{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De oproeping voor de hoorzitting alsmede de motieven die de preventieve schorsing wettigen, worden minstens drie werkdagen voor de hoorzitting ofwel bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs met uitwerking drie werkdagen na de datum van verzending, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs met uitwerking op de datum vermeld op dat ontvangstbewijs, meegedeeld aan het personeelslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de Algemene dienst, in activiteit of in ruste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de hoorzitting wordt de beslissing naar het personeelslid bij een ter post aangetekend schrijven opgestuurd en dit zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet vertegenwoordigd worden op de hoorzitting zonder omstandigheden van overmacht om hun afwezigheid op de hoorzitting te kunnen laten gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht voor hun afwezigheid op de hoorzitting kunnen laten gelden, wordt het personeelslid opgeroepen op een nieuwe hoorzitting die wordt bekendgemaakt overeenkomstig het 2e lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval, en zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet aanwezig zijn op de hoorzitting, wordt de beslissing bij een ter post aangetekend schrijven aan het personeelslid meegedeeld binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de oorspronkelijke hoorzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de beslissing uitloopt op de preventieve schorsing van het personeelslid, heeft ze uitwerking de derde werkdag volgend op de datum van verzending ervan. § 3. In afwijking van paragraaf 2, 1e lid, kan het personeelslid meteen van zijn ambt ontheven worden om dringende reden waarvoor er heterdaad is of wanneer de bezwaren die hem worden verweten zodanig erg zijn dat het in het belang van de dienst is dat het personeelslid niet meer op de Algemene dienst aanwezig zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de tien werkdagen volgend op de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke schorsing getroffen werd, moet de maatregel voor preventieve schorsing ingesteld worden overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Bij ontstentenis daarvan, zal de maatregel voor onmiddellijke schorsing ten einde komen op het einde van voornoemde termijn en zal het personeelslid van de dienst kunnen worden afgebracht voor dezelfde dringende reden of dezelfde bezwaren slechts mits de naleving van de procedure voor preventieve schorsing zoals bedoeld in § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatregel voor het onmiddellijk verwijderen wordt uitgesproken door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat onmiddellijk wordt verwijderd, blijft in de administratieve stand dienstactiviteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 139</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Wanneer het in het belang van de dienst of van het onderwijs is, kan een procedure voor preventieve schorsing ingeleid worden voor een personeelslid van de Algemene dienst: 1. als hij strafrechtelijk vervolgd wordt;2. voor het instellen van een tuchtvordering of als hij aan een tuchtsanctie onderworpen wordt;3. zodra de Regering hem bij een ter post aangetekend schrijven de vaststelling van een onverenigbaarheid meedeelt. § 2. In het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid of in het kader van een tuchtvordering of voor de eventuele uitoefening van een tuchtvordering, kan de duur van de preventieve schorsing niet een jaar overschrijden en vervalt die in ieder geval in het kader van een tuchtvordering: 1. na zes maanden als geen enkel voorstel tot tuchtstraf geformuleerd en meegedeeld werd aan het personeelslid binnen die termijn;2. de derde werkdag volgend op de mededeling van het voorstel tot tuchtsanctie als dat voorstel de terechtwijzing, de berisping of de afhouding op de wedde is;3. voor een ander voorstel tot tuchtsanctie dan dat bedoeld in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling van het voorstel tot tuchtsanctie aan het personeelslid als dit laatste geen beroep heeft ingediend tegen het bedoelde voorstel;4. voor een ander voorstel tot tuchtsanctie dan dat bedoeld in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling aan de Minister van het advies van de Raad van beroep over het voorstel tot tuchtsanctie geformuleerd tegen het personeelslid;5. de dag waarop de tuchtstraf uitwerking krijgt In het kader van een strafrechtelijke vervolging is de duur van de preventieve schorsing niet beperkt tot een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een tuchtvordering ingesteld of vervolgd wordt na een rechterlijke beslissing van strafrechtelijke veroordeling gegaan in kracht van gewijsde, begint de termijn van een jaar bedoeld in het 