{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Namaking of vervalsing van stempels, keurstempels, zegels of clichés;bedrieglijk gebruik of misbruik van nagemaakte of authentieke stempels, zegels, keurstempels of clichés; 25. Valsheid in geschrifte (vervalsing of namaak van documenten); gebruik van vervalsingen (bedrieglijk gebruik van nagemaakte of vervalste documenten), ontvreemding van documenten, bedrieglijke aanwending van een in blanco getekend stuk, 26. Verplaatsing van grenspalen. VI. Delicten 12 die een gevaar voor de gemeenschap inhouden 27. Brandstichting, onrechtmatig gebruik van explosieven, het veroorzaken van overstroming met opzet, door nalatigheid of uit onvoorzichtigheid;28. Vernieling of beschadiging, opzettelijk dan wel door nalatigheid of uit onvoorzichtigheid, van spoorwegen, stoomboten, posten, elektrische toestellen en leidingen (telegraaf, telefoon) en het in gevaar brengen van de exploitatie ervan;29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen die opzettelijk dan wel door nalatigheid of uit onvoorzichtigheid werden gesteld en die de vernietiging, het stranden of het verlies van een schip tot gevolg hebben;30. Het opzettelijk dan wel door nalatigheid of uit onvoorzichtigheid verspreiden van besmettelijke ziekten, epidemieën of epizoötie; aantasting, door schadelijke stoffen die een gevaar voor de gemeenschap vormen, van bronnen, fonteinen of andere waters; 31. Opzettelijke namaak of vervalsing van voedingsmiddelen die een gevaar vormt voor de gezondheid van mens of dier;de verkoop of het in omloop brengen van ongezonde of bedorven etenswaren, met verzwijging van hun schadelijkheid; 31bis. Opzettelijke inbreuk op het bepaalde inzake verdovende middelen, voor zover op deze inbreuk gevangenisstraf staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">VII. Delicten 13 tegen de rechtsbedeling 32. Lasterlijke aangifte;33. Meineed of valse verklaring die onder een plechtige belofte werd gedaan;34. een vals getuigenis, een vals deskundigenverslag, de valse verklaring van een tolk, omkoping van getuigen, deskundigen, tolken. VIII. Delicten 13 tegen de uitoefening van openbare ambten 35. Omkoping van ambtenaren, gezworenen, scheidsrechters of deskundigen;36. Verduistering en knevelarij door ambtenaren;misbruik van gezag ingevolge omkoping of met een bedrieglijk opzet 37. Verduisteren van brieven en telegrammen, schending van het brief- en telegramgeheim door bedienden van post en telegraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 154 van de bondswet van 23 september 1953 inzake varen onder Zwitserse vlag bepaalt dat inbreuken die, volgens het bepaalde in deze wet worden gestraft met een gevangenisstraf van een jaar of met een zwaardere straf, uitlevering tot gevolg hebben in de zin van de Zwitserse wetgeving op de uitlevering aan vreemde Staten. Volgende feiten worden bedoeld : - het opzettelijk of door nalatigheid in gevaar brengen van een schip (art. 128); - het opzettelijk of door nalatigheid in gevaar brengen van de scheepvaart (art. 129); - het varen op zee met een schip dat niet zeewaardig is (art. 131); - het niet verlenen van hulp (art. 133, eerste lid); - het verlaten van het schip in nood (art. 134); - het niet voeren van het bevel (art. 135, eerste lid); - machtsmisbruik en aanmatiging van macht (art. 136, eerste lid); - dronkenschap (art. 139, eerste lid); - ongehoorzaamheid (art. 140, derde lid); - het illegaal aan boord nemen van personen en voorwerpen (art. 141, eerste lid); - het in gevaar brengen van de reder of de kapitein, door smokkelarij (art. 142, eerste en derde lid); - misbruik van de vlag (art. 143, eerste lid); - bedrieglijke registratie (art. 144, eerste lid); - ontvreemding van een schip dat in bewaring werd gegeven aan de autoriteiten; overtreding van een beschikking van de autoriteit (art. 145); - onwettige vervreemding (art. 146).