📄 Wettekst
3 MAART 2004. - Decreet betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders (1)
MEMORIE VAN TOELICHTING Dames en heren, Op mondiaal vlak werd voor het eerst invulling gegeven aan het begrip 'primary health care' tijdens de conferentie van de Wereldgezondheidsorganisatie te Alma Ata in 1976.
De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) omschrijft dit begrip (primary health care) als volgt : essential health care made accessible at a cost the country and community can afford, with methods that are practical, scientifically sound and socially acceptable. Primary health care is the central function and main focus of a country's health system, the principal vehicle for the delivery of health care, the most peripheral level in a health system streching from the periphery to the centre, as a integral part of the social and economic development of a country.
Primary health care' werd en wordt dus beschouwd als essentiële gezondheidszorg die financieel toegankelijk wordt gemaakt en die methoden hanteert die wetenschappelijk onderbouwd, maatschappelijk aanvaard en praktijkgericht zijn.
Ofschoon de WGO momenteel deze concepten en begrippen, die inmiddels al een kwarteeuw oud zijn, aan een herziening onderwerpt, blijven de vermelde kenmerken overeind en actueler dan ooit.
De WGO definitie van 'primary health care' is echter ruimer dan wat wij doorgaans verstaan onder 'eerstelijnsgezondheidszorg'. Ook omwille van het specifiek karakter van de Vlaamse beleidscontext is een eigen definitie in dit ontwerp van decreet onontbeerlijk.
Fundamenteel in het Vlaams zorglandschap is de centrale plaats van de gebruiker met zijn rechtmatige noden en behoeften. De zorg moet hieraan beantwoorden en de verschillende zorgvormen moeten naadloos op elkaar zijn afgestemd en een adequaat antwoord bieden op de evoluerende noden en behoeften.
De eerstelijnsgezondheidszorg vormt een essentiële component in het Vlaams gezondheidsbeleid, zoals aangestipt in actuele beleidsdocumenten. Door dit ontwerp van decreet wordt deze visie bekrachtigd en effectief uitgebouwd.
In het Regeerakkoord van de Vlaamse Regering (1999) wordt het belang van de eerstelijnsgezondheidszorg, en in het bijzonder van de thuisgezondheidszorg, onderstreept.
De beleidsnota van januari 2000 stelt, in overeenstemming met de WGO-visie, dat de eerstelijnsgezondheidszorg de basis vormt van de gezondheidszorg. Versterking ervan is noodzakelijk. Een monodisciplinaire organisatie van het zorgaanbod met alleenwerkende zorg- en hulpverleners ruimt meer en meer plaats voor georganiseerde samenwerkingsverbanden. Deze evolutie is ontstaan zowel vanuit de vraag- als vanuit de aanbodzijde.
Een monodisciplinair aanbod voldoet immers niet steeds, zeker waar het gaat om complexe zorgsituaties en de zorgverstrekkers van hun kant kiezen meer en meer voor een organisatie die hen toelaat om hun professionele taken beter te combineren met hun gezins- en sociaal leven.
De complementariteit van de verschillende actoren moet beter benut worden door het stimuleren van overleg, taakafspraken, gegevensuitwisseling en netwerkvorming. Hierbij is het belangrijk het lokaal gezondheidsoverleg verder aan te moedigen en te ontwikkelen en het multidisciplinair functioneren van de zorgverstrekker te versterken. Naast behandelingen moet hij ook preventieve zorg aanbieden en zorg op maat garanderen via netwerkvorming.
De Vlaamse regering is krachtens de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten op de staatshervorming bevoegd om regelend op te treden inzake de zorgverstrekking buiten de ziekenhuizen.
Het
protocol van 25 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
protocol
prom.
25/07/2001
pub.
25/09/2001
numac
2001022645
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Protocol gesloten tussen de Federale Regering en de overheden bedoeld in de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet, met betrekking tot de eerstelijnsgezondheidszorg
sluiten met betrekking tot de eerstelijnszorg, dat werd afgesloten tussen de Federale regering en de gemeenschapsregeringen (bedoeld wordt de overheden bedoeld in de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet), beschrijft de engagementen van deze betrokken overheden.
Het doel van dit protocol is een betere zorgverlening binnen de eerstelijnsgezondheidszorg aan te bieden. Daarbij wordt uitgegaan van het principe dat de zorg zich moet aanpassen aan de gebruiker en niet omgekeerd.
Zo engageert de Federale overheid zich in dit protocol ondermeer om uitvoering te geven aan artikel 5, § 1 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wet op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging, gewijzigd door de
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten, het koninklijk besluit nr. 59 van 22 juli 1982 en de
wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
25/01/1999
pub.
06/02/1999
numac
1999021025
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
sluiten dat de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging (GDT) regelt.
Deze diensten functioneren binnen een afgebakend gebied en beantwoorden aan een aantal kenmerken : minstens huisartsen en verpleegkundigen vertegenwoordigen; de samenwerking tussen de zorgverstrekkers bevorderen; structureel samenwerken met thuisvervangende voorzieningen; activiteiten registreren en multidisciplinaire en gebruikergerichte samenwerking organiseren en ondersteunen (o.a. taakafspraken, zorgplan, evaluatie zelfredzaamheid). Inmiddels werd deze verbintenis gerealiseerd door het
koninklijk besluit van 8 juli 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/07/2002
pub.
05/10/2002
numac
2002022602
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning van geïntegreerde diensten voor thuisverzorging
sluiten tot vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning van geïntegreerde diensten voor thuisverzorging en het ministerieel besluit van 17 juli 2002 houdende vaststelling van de programmatiecriteria voor de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging.
De Vlaamse overheid van haar kant engageert zich in het vermelde protocol ondermeer om : -de zorgzones te bepalen en erover te waken dat deze het ganse grondgebied bestrijken; - de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging te erkennen; - wetgeving op te stellen die toelaat bijkomende opdrachten te enten op de werking van de GDT's.
Het voorliggend ontwerp van decreet, en in het bijzonder het hoofdstuk IV over de samenwerkingsinitiatieven eerstelijnsgezondheidszorg' samen met het decreet betreffende de indeling in zorgregio's en betreffende de samenwerking en programmatie van gezondheidsvoorzieningen en welzijnsvoorzieningen van 23 mei 2003, beogen dit engagement vanwege de Vlaamse overheid te realiseren. Beide ontwerpdecreten en hun uitvoeringsbesluiten zullen een adequate afstemming met de regelgeving inzake de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging mogelijk maken.
Dit ontwerp van decreet wil ook de aanzet vormen tot optimalisering van de zorgprocessen binnen de eerstelijnsgezondheidszorg. Daartoe worden in hoofdstuk II de opdrachten, doelstellingen en werkingsbeginselen van de eerstelijnsgezondheidszorg besproken.
Eerstelijnsgezondheidszorg wordt subsidiair verleend in het kader van een zorgcontinuüm. Dit wil zeggen dat de zorg wordt verleend op het laagst mogelijk niveau dat voldoende kwaliteit waarborgt.
De eerstelijnszorg wordt gekenmerkt door twee soorten activiteiten : gebruikersgebonden activiteiten en activiteiten die eerder organisatorisch van aard zijn.
Gebruikersgebonden activiteiten situeren zich doorgaans op het niveau van de praktijkvoering, waar het individueel contact tussen de gebruiker en de verstrekker plaatsvindt en, zonodig, multidisciplinair overleg tussen verschillende zorgaanbieders rond de gebruiker kan plaatsgrijpen.
Ondersteuning van deze activiteiten wordt mogelijk gemaakt door erkenning en subsidiëring van samenwerkingsverbanden op niveau van de praktijkvoering, partnerorganisaties en samenwerkingsinitiatieven eerstelijnsgezondheidszorg (SEL).
