duitse Bondsrepubliek door de lucht plaatsvindt en er geen landing is voorzien, zal de waarborg worden geëist dat, naar het weten van de verzoekende Partij en luidens de documenten in haar bezit, de uitgeleverde persoon geen Duits onderdaan is of niet beweert het te zijn. Artikel 23 Indien het verzoek tot uitlevering en de over te leggen documenten niet in het Duits zijn gesteld, dienen het verzoek en de documenten vergezeld te gaan van een vertaling in het Duits of in een van de werktalen van de Raad van Europa. Artikel 27, derde lid Het Europees Verdrag betreffende uitlevering is ook van toepassing op het Land Berlijn vanaf de datum van inwerkingtreding voor de Bondsrepubliek Duitsland; toch zal een verzoek tot uitlevering buiten het Land Berlijn van een onderdaan van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland of van de Verenigde Staten van Amerika, alleen worden ingewilligd mits de toestemming van de Commandant van de gewapende strijdkrachten van de betrokken Staat in Berlijn. Verklaring, gedaan bij de nederlegging d.d. 2 oktober 1976 van de akte van bekrachtiging - Or. Frans De Permanente Vertegenwoordiger heeft namens zijn Regering verklaard dat het Europees Verdrag betreffende uitlevering ook van toepassing is op het Land Berlijn vanaf de datum van inwerkingtreding voor de Bondsrepubliek Duitsland. Verklaring, vastgelegd in een brief d.d. 4 februari 1991 van de Permanente Vertegenwoordiger, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal op 5 februari 1991 - Or. Frans De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland is van oordeel dat het door Portugal geformuleerde voorbehoud met betrekking tot artikel 1, lid c van het Verdrag alleen verenigbaar is met de zin en het voorwerp ervan indien uitlevering zonder onderscheid wordt geweigerd wanneer het een levenslange gevangenisstraf betreft of een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt wordt opgelegd. De Regering legt het voorbehoud uit als zal de uitlevering alleen worden geweigerd indien, overeenkomstig de wet van de verzoekende Staat, de persoon die is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf geen rechtsmiddel meer heeft om, nadat hij een bepaald deel van de straf of de maatregel heeft ondergaan, een rechtbank de mogelijkheid van een eventuele voorwaardelijke straf met proeftijd voor de resterende straftijd te laten onderzoeken. Verklaring, vastgelegd in een Nota Verbaal d.d. 11 oktober 1993 van de Permanente Vertegenwoordiger, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal d.d. 13 oktober 1993 - Or. Engels De Bondsrepubliek Duitsland is van oordeel dat de verklaring van Polen met betrekking tot artikel 6, lid 1(a) van het Verdrag, dat personen die asiel hebben gekregen in Polen worden gelijkgeschakeld met Poolse onderdanen, slechts verenigbaar is met het voorwerp en het doel van het Verdrag, indien deze verklaring niet in de weg staat aan de uitlevering van deze personen naar een andere Staat dan de Staat uit hoofde waarvan het asiel werd toegestaan. ESTLAND Verklaringen, vastgelegd in de akte van bekrachtiging, nedergelegd op 28 april 1997 - Or. Engels 1) Overeenkomstig artikel 6, lid 1(b) van het Verdrag verklaart de Republiek Estland dat de term "onderdaan" in de zin van het Verdrag betekent de onderdanen van de Republiek Estland;2) Overeenkomstig artikel 6, lid 1(a) van het Verdrag behoudt de Republiek Estland zich voor de uitlevering van een onderdaan te weigeren indien deze hierin niet toestemt;3) Overeenkomstig artikel 23 van het Verdrag, verklaart de Republiek Estland dat de aan de Republiek Estland overgelegde verzoeken en de bijlagen ervan, vergezeld dienen te gaan van een vertaling in het Engels. FINLAND Verklaringen, vastgelegd in een brief d.d. 12 mei 1971 van de Ambassade van Finland in Frankrijk, afgegeven aan de Secretaris-Generaal bij de nederlegging, op dezelfde dag, van de akte van toetreding - Or. Engels Artikel 6 In de zin van dit Verdrag betekent "onderdanen" de onderdanen van Finland, Denemarken, IJsland, Noorwegen en Zweden, alsmede de vreemdelingen die in deze Staten hun woonplaats hebben. Artikel 28, derde lid Het Verdrag is niet van toepassing op de uitlevering voor strafbare feiten tussen Finland, Denemarken, IJsland, Noorwegen en Zweden, omdat de uitlevering tussen de Scandinavische landen op grond van een eenvormige wet plaatsvindt. Voorbehouden, vastgelegd in de akte van toetreding, nedergelegd op 12 mei 1971 - Or. Engels Artikel 1 Indien de uitlevering wordt toegestaan behoudt Finland zich het recht voor te bepalen dat de uitgeleverde voor het strafbaar feit niet voor een rechtbank mag worden gedaagd die slechts voorlopig of in uitzonderlijke omstandigheden kennis kan nemen van de strafbare feiten. De uitlevering die wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die door een dergelijke buitengewone rechtbank wordt uitgesproken kan worden geweigerd. Finland behoudt zich tevens voor de uitlevering te weigeren indien zij voor de persoon in kwestie uitzonderlijk ernstige gevolgen zou kunnen hebben op humanitair gebied, met name in verband met diens leeftijd, gezondheidstoestand of bepaalde bijzondere omstandigheden. Artikel 2, eerste lid De in het eerste lid van dit artikel bedoelde verplichting tot uitlevering is beperkt tot de strafbare feiten waarop krachtens de Finse wet een vrijheidsstraf van meer dan een jaar staat. Een persoon die in een vreemde Staat is veroordeeld voor een zodanig strafbaar feit, kan alleen worden uitgeleverd indien de nog niet tenuitvoergelegde