</p>\n<p class=\"lf-p\">ZWITSERLAND Verklaring, vastgelegd in een brief d.d. 21 augustus 1991 van de Permanente Vertegenwoordiger, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal op 22 augustus 1991 - Or. Frans Onder verwijzing naar het voorbehoud van Portugal bij artikel 1.c van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, heb ik de eer mede te delen dat mijn regering zich schaart achter de verklaring van de desbetreffende verklaring van de Duitse regering, waarvan u op 4 februari 1991 in kennis werd gesteld, alsmede achter de verklaring van de Oostenrijkse regering die zich aansluit bij de Duitse uitleg en waarvan u op 4 juni 1991 in kennis werd gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovengenoemde voorbehoud is eigenlijk alleen verenigbaar met de zin en het voorwerp van het Verdrag indien het niet willekeurig de uitlevering belet in de gevallen waarin een levenslange gevangenisstraf kan worden uitgesproken of een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt kan worden opgelegd. Mijn regering legt het voorbehoud tevens uit als zal de uitlevering alleen worden geweigerd indien, overeenkomstig de wet van de verzoekende Staat, de persoon die is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf geen rechtsmiddel meer heeft om, nadat hij een bepaald deel van de straf of de maatregel heeft ondergaan, een rechtbank te laten onderzoeken of de mogelijkheid van een voorwaardelijke straf met proeftijd voor de resterende straftijd te laten onderzoeken. 13 Het begrip \"delicten\" als bedoeld in artikel 3 van de wet inzake uitlevering dient te worden begrepen als \"strafbaar feit\" en bestrijkt zowel misdrijven als delicten in de zin van het strafrecht. _______ Nota's (1) Verklaring gewijzigd in de brief d.d. 16 april 1985 van de Permanente Vertegenwoordiger van Oostenrijk, geregistreerd door het Secretariaat-Generaal op 17 april 1985 - Or. Engels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de verklaring van Oostenrijk met betrekking tot artikel 21, vijfde lid van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 wordt bij deze de eerste zin geschrapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verklaring luidt voortaan als volgt : « De doortocht voor strafbare feiten waarop door de wet van de verzoekende Staat de doodstraf is gesteld of een straf die niet verenigbaar is met het vereiste inzake menselijkheid of menselijke waardigdheid, wordt toegestaan op de voorwaarden als gelden voor uitlevering voor dergelijke strafbare feiten. » (2) Brief van de Permanente Vertegenwoordiger van Portugal d.d. 12 februari 1990. (3) Deze verklaring komt in de plaats van de verklaring inzake de artikelen 6 en 21, nedergelegd op 14 februari 1969. (4) Voorbehouden gewijzigd bij brief d.d. 17 januari 1977 van de Permanente Vertegenwoordiger van Noorwegen, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal op 19 januari 1977 - Or. Engels De oorspronkelijke voorbehouden luiden als volgt : « Artikel 2, eerste lid. Overeenkomstig het tweede lid van de Noorse wet inzake uitlevering van 13 juni 1908, kan Noorwegen alleen uitlevering toestaan voor feiten die krachtens het Noorse strafwetboek, strafbaar zijn of zouden zijn gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3, derde lid. Overeenkomstig het derde lid van de Noorse wet inzake uitlevering, kan het voorkomen dat uitlevering niet wordt toegestaan voor een aanslag op het leven van een Staatshoofd of van een zijner familieleden, indien het delict werd gepleegd in samenhang met een ander strafbaar feit van politieke aard. Artikel 4.Wat delicten betreft die volgens de Noorse wet als militaire delicten worden beschouwd, kan de uitlevering overeenkomstig artikel 2 van de Noorse wet inzake uitlevering alleen worden toegestaan, voor zover het strafbare feit, los van het militaire karakter ervan, een strafbaar feit was dat aanleiding kan geven tot uitlevering en op voorwaarde dat de uitgeleverde persoon niet wordt gestraft met een straf die zwaarder is dan de maximum straf voor een overeenkomstig strafbaar feit in het gewone strafwetboek. » (5) Voorbehoud gewijzigd bij brief d.d. 14 april 1967 van het ministerie van buitenlandse zaken, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal op 21 april 1967 - Or. Engels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijke voorbehoud luidde als volgt : « De uitlevering van een persoon tegen wie nog een onherroepelijk vonnis is gewezen voor het ten laste gelegde feit op grond waarvan de uitlevering werd gevraagd, zal alleen worden toegestaan indien dit feit overeenstemt met een strafbaar feit waarop krachtens de Zweedse wet dwangarbeid staat. » (6) Voorbehoud, ingetrokken bij brief d.d. 25 januari 1983 van de Permanente Vertegenwoordiger van Zwitserland, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal op 26 januari 1983 - Or. Frans. (7) Verklaring gewijzigd bij brief d.d. 25 januari 1983 van de Permanente Vertegenwoordiger van Zwitserland, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal op 26 januari 1983 - Or. Frans.