Activiteiten die eerder organisatorisch van aard zijn, betreffen het afstemmen van de zorg op de noden van de zorg- en hulpvragers in het algemeen en het onderling afstemmen van de werkingen van de verschillende zorgaanbieders, het organiseren van navorming, het uitwerken van communicatiemodellen, het verlenen van informatie, enzovoort. Hiervoor is het nodig de verschillende zorgaanbieders van een bepaald werkgebied te groeperen. Deze activiteiten zijn gesitueerd op het niveau van de samenwerkingsinitiatieven eerstelijnsgezondheidszorg die eveneens kunnen ondersteund worden door partnerorganisaties.
Door in hoofdstuk III de mogelijkheid te voorzien om samenwerkingsverbanden op niveau van de praktijkvoering onder bepaalde voorwaarden te erkennen en te subsidiëren beoogt dit ontwerp van decreet de eerstelijnsgezondheidszorg te versterken. Het is niet de bedoeling een of andere vorm van samenwerking op te leggen, maar wel de ruimte te creëren om een waaier van samenwerkingsvormen mogelijk te maken en deze waar nodig en mogelijk te ondersteunen. De verschillende zorgverstrekkers actief in de eerstelijnsgezondheidszorg kunnen hiervoor in aanmerking komen.
Hoofdstuk IV van dit ontwerp van decreet betreft de Samenwerkingsinitiatieven Eerste Lijnsgezondheidszorg (SEL's). Zij vormen een hoeksteen van dit ontwerp van decreet. Deze samenwerkingsinitiatieven overstijgen het praktijkniveau en richten zich vooral op de organisatorische activiteiten eigen aan de eerstelijnsgezondheidszorg. In die zin beogen zij de samenwerking te bevorderen tussen alle zorgaanbieders actief in de eerstelijnszorg, tussen de zorgaanbieders en gebruikers, mantelzorgers en vrijwilligers en tussen de organisaties, diensten en personen met een meer gespecialiseerd zorgaanbod. SEL's zijn verenigingen die onder meer aan volgende kenmerken moeten beantwoorden : - minstens de diensten voor gezinszorg, de huisartsen, de locale dienstencentra, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de rusthuizen ongeacht ze RVT bedden hebben, de verpleegkundigen en vroedvrouwen, en de ziekenfondsdiensten vertegenwoordigen; - de samenwerking tussen de zorgaanbieders bevorderen; - structureel samenwerken met thuisvervangende voorzieningen; - activiteiten registreren; - multidisciplinaire en gebruikersgerichte samenwerking organiseren en ondersteunen (o.a. taakafspraken, zorgplan, evaluatie zelfredzaamheid).
Met het oog op een vereenvoudiging en vermindering van de structuren worden alle in het bovenvermelde protocol bedoelde opdrachten van de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging, uitgevoerd door de SEL's en worden de taken van de reeds bestaande samenwerkingsinitiatieven in de thuisverzorging (SIT's) eveneens opgenomen door de SEL's.
Toch wordt er een nieuwe benaming gegeven aan deze structuren om een aantal redenen. De term samenwerkingsinitiatief in de thuisverzorging' omvat onvoldoende alles wat onder de eerstelijnsgezondheidszorg wordt verstaan. Om dezelfde reden wordt de term geïntegreerde dienst voor thuisverzorging' niet geschikt geacht. Daarbij komt dat dienst voor thuisverzorging' te veel de indruk geeft dat de dienst zelf zorgen zal toedienen. Dit is evenwel niet de bedoeling.
De SEL's zijn gericht op het optimaliseren van de zorg. Ze fungeren als aanspreekpunt van de eerste lijn in de zorgregio voor de verschillende zorgaanbieders in de eerste lijn, de overheid, de hulpverleners in de tweede lijn en de burgers.
Een samenwerkingsinitiatief eerstelijnsgezondheidszorg functioneert op een kleinschalig niveau dicht bij de burger. De goede samenwerking tussen de plaatselijke vertegenwoordigers van zorgaanbieders, waaronder de lokale dienstencentra (LDC) en O.C.M.W.'s, is hierbij zeer belangrijk.
Een essentieel element om tot een effectieve en efficiënte organisatie van de eerste lijn te komen, is een sluitende indeling van het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in zorgregio's. De indeling moet zodanig zijn dat er blinde vlekken' noch overlappingen' bestaan. Bij het bepalen van de zorgregio's moet rekening worden gehouden met een referentiekader dat uitgaat van sociaal-geografische realiteiten.
Het is de bedoeling dat ook de preventieve netwerken, met name de LOGO's (LOcoregionaal Gezondheidsoverleg en Organisatie) zich in de toekomst afstemmen op deze indeling in zorgregio's zodat hun werkingsgebied samenvalt met dat van enkele SEL's.
Hoofdstuk V regelt de eerder genoemde partnerorganisaties'. Dit zijn organisaties met rechtspersoonlijkheid, erkend door de Vlaamse overheid, die als centrum van expertise fungeren omwille van minstens één van de hiernavolgende competenties : a) de deskundigheid om ondersteuning te bieden aan samenwerkingsinitiatieven eerstelijnsgezondheidszorg, netwerken, zorgaanbieders, gebruikers, mantelzorgers of vrijwilligers die actief zijn in de eerstelijnsgezondheidszorg;b) het aanleveren van gegevens inzake gezondheidszorg. Met deze erkende partnerorganisaties kan de Vlaamse overheid duurzame samenwerkingsverbanden sluiten die worden geconcretiseerd in een beheersovereenkomst die toegang geeft tot subsidiëring.
Kwaliteitsvolle eerstelijnsgezondheidszorg veronderstelt een wetenschappelijke onderbouwing van de werkmethoden. Om deze betrachting mee te helpen realiseren, zullen die partnerorganisaties erkend en ondersteund worden die blijk geven van een wetenschappelijke ingesteldheid en een betekenisvolle bijdrage kunnen leveren aan de kwaliteit van de eerstelijnsgezondheidszorg.
Oorspronkelijk regelde een VI° hoofdstuk de ziekenfondsdienst voor maatschappelijk werk en woonondersteuning. Het ging hier om de werking van één van de zorgaanbieders, actief op de eerste lijn. Het advies van de Vlaamse Gezondheidsraad (VGR) van 15/10/2002 stelt evenwel dat het niet gepast is dat de ziekenfondsdiensten in dit ontwerp van decreet betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg worden geregeld. Om die reden worden deze diensten in andere regelgeving opgenomen. Dit betekent evenwel niet dat hiermee het belang van het maatschappelijk werk voor de (eerstelijns)gezondheidszorg wordt genegeerd, wel integendeel. Daarom wordt in dit decreet een duidelijke link gelegd met deze diensten.
In de volgende hoofdstukken wil het decreet een aantal instrumenten vastleggen om een goede, transparante relatie te garanderen tussen de Vlaamse overheid en de eerstelijnsgezondheidszorg, de samenwerkingsverbanden op praktijkniveau, de samenwerkingsinitiatieven eerstelijnsgezondheidszorg en de partnerorganisaties.
Ook de overheid wenst haar beleid zo veel mogelijk te baseren op wetenschappelijk onderbouwde gegevens en stellingen. Om dit mogelijk te maken, moet de overheid kunnen beschikken over een aantal relevante en geaggregeerde gegevens aangeleverd door de zorgaanbieders. Dit decreet voorziet in de mogelijkheid om ook daaromtrent afspraken te maken en gegevensstromen te doen ontstaan. Tegelijk wordt, door een operationeel informatiesysteem, geregeld dat de zorggegevens de gebruiker volgen en waar nodig en met oog voor de privacy, ook beschikbaar zijn voor de andere zorgaanbieders.