straf bestaat uit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden. Artikel 3, derde lid Finland behoudt zich het recht voor het in het derde lid van dit artikel bedoelde strafbare feit te beschouwen als een politiek delict indien het werd begaan tijdens een gevecht in slagorde Artikel 4 Indien het militaire delict tevens een strafbaar feit is waarvoor doorgaans de uitlevering wordt toegestaan, behoudt Finland zich voor te bepalen dat de uitgeleverde niet kan worden veroordeeld op grond van een bepaling inzake militaire delicten. Artikel 18 Indien de aangehouden persoon wiens uitlevering werd toegestaan niet op de vastgelegde datum werd overgenomen door de verzoekende Staat, behoudt Finland zich voor hem onverwijld in vrijheid te stellen. FRANKRIJK Voorbehouden en verklaringen, vastgelegd in de akte van bekrachtiging, nedergelegd op 10 februari 1986 - Or. Frans Artikel 1 De uitlevering wordt niet toegestaan indien de opgeëiste persoon in de verzoekende Staat zou worden gevonnist door een rechtbank die geen fundamentele waarborgen biedt op het gebied van procedure en de bescherming van de rechten van de verdediging dan wel door een buitengewone rechtbank of wanneer de uitlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een straf of een door dergelijke rechtbank opgelegde maatregel. De uitlevering kan worden geweigerd indien de overlevering voor de opeëiste persoon gevolgen van bijzondere hardheid zou kunnen hebben, met name in verband met diens leeftijd of gezondheidstoestand. Artikel 2, eerste lid In het geval van vervolgde personen wordt de uitlevering slechts toegestaan voor feiten die krachtens de Franse wet en de wet van de verzoekende Staat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt met een maximum van ten minste twee jaar. Voor strengere straffen dan vrijheidsstraffen of maatregelen welke vrijheidsbeneming medebrengen, kan de uitlevering worden geweigerd indien deze straffen of maatregelen niet voorkomen in de lijst van straffen die in Frankrijk worden toegepast. Artikel 3, derde lid Frankrijk behoudt zich het recht voor, in het licht van de bijzondere omstandigheden die met een geval gepaard gaan, te bekijken of een aanslag op het leven van een staatshoofd of van een zijner familieleden een politieke dimensie heeft. Artikel 5 Frankrijk verklaart dat inzake retributies, belastingen, douane en deviezen, uitlevering aan de verzoekende Staat zal worden toegestaan indien zulks van geval tot geval bij briefwisseling is overeengekomen. Artikel 6 De uitlevering wordt geweigerd indien de opgeëiste persoon de Franse nationaliteit had op het ogenblik van de feiten. Artikel 14, derde lid Frankrijk eist dat het opnieuw omschreven strafbare feit betrekking heeft op dezelfde feiten als die waarvoor de uitlevering werd toegestaan en dat de nieuwe omschrijving niet tot gevolg heeft dat een straf moet worden toegepast waarvoor de uitlevering kan worden geweigerd. Artikel 16, tweede lid Indien de voorlopige aanhouding wordt verzocht, eist Frankrijk een beknopte vermelding van de feiten die de opgeëiste persoon, ten laste worden gelegd. Artikel 21 Frankrijk behoudt zich de mogelijkheid voor de doortocht slechts toe te laten op dezelfde voorwaarden als gelden voor uitlevering. Artikel 23 Frankrijk verklaart dat het van de verzoeken tot uitlevering en van de bijbehorende stukken een vertaling zal vragen in één van de werktalen van de Raad van Europa en wel in het Frans. Artikel 27, eerste en tweede lid De Regering van de Franse Republiek verklaart dat wat Frankrijk betreft, het Verdrag van toepassing is op de departementen in Europa en op de overzeese gebiedsdelen van de Republiek. GRIEKENLAND Voorbehouden, gedaan tijdens de nederlegging van de akte van bekrachtiging, d.d. 29 mei 1961 - Or. Frans Artikel 6 Het bepaalde in artikel 6 zal worden toegepast onder voorbehoud van de toepassing van artikel 438, alinea a. van het Griekse strafwetboek dat de uitlevering van de onderdanen van de aangezochte Partij verbiedt. Artikel 438 van het Griekse strafwetboek dat bepaalt dat voor de vaststelling van de nationaliteit van de opgeëiste persoon geen rekening wordt gehouden met de datum waarop het strafbare feit werd gepleegd, zal eveneens worden toegepast met betrekking tot letter c. van de eerste alinea. Artikel 7 De eerste alinea zal worden toegepast onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 438.b van het Griekse strafwetboek. Artikel 11 In plaats van artikel 11 van het Verdrag blijft artikel 437, eerste alinea van het Griekse strafwetboek van toepassing. Dit artikel bepaalt dat de uitlevering van een buitenlands onderdaan voor een delict waarop volgens de wet van de verzoekende Partij de doodstraf is gesteld, alleen wordt toegestaan indien de Griekse wet dezelfde straf stelt op bedoeld delict. Artikel 18 Het laatste deel van het vierde lid van artikel 18 van het Verdrag wordt aanvaard, mits toevoeging van de volgende bepaling uit artikel 454 van het Griekse strafwetboek : "op voorwaarde dat aan het nieuwe verzoek dezelfde elementen ten grondslag liggen". Artikel 19 Dit artikel wordt aanvaard onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 441 van het Griekse strafwetboek. HONGARIJE Voorbehouden en verklaringen, vastgelegd in een brief van de Permanente Vertegenwoordiger van Hongarije, afgegeven aan de Secretaris-generaal bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging op 13 juli 1993 - Or. Engels. Voorbehouden Artikel 1 Hongarije staat de uitlevering niet toe indien de gezochte