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke verklaring luidde als volgt : « De Zwitserse Bondsraad verklaart dat het voorbehoud bij het eerste lid van artikel 2 Zwitserland niet belet krachtens een bepaling van gemeen recht in de Zwitserse wetgeving, de uitwerking van een uitlevering uit te breiden tot enig ander strafbaar feit, indien deze uitlevering wordt of werd toegestaan voor een misdrijf of een delict waarvoor de Zwitserse wet uitlevering toestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijziging werd van kracht op 1 januari 1983. (8) Verklaring gewijzigd bij brief d.d. 25 januari 1983 van de Permanente Vertegenwoordiger van Zwitserland, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal op 26 januari 1983 - Or. Frans.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke verklaring luidde als volgt : « De Zwitserse bondsraad verklaart dat de Zwitserse wet de uitlevering van Zwitserse onderdanen niet toestaat. Strafbare feiten die buiten Zwitserland zijn gepleegd en naar Zwitsers recht als misdrijf of delict worden bestraft, kunnen door de Zwitserse autoriteiten worden vervolgd en berecht indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, en met dien verstande dat ze tegen Zwitsers werden begaan (art. 5 van het Zwitserse strafwetboek); - indien ze naar Zwitsers recht tot uitlevering kunnen leiden en ze door een Zwitser zijn gepleegd (art. 6 van het Zwitserse strafwetboek, art. 16 van de bondswet van 14 maart 1958 inzake de aansprakelijkheid van de bondsstaat, de leden van de autoriteiten en zijn ambtenaren); - dat ze gepleegd werden aan boord van een Zwitsers vaartuig of luchtvaartuig (art. 4 van de bondswet van 23 september 1953 inzake zeevaart onder Zwitserse vlag; art. 97 van de bondswet van 21 december 1948 inzake luchtvaart). » De wijziging werd van kracht op 1 januari 1983.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(9)</span>Voorbehoud ingetrokken bij brief d.d. 25 januari 1983 van de Permanente Vertegenwoordiger van Zwitserland, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal op 26 januari 1983 - Or. Frans. (10) Lijst die komt te vervallen ingevolge de intrekking van het voorbehoud bij artikel 2, eerste lid (zie blz.1). (11) De term « delicten » als bepaald in artikel 3 van de wet inzake uitlevering dient te worden begrepen als « strafbaar feit » en bestrijkt zowel misdrijven als delicten in de zin van het strafrecht.(12) Het begrip « delicten » als bedoeld in artikel 3 van de wet inzake uitlevering dient te worden begrepen als « strafbaar feit » en bestrijkt zowel misdrijven als delichten in de zin van het strafrecht.(13) Het begrip « delicten » als bedoeld in artikel 3 van de wet inzake uitlevering dient te worden begrepen als « strafbaar feit » en bestrijkt zowel misdrijven als delicten in de zin van het strafrecht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(14)</span>Voorbehoud ingetrokken bij brief d.d. 18 juni 1991 van de Permanente Vertegenwoordiger, geregistreerd bij het Secretariaat-Generaal op 21 juni 1991 - Or. Engels.</div>\n<p class=\"lf-p\">B. AANVULLEND PROTOCOL BIJ HET EUROPEES VERDRAG BETREFFENDE DE UITLEVERING, OPGEMAAKT TE STRAATSBURG OP 15 OKTOBER 1975;</p>\n<p class=\"lf-p\">VOORBEHOUDEN EN VERKLARINGEN : DENEMARKEN Verklaring, vastgelegd in de akte van bekrachtiging nedergelegd op 13 september 1978 - Or. Frans Krachtens artikel 6.1 van het Aanvullend Protocol, verklaren wij Hoofdstuk I niet te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HONGARIJE Voorbehoud, vastgelegd in een brief van de Permanent Vertegenwoordiger van Hongarije afgegeven aan de Secretaris-generaal bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging op 13 juli 1993 - Or. Engels Aangezien artikel 6 van het Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst betreffende uitlevering toelaat alleen Hoofdstuk I of II volledig uit te sluiten, verklaart Hongarije Hoofdstuk I van bovenvermeld Protocol niet te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alhoewel het Hongaars recht overeenstemt met artikel 1.a en b en geen enkele bepaling bevat die tegenstrijdig is met lid c, behoudt Hongarije zich het recht voor per geval te overwegen of het kan voldoen aan de op lid c gebaseerde aanvragen tot uitlevering.