Een erkenning van overheidswege geeft uiting aan het publieke vertrouwen dat aan een organisatie of zorgaanbieder wordt geschonken en kan, in welbepaalde gevallen, het licht op groen zetten voor een subsidiëring. Publiek vertrouwen moet verdiend worden en daarom hebben erkende en/of gesubsidieerde zorgaanbieders ook de plicht om verantwoording af te leggen, niet alleen over de aangewende middelen, maar ook over de resultaten van hun werking.
Tenslotte regelt dit decreet de administratieve sancties en de procedures inzake erkenning en schorsing en intrekking van de erkenning en bevat het overgangsbepalingen en bepalingen met betrekking tot de inwerkingtreding.
Artikelsgewijze bespreking : Artikel 1.Krachtens de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten op de staatshervorming is de Vlaamse regering bevoegd om regelend op te treden inzake de zorgverstrekking buiten de ziekenhuizen. Art. 2.2° De term begeleidingsplan onderscheidt zich van wat bedoeld wordt met een zorgplan (zie verder). Een begeleidingsplan is een werkinstrument dat gebruikt wordt binnen een bepaalde setting'.
Elementen hieruit worden ingebracht in een eventueel multidisciplinair overleg dat op zijn beurt kan leiden tot een zorgplan. 3° De gebruiker staat centraal in de gezondheidszorg.Hij is de persoon die het voorwerp uitmaakt van de eerstelijnszorg. Gezien in dit decreet ook de samenwerking met de niet strikt medische sector beoogd wordt is gekozen om de term 'gebruiker' te hanteren in de plaats van 'patiënt'. Het is evenwel niet de bedoeling om door deze terminologie het eventuele consumptiegedrag te accentueren. 4° De gehanteerde definitie beschouwt de eerstelijnsgezondheidszorg als een deel van de gezondheidszorg.Zij is complementair aan andere segmenten van het zorgaanbod waarmee ze een zorgcontinuüm vormt.
Ze wordt zowel door huisartsen, verpleegkundigen als door paramedici verleend. Andere deskundige personen of instanties vergemakkelijken deze zorg.
De toegang tot het zorgaanbod verloopt bij voorkeur via de eerstelijnsgezondheidszorg.
Kenmerkend voor de eerstelijnsgezondheidszorg is dat ze gesitueerd is buiten het ziekenhuis en de zorg aanbiedt vanuit een holistische, niet functie-, leeftijd-, techniek-, of orgaangespecialiseerde invalshoek.
Eerstelijnsgezondheidszorg staat in voor de eerste deskundige opvang van gebruikers die zich aanbieden of naar haar verwezen worden, ook voor de behandeling en de continue begeleiding, en voor het voorkomen van het ontstaan of het verergeren van gezondheidsproblemen. Deze activiteiten kunnen door de verstrekkers van de eerste lijn zelf gebeuren of door een ander segment van het zorgaanbod in afspraak met de verstrekker van de eerste lijn.
In haar advies van 15 oktober 2002 stelde de Vlaamse gezondheidsraad (VGR) volgende definitie voor : « basisgezondheidszorg, toegankelijk voor alle individuen en families in een gemeenschap, met voor hen aanvaardbare middelen, met hun volledige medewerking, en aan een kost die de gemeenschap en het land zich kunnen veroorloven. Het maakt integraal deel uit van s lands gezondheidszorgsysteem, waarvan het de kern vormt, en van de algemene socio-economische ontwikkeling van de gemeenschap. Eerstelijnsgezondheidszorg kan verstrekt worden door huisartsen, thuisverpleegkundigen, of andere professionelen met een specifieke opleiding ». In zijn globaliteit is dit voorstel, hoe waardevol ook, niet weerhouden, en wel om volgende redenen : - basisgezondheidszorg wordt niet verder uitgelegd; - wat wordt bedoeld met 'in een gemeenschap' is niet duidelijk; - de verwijzing naar 'aanvaardbare middelen' en aan een kost die de gemeenschap zich kan veroorloven' verwijst naar de problematiek van de terugbetaling van de medische kosten, welke een Federale bevoegdheid is; - de verwijzing naar 'het land' en' 's lands' gaat de bevoegdheden van de decreetgever te buiten; - de relatie tot de 'socio-economische ontwikkeling van de gemeenschap' is te onduidelijk en te weinig relevant voor wat met dit ontwerp van decreet beoogd wordt; - het is niet zo dat alle professionelen in de eerstelijnsgezondheidszorg een opleiding hebben die specifiek is voor de eerstelijnsgezondheidszorg (vb. kinesisten, apothekers, diëtisten ...);
Om deze redenen wordt de door de VGR voorgestelde definitie minder operationeel geacht, wetende dat ook de nu gebruikte definitie wellicht haar tekortkomingen heeft. 5° De evaluatie van het zelfzorgvermogen geeft dus onrechtstreeks een gradatie weer van de ernst van de zorgbehoefte.Op zich spreekt deze evaluatie zich niet uit over de aard van de zorg die nodig wordt geacht, maar kan de evaluatie van het zelfzorgvermogen wel kaderen in een ruimer model waarbij de zorgnood wel wordt gedefinieerd en waarbij eventueel ook wordt bepaald in hoeverre die zorg kan worden gefinancierd, hetzij ten aanzien van de gebruiker of mantelzorger, hetzij ten aanzien van de organisatie, dienst of persoon die de zorgen verleent. 6° Hier wordt vertrokken van de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie, daterend uit 1948, wetende dat deze te weinig de nadruk legt op het dynamisch karakter van het begrip 'gezondheid', zoals dit heden algemeen aanvaard wordt.De gebruikte definitie heeft echter de blijvende verdienste aandacht te vragen voor de subjectieve elementen (welbevinden) in een holistische benadering van gezondheid.
In haar advies van 15 oktober 2002 stelt de Vlaamse gezondheidsraad (VGR) voor om de definitie van gezondheid te vervangen door : « toestand van optimaal lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden bij de mens, en niet enkel de afwezigheid van ziekte of handicap ».
Toch is er niet voor gekozen deze aanpassingen op te nemen. De definitie van het ontwerp van decreet stelt het welbevinden van het individu (of een groep) centraal. De toevoeging van 'optimaal' zou betekenen dat deze subjectieve vaststelling van 'welbevinden' door een derde (de gemeenschap ? de overheid ?) zou worden afgewogen, alsof deze derde zou bepalen wat als een aanvaardbaar of voldoende geacht niveau van welbevinden kan worden beschouwd. Het is niet de bedoeling de indruk te wekken dat het individu niet zelf kan bepalen wat welbevinden inhoudt. Daarom wordt de notie 'optimaal welbevinden' niet gebruikt.
De door de VGR voorgestelde definitie gaat, door het vermelden van « en niet enkel de afwezigheid van ziekte of handicap », terug naar de oorspronkelijke definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie. Tot voor de tijd dat deze definitie tot stand kwam werd gezondheid veelal gedefinieerd als een « afwezigheid van ziekte of handicap ». De Wereldgezondheidsorganisatie had de grote verdienste om deze 'negatieve' omschrijving om te buigen naar een positieve formulering vertrekkend van een holistisch mensbeeld. De toevoeging « en niet enkel de afwezigheid van ziekte of handicap » was in die tijd belangrijk om het vernieuwende te accentueren. Momenteel echter heeft deze toevoeging geen inhoudelijke meerwaarde meer, wel integendeel. De toevoeging zou immers kunnen suggereren dat een persoon met een ziekte of handicap zich niet kan bevinden in een toestand van lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden. 7° Met doeltreffendheid wordt bedoeld : de mate waarin een bepaald doel bereikt is. Onder doelmatigheid wordt verstaan : een afweging van de baten ten opzichte van de moeite (kosten) die er moet worden gedaan om deze baten te realiseren. Doelmatigheid is het vermijden van verspilling van geld, materialen, werkkracht, tijd en energie. Doelmatigheid is ook het voorkomen van ongevallen, ongewenste effecten, nevenwerkingen en omvat dus ook de elementen veiligheid en duurzaamheid.