persoon voor een buitengewone rechtbank dient te verschijnen of wanneer de uitlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een door dergelijke rechtbank opgelegde straf of maatregel. Bovendien behoudt Hongarije zich voor de uitlevering om humanitaire redenen te weigeren, indien zulks voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zou kunnen zijn, met name in verband met diens jeugdige leeftijd, hoge ouderdom of gezondheidstoestand of elke andere toestand die met de persoon in kwestie verband houdt, waarbij de aard van het strafbare feit en de belangen van de verzoekende Staat in aanmerking worden genomen. Artikel 6 a. Ongeacht het bepaalde in artikel 6, alinea 1.a van het Vredesverdrag dat op 10 februari 1947 tot stand kwam te Parijs, zal Hongarije de uitlevering van de eigen onderdanen niet toestaan. b. Hongarije behoudt zich het recht voor de uitlevering van personen die zich voorgoed in Hongarije hebben gevestigd, te weigeren. Artikel 11 Hongarije zal de uitlevering weigeren indien deze wordt verzocht voor de toepassing van de doodstraf of om een persoon te vervolgen die wordt beschuldigd van een strafbaar feit waarop de doodstraf is gesteld. Toch kan de uitlevering voor een strafbaar feit waarop krachtens de wet van de verzoekende Staat de doodstraf is gesteld, worden toegestaan, indien deze Staat aanvaardt de doodstraf niet te zullen toepassen ingeval deze zou worden uitgesproken. Verklaringen Artikel 16, tweede lid In geval van voorlopige aanhouding eist Hongarije een korte toelichting van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt beschuldigd. Artikel 21, tweede lid Hongarije zal de doortocht van zijn eigen onderdanen en van personen die zich voorgoed in Hongarije hebben gevestigd, weigeren. Artikel 23 Hongarije verklaart dat het zal eisen dat het uitleveringsverzoek en de bijbehorende stukken worden vertaald in het Hongaars dan wel in een van de werktalen van de Raad van Europa, indien ze niet in één van deze talen zijn gesteld. IERLAND Verklaring, vastgelegd in een brief d.d. 2 mei 1966 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Ierland, afgegeven aan de Secretaris-Generaal bij de ondertekening en de nederlegging, dezelfde dag, van de akte van bekrachtiging, - Or. Engels Ik heb de eer te verklaren dat, overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag, de term "onderdanen" in de zin van het Verdrag, voor mijn Regering, "Ierse onderdanen" betekent. Voorbehoud, vastgelegd in de akte van bekrachtiging, d.d. 2 mei 1966 - Or. Engels Artikel 9 De Ierse autoriteiten staan de uitlevering niet toe wanneer de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor de uitlevering was verzocht, onherroepelijk is berecht door een derde Staat. Verklaring, gedaan d.d. 12 juli 1988 bij de bevestiging van de bekrachtiging - Or. Engels Ingevolge een beslissing van het Ierse hooggerechtshof kan Ierland de internationale verplichtingen waartoe het zich krachtens het Europees Verdrag betreffende uitlevering had verbonden, niet nakomen. Het Hof heeft geoordeeld dat Ierland niet gebonden was door de bekrachtiging van een gelijkaardig uitleveringsverdrag, omdat dit niet eerst ter goedkeuring was voorgelegd geworden aan de Dail Eireann, als bepaald in de Ierse grondwet. Deze beslissing van het Hooggerechtshof is een precedent dat verbindend zal zijn ter zake van elke toekomstige uitleveringszaak. Hetzelfde geldt voor het Europees Verdrag betreffende uitlevering dat vóór de bekrachtiging in naam van de Ierse Regering in 1966, niet werd goedgekeurd door de Dail. Dit zal waarschijnlijk tot gevolg hebben dat in geval van betwisting voor de rechtbank de bekrachtiging door Ierland in 1966, nietig is voor het nationale recht. Om dit te verhelpen, heeft de Dail Eireann het Europees Verdrag betreffende uitlevering op 29 juni 1988 goedgekeurd. Ten einde te voldoen aan het vereiste in het nationale recht, dient de Ierse Regering dan ook de voorgaande bekrachtiging te bevestigen, door de nederlegging van een nieuwe akte van bekrachtiging. Verklaring, afgegeven per brief d.d. 13 mei 1991 van de Permanente Vertegenwoordiger, dezelfde dag geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal - Or. Engels Overeenkomstig artikel 28, derde lid van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 1957 deelt de Ierse Regering de Secretaris-generaal van de Raad van Europa bij deze mede dat de betrekkingen tussen de Regering van Ierland en de Regering van het Verenigd Koninkrijk ter zake van uitlevering uitsluitend geregeld blijven op basis van de wetten die van kracht zijn op hun respectieve grondgebied en die de tenuitvoerlegging op het grondgebied van elke partij van arrestatiebevelen die op het grondgebied van de andere partij zijn gegeven, mogelijk maken. IJSLAND Voorbehouden, vervat in de akte van bekrachtiging, nedergelegd op 20 juni 1984 - Or. Engels Artikel 1 Bij het toestaan van de uitlevering behoudt IJsland zich voor te bepalen dat de uitgeleverde persoon niet voor een rechtbank mag worden gedaagd die alleen bevoegd is om voorlopig of in uitzonderlijke omstandigheden, kennis te nemen van de strafbare feiten en behoudt het zich ook voor de uitlevering te weigeren die wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een straf die door zodanige buitengewone rechtbank is uitgesproken. De uitlevering kan eveneens worden geweigerd indien de gevolgen voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid kunnen zijn, met name in verband met diens leeftijd, gezondheidstoestand of om andere