</p>\n<p class=\"lf-p\">IJSLAND Verklaring, gedaan bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging op 20 juni 1984 - Or. Engels IJsland aanvaardt Hoofdstuk I van het Protocol niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">NEDERLAND Verklaringen, vastgelegd in de akte van aanvaarding nedergelegd op 12 januari 1982 - Or. Engels De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden aanvaardt bovenvermeld Protocol voor het Koninkrijk in Europa.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden verklaart overeenkomstig artikel 6 van bovenvermeld Protocol Hoofdstuk I van het Protocol niet te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alhoewel de Nederlandse wetgeving inzake daden gesteld tijdens een internationaal gewapend conflict geheel conform artikel 1 (inleiding en a. en b.) is en ze geen bepalingen bevat die in strijd zijn met artikel 1 (inleiding en c.), behoudt de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zich het recht voor de uitlevering te weigeren in gevallen van schendingen van de oorlogswetten en -gebruiken tijdens een gewapend conflict dat niet internationaal is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring, vastgelegd in een brief d.d. 20 februari 1986 van de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland, geregistreerd bij het Secretariaat-generaal op 21 februari 1986 - Or. Engels In antwoord op de brief nr. 1799 d.d. 24 december 1985 1 van de Permanent Vertegenwoordiger van Nederland, heb ik de eer u, in uw hoedanigheid van depositaris van de in de bijlage opgesomde verdragen, het volgende ter kennis te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de bijlage opgesomde verdragen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is (voor het Koninkrijk in Europa) gelden vanaf 1 januari 1986 ook voor Aruba.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijst van de Verdragen die deze Verklaring bestrijkt 86 Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (1975) Verklaring, vastgelegd in een brief d.d. 14 mei 1986 van de Permanent Vertegenwoordiger van Nederland, geregistreerd bij het Secretariaat-generaal op 15 mei 1986 - Or. Engels Ik heb de eer het volgende onder uw aandacht te brengen : De verklaring dat het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (1975) en het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (1978) toepasselijk zijn op Aruba moet worden beschouwd als een voorlopige mededeling, die zal worden bevestigd als zijnde definitief wanneer het Europees Verdrag betreffende uitlevering (1957) toepasselijk op Aruba zal worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de voorgaande mededeling betreffende de twee Protocollen lag een administratieve fout ten grondslag, die is toe te schrijven aan de nationale procedures binnen het Koninkrijk der Nederlanden nog niet voltooid waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring, vastgelegd in een Nota Verbaal d.d. 21 juli 1993 van de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland en dezelfde dag geregistreerd bij het Secretariaat-generaal - Or. Engels De Permanente Missie van het Koninkrijk der Nederlanden verklaart dat de Regering van haar land, in overeenstemming met artikel 5, tweede lid, van het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering en in overeenstemming met artikel 8, tweede lid, van het Tweede Aanvullend Protocol van 17 maart 1978, de toepassing van de twee protocollen uitbreidt tot de Nederlandse Antillen en Aruba met betrekking tot de Partijen waarvoor het Europees Verdrag betreffende uitlevering eveneens is uitgebreid tot de Nederlandse Antillen en Aruba. De door Nederland met betrekking tot het aanvullend protocol van 15 oktober 1975 afgelegde verklaring geldt eveneens voor de Nederlandse Antillen en Aruba.</p>\n<p class=\"lf-p\">NOORWEGEN Verklaring, vastgelegd in de akte van bekrachtiging nedergelegd op 11 december 1986 - Or. Engels Krachtens artikel 6 verklaart Noorwegen dat het Hoofdstuk I van het Protocol niet te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">RUSLAND Verklaring, vastgelegd in een brief van de Eerste Vice-Minister van Buitenlandse Zaken van de Russische Federatie afgegeven aan de Secretaris-generaal bij de ondertekening op 7 november 1996 - Or.