De continuïteit van de zorg houdt in dat de zorg ononderbroken en in samenhang (naadloos) wordt aangeboden. Ook het bewaken en in perken houden van wachttijden, doorstroomtijden en toetredingstijden (bijvoorbeeld wachtlijsten) zijn hierbij van belang.
De maatschappelijke aanvaardbaarheid houdt in dat bij het verlenen van zorg de voorziening dient na te gaan of de zorg die men voorstelt, aanvaard wordt door de maatschappelijke omgeving van de gebruiker en door de ruimere maatschappij.
Specifiek met betrekking tot de zorg van artsen mag « maatschappelijke aanvaardbaarheid van de zorg » niet zo worden geïnterpreteerd dat dit afbreuk zou doen aan de diagnostische en therapeutische vrijheid van de arts, zoals die ondermeer door de artikelen 11 en 12 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, door artikel 130, § 1, tweede lid, van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wet op de ziekenhuizen en door artikel 73 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen is gewaarborgd. Het ontwerp van decreet beoogt ook op geen enkele wijze de uitoefening zelf, in de strikte zin van het woord, van de geneeskunde, de verpleegkunde of van de andere gezondheidsberoepen, te regelen.
Verantwoorde zorg is gebruikersgericht, d.w.z. dat die zorg zich oriënteert op de noden, behoeften en waarden van de gebruiker en respect toont voor de gebruiker als mens. 8° De mantelzorger onderscheidt zich van de vrijwilliger.Beiden verlenen ze niet-medische zorg in het kader van activiteiten van het dagelijks leven. Dit gebeurt ter aanvulling van de zelfzorg die op bepaalde aspecten niet (meer) blijkt te voldoen. De zorg wordt niet beroepshalve aangeboden. Toch gaat het in essentie niet om occasionele hulp, zoals bijvoorbeeld eerste hulp bij een ongeval (EHBO). Uiteraard betekent dit niet dat een mantelzorger geen EHBO zou kunnen toedienen.
Specifiek voor de mantelzorger is dat de zorg verleend wordt vanuit een voorafbestaande sociale of emotionele individuele band met de betrokkene. De hulp van de mantelzorger wordt thuis aangeboden, maar in een aantal omstandigheden kan dit ook daarbuiten gebeuren.
In haar advies van 15 oktober 2002 stelt de Vlaamse gezondheidsraad (VGR) voor om de definitie van mantelzorger te vervangen door : « elke natuurlijke persoon die op een niet-professionele basis, noch in een georganiseerd verband, hulp en bijstand biedt aan een gebruiker ». Op dit voorstel wordt niet ingegaan om de volgende redenen : - de toevoeging 'natuurlijke' is overbodig omdat een persoon die een sociale en emotionele band heeft met een gebruiker, niet anders dan een natuurlijke persoon kan zijn; - het begrip 'niet-professionele basis' is minder geschikt dan 'niet beroepshalve' omdat een mantelzorg wel degelijk zeer professioneel kan tewerk gaan; - de toevoeging dat de zorg door de mantelzorger niet 'in een georganiseerd verband' kan gebeuren is niet terecht. Vaak zal deze zorg kaderen in een zorgplan dat tot stand komt in multidisciplinair overleg waar ook de gebruiker en de mantelzorger bij betrokken worden (zie artikel 10 § 1, 3°). Dit kan moeilijk als een niet-georganiseerd verband beschouwd worden; - de formulering 'hulp en bijstand' zegt minder concreet wat juist bedoeld wordt dan 'helpt en ondersteunt in het dagelijks leven' 9° Bij een meer gespecialiseerd zorgaanbod gaat het om zorg verleend door onder meer artsen-specialisten en ziekenhuizen.Ook andere organisaties, diensten en personen kunnen een gespecialiseerd zorgaanbod hebben. Voorbeelden hiervan zijn de centra voor geestelijke gezondheidszorg die zich, volgens art. 9, § 1, 1° van het decreet betreffende de geestelijke gezondheidszorg van 18 mei 1999, dienen te profileren als tweedelijnsgezondheidsvoorziening, de revalidatiecentra en de diensten die zich toeleggen op de behandeling en hulpverlening bij ernstige drugsverslavingen. De aard en de omstandigheden van deze zorg bepalen dat het niet om eerstelijnszorg gaat. Vandaar dat bij de vermelding in de tekst van dit gespecialiseerd zorgaanbod er steeds sprake is van een 'meer' gespecialiseerd zorgaanbod. Dit betekent dat, wanneer dit zorgaanbod bedoeld wordt, steeds de afweging tegenover de eerstelijnszorg wordt gemaakt. Het is zeer moeilijk om hieromtrent een limitatieve lijst van organisaties, diensten en personen op te sommen.
Ook vermeldt de definitie dat het zorg is die 'doorgaans' door de betrokken organisaties, diensten en personen wordt verleend. Zo is de zorg door een medische urgentiedienst die iemand thuis gaat reanimeren een gespecialiseerd zorgaanbod, niettegenstaande de huisarts, in bepaalde omstandigheden, ook reanimatietechnieken zal toepassen.
Anderzijds wordt het consultatiebureau van Kind en Gezin, niettegenstaande de arts die er aan verbonden is misschien een kinderarts is, toch beschouwd als een zorgaanbieder en niet als een 'meer gespecialiseerd zorgaanbod' omdat de verleende zorg 'doorgaans' niet door een arts-specialist moet gebeuren. 10° Een partnerorganisatie fungeert als expertisecentrum op vlak van ondersteuning of het aanleveren van gegevens.Deze kern van expertise kan hiervoor een beroep doen op eigen deskundigheid en/of op die van een netwerk. De term partnerorganisatie onderstreept het partnerschap met zowel de overheid als met de te ondersteunen organisaties, diensten of personen. Ook wordt zo de indruk vermeden als zou de expertise van een partnerorganisatie hiërarchisch hoger ingeschat worden dan de expertise van de te ondersteunen organisaties, diensten of personen.
In de definitie van een partnerorganisatie wordt het begrip netwerk vermeld.
In de oorspronkelijke tekst die aan de Vlaamse gezondheidsraad voor advies werd voorgelegd, werd de term netwerk in het decreet zelf gedefinieerd. Gezien deze term verder niet meer in de tekst voorkomt is er voor gekozen hem enkel in de memorie toe te lichten.