persoonlijke redenen. Artikel 2, eerste lid IJsland kan de uitlevering alleen toestaan voor een strafbaar feit of een soortgelijk strafbaar feit, dat krachtens de Ijslandse wet strafbaar is gesteld of zou kunnen worden gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar. Artikel 3, derde lid IJsland behoudt zich het recht voor, afhankelijk van de omstandigheden die met het betreffende geval verband houden, het in artikel 3 derde lid bedoelde strafbare feit als politiek delict te beschouwen. Artikel 4 De uitlevering voor een militair delict dat tevens strafbaar is naar de gewone strafwet, kan alleen worden toegestaan op voorwaarde dat de uitgeleverde niet volgens de militaire strafwet is veroordeeld. Artikel 12 IJsland behoudt zich het recht voor van de verzoekende Partij te eisen dat bewijzen worden overgelegd die staven dat de opgeëiste persoon het strafbare feit waarvoor uitlevering wordt verzocht, heeft gepleegd. Indien de overgelegde bewijzen onvoldoende worden geacht, kan de uitlevering worden geweigerd. Verklaringen, vastgelegd in een brief van de Permanente Vertegenwoordiger van Ijsland, afgegeven aan de Secretaris-generaal bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging, op 20 juni 1984 - Or. Engels Artikel 6 In de zin van dit Verdrag betekent "onderdaan" een onderdaan van IJsland, Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden, alsmede de personen die in deze landen hun woonplaats hebben. Artikel 28, derde lid Dit Verdrag is niet van toepassing op de uitlevering naar Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden omdat de uitlevering tussen deze Staten op grond van een eenvormige wet plaatsvindt. ISRAEL Verklaringen en voorbehouden, vastgelegd in de akte van toetreding, nedergelegd op 27 september 1967 - Or. Engels Verklaringen Verklaring bij artikel 21 Israël zal de doortocht van een persoon alleen dan toestaan wanneer de verzoekende Staat de uitlevering van de opgeëiste persoon uit Israël zou vragen en er geen wettelijk beletsel zou zijn dat de persoon kan worden uitgeleverd en wordt uitgeleverd. Verklaring bij artikel 22 De schriftelijke getuigenissen en de al dan niet onder ede afgelegde verklaringen, dan wel eensluidende afschriften van deze getuigenissen en verklaringen, het bevel tot aanhouding en andere gerechtelijke stukken die het bewijs leveren van een veroordeling, worden aanvaard als geldig bewijs in het onderzoek van een uitleveringsverzoek, indien zij ondertekend zijn door of vergezeld gaan van een attest van een rechter of een ambtenaar van de verzoekende Staat of indien zij zijn gelegaliseerd door middel van het stempel van het ministerie van justitie. Voorbehouden Voorbehoud bij artikel 2 en artikel 4 Israël zal de uitlevering van een persoon alleen toestaan indien hij in de verzoekende Staat wordt vervolgd of werd veroordeeld voor een feit dat, mocht het in Israël zijn gepleegd, een van de volgende strafbare feiten is : a. een strafbaar feit waarop de doodstraf of een gevangenisstraf van meer dan drie jaar is gesteld (zelfs indien de straf lichter is dan wanneer de veroordeling door een rechtbank van beroep was uitgesproken), met uitzondering van : 1.een strafbaar feit dat een individu alleen ten laste kan worden gelegd indien hij, op het ogenblik dat het wordt gepleegd, soldaat is in de zin van de Wet op de militaire rechtspleging 5715-1955; 2. de inbreuken, bedoeld in artikel 85 van de Verordening van 1936 ter afkondiging van het Strafwetboek (het met geweld beletten of het hinderen van het inroepen van de hulp van een bevoegd handhaver van de openbare orde of van zijn aanwezigheid in geval van samenscholingen van oproerlingen of in geval van rellen) of de inbreuken bedoeld in Wet 5719-1959 houdende de wijziging van de strafrechtelijke bepalingen inzake bigamie;(bigamie) 3. de inbreuken, bedoeld in Wet 5712-1952 houdende wijziging van de strafrechtelijke bepalingen inzake de pogingen tot gewelddaden tegen handhavers van de openbare orde, of in een van de wetten uit de Bijlage bij Wet 5711-1951 inzake de rechtsbevoegdheid op het gebied van het voorkomen van winstbejag en speculatie (wetten, reglementen, plaatselijke voorschriften allerhande die betrekking hebben op onderhuur en de huisvesting van gasten, alsmede op de distributie, de prijs en het toezicht op de verkoop van voedingswaren).b. een strafbaar feit waarop een lichtere straf is gesteld dan de bovengenoemde en die als zodanig is omschreven in Wet 5712-1952 tot wijziging van de strafrechtelijke bepalingen inzake corruptie of in een van de volgende artikelen van de Verordening van 1936 ter afkondiging van het Strafwetboek : 88 (op oproerige wijze het vertrek van een vaartuig verhinderen), 109B, 110-115 (verscheidene strafbare feiten die te maken hebben met misbruiken bij de uitoefening van een openbaar ambt), 120-122, 124 (meineed, het op een dwaalspoor brengen van getuigen, vernietiging van bewijzen, samenzwering met de bedoeling de gang van het gerecht te hinderen en subornatie van getuigen), 140 (misbruik van vertrouwen door ambtenaren), 146 (belediging van de godsdienst), 156, 158, 159 (sexuele omgang tussen een echtgenoot en een minderjarige van 15 jaar, zedenschennis en aanranding van de eerbaarheid van een persoon jonger dan 16 jaar, 161 d.