</p>\n<p class=\"lf-p\">Russisch/Engels Rekening houdend met haar verklaring aangaande artikel 3 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 1957, beschouwt de Russische Federatie de lijst van schendingen van niet-politieke aard die is opgenomen in artikel 1 van dit Protocol, als enuntiatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">ZWEDEN Verklaring, vastgelegd in de akte van bekrachtiging nedergelegd op 2 februari 1976 - Or. Engels Zweden aanvaardt Hoofdstuk I van bovenvermeld Protocol niet. _______ Nota (1) Nota van het Secretariaat Brief d.d. 24 december 1985 van de Permanent Vertegenwoordiger van Nederland : Het eiland Aruba dat nog steeds deel uitmaakt van de Nederlandse Antillen verkrijgt op 1 januari 1986 interne autonomie als land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Vanaf deze datum zal het Koninkrijk niet langer bestaan uit twee landen, met name Nederland (Koninkrijk in Europa) en de Nederlandse Antillen (in het Caribisch gebied), maar uit drie landen, met name de twee bovengenoemde en Aruba.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de wijzigingen die op 1 januari 1986 ingaan slechts betrekking hebben op een wijziging in de interne constitutionele betrekkingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk als dusdanig het volkenrechtelijk subject blijft waarmee verdragen worden gesloten, laten bedoelde wijzigingen volkenrechtelijk gesproken de verdragen die het Koninkrijk reeds heeft gesloten en die reeds van toepassing zijn voor de Nederlandse Antillen, met inbegrip van Aruba, onverlet. Deze verdragen blijven van kracht voor Aruba in zijn hoedanigheid van land binnen het Koninkrijk. Bijgevolg zijn, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, deze verdragen vanaf 1 januari 1986, van toepassing op de Nederlandse Antillen (zonder Aruba) en op Aruba.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder zijn, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de in de bijlage opgesomde verdragen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is en die van toepassing zijn op de Nederlandse Antillen, met ingang van 1 januari 1986, van toepassing op de Nederlandse Antillen en op Aruba.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. TWEEDE AANVULLEND PROTOCOL BIJ HET EUROPEES VERDRAG BETREFFENDE DE UITLEVERING, OPGEMAAKT TE STRAATSBURG OP 17 MAART 1978 VOORBEHOUDEN EN VERKLARINGEN : Nota van het Secretariaat : Krachtens artikel 9 van het Protocol zullen de voorbehouden van een Staat betreffende een bepaling van het Verdrag eveneens van toepassing zijn op dit Protocol, behalve wanneer deze Staat het tegendeel te kennen geeft op het ogenblik van de ondertekening of bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">BELGIE Voorbehoud, vastgelegd in de akte van bekrachtiging nedergelegd op 18 november 1997 - Or. Frans België verklaart Hoofdstuk V van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering niet te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">BULGARIJE Voorbehoud, gemaakt bij de ondertekening op 30 september 1993 en bevestigd bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging op 17 juni 1994 - Or. Frans Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, verklaart de Republiek Bulgarije zich het recht voor te behouden Hoofdstuk I van het Protocol niet te aanvaarden en Hoofdstuk II van hetzelfde Protocol, wat de delicten betreft inzake retributies, belastingen, douanerechten en deviezen, die strafbaar zijn volgens het Bulgaars Strafwetboek, te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ITALIE Voorbehoud (2) gemaakt bij de ondertekening op 23 april 1980 en hernieuwd bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging op 23 januari 1985 - Or. Frans Met verwijzing naar artikel 9 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, behoudt Italië zich het recht voor Hoofdstuk III niet te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">LETLAND Verklaring, vastgelegd in een Nota Verbaal d.d. 17 april 1997 van de Minister van Buitenlandse Zaken van Letland, afgegeven aan de Secretaris-generaal bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging op 2 mei 1997 - Or. Engels Overeenkomstig artikel 9, tweede lid van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende uitlevering van 1978, behoudt de Republiek Letland zich het recht voor Hoofdstuk V van het Protocol niet te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">NEDERLAND Verklaring, vervat in de akte van aanvaarding nedergelegd op 12 januari 1982 - Or. Engels De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden aanvaardt bovenvermeld Protocol voor het Koninkrijk in Europa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring, vastgelegd in een brief d.d. 20 februari 1986 van de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland, geregistreerd bij het Secretariaat-generaal op 21 februari 1986 - Or. Engels In antwoord op de brief nr. 1799 d.d. 24 december 1985 3 van de Permanent Vertegenwoordiger van Nederland, heb ik de eer u, in uw hoedanigheid van depositaris van de verdragen die in de bijlage zijn opgesomd, het volgende ter kennis te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de bijlage opgesomde verdragen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is (voor het Koninkrijk in Europa) zijn vanaf 1 januari 1986 eveneens van toepassing op Aruba.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijst van de Verdragen die deze Verklaring bestrijkt 98 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (1978) Verklaring, vastgelegd bij brief d.d. 14 mei 1986 van de Permanent Vertegenwoordiger van Nederland, geregistreerd bij het Secretariaat-generaal op 15 mei 1986 - Or. Engels Ik heb de eer het volgende onder uw aandacht te brengen : De verklaring dat het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (1975) en het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (1978) toepasselijk zijn op Aruba, moet worden beschouwd als een voorlopige mededeling, die zal worden bevestigd als zijnde definitief wanneer het Europees Verdrag betreffende uitlevering (1957) toepasselijk op Aruba zal worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de voorgaande mededeling betreffende de twee Protocollen lag een administratieve fout ten grondslag, die is toe te schrijven aan het feit dat de nationale procedures binnen het Koninkrijk der Nederlanden nog niet voltooid waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring, vastgelegd in een Nota Verbaal d.d. 21 juli 1993 van de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland en dezelfde dag geregistreerd bij het Secretariaat-generaal - Or. Engels De Permanente Missie van het Koninkrijk der Nederlanden verklaart dat de Regering van haar land, in overeenstemming met artikel 5, tweede lid, van het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering en in overeenstemming met artikel 8, tweede lid, van het Tweede Aanvullend Protocol van 17 maart 1978, de toepassing van de twee protocollen uitbreidt tot de Nederlandse Antillen en Aruba met betrekking tot de Partijen waarvoor het Europees Verdrag betreffende uitlevering eveneens is uitgebreid tot de Nederlandse Antillen en Aruba. De door Nederland met betrekking tot het aanvullend protocol van 15 oktober 1975 afgelegde verklaring geldt eveneens voor de Nederlandse Antillen en Aruba.</p>\n<p class=\"lf-p\">NOORWEGEN Voorbehoud, vastgelegd in de akte van bekrachtiging, nedergelegd op 11 december 1986 - Or. Engels In uitvoering van artikel 9 verklaart Noorwegen Hoofdstukken I en V van het Protocol niet te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">OOSTENRIJK *Voorbehoud, vervat in de akte van bekrachtiging, nedergelegd op 2 mei 1983 - Or. Engels Overeenkomstig artikel 9, tweede lid van het Protocol, verklaart de Republiek Oostenrijk Hoofdstuk II alleen te aanvaarden voor delicten inzake retributies, belastingen en douane. *Voorbehoud, ingetrokken bij de brief d.d. 8 september 1994 van de Permanent Vertegenwoordiger van Oostenrijk, geregistreerd bij het Secretariaat-generaal op 9 september 1994 - Or. Frans Overeenkomstig artikel 9, derde lid, van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 17 maart 1978, trekt de Federale Regering van de Republiek Oostenrijk het voorbehoud in, gemaakt overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van bovenvermeld Protocol en aanvaardt ze Hoofdstuk II alleen wat delicten inzake retributies, belastingen en douane betreft. en Verklaring, vervat in dezelfde brief als de intrekking van bovenvermeld voorbehoud - Or. Frans Met betrekking tot de Staten die partij zijn bij dit aanvullend Protocol, verklaart Oostenrijk, onder de voorwaarden bedoeld in Hoofdstuk II, eveneens de uitlevering te zullen toestaan voor delicten die uitsluitend bestaan uit strafbare feiten op voorschriften inzake monopolies, export, import of doorvoer en op de rantsoenering van goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">RUSLAND Voorbehoud en Verklaring, vastgelegd