Een netwerk kan gedefinieerd worden als een gestructureerde samenwerking van organisaties, diensten of personen, die, omwille van de complexiteit en/of het chronisch karakter van de zorgverlening, gericht is op het ondersteunen van bepaalde aspecten van de zorgverlening. Deze organisaties, diensten of personen kunnen betrokken zijn bij zowel intra- als extramurale zorg. De huidige palliatieve samenwerkingsverbanden zijn hiervan een voorbeeld. Ook zouden bijvoorbeeld netwerken m.b.t. de zorg aan dementerende personen via één of meerdere partnerorganisaties kunnen ondersteund worden via dit decreet. Indien meerdere partnerorganisaties met éénzelfde opdracht, netwerken zouden ondersteunen, dan is het evident dat bij de erkenning van deze partnerorganisaties of in hun beheersovereenkomst, wordt bepaald dat ze een territoriaal afgebakend werkgebied bestrijken dat overeenkomt met het werkgebied van één of meerdere samenwerkingsinitiatieven eerstelijnsgezondheidszorg (SEL). Het is immers niet de bedoeling dat bij dergelijke ondersteuning SEL's worden opgesplitst. OOk zal er voor worden gezorgd dat alle SEL's door dergelijke partnerorganisaties worden bereikt. 11° Een samenwerkingsinitiatief eerstelijnsgezondheidszorg of SEL optimaliseert op gestructureerde wijze de aangeboden zorg voor een bepaald werkgebied door ondermeer de onderlinge samenwerking te bevorderen.12° Bij de definitie van vrijwilliger kan worden verwezen naar de toelichting bij de mantelzorger.Wel is het bij de vrijwilliger niet essentieel dat de zorg vanuit een voorafbestaande sociale en emotionele band gebeurt. Dit betekent echter niet dat een vrijwilliger geen sociale en emotionele band met de hulpvrager zou hebben. Bij de hier gehanteerde definitie van vrijwilliger worden dus niet die vrijwilligers bedoeld die bijvoorbeeld organisaties ondersteunen, maar geen hulp bieden aan hulpvragers zelf. 13° Woonondersteuning is een begrip dat niet courant wordt gebruikt. Het wordt enkel gedefinieerd om de omschrijving van de ziekenfondsdienst (zie 15°) te verduidelijken. 14° Omdat in het kader van dit decreet het een belangrijk werkingsbeginsel is om het zelfzorgvermogen van het individu zo veel mogelijk aan te moedigen en te verhogen (art 3) is er voor geopteerd toch een definitie van zelfzorg te geven, niettegenstaande dit begrip als een vanzelfsprekendheid wordt aangevoeld.De bedoelde beslissingen en acties en de daarbij aansluitende eigen activiteiten en vaardigheden hebben voornamelijk betrekking op de uitvoering van huishoudelijke activiteiten, de mogelijkheid om sociale contacten te leggen, zich te ontplooien en zich te oriënteren in tijd en ruimte. 15° Deze ziekenfondsdiensten zijn zorgaanbieders (zie artikel 2, 16°) en ondersteunen dus, samen met anderen, de eerstelijnsgezondheidszorg. Ze staan er voor in dat ten aanzien van de gebruiker passende zorg verleend wordt en doen dit volgens de methoden van het maatschappelijk werk. Dit houdt in dat ze zelf maatschappelijk werk verrichten maar ook dat ze door de methodiek van het maatschappelijk werk de passende zorg door andere disciplines mogelijk maken of vergemakkelijken.
Daarnaast verstrekken de ziekenfondsdiensten 'woonondersteuning' (zie 13°). Met name geven zij informatie en advies en stellen ze hulpmiddelen, waaronder personenalarmsystemen, ter beschikking die betrekking hebben op activiteiten van het dagelijks leven. Deze laatste taken hoeven dus niet volgens de methoden en methodieken van het maatschappelijk werk te gebeuren wat dus niet noodzakelijk het inzetten van maatschappelijk werkers vereist. Om die reden wordt in de definitie van 'ziekenfondsdienst' de opdracht 'woonondersteuning' duidelijk onderscheiden van 'het maatschappelijk werk'.
In de eerdere versie van het voorontwerp van decreet, die aan de Vlaamse gezondheidsraad ter advies is voorgelegd, was deze dubbele benadering onvoldoende duidelijk geformuleerd. Om die reden is de benaming van de 'dienst voor maatschappelijk werk in het kader van de ziekenfondsen' ook vervangen door 'ziekenfondsdienst' en is de definitie aangepast aan de nieuwe situatie. 16° De term zorgaanbieder is een overkoepelend begrip dat zowel de zorgverstrekkers bedoeld in 19° omvat als niet zorgverstrekkers. De zorgverstrekker verleent zorgen binnen de eerstelijnsgezondheidszorg. De organisaties, diensten en personen die we hieraan toevoegen ondersteunen of vergemakkelijken deze eerstelijnsgezondheidszorg of maken ze mogelijk. Zo maakt een rusthuis de eerstelijnsgezondheidszorg voor de betrokkene mogelijk. Was dat rusthuis er niet, dan zou opname in een van de betrokkene in het ziekenhuis zich opdringen.
Sommige zorgaanbieders bieden activiteiten aan die niet medisch van aard zijn, maar naar de eerstelijnsgezondheidszorg toe wel faciliterend werken, zoals diensten voor gezinszorg bijvoorbeeld.
Anderen bieden naast ondersteunende diensten ook bepaalde activiteiten aan met een medisch karakter, bijvoorbeeld de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB).
Het gaat om een waaier van voorzieningen. Zonder volledig te willen zijn kunnen volgende organisaties en diensten aangezien worden als zorgaanbieders zonder dat ze zorgverstrekkers zijn zoals bedoeld in punt 19° : centra voor algemeen welzijnswerk, diensten voor gezinszorg, locale dienstencentra, dagverzorgingscentra, centra voor kortverblijf, diensten voor oppashulp, rusthuizen), O.C.M.W.'s (openbare centra voor maatschappelijk welzijn), uitleendiensten voor hulpmiddelen, diensten voor maaltijdbedeling, klusjesdiensten, ziekenfondsdiensten enzovoort.
Eventueel kunnen ook centra voor leerlingenbegeleiding, diensten belast met het medisch toezicht op werknemers en consultatiebureau's van Kind en Gezin als zorgaanbieder beschouwd worden, hoewel deze laatste drie een louter preventieve opdracht hebben en wellicht via hun vertegenwoordiging in de Logo (Locoregionaal gezondheidsoverleg en organisatie in het kader van het preventieve gezondheidsbeleid) een netwerk zullen vormen met de zorgverstrekkers.
De term zorgaanbieder benadrukt dat een goede eerstelijnsgezondheidszorg een brede invalshoek kent, niet alleen wat betreft de instroom, maar ook op vlak van de zorgverlening zelf.
De omschrijving van zorgaanbieder, omvat evenwel niet de organisaties, diensten en personen met een meer gespecialiseerd zorgaanbod. 17° Het begrip zorgcontinuüm betekent niet alleen een in de tijd naadloos aaneensluiten van verschillende vormen van zorg, maar ook binnen een bepaalde zorgperiode.Zo zal in het laatste geval, bijvoorbeeld in het kader van een poliklinische bevalling en de bijhorende nazorg, een gelijktijdige goede samenwerking tussen verschillende zorgverleners nodig zijn om een zorgcontinuüm te realiseren. 18° Het zorgplan bevat onder andere gegevens verstrekt door de gebruiker en gegevens uit hun respectievelijke begeleidingsplannen van de personen of diensten die rechtstreeks bij de zorg betrokken zijn, de evaluatie van het verminderd zelfzorgvermogen, een omschrijving van de soort zorg die wordt verstrekt en een afsprakenregeling (wie doet wat wanneer).Het zorgplan wordt beschouwd als een schriftelijk communicatiemiddel tussen de gebruiker en iedere persoon die bij de geplande zorg betrokken is en tussen deze personen onderling. De geplande zorg slaat op de zorg die al dan niet beroepshalve wordt verstrekt, dus ook de zorg door mantelzorgers en vrijwilligers. 19° Het betreft hier voornamelijk beroepsbeoefenaars van de gezondheidszorgberoepen zoals bepaald in het koninklijk besluit nummer 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen van 10 november 1967, met uitzondering van de arts-specialist.Ook groeperingen van deze beroepen die gezamenlijk de beroepspraktijk beoefenen zijn hierin begrepen.