(sodomie), 185, 186 (nalatigheid in het verschaffen van voedsel, enz. aan kinderen en verwaarlozing van kinderen), 195 (verspreiding van een infectie of een gevaarlijke ziekte), 218 (doding door onvoorzichtigheid, 242, 250 (gewelddaden met lichamelijk letsel tot gevolg), 261, 262 (dwangarbeid en willekeurige aanhouding of hechtenis), 270 (diefstal), 304.b en c. (te kort doen van schuldeisers, 305 (samenzwering met het oogmerk het publiek te bedriegen), 310 (heling), 350 (vervalsing van bankbiljetten), 359, 360, 363-366 (namaak), of in Wet 5723-1963 tot wijziging van de strafrechtelijke bepalingen inzake bedrog, chantage en afpersing (bedrog en vervalsing). Voorbehoud bij artikel 2 Israël zal de uitlevering van een persoon die wordt beschuldigd van een strafbaar feit alleen toestaan indien voor een Israëlische rechtbank wordt aangetoond dat met het bewijsmateriaal dat voorhanden is, een veroordeling voor een soortgelijk strafbaar feit in Israël mogelijk zou zijn. Voorbehoud bij artikel 9 Israël zal geen gebruik maken van het recht op uitlevering indien de opgeëiste persoon voor het strafbaar feit gratie of strafvermindering heeft gekregen in de verzoekende Staat. Voorbehoud bij artikel 14 In afwijking van het specialiteitsbeginsel zal Israël de uitlevering weigeren, tenzij : a. in de afwezigheid van de opgeëiste persoon werd bepaald dat hij ook voor het andere feit kan worden uitgeleverd, nadat hij de kans heeft gekregen zich in de procedure die aan de verklaring voorafging, te laten vertegenwoordigen;b. aan de voorwaarde dat de opgeëiste persoon niet wordt vervolgd, berecht of in hechtenis gesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf is voldaan, behalve indien hij, na het grondgebied van de verzoekende Staat na zijn uitlevering te hebben verlaten, er uit vrije wil is teruggekeerd of, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, binnen de 60 dagen het grondgebied van de verzoekende Staat niet heeft verlaten. Voorbehoud bij artikel 15 Artikel 15 wordt uitgelegd als werden in artikel 14, lid 1b., de woorden "binnen de 45 dagen", vervangen door de woorden "binnen de 60 dagen". Verklaring, vastgelegd in een brief d.d. 2 december 1997 van de Israëlische ambassadeur, belast met de betrekkingen met de Raad van Europa, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal op 5 december 1997 - Or. Engels. Met betrekking tot artikel 23 van het Verdrag vraagt de Regering van de Staat Israël een vertaling in het Engels of het Hebreeuws van de stukken die door de verzoekende Staat dienen overgelegd te worden. ITALIE Voorbehouden, gedaan bij de ondertekening, op 13 december 1957, en bevestigd bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging, op 6 augustus 1963 - Or. Frans Italië formuleert het uitdrukkelijke voorbehoud dat het de uitlevering van personen die worden gezocht voor de tenuitvoerlegging van een maatregel niet zal toestaan, tenzij : a. alle in artikel 25 bepaalde criteria aanwezig zijn;b. in bedoelde maatregelen uitdrukkelijk is voorzien door de strafwet van de verzoekende Partij als noodzakelijk volgend op een strafbaar feit. Italië verklaart dat het in geen geval de uitlevering zal toestaan voor strafbare feiten waarop door de wet van de verzoekende Partij de doodstraf is gesteld. KROATIE Verklaring, vastgelegd in de akte van toetreding, nedergelegd op 25 januari 1995 - Or. Engels. Artikel 9 van de Grondwet van de Republiek Kroatië verbiedt de uitlevering van Kroatische onderdanen. Bijgevolg zal de Republiek Kroatië de uitlevering of de doortocht (artikel 21, tweede lid van het Verdrag) van haar onderdanen niet toestaan. De "nationaliteit" van een persoon wiens uitlevering wordt verzocht zal worden vastgesteld nadat het strafbaar feit is gepleegd en in overeenstemming met de nationaliteitswetten van de Republiek Kroatië (artikel 6, lid 1(b) van het Verdrag). De Republiek Kroatië staat de doortocht van een persoon alleen toe op de voorwaarden als gelden voor uitlevering (artikel 21, vijfde lid van het Verdrag). LETLAND Verklaring, vastgelegd in een Nota Verbaal, d.d. 17 april 1997 van de Minister van Buitenlandse Zaken van Letland, afgegeven aan de Secretaris-Generaal bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging, op 2 mei 1997 - Or. Engels Overeenkomstig artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 1957, betekent voor de Republiek Letland de term "onderdanen", in de zin van het Verdrag, de onderdanen van de Republiek Letland en de niet-onderdanen die onderworpen zijn aan de wet inzake de rechtspositie van de onderdanen van de voormalige Sovjet-Unie die geen onderdaan zijn van Letland of van enige andere Staat. LIECHTENSTEIN Verklaringen en voorbehouden, vastgelegd in de akte van toetreding, nedergelegd op 28 oktober 1969 - Or. Frans Artikel één In hoofdzaak wordt een uitlevering door het Prinsdom Liechtenstein alleen toegestaan op voorwaarde dat de persoon die voor een strafbaar feit wordt vervolgd door de gewone rechtbanken van de verzoekende Staat wordt gevonnist. Het behoudt zich dan ook voor de uitlevering alleen toe te staan op voorwaarde dat de verzoekende Staat ter zake genoegzame waarborgen biedt. Artikel 6.1(a) De Regering van het Prinsdom Liechtenstein verklaart dat de Liechtensteinse wet de uitlevering van onderdanen van Liechtenstein aan het buitenland niet toestaat. Zodra ze zich op het grondgebied van het Prinsdom bevinden, zullen ze door de autoriteiten van Liechtenstein krachtens het strafrecht van Liechtenstein (alinea 36 van het Strafwetboek) worden berecht voor in het buitenland gepleegde strafbare feiten, ongeacht waar dit feit werd gepleegd. In de zin van het Verdrag is eenieder die de Liechtensteinse nationaliteit heeft onderdaan. Artikel 11 Het Prinsdom Liechtenstein behoudt zich de mogelijkheid voor