1e lid slechts te lopen vanaf de uitspraak van de definitieve veroordeling. § 3. In het kader van een tuchtvordering of vóór de eventuele instelling van een tuchtvordering, moet de preventieve schorsing om de drie maanden schriftelijk bevestigd worden vanaf de datum van uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die bevestiging wordt bij een ter post aangetekend schrijven aan de betrokkene meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bevestiging van de preventieve schorsing niet gebeurt binnen de vereiste termijn, kan het betrokken personeelslid zijn ambt hervatten na de Regering bij een ter post aangetekend schrijven minstens tien werkdagen voor de werkelijke hervatting van het werk ervan op de hoogte te hebben gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na ontvangst van die kennisgeving, kan de Regering het behoud in preventieve schorsing bevestigen volgens de procedure bedoeld in het 2e lid. Art. 140.Elk preventief geschorste personeelslid behoudt zijn recht op de wedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het 1e lid wordt de wedde vastgesteld op de helft van zijn activiteitswedde van elk preventief geschorst personeelslid, dat: 1. aangeklaagd of in voorlopige hechtenis is in het kader van een strafrechtelijke vervolging;2. niet-definitief strafrechtelijk veroordeeld is waartegen het personeelslid zijn recht op gewoon recht op beroep heeft gebruikt;3. een tuchtvordering ondergaat die wordt ingesteld of voortgezet na een definitieve strafrechtelijke veroordeling;4. tuchtsancties gekregen heeft wegens dringende reden waarvoor er ofwel heterdaad ofwel bewijzen bestaan en waarvan de beoordeling tot de Regering behoort;5. een voorstel tot tuchtstraf gekregen heeft bedoeld in artikel 116, 4°, 5°, 6° en 7°. Die weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde wordt herleid tot het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop het personeelslid recht zou hebben als hij het stelsel voor sociale veiligheid van de loontrekkers zou genieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het 2e lid, 1° en 2°, heeft die weddevermindering uitwerking de eerste dag volgend op de aanklacht of de preventie of de uitspraak van de niet-definitieve veroordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het 2e lid, 3°, wordt die weddevermindering die reeds gevoerd is krachtens het 2e lid, 1° of 2°, behouden na de definitieve veroordeling als de Minister aan het personeelslid zijn voornemen meedeelt de tuchtvordering voort te zetten of in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het 2e lid, 4°, heeft de weddevermindering uitwerking de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving aan de Minister/het personeelslid van de toepassing van dat 2e lid, 4°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het 2e lid, 5°, heeft die vermindering uitwerking de dag waarop het voorstel tot tuchtsanctie aan het personeelslid wordt voorgelegd of meegedeeld. Art. 141.Op het einde van de tuchtvordering of de strafrechtelijke procedure wordt de maatregel voor weddevermindering ingetrokken, behalve: 1. als de Regering het personeelslid een straf oplegt bedoeld in artikel 110, 4°, 5°, 6° en 7° ;2. als artikel 141, 2°, b) en 5° wordt toegepast: 3.als het personeelslid getroffen wordt door een definitieve strafrechtelijke veroordeling, al dan niet gevolgd door een tuchtvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de maatregel om weddevermindering wordt ingetrokken bij toepassing van het 1e lid, krijgt het personeelslid het aanvullend deel van zijn wedde dat oorspronkelijk ingehouden was, vermeerderd met de verwijlintresten berekend op het wettelijk tarief en verschuldigd sinds de dag waarop de vermindering verricht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen ontvangen door het personeelslid tijdens de preventieve schorsing blijven verworven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de wedde van het personeelslid verminderd is bij toepassing van artikel 146, 2e lid, 4° of 5°, en er op het einde van de tuchtvordering een sanctie van schorsing bij tuchtmaatregel uitgesproken wordt voor een minder lange duur dan de maatregel tot weddevermindering, wordt die laatste ingetrokken voor de periode na de duur van de schorsing bij tuchtmaatregel en krijgt het personeelslid in dat geval het aanvullend deel van zijn wedde dat onterecht ingehouden was tijdens die periode, vermeerderd met de verwijlintresten berekend op het wettelijk tarief en verschuldigd sinds de dag waarop de vermindering verricht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het 4e lid wordt niet toegepast in het kader van een tuchtvordering ingesteld of voortgezet na een definitieve strafrechtelijke veroordeling. HOOFDSTUK XII. - Ambtsneerlegging Art. 142.