Toch is in deze definitie niet verwezen naar het KB nummer 78 omdat het niet de bedoeling is alle daar vermelde gezondheidsberoepen op te nemen als zorgverstrekker. Momenteel handelt het KB nummer 78 over volgende gezondheidsberoepen : geneeskunde (artsen), tandheelkunde en vroedkunde inbegrepen, en de artsenijbereidkunde (apothekers) (hoofdstuk I); de kinesitherapie (hoofdstuk I bis); de Verpleegkunde met inbegrip van de Zorgkundige (hoofdstuk I ter) en de paramedische beroepen (hoofdstuk II). Bij de paramedische beroepen horen volgende disciplines : Ambulancier (regeling in voorbereiding);
Audicien(regeling in voorbereiding); (KB 6 maart 1997); Diëtist (KB 19 Februari 1997); Ergotherapeut (KB 8 juli 1996); (KB 5 Februari 1997); (KB 2 juni 1993); Logopedie (KB 20 oktober 1994); (KB 24/11/1997); (KB 15 oktober 2001); (KBK 28 februari 1997).
De Vlaamse regering kan, zonder afbreuk te doen aan het KB nummer 78, voor de toepassing van dit decreet andere disciplines als zorgverstrekker erkennen ongeacht deze al dan niet erkend zijn in het kader van het KB nummer 78. Dit zou bijvoorbeeld voorzien kunnen worden voor de maatschappelijk werkers die geïntegreerd werken binnen groepspraktijken of wijkgezondheidscentra.
De ergotherapeut is niet opgenomen in de opsomming omdat in de praktijk deze functie momenteel vooral ingevuld wordt vanuit de opdrachten van welzijnsvoorzieningen. De Vlaamse regering kan, als dit een meerwaarde heeft, echter de ergotherapeut wel opnemen in de lijst van zorgverstrekkers.
De zorgverstrekkers dienen werkzaam te zijn in de eerstelijnsgezondheidszorg. Dit betekent dus dat bijvoorbeeld een ziekenhuisapotheker of een vroedvrouw werkzaam op een kraamafdeling, in het kader van dit decreet niet als zorgverstrekker worden beschouwd. Een vroedvrouw werkzaam in de eerstelijnsgezondheidszorg staat in voor kraamzorg in de thuissituatie, het betreft dus bijvoorbeeld ook niet een vroedvrouw die louter werkzaam is een preventieve setting. Art. 3.Het eerbiedigen van de keuzevrijheid, vermeld in het tweede lid, betekent echter niet dat er in de toekomst geen regels kunnen afgesproken worden inzake de toegankelijkheid tot bijvoorbeeld (hoog)gespecialiseerde zorg. Door een zorgvuldige zorgindicatiestelling kan bijvoorbeeld overconsumptie worden tegengegaan zodat voldoende capaciteit aan gespecialiseerde zorg overblijft voor die personen die er echt nood aan hebben.
Het eerbiedigen van de keuzevrijheid staat evenmin haaks op het eventueel later invoeren van een reglementering die de gebruiker (financieel) stimuleert om te kiezen voor een huisarts die zijn globaal medisch dossier beheert.
Er wordt ook een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van de gebruiker. In een gezondheidszorgsysteem waar de gemeenschap ruime middelen besteedt aan de gezondheidszorgorganisatie, is de responsabilisering van alle betrokkenen aangewezen. Naast de verstrekkers en de ziekenfondsen dienen ook de gebruikers hun verantwoordelijkheden op te nemen.
Het advies van de Vlaamse gezondheidsraad (VGR) van 15 oktober 2002 stelt : « De raad gaat weliswaar akkoord met het principe van keuzevrijheid, maar vindt dat dit wel moet genuanceerd worden om inadequaat gebruik van voorzieningen ('shopping') te vermijden. De raad kan zich vinden in de manier waarop dit in de memorie van toelichting wordt verwoord, en meent dan ook dat de tekst van het decreet meer in overeenstemming hiermee zou moeten geformuleerd worden. Men dient hier preciezer te omschrijven, en er moet duidelijk verwezen worden naar een engagement van de patiënt t.a.v. de zorgverstrekker. De keuzevrijheid van de patiënt moet gaan over een globaal pakket van aanbod dat een bepaalde zorgaanbieder verstrekt, waarbij er ook een engagement is van de patiënt tegenover de zorgverlener, en waarbij vooraf vastgestelde procedureregels bij wijziging van het engagement worden gevolgd. Zoals nu gesteld gaan we niet verder op weg naar een meer georganiseerde en kosteneffectieve zorgverlening ». De VGR adviseerde daarom de laatste zin van het tweede lid van § 1 « De medeverantwoordelijkheid wordt zo veel als mogelijk aangemoedigd. » te vervangen door de huidige tekst : « De medeverantwoordelijkheid van de gebruiker wordt zo veel als mogelijk aangemoedigd, om te komen tot een duurzame en kwaliteitsvolle zorginvulling waarbij samenhang in de zorg en continuïteit in de relatie tussen gebruiker en zorgverstrekker centraal staan ».
Paragraaf twee gaat uit van de noodzaak tot het aanbieden van een zo doeltreffend en doelmatig mogelijke gezondheidszorg. Dit houdt in dat een kwaliteitsvolle zorg moet verleend worden aan een voor de gebruiker en voor de gemeenschap zo gunstig mogelijke kostprijs.
De zorg wordt verleend in een voor de gebruiker vertrouwde omgeving.
Dit kan zowel thuis zijn als in een thuisvervangend milieu : bijvoorbeeld een rusthuis of een rust- en verzorgingstehuis. Een belangrijk aspect van de eerstelijnsgezondheidszorg is dat, vooral in de situaties waar de gebruiker zich niet of moeilijk kan verplaatsen, de zorg ook aangeboden wordt in het thuismilieu van de gebruiker.
Het begrip 'toegankelijkheid' in de derde paragraaf van dit artikel dient in de ruime betekenis van het woord te worden gelezen. Dit kadert ook in het 'gelijke kansen beleid' dat de Vlaamse overheid wil voeren en betekent ook dat bij het verstrekken van zorg ook rekening houden wordt met de menselijke diversiteit. Deze slaat onder andere op factoren als cultuur, gender en vermogenstoestand. Rekening houden met en respect opbrengen voor deze factoren sluit aan bij de idee van 'zorg op maat'. Aandacht voor diversiteit impliceert dat voorzieningen werken, handelen en denken vanuit dit gegeven. Dat uit zich bijvoorbeeld in beleid, methodieken, relatie met gebruikers en omgeving. Om deze gelijke kansen te realiseren is het niet uitgesloten dat positief discriminerende maatregelen kunnen worden overwogen. Art. 4.Dit artikel bevat een niet-limitatieve opsomming van taken die tot de opdracht van de zorgverstrekkers in de eerstelijnsgezondheidszorg behoren. Dit betekent evenwel niet dat deze opdrachten exclusief tot de taken van de eerstelijnsgezondheidszorgverstrekkers behoren. In veel gevallen zal samenwerking met andere zorgaanbieders op de eerste lijn of met gespecialiseerde hulpverleners noodzakelijk zijn om deze taken te realiseren.
Eigen aan de eerstelijnsgezondheidszorg is dat deze eerste deskundige opvang niet voorgeselecteerd is en zich 'ongedifferentieerd' aandient bij de hulpverlener.
Eerstelijnsgezondheidszorg omvat zowel de behandeling van gezondheidsproblemen met een acuut of chronisch karakter, maar ook preventieve gezondheidszorg. De meeste (bevolkingsgericht georganiseerde) primaire en secundaire preventieve acties worden binnen het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid geregeld. De activiteiten binnen het voorliggend decreet zijn aanvullend aan dit preventiedecreet. Het betreft hier zowel individuele primaire (gezondheidsbevorderend gesprek, gerichte tetanusvaccinatie), secundaire (case-finding, zogenaamde 'opportunistische screening') als tertiaire interventies (het voorkomen van het verergeren van een aandoening).