artikel 11 overeenkomstig toe te passen wanneer de verzoekende Staat de autoriteiten van Liechtenstein geen genoegzame waarborgen biedt dat hij geen straf of maatregel zal opleggen die niet bekend is in het Liechtensteinse recht of die de fysische integriteit schendt op een wijze die onverenigbaar is met het Liechtensteinse recht Artikel 21 Het Prinsdom Liechtenstein behoudt zich de mogelijkheid voor de doortocht door zijn grondgebied te weigeren, zelfs indien de vervolgde persoon wordt beschuldigd van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 5 van het Verdrag. Artikel 23 Het Prinsdom Liechtenstein eist dat de verzoeken en over te leggen stukken die in een andere taal dan het Duits zijn gesteld, vergezeld gaan van een vertaling in deze taal. LITOUWEN Voorbehouden en verklaringen, vastgelegd in de akte van bekrachtiging, nedergelegd op 20 juni 1995 - Or. Engels Voorbehouden Artikel 1 De uitlevering wordt alleen toegestaan op voorwaarde dat de persoon die wordt verdacht van een misdrijf niet door een buitengewone rechtbank van de verzoekende Partij wordt berecht. De Republiek Litouwen behoudt zich het recht voor de uitlevering van bedoelde persoon niet toe te staan indien dit te zijnen nadele zou kunnen gebeuren, met name in verband met zijn gezondheid, leeftijd of om een persoonlijke reden. Artikel 3 De Republiek Litouwen behoudt zich het recht voor, om van geval tot geval te beoordelen of de in artikel 3, derde lid, van het Verdrag bedoelde daden als politiek delict moeten worden beschouwd. Verklaringen Artikel 6 De term "onderdanen" betekent de personen die de Litouwse nationaliteit hebben in de zin van de Wet op de Litouwse nationaliteit (Wet inzake burgerschap). Overeenkomstig artikel 6 van de Wet op de Litouwse nationaliteit (Wet inzake burgerschap), levert Litouwen geen onderdanen uit aan vreemde landen. Elk verzoek om uitlevering van Litouwse onderdanen zal worden geweigerd. Artikel 12 Schriftelijke verzoeken om uitlevering kunnen worden uitgewisseld tussen het ministerie van justitie en het bureau van de procureur-generaal van de verzoekende Partij en het Litouwse ministerie van justitie of het bureau van de procureur-generaal. Dit kan eventueel langs diplomatieke weg gebeuren. Artikel 21 De Republiek Litouwen staat in geen geval de doortocht toe van Litouwse onderdanen. Artikel 23 De verzoeken om uitlevering (met inbegrip van de documenten ter staving) dienen vergezeld te gaan van de geëigende vertalingen in het Litouws, het Engels, het Frans, het Russisch of het Duits, indien ze niet in één van deze talen zijn gesteld. LUXEMBURG Voorbehouden en verklaringen, vastgelegd in een brief d.d. 16 november 1976 van de Permanente Vertegenwoordiger van Luxemburg, afgegeven aan de Secretaris-Generaal bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging, op 18 november 1976 - Or. Frans Voorbehouden Artikel 1 De Regering van het Groothertogdom Luxemburg behoudt zich de mogelijkheid voor de uitlevering waarom wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstek gewezen vonnis waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, niet toe te staan, indien zodanige uitlevering er toe zou kunnen leiden dat de opgeëiste persoon een straf moet ondergaan zonder in de gelegenheid te zijn geweest het recht van verdediging als bedoeld in artikel 6.3.c. van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit te oefenen. De Regering van het Groothertogdom Luxemburg behoudt zich de mogelijkheid voor de uitlevering om humanitaire redenen te weigeren indien de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn, met name in verband met diens jeugdige leeftijd, hoge ouderdom of gezondheidstoestand. Artikelen 6 en 21 De Regering van het Groothertogdom Luxemburg zal de uitlevering of de doortocht van onderdanen niet toestaan. Artikel 7 De Regering van het Groothertogdom Luxemburg behoudt zich de mogelijkheid voor de uitlevering niet toe te staan indien, overeenkomstig artikel 7, tweede lid, de verzoekende Staat het recht zou hebben de uitlevering in overeenkomstige gevallen te weigeren. Artikel 9 De Regering van het Groothertogdom Luxemburg staat de uitlevering niet toe indien zij tot de bevinding is gekomen dat de opgeëiste persoon, ter zake van het feit waarvoor de uitlevering is verzocht, door de bevoegde autoriteiten van een derde Staat onherroepelijk is berecht en indien, in geval van veroordeling voor dat feit, de veroordeelde zijn straf ondergaat, deze reeds heeft ondergaan of daarvan is vrijgesteld. Artikel 28 Op grond van het afzonderlijke regiem tussen de Benelux-landen, aanvaardt de Regering van het Groothertogdom Luxemburg niet het bepaalde in artikel 28, eerste en tweede lid, in haar betrekkingen met Nederland en België. De Regering van het Groothertogdom Luxemburg behoudt zich de mogelijkheid voor van deze bepalingen af te wijken voor zover het haar betrekkingen met de andere lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap betreft. Verklaringen Artikel 6.1.b. De Regering van het Groothertogdom Luxemburg verklaart dat, wat het Groothertogdom Luxemburg betreft, de term "onderdanen" in de zin van dit Verdrag betekent, personen die de Luxemburgse nationaliteit hebben, alsmede vreemdelingen die in de Luxemburgse samenleving zijn geïntegreerd, voor zover ze in Luxemburg kunnen worden vervolgd voor het feit waarvoor de uitlevering is verzocht. Artikel 19 De Regering van het Groothertogdom Luxemburg staat de in artikel 19, tweede lid, bedoelde tijdelijke uitlevering alleen toe indien het een persoon