§ 1. De personeelsleden van de Algemene Sturingsdienst van de Scholen en Psycho-medisch-sociale centra die vastbenoemd zijn, als stagiair of tijdelijk personeelslid zijn aangesteld, worden ambtshalve en zonder opzeggingstermijn ontheven van hun ambt: 1. als zij niet regelmatig vastbenoemd, toegelaten tot de stage of tijdelijk aangesteld zijn;2. als zij niet langer voldoen aan de volgende voorwaarden: a) Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens vrijstelling toegestaan door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;d) van onberispelijk gedrag zijn;3. als, na een toegelaten afwezigheid, zij nalaten, zonder enige geldige reden, hun werk te hervatten en afwezig blijven gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen;4. als zij, zonder enige geldige reden, hun werk verlaten en gedurende meer dan tien dagen ononderbroken afwezig blijven;5. als zij zich in een geval bevinden waar de toepassing van de burgerlijke en strafwetten tot de ambtsneerlegging leidt;6. als zij lijden aan een vroegtijdige invaliditeit die onder de door de wet bepaalde voorwaarden behoorlijk is vastgesteld en waardoor zij niet meer in staat zijn hun ambt volledig, geregeld en onafgebroken uit te oefenen;7. wanneer een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen enkel beroep bedoeld in artikel 40 werd ingediend of het personeelslid weigert, na de uitputting van de procedure, een eind te maken aan een onverenigbare bezigheid;8. als zij in ruste worden gesteld wegens leeftijdslimiet. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vastbenoemde personeelsleden of stagiairs van de Algemene Sturingsdienst van de Scholen en Psycho-medisch-sociale centra leiden volgende elementen ook tot de definitieve ambtsneerlegging: 1. vrijwillig ontslag: het personeelslid mag zijn dienst slechts verlaten wanneer hij hiervoor behoorlijk toestemming heeft gekregen en na een opzegtermijn van minstens vijftien dagen;2. de tuchtsanctie van ontslag bij tuchtmaatregel of afzetting. TITEL IV. - Overgangs-, wijzigings- en slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Overgangsbepalingen Art. 143.In afwijking van artikel 3, § 2, 2e lid, is de Algemene dienst voorzien: 1. vanaf 1 september 2018: maximaal 4 zonedirecteurs en maximaal 53 afgevaardigden met een doelstellingenovereenkomst;2. vanaf 1 september 2019: maximaal 5 bijkomende zonedirecteurs en maximaal 35 bijkomende afgevaardigden met een doelstellingenovereenkomst;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 144</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De Regering kan in afwijking van de bepalingen van Titel III tot 1 januari 2020 zonedirecteurs en afgevaardigden met een doelstellingenovereenkomst tot de stage toelaten in de Algemene dienst die in artikel 3 wordt opgericht volgens de in dit artikel vastgelegde voorwaarden Hiertoe organiseert de Regering de toelatingsprocedure tot de stage voorzien in dit artikel in 2018 om de vacatures bedoeld in artikel 143, 1° te vervullen en in 2019 om de vacatures bedoeld in artikel 143, 2° te vervullen. § 2. De Regering kan personen toelaten tot de stage voor de bevorderingsambten van zonedirecteur en afgevaardigde met een doelstellingenovereenkomst door middel van een openbare oproep tot kandidaturen bestemd voor de personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 2019 kan de Regering naar aanleiding van een openbare oproep ook elke persoon aanwerven in de bevorderingsambten van zonedirecteur en afgevaardigde met een doelstellingenovereenkomst die voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 19, § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering nodigt de personeelsleden uit hun kandidatuur in te dienen voor de toelatingsproef tot de stage in deze betrekkingen met vermelding van de zonegroep(en) waarvoor ze zich kandidaat stellen, gerangschikt in volgorde van hun voorkeur. Voor de toepassing van dit artikel zijn de vier zonegroepen de volgende: a. Waals-Brabant en Brussel, b.Henegouwen-centrum en Picardisch Wallonië, c. Henegouwen-zuid, Luxemburg en Namen, d.Hoei-Borgworm, Verviers en Luik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel moeten de personeelsleden voldoen aan de voorwaarden voorzien in Titel III, met uitzondering van de voorwaarde betreffende het houden van een attest voor het slagen voor de kwalificatieproef respectievelijk bedoeld voor de zonedirecteur in artikel 63, § 1, 4° en voor de afgevaardigden met een doelstellingenovereenkomst in artikel 78, § 1, 4°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien worden de leden van de Algemene inspectiedienst in ambt op de datum van inwerkingtreding van dit decreet en die hun kandidatuur indienen geacht te voldoen aan de ervaringsvoorwaarden bedoeld in artikel 19, § 1, 1°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° en 11°, b). § 3. De toelatingsproef tot de stage omvat een schriftelijk en een mondeling gedeelte. Alleen de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in paragraaf 2 kunnen deelnemen aan de proef.