Binnen de eerstelijnsgezondheidszorg treedt de huisarts op als centrale begeleider van de gebruiker doorheen het gezondheidszorgaanbod, en dit van bij zijn geboorte tot zijn overlijden. Uiteraard wordt met de 'huisarts' hier de functie van huisarts bedoeld en niet het individu, of anders gezegd, de begeleiding kan bijvoorbeeld door verschillende huisartsen tegelijk opgenomen worden in een groepspraktijk of door verschillende huisartsen(praktijken) verspreid in de tijd. De toegankelijkheid van het globaal medisch dossier en het doorgeven ervan is hierbij een belangrijke kwaliteitsverhogende randvoorwaarde.
In het kader van de samenwerking met andere hulpverleners dient aangestipt dat het de bedoeling is te werken volgens het subsidiariteitprincipe. Hierbij wordt de zorg verstrekt op het minst gespecialiseerde zorgniveau waar de vereiste deskundigheid voorhanden is om kwaliteitsvolle zorg te bieden. Zo zal de hulpverlener in de eerstelijnsgezondheidszorg ook adequaat ingaan op een verwijzing vanuit een meer gespecialiseerd zorgniveau.
Met betrekking tot dit artikel adviseerde de Vlaamse gezondheidsraad op 15 oktober 2002 om § 1 aan te passen door « de volgende taken » te vervangen door « één of meer van de volgende taken ». Deze aanpassing is niet weerhouden omdat ze te inperkend zou kunnen geïnterpreteerd worden : een zorgverstrekker zou zich dan immers kunnen beperken tot slechts één taak. Anderzijds is het ook niet de bedoeling dat elke zorgverstrekker vanuit zijn opdracht in staat kan worden geacht alle vernoemde taken even goed te realiseren. Daarom was reeds § 2 ingelast. Om deze gedachte nog te verduidelijken werd « vanuit hun eigen professionele deskundigheid » vervangen door « in het kader van hun professionele deskundigheid ». Dit betekent dat de taken dienen gerealiseerd te worden voor zo ver zij kaderen in de deskundigheid die normaal mag verwacht worden - vandaar het adjectief 'professionele' - van een zorgverstrekker van de betrokken discipline. Indien de normaal geachte professionele deskundigheid tekort schiet zullen de zorgverstrekkers, zoals § 2 verder bepaalt, andere zorgaanbieders of organisaties, diensten en personen met een meer gespecialiseerd zorgaanbod inschakelen om de taken te realiseren. Om de betrokkenheid van de gebruiker en zijn omgeving te garanderen is bepaald dat het begeleidingsplan en het zorgplan ook op zijn initiatief kan worden opgestart en opgevolgd door de zorgverstrekker. Dit betekent echter niet dat dit een taak is die exclusief aan de zorgverstrekker is toebedeeld. Art. 5.Om ondermeer een goede afstemming mogelijk te maken met andere regelgevingen, wordt bepaald dat de Vlaamse regering nadere regels kan vastleggen met betrekking tot de opdrachten en taken. Dit kan bijvoorbeeld nuttig zijn in het kader van de evaluatie van het zelfzorgvermogen en het opmaken en opvolgen van het zorgplan. Het is niet de bedoeling om de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen zelf te regelen.
Artsen-specialisten behoren niet tot de eerstelijnsgezondheidszorg. In bepaalde situaties, vandaar de omschrijving 'bijzondere omstandigheden', kan het zinvol en wenselijk zijn artsen van bepaalde specialistische disciplines in te schakelen om de eerstelijnsgezondheidszorg mee te helpen realiseren. Zo kan bijvoorbeeld een geriater een multidisciplinair overleg bijwonen of een psychiater betrokken worden bij het overleg in de psychiatrische thuiszorg. Dit overleg kadert binnen de SEL-werking (artikel 9 § 2 en 10, § 1, 2°). Deze eventuele bijdrage van de arts-specialist kadert in het realiseren van een zorgcontinuüm en doet geen afbreuk aan de positie van de huisarts als spilfiguur van de eerstelijnsgezondheidszorg.
Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling andere organisaties, diensten en personen met een meer gespecialiseerd zorgaanbod dan artsen-specialisten, in bepaalde omstandigheden, een plaats te geven binnen de eerstelijnsgezondheidszorg.
Deze laatste zin is ter verduidelijking toegevoegd na het advies van 15 oktober 2002 van de Vlaamse gezondheidsraad. De VGR stelde voor de tekst van dit artikel te vervangen door : « De Vlaamse Regering kan de modaliteiten uitwerken waaronder artsen-specialisten en andere gespecialiseerde zorgverleners en zorgaanbieders in de tweede en derde lijn, in het kader van een geïntegreerd zorgcontinuüm ondersteunend kunnen optreden voor de eerstelijnsgezondheidszorg. » Deze tekstaanpassing beoogt volgens de VGR ondermeer de instroom in de gezondheidszorg via de eerstelijnsgezondheidszorg te doen verlopen.
Deze aanpassing werd niet opgenomen omdat het bepalen onder welke modaliteiten de zogenaamde 'tweede en derde lijn' de eerstelijnsgezondheidszorg kan ondersteunen, beter niet geregeld wordt in een decreet dat de regels bepaalt voor de eerstelijnsgezondheidszorg, maar wel in een regelgeving waar regels en normen worden bepaald ten aanzien van de 'tweede en derde lijn'. Dit kan, indien dit nodig zou blijken, bijvoorbeeld gebeuren in uitvoering van het decreet betreffende de indeling in zorgregio's en betreffende de samenwerking en programmatie van gezondheidsvoorzieningen en welzijnsvoorzieningen.
Bijkomende argumenten om de door de VGR voorgestelde tekst niet te weerhouden zijn : - conform de definitie van zorgaanbieder - deze heeft per definitie een eerstelijnsfunctie - mag deze term niet gebruikt worden om gespecialiseerde zorgvormen aan te duiden. - 'tweede en derde lijn' is niet gedefinieerd. - « artsen-specialisten en andere gespecialiseerde zorgverleners en zorgaanbieders in de tweede en derde lijn » zou, om coherent te zijn met de rest van het ontwerp, moeten luiden « organisaties, diensten en personen met een gespecialiseerd zorgaanbod ». - de door de VGR voorgestelde formulering laat veel meer ruimte voor uitzonderingen dan bedoeld is. - het door de VGR beoogde doel, ondermeer de instroom in de gezondheidszorg via de eerstelijnsgezondheidszorg te doen verlopen, wordt door haar voorstel van aanpassing niet gerealiseerd. In het tekstvoorstel gaat het immers enkel om ondersteuning van de eerste lijn door de hogere echelon's. Art. 6.Diensten en activiteiten die op de individuele gebruiker gericht zijn worden verleend op het praktijkniveau. Dit kan, bijvoorbeeld, zowel de solopraktijk als de groepspraktijk als het wijkgezondheidscentrum zijn. De dienstverlening betreft zowel de louter medische en paramedische zorg, maar ook de individugerichte organisatorische aspecten die daarmee verband houden. Zo verricht een huisarts die met een kinesist overleg pleegt omtrent een gebruiker, een gebruiker-gebonden activiteit.
De diensten en activiteiten van de zorgverstrekkers zijn niet allemaal gericht op de individuele gebruiker. Een aantal ervan overstijgt de colloque singulier en situeren zich op een niveau waar de zorgaanbieders van een bepaalde zorgregio worden gegroepeerd. Een huisartsenkring die bijvoorbeeld met een vereniging van thuisverpleegkundigen in de zorgregio afspraken maakt inzake dringende hulpverlening, verricht een organisatorische activiteit. Deze activiteit situeert zich op het SEL-niveau. Art. 7.Dit artikel wil onderdak bieden aan de verschillende vormen van samenwerking die zich vandaag reeds spontaan manifesteren.