betreft die op zijn grondgebied een straf ondergaat of indien bijzondere omstandigheden het vereisen. Artikel 21.5 De Regering van het Groothertogdom Luxemburg behoudt zich de mogelijkheid voor de doortocht slechts toe te staan op dezelfde voorwaarden als gelden voor uitlevering. MALTA Voorbehouden gedaan bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging op 19 maart 1996 - Or. Engels Artikel 1 Malta behoudt zich het recht voor het verzoek om de uitlevering van een persoon die van een strafbaar feit wordt beschuldigd alleen toe te staan in de gevallen waarin de rechtbank waarnaar de zaak is verwezen tot de bevinding komt, na alle bewijsgronden, hetzij ten gunste van het verzoek om uitlevering van de persoon, hetzij à decharge, te hebben beoordeeld, dat de bewijzen volstaan om de zaak voor het Maltese gerecht te brengen, ingeval het strafbare feit zou zijn begaan binnen het bevoegdheidskader van de strafrechtbanken van Malta. Een persoon die bij verstek is veroordeeld voor een strafbaar feit wordt behandeld als een persoon die van hetzelfde strafbaar feit wordt beschuldigd. Indien Malta de uitlevering van een persoon toestaat behoudt het zich het recht voor te bepalen dat deze persoon voor bedoeld strafbaar feit niet voor een rechtbank kan worden gedaagd die voor dit soort feiten slechts tijdelijk of als buitengewone rechtbank bevoegd is. Een verzoek om uitlevering met het oog op de tenuitvoerlegging van een door dergelijke buitengewone rechtbank uitgesproken straf kan worden geweigerd. Malta behoudt zich het recht voor het Verdrag toe te passen in overeenstemming met artikel 20 van hoofdstuk 276 van het Maltese wetboek (wet van 1978 inzake uitlevering) dat luidt als volgt : Indien, overeenkomstig artikel 46 van de Maltese grondwet, voor het strafrechtelijk hof van beroep, beroep wordt ingesteld of bij het grondwettelijk hof een verzoek wordt ingediend, kan, onverminderd de uitspraak van het andere gerecht, één van de twee gerechten de invrijheidstelling van de beschuldigde gelasten, indien blijkt dat, in het licht van de omstandigheden de uitlevering voor de uitgeleverde persoon op onrechtmatige of dwingende wijze zou gebeuren, en wel om de volgende redenen : a) de geringe ernst van het strafbare feit waarvan de persoon wordt beschuldigd of waarvoor hij is veroordeeld;b) de tijd die is verstreken, hetzij sinds de feiten hem ten laste werden gelegd, hetzij sinds de persoon zich op onwettige wijze in vrijheid bevindt, naargelang van het geval, of c) omdat de beschuldiging tegen de persoon niet te goeder trouw is gebeurd, in het belang van een goede rechtsbedeling. Artikel 3 Malta behoudt zich het recht voor het derde lid van dit artikel toe te passen in overeenstemming met artikel 10 (5) van de Wet inzake uitlevering, dat luidt als volgt : Voor de toepassing van dit artikel wordt de aanslag op het leven van een Staatshoofd of een met dergelijk delict samenhangend strafbaar feit, als bepaald in artikel 5, derde lid van de onderhavige Wet, niet noodzakelijkerwijs als een politiek delict beschouwd. Artikel 9 Malta behoudt zich het recht voor dit artikel toe te passen in overeenstemming met het beginsel "non bis in idem", als bepaald in artikel 527 van het Strafwetboek (hoofdstuk 9 van het Maltese wetboek), dat luidt als volgt : Wanneer een beschuldigde of verdachte persoon wordt vrijgesproken, is het onwettig deze persoon opnieuw te berechten voor dezelfde feiten. Artikel 18 Malta behoudt zich het recht voor het bepaalde in het vierde en vijfde lid toe te passen in overeenstemming met artikel 24 van de Wet inzake uitlevering (hoofdstuk 276 van het Maltese wetboek), dat luidt als volgt : (1) Indien een persoon van wie de uitlevering is toegestaan, zich, voor de toepassing van deze Wet, met het oog op zijn uitlevering in Malta in hechtenis bevindt, kan hij zich tot het strafrechtelijk hof van beroep wenden dat zetelt als kamer van beroep tegen de vonnissen van de gerechtelijke politierechtbank, en zijn invrijheidstelling vragen, na het verstrijken van de volgende periode : (a) in alle gevallen, na een periode van twee maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop, overeenkomstig cijfer (2) van artikel 21 van deze wet, deze persoon had kunnen worden uitgeleverd;(b) wanneer bij toepassing van artikel 21 van deze wet, een bevel tot overlevering werd afgegeven, een maand te rekenen vanaf de dag van afgifte van het bevel.(2) Indien, na bedoeld verzoek, het Hof vaststelt dat het verzoek binnen een redelijke termijn aan de Minister werd betekend, kan het, behoudens bewijs van het tegendeel, de invrijheidstelling van de persoon bevelen.Indien bij toepassing van bedoeld artikel, een bevel tot uitlevering werd afgegeven, kan het Hof het bevel vernietigen. Artikel 21 Malta behoudt zich het recht voor een doortocht in de zin van dit artikel alleen toe te staan indien het ook krachtens zijn eigen wetten is toegelaten. MOLDAVIE Voorbehouden en verklaringen, vastgelegd in de akte van bekrachtiging, nedergelegd op 2 oktober 1997 - Or. Moldavisch en Frans Artikel 1 De Republiek Moldavië zal de uitlevering weigeren indien de opgeëiste persoon, op het grondgebied van de verzoekende Partij, door een buitengewone rechtbank (ingesteld voor een bepaalde zaak) moet worden berecht of, indien de uitlevering wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een door soortgelijke rechtbank uitgesproken vonnis of afgekondigde maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt. Artikel 3, derde lid De Republiek Moldavië behoudt