bij brief van de Eerste Vice-Minister van Buitenlandse Zaken van de Russische Federatie, afgegeven aan de Secretaris-generaal bij de ondertekening op 7 november 1996 - Or. Russische/Engels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Russische Federatie behoudt zich het recht voor de bepalingen van Hoofdstuk V niet toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Russische Federatie wijst het Bureau van de Procureur-Generaal van de Russische Federatie aan als de instantie die de uitleveringskwesties in beschouwing neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">TURKIJE Voorbehoud, gemaakt bij de ondertekening op 16 juli 1987 en bevestigd in de akte van bekrachtiging nedergelegd op 10 juli 1992 - Or. Engels De regering van de Republiek Turkije behoudt zich het recht voor via diplomatieke weg de uitleveringsverzoeken over te leggen teneinde de nodige procedures te volgen en uit te voeren door bemiddeling van de diplomatieke missies in de Staat, rekening houdend met de aard van het verzoekschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">VERENIGD KONINKRIJK Voorbehoud, vastgelegd bij brief van de Permanent Vertegenwoordiger afgegeven aan de Secretaris-generaal bij de ondertekening op 9 november 1992 - Or. Engels Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, behoudt het Verenigd Koninkrijk zich het recht voor de hoofdstukken I, III, IV of V van het Protocol niet te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbehoud, vastgelegd in de akte van bekrachtiging nedergelegd op 8 maart 1994 - Or. Engels Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, verklaart het Verenigd Koninkrijk de hoofdstukken I, III, IV of V van het Protocol niet te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ZWEDEN Verklaring, vastgelegd bij brief d.d. 11 juni 1979 van de Permanent Vertegenwoordiger van Zweden en geregistreerd bij het Secretariaat-generaal op 13 juni 1979 - Or. Frans Overeenkomstig artikel 12, eerste lid van het Verdrag (Hoofdstuk V, artikel 5 van het Protocol), neemt het Ministerie van Buitenlandse Zaken de functies waar die worden toegekend aan het Ministerie van Justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">ZWITSERLAND Voorbehoud, gemaakt bij de ondertekening op 17 november 1981 en hernieuwd op het ogenblik van de nederlegging van de akte van bekrachtiging op 11 maart 1985 - Or. Frans Zwitserland verklaart Hoofdstuk II van het Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering niet te aanvaarden. _______ Nota's (2) Voorbehoud ingetrokken per Nota Verbaal van de Permanente Vertegenwoordiging van Italië geregistreerd bij het Secretariaat-generaal op 23 augustus 1990 - Or.Frans (3) Nota van het Secretariaat Brief d.d. 24 december 1985 van de Permanent Vertegenwoordiger van Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eiland Aruba dat nog steeds deel uitmaakt van de Nederlandse Antillen verkrijgt op 1 januari 1986 interne autonomie als land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Vanaf deze datum zal het Koninkrijk niet langer bestaan uit twee landen, met name Nederland (Koninkrlijk in Europa) en de Nederlandse Antillen (in het Caribisch gebied), maar uit drie landen, met name de twee bovengenoemde en Aruba.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de wijzigingen die op 1 januari 1986 ingaan slechts betrekking hebben op een wijziging in de interne constitutionele betrekkingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk als dusdanig het volkenrechtelijk subject blijft waarmee verdragen worden gesloten, laten bedoelde wijzigingen volkenrechtelijk gesproken de verdragen die het Koninkrijk heeft gesloten en die reeds van toepassing zijn voor de Nederlandse Antillen, met inbegrip van Aruba, onverlet. Deze verdragen blijven van kracht voor Aruba in zijn nieuwe hoedanigheid van land binnen het Koninkrijk. Bijgevolg zijn, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, deze verdragen vanaf 1 januari 1986, van toepassing op de Nederlandse Antillen (zonder Aruba) en op Aruba.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder zijn, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de in de bijlage opgesomde verdragen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is en die van toepassing zijn op de Nederlandse Antillen, met ingang van 1 januari 1986, van toepassing op de Nederlandse Antillen en op Aruba.</p></div>", "next": 0}