Dit artikel vormt de decretale basis voor de erkenning en subsidiëring van dergelijke samenwerkingsverbanden, zonder bepaalde vormen van samenwerking op voorhand uit te sluiten of als 'beste' naar voor te schuiven.
Door deze erkenning en/of subsidiëring kan ondersteuning worden geboden aan dat aspect van de eerstelijnsgezondheidszorg bedoeld in het eerste lid van paragraaf 2 van artikel 6, namelijk de activiteiten gericht op de gebruiker op het niveau van de praktijkvoering waar het individueel contact met de gebruiker plaatsvindt en waar nodig multidisciplinair overleg omtrent de gebruiker wordt gepleegd.
Een groot deel van de zorgverstrekkers blijft er de voorkeur aan geven zijn beroep solo uit te oefenen. Volgens gegevens van de WVVH werkt ongeveer 70 % van de huisartsen solo en 30 % in een groepspraktijk.
Meer en meer zorgverstrekkers kiezen voor één of andere samenwerkingsvorm. In de meeste gevallen beperkt dit zich tot een associatie van zorgverstrekkers van dezelfde discipline die samen hun beroep uitoefenen in hetzelfde praktijkgebouw. Soms wordt de samenwerking uitgebreid met zorgverstrekkers van een andere discipline.
Sommige zorgverstrekkers werken samen rond bepaalde items zoals praktijkpermanentie, gemeenschappelijk secretariaat en gemeenschappelijk dossierbeheer zonder dat ze zich in een zelfde praktijkgebouw vestigen.
De meest geïntegreerde vorm van multidisciplinaire samenwerking vormen de wijkgezondheidscentra. Momenteel zijn er 8 wijkgezondheidscentra actief in Vlaanderen.
De beoogde vormen van samenwerkingsverbanden worden in het decreet zelf niet besproken. Daar is bewust voor gekozen, enerzijds om het dynamische karakter van de organisatie van dat aspect van de eerstelijnsgezondheidszorg niet in het gedrang te brengen en anderzijds om een maximale afstemming met de eventuele evoluties in de regelgeving door de Federale overheid, mogelijk te maken.
In haar advies van 15 oktober 2002 merkte de Vlaamse Gezondheidsraad op dat dit artikel nogal vaag was. Dit heeft vooral te maken met de in vorige alinea aangehaalde reden. Toch werd gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de opmerking van de VGR door in de tekst bij § 3 « kunnen onder meer betrekking hebben op » te vervangen door « hebben ondermeer betrekking op ».
Dit betekent dat, indien de Vlaamse regering samenwerkingsverbanden op niveau van de praktijkvoering erkent, de erkenningsvoorwaarden bepalingen zullen bevatten die betrekking hebben op : -- de juridische vorm (vb. feitelijke vereniging of vereniging zonder winstgevend doel) : de Vlaamse regering kan bepalen welke juridische vorm bepaalde samenwerkingsverbanden op het niveau van de praktijkvoering dienen aan te nemen; - de permanentie van de zorgverlening; - de graad van multidisciplinaire werking binnen de praktijk of het samenwerkingsverband; - in welke mate en op welke wijze de gegevens in het individueel gezondheidszorgdossier toegankelijk zijn voor medewerkers die bij de zorgverlening betrokken zijn. Hierbij zal de Vlaamse regering zeker rekening houden met de gevoeligheid van de verschillende gegevens en met de inachtneming van de regelgeving inzake het beroepsgeheim en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; - de doelgroep van gebruikers tot wie het samenwerkingsverband zich voornamelijk richt : zo wordt momenteel bepaald dat wijkgezondheidscentra recht hebben op een subsidiëring van infrastructuur indien ondermeer de verhouding van rechthebbenden en gerechtigden met verhoogde verzekeringstegemoetkoming, als bedoeld in artikel 37 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ten opzichte van het totale aantal bij het centrum ingeschreven rechthebbenden en gerechtigden, hoger ligt dan het landelijk gemiddelde voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, na standaardisering voor leeftijd en geslacht; - de vestigingsplaats van het samenwerkingsverband of de delen er van : zo kan vastgelegd worden dat bepaalde samenwerkingsverbanden op het niveau van de praktijkvoering dienen gevestigd te zijn in éénzelfde gebouw terwijl bij andere samenwerkingsverbanden, al dan niet onder bijkomende voorwaarden, een praktijkuitoefening in verschillende gebouwen kan toegelaten worden.
De Vlaamse regering kan evenwel ook erkenningsvoorwaarden bepalen die betrekking hebben op andere zaken dan deze kenmerken. Art. 8.Door deze erkenning en subsidiëring wordt ondersteuning geboden aan dat aspect van de eerstelijnsgezondheidszorg bedoeld in het tweede lid van paragraaf 2 van art. 6, namelijk de activiteiten gericht op de organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg die de eigen praktijkvoering overstijgen en gebeuren op een niveau waar de zorgaanbieders binnen een bepaald werkgebied hun werking op elkaar afstemmen.
De erkenning door de Vlaamse regering van samenwerkingsinitiatieven eerstelijnsgezondheidszorg (SEL's), is een belangrijke hoeksteen van dit decreet. Hun opdrachten, samenstelling en werkgebied worden in de volgende artikelen bepaald.
Het
protocol van 25 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
protocol
prom.
25/07/2001
pub.
25/09/2001
numac
2001022645
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Protocol gesloten tussen de Federale Regering en de overheden bedoeld in de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet, met betrekking tot de eerstelijnsgezondheidszorg
sluiten gesloten tussen de Federale regering en de overheden bedoeld in de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet, met betrekking tot de eerstelijnsgezondheidszorg, bepaalt engagementen van zowel de Federale overheid als de Gemeenschappen/Gewesten.
Zo engageert de Federale overheid zich ondermeer om uitvoering te geven aan artikel 5, § 1 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wet op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging, gewijzigd door de
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten, het koninklijk besluit nr. 59 van 22 juli 1982 en de
wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
25/01/1999
pub.
06/02/1999
numac
1999021025
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende sociale bepalingen
sluiten dat de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging (GDT) regelt. Inmiddels werd deze verbintenis gerealiseerd door het
koninklijk besluit van 8 juli 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/07/2002
pub.
05/10/2002
numac
2002022602
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Koninklijk besluit tot vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning van geïntegreerde diensten voor thuisverzorging
sluiten tot vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning van geïntegreerde diensten voor thuisverzorging en het ministerieel besluit van 17 juli 2002 houdende vaststelling van de programmatiecriteria voor de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging.
De Vlaamse overheid van haar kant engageert zich ondermeer om de zorgzones te bepalen, de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging te erkennen en wetgeving op te stellen die toelaat bijkomende opdrachten te enten op de werking van de GDT's. Het voorliggend ontwerp van decreet, en in het bijzonder het hoofdstuk IV over de samenwerkingsinitiatieven eerstelijnsgezondheidszorg' samen met het ontwerp van decreet betreffende de indeling in zorgregio's en betreffende de samenwerking en programmatie van gezondheidsvoorzieningen en welzijnsvoorzieningen' beogen dit engagement te realiseren. Beide ontwerpdecreten en hun uitvoeringsbesluiten zullen een adequate afstemming met de regelgeving inzake de geïntegreerde diensten voor thuisverzorging mogelijk maken. Art. 9.Dit artikel beschrijft de opdrachten van het samenwerkingsinitiatief eerstelijnsgezondheidszorg (SEL). Artikel 10 zet deze opdrachten om in concretere taken.
In § 1 wordt een belangrijk werkingsprincipe vooropgesteld om een optimale zorgverlening aan de gebruiker te verzekeren. Dit werkingsprincipe gaat uit van de optie de gebruiker zo optimaal mogelijk aan de samenleving te laten p …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.