zich het recht voor, in het licht van de omstandigheden, te bekijken of een aanslag op het leven van een staatshoofd of van een zijner familieleden als een politiek delict moet worden beschouwd. Artikel 6, eerste lid Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van de grondwet van de Republiek Moldavië, kunnen de onderdanen van de Republiek Moldavië niet worden uitgeleverd of uitgewezen. De term "onderdaan" in de zin van artikel 6, eerste lid, letter (b) betekent alle personen die de nationaliteit van de Republiek Moldavië hebben, overeenkomstig haar wetgeving. Artikel 7, tweede lid De Republiek Moldavië behoudt zich het recht voor de uitlevering te weigeren indien krachtens artikel 7, tweede lid, de verzoekende Partij de uitlevering in overeenkomstige gevallen weigert. Artikel 9 1. De Republiek Moldavië zal de uitlevering weigeren wanneer de opgeëiste persoon ter zake van het feit of de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, onherroepelijk is berecht door een derde Staat.2. In afwijking van artikel 9 (eerste zin) zal de Republiek Moldavië de uitlevering toestaan indien door de verzoekende Partij wordt aangetoond dat nieuwe omstandigheden een herziening van de zaak rechtvaardigen. Artikel 16, tweede lid De Republiek Moldavië vraagt dat alle verzoeken die haar krachtens artikel 16, tweede lid worden toegezonden een korte omschrijving bevatten van de feiten die de opgeëiste persoon ten laste worden gelegd, met inbegrip van een aantal kerngegevens die een beoordeling van de aard van het strafbare feit mogelijk maken, overeenkomstig het Verdrag. Artikel 21 De Republiek Moldavië behoudt zich het recht voor de doortocht alleen toe te laten onder de voor uitlevering bepaalde voorwaarden. Artikel 23 De Republiek Moldavië verklaart dat het verzoek om uitlevering en bijgevoegde stukken in het Moldavisch moeten gesteld zijn of in één van de werktalen van de Raad van Europa, dan wel in één van deze talen moeten zijn vertaald. NEDERLAND Verklaring gedaan bij de ondertekening op 21 januari 1965 - Or. Frans Gegeven de gelijkheid op het gebied van publiekrecht tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen verliest de in artikel 27, eerste lid van dit Verdrag gebruikte term "moederland" voor het Koninkrijk der Nederlanden zijn oorspronkelijke betekenis en zal er, wat het Koninkrijk betreft, "grondgebied in Europa" mee worden bedoeld. Voorbehouden, vastgelegd in de akte van bekrachtiging, nedergelegd op 14 februari 1969 - Or. Frans Artikel 1 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden behoudt zich de mogelijkheid voor geen uitlevering toe te staan die verzocht is ter fine van de tenuitvoerlegging van een bij verstek gewezen vonnis waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, indien zodanige uitlevering er toe zou kunnen leiden, dat de opgeëiste persoon een straf moet ondergaan zonder in de gelegenheid te zijn geweest het recht om zich te verdedigen, uit te oefenen, als bedoeld in artikel 6, derde lid, sub c, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden behoudt zich de mogelijkheid voor de uitlevering om humanitaire redenen te weigeren, indien de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn, met name in verband met diens jeugdige leeftijd of hoge ouderdom of zijn gezondheidstoestand. Artikel 7 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden behoudt zich de mogelijkheid voor geen uitlevering toe te staan indien de verzoekende Staat, overeenkomstig artikel 7, tweede lid, in overeenkomstige gevallen de uitlevering kan weigeren. Artikel 9 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal geen uitlevering toestaan indien haar is gebleken dat de opgeëiste persoon ter zake van het strafbare feit waarvoor zijn uitlevering is verzocht, door de bevoegde autoriteiten van een derde Staat onherroepelijk is berecht en, in geval van veroordeling voor dat feit, de veroordeelde zijn straf ondergaat, deze reeds heeft ondergaan, of daarvan is vrijgesteld. Artikel 28 Op grond van het afzonderlijke regiem tussen de Benelux-landen aanvaardt de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden niet het bepaalde in artikel 28, eerste en tweede lid, in haar betrekkingen met België en Luxemburg. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden behoudt zich de mogelijkheid voor, van deze bepalingen af te wijken voor zover betreft haar betrekkingen met de andere lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap. Verklaringen, vastgelegd in een brief d.d. 13 februari 1969, afgegeven aan de Secretaris-Generaal bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging, op 14 februari 1969 - Or. Frans Artikelen 6 en 21 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal de uitlevering of de doortocht van onderdanen weigeren. Wat Nederland betreft dient onder "onderdanen" in de zin van dit Verdrag, te worden verstaan personen die de Nederlandse nationaliteit hebben alsmede vreemdelingen die in de Nederlandse samenleving zijn geïntegreerd, voor zover ze in Nederland kunnen worden vervolgd voor het feit waarvoor de uitlevering is verzocht. Artikel 19 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden staat de tijdelijke uitlevering als bedoeld in het tweede lid van artikel 19 alleen dan toe wanneer het een persoon betreft die een straf uitzit op haar grondgebied en indien bijzondere omstandigheden zulks vereisen. Artikel 21, vijfde lid De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden beho …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.