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering legt het competentieprofiel vast dat de specifieke, technische en algemene vaardigheden en gedragsvaardigheden bepaalt die van bij de aanvang van de stage worden verwacht van de zonedirecteur en de afgevaardigde met een doelstellingenovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast legt ze de nadere regels van alle onderdelen van de toelatingsproef tot de stage en de evaluatiecriteria van elk onderdeel vast op basis van het in het vorige lid bedoelde competentieprofiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het schriftelijke gedeelte van de proef heeft de vorm van een meerkeuzevragenlijst met theoretische vragen en vragen om situaties in te schatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatiecriteria van dit gedeelte hebben betrekking op: 1. het vermogen om theoretische vragen te beantwoorden over alle specifieke vaardigheden die in het competentieprofiel zijn vastgelegd en die van bij de aanvang van de stage worden verwacht van de zonedirecteur of de afgevaardigde met een doelstellingenovereenkomst;2. het vermogen om vragen te beantwoorden over het inschatten van situaties die blijk geven van de technische en algemene vaardigheden en de gedragsvaardigheden van het ambtsprofiel bedoeld in het 2e lid. Het mondelinge gedeelte van de proef bestaat uit een gesprek voor een van de examencommissies bedoeld in paragraaf 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatiecriteria van dit gedeelte van de proef hebben betrekking op de technische vaardigheden op het vlak van mondelinge communicatie en de algemene vaardigheden en gedragsvaardigheden van het ambtsprofiel bedoeld in het 2e lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De examencommissie selecteert de 12 best gerangschikte kandidaten voor het ambt van zonedirecteur en de 150 best gerangschikte kandidaten voor het ambt van afgevaardigde met een doelstellingenovereenkomst op basis van de resultaten van het schriftelijke gedeelte van de toelatingsproef tot de stage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weerhouden kandidaten presenteren vervolgens het mondelinge gedeelte van de toelatingsproef tot de stage voor de examencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De examencommissie moet een algemene rangschikking opstellen van de kandidaten per ambt. De schriftelijke proef wordt beoordeeld op 50 punten. De proef voor de examencommissie wordt beoordeeld op 50 punten. Om in aanmerking te worden genomen in de algemene rangschikking, moet een kandidaat minstens 50 punten op het totaal van 100 punten van alle proeven halen. De algemene rangschikking wordt vervolgens onderverdeeld per zonegroep in functie van de zonegroep(en) waarvoor het personeelslid zich kandidaat stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering laat de best gerangschikte kandidaten per zonegroep en per zone binnen deze zonegroepen toe tot de stage. § 4. Er worden een of meerdere examencommissies gevormd voor de toelating tot de stage die als volgt zijn samengesteld: 1. een door de Regering uit de algemene ambtenaren van minstens rang 15 aangestelde voorzitter;2. twee vertegenwoordigers van het Algemeen Bestuur van Onderwijs waarvan er minstens één de Algemene irectie voor de sturing van het onderwijssysteem vertegenwoordigt;3. een externe expert met specifieke vaardigheden in verband met een van de opdrachten van het door de aanwerving beoogde ambt en aangesteld door de Regering. De Regering legt de nadere regels vast voor de werking van de examencommissie voor de toelating tot de stage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De diensten van een externe dienstverlener voor de organisatie van de hele of een deel van de toelatingsproef tot de stage bedoeld in paragraaf 3 kunnen aan de examencommissie worden toegevoegd. § 5. De personeelsleden die worden toegelaten tot de stage vervullen deze overeenkomstig Titel III. Zij volgen echter de initiële opleiding in de loop van de eerste maanden van hun toelating tot de stage en zijn vrijgesteld van de kwalificatieproef bedoeld in artikel 10. De duur van de stage wordt verlengd met de periode die hoort bij het volgen van de initiële opleiding bedoeld in artikel 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Titel II is de initiële opleiding die in 2018 en 2019 wordt georganiseerd, voorbehouden voor de personeelsleden die zijn toegelaten tot de stage in het kader van deze bepaling en kan ze worden georganiseerd tijdens of buiten de normale werkuren van de scholen. § 6. De stagedoende personeelsleden volgen binnen de drie maanden na de initiële opleiding bedoeld in paragraaf 5 de opleiding voor arbeidsintegratie voorzien in artikelen 67 en 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 66, § 1, 1e lid en 80, § 1, 1e lid wordt het stagedoend personeelslid een eerste keer geëvalueerd tussen de vierde en zesde maand na aanvang van zijn stage en een tweede keer tussen de negende en de tiende maand na aanvang van zijn stage.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 66, § 1, 4e lid en 80, § 1, 4e lid leidt de eerste evaluatie tot de vermelding \"gunstig\" of \"met voorbehoud vergezeld van aanbevelingen\". De tweede evaluatie verloopt overeenkomstig artikel 66, § 1 en 80, § 1. § 7. Het personeelslid bedoeld in paragraaf 2, 5e lid dat is toegelaten tot de stage in toepassing van dit artikel, blijft de weddeschaal genieten waarop hij aanspraak kon maken vlak voor de inwerkingtreding van dit decreet, indien deze gunstiger is. Art. 145.De toelating tot de stage in de bevorderingsambten van zonedirecteur en afgevaardigde met een doelstellingenovereenkomst in het kader van de aanwervingsprocedure bedoeld in artikel 143 en 144 kan plaatsvinden vanaf de dag dat een decreet dat de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap als inrichtende macht aan een autonoom orgaan met een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid delegeert en dat een decreet dat de samenwerking organiseert bedoeld in artikel 67, § 4, 4° van het decreet van 24 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1997 numac 1997029337 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/11/1997 numac 1997029343 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten beide in werking zijn getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering kan in afwachting de procedure opstarten om over een wervingsreserve te beschikken. Art. 146.Het mandaat van coördinerende afgevaardigde is voor de eerste keer voorzien op 1 september 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Directeur-generaal neemt de opdrachten van de coördinerende afgevaardigde op zich. HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen Art. 147.In het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat zoals het laatst gewijzigd door het arrest van de Franse gemeenschapsregering van 24 augustus 2016, werden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. in de titel van het koninklijk besluit worden de termen \"van de leden van de Algemene Sturingsdienst van de Scholen en Psycho-medisch-sociale centra\" ingevoegd tussen de termen \"van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen,\" en \"van de leden van de inspectiedienst\";2. in artikel 2 worden de termen \"van de leden van de Algemene Sturingsdienst van de Scholen en Psycho-medisch-sociale centra\" ingevoegd tussen de termen \"van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen,\" en \"van de leden van de inspectiedienst\";3. er wordt een hoofdstuk Hquater ingevoegd dat als volgt luidt: \"Hoofdstuk Hquater - Personeel van de Algemene Sturingsdienst van de Scholen en Psycho-medisch-sociale centra: zonedirecteur: a.houder van een masterdiploma: 475 b. houder van een andere titel: 275 afgevaardigde met een doelstellingenovereenkomst: a.houder van een masterdiploma: 475 b. houder van een andere titel: 275\".</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 148</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 75, § 1, 1e lid van het decreet van 24 juli dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, wordt een 3° /1 ingevoegd die als volgt luidt: \"3° /1 de zonedirecteurs en de afgevaardigden met een doelstellingenovereenkomst\". HOOFDSTUK III. - Slotbepaling Art. 149.Dit decreet treedt in werking op de dag van zijn goedkeuring met uitzondering van de bepalingen waarvan de inwerkingtreding wordt vastgelegd door artikel 145 Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brussel, 13 september 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister-President, R. DEMOTTE De Vice-Presidente en Minister van Cultuur en Kind, A. GREOLI De Vice-President, Minister van Hoger Onderwijs, Onderzoek en Media, J.-Cl. MARCOURT De Minister van Hulpverlening aan de Jeugd, Justitiehuizen, Sport en Promotie van Brussel, belast met het toezicht op de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest R. MADRANE De Minister van Onderwijs, M.-M. SCHYNS De Minister van Begroting, Ambtenarenzaken en Administratieve Vereenvoudiging, A. FLAHAUT De Minister van Onderwijs voor sociale promotie, Jeugd, Vrouwenrechten en Gelijke Kansen I. SIMONIS _______ Nota Zitting 2018-2019 Stukken van het Parlement.- Ontwerp van decreet, nr. 664-1. - Advies van de Raad van State, nr. 664-2.- Commissieamendementen, nr. 664-3.- Commissieverslag nr. 664-4. - Tekst aangenomen tijdens de commissie, nr. 664-5.- Tekst aangenomen tijdens de plenaire commissie, nr. 664-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integraal verslag.- Bespreking en aanneming.- Vergadering van 12 september